CConstaterende datMidden-Delfland
Koppel je AI →
Document · PDF

A 25051 Bijlage - Landschapsbiografie Midden-Delfland (eindrapport 30-06)

Gemeenteraad 23 september 2025, gemeente Midden-DelflandBij agendapunt: Brieven van het college24.307 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Landschapsbiografie Midden-Delfland

75

Plassen.65 Binnen het gebied van Midden-Delfland bleef dergelijke turfwinning geruime tijd buiten beschouwing, doordat de veengronden hier veel klei bevatten. Alleen in de Woudse Polder heeft dit plaatsgevonden, nadat verscheidene grondeigenaren in 1801 een vergunning hadden aangevraagd voor het vervenen van enkele percelen laaggelegen hooi- en weiland.

Afbeelding 4.8 - Een goed voorbeeld van het verbeterde waterbeheer is de manier waarop dijken werden onderhouden. Al sinds het einde van de middeleeuwen waren inwoners, en niet het bestuur, verantwoordelijk voor het onderhoud van de grote dijken zoals de Maasdijk. De dijk werd opgedeeld in stukken die aansloten op de breedte van de percelen erachter. De eigenaren en gebruikers van die percelen moesten zelf het bijbehorende dijkdeel onderhouden. De grenzen tussen de stukken werden gemarkeerd met zogenaamde hoefslagpalen. Vanaf 1921 veranderde dit. Het Hoogheemraadschap van Delfland kreeg toen het hele gebied van Midden-Delfland en de Schieboezem in beheer. Daarmee kwam er een einde aan de versnipperde onderhoudsplicht. Er kwam ook meer samenhang in het waterbeheer, omdat zowel de polders als de boezems nu onder één bestuur vielen.

76

Om de landbouwgronden voor verdere achteruitgang te behoeden, vroeg ook het waterbeheer om innovatieve oplossingen. De traditionele poldermolens waren afhankelijk van windkracht en konden niet altijd voldoende capaciteit leveren. Met de introductie van stoomgemalen werd de gewenste innovatie gevonden. Door gebruik te maken van een scheprad of vijzel die op stoom (en later op diesel of elektriciteit) draaide, kon het waterpeil in de polders ongeacht de weersomstandigheden op niveau worden gehouden. Voor zowel de landbouw als de scheepvaart was deze ontwikkeling cruciaal. De meeste poldermolens in Midden-Delfland zijn tussen 1860 en 1890 vervangen door stoomgemalen.66 Verandering van transport en boerenbedrijf Hoewel de tuinbouw in opkomst was en daarmee het aanblik in het landschap pleksgewijs veranderde, bleef een groot deel van Midden-Delfland in gebruik voor de melkveehouderij. Zuivelproducten werden aanvankelijk op de boerderij zelf geproduceerd en per schuit naar de markt gebracht. Door strengere kwaliteitseisen werd dit proces echter steeds moeilijker voor kleine boeren.67 De benodigde investeringen waren enkel rendabel op de grotere landbouwbedrijven. Coöperatieve zuivelfabrieken boden een oplossing: boeren leverden hun melk aan de fabriek, waar het werd verwerkt en naar de markt werd gedistribueerd. Naast boter en kaas werd de rauwe melk ook verwerkt tot consumptiemelk.

Afbeelding 4.9 - Vergelijking tussen het aantal poldermolens in Midden-Delfland tot en met de negentiende eeuw (boven) en hun vervangende stoomgemalen omstreeks 1940 (onder). Door een verbeterde capaciteit waren er aanzienlijk minder installaties nodig om de waterstand op peil te brengen.

