CConstaterende datMidden-Delfland
Koppel je AI →
Document · PDF

A 25051 Bijlage - Landschapsbiografie Midden-Delfland (eindrapport 30-06)

Gemeenteraad 23 september 2025, gemeente Midden-DelflandBij agendapunt: Brieven van het college24.307 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Een gevolg van de bedijkingen was dat de natuurlijke afwateringsmogelijkheid van het binnenland via de getijdengeulen en veenriviertjes bemoeilijkt werd. Het bleek steeds lastiger om het water uit de ontginningen snel genoeg af te voeren. In de dijk was een aantal luchten (uitwateringssluizen) aangelegd, waar het water op de Maas kon afstromen, maar dat was niet voldoende om overal droge voeten te houden.

36

Ambachten, heerlijkheden en de oprichting van het Hoogheemraadschap Delfland In de late middeleeuwen organiseerden de bewoners van de ontgonnen gebieden zich in ambachten en (ambachts)heerlijkheden. Dat waren kleine bestuurlijke eenheden met aan het hoofd een (ambachts)heer. In dit deel van Nederland hielden de ambachten zich voornamelijk bezig met de waterstaa. Ze kunnen als een soort voorlopers van de waterschappen gezien worden, al voerden ze daarnaast ook andere bestuurlijke taken uit. De bevoegdheden werden uitgevoerd door schouten en schepenen, die door de ambachtsheer (vaak lokale adel) werden benoemd. Binnen de huidige gemeente Midden-Delfland heeft een groot aantal verschillende ambachten en heerlijkheden gelegen. Zo is het dorp Schipluiden ontstaan uit het grondgebied van maar liefst zeven heerlijkheden: Dorp, Sint Maartensrecht, ’t Woudt, Groeneveld, Hof van Delft, Hodenpijl en Zouteveen. De ambachten kwamen er al snel achter dat men voor de waterbeheersing en met name de afvoer van het overtollige water uit de ontginningen moest samenwerken. De afwatering was gericht op de sluizen in de Maasdijk.

In de dertiende eeuw werden de Geestambachten ten westen van Delft (Monster, Naaldwijk, Rijswijk, Voorburg en Wateringen) en de Zeven Ambachten ten oosten van Delft (bestaande uit Maasland, het Vlaardingerambacht en Schipluiden, de Hof van Delft, Vrijenban, Pijnacker, Kethel en Berkel) samengevoegd en ontstond in 1289 het Hoogheemraadschap van Delfland. De regels en wetten die betrekking hadden op de waterstaat werden in een keur vastgelegd.

Plaatsnamen in Midden-Delfland

Vliet - snelstromend water.

Oude plaats- en waternamen vertellen veel over het landschap en de geschiedenis. Vaak bevatten ze een verwijzing naar de landschappelijke omstandigheden ten tijden van de ontginning. Aan de namen kan bovendien soms afgelezen worden wanneer een nederzetting is ontstaan. Het zijn daarom waardevolle bronnen bij landschapshistorisch onderzoek.

Zweth - grens, scheiding. Een naam die ook in Friesland veel voorkomt. Delf - gegraven waterloop (delven). Klaas Engelbrechtspolder - vernoemd naar een schout van Maasland. Zouteveen - door overstromingen zat hier veel zout in de bodem.

Schipluiden - Schiplede, naar de waterloop de Leede, die als vaarweg diende. Komt voor het eerst voor in de twaalfde eeuw en heeft veel verschillende schrijfwijzen gekend: Schijpliede, Sciepleda, Schiepleda, Scheepleda, Schipluyden. ’t Woudt - een verwijzing naar de natuurlijke moerasbossen die tijdens de ontginning groeiden rond de zavelige kreekruggen waarop het dorp is gesticht.

Duifpolder - een verwijzing naar de vele duiven in het gebied. Commandeursolder - vernoemd naar de Commanderij van de Duitse Orde, die hier veel grond bezit.

Den Hoorn - het woord hoorn verwijst naar een hoek, vaak een hoekig perceel tussen twee wegen of waterlopen. Rond 1100 wordt de nederzetting voor het eerst genoemd onder de naam Dijkshoorn. Abtswoude - van Popta’s Wolde, naar een mogelijk Friese kolonist. De naam (van) Popta komt in Friesland nog op verschillende plaatsen voor. Later verbasterd naar Papsouw. Keenenburg - naar riviertje de Keen(e). Groeneveld - veldnamen verwijzen vaak naar woeste gronden of gebieden die extensief gebruikt werden. Tanthof - ’t anthoofd, uiteinde van een stuk land. Harnaschpolder - har/her = heer, nesse = landtong.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

37

Vlieten, sluizen en vaarten Verspreid over Midden-Delfland zijn nog restanten van natuurlijke waterlopen te herkennen, vaak in de vorm van kronkelende sloten. Om de afwatering te verbeteren werden ze verdiept, vergraven en rechtgetrokken. Dat bleek echter niet voldoende. Daarom werden vanaf de dertiende eeuw verschillende nieuwe afvoerkanalen richting de Maas gegraven, zoals de (Zuid-)Gaag, de Monsterwatering, de Zijde (ca. 1250), de Lookwatering en de Poldervaart (1280). Daarbij maakte men soms, bijvoorbeeld in het geval van de Lookwatering in Den Hoorn, gebruik van de natuurlijke laagtes in het landschap of oude restbeddingen van het Gantelsysteem. De afwatering bleef een probleem, met name in Vlaardingen, waar de sluizen in de Maasdijk het water niet snel genoeg konden afvoeren. In de veertiende

38

eeuw werden daarom de Maaslandse vlieten gegraven. De Maaslandse vlieten bestaan uit de Noordvliet en Middelvliet, die rond 1330 zijn gegraven, en de Boonervliet, die in 1380 volgde.33 De naam ‘vliet’ verwijst naar een snelstromende watergang. Met de aanleg ervan werd de afwatering richting de Maas flink verkort. Vóór de aanleg van de vlieten vormden de polders aan weerszijden van waar nu de Vlietlanden liggen één geheel. Door de vlieten werd het oude ontginningsblok in meerdere delen verdeeld. Daarmee was er in dit deel van Midden-Delfland al vóór de komst van de poldermolens sprake van poldervorming. Omdat de drie vlieten de oorspronkelijke verkaveling volgen, waaieren ze uit. Tussen de vlieten was ruimte voor twee smalle polders; de Foppenpolder en de Sluispolder. Waar de watergangen Afbeelding 2.9 - De drie Maaslandse vlieten en de Vlietlanden op de kaart van Kruikius uit 1712.

in de Maas uitstroomden werden nieuwe spuisluizen aangelegd, waarmee het overtollige water kon worden geloosd. Bij deze sluizen kwam de nederzetting Maeslandsluys tot ontwikkeling, het latere Maassluis.34 Door politieke conflicten tussen verschillende landheren en de steden Rotterdam, Schiedam en Delft was er veel te doen om de vaarverbinding en afwatering via de Schie. Daarom werd er in 1343 een kanaal tussen Overschie en Rotterdam gegraven en splitst de Schie zich sindsdien in een Rotterdamse Schie en een Schiedamse Schie. In 1389 volgde een verdere splitsing, toen Delft toestemming kreeg voor de aanleg van een eigen kanaal naar de Merwede. Daarvoor werd gebruik gemaakt van de bestaande Delf, die sindsdien ook wel de Delftse Schie genoemd wordt. Deze waterloop werd via Overschie door aanleg van de Delfshavense Schie verbonden met de rivier, waar Delft een eigen haven kreeg; Delfshaven.35

Afbeelding 2.10 - De Vlietlanden zijn door de aanleg van de Maaslandse vlieten op een eiland komen te liggen. Oorspronkelijk maakte het gebied deel uit een groter ontginningsblok en stonden er verschillende boerderijen. Omdat het gebied daarna niet meer is ingepolderd, is de bodemdaling hier veel langzamer gegaan en liggen de natte Vlietlanden nu hoger dan de omliggende polders. De Vlietlanden vormen tegenwoordig een waardevol natuurgebied en zijn eigendom van Natuurmonumenten.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

