CConstaterende datMidden-Delfland
Koppel je AI →
Document · PDF

A 25051 Bijlage - Landschapsbiografie Midden-Delfland (eindrapport 30-06)

Gemeenteraad 23 september 2025, gemeente Midden-DelflandBij agendapunt: Brieven van het college24.307 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Landschapsbiografie van

Midden-Delfland Rijk cultuurlandschap tussen grote steden

2

Colofon Titel: Landschapsbiografie van Midden-Delfland Auteurs: Erik van den Berg & Susanne Coppens Opdrachtgever: Gemeente Midden-Delfland Opdrachtnemer: Cultuurland Advies Datum: 25 juni 2025

Landschapsbiografie Midden-Delfland

3

Voorwoord Wie met aandacht en verwondering door het landschap van Midden-Delfland wandelt, skate, vaart of fietst, voelt het meteen: dit is niet zomaar mooi. Dit is een landschap met betekenis — historisch, betekenisvol, gedragen door generaties. Met subtiele lijnen, oude structuren en verhalen die nog altijd hoorbaar zijn - in het suizen van de wind over de weilanden, het voortkabbelende water in de sloten, het knisperende riet in de polders. In de hechte gemeenschappen die hier geworteld zijn. Een landschap, open voor ontmoeting. Als ik naar dit mij zo geliefde landschap kijk, denk ik aan de mensen die hier - generatie op generatie - hun sporen achterlieten. Mensen zoals mijn voorouders - timmerlieden, boeren - van wie de verhalen en tradities nog altijd doorklinken in het gebied. Lang nadat de stoomtram zijn spoor trok en weer verdween. Midden-Delfland is niet voor niets aangewezen als Bijzonder Provinciaal Landschap. Het weerspiegelt de waarde van dit cultuurhistorisch veenweidegebied, midden in het hart van de metropool. Juist door zijn openheid, rust en geschiedenis is Midden-Delfland een groene long, een collectief geheugen, een plek van betekenis — voor bewoners én voor mensen uit de stad. Toch is het niet eenvoudig om te vangen wat dit landschap zo bijzonder maakt. We voelen het.

Maar hoe geef je dat gevoel vorm in beleid, ontwerp, bestuur? Hoe maak je keuzes die passen bij het karakter — niet om het landschap te bevriezen in de tijd, maar om het verder te ontwikkelen. Met eerbied voor zijn oorsprong.

4

Deze landschapsbiografie is gebouwd op bodem, water, bewoning, gebruik, vervoer en cultuur. Geen statisch document, maar een levend verhaal dat zichtbaar maakt hoe het landschap zich door de eeuwen heen gevormd heeft. Een verhaal ook dat uitnodigt om met zorg, kennis en liefde verder te ontvouwen in de toekomst. Dat doen we met oog voor de eigenheid van onze gemeente én voor de samenhang in het grotere geheel — een biografie met zachte randen. Want het leesbare landschap stopt niet bij de gemeentegrens. Zelfs niet waar het zicht stuit op steden, kassen of recreatiegebieden. Het geoefende oog ziet polderdijken, (trek)vaarten en boerenlinten van weleer, die hun weg nog altijd vinden, ver voorbij die grens. Dat is rijkdom. En dat laten we je graag zien — met deze biografie in de hand. Met dit boekje als inspiratie nodig ik je uit om jouw ideeën aan het landschap toe te voegen. Zo creëren we samen een toekomst waarin Midden-Delfland blijft bloeien. Voor nu en de generaties na ons.

Melanie Oderwald-Ruijsbroek Wethouder Cultuur en Monumenten Midden-Delfland

Landschapsbiografie Midden-Delfland

5

Inhoud Voorwoord

4

Inleiding

8

Hoofdstuk 1 - Wonen in een dynamisch landschap

12

De prehistorie en Romeinse tijd (tot 400 n.Chr.) De diepe ondergrond De eerste boeren Cananefaten en Romeinen

12 13 16 20

Hoofdstuk 2 - Grote ontginningen in de middeleeuwen

28

Uitgestrekte veenmoerassen en broekbossen Permanente nederzettingen en de eerste ontginningen Heren en kastelen Waterbeheersing

29 29 33 36

Hoofdstuk 3 - Boeren en buitenplaatsen in de vroegmoderne tijd

48

Oorlogsperikelen in Midden-Delfland Een land van gras en zuivel Te land en te water Van boerderij naar buitenplaats

49 50 55 60

Hoofdstuk 4 - Grote ontwikkelingen (1850-1950)

68

Investeringen in het landschap Verandering van transport en boerenbedrijf Het verdwijnen van groene landschapselementen Crisis en oorlogsjaren

69 76 80 82

6

Hoofdstuk 5 - Een gebied onder druk

88

Een strijd om de ruimte 89 Een snelweg dwars door de polder 99 Op eigen benen verder 101

Landschapsbiografie Midden-Delfland

7

Inleiding Midden-Delfland vormt een uniek open veenweidelandschap, omringd door grote steden als Rotterdam, Delft en Den Haag. Het is daarmee een recreatief uitloopgebied voor ruim 2 miljoen mensen, die er graag komen om te genieten van de rust, weidsheid en stilte. Karakteristiek voor het agrarische cultuurlandschap zijn de uitgestrekte polders, lange smalle percelen, koeien in de wei, vaarwegen en boerderijen op kronkelende kreekruggen. Midden-Delfland is ook een gebied dat al decennialang sterk onder druk staat, door de aanhoudende verstedelijking, ontwikkelingen in de landbouw, nieuwe infrastructuur en de steeds toenemende vraag naar ruimte in het algemeen. Over de geschiedenis en het landschap van MiddenDelfland is al veel geschreven. Toch ontbreekt een breed gedragen, samenhangend en toegankelijk beeld van de ontwikkeling en de unieke kwaliteiten van het landschap. De beschikbare literatuur is rijk, maar versnipperd. Om de samenhang tussen de natuurlijke ondergrond en de inrichting ervan door de mens voor iedereen leesbaar te maken, is op initiatief van de gemeente Midden-Delfland deze landschapsbiografie opgesteld. Daarin wordt waardevolle informatie uit eerder onderzoek, zoals de vele archeologische opgravingen, de atlassen van het Westland en de Schie en de polderboekjes die door de Stichting Midden-Delfland is Mensenwerk zijn opgesteld, gebundeld.

De biografie beschrijft de levensloop van het landschap in Midden-Delfland. Deze levensloop is lang en complex door een eeuwenlange interactie tussen het landschap en de mensen die het hun thuis noemen. Het is juist die wisselwerking die heeft geleid tot het landschap zoals wij dat vandaag de dag kennen. Om het hedendaagse landschap te begrijpen moeten we daarom terug in de

8

tijd. Landschappen kennen een sterke gelaagdheid met elementen van uiteenlopende ouderdom, die allemaal een plek hebben binnen de leefomgeving. Met al die aspecten zijn het landschap en de geschiedenis bepalend voor het karakter en de identiteit van Midden-Delfland. De kennis over het verleden en de logica van het landschap vormen een belangrijke bron aan informatie en inspiratie voor de vele ruimtelijke opgaven die er in Midden-Delfland liggen. De landschapsbiografie is een verbindend en inspirerend document. Het geeft inzicht in patronen en processen en laat zien hoe bijzonder dit stukje Nederland is. Daarmee kan de biografie er aan bijdragen dat toekomstige ruimtelijke opgaven, zoals woningbouw, recreatie, duurzame energieopwekking, natuurontwikkeling en de landbouwtransitie op een passende manier een plaats in het landschap krijgen, zonder daarbij afbreuk te doen aan het streekeigen karakter van Midden-Delfland. De laatste decennia zijn door allerlei ontwikkelingen namelijk al veel landschappelijke waarden verdwenen, waarmee de herkenbaarheid van het historische cultuurlandschap steeds verder afneemt. De biografie is echter niet alleen bedoeld voor beleidsmakers en bestuurders. Het is is ook interessant voor inwoners, ondernemers, ambassadeurs, recreanten en toeristen.

Gebiedsbegrenzing Het veenweidegebied waar de gemeente MiddenDelfland deel van uitmaakt, strekt zich uit tot buiten de huidige gemeentegrenzen. Het geheel is door de provincie Zuid-Holland sinds 2017 aangewezen als Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL). Daarbij heeft de provincie de ontwikkelopdracht meegegeven om de ruimtelijke kwaliteit van het gebied te waarborgen en verbeteren, met aandacht voor het historische verhaal van het landschap.