Afbeelding 4.10 - Op perceelsniveau zorgden kleine weidemolens, Bosmanmolentjes, voor een geautomatiseerde afwatering bij hoge waterstanden. Verspreid over MiddenDelfland zijn nog talloze van dit soort molentjes te vinden.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

77

3/4

Verbindingen tussen stad en land Tussen 1800 en 1950 verbeterden de stadlandverbindingen in Midden-Delfland ingrijpend. Waar vervoer eerst vooral via waterwegen en trekschuiten verliep, zorgden spoorlijnen, stoomtrams en verharde wegen voor snellere verbindingen. Het gehele vervoersnet maakte in deze periode en ontwikkeling door tot een modern en efficiënt systeem. De aanleg van de spoorlijnen tussen Delft, Maassluis en Hoek van Holland maakten het mogelijk om land- en tuinbouwproducten veel sneller naar veilingen en steden te vervoeren. Deze verbindingen zorgden er tevens voor dat de omliggende steden nog beter bereikbaar waren voor de inwoners van de dorpen in Midden-Delfland. Het reizen was niet langer enkel bestemd voor de gegoede burger, maar werd bereikbaar voor iedereen. Dit zorgde voor een verschuiving in de onderlinge verhouding. Het land stond niet meer enkel tot dienst van de stad, maar ook omgekeerd.

78

4/5

Het boerenleven door de eeuwen heen Waar het boerenleven in Midden-Delfland in de voorgaande eeuwen nog volledig op de traditionele melkveehouderij was gericht, zorgden nieuwe economische ontwikkelingen vanaf de negentiende eeuw voor een drastische verandering. Door een groeiende vraag naar groenten uit binnen- en buitenland en de aanwezigheid van geschikte gronden, breidde de tuinbouw zich met name ten westen van Delft sterk uit. Den Hoorn werd een tuindersdorp, waar talrijke rijtjeswoningen voor de gezinnen van de tuinersknechten werden gebouwd. Ook op de melkveebedrijven was een verandering zichtbaar. Door technologische voortuitgang kon men veel efficiënter en daarmee meer zuivelproducten produceren, wat de economische positie van de boeren versterkte. Men kreeg meer toegang tot de markt, waardoor de boeren ook betere prijzen voor hun producten ontvingen. Tegelijkertijd zorgden deze ontwikkelingen ervoor dat boerenbedrijven zich moesten aanpassen. Schaalvergroting werd noodzakelijk en veel traditionele elementen, zoals eendenkooien, geriefhoutbosjes en melkinrichtingen, verdwenen uit het landschap om plaats te maken voor efficiëntere landbouw. Dit bracht ook financiële druk mee, waardoor kleine boeren het aanvankelijk moeilijk kregen om het boven water te houden.

Toch lukte het veel boeren in deze periode om de basis te leggen voor het moderne agrarische bedrijf, waarbij snelheid en bereikbaarheid onmisbare factoren waren geworden.

Afbeelding 4.11 - Kunstschilder Willem Roelofs werkte vanaf de jaren ’50 van de negentiende eeuw veel in de polders nabij Abcoude. Hij maakte er onder meer dit werk in 1870 van een poldermolen langs een van de vele watergangen (bron: gemeentemuseum Den Haag). Landschapsbiografie Midden-Delfland

79

De zuivelfabrieken lagen in de omliggende steden als Vlaardingen, Delft, Den Haag en Rotterdam, al heeft er enige tijd een zuivelfabriek in Maasland en Den Hoorn gestaan. In 1925 moest de fabriek in Maasland echter noodgedwongen zijn deuren sluiten, de concurrentie van de omliggende steden was te groot. Het verdwijnen van groene landschapselementen De ontwikkelingen in de melkveehouderij had ook zijn weerslag op het boerenerf. Door het uitbesteden van de zuivelverwerking aan de fabrieken, waren kenmerkende bouwwerken als karnmolens niet meer noodzakelijk.68 Daarnaast verdween een aantal eendenkooien en geriefhoutbosjes in deze periode uit het landschap. De eendenkooien hadden te lijden onder de toegenomen lawaai in het gebied, waardoor de eendenvangst terugliep en het voor de pachters niet meer rendabel was om de kooien te onderhouden. De functie van de eendenkooien verviel, waarna de waterplas en omliggende kooibos in feite storende elementen werden voor de melkveehouderij.69 Dit gold ook voor het Zouteveense Meer, een overblijfsel uit de middeleeuwen aan de Slinksloot. Door de verhoogde capaciteit van de stoomgemalen konden de natste locaties nu ook eenvoudiger worden omgezet in landbouwgrond. Veel geriefhoutbosjes trof eenzelfde lot als de eendenkooien.