39

1/4

Stad-land-verbindingen door de eeuwen heen

In de middeleeuwen zien we de opkomst van de eerste steden in de omgeving van Midden-Delfland, zoals Vlaardingen, Delft en Schiedam. Als verschillende kernen aan het einde van de middeleeuwen flink beginnen te groeien en stadsrechten krijgen, gaan ze steeds meer druk uitoefenen op het omliggende land. Voornamelijk om te voorzien in de groeiende vraag naar voedsel. Vooral Delft groeide snel, rond 1400 telde de stad zo’n 6500 inwoners. Het buitengebied komt meer en meer in het teken te staan van de voedselproductie. Veel mensen trekken naar de steden om daar hun leven op te bouwen. We zien een opkomst van markten en een groeiend belang van de handel, op toenemende schaal, dat zich in de komende eeuwen alleen maar verder zal ontwikkelen

40

2/5

Het boerenleven door de eeuwen heen In de middeleeuwen drukte het feodale hofstelsel een grote stempel op het boerenleven. Veel boeren waren horig (niet vrij) en waren gebonden aan hun boerderij. Ze moesten hard werken om niet alleen zichzelf en hun gezin te kunnen voeden, maar waren tevens verplicht een deel van de oogst af te staan aan de heer. Bovendien moesten allerlei diensten verlenen of werken op het land van de heer. Nadat het hofstelsel in de late middeleeuwen uiteenviel werden meer boeren eigenaar van hun grond. Wel bleef het een zwaar bestaan, zeker in het steeds natter wordende landschap. Waar er eerst voornamelijk kleine, gemengde bedrijven voorkwamen, zien we vanaf de late middeleeuwen een overgang en specialisatie richting veeteelt. Dat had niet alleen te maken met de vernatting van het landschap, maar ook met de opkomst van de grote steden. Die zorgden voor een grote vraag naar dierlijke producten, zoals melk, boter en vlees.

Afbeelding 2.11 Kaart uit de zestiende eeuw (1512) met de drie Schieën, met linksboven Rotterdam, op de voorgrond Overschie en rechts Delfshaven

Landschapsbiografie Midden-Delfland

41

Boerderijen op de kreekruggen Als gevolg van de maaivelddaling door de ontwatering en oxidatie van de veengebieden kwamen de zandige kreekbeddingen van bijvoorbeeld de Gantel steeds hoger in het landschap te liggen. Daar zat geen veen in de ondergrond, waardoor de ondergrond niet daalde. Vanaf de middeleeuwen begonnen ze als kronkelende ruggen boven het dalende veenlandschap uit te steken en zien we dat steeds meer boerderijen naar deze hogere gronden worden verplaatst. Dit proces staat bekend als reliëfinversie en zorgde er voor dat het huidige landschap er nu totaal anders uitziet dan in de middeleeuwen. Deze zandige kreekruggen leenden zich goed voor bewoning. De bodem was er bovendien vanwege de zavelige ondergrond makkelijker te bewerken. Zo ontstonden er onregelmatige bewoningslinten, die soms wat willekeurig en rommelig in de strakke polders lijken te liggen. Soms kwam er op zo’n kreekrug een dorp tot ontwikkeling. Een mooi voorbeeld daarvan is ’t Woudt, waar in 1277 op het breedste deel van een oude Gantelarm een kerk is gesticht. De verkaveling op de kreekruggen wijkt af van die in de nattere gebieden. Op de kreekruggen komt een blokverkaveling voor, die is opgebouwd uit sloten met een verschillende oorsprong.

Dat zien we bijvoorbeeld in de Woudse polder en de Groeneveldse polder nog goed terug.36 In de rest van het gebied komt een rechte strokenverkaveling met smalle percelen voor. Poldervorming en molens Ondanks de oprichting van het hoogheemraadschap en de aanleg van het nieuwe afwateringsstelsel bleef de vernatting als gevolg van de bodemdaling een groot probleem. Daardoor was akkerbouw zeker vanaf de veertiende eeuw vrijwel nergens in Midden-Delfland meer mogelijk en ging men over op veeteelt. Dat had overigens ook te maken met de opkomende steden zoals

42

Delft en Den Haag, die behoefte hadden aan melk, boter, kaas en vlees. Met de komst van de eerste poldermolens in het begin van de vijftiende eeuw werd het probleem van vernatting voor een deel opgelost. Eén van de eerste poldermolens van Zuid-Holland werd in 1413 bij Schipluiden gebouwd in opdracht van Philips de Blote, de heer van Keenenburg. In de loop van de vijftiende eeuw gaf het Hoogheemraadschap toestemming voor de vorming van nieuwe polders en werden de ontgonnen gebieden opgesplitst.37 Als begrenzing werden lage kades opgeworpen, die het mogelijk maakten het waterpeil per polder te reguleren. De molenbemaling zorgde er echter voor dat het veen nog sneller ging oxideren en het maaiveld nog sneller daalde. Hierdoor werden de gebieden steeds natter en moest het waterpeil verder worden verlaagd. Zo kwam men in een vicieuze cirkel terecht. Op sommige plaatsen verdween het veen volledig en ligt nu klei uit oudere perioden aan het oppervlak. In gebieden waar nog veen in de bodem zit duurt de daling nog altijd voort.

Afbeelding 2.12 (volgende pagina, boven)- Boerderijen en buitenplaatsen op kreekruggen op de kaart van Kruikius uit 1712. De onregelmatige blokverkaveling en de verspreide ligging van de boerderijen op de kreekruggen is hierop duidelijk te zien. Afbeelding 2.13 (volgende pagina, linksonder) - Op de hoogtekaart (AHN4) zijn de kronkelende kreegruggen goed herkenbaar. Omdat de hoogteverschillen soms maar enkele centimeters bedragen, zijn ze in het veld niet altijd te herkennen. Afbeelding 2.14 (volgende pagina, rechtonder) - Op verschillende plaatsen is het reliëf van de kreekruggen wel duidelijk te zien in het landschap, zoals hier in de Duifpolder, waar de weg over de kreekruggen golft. Foto: Hans de Lijser.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

43

44

Verder lezen over deze periode Bakx & Bult 2013. Een opschuivend boerenerf uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Een opgraving in de Lage Abtswoudse Polder, gemeente Midden-Delfland. Delftse Archeologische Rapporten 116. Bakx 2013. Proefsleuvenonderzoek in de Harnaschpolder-’t Scharnier Oost, Midden- Delfland: Romeinse verkaveling en een laatmiddeleeuwse woonplaats. Mens en landschap in de Delftse regio. Deel VI. Delfts Archeologische Rapporten 105. De Bont 2008. Vergeten land. Ontginning, bewoning en waterbeheer in de westnederlandse veengebieden (800-1350). Bult 2006. Een middeleeuwse mansus in de Voordijkshoornsepolder van Delft. Mens en landschap in de Delftse regio. Deel IV. Bult & Penning 2010. Keenenburg III. Een inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven in Schipluiden (gemeente Midden-Delfland). Delftse Archeologische Rapporten 98. Dijkstra 2011. Rondom de mondingen van de Rijn en Maas. Landschap en bewoning tussen de 3e en 9e eeuw in Zuid-Holland, in het bijzonder de Oude Rijnstreek. Van Horssen 2013. Verloren en ontgonnen land. De ontginning van het Westland 700-900. Nonhof 2021. Delfland en de Maasdijk 1100-1300. Tijdschrift voor Waterstaatsgeschiedenis 30:2, 96-110.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

45

46

Hoofdstuk 2 - 400 tot 1550 Wat is er nog te zien uit deze periode? Slagenlandschap met opstrekkende verkaveling Zeer karakteristiek voor Midden-Delfland is het slagenlandschap met opstrekkende verkaveling. De lange, smalle percelen zijn kenmerkend voor het veenweidelandschap. Dit patroon is het resultaat van de grote agrarische veenontginningen in de middeleeuwen. Blokverkaveling Rond de zandige kreekruggen komt een onregelmatige blokverkaveling voor, waarin nog restanten van natuurlijke waterlopen te herkennen zijn. Vlieten en wateringen Om het gebied te ontwateren is vanaf de middeleeuwen een uitgebreid stelsel aan kunstmatige watergangen aangelegd die nog altijd aanwezig zijn. Boerderijen op kreekruggen De hoger gelegen kreekruggen vormden aantrekkelijke woonplaatsen. De boerderijen liggen daardoor vaak als kronkelende linten door de polders Polders en dijken Vrijwel geheel Midden-Delfland is onderverdeeld in polders met kaden en polderdijken. Dit zijn nog altijd bijzonder ensembles met ieder een eigen geschiedenis.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

47

Hoofdstuk 3 Boeren en buitenplaatsen in de vroegmoderne tijd 1550-1800 Na de middeleeuwen veranderde er veel in zowel het landschap als de samenleving van Midden-Delfland. De hoofdzakelijk op landbouw gerichte samenleving specialiseerde zich steeds meer op de bewerking van zuivelproducten aan huis, terwijl de reformatie de basis legde voor een sterke verschuiving in het grondbezit. Mede door de vraag naar landbouwproducten vanuit omliggende steden werden de stad-land verbindingen in het gebied, zowel over land als over water, aanzienlijk verbeterd. Aan de andere kant wisten de stedelingen het agrarische landschap ook steeds beter te vinden, wat er op verscheidene plekken toe leidde dat vermogenden zelfs boerderijen omvormden tot luxe buitenplaatsen.