Met de landschapstafel Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland zetten de betrokken partijen zich hiervoor in. Deze landschapsbiografie kan daarbij belangrijke handvatten bieden. Omdat de ontstaansgeschiedenis van het landschap binnen de gemeente Midden-Delfland niet los kan worden gezien van het geheel, wordt ook de ontstaansgeschiedenis van het landschap in bredere zin geschetst.

Afbeelding I - Topografische overzichtskaart van de gemeente Midden-Delfland (zwarte lijn) en het Bijzonder Provinciaal Landschap (rode stippellijn).

Landschapsbiografie Midden-Delfland

9

Leeswijzer De biografie is opgebouwd uit vijf chronologische hoofdstukken, waarin de belangrijkste thema’s uit de landschapsgeschiedenis van Midden-Delfland aan bod komen. Uiteraard kan er over de geschiedenis van Midden-Delfland nog veel meer verteld worden en is er ook al veel op papier gezet. Daarom is aan het einde van ieder hoofdstuk een leeslijst opgenomen, voor wie meer over een bepaalde periode wil weten. Uit bijna iedere tijdsperiode zijn nog elementen in het landschap zichtbaar. Door ze op kaart te zetten en het verhaal ervan te vertellen, worden ze voor iedereen leesbaar. Ieder hoofdstuk is daarom voorzien van een overzichtskaart, waarop de belangrijkste landschapselementen uit die periode staan aangegeven. Zo wordt in één oogopslag duidelijk wat we nog terugzien uit die periode. Aan de basis daarvan ligt een inventarisatie in een geografisch informatiesysteem (GIS), waarin bestaande datasets zijn gecombineerd met nieuwe informatie. Al deze elementen zijn samengebracht op een grote overzichtskaart, die als bijlage bij de biografie is opgenomen. Dankwoord Als landschapshistorici zijn we gewend om de ontstaansgeschiedenis van een gebied snel in de vingers te krijgen. Elke plek heeft echter unieke kenmerken of verhaallijnen, die voor iemand die nog niet zo bekend is in het gebied soms lastig te achterhalen zijn.

Helemaal voor een gebied als Midden-Delfland, waar weliswaar veel sporen in het landschap aanwezig zijn, maar er ook veel zijn uitgewist. We hadden deze biografie niet kunnen opstellen zonder de kennis en kunde die in Midden-Delfland onder inwoners, regiobewoners, ambtenaren én professionals aanwezig is.

10

Een bijzonder woord van dank gaat uit naar de verschillende stakeholders die samenwerken voor de versterking van het landschap van Midden-Delfland. In willekeurige volgorde: Jacques Moerman (Historische Vereniging Oud-Schipluiden), Piet Houtenbos (Historische Vereniging Maasland), Pia van Oord en Henk Groenendaal (Midden-Delfland is Mensenwerk), Leo Pols en Hans Groeneveld (Midden-Delfand Vereniging), Willemijn Nagel en Michiel Purmer (Natuurmonumenten), Tom Wisseborn, Evelien Olyslagers en Milou Prins (Staatsbosbeheer), Marjan van Velzen en Arie de Kreij (DNA Den Hoorn), Carla de Wilt (Hoogheemraadschap Delfland), Ben Kuipers (Polderarchitect Landschapstafel Midden-Delfland), Henk Werksma (Programmamanager Landschapstafel Midden-Delfland), Kees Moerman (LTO Noord, Delflands Groen), Monique Ammerlaan (Agrarische natuurvereniging Vockestaert), Thea Arkesteijn en Jack Lobker (Cultuurstek Den Hoorn), Hester van Gent (Commissie Omgevingskwaliteit), Maarten Koenders en Erwin van Klaveren (provincie ZuidHolland). Alle partijen hebben de tijd genomen om ons in een persoonlijk gesprek te woord te staan en ons mee te geven wat zij graag terug wilden zien in de landschapsbiografie. Ook hebben ze de gelegenheid gehad om deel te nemen aan een gezamenlijke werksessie en de conceptteksten te becommentariëren. Wij zijn de stakeholders veel dank verschuldigd voor hun inzet.

Zij waren als geen ander in staat om de soms complexe materie op bepaalde punten flink aan te scherpen. Uiteraard mag ook de gemeente MiddenDelfland in dit dankwoord niet ontbreken. Hierbij willen wij graag in het bijzonder Wessel van Vliet en Eugénie Klok bedanken voor de goede begeleiding en Suzanne Neven voor het meelezen en verbeteren van onze teksten.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

11

Hoofdstuk 1 Wonen in een dynamisch landschap De prehistorie en Romeinse tijd (tot 400 n.Chr.) Het landschap van Midden-Delfland kent een dynamische ontstaansgeschiedenis. Diep in de ondergrond ligt een pakket dekzand, dat in de laatste ijstijd werd afgezet. Daarbovenop liggen lagen met klei, zand en veen uit het holoceen, toen het gebied onder invloed van de grote rivieren en zeewater stond. In de stabiele delen van dit natte landschap vonden de eerste boeren van Midden-Delfland al in de prehistorie hun thuis. Het landschap was altijd bepalend voor de locatiekeuze van de mensen. In natte perioden, waarin de zee meer invloed had, trok men naar de hogere delen, zoals de strandwallen langs de Hollandse kust of de oeverwallen van de kreken. Midden-Delfland is rijk aan archeologische vindplaatsen, vooral uit de ijzertijd en Romeinse tijd. In de loop der eeuwen drong het water via een steeds verder vertakkend stelsel aan getijdekreken diep het land in. Vanaf 12. v.Chr. maakte MiddenDelfland onderdeel uit van het Romeinse Rijk en ging de mens een steeds grotere stempel op het landschap drukken, met de aanleg van grote waterwerken en nieuwe infrastructuur.

12

De diepe ondergrond Diep in de ondergrond van Midden-Delfland liggen oude grind- en zandafzettingen, die hier door (voorlopers van) de Rijn en Maas zijn afgezet. Daar overheen ligt een laag dekzand uit de laatste ijstijd, het Weichselien (ca. 116.000 – 11.700 jaar geleden). Omdat er toen in de noordelijke ijskappen veel water lag opgeslagen, lag de zeespiegel een flink stuk lager dan vandaag de dag en was het mogelijk om Engeland te voet te bereiken. In de koudste tijden kwam er in het toendralandschap weinig begroeiing voor, waardoor zand kon gaan verstuiven en als een deken over het landschap werd afgezet. Grote delen van wat nu Nederland is veranderden in een glooiende dekzandvlakte. Tijdens de koudste perioden was de bodem permanent bevroren (permafrost) en kon het water niet in de bodem wegzakken. Zo ontstonden vlechtende rivieren met brede, ondiepe stroomgeulen, die hun loop steeds verlegden. Langs de rivieren vormden zich aan het einde van de laatste ijstijd rivierduinen, die ook wel donken genoemd worden. Op deze donken kon het zand, dat vanuit de droogliggende rivierbeddingen afkomstig was, soms hoog opstuiven.

Dergelijke duinen liggen onder meer bij Vlaardingen nog in de ondergrond.1 De eerste bewoners van West-Nederland waren de jagers-verzamelaars die duizenden jaren geleden over deze uitgestrekte zandvlaktes achter kuddes grote zoogdieren zoals rendieren, mammoeten of wisenten aan trokken. Ze sloegen kleine (jacht)kampen op. Op het opgespoten zand van de Tweede Maasvlakte worden Afbeelding 1.2 (boven) - Tijdbalk met de belangrijkste geologische en archeologische perioden. Afbeelding 1.3 (onder) - Aan het einde van de laatste ijstijd bestond Midden-Delfland uit een grote, uitgestrekte dekzandvlakte.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

13

regelmatig vondsten uit deze tijd (het laat-paleolithicum) gedaan. Vindplaatsen uit deze periode kennen we in Midden-Delfland echter niet.2 Opwarming van het klimaat in het holoceen Zo’n 10.000 jaar voor het begin van onze jaartelling brak er een nieuw geologisch tijdvak aan, het holoceen. Na de laatste ijstijd warmde het klimaat in rap tempo op en daarmee stegen ook de zeespiegel, de hoeveelheid neerslag en het grondwater. Het Noordzeebekken vulde zich weer met water en de kustlijn schoof steeds verder op. Het warmere en vochtigere milieu bracht een nieuwe flora en fauna met zich mee, waar de mens zich op aanpaste. Dat is goed terug te zien in de archeologische vondsten uit de middensteentijd (het mesolithicum), die een stuk kleiner van formaat zijn dan in de voorgaande periode. De kleine werktuigen en pijlpunten zijn geoptimaliseerd voor de jacht in een meer gesloten landschap. De hogere donken en dekzandruggen vormden ideale vestigingslocaties in het steeds natter wordende landschap. Ook uit deze periode kennen we echter (nog) geen vindplaatsen in de gemeente MiddenDelfland. Dat gebrek aan archeologische vindplaatsen uit deze vroege periodes kan op verschillende manieren verklaard worden.