Waar ze voorheen van belang waren voor houtoogst in de vorm van brandhout of gereedschap, bestonden er inmiddels efficiëntere alternatieven. Toch is een aantal geriefhoutbosjes in het landschap bewaard gebleven als overblijfsel van vroegere tijden.70 De koebochten – een met boomgroepen of geriefhout omgeven stuk grond aan de rand van een weiland om de koeien te melken – zijn vrijwel allemaal verdwenen, evenals veel van de knotwilgen langs sloten in de polders.

80

De opkomst van gemotoriseerd vervoer De omslag naar fabrieksproductie bracht ook toevoegingen aan het boerenerf in de vorm van melkhuisjes. Deze kleine houten bijgebouwen, typisch voor Midden-Delfland, werden voorzien van een koelbak en gebruikt om de gevulde melkbussen te bewaren.71 Net als bij de overige producten die naar de markt werden gebracht, werd ook de melk per schuit aangevoerd. Door de boer zelf of via één van de vele schippers die wat extra bijverdienden met goederenvervoer. De introductie van vrachtauto’s na de Eerste Wereldoorlog zorgde voor een revolutie in het transport. Tuinders en handelaren kozen steeds vaker voor vrachtwagens in plaats van schuiten, vanwege hun hogere snelheid en flexibiliteit. De invloed van het gemotoriseerd verkeer was misschien wel het sterkst in het personenvervoer. Want hoewel het personenvervoer per stoomtram in Midden-Delfland slechts iets meer dan een decennium bestond, won de autobus vanaf het midden van de jaren twintig snel aan populariteit als vervoersmiddel. De Westlandsche Stoomtramweg Maatschappij besloot daarop ook zelf autobussen aan te schaffen en deze dienst aan te bieden, onder meer op het traject Delft-Maassluis. Vanaf 1925 werden de eerste stoomtramlijnen opgeheven en vervangen door autobussen. In 1932 werd het personenvervoer per tram volledig stopgezet.

Al bleef de stoomlocomotief, later vervangen door een diesellocomotief, nog tot de jaren zestig in gebruik voor goederenvervoer, vooral naar Duitsland. Het gebruik van de trekschuit kwam na de intrede van vrachtauto’s wel helemaal te vervallen. Het tramstation in Schipluiden samen met de trambrug inmiddels een rijksmonument - is behouden gebleven en is sinds 1989 een streekmuseum. Hier wordt aandacht besteed aan kasteel Keenenburg en het vervoer per rail en over water. Ook zijn er wisselende exposities over lokale en regionale onderwerpen.72

Afbeelding 4.12 - In de loop van de negentiende en twintigste eeuw zijn veel historische groenstructuren uit het landschap verdwenen, omdat ze hun functie verloren. Op verschillende plaatsen in MiddenDelfland wordt gewerkt aan het herstellen van landschapselementen, zoals hier aan de Oostveenseweg. De rijen met knotwilgen en de geriefbosjes worden door de Stichting Midden-Delfland is Mensenwerk opgeknapt en onderhouden.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

81

Crisis en oorlogsjaren Eerder in dit hoofdstuk werd de enorme groei van het tuinbouwgebied rondom Den Hoorn al toegelicht, wat onder meer leidde tot de verplaatsing van de Delftsche Groentenveiling. Den Hoorn was daarmee niet het enige veilingterrein in de regio; het Westland had maar liefst dertien locaties, waaronder ook één in Maasland.73 Al deze terreinen waren per spoor bereikbaar, waar de goederen werden ingeladen en vervolgens naar het buitenland werden vervoerd. Maar al snel kreeg de landbouw een zware klap te verwerken. De beurskrach van 1929 leidde tot een wereldwijde landbouwcrisis. Veel landen sloten hun grenzen voor buitenlandse producten, waardoor de Nederlandse markt overspoeld raakte met onverkochte groenten en fruit. Hoewel de sector zich aan het einde van de jaren ‘30 enigszins herstelde, bracht de Duitse bezetting nieuwe uitdagingen met zich mee. In de eerste oorlogsjaren stegen de inkomsten van de

Afbeelding 4.13 - Het voormalige tramstation van Schipluiden. Foto: Jacques Moerman.