48

Oorlogsperikelen in Midden-Delfland Vanaf het midden van de zestiende eeuw braken roerige tijden aan voor Midden-Delfland, vooral door de opstand tegen de Spaanse overheersing (zie kader Tachtigjarige Oorlog). Steden zoals Delft en Leiden schaarden zich in 1572 achter de Geuzen en Willem van Oranje, wat leidde tot een radicale omwenteling. Het protestantisme werd de nieuwe leidende godsdienstige overtuiging en de katholieke eredienst werd in het openbaar verboden. Kloosters werden opgeheven en kerken werden ingericht en gebruikt voor de protestantse eredienst.38 Veelal werden de gebouwen zelfs gesloopt, zoals de kloosters Koningsveld aan de Schie, Sion bij Den Hoorn en dat van de Kartuizers langs de Buitenwatersloot. Dit gebeurde in opdracht van de stad Delft om te voorkomen dat de Spanjaarden deze grote gebouwen zouden gebruiken bij een omsingeling van de stad. 39

De gedachte was niet ongegrond. In 1573 belegerde de hertog van Alva Leiden, met als doel de Opstand te breken. Spaanse troepen bouwden schansen (verdedigingswerken) rondom de stad en verhinderden voedseltoevoer. Door de stad te laten verhongeren zou deze zich na enige tijd vanzelf gewonnen geven, zonder militaire verliezen. Delft zou het volgende doelwit worden, als de thuisbasis van Willem van Oranje. Rondom Delft waren al talrijke Spaanse schansen aangelegd, onder meer in Den Hoorn en op de ruïnes van Sion. Een val van Delft zou waarschijnlijk de nekslag hebben betekend voor de opstand, maar zover kwam het uiteindelijk niet. Om een Spaanse overwinning te voorkomen, besloten de Staten van Holland, met naast Willem van Oranje ook onder meer Otto van Egmond (van kasteel Keenenburg) om de dijken door te steken en het land onder water te zetten. Na goedkeuring

Afbeelding 3.2 - Uitsnede van het wandtapijt Het Ontzet van Leiden uit de periode 15871589 (het noorden is links). De Geuzenvloot voer op de ondergelopen weilanden via Delft richting Leiden om daar de stad te bevrijden van de Spanjaarden. In de omgeving van Delft zijn enkele Spaanse schansen gekarteerd, zoals bij Sion en Den Hoorn.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

49

De Opstand tijdens de Tachtigjarige Oorlog Na de troonafstand van keizer Karel V in 1555 gingen zowel Spanje als Nederland over op zijn zoon Filips II. Doordat het koningschap van Spanje veel aandacht eiste werd het Nederlandse grondgebied in beheer gegeven aan Margaretha van Parma, al had Filips de touwtjes nog wel stevig in handen. Zo werd de politieke invloed van de adel, die een sterke rol vertegenwoordigde in de Raad van State als adviesorgaan van de vorst, onder Filips stevig teruggebracht. Daarnaast trad hij als overtuigend rooms-katholiek hard op tegenover andere geloofsovertuigingen. Met name het calvinisme had in de loop van de zestiende eeuw in verscheidene Nederlandse steden, waaronder Delft, flink wat medestanders gevonden. Talrijke edelen brachten een pleidooi aan landvoogdes Margaretha voor meer tolerantie onder de geloofsovertuigingen. Hoewel hier gehoor aan werd gegeven, was het leed al geschiedt. Onder een groot deel van de calvinisten was veel onvrede over de rooms-katholieke invloed, wat uiteindelijk in 1566 de Beeldenstorm inluidde. Als reactie op de onrust in de Nederlanden besloot Filips om zijn gezant de hertog van Alva naar Nederland te sturen. Met harde hand werden de protestantse opstandelingen (ketters) bestraft. Dit leidde tot nog meer verzet en vormde het begin van de Opstand, onder leiding van edelman en prins Willem van Oranje.

van het hoogheemraadschap werd de plaatselijke agrarische bevolking op de hoogte gesteld en verzocht hun boerderijen onmiddellijk te verlaten. Veel van hen zochten onderdak in Delft.40 Na enige weken was het water voldoende gestegen om de Spanjaarden uit hun schansen te verdrijven. De Geuzen wisten per platbodem (een schip met een platte onderkant) de belegerde stad Leiden te bereiken en haar te bevrijden. Hoewel

50

de dreiging van de Spanjaarden hiermee in dit gewest voorbij was, had de oorlogsvoering een groot litteken in het landschap achtergelaten. Veel inwoners waren gestorven door hongersnood of ziekte, verscheidene boerderijen en versterkte huizen waren vernietigd. Grote oppervlakten aan vruchtbaar land in het gebied hadden zwaar te lijden onder de inundatie. De meeste poldermolens waren afgebroken. Pas vanaf 1576 werden de molens weer opgebouwd en begon men de ondergelopen gronden weer droog te malen.41 Pacht hoefden de boeren in die periode niet te betalen. Een land van gras en zuivel Verreweg het merendeel van Midden-Delfland bestond uit grasland. Door de voortdurende bodemdaling op de veengronden verschoof de landbouw in Midden-Delfland al aan het eind van de middeleeuwen naar veeteelt. Deze verschuiving werd in de loop van de zestiende en zeventiende eeuw nog verder doorgevoerd. De import van goedkoop graan uit de Baltische staten maakte veeteelt in die periode ook economisch aantrekkelijker dan akkerbouw. Om het gebied te kunnen blijven gebruiken als weide was een goed bemalingssysteem noodzakelijk.

Binnen het grondgebied van de huidige gemeente Midden-Delfland waren hiervoor ruim een tiental poldermolens aanwezig, die afwaterden op de bredere sloten en vervolgens op het boezemwater in de vlieten richting het buitenwater (de Maas en Scheur).42 Het kunstmatig verlagen van de waterstand in de polders had echter tot gevolg dat de bodem bleef dalen door veenoxidatie. Daardoor waren er in de loop der tijd meer molens nodig om het waterpeil te beheersen. In tijden dat een goede afvoer niet mogelijk was, konden bepaalde gebieden worden ingezet voor waterberging (bergboezem). De Vlietlanden fungeerden bijvoorbeeld geruime tijd als zo’n extra boezem.43

Als gevolg van de bodemdaling werden vanaf 1500 windassen (overtomen) geplaatst op de dijken langs boezemwateren. Met deze windassen konden schuitjes, bijvoorbeeld met zuivelproducten, vanuit de steeds lager liggende polders naar het hoger gelegen boezemwater worden gehaald. In een ruime omtrek van Delft hebben maar liefst 56 windassen gestaan. Enkele jaren geleden is er één tussen de Zouteveensche Polder en de Holierhoeksche Polder op de grens van de gemeenten Midden-Delfland en Vlaardingen gereconstrueerd. De polders liggen hier inmiddels ongeveer 3½ meter lager dan in de periode van het ontginnen. De invloed van de Reformatie Uit een gedetailleerde reconstructie van het landgebruik in ambacht Maasland is gebleken dat 95% van de landerijen aan het begin van de zestiende eeuw nog in handen was van kloosters of (stedelijke) instellingen.44 Zij verpachtten die gronden onder de lokale inwoners. Dit waren veelal kleine boerenbedrijven, waarbij de veestapel gemiddeld uit slechts tien tot twaalf beesten bestond. Dit beeld veranderde na de inbeslagname van katholieke eigendommen op last van de Staten van Holland in 1573. Om de oorlogskas te spekken werden veel van deze gronden aan het eind van de zestiende eeuw te koop aangeboden. Voor een deel werden de gronden opgekocht door de lokale boeren, gestimuleerd door de hoge prijzen voor zuivelproducten.