Meest voordehandliggend is het feit dat het zandlandschap dat in de oude en midden-steentijd aan het oppervlakte lag, tegenwoordig bedekt ligt onder metersdikke sedimenten van klei, zand en veen. Alleen bij hele diepe graafwerkzaamheden, zoals de aanleg van tunnels, wordt dit prehistorische maaiveld soms bereikt. Daarnaast zal er bij overstromingen en de vorming van getijdengeulen tot in de middeleeuwen lokaal veel materiaal zijn weggeslagen.3

14

De kustlijn sluit zich In het steeds natter wordende klimaat kwam in de laagste delen van het landschap veenvorming op gang. Veen ontstaat wanneer afstervende plantenresten onder water komen te staan en niet (volledig) verteren. Het oudste veenpakket kennen we als het Basisveen. Daar zien we nu niets meer van terug, op de meeste plaatsen is het later weer weggeslagen door de zee. Via rivierdalen en geulen drong de zee in de loop der tijd steeds verder het land in. Zo ontstond een getijdengebied, waarin veel slib werd afgezet, vergelijkbaar met delen van de huidige Waddenzee. Langs de kust vormde zich vanaf ongeveer 5500 v.Chr. een rij strandwallen, waarmee de kustlijn zich steeds verder sloot. Door een snelle stijging van de zeespiegel kwam het gebied tussen grofweg Hoek van Holland en Delft volledig onder water te staan.4 Achter de strandwallen ontstond een estuarium, waar zoet water vanuit de rivieren zich vermengde met het zeewater. Alleen bij de mondingen van de Rijn en de Maas bleef de kustlijn open. Via een uitgebreid stelsel aan waterloopjes stroomde het water uit het binnenland richting de zee. Andersom kon de zee via deze openingen het land in stromen. De monding van de Maas lag omstreeks 4800 v.Chr. bij het huidige Brielle, het Brielse Meer is daar nog een overblijfsel van.

Afbeelding 1.4 - In de Yangtzhe-haven van Rotterdam zijn veel vuurstenen artefacten uit het mesolithicum aangetroffen, zoals deze spits (links), afslag (midden) en kling (rechts). Hoewel we dergelijke vondsten uit de gemeente Midden-Delfland niet kennen, zijn ze vermoedelijk wel in de ondergrond aanwezig. Bron: bodemvondsten.rotterdam.nl

Afbeelding 1.5 - De paleogeografische kaarten tonen de ontwikkeling van het landschap in het holoceen. Rond 9000 v.Chr. bestond het gebied nog uit een dekzandvlakte, doorsneden door grote rivieren. Later kwam het onder invloed van de zee te staan en vond er verder landinwaards op steeds grotere schaal veenvorming plaats. De huidige gemeentegrens van MiddenDelfland is ter referentie met een rode lijn weergegeven.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

15

De eerste boeren in de nieuwe steentijd Wonen achter de strandwallen Rond 4000 v.Chr. stabiliseerde de zeespiegelstijging en breidden de strandwallen zich nog verder uit. De oudste strandwallen en duinen lagen op de lijn RijswijkVoorburg-Voorschoten, een stuk verder naar het oosten dan de huidige kustlijn. Daar vinden we landinwaarts, zoals in de Harnaschpolder, nog sporen van terug.5 In deze periode schoof de kustlijn steeds verder in westelijke richting op en vormden zich nieuwe hoge duinen en strandwallen. Achter de kustlijn lag een brede strandvlakte, die door de strandwallen en duinen werd beschermd tegen de zee. Waar veel oude sporen in het kustgebied door latere invloed van de zee ook weer verdwenen zijn, is in Midden-Delfland een gedeelte van een oude kustvlakte in de ondergrond bewaard gebleven. Lage duinen op deze kustvlakte leenden zich voor menselijke bewoning, zo blijkt uit een bijzondere archeologische vindplaats in de Harnaschpolder.6 Voorafgaand aan de bouw

van de afvalwaterzuiveringsinstallatie werd daar een vrijwel volledige nederzetting uit omstreeks 3500 v.Chr. opgegraven. Op een klein duin werden de oudste bewoningssporen van de gemeente Midden-Delfland aangetroffen. In de kleine kustgemeenschap, bestaande uit vier of vijf erven, leefde men van kleinschalige akkerbouw en veehouderij, aangevuld met visvangst en jacht. De vochtige strandvlakte met graslanden en struweel vormde een aantrekkelijke vestigingslocatie, op veilige afstand van de zee. 7 Na verloop van tijd werd de strandvlakte echter steeds natter en raakte het duintje bedekt onder het oprukkende veen. De nederzetting was toen al verlaten. De bewoning verplaatste zich in westelijke richting naar de jongere strandwallen en hoge duinen buiten Midden-Delfland, zoals Loosduinen, Den Haag of Wassenaar. De neolithische vindplaats in de Harnaschpolder behoort tot één van de toonaangevende archeologische vindplaatsen uit de steentijd in West-Nederland en is landelijk bekend. Het leert ons veel over de manier waarop men in die periode leefde en over de overgang naar een agrarische levenswijze in het kustgebied. Wat deze vindplaats zo bijzonder maakt is naast de hoge ouderdom (de vindplaats is enkele eeuwen ouder dan de Drentse hunebedden!) ook het feit dat de nederzetting langere tijd bewoond is gebleven, vermoedelijk zo’n 250 jaar achter elkaar.

8 Vlakbij de afvalzuiveringsinstallatie is een deel van het oerduin met het houten skelet van een woning uit de steentijd gereconstrueerd. Afbeelding 1.6 - Impressie van de neolithische nederzetting in Den Hoorn. Men leefde in de kleine gemeenschap van een combinatie van akkerbouw, veeteelt en natuturlijke voedselbronnen. Omdat de vindplaats in de voormalige gemeente Schipluiden ligt, staat deze in de archeologische vakliteratuur bekend als de neolithische nederzetting van Schipluiden, wat gezien de ligging in Den Hoorn tot enige verwarring kan leiden.

16

De Vlaardingencultuur Uit de periode tussen ongeveer 3500 en 2500 v.Chr. kennen we enkele verspreide vondsten die tot de Vlaardingencultuur gerekend kunnen worden. De Vlaardingencultuur is vernoemd naar een vindplaats aan de Arij Koplaan in Vlaardingen, die in 1959 aan het licht kwam.9 Vindplaatsen die tot deze cultuur gerekend kunnen worden, kennen we uit een groot deel van het West-Nederlandse kustgebied en kenmerken zich door een specifiek type aardewerk. Het was één van de eerste (deels) agrarische culturen in dit deel van Nederland. Verder zuid- en oostwaarts hadden de eerste boeren al veel eerder hun intrede gedaan op de hogere leem- en zandgronden. Om meer te weten te komen over deze cultuur wordt door archeologen nog volop onderzoek gedaan. In het natte en steeds veranderende landschap was landbouw slechts op kleine schaal mogelijk. Men leefde daarnaast nog veel van de jacht en visserij. De overgang naar een agrarische leefwijze ging in het kustgebied rond de Maasmonding langzaam. Men had geleerd dat de zee niet alleen een dreiging vormde, maar ook een grote rijkdom aan voedsel met zich mee bracht.

Afbeelding 1.7 Kenmerkend voor de Vlaardingencultuur is het aardewerk, dat vrijwel niet versierd is.