82

veilingen aanvankelijk, doordat veel van de overschotten rechtstreeks in Duitsland afgezet konden worden.74 Al snel bleek echter dat dit niet bij de overschotten zou blijven en het merendeel van de gehele productie verplicht naar Duitsland moest worden gestuurd. De landbouwers waren door de Duitsers gebonden aan vaste verkoopprijzen, waardoor zij niet konden profiteren van toegenomen marktprijzen. Sporen van de Atlantikwall Meer specifiek voor het Westland kwam er nog een extra belemmering tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hoek van Holland werd als strategische locatie namelijk uitgeroepen tot Festung, wat betekende dat het gebied koste wat het kost verdedigd moest worden. Twee antitankgrachten sneden dwars door het tuinbouwgebied en in de wijde omgeving werden verdedigingswerken als bunkers en afweergeschut aangelegd.75 Hoewel de zwaarste verdedigingswerken in de directe nabijheid van Hoek van Holland lagen, strekte de verdediging zich uit tot Maassluis, Schipluiden en ‘t Woudt. Aan het einde van de oorlog kwam daar nog een verdedigingstactiek bij die we kennen uit de Tachtigjarige Oorlog, namelijk het onder water zetten van de polders (inundatie). Zo verdwenen onder meer de Woudse Polder, de Klaas Engelbrechtspolder en enkele polders tussen de Vlaardingervaart en de Schie tijdelijk onder water.76 Na de oorlog verdwenen veel sporen van deze verdedigingswerken uit het landschap.

Toch herinneren enkele bunkers en fundamenten bij Schipluiden nog aan deze turbulente periode.

Afbeelding 4.14 (boven) - Ten noorden van Schipluiden lag Widerstandsnest 90L, bestaande uit enkele bunkers en een zendmast. Van de zendmast zijn enkel nog de funderingen aanwezig, maar de bunkers zijn nog duidelijk zichtbaar in het landschap. ((fotograaf Donald Harteveld, wordt nog vervangen met eigen exemplaar). Afbeelding 4.15 (midden) - Op vrijdag 10 mei 1940 begonnen de Duitse troepen met hun offensief om Delft in te nemen. Vliegtuigen volgeladen met zwaarbewapende parachutisten vlogen over Midden-Delfland, waarbij één van de vliegtuigen een noodlanding moest maken bij ’t Woudt. Een Duitser kwam hierbij om het leven (Bron: museum Tramstation Schipluiden). Afbeelding 4.16 (onder) - In een brede strook rondom Hoek van Holland werden tijdens de Tweede Wereldoorlog vele tientallen zogenaamde Widerstandsnesten (grijs) aangelegd, elk bestaande uit een aantal bunkers of afweergeschut. Ook ten noorden van Schipluiden en in de omgeving van ’t Woudt lagen verscheidene Widerstandsnesten, bedoeld om de strategische verbinding van de Zweth en naar Wateringen te verdedigen. Alleen bij Schipluiden zijn hier nog relicten van terug te vinden, zoals de fundamenten van een zendmast en enkele zogenaamde Tobruks. (Bron: Atlantikwall-Museum).

Landschapsbiografie Midden-Delfland

83

84

Hoofdstuk 4 - 1800 tot 1950 Wat is er nog te zien uit deze periode? Spoor- en tramwegen Met de komst van de industrialisatie kreeg het vervoersnetwerk een sterke impuls. Tussen Rotterdam en respectievelijk Delft en Hoek van Holland werden spoorwegen aangelegd en veel van de dorpen in Midden-Delfland kregen een tramverbinding. Hoewel de tramrails is verdwenen zijn de hiervoor aangelegde kaden nog grotendeels intact gebleven, net als het station van Schipluiden. Geriefhoutbosjes In de nabijheid van de boerenerven waren altijd wel kleine bosjes te vinden. Ze werden gebruikt als hakhoutbos voor dagelijks gebruik op en rondom de boerderij en zijn vaak nog herkenbaar door de oude hakhoutstoven. Gemalen Gedurende de negentiende en twintigste eeuw zijn veel poldermolens vervangen door een veel krachtiger gemaal. Hiermee kon het waterpeil in de polders voor een groter gebied beter gereguleerd worden, waardoor er minder gemalen nodig waren. Relicten Tweede Wereldoorlog De Tweede Wereldoorlog is van grote invloed geweest op het leven in Midden-Delfland, maar er zijn nog maar weinig tastbare overblijfselen over. Bij Schipluiden resteren nog enkele bunkers en fundamenten van een zendmast, behorend bij de Duitse verdediging van Hoek van Holland.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