Het merendeel werd echter opgekocht door stedelingen die investeerden in grondbezit. Deze stedelingen kenden veelal een agrarische achtergrond en hadden agrarischgerelateerde beroepen zoals bierbrouwer of kaas- en boterhandelaar. Door deze verandering verschoof het grondbezit in relatief korte tijd van enkele grote landeigenaren naar een brede groep particulieren.

Kaas en boter als belangrijk exportproduct De hoge prijs voor zuivelproducten hing samen met de grote vraag vanuit de omliggende steden zoals Delft. en Den Haag. Dit had als gevolg dat veel agrarische bedrijven in Midden-Delfland zich gingen specialiseren, waarbij de nadruk op boter, kaas en melk kwam te liggen. Zo stonden de landerijen rondom ’t Woudt bijvoorbeeld eeuwenlang bekend om hun kaas en boter.45 Ook werden zuivelproducten geëxporteerd naar het buitenland, waaronder Engeland. Voor de boeren braken hiermee met name in de zeventiende eeuw gouden tijden aan. Het belangrijkste element voor de veeteelt, namelijk gras, was immers ruimschoots voorhanden in de polders in Midden-Delfland. De lagere graslanden die minder geschikt waren als weiland werden volop benut als hooiland voor het wintervoer. Een van deze gebieden was de Vlietlanden, waar het hooi soms wel aan twintig boeren uit de naaste omgeving werd verpacht.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

51

2/4

Verbindingen tussen stad en land Aanvankelijk waren de boerderijen in MiddenDelfland vooral bereikbaar via modderige zandpaden en smalle waterwegen. Vervoer van landbouwproducten naar de stad verliep voornamelijk per boot via een uitgebreid stelstel van sloten en vlieten. De toegenomen handel met het buitenland en sterke bevolkingsgroei in de regio maakten dat de omliggende steden meer dan ooit tevoren de verbinding met het omliggende platteland opzochten. Er werden windassen geplaatst om goederen vanuit de lager gelegen polders naar hoger gelegen boezemwateren te transporteren. En Delft kreeg directe verbindingen over het water met Maassluis en Vlaardingen, wat de afzet van zuivel en andere producten sterk vergemakkelijkte. Zo ontwikkelde Midden-Delfland zich van een lastig bereikbaar agrarisch gebied tot een goed ontsloten landschap, nauw verbonden met de omliggende steden

52

3/5

Het boerenleven door de eeuwen heen Tussen 1500 en 1800 veranderde het boerenleven in Midden-Delfland ingrijpend, met grote gevolgen voor de boeren zelf. Door bodemdaling en goedkope graanimport vanuit onder andere de Baltische staten schakelden veel boeren noodgedwongen over van akkerbouw naar veeteelt en zuivelproductie. De vraag naar melk, kaas en boter uit omliggende steden bracht nieuwe kansen, maar ook druk om te specialiseren en te investeren. Steeds meer boeren begonnen zich te richten op de handel. Het is ook in deze periode dat het karakteristieke beeld van Midden-Delfland van groene, open weilanden met koeien definitief vorm kreeg. In eerste instantie was de veestapel nog relatief klein met hooguit tien runderen per bedrijf, al was dit aantal in de loop van de zeventiende eeuw al verdubbeld. Wel bleef het boerenbestaan kwetsbaar en was de agrarische markt sterk afhankelijk van externe invloeden. Mede daardoor werden ook andere bronnen van inkomsten ingezet, zoals kleinschalige tuinbouw of het vangen van eenden in eendenkooien.

Afbeelding 3.3 - Hoewel dit schilderij van eind negentiende eeuw dateert, geeft dit wel een goede impressie van het landschapsbeeld van Midden-Delfland uit de eeuwen ervoor. Het gebied bestond destijds nog uit uitgestrekte weilanden in de polders, van elkaar gescheiden door kleine sloten, waar de boeren nog het land in moesten om de koeien te melken (Bron: Collectie Rijksmuseum).

Landschapsbiografie Midden-Delfland

53

Het vangen van wilde eenden Niet alle landbouwgrond werd ingezet voor veeteelt. In Den Hoorn bestond al vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw kleinschalige tuinbouw, ook wel warmoezerijen genoemd. Op de Kruikiuskaart van 1712 zijn deze tuinbouwgebieden zeer gedetailleerd gekarteerd. In de negentiende eeuw kwam ook in Maasland de tuinbouw op. De teelt bedroeg daar vooral fruit. Daarnaast werd op de meest drassige gronden een aantal eendenkooien aangelegd, waar kooikers met behulp van tamme eenden en een kooikershondje wilde eenden vingen. Het hebben van een eendenkooi was een heerlijk recht, (een speciaal voorrecht), dat aanvankelijk alleen voorbestemd was voor adelijke kasteelheren en -vrouwen. Onder andere Huis ten Dorp, de Keenenburg en de ridderlijke Duitse Orde bezaten deze rechten. Later waren het vooral rijke stedelingen die eigenaar van eendenkooien in Midden-Delfland waren. Hoewel de inkomsten uit de kooi sterk wisselden, konden hiermee toch ook de vanuit agrarisch oogpunt kwalitatief minste gronden rendabel worden gemaakt. De eendenkooien lagen vaak ver van de boerderij, wat de rust rondom de kooi bevorderde. Daarnaast golden zogenaamde afpalingsrechten: binnen een bepaalde straal mochten geen verstorende activiteiten plaatsvinden. Dit had nogal wat gevolgen voor het dagelijkse leven, waardoor het aanleggen van een eendenkooi ook niet zomaar kon gebeuren.

Er lagen zes eendenkooien in het gebied, onder meer in de omgeving van Maasland, ten zuiden van Schipluiden en in de Kralingerpolder. Hiervan zijn vier eendenkooien bewaard gebleven: één in de Zouteveense Polder, één in de Aalkeetbuitenpolder (beide van Natuurmonumenten), één in Pijnacker en één recent gereconstrueerde kooi in de Commandeurspolder.

54

Afbeelding 3.4 - Binnen de gemeentegrenzen van MiddenDelfland zijn in het huidige landschap nog drie eendenkooien aanwezig. De eendenkooi in de Commandeurspolder was geruime tijd in bezit van de Ridderlijke Duitse Orde en is na verval recentelijk weer gerestaureerd door een particuliere eigenaar. De andere eendenkooi ligt ten oosten van Schipluiden en is in eigendom van Natuurmonumenten, waar de kooi wordt gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek. Ook ten zuidwesten van Pijnacker en in de Aalkeetbuitenpolder liggen nog oude eendenkooien, waarbij laatstgenoemde in eigendom is van Natuurmonumenten, met een geldend afpalingsrecht van 1130 meter.

Te land en te water Hoewel het boerenbedrijf zich in deze vroegmoderne tijd sterk specialiseerde en veel zuivelproducten aan huis werden verwerkt, moesten de producten nog wel naar de markt worden vervoerd. Destijds was dat veel lastiger dan nu het geval is. De wegen bestonden hoofzakelijk uit kleipaden, die in natte perioden slecht begaanbaar waren. Veel boerderijen waren alleen via het water bereikbaar. Vervoer per boot, gebruikmakend van de vele sloten en vlieten, was dan ook eeuwenlang een essentiële verbinding tussen stad en platteland. De trekvaart tussen Delft, Maassluis en Vlaardingen Hoewel het vervoer over water feitelijk de snelste route was, betekende dat niet dat men ook altijd snel was. De kleine zeilschepen waren afhankelijk van de wind, waardoor het, vooral op langere afstanden, lastig te voorspellen was wanneer een schip zou aanmeren. In de zeventiende eeuw werd hierop de trekvaart geïntroduceerd. Door een pad langs de waterwegen aan te leggen, konden schepen met paarden (of in het geval van armere schippers door vrouwen en kinderen) worden voortgetrokken.46 Dit was sneller en betrouwbaarder dan varen op windkracht. Daarnaast had de trekschuit als voordeel dat deze overdekt was, wat met name bij slechte weersomstandigheden een zeer fijne bijkomstigheid was. In Midden-Delfland waren twee trekvaarten aanwezig, beide met Delft als belangrijk eindstation.