Vernatting van het landschap De strandwallen en duinen vormden een natuurlijke scheiding tussen het zoute zeewater en het zoete binnenwater. In dit rustige zoetwatermilieu stagneerde de afwatering en kon de veenvorming zich steeds verder uitbreiden. Het veenpakket dat zich vanaf ongeveer 4000 v.Chr. begon te vormen, kennen we als het Hollandveen. Via de Maas en de getijdengeulen werd er in wisselende mate zand en klei afgezet, waarbij soms ook weer delen van de veen- en kleilagen werden weggeslagen. Zo ontstond er een zeer gevarieerd laagpakket, met een afwisseling van veen-, zand- en kleilagen dat lokaal wel 15 meter dik is.10 In de laagste delen van het landschap groeiden rieten zeggevenen, die aan de zuidwestkant overgingen in een kustmoeras met schorren en slikken.11 Schorren zijn vergelijkbaar met de kwelders in het huidige waddengebied en bestaan uit begroeide zandplaten, die alleen bij zeer hoge waterstanden nog overstromen. Slikken zijn onbegroeide platen die bij vloed onder water staan. Verder landinwaarts groeiden elzenbroekbossen en kwamen hoogveenkoepels tot ontwikkeling. Hoogveen bestaat voor een groot deel uit veenmos (spaghnum), dat veel water kan vasthouden en wordt gevoed door regenwater. Het is daarmee niet afhankelijk van het grondwaterpeil en groeit in koepels, die metershoog kunnen worden.

Daarmee zijn hoogvenen in staat om in relatief korte tijd grote gebieden te bedekken. Bovenop de hoogvenen kwamen ondiepe meren voor, die meerstallen worden genoemd. Door latere ontginningen zijn de grote hoogveenkoepels in deze regio allemaal weer verdwenen.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

17

De bronstijd Ook in de bronstijd (ca. 1900 – 800 v.Chr.) was het gebied onder aanhoudende invloed van de zee en de veenvorming erg nat en slecht geschikt voor bewoning. Wel zijn er aanwijzingen dat de veenmoerassen en broekbossen in Midden-Delfland zeker vanaf de bronstijd als onderdeel van het cultuurlandschap gezien moeten worden. Ze werden extensief gebruikt door de bewoners van de hogere gronden, bijvoorbeeld voor de jacht of visvangst, of om er hout te sprokkelen. Heel bekend is het skelet van de Krabbeplasman, waarin het oudste menselijke DNA van Nederland werd gevonden. Het werd in 1990 gevonden in de Krabbeplas bij Vlaardingen, net buiten de gemeente Midden-Delfland. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat ontoegankelijke veenmoerassen in de bronstijd een rituele functie kenden, denk bijvoorbeeld aan de vele offers, zwaarden en veenlijken die overal in Nederlandse veengebieden zijn aangetroffen. Vanaf ongeveer 1500 v.Chr. breidden de getijdengeulen zich weer uit. Het waren de voorlopers van de stelsels van de Gantel en de (Oer-)Gaag, die een grote rol hebben gespeeld in de latere ontwikkelingen in MiddenDelfland en in een groot deel van de gemeente nu nog in de ondergrond aanwezig zijn. Ten noorden van de Maasmonding ontstond opnieuw een groot getijdengebied, waar via de geulen weer veel zand en klei bovenop het Hollandveen werd afgezet.12

Afbeelding 1.8 - Midden-Delfland kende in de loop van het holoceen een grote landschappelijke variatie, met broekbossen (boven) in de overgangzones, uitgestrekte hoogveengebieden (midden) in het binnenland en schorren- en slikken met breed vertakkende kreken (onder) langs de steeds verschuivende kustlijn.

18

Uitbreidingen van de kreken In de vroege ijzertijd bleef het gebied net als in de bronstijd alleen extensief gebruikt. Een boomstamkano die in de buurt van Maasdijk werd gevonden illustreert hoe men via de kreken en veenriviertjes de moerassige gebieden introk.13 In de loop van de ijzertijd breidden de getijdengeulen die we rekenen tot het Gantelstelsel zich steeds verder uit. De Gantel was een kronkelende, breed vertakte waterloop die in het noorden van de huidige gemeente Midden-Delfland stroomde. Er ontstond een landschap met zeer grote landschappelijke verschillen, dat lastig in kaart te brengen is. Soms werden delen van het Hollandveen weggeslagen, op andere plaatsen werd een laag klei over het veen afgezet. Soms slibden de geulen ook weer (gedeeltelijk) dicht. Dit gebeurde vanaf ongeveer 750 v.Chr. bijvoorbeeld met de kreken van het Gaagstelsel aan de zuidkant van de huidige gemeente. Verder landinwaarts groeiden de hoogveenkoepels door. Via de Maas werd voedselrijk water aangevoerd naar de broekbossen op de klei-op-veengronden.14

van de huidige gemeente Midden-Delfland (opnieuw) een laag klei afgezet. De hoofdgeul van de Gantel stroomde toen vanaf de Maas richting het latere Delft, waar het zich via ondiepe veenmeren vertakte in kleinere kreken. Eén daarvan liep in de richting van Schipluiden en vertakte zich in een reeks smalle waterloopjes, die kronkelend door het natte landschap liepen. Een andere liep naar de locatie van het latere kerkdorp ’t Woudt. Op de hoogtekaart zijn ze nog goed te herkennen, omdat ze door latere maaivelddaling hoger in het polderlandschap zijn komen te liggen. Deze kreekruggen hebben vanaf de middeleeuwen een belangrijke rol gespeeld in de inrichting van het cultuurlandschap (zie Hoofstuk 2). Omdat de geulen door de getijdenwerking steeds dieper werden uitgesleten, kon het gebied ook steeds beter ontwateren. Het Gaagstelsel was toen al dichtgeslibd en deels begroeid met veen. Daarom kwamen er vanuit die richting geen grote overstromingen meer voor.

Vanaf ongeveer 250 v.Chr. vonden er opnieuw grote landschappelijke veranderingen plaats, omdat de Rijn een deel van zijn loop verlegde richting de Maasmonding. Daardoor moest er plotseling veel meer water via de Maasmonding worden afgevoerd en werd het zeegat groter. Daarmee steeg ook de waterstand in het estuarium achter de strandwallen. Een estuarium is een brede, trechtervormige riviermonding, waar zoet en zout water bij elkaar komen. Als gevolg van die sterke vernatting kwam er vanaf de derde eeuw v.Chr. in een deel van het gebied een zogenaamd kraggenlandschap, met drijvende venen (kraggen) tot stand. Soms kwamen daarbij ook kleilagen los of werd er klei onder het drijvende veen afgezet.15 Tussen 250-225 v.Chr. bereikte de uitbreiding van de Gantel een hoogtepunt en werd er over een groot deel

Landschapsbiografie Midden-Delfland

19

Bewoningssporen uit de ijzertijd Het stelsel van kreken zorgde voor een goede ontwatering en maakten daarmee een groot gebied geschikt voor bewoning. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er vanaf ongeveer 350 v.Chr. een toename van bewoningsporen is te zien. Men woonde in deze periode niet meer alleen op de hoogste delen van het landschap, maar ook op de wat lagere klei- en veengronden. Het dynamische landschap moet vanaf de midden-ijzertijd vrij intensief bewoond geweest zijn, met verspreide boerderijen. De gunstige omstandigheden waren echter van korte duur, vanaf de tweede eeuw v.Chr. kwamen er weer overstromingen voor. De bewoners trokken weg in de richting van de duinen of de veengebieden verder landinwaarts.16 In het midden van de eerste eeuw v.Chr. keerden de boeren terug naar het gebied en vestigden zich op de hoge, drogere oeverwallen langs de inmiddels dichtgeslibde kreken. Daar groeiden toen nog bossen, er was dus voldoende hout om boerderijen mee te bouwen. De boerderijen bestonden in de ijzertijd uit een woonen stalgedeelte onder één dak. Op de oeverwallen was zavelige bodem makkelijker te bewerken dan de omliggende kleigronden, de bodem was er bovendien vrij vruchtbaar. Cananefaten en Romeinen Vanaf 12 v.Chr. spreken we in Nederland van de Romeinse tijd, hoewel het Romeinse Rijk toen al enige tijd bestond.

Bij de noordwaartse uitbreidingen van het rijk werden inheemse stammen onderworpen en

Afbeelding 1.9 - Paleogeografisce kaarten van 500 v.Chr. en 225 v.Chr. In relatief korte tijd veranderde het landschap flink onder invloed van de getijdekreken. De huidige gemeentegrens van Midden-Delfland is ter referentie met een rode lijn weergegeven.