85

Verder lezen over deze periode Abrahamse, van der Zee & Kosian 2016. Atlas van de Schie. 2500 jaar werken aan land en water. IJsselstijn & van Mil, 2016. Atlas van het Westland. 10.000 jaar ruimtelijke ontwikkeling. Lintsen et al. 1992. Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel 1: Techniek en modernisering. Landbouw en voeding, Walburg press Zutphen. Van Lith 2012. Rook waait over het Westland. De Westlandse stoomtram, het Delflandspoor en de Westlanders 1881-1970. Midden-Delfland Vereniging 2018. Knotwilgen en andere kanjers. Bijzondere bomen in Midden-Delfland. Moerman 2012. ’t Woudt. De rijke geschiedenis van het kleinste dorp van Nederland. Van Ooststroom 1989. Boerenerven in MiddenDelfland. Een blik in het verleden. Reconstructie MiddenDelfland. Spinnewijn 1995. Schipluiden Den Hoorn 1940-1945. Wijsbek, Kooij & van Immerseel 2019. Kassen in Nederland 1650-1950. Studie over de geschiedenis, de ontwikkeling en het behoud van plantenkassen. Stichting In Arcadië, Amersfoort. Woud van der A. 2010. Het lege land. De ruimtelijke orde van Nederland 1798-1848. Van der Woud 2020. Het landschap, de mensen. Nederland 1850-1940.

86

Landschapsbiografie Midden-Delfland

87

Hoofdstuk 5 Een gebied onder druk 1950-heden Na de Tweede Wereldoorlog werd de Nederlandse ruimtelijke ordening sterk beïnvloed door economische groei en woningbouw. Vanuit alle hoeken werd aan het agrarische landschap van Midden-Delfland geknabbeld, dat daarmee steeds verder in omvang afnam. Als antwoord werd Midden-Delfland in 1958 aangewezen als Rijksbufferzone om het open landschap te beschermen tegen aanhoudende stadsuitbreiding. In de decennia daarna werd de randen van het gebied geleidelijk ingericht als recreatief uitloopgebied, terwijl ook de ecologische waarden werden bevorderd door de inrichting van natuurgebieden en de toepassing van weidevogelbeheer. Maar ondanks de bescherming bleef het gebied onder druk staan. De aanleg van de A4 zorgde voor veel controverse en in 2011 verdween de landelijke beschermingsstatus zelfs geheel. Inmiddels is een groot deel van het open landschap binnen de metropoolregio aangewezen als Bijzonder Provinciaal Landschap, met als ontwikkelopdracht ‘het sturen op kwaliteitsbehoud en het zoeken naar aansluiting op de stedelijke behoeftes’.

88

Een strijd om de ruimte Na de verwoestende impact van de Tweede Wereldoorlog nam de Nederlandse overheid het voortouw in de wederopbouw. Met de slogan ‘nooit meer honger’ werd de agrarische sector een speerpunt. Niet alleen om de binnenlandse voedselvoorziening te garanderen, maar ook als stimulans voor de export en economische groei. Er werd sterk ingezet op schaalvergroting, infrastructuur en technologische vooruitgang. Tegelijkertijd kregen steden en industrieën de ruimte om uit te breiden. Dit leidde echter tot een onbedoeld neveneffect: steden groeiden naar elkaar toe. De angst bestond dat Rotterdam en Delft op den duur één stedelijk gebied zouden vormen, terwijl het Westland -cruciaal voor de tuinbouwexport- kampte met ruimtegebrek.77 Het open weidelandschap van MiddenDelfland kwam steeds verder onder druk te staan door de groeiende vraag naar grond voor woningbouw, bedrijvigheid en tuinbouw.