Vanuit daar waren er weer verdere trekvaartverbindingen richting Leiden en Den Haag, die al in een eerder stadium waren aangelegd. Ook de trekvaart langs de Delftse Schie, die de verbinding verzorgde tussen Delft, Schiedam, Delfshaven en Rotterdam behoorde tot deze eerdere trekvaartroutes. In 1645 werd de verbinding tussen

Afbeelding 3.5 - De trekvaartroutes tussen Maassluis/ Vlaardingen en Delft stonden niet op zichzelf. Al in 1636 was er een trekvaartverbinding tussen Delft en Rotterdam/Schiedam en enkele jaren later werd de verbinding met Leiden en Den Haag gerealiseerd. De route tussen Delft en Den Haag gold geruime tijd zelfs als één van de drukste van Holland. Met de toevoeging van Maassluis en Vlaardingen werd Delft een centraal punt binnen de trekvaartdiensten. De route naar Maassluis liep via Schipluiden en de Vlaardingervaart, waar hij aantakte op de Noordvliet richting Maassluis. Voor de bestemming Vlaardingen hoefde de schipper enkel de Vlaardingervaart af te reizen.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

55

Delft en het achterland versterkt met een trekvaart naar Maasluis. Deze trekvaarroute was primair bedoeld voor het transport van verse vis uit Maassluis, maar werd aanvullend ook gebruikt voor passagiersdiensten. De verbinding over water was al goed, men hoefde enkel de kades te versterken zodat ze geschikt waren als jaagpad voor de trekpaarden. Doordat Delft als markcentrum afhankelijk was van de producten uit het achterland, had de stad er veel baat bij dat deze verbindingen in goede staat waren.47 De gehele aanleg en ouderhoud van de trek- of jaagpaden langs de vaarten kwam daarmee voor tweederde voor rekening van het stadsbestuur. Het andere deel werd betaald door de heer van Keenenburg, als ambachtsheer van Schipluiden, Maasland en Maassluis. Een kleine tien jaar later, in 1654, werd ook de trekvaartroute naar Vlaardingen voltooid. Deze dienst voer maar één tot twee keer per dag, de dienst tussen Delft en Maassluis maarliefst zes keer per dag. 48 Op de

56

donderdagen was het vanwege de Delftse weekmarkt extra druk op het water. Net als de route naar Maassluis werd de trekvaart naar Vlaardingen ook ingezet voor passagiersdiensten. Mensen konden daarbij kiezen voor een plek in de roef of, een stuk voordeliger, in de vrachtruimte tussen de handelswaar.

Afbeelding 3.6 - Doordat de trekschuiten werden voortgetrokken vanaf de zijkant, kon het eenvoudig gebeuren dat de schuit bij scherpe bochten tegen de kant zou raken. Om dit te voorkomen werden op deze plekken, zoals hier bij de aantakking van de Noordvliet op de Vlaardingervaart, gebruik gemaakt van zogenaamde rollepalen. De lijn tussen het trekpaard en de schuit werd om de rollepaal gelegd en door het geven van tegenroer kon de boot vervolgens zonder problemen de bocht maken. Op de foto is een replica van de rollepaal te zien, met daarnaast het standbeeld van de beroemde schilder Johan Barthold Jongkind. Bij Schipluiden staan, naast drie andere replica’s, ook nog twee originele rollepalen.

Afbeelding 3.7 - (boven) - In 2023 is op de plek van een originele windas bij de Zonnehoeve ten noorden van Vlaardingen één van deze windassen weer in ere hersteld. Foto: Henk Groenendaal. In Midden-Delfland en omgeving hebben circa 56 windassen gestaan, veelal bij een molen. Op de Kruikiuskaart van 1712 zijn al deze locaties nauwkeurig gekarteerd. De schipper kon zijn boot op de balken van de installatie leggen, waarna de boot door middel van een windas met lier en touw uit het water werd gehesen. Aan de andere zijde kon de boot vervolgens op dezelfde manier weer worden neergelaten. De naam windas heeft dus niets met wind te maken, maar is afgeleid van het opwinden van het touw.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

57

Kerkenpaden door de polders Vervoer via het water was niet altijd de beste manier. Al vanaf de middeleeuwen gebruikten mensen polderkades als wandelpaden naar de kerk. Dat was niet enkel vanuit het geloof, de kerkgang was ook een sociaal moment waarin dorpsnieuws werd gedeeld. Zondag na zondag liepen groepen inwoners van Midden-Delfland door de polders naar de kerken in Maasland, Schipluiden en ’t Woudt.49 In eerste instantie ging iedereen naar een katholieke kerk, maar na de Reformatie ontstonden er zowel katholieke als protestantse gemeenten. De ‘geitenpaadjes’ over de polderkades en in de polders groeiden op deze manier in de loop der eeuwen uit tot vaste routes. Sommige ervan werden zelfs betegeld en

op historische kaarten, zoals die van Nicolaas Kruikius uit 1712, zijn ze duidelijk te zien. Door hun verbinding met de kerken werden de paden bekend als kerkenpaden. Ook schoolkinderen maakten dankbaar gebruik van deze paden. De scholen vond men immers in dezelfde dorpen als de kerk en de kerkenpaden waren de snelste route hiernaartoe. Vier van deze historische routes in Midden-Delfland kunnen nog steeds worden bewandeld: de Voddijk, de Tanthofkade, het Doelpad en het Dijkpolderpad.

Afbeelding 3.8 (links) Overzichtskaart met alle historische kerkenpaden en aangrenzende voetpaden in Midden-Delfland, gebaseerd op de gedetailleerde Kruikiuskaart uit 1712. De paden liepen dwars door de polder en niet zelden moesten sloten door middel van planken of vlondertjes worden overbrugd. Hoewel het oude gebruik door de lokale gemeenschap al enige tijd niet meer van toepassing is en verscheidene paden zijn verdwenen, kunnen vier kerkenpaden nog steeds worden bewandeld. Afbeelding 3.9 (volgende pagina) - De Tanthofkade is een oude dijk die lange tijd in gebruik is geweest als kerkenpad. Tegenwoordig vormt het een veelgebruikt recreatief wandelpad.

58

Landschapsbiografie Midden-Delfland

59

Van boerderij naar buitenplaats Eerder in dit hoofdstuk werd al verteld dat een deel van de geconfisqueerde goederen van religieuze instellingen eind zestiende eeuw werden opgekocht door lokale boeren en stedelingen. De meeste boeren waren als gevolg van de oorlogssituatie echter tot de eerste decennia van de zeventiende eeuw sterk verarmd. Negatieve economische ontwikkelingen in de melkveehouderij maakten de situatie voor de boeren er niet beter op. Als gevolg van een daling van de zuivelprijzen waren agrariërs genoodzaakt te bezuinigen op arbeid of de veestapel, soms op beide. Dit had een verminderd onderhoud van de landerijen als gevolg, wat weer resulteerde in een slechtere kwaliteit. Boerderijen dienden daarnaast te worden hersteld of herbouwd tot stenen boerderijen. Om dit te bekostigen waren de boeren afhankelijk van geldschieters. Dit waren veelal de vermogende stedelingen, die de boerderijen in eigendom namen en omvormden tot zomerverblijven. Specifiek voor dat doel bevatten de boerderijen veelal een speciaal ingerichte herenkamer, waar de vermogende eigenaren in de zomer vertoefden. De buitenplaatsen Koningsrust, Noord-Nieuwland (beide in de omgeving van Maasland) of Hodenpijl (bij Schipluiden) zijn enkele voorbeelden van buitenplaatsen die hun oorsprong als boerenbedrijf hebben.

Ook werden locaties van (reeds vervallen) kastelen, kloosters of versterkte huizen gebruikt om een nieuwe buitenplaats te stichten. Een voorbeeld is het terrein van het voormalige klooster Sion, dat eigendom werd van Cornelis van Soutelande, een Delftse schepen (openbaar bestuurder). Een van zijn opvolgers liet er een nieuwe boerderij bouwen, die tevens werd voorzien van een herenkamer voor het verblijf van de familie in de zomermaanden. Latere eigenaar Daniël van Hogendorp, baljuw en dijkgraaf van het hoogheemraadschap van

60

Schieland, vormde het geheel in de zeventiende eeuw om tot een lusthof, dat later uitgroeide tot een omvangrijke buitenplaats. 50 Hoewel de eigenaren aanzienlijke bedragen investeerden in hun landgoederen, verbleven ze er doorgaans dus alleen in de zomer.51 Het dagelijkse beheer lag in handen van een pachtboer, die vaak zijn intrek kon nemen in een boerderij nabij de buitenplaats. Bij de grotere buitenplaatsen werd de pachtboer ondersteund door tuinmannen. Zij hadden de zorg voor de siertuin, moestuin en fruitbomen in de boomgaard. Met name in de zomermaanden, wanneer de eigenaren hun intrek deden en vaak gasten ontvingen, moest alles er piekfijn uitzien. Zo is van buitenplaats Hodenpijl bekend dat het erf en het plein in de maanden mei tot en met augustus afgesloten diende te worden en vrij moest zijn van vuilnis en vee.52 Op dezelfde buitenplaats was ook geruime tijd in één van de boerderijen een schuilkerk gevestigd. Het vrij uitoefenen van het katholieke geloof was immers ten tijde van de Reformatie niet geoorloofd. In dergelijke geïmproviseerde onderkomens konden de katholieken ondanks het openbare verbod alsnog hun geloof belijden en trouwgeloftes afnemen. Onder meer de bekende schilder Johannes Vermeer is in 1653 in deze schuilkerk getrouwd. In 1840 werd aan de overzijde van de straat een nieuw kerkgebouw opgericht.