20

namen ze steeds meer Romeinse gebruiken over. Vanaf de Romeinse tijd beschikken we naast archeologische bronnen ook over geschreven teksten, al zijn ze voor West-Nederland schaars. In het jaar 47 werd, na een reeks mislukte pogingen om het Rijk uit te breiden tot aan de Elbe, door keizer Claudius I besloten dat de Rijn als noordgrens zou dienen. Aanvankelijk veranderde er weinig in de levenswijze van de mensen in Midden-Delfland, al is er wel een geleidelijke romanisering te zien, waarbij de lokale bevolking Romeinse gebruiken en materialen overneemt.17 Hoeveel mensen er toen in Midden-Delfland woonden is op basis van de huidige archeologische bronnen niet goed te zeggen. In het gebied woonde toen een stam die door de Romeinen Cananefaten werd genoemd, tussen grofweg de mondingen van de Rijn en de Maas. Het vermoeden bestaat dat er in een groot deel van het Maasmondgebied (het Helinium) sprake was van een continue bewoning tussen de ijzertijd en de Romeinse tijd. Uit de vroeg-Romeinse tijd kennen we in Midden-Delfland echter weinig vindplaatsen. Vanaf het begin van de jaartelling was de zee opnieuw vrij rustig en zien we dat mensen ook weer op de lagere delen van het landschap gaan wonen. Ook de vele oeverwallen langs de geulen waren zeker vanaf het einde van de eerste eeuw tot in de vroege derde eeuw weer goed bewoonbaar.

Dat blijkt wel uit de talloze archeologische vindplaatsen die hier zijn aangetroffen.18 Door de afzettingen van de Gantel was er lokaal nog sprake van een licht brak milieu, dat zijn weerslag had op de vegetatie. De komgebieden waren begroeid met grasland, es en wilg en werden gebruikt om vee te weiden. Op de zoutige oeverwallen kon men bijvoorbeeld gerst, emmer en paardenbonen verbouwen.

Rituele begravingen in de Harnaschpolder? In de Harnaschpolder is een aantal opmerkelijke archeologische vondsten uit de Romeinse tijd gedaan, dat mogelijk in verband gebracht kan worden met een rituele cultusplaats. Zo werd er een graf van een hond gevonden, waarin 79 weefgewichten (gewichten voor weefgetouwen) waren achtergelaten. In de directe omgeving werden tevens drie hondengraven en de crematieresten van een baby gevonden. Opvallend is ook de begraving van een jongvolwassen man, die geen zichtbare verwondingen of ziekten leek te hebben. Begravingen waren in deze periode erg uitzonderlijk. Archeologisch gezien zijn deze vondsten moeilijk te interpreteren.

Systematische ontginningen Vanaf de Romeinse tijd is de mens het landschap steeds meer naar zijn hand gaan zetten. Op verschillende plaatsen in de gemeente zijn bij archeologisch onderzoek sporen gevonden van grootschalige ontginningen, die ongeveer vanaf het jaar 120 plaatsvonden.19 Deze systematische ontginningen, waarbij de natte gebieden met een stelsel van met rechte sloten werden ontwaterd, doen sterk denken aan de latere middeleeuwse ontginningen die nog altijd het landschap bepalen. Door rechte sloten te verbinden met het stelsel van natuurlijke kreken, kon men in korte tijd grote stukken land in gebruik nemen. Van deze ontginningen is in het huidige landschap echter niets meer te zien, ze zijn overstroomd, overgroeid met veen en in de middeleeuwen opnieuw ontgonnen. In de ondergrond zijn de sporen ervan op veel plaatsen wel bewaard gebleven.20

Landschapsbiografie Midden-Delfland

21

Waterstaat en infrastructuur De grote ontginningen gingen gepaard met nieuwe manieren van waterbeheer. De uitvinding van klepduikers, een soort keersluisje, maakte een betere ontwatering op veel grotere schaal mogelijk. In Vlaardingen werd bij archeologisch onderzoek de oudste klepduiker van Nederland gevonden, uit het einde van de eerste eeuw.21 Voor het maken van de duikers gebruikte men een uitgeholde boomstam, die in een dam werd gelegd. In de duiker werd een klep aangebracht, om er voor te zorgen dat het buitenwater bij hoge waterstanden niet via de duiker naar binnen kon stromen. Dergelijke constructies zullen ook bij de ontginningen in MiddenDelfland gebruikt zijn. In de Harnasch- en Woudse polder zijn nog enkele sloten aan te wijzen die uit de Romeinse tijd dateren.Voor de Romeinen was naast een goede afwatering ook infrastructuur van levensbelang. Er werden daarom veel nieuwe waterwerken en wegen aangelegd. In het aangrenzende Sion (Rijswijk-Buiten) is een landweg uit de Romeinse tijd aangetroffen, die in Rijswijk aansloot op de Romeinse hoofdweg tussen Forum Hadriani en de Maasmonding. Bij de aanleg van nieuwe waterwegen maakte men zo veel mogelijk gebruik van de natuurlijke kreken en veenriviertjes, die overal in het kustgebied te vinden waren.

Het meest markante voorbeeld is het kanaal van Corbulo tussen de mondingen van de Rijn en de Maas, dat omstreeks het jaar 50 is gegraven in opdracht van de gelijknamige generaal. Bij de aanleg ervan gebruikte men een deel van de natuurlijke waterloopjes die aftakten van de Gantel. Het precieze tracé van het Corbulokanaal is niet bekend. Ook de aanwezigheid van de stad Forum Hadriani (Voorburg) drukte een stempel op het landschap. De ontwikkelingen stonden in het teken van de voedselvoorziening van de stad, waar op het hoogtepunt

22

zo’n 1000 mensen woonden. De systematische ontginningen in Midden-Delfland moeten mogelijk ook in dit verband gezien worden.22 Neergang van het Romeinse Rijk In het laatste kwart van de derde eeuw lijkt de Romeinse bewoning in het gebied vrij abrupt te eindigen. Het verlaten van de kust- en veengebieden moet in een brede context van politieke onrust en landschappelijke veranderingen gezien worden. De vernatting van het landschap viel samen met Germaanse invallen, een interne crisis binnen het Romeinse Rijk en het afbrokkelen van hun politieke macht. Tegenwoordig is het vermoeden dat dit proces geleidelijker is verlopen dan vroeger gedacht werd. Zo zijn er aanwijzingen dat de oeverwallen langs de Gantelkreken tot ongeveer 300 bewoond bleven, en Forum Hadriani zelfs tot in de vierde eeuw. Het feit dat er oude waternamen zoals Gantel, Spartel en Lier in het gebied voorkomen waarvan wordt vermoed dat ze al uit de periode vóór de Romeinse tijd stammen- duidt ook op continuïteit. De wateroverlast vanaf de tweede eeuw hangt mogelijk samen met het verlanden van de monding van de Gantel, waardoor de afwatering steeds verder stagneerde. Ook de daling van het maaiveld door de ontwatering zal een rol hebben gespeeld. Afbeelding 1.10 De boomstamklepduiker van Vlaardingen. Bron: museum Vlaardingen.

Archeologie in Midden-Delfland De gemeente Midden-Delfland is in vergelijking met andere delen van West-Nederland archeologisch goed onderzocht en daardoor ook rijk aan vindplaatsen uit verschillende perioden. Dat heeft alles te maken met de Reconstructiewet uit 1977. In het kader daarvan werd aandacht gevraagd om de archeologische waarden van het gebied in kaart te brengen. Aan het begin van de jaren ’80 heeft zodoende veel veldwerk (prospectie) plaatsgevonden, op zoek naar archeologische sporen aan de oppervlakte. Het doel was om de archeologische waarden zoveel mogelijk te ontzien bij ruimtelijke planvorming. Daarbij werden veel (potentiële) vindplaatsen aangetroffen. Later bleek dat dit nog maar het topje van de ijsberg was. De vindplaatsen die niet behouden konden worden zijn opgegraven, vaak in samenwerking met een onderzoeksteam van wetenschappers. Daarbij was speciale aandacht voor vindplaatsen uit de ijzertijd en de Romeinse tijd. Ook voorafgaand aan grote bouwprojecten is veel archeologisch onderzoek gedaan, bijvoorbeeld bij woningbouw en de aanleg van de afvalwaterzuiveringsinstallatie in de Harnaschpolder. Midden-Delfland was daarmee zijn tijd ver vooruit.