gevrijwaard van grootschalige stedelijkige uitbreiding, terwijl het door de aanleg van wandel- en fietsroutes zoveel mogelijk werd ingericht als recreatief gebied voor stadsbewoners uit de directe omgeving. Er werd zelfs al geopperd om grote stukken grond in het gebied te ontgraven en deze gebieden om te vormen tot parkachtige recreatiegebieden met veel open water.79 Het streekplan Westland Ondertussen ging de planvorming in het gebied gewoon verder. Om de grote ruimtevraag beter te coördineren, werden streekplannen ontwikkeld. In het Streekplan Westland uit 1965 werden de eerste contouren van het huidige landschap geschetst. In lijn met de Rijksbufferzone werd slechts beperkt ruimte toegekend aan de uitbreiding van de glastuinbouw en woningbouw. Het grootste deel van Midden-Delfland bleef agrarisch gebied.80 Tegelijkertijd werd er rekening

Midden-Delfland als groene bufferzone Een grootschalig onderzoek in de jaren ’50 naar de ruimtelijke ontwikkeling in de Randstad bevestigde dat het agrarische landschap van Midden-Delfland onder directe bedreiging stond. Als er niet werd ingegrepen zou het gebied zich ontwikkelen als een grote metropool zoals Londen en Parijs, met destijds nog veel gebrek aan groene ruimte of recreatiegebieden. Dit onderzoek, in opdracht van de Rijksdienst voor het Nationale Plan, benadrukte het belang van open agrarische gebieden als tegenwicht tegen de oprukkende verstedelijking.78 Midden-Delfland werd daarom in 1958, samen met Spaarnwoude bij Haarlem, aangewezen als beschermde bufferzone. Vanaf 1963 werd deze bescherming hernoemd als Rijksbufferzone en werd een deel ervan bestempeld als Groene Ster. Hierdoor bleef het gebied

Afbeelding 5.2 - De contouren van de Rijksbufferzone MiddenDelfland zoals deze in 1963 is vastgesteld, geprojecteerd op de topografische kaart omstreeks 1970.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

89

gehouden met een toenemende behoefte aan recreatie in een natuurlijke omgeving, met voorzieningen gericht op zowel extensieve (wandelen, fietsen) als intensieve (sport, horeca) vormen van recreatie. De reconstructie van Midden-Delfland Al snel bleek dat de landelijke uitstraling van MiddenDelfland inderdaad een grote aantrekkingskracht had op de recreant. Veel stedelingen trokken erop uit om de polders rondom de steden te verkennen. De aanwezige paden werden echter minder gebruikt dan verwacht. Zonder recreatieve voorzieningen bood het polderlandschap te weinig vertier. Dit werd wel gevonden in de vele vaarten en vlieten in het gebied, waar met name in de warmere maanden veel waterrecreatie was.81 Vanuit ecologisch perspectief leidde dit tot enige verontwaardiging. De kenmerkende oeverbeplanting, die in het Streekplan nog als één van de schoonheden van het landschap werd gezien, had sterk te lijden onder de vele zwemmers en bootjes.82 Ook bij de boeren in het gebied was de situatie nog verre van ideaal. Veel landbouwpercelen lagen versnipperd, waren slecht bereikbaar of waren zelfs geheel onrendabel geworden. De waterhuishouding liet met de sterk toegenomen glastuinbouw ook te wensen over, aangezien grote hoeveelheden water werden afgetapt om de groenten te bewateren. Een (vrijwillige) ruilverkaveling zou een deel van de problemen kunnen oplossen.

Dit zou echter meerdere decennia in beslag nemen en er was enige argwaan onder de (boeren) bevolking dat de industrie en steden ondertussen alsnog zouden oprukken. En daarmee was de problematiek rondom de recreatievoorzieningen nog niet weggenomen.

90

De Reconstructiewet van 1977, voortkomend uit de Derde Nota Ruimtelijke Ordening, bood uitkomst. Naast landbouw en woningbouw kregen ook ecologie, recreatie en cultuurhistorie een plek in de planvorming (zie afbeelding 5.5 op pagina 93).83 Zo werd het onder meer mogelijk om zones specifiek voor natuur, landbouw of recreatie aan te wijzen. Dit gaf de provincie en betrokken gemeenten de gelegenheid om grote stukken land aan de randen van de steden in te richten voor recreatie. Midden-Delfland werd als eerste gebied aangewezen voor herinrichting onder deze Reconstructiewet en fungeerde als oefengebied voor de latere Landinrichtingswet. Midden-Delfland kan daarmee worden gezien als voorloper van de landinrichtingsprojecten in Nederland.84 Het gebied werd opgedeeld in drie deelgebieden – Lickebaert, Gaag en Abtswoude – met afzonderlijke inrichtingsplannen. Voorafgaand werd een natuurwetenschappelijke commissie gevraagd om advies te geven over de waarden van het gebied. Zij concludeerden onder andere dat Midden-Delfland van bijzondere betekenis is door de grote variatie aan reliëf, profielopbouw en hoge grondwaterstand.85 In tegenstelling tot vele andere locaties had de modernisering van de landbouw in Midden-Delfland, zoals schaalvergroting en egalisering van de bodem, nog geen grote vlucht genomen.