Dit gebouw wordt tegenwoordig gebruikt als biologisch restaurant en cultuurkerk, onder de naam Op Hodenpijl.

Afbeelding 3.10 (boven) - In 1634 krijgt landmeter Floris Jacobsz de opdracht om het grondbezit van de buitenplaats Hodenpijl te karteren. Op deze uitsnede is het erf van Hodenpijl te zien, met de hofstede, bijgebouwen en twee hooibergen. De hoeveelheid aan iconen geeft duidelijk weer dat het erf destijds volop beplant moet zijn geweest met opgaande bomen. Afbeelding 3.11 (rechts) - In de loop van de zeventiende eeuw en achttiende eeuw veranderde het voormalige kloosterterrein Sion van een boerderij naar een omvangrijke buitenplaats in barokke stijl. Van deze laatste periode dateren nog enkele fraaie gravures uit ongeveer 1725. Bron: Stadsarchief Delft.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

61

Afbeelding 3.12 - Uitsnede van de Kruikiuskaart uit1712. In het open poldergebied zijn talrijke buitenplaatsen zichtbaar als groene eilanden. Dit konden zowel uitgebreide boerenbedrijven zijn zoals bij Hodenpijl, of juist eerdere statige locaties zoals kasteel Keenenburg (linksonder) en Sion (rechtsboven). De groene strook bij Den Hoorn, ten zuiden van Sion, was geen buitenplaats maar een cluster van kleine tuinbouwgebieden (warmoezerijen).

62

Streekeigen boerderijen in Midden-Delfland In het overwegend agrarische landschap van MiddenDelfland zijn nog talrijke historische boerderijen terug te vinden. Sommige hebben nog een vrijstaand erf middenin de polder, andere zijn inmiddels geheel ingebouwd door dorpsuitbreidingen. De historische boerderijen zijn grotendeels (overblijfselen van) zogenaamde hallehuisboerderijen, die op veel plekken in Nederland voorkomen. Hierbij is de boerderij opgedeeld in drie delen (beuken), met een hoge middenbeuk en een twee smallere beuken aan weerzijden. Aan de voorzijde bevond zich het woongedeelte, aan de achterzijde was het werkgedeelte (middenbeuk) en de veestalling (zijbeuken). De woon- en werkgedeelten waren van elkaar gescheiden door een dikke stenen brandmuur. Specifiek voor deze regio was het zogenaamde Delftse type van de hallehuisboerderij. Waar de meeste hallehuisboerderijen een rechthoekige plattegrond hadden, waren in de omgeving van Delft veelal boerderijen met een L-vormige plattegrond. Dit had te maken met het grote belang van de zuivelproductie, waarbij een grotere kelder noodzakelijk was. Deze uitbreiding vond plaats in de ‘korte poot’ van de L. Erg typerend voor deze regio is dat de keldervensters altijd in de voorgevel zichtbaar zijn. Door de continue ontwikkelingen in de landbouw waren ook de boerderijen aan verandering onderhevig.

Met name in de loop van de negentiende en twintigste eeuw zijn tal van wijzigingen opgetreden. Zo is de boerderijvorm in sommige gevallen weer teruggebracht naar de rechthoekvorm (langhuistype), zijn de stalgedeelten (lange poot van de L) uitgebreid en/of is het voorhuis vergroot (T-plattegrond). Ook kenmerkende

bijgebouwen zoals de hooiberg, later vervangen door een hooischuur of hooitas, of wagenbergingen zijn op verscheidene locaties nog aanwezig. Een zeldzaam, maar eveneens karakteristiek onderdeel van het boerenerf zijn de zogenaamde ouderwoningen. Dit waren kleine, maar op zichzelf staande boerderijen, waar de (groot)ouders van de boer in verbleven. Een mooi exemplaar hiervan bevindt zich aan de Duifpolder 3 te Maasland.

Afbeelding 3.13 - De Karperhoeve in Maassluis is misschien wel één van de mooiste voorbeelden van historische boerderijen in Midden-Delfland. De boerderij stamt uit 1711 en bevat onder meer nog een ouderwetse grupstal in het achterdeel en een melkschuurtje aan de zijgevel. De gehele boerderij heeft een rijksmonumentale status. Foto: Beeldbank Rijksdienst Cultureel Erfgoed.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

63

64

Hoofdstuk 3 - 1550 tot 1800 Wat is er nog te zien uit deze periode? Trekvaarten en jaagpaden De brede vaarten hadden eeuwenlang een dubbelrol als belangrijke stad-landverbinding, waarbij trekschuiten zowel goederen als personen vervoerden. Al deze routes zijn nog aanwezig, net als de bijbehorende jaagpaden Eendenkooien De rust en ruimte in Midden-Delfland maakten het gebied zeer geschikt voor eendenkooien. Vier van deze kooien zijn nog altijd als groene eilanden in het weidegebied aanwezig. Boerderijen en buitenplaatsen Midden-Delfland is een sterk agrarisch gebied, wat zich uit in de talrijke historische boerderijen en erven die verspreid over het landschap liggen. Sommigen werden uitgebouwd tot zomerverblijf of buitenplaats voor de gegoede burger. Een mooi voorbeeld is Hodenpijl tussen Schipluiden en den Hoorn. Kerkenpaden Om vroeger van de woning naar school of naar de kerk te gaan, maakte men gebruik van kerkenpaden dwars door de polders. Op vier locaties zijn deze kerkenpaden hersteld en kunnen ze nog altijd door wandelaars worden belopen. Molens In het veenweidelandschap is een goede waterbeheersing van levensbelang. Al in de zestiende eeuw werden molens ingezet om het water vanuit de poldersloten naar de boezem af te voeren. De meeste zijn inmiddels vervangen, al resteren nog enkele fraaie exemplaren. Landschapsbiografie Midden-Delfland

65

Verder lezen over deze periode Abrahamse, van der Zee & Kosian 2016. Atlas van de Schie. 2500 jaar werken aan land en water. Bieleman 2008. Boeren in Nederland. Geschiedenis van de landbouw 1500-2000. Van der Broeke et al. 2019. Buitenplaatsen in het Westland. Met smaak en tot voordeel aangelegd. Genootschap Oud-Westland. Groenveld & Leeuwenberg 2022. De Tachtigjarige Oorlog. Opstand en consolidatie in de Nederlanden (1559-1650). IJsselstijn & van Mil 2016. Atlas van het Westland. 10.000 jaar ruimtelijke ontwikkeling. Moerman 2010. Klooster, buitenplaats en tuinbouwgebied. De rijke historie van het Rijswijkse Sion. Moerman & van Ooststroom 2009. Op een uur gaans….: historische aspecten van de ambachtsheerlijkheid Zouteveen. De Wilt 2015. Landlieden en hoogheemraden. De bestuurlijke ontwikkeling van het waterbeheer en de participatiecultuur in Delfland in de zestiende eeuw. Van der Zee & Wellenberg 2021. Atlas van de trekvaarten in Zuid-Holland. KAAder kerkadvies 2023. Kerkenvisie MiddenDelfland

66

Landschapsbiografie Midden-Delfland

67

Hoofdstuk 4 Grote ontwikkelingen 1800 - 1950 In de loop van de negentiende en twintigste eeuw werd een aantal ingrijpende veranderingen in MiddenDelfland doorgevoerd. Aangejaagd door de industriële revolutie vanuit Engeland werden infrastructuur en het waterbeheer aanzienlijk verbeterd, wat onder meer leidde tot de opkomst van de tuinbouw in het gebied. De introductie van veilingen en coöperaties zorgden voor een efficiëntere handel en een vergrote afzet van producten, zowel naar omliggende steden als naar het buitenland. Dit had echter ook zijn weerslag op het landschap. Uitgestrekte polders raakten doorsneden met rechtlijnige structuren zoals spoorlijnen. De trekvaart raakte overbodig na de komst van spoorlijnen en vrachtauto’s en tal van groene elementen, zoals eendenkooien en geriefhoutbosjes, verdwenen uit het gebied.