Al voor het Verdrag van Malta uit 1992, waarin archeologische regelgeving is vastgelegd, handelde men hier volgens het principe van “de verstoorder betaalt” en werden archeologische waarden meegenomen in het ruimtelijke beleid. Midden-Delfland vormt daarmee een belangrijke inspiratiebron voor andere gemeenten en heeft lange tijd een voortrekkersrol gehad. Sinds 2010 beschikt de gemeente over een eigen archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Die geeft aan wat de specifieke archeologische verwachtingskans op

een locatie is. Het natuurlijke landschap speelt daarin een grote rol. Archeologie is een wetenschap die altijd in ontwikkeling is, de archeologische kaarten moeten daarom niet als statische documenten worden gezien. Nieuwe inzichten, uit archeologische opgravingen of nieuwe bronnen, zoals de steeds betere digitale hoogtekaarten, leiden vaak tot nieuwe inzichten. Een aantal bijzondere archeologische vindplaatsen is door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed aangewezen als Archeologisch Monument of terrein met (zeer) hoge waarde (AMK-terreinen). Uit de prehistorie en Romeinse tijd gaat het om één beschermd terrein (4114) en een vindplaats met een zeer hoge waarde (16190). Voor de middeleeuwen en vroegmoderne tijd is deze lijst een stuk langer.

Afbeelding 1.11 - In de Vlaardingse Broekpolder, net buiten de gemeente Midden-Delfland ligt educatief archeologisch erf Masamuda. Hier worden verschillende gebouwen uit de prehistorie, Romeinse tijd en middeleeuwen gereconstrueerd en wordt het veranderende landschap door de tijd heen beleefbaar gemaakt. Het geeft ook voor de geschiedenis van MiddenDelfland een mooi beeld van hoe men in het steeds veranderde landschap geleefd heeft.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

23

Het boerenleven door de eeuwen heen 1/5 De eerste boeren vestigden zich zo’n 3500 jaar vóór het begin van onze jaartelling in Midden-Delfland. In kleine gemeenschappen teelde men verschillende graangewassen en werd vee gehouden. Het dieet werd aangevuld met de rijkdom aan natuurlijke voedselbronnen die in het kustgebied te vinden waren, zoals vis, schelpen, zeegroenten en vogels. De overgang van jagen-verzamelen naar een agrarische levenswijze betekende niet op alle vlakken een verbetering. Het was hard werken en het gevaar van ziektes of misoogsten lag altijd op de loer. In de ijzertijd en Romeinse tijd woonde men met het vee onder één dak in grote woonstalhuizen. Er werden verschillende gewassen gesteeld, afhankelijk van de bodemsoort die aan de oppervlakte lag en de mate van verzilting. Zo waren de kleigronden geschikt voor de teelt van granen als emmer, gierst en gerst. De kleine nederzettingen bestonden uit één of enkele boerderijen, waar naast akkerbouw ook op kleine schaal runderen paarden, varkens en schapen werden gehouden.

Afbeelding 1.12 - Impressie van een Romeinse nederzetting aan de Woudselaan. Bron: Erfgoed Delft.

24

Verder lezen over deze periode Bakx 2013. Met rituelen omsloten. Opgraving van een inheemse-Romeinse nederzetting langs de Woudselaan in de Harnaschpolder, gemeente Midden-Delfland. Delftse Archeologische Rapporten 107. Bult 1983. Midden-Delfland, een archeologische kartering. Inventarisatie, waardering en bewoningsgeschiedenis. Bult 1985. Landschap en bewoning van MiddenDelfland tot circa 1200. De Bruin 2017. Rurale gemeenschappen in de Civitas Cananefatium 50-300 na Christus. Kerkhof, Bult & Penning 2010. Midden-Delfland. Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Delftse Archeologische Rapporten 100. Van Londen 2006. Midden-Delfland: the Roman native landscape past and present. Louwe Kooijmans & Jongste, 2013. Schipluiden. A neolithic settlement on the Dutch North Sea Coast. Louwe Kooijmans et al. 2010. SchipluidenHarnaschpolder en zijn plaats in de ontwikkeling van de neolithische levenswijze. Vos et al. 2011. Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning sinds de laatste ijstijd. Vos & de Vries 2013. 2e generatie palaeogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). Vos et al. 2017. Het ontstaan van Westland-Delfland, gebaseerd op paleolandschappelijk onderzoek en getijsysteemkennis. Toelichting op de regionale paleolandschappelijke kartering, uitgevoerd in het kader van het uitbrengen van de Atlas van het Westland.

Delftse Archeologische Rapporten 130. Landschapsbiografie Midden-Delfland

25

26

Hoofdstuk 1 - tot 400 n.Chr. Wat is er nog te zien uit deze periode? Uit de prehistorie en Romeinse tijd in Midden-Delfland is weinig bewaard gebleven in het huidige landschap. De meeste sporen liggen bedekt onder metersdikke afzettingen uit latere tijd. Kreekruggen Overal in Midden-Delfland liggen oude kreekbeddingen in de ondergrond. Door de daling van de omliggende veengebieden zijn ze als zandige ruggen in het landschap komen te liggen.Het relïef is als het ware omgekeerd. Natuurlijke waterlopen Hoewel het landschap in Midden-Delfland flink op de schop is gegaan, herinneren sommige waterlopen nog aan de vele natuurlijke kreken die het gebied ooit doorkruisten. Vaak gaat het om kronkelige relicten, die zijn opgenomen in de verkaveling. Archeologische vindplaatsen Midden-Delfland is rijk aan archeologische vindplaatsen, vooral uit de ijzertijd en Romeinse tijd. Hoewel er geen zichtbare sporen in het landschap zijn, is de verwachting van archeologische vondsten in de (diepe) ondergrond op veel plekken in de gemeente hoog.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

27

Hoofdstuk 2 Grote ontginningen in de middeleeuwen 400 tot 1550

Na de Romeinse tijd raakte een groot deel van het landschap in Midden-Delfland bedekt onder het steeds verder oprukkende veen. In de vroege middeleeuwen werden in de omgeving de eerste permanente nederzettingen gesticht, zoals Vlaardingen, Monster en Naaldwijk. Het achterland bestond toen nog uit een drassig landschap met schorren, broekbossen en uitgestrekte hoogvenen. Vanaf de 10e eeuw startte men vanuit de nederzettingen met grote ontginningen. De zware overstromingen van de twaalfde eeuw maakten daar tijdelijk een einde aan. Daarna werd MiddenDelfland verder in ontginning genomen, ditmaal op veel grotere schaal. Hiermee is de basis gelegd voor het veenweidelandschap met opstrekkende sloten, zoals we dat vandaag de dag nog steeds kennen. Door de ontwatering van het veen begon de bodem echter snel te dalen, en kreeg men te maken met wateroverlast. Dat leidde tot nieuwe bestuursvormen, de aanleg van watergangen en de vorming van polders.

28

Uitgestrekte veenmoerassen en broekbossen Tussen de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen kwam er in Midden-Delfland opnieuw weinig bewoning voor. Door de hoge waterstanden en uitgestrekte veenmoerassen leende het landschap zich niet voor akkerbouw of permanente bewoning. Door de slechte afwatering ging de veengroei onder relatief voedselrijke omstandigheden door tot in de middeleeuwen. Daarbij raakten uiteindelijk ook de geulafzettingen van de Gantel overgroeid, net als de Romeinse ontginningen. De Gantel was in de vroege middeleeuwen afgedamd door de vorming van de strandwal tussen Monster en Naaldwijk. Vanaf de 10e eeuw werd het klimaat wat droger en verbeterde ook de afwatering. Dichtbij de Maasoevers lagen toen nog uitgestrekte slikken en schorren, daarachter was het landschap dichter begroeid met elzenbroekbossen en verder landinwaarts grote hoogveenkoepels. Het was een afwisselend landschap met veel overgangen tussen zoet en zout, met natte en droge delen.23