Hierdoor waren veel historische boerderijlinten en de aardkundig waardevolle kreekruggen nog gaaf in het landschap aanwezig. In 1977 leidde de planvorming tot de oprichting van de Midden-Delfland Vereniging. Daarmee zetten boeren en burgers zich met elkaar in Midden-Delfland te beschermen. Onder meer door actief deel te nemen aan de Reconstructiecommissie en haar werkgroepen.

Het verdwijnen van de Delftsche Groentenveiling Decennialang was de Delftsche Groentenveiling een begrip in Den Hoorn. Van 1921 tot 1963 was het een komen en gaan van schuiten, handelaren en keurmeesters. Met name na de Tweede Wereldoorlog nam de tuinbouw weer een grote vlucht en raakte het veilingterrein te klein om de ontwikkelingen te kunnen bijhouden. De aanwezige havens voor de schuiten werden in de jaren ’60 al gedempt omwille van de overstap op vrachtauto’s. In 1963 besloot de Delftsche Groentenveiling te fuseren met de Veiling in Westerlee en verplaatste het terrein zich naar De Lier. Daar kreeg het de nieuwe naam Veiling Delft-Westerlee. Het eens zo bedrijvige veilingterrein in Den Hoorn werd in 1995 herontwikkeld tot een levendige, groene en sociaal betrokken woonwijk met de naam Oude Veiling. In de ruimtelijke indeling is het oorspronkelijke van de patroon van de haven nog herkenbaar. Ook de straatnamen refereren aan het veilingverleden.

Afbeelding 5.3 - Bij het Reconstructieplan is een vergelijking opgenomen tussen de agrarische situatie tussen 1972 en 1980. Hierin wordt de neergaande trend van het aantal beschikbare agrarische grond direct duidelijk, net als de teruggang van het aantal bedrijven. Tegelijkertijd is er juist een sterke stijging in de tuinbouw te zien, waarbij in 1980 zelfs 70% van de totale agrarische productie afkomstig was uit het tuinbouwgebied. Alleen middelgrote en grote rundveebedrijven wisten zich te handhaven, wat geïllustreerd wordt door een stijging van het gemiddeld aantal stuks melkvee per bedrijf en de gemiddelde bedrijfsgrootte in hectare. De kleinere bedrijven waren niet meer levensvatbaar en hadden ook veelal geen opvolger. De nijpende situatie werd extra duidelijk doordat men in het Reconstructieplan schetste dat rundveebedrijven een veestapel van circa 70 koeien nodig had om toekomstbestendig te blijven, wat neerkwam op een gemiddelde bedrijfsgrootte van circa 25 hectare. Door kavelvergroting, meer grond dichter bij de boerderij en een algehele betere ontsluiting werd geprobeerd dit te bereiken.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

91

Afbeelding 5.4 - Na de Tweede Wereldoorlog nam het gevecht om de ruimte in en rondom Midden-Delfland sterk toe. Het vanouds groene en open landbouwgebied werd in rap tempo vanuit verschillende richtingen geleidelijk opgeslokt door opgaande woningbouw, industrieterreinen en glastuinbouw.