68

Investeringen in het landschap Aan het begin van de negentiende eeuw werd Nederland ingelijfd bij het Franse keizerrijk, waarmee nieuwe tijden aanbraken voor Midden-Delfland. Niet alleen werden er op bestuurlijk niveau tal van wijzigingen doorgevoerd (zie kader ambachten en gemeenten), ook in het landelijk gebied waren de veranderingen zichtbaar. Onder leiding van koning Lodewijk Napoleon werd er flink geïnvesteerd om de welvaart in Nederland te herstellen, ook al was dit vooral bedoeld om de Franse staatskas te spekken. Het bevorderen van handelsverkeer stond hierbij centraal. Een netwerk van Rijksstraatwegen Tot ver in de negentiende eeuw bestond het wegenstelsel grotendeels uit modderige kleipaden. Dit maakte intensief verkeer lastig. Onder Frans bewind werd daarom een netwerk van Rijksstraatwegen aangelegd, bestaande uit kaarsrechte, verharde wegen die steden met elkaar verbonden. 53 Onder koning Willem I 1815-1840 werd dit stelsel verder uitgebreid en in 1850 voltooid. Ook tussen Delft en Maassluis kwam een Rijksstraatweg te liggen, als onderdeel van de verbinding tussen Den Helder en Hellevoetsluis. De aanwezigheid van dergelijke verharde wegen verbeterde de bereikbaarheid van de regio aanzienlijk. Dit had direct een positief effect op de landbouw, omdat producten gemakkelijker over de weg naar stedelijke markten vervoerd konden worden.

Het onderhoud van de verharde wegen kwam voor rekening van de overheid, die ter bekostiging op strategische locaties tolheffingen invoerde. Zo werd er onder meer tol geheven ter hoogte van de Kapteijnsbrug in Maasland, in Den Hoorn en op de kruising van Maasdijk en de Westgaag. De buurtschap die hier in de loop der tijd ontstond kreeg in de volksmond de naam ‘de Tol’ mee.54

Van dorpsveiling naar grootschalige handel De handel en welvaart in de regio kreeg een nog sterkere impuls door de grote technologische ontwikkelingen in het midden van de negentiende eeuw, ook wel bekend als de industriële revolutie. In Engeland voltrok zich deze omslag al iets eerder. Deze industrialisatie ging gepaard met een sterke bevolkingsgroei en zorgde voor een stijgende vraag naar groenten en fruit. Hiervoor werd veel handel gedreven met Nederland en met name het Westland. Dit uitte zich onder andere in de Harnaschpolder en de Voordijkshoornsepolder, ten noorden van Den Hoorn. Zoals in het vorige hoofdstuk benoemd kwam de tuinbouw hier al vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw tot ontwikkeling. Aan het einde van de negentiende eeuw groeide de tuinbouw nog eens flink door de Engelse vraag.55 Ook in de omgeving van Maasland was een tuinbouwgebied aanwezig, al dan niet op iets kleinere schaal. Aanvankelijk waren het vooral handelaren die profiteerden van de toegenomen vraag, omdat zij de prijzen bepaalden. Tuinders namen echter het initiatief door hun producten in de vorm van veilingen aan meerdere koopmannen tegelijkertijd aan te bieden. De hoogste bieder won, waardoor de tuinders er zelf ook een hoger inkomen aan overhielden.

Deze geïmproviseerde veilingen, ook wel dorpsveilingen genoemd, werden onder meer gehouden in de cafés van Den Hoorn en Maasland.56 Eind negentiende eeuw professionaliseerde de sector met de oprichting van coöperatieve landbouworganisaties, wat onder meer leidde tot de stichting van grootschalige veilingen.57 In 1901 werd de Delftsche Groentenveiling opgericht, die een centrale afzetmarkt bood voor tuinders uit Den Hoorn en omstreken. De Maaslandse veiling kreeg een nieuwe locatie bij Huis ter Lucht, waar tuinders uit Maasland, Maassluis en Vlaardingen naartoe gingen.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

69

Hierdoor verdwenen de kleinschalige dorpsveilingen weer net zo snel als ze waren ontstaan, maar zijn ze wel degelijk van grote invloed geweest.

een ruimere locatie bij Den Hoorn, waar het uitgroeide tot een van de grootste veilingen van komkommers en tomaten in Nederland.

Een stoomtram voor goederen en personen

Uitdagingen bij de aanleg van het spoornetwerk

Waar de landbouwproducten voorheen vooral voor de binnenlandse markt bestemd waren, nam de export in de loop van de negentiende eeuw aanzienlijk toe. Deze verschuiving vroeg om een nieuw en efficiënter transport dat werd gevonden in de aanleg van de spoorlijn. Men had al ervaring opgedaan met de aanleg van spoorlijnen tussen Amsterdam, Haarlem en Den Haag en in 1847 werd dit netwerk doorgetrokken via Delft en Schiedam richting Rotterdam.58 Waar dit spoortraject nog hoofdzakelijk was gericht op personenvervoer en langs de trekschuitverbinding liep, kwam de nadruk aan de westzijde van de Schie op goederentransport te liggen. Met het verplaatsen van de veerdienst tussen het Engelse Harwich en Rotterdam naar Hoek van Holland en het doortrekken van de spoorlijn uit Schiedam naar Hoek van Holland werd de verbinding naar Engeland flink verbeterd. 59 Dit leidde tot een nieuwe uitbreiding van het spoortraject, zodat producten uit Midden-Delfland en het Westland nog sneller vervoerd konden worden. Na een eerste uitbreiding tussen Hoek van Holland en Maasland in 1907 volgde een tweede uitbreiding in 1912. Hierbij werd de spoorverbinding tussen Maassluis en Delft voltooid, waardoor een directe aansluiting op de Delftsche Groenteveiling ontstond.

In het waterrijke landschap van Midden-Delfland was de aanleg van spoorwegen een complexe aangelegenheid. De vele waterwegen moesten overbrugd worden en ook de slappe bodem zorgde soms voor moeilijkheden. Waar mogelijk volgde men natuurlijke hoogten, maar dat gebeurde lang niet altijd. De verbinding moest immers snel en efficiënt zijn en men had inmiddels de technologische mogelijkheden om het landschap geheel naar zijn hand te zetten. Op enkele delen werd het spoor daarom aangelegd op een kunstmatig verhoogde dijk dwars door de polders. De kaarsrechte, verhoogde spoordijk tussen De Lier en Maasland is hiervan een goed voorbeeld en wordt tegenwoordig gebruikt als fietspad. Het spoornetwerk in het Westland werd beheerd door de Westlandsche Stoomtramweg Maatschappij.