Hollandse) graven een kans om hun macht te versterken. Via veenstroompjes en kreken trok men het achterland in. De natte klei-op-veen en veengebieden werden daarbij op systematische wijze in cultuur gebracht. De goed ontwaterde schorrengebieden dichtbij de Maas konden direct in gebruik genomen worden zonder er eerst sloten of greppels aan te leggen. Over de periode van de eerste middeleeuwse ontginningen is niet zo veel bekend, omdat er bij de overstromingen van de twaalfde eeuw veel sporen zijn weggespoeld.24 Wel is duidelijk dat de ontginningen zijn begonnen op de kleigronden. Kleigronden zijn vruchtbaar en waren daarom aantrekkelijk als landbouwgrond. De eerste ontginningen vonden daarom plaats op locaties waar klei direct aan de oppervlakte lag. De voedselarmere venen waren minder aantrekkelijk, omdat men daar door de natte omstandigheden moeilijk kon wonen en er vrijwel geen landbouw mogelijk was. Toch was er hier en daar wel bewoning op de veengronden. Die toen vaak hoger dan de plaatsen met veel klei, bijvoorbeeld in het gebied tussen ’t Woudt en de Zweth.25

Permanente nederzettingen en de eerste ontginningen

Ontstaan van het slagenlandschap

In de vroege middeleeuwen werden de eerste permanente nederzettingen in de omgeving van Midden-Delfland gesticht en raakten de strandwallen en de oevers van de Maas relatief dichtbevolkt. De ontoegankelijke wildernissen daarachter bleven vrijwel onbewoond, maar zullen wel extensief gebruikt zijn. Vanuit de nederzettingen op de noordelijke oevers van de Maas werd in de 10e eeuw begonnen met de ontginningen van deze hoogvenen. Door een toenemende bevolkingsgroei was men op zoek naar nieuwe landbouwgronden en plaatsen om te wonen. De uitgestrekte onontgonnen wildernissen boden veel potentieel. Bovendien was het voor de West-Friese (later

In de nattere gebieden werden vanaf een ontginningsbasis -die meestal werd gevormd door een (deels) natuurlijke waterloop- sloten gegraven op een regelmatige afstand van elkaar. Zo werd de basis gelegd voor het slagenlandschap met lange, rechte sloten en smalle percelen, dat het gebied nog altijd karakteriseert. Zo kon het overtollige water snel worden afgevoerd richting de Maas. Op de klei-op-veengronden moesten soms eerst nog dichtbegroeide broekbossen gekapt worden voor men de gronden in gebruik kon nemen. Met de systematische ontginningen kon de mens in de middeleeuwen in relatief korte tijd een vrij grote stempel op het landschap drukken en gingen de ontoegankelijke

Landschapsbiografie Midden-Delfland

29

wildernissen over in een rechtlijnig cultuurlandschap. Voor de ontginningen in Midden-Delfland was aanleg van de Delftsche Schie van groot belang. In het midden van de elfde eeuw werd begonnen met de aanleg van dit afwateringskanaal, dat via de Schie in verbinding stond met de Maas. Mogelijk werd er aan de noordkant verbinding gezocht met de vertakte kreken van de Gantel.26 De ontginningen in Midden-Delfland hebben plaatsgevonden tussen grofweg 950 en 1250. Uit de schaal van de ontginningen kunnen we concluderen dat er sprake geweest moet zijn van een overkoepelend gezag. Met name de graven van Holland hebben een belangrijke rol gespeeld in dit verhaal. Om de ontginningen te begrijpen is het daarom belangrijk om een beeld te schetsen van de bredere politieke context. Het graafschap Holland De opkomst van de graven van Holland staat in verband met de vroegmiddeleeuwse nederzettingen op de hogere

duinen en strandwallen langs de Hollandse kust. Het hele kustgebied tussen grofweg het Zwin in België en Noord-Duitsland stond toen nog onder Friese invloed. Vanaf de zevende eeuw was er een strijd gaande tussen de Friezen in het noorden en westen en de Franken in het zuiden. In de achtste eeuw werden de kustgebieden opgenomen in het Frankische Rijk. Daarmee deed ook het christendom definitief zijn intrede. Tot de oudste kerken in de regio behoort die van Vlaardingen, die al in de eerste helft van de achtste eeuw werd gesticht op de plek waar nu de Grote Kerk staat. Het Frankische Rijk was verdeeld in gouwen, waar lokale graven de macht kregen. Eén van de machtscentra lag bij Egmond (Noord-Holland), van waaruit de West-Friese graven steeds meer macht naar zich toetrokken en uiteindelijk in de elfde eeuw het graafschap Holland werd gevormd. De invloed van de Hollandse graven breidde zich steeds verder in zuidelijke richting uit, waarbij Vlaardingen een belangrijkste machtsbasis ging vormen.27

Afbeelding 2.2 - Tussen de tiende en dertiende eeuw werd Midden-Delfland vanuit verschillende richtingen ontgonnen. Daarmee werd de ruimtelijke structuur zoals we die vandaag de dag nog steeds kennen vastgelegd. Op de achtergrond is de landschappelijke situatie omstreeks 1250 weergegeven (groen is klei, bruin is veen). Ter referentie zijn de huidige perceelsgrenzen weergegeven.

30

Bij Maasland lag een Karolingisch koningsdomein, waar de Frankische koningen en later de Duitse keizers grond bezaten. In 985 werden de koninklijke rechten op het gebied tussen de rivieren de Isla (Hollandse IJssel) en de Liora (de Lier) door de Duitse keizer geschonken aan de graaf van West-Friesland (later Holland). Daarbij verkreeg de graaf vermoedelijk ook de rechten op de wildernissen. Door de wildernissen te (laten) ontginnen, kon er meer voedsel geproduceerd worden. Bevolkingsgroei, macht en het innen van belastingen waren de belangrijkste drijfveren. 28 De graaf gaf de gebieden uit aan lokale boeren of kolonisten. Er zijn aanwijzingen dat Friese kolonisten in de elfde eeuw in Delfland betrokken zijn geweest bij deze ontginningen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het voorkomen van Friese persoonsnamen zoals Vocke (Vockestaert) en Popta (Popta’s Woude, het huidige Abtswoude), die als toponiem (plaats- of veldnaam) zijn bewaard.29 De ontginningen stonden niet op zichzelf, grote delen van West-Nederland zijn in dezelfde periode op deze manier in cultuur gebracht. Grafelijke hoven

Afbeelding 2.3 - Reconstructie van het landschap rond 800 (boven) en 1250 (onder). Waar het landschap omstreeks 800 nog voor een groot deel uit onontgonnen veenmoerassen en onbedijkte schorren bestond, was rond 1250 een groot deel van Midden-Delfland in cultuur gebracht.

Uit historische bronnen weten we dat de ontginningen in een groot deel van Midden-Delfland hebben plaatsgevonden in een hofverband. Dat betekent dat er sprake was van een centrale hoofdboerderij, waar andere boerderijen met land toe behoorden. Deze boerderijen werden bewoond door horige boeren, die gebonden waren aan dit land. Ze waren niet vrij en verplicht om belasting aan de hofheer af te dragen. Daarnaast moesten ze op de vroonlanden (herenlanden) werken en allerlei diensten verrichten. Vanaf de volle middeleeuwen hebben domaniale hofstructuren -zoals de grafelijke hoven en de domeinen (gebieden) die ze bezaten ook wel worden genoemd- het landschap sterk bepaald. Dat de grafelijke hoven een rol hebben

Landschapsbiografie Midden-Delfland

31

gespeeld in de agrarische (veen)ontginningen is al langer bekend. Over het precieze verloop daarvan is echter nog veel onduidelijk. De hoven van Delft en Vlaardingen ontwikkelden zich als belangrijke plaatsen binnen het graafschap Holland. In het zuidelijke deel vielen de ontginningen onder Maasland en Vlaardingen, in het noorden onder de grafelijke hof van Delft. De start van de grote ontginningen vond plaats onder de Hollandse graaf Dirk I en valt niet toevallig samen met het betere klimaat vanaf de 10e eeuw. In de loop van de late middeleeuwen vielen de hoven uiteen.30 Zware overstromingen in de twaalfde eeuw De grote ontginningen hadden tot gevolg dat de gebieden kwetsbaarder werden voor overstromingen. In de twaalfde eeuw werden de ontginningen abrupt verstoord door een reeks zware stormvloeden, waarbij de rol van de menselijke invloeden op het landschap niet onderschat moet worden. Vooral de overstromingen van 1134 en 1164 brachten veel schade toe en troffen

Afbeelding 2.4 - Schematische weergave van het veenontginningsproce.s.