92

Afbeelding 5.5 - Kaartvergelijking tussen de zonering van het Streekplan Westland uit 1965 (boven) en het Reconstructieplan uit de jaren ’80. Waar in het streekplan nog enkel ruimte was voor een smalle zone aan recreatie ten zuiden van Delft, bleek de recreatiebehoefte begin jaren ’80 veel sterker dan werd aangenomen. Door de aanleg van nieuwe recreatiezones diende deze recreatie aan de randen te worden opgevangen. Ook werden er specifiek gebieden aangewezen als natuurgebied of agrarisch natuurbeheer, met als doel de ecologische waarde van het gebied te bewaren en te versterken. Deze nieuwe vraag ging ten koste van het beschikbare areaal landbouwgrond.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

93

4/4

Verbindingen tussen stad en land Waar vroeger vooral functionele verbindingen voor landbouw en handel centraal stonden, is de binding tussen stad en het omliggende platteland gedurende de twintigste eeuw steeds verder afgevlakt. De wereldmarkt en vrije handel maakten de levering van landbouwproducten van elders veel eenvoudiger, waardoor het agrarische gebied steeds meer als te benutten ruimte werd gezien. Het verdwijnen van de Harnaschpolder en (delen van) Den Hoorn ten behoeve van uitbreiding van Delft is hier het meest schrijnende voorbeeld van. De verhouding tussen stad en land kwam meer te liggen op het vinden van ontspanning in een druk leven. Waar in de vooroorlogse periode vooral de gegoede burger een ritje maakte in het buitengebied, al dan niet naar de vele buitenplaatsen, zwermen nu grote groepen recreanten uit over de polders. Bereikbaarheid en recreatieve mogelijkheden zoals fietsroutes en wandelpaden kregen meer prioriteit om inwoners van omliggende steden betere toegang te geven tot het landschap. Oude kerkenpaden werden hergebruikt als nieuwe wandelroutes dwars door de polder en het voormalige tramtracé werd omgevormd tot fietsroute. Wederom staat het agrarische landschap van MiddenDelfland in dienst van de stad, maar dan als plek van vertier en ontspanning, in de vorm van bijvoorbeeld recreatieplassen en landschapsparken.

Afbeelding 5.6 - Al in 1968 werd er begonnen met de aanleg van een zandlichaam voor de komst van de latere A4. Onder meer door de vele protesten zou het echter nog decennia duren voordat de snelweg ook daadwerkelijk voltooid was: al die tijd werd het polderlandschap doorsneden door een gele muur van zand. Bron: Beeldbank Rijkswaterstaat.

94

5/5

Het boerenleven vanaf de jaren ‘50 Na de Tweede Wereldoorlog lag de nadruk in het agrarische landschap nog sterker dan voorheen op schaalvergroting en modernisering, aangejaagd door de groeiende voedselvraag. Boeren werden gestimuleerd hun bedrijven efficiënter te maken, maar tegelijkertijd kwam het agrarisch landschap steeds meer onder druk te staan door oprukkende stedenbouw, glastuinbouw en infrastructuur. Mede door ingrijpen vanuit het Rijk kon de agrarische sector in MiddenDelfland veilig worden gesteld, al zouden natuurbeheer en recreatie een steeds grotere rol gaan vervullen. Verscheidene boerenbedrijven hebben een camping of B&B als neventak opgezet. Daarnaast hebben veel boeren agrarisch natuurbeheer in hun bedrijfsvoering opgenomen, met speciale aandacht voor weidevogels en landschapsbehoud. Inmiddels heeft een groot deel van de boeren kleinschalige kringlooplandbouw omarmd, om zo nog meer zorg te kunnen dragen voor het landschap. De boeren in Midden-Delfland zijn zo van traditionele voedselproducenten veranderd in hoeders van een uniek cultuurlandschap.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

95

Natuurreservaten en agrarisch natuurbeheer Ook werd er gekeken naar de ecologische betekenis van het gebied. Door modernisering in de landbouw bleken natuurwaarden en landbouw inmiddels niet meer automatisch hand in hand te gaan. Met name weidevogels, maar ook enkele kwetsbare vegetatietypen, werden hier flink de dupe van. Om dit te ondervangen, werden zogenaamde beheersgebieden en reservaten ingesteld. In beheersgebieden bleven boeren actief, maar met een focus op natuur- en landschapsbeheer, ook wel agrarisch natuurbeheer genoemd. In de reservaten daarentegen was regulier agrarisch gebruik niet meer toegestaan. Hier werd het beheer overgenomen door natuurbeschermingsorganisaties zoals Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer en kreeg de locatie een bestemming