De verbeterde infrastructuur leidde tot verdere uitbreiding van de tuinbouw in de omgeving van Den Hoorn. Tal van weilanden die oorspronkelijk werden benut voor de melkveehouderij, werden omgevormd tot tuinbouwgebieden, waaronder de Droogmakerij in de Woudse Polder.60 Mede door deze sterke groei verhuisde de Delftsche Groenteveiling in de jaren 1920-1921 naar

70

Afbeelding 4.2 (links) - Vanaf 1916 opende de veiling van Maasland haar deuren, waarbij de schuiten met goederen dwars door het veilinggebouw konden varen. Per opbod werden de goederen verkocht, waarna de schippers de producten bij de loods van de betreffende koper diende te brengen. Afbeelding 4.3 (onder) - Aan het begin van de twintigste eeuw nam het spoorverkeer in en rondom Midden-Delfland een grote vlucht, met name gericht op een snelle verplaatsing van goederen. Zo was de tussen 1905 en 1907 gerealiseerde verbinding tussen Hoek van Holland en Maasland vooral bedoeld voor de ontsluiting van het tuinbouwgebied rondom Westerlee en had het tracé Maasland-Delft, die onderweg ook Schipluiden en Den Hoorn aandeed, de eindbestemming van de Delftsche Groentenveiling. In 1921 werd deze veiling verplaatst naar Den Hoorn (locatie op de kaart), maar bleef het goed per spoor bereikbaar.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

71

Afbeelding 4.4 - De trambrug over de Vlaardingervaart. Bij de aanleg van het spoornetwerk in Midden-Delfland werd het veenweidelandschap doorkruist, waarbij poldersloten met duikers werden overbrugd. De Vlaardinger Vaart vergde een grotere oplossing: een trambrug met een versterkte boogconstructie. Deze werd in Amsterdam gebouwd, gecontroleerd en in Schipluiden opnieuw samengesteld. Uniek was dat de brug slechts aan één zijde werd vastgezet; aan de kant van Schipluiden rust de brug los op stalen rollen voor extra flexibiliteit. Daarnaast was de Vlaardingervaart destijds nog in gebruik als trekschuitroute, waardoor onder de trambrug extra ruimte is overgelaten voor het

72

jaagpad. De brug vormde daarmee letterlijk een kruispunt van verschillende vervoersmiddelen. Na de opheffing van de spoorlijn in 1968 bleef de brug behouden en is de oude trambaan nu een fietspad.

Van ambachten naar gemeenten Tot aan de Franse tijd (1794-1814) bestond het bestuurlijk orgaan in Midden-Delfland nog uit verscheidene ambachtsheerlijkheden, waarbij de wetten en regels onderling sterk konden verschillen. Na de inlijving van Nederland onder het Franse keizerrijk werd op last van Napoleon besloten om deze bestuurlijke situatie grondig te veranderen. Geheel naar Frans voorbeeld werden de ambachten afgeschaft en werd het grondgebied omgevormd tot nieuwe bestuurlijke eenheden; de gemeenten (Frans: commune). In eerste instantie was dit vooral een administratieve wijziging en bleef het grondgebied van de ambachten gehandhaafd. Gedurende de negentiende en twintigste eeuw deden zich echter grote veranderingen voor, met name voor Schipluiden. In 1855 werd deze gemeente vergroot met het grondgebied van de ambacht of gemeente Hodenpijl en de voormalige gemeente Sint Maartensregt, waaronder de ambachten Dorp en Sint Maartensregt vielen. In 1921 werd de gemeente nogmaals vergroot nadat delen van de voormalige gemeente Hof van Delft (de omgeving van Den Hoorn, ’t Woudt en Abtswoude) werden toegevoegd. Deze situatie van twee gemeenten (Maasland en Schipluiden) bleef in stand tot beide gemeenten in 2004 werden samengevoegd tot Midden-Delfland.

Afbeelding 4.5 - De veranderingen in bestuurlijke grenzen binnen de huidige gemeentegrenzen van Midden-Delfland.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

73

Tot in de jaren twintig van de twintigste eeuw werd het spoornetwerk ook veelvuldig gebruikt als sneller vervoersmiddel voor personen.

overgeladen op zogeheten bokken en westlanders om vervolgens vandaar naar het achterland te kunnen worden vervoerd richting Delft en Den Haag.

Schippers en ambachtslieden

De meeste schippers die zich bezig hielden met de visvangst waren afkomstig uit Schipluiden, al betekende dit niet dat Schipluiden een puur schippersdorp was. Sterker nog, het dorp ontwikkelde zich in de loop van de negentiende en twintigste eeuw tot een plek van ambachtslieden waar timmerlieden, smeden, bakkers en metselaars hun bedrijf vestigden.63 Vanuit hier leverden zij hun diensten tot ver buiten de regio. Schipluiden werd zo steeds meer een centraal punt binnen het landschap, dat met haar herbergen ook een pleisterplaats voor schippers en kooplieden werd. Met alle nijverheid in het dorp is het ook niet heel verwonderlijk dat veel van de benodigde bruggen en duikers voor het spoor, alsmede de bouw van de tramstations van Schipluiden en Maasland, allemaal van Schipluidense makelij zijn.64

De komst van het spoornetwerk betekende niet het einde van de scheepvaart in de regio. De landbouwproducten werden nog steeds per schuit naar de veiling gebracht en schippers speelden een cruciale rol in de logistiek. Het veilingterrein in Den Hoorn bevatte daarom ruime havens, waarbij alle gebouwen per water bereikbaar waren.61 Na het verhandelen van de producten op de veiling werden de schippers vervolgens belast om de aangekochte producten in de betreffende loodsen van de kooplieden onder te brengen. Naast het vervoeren van tuinbouwproducten ontstond een gespecialiseerde tak van schippers die zich toelegde op het transport van zand, mest en bouwmaterialen. Deze zogenaamde zandschippers waren tevens gekoppeld aan de tuinbouwgebieden. Waar de tuinbouw in het verleden enkel was voorbehouden aan van nature geschikte zavelige gronden, kwam ook hier de maakbaarheid van het landschap om de hoek kijken. Door de klei en kleiop-veengronden te voorzien van een laag zandgrond konden ook van nature minder geschikte gronden worden gebruikt voor de lucratieve tuinbouw, waaronder de teelt van asperges.62 De individuele tuinbouwgebieden van Maasland en Den Hoorn raakten op deze manier steeds meer verweven met de grootschalige tuinbouw van het Westland. Schipluiden en Den Hoorn als ambachtsdorpen Een andere groep schippers hield zich voornamelijk bezig met het vervoer van verse vis.

Waar dit in de voorgaande eeuwen vooral bij Maassluis speelde, richtten de schippers zich nu tot de haringvangst in Vlaardingen. De vis werd daar vanuit de vissersboten

74

Ook Den Hoorn kan bij uitstek worden gezien als ambachtsdorp. Door de opkomst van de tuinbouw ontstond er een nieuwe middenstand van timmerlieden, metselaars en ketelbouwers en verscheidene scheepswerven en smederijen. Een verbeterd waterbeheer De problematiek rondom bodemdaling en een moeizaam waterbeheer bleef ook in de negentiende eeuw een terugkerend punt. Al in de zestiende eeuw werden delen van de landbouwgrond opgegeven, om ze te gebruiken voor de turfwinning. Vanuit de groeiende steden was er immers veel vraag naar brandstof en los van de geriefhoutbosjes en eendenkooien waren bospercelen in de open veenweidepolders een schaars begrip. De turf die uit de veengronden gewonnen kon worden, bood een uitstekend alternatief. Met name ten oosten van Delft zijn veel voormalige landbouwgebieden in deze periode veranderd naar open waterplassen waar het veen is weggegraven, zoals bij het natuurgebied Ackerdijkse

Afbeelding 4.6 - Niet alleen in Schipluiden, maar ook in het buitenengebied waren verscheidene herbergen gevestigd waar schippers en kooplieden elkaar troffen. Een bekend voorbeeld is het Rechthuis van Zouteveen, dat naast een herberg ook een plek was waar recht werd gesproken voor kleine vergrijpen in de polder. Hiertegenover lag het overzetveer waarmee de paarden van de trekschuit van de Vlaardingsekade naar de kade aan de Duifpolder werden overgebracht. Tegenwoordig is het karakteristieke gebouw in gebruik als B&B.

Afbeelding 4.7 - Uitsnede van de hoogtekaart in de omgeving van de Woudse Polder. Hoewel het merendeel van de grootschalige verveningen voor de turfwinning zich buiten Midden-Delfland afspeelde, werd er ook binnen de gebiedscontouren een vergunning verleend. In 1804 begon de turfwinning in de Woudse Polder, waar enkele grondeigenaren inspeelden op de groeiende vraag naar brandstof. Na het afgraven van het veen en het opwerpen van een ringdijk, ontstond een diepe waterplas. In de vergunning was afgesproken dat deze waterplas moest worden teruggebracht naar landbouwgrond. In 1845 werd het gebied daardoor drooggemalen met een nieuwe molen, die later ook het waterbeheer verzorgde van de nieuw ontstane droogmakerij. Deze geschiedenis van vervening en drooglegging in de Woudse Droogmakerij is nog duidelijk zichtbaar en tekent zich op het AHN duidelijk af als lagere (blauwe) plekken in het landschap. Ook de noordelijk gelegen Oude- en Nieuwe Wateringveldpolder, inmiddels geheel bebouwd, hebben hun lage ligging te danken aan de vervening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=middendelfland&id=ab19bb1f-5f29-4dea-abfb-049d44e56036