32

de ontginningen in de omgeving van Maasland en Vlaardingen zwaar.31 Via het riviertje de Lier of Lee en zijn vertakkingen kon de zee diep het land binnendringen en brak het water ook ten noorden van Schipluiden door de oeverwallen van de Gantel heen. In een groot deel van het gebied werd hierdoor een kleidek afgezet. Ook vanuit zuidoostelijke richting drong via de geulen zoals de Schie zoet rivierwater het gebied in. Na de overstromingen zullen delen van het gebied tijdelijk slecht bewoonbaar zijn geweest. Nieuwe ontginningen De grote overstromingen van 1134 en 1164 bemoeilijkten de ontginningen, maar al in de tweede helft van de twaalfde eeuw kwamen deze weer op gang, dit keer op grotere schaal. De periode tot ongeveer 1250 is bepalend geweest voor het huidige landschap in Midden-Delfland. Veel greppels en sloten stammen uit deze periode en zijn dus al zo’n 800 jaar oud. De veenmoerassen en kleigebieden werden in grote

blokken verdeeld en ontgonnen. Langs de verschillende ontginningsblokken werden kaden aangelegd om het water van buiten de blokken te keren. Soms bleef ook een brede strook veen onontgonnen, als een natuurlijke buffer of scheidingen tussen twee ontginningsblokken. De twaalfde- en dertiende-eeuwse ontginningen zijn te herkennen aan een regelmatige structuur met een opstrekkende verkaveling. De oorspronkelijke sloten liggen 60 roeden (ongeveer 226 meter) uit elkaar en lopen vaak door in meerdere polders, die aanvankelijk één ontginningsblok vormden en pas later zijn gesplitst.32 Deze maatvoering en systematiek zijn onder de graven van Holland in een groot deel van Midden-Delfland toegepast. Tussen de oorspronkelijke sloten zijn later nieuwe sloten aangelegd, waarmee de kavels smaller zijn geworden en de oude structuur niet overal meer te herkennen is. De verschillende ontginningsblokken vallen vaak samen met de rechtsgebieden van de ambachten, die vanaf deze periode steeds meer invloed kregen. Door de ontwateringen kwam er zuurstof bij het veen, waardoor het proces van vertering in gang werd gezet. Deze oxidatie zorgde voor een snelle inzakking (klink) van het veen. De percelen konden dan tijdelijk in gebruik genomen worden als akker, weiland of hooiland, afhankelijk van de waterstand.

Vooral in de eerste decennia na de ontginningen zal de bodem in hoog tempo gezakt zijn en werd het al snel weer te nat. Men herhaalde dan het proces van ontwateren en trok verder het land in. De bewoning schoof soms mee met de ontginningen. Vooral de veengebieden met klei in de ondergrond waren vanwege de stevigere bodem en betere vruchtbaarheid aantrekkelijk voor bewoning, hoewel ze erg nat waren. Vaak werden de boerderijen nog op terpen gebouwd.

Heren en kastelen Bij de (her)ontginningen vanaf de twaalfde eeuw speelde ook de lokale adel een belangrijke rol. Zij kregen stukken grond in leen van de graaf en poogden ermee hun macht te versterken. Met de bouw van versterkte woonhuizen of kastelen maakten ze hun positie duidelijk. In Midden-Delfland hebben veel van dit soort kastelen gestaan. De bekendste daarvan zijn Keenenburg in Schipluiden, Hodenpijl in de Klaas Engelbrechtspolder, Huis ten Dorp in de Dorppolder, Groeneveld in de Groeneveldsepolder, Huis de Velde en Huis de Hoeve in de Dijkpolder. De oudste kastelen waren mottekastelen met een ronde heuvel van enkele meters hoog, waarop een toren van hout en later steen werd gebouwd, soms voorzien van een palissade of ringmuur. Bij de Hoekse en Kabeljauwse twisten, halverwege de veertiende eeuw, werden de meeste kastelen verwoest, waarna ze nooit meer zijn opgebouwd. De stenen zijn daarna door de boeren uit de omgeving gebruikt om hun boerderijen te bouwen. Steen was namelijk een schaars product. Zodoende zijn de meeste versterkte huizen en kastelen volledig uit het landschap verdwenen. Hier en daar zijn de oude grachten nog wel te herkennen in de verkaveling. In de dertiende eeuw zien we ook de opkomst van de Ridderlijke Duitse Orde, die op de locatie van een oud mottekasteel een commanderij (uithof) stichtte.

De restanten liggen aan het einde van de Herenlaan in Maasland nog in de ondergrond en zijn beschermd als archeologisch monument. In 1356 werd de commanderij verplaatst naar een terrein bij de kerk in Maasland. De naam van de Commandeurspolder herinnert hier aan. De Duitse Orde bezit hier nog altijd veel gronden. In de late middeleeuwen groeiden verschillende nederzettingen rondom Midden-Delfland uit tot steden, zoals Delft, Vlaardingen en Schiedam, die allen in de dertiende eeuw stadsrechten verkregen.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

33

Afbeelding 2.5 - Locaties van versterkte huizen en kastelen in de omgeving van Midden-Delfland. Op de achtergrond is een reconstructie van het landschap omstreeks 1250 afgebeeld. Ter orientatie zijn ook de huidige bebouwing en wegen geprojecteerd.

34

Klooster Sion In 1432 of 1433 vestigde een groepje monniken uit het klooster Sint Hieronymusdal in Delft zich in de Hoekpolder tussen Rijswijk en Schipluiden. Ze bouwen er een nieuw klooster, mede gefinancierd door Gerrit van Egmond die niet ver daar vandaan in het kasteel Altena woonde. Op het hoogtepunt waren er 25 kloosters in Holland en Zeeland aangesloten bij het Generaal Kapittel van Sion, waarvan klooster Sion het hoofdklooster vormde. Het klooster richtte zich op de productie van perkament en handschriften. In de loop van de zestiende eeuw werd het grondbezit van het klooster flink

uitgebreid. In 1561 behoorde zo’n 200 hectare land en 4 boerderijen er toe, wat veel inkomsten uit pacht bracht. In 1572, ten tijde van de Reformatie, is het klooster in opdracht van het Delftse stadsbestuur gesloopt. In de zeventiende eeuw werd hier de buitenplaats Sion aangelegd. In 1980 is een deel van de funderingen van de kloosterkerk opgegraven. In 2018 werd opnieuw archeologisch onderzoek gedaan. Historicus Jacques Moerman schreef in 1996 een boek over de bijzondere en rijke geschiedenis van deze plek.

Afbeelding 2.6 (boven) - Illustratie van Kasteel Keenenburg. in Schipluiden door A. de Haan, 1724. Afbeelding 2.7 (rechts) - Het Huis ten Dorp werd in de twaalfde eeuw gesticht op een kunstmatige heuvel midden in de Dorppolder. In de dertiende eeuw werd er een stenen toren en ommuring gebouwd. De kasteelheer mocht zich ook ambachtsheer noemen van de ambacht Dorp, waaronder naast de Dorppolder ook delen van de Duifpolder en de Zouteveensepolder vielen.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

35

Waterbeheersing - De eerste dijken De ontginningen hadden een sterke bodemdaling in gang gezet. Daarmee werd het steeds moeilijker om droge voeten te houden en werd het gebied ook kwetsbaarder voor overstromingen vanuit de rivieren en de zee. Over de eerste bedijkingen langs de Maasoevers weten we niet zo veel. Wel is bekend dat er in de middeleeuwen een hoefijzervormige bedijking tussen de zuidelijke oever van de Lier en de westelijke oever van de Schie was aangelegd, die bij de twaalfde-eeuwse overstromingen op meerdere plaatsen doorbrak. Halverwege de dertiende eeuw kwam de eerste volledige dijk langs de noordelijke Maasoever tot stand, waar nu nog altijd de Maasdijk ligt. Daarmee was het achterland beschermd tegen overstromingen vanuit de Maas. Er heeft sindsdien geen grote doorbraak meer plaatsgevonden, zelfs niet tijdens de verwoestende Allerheiligenvloed van 1570, die elders veel schade veroorzaakte. Ook langs andere natuurlijke waterlopen werden (lage) dijken aangelegd. Verschillende relicten in het landschap herinneren daar nog aan, zoals de Voddijk, de Dijkshoornseweg en de Oude Woudseweg. Toen het Leestelsel omstreeks 1200 werd afgedamd verloren deze dijken hun waterkerende functie, maar ze zijn wel als verhoging in het landschap blijven liggen en vormden daarmee goed begaanbare wegen in het natte polderlandschap.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=middendelfland&id=ab19bb1f-5f29-4dea-abfb-049d44e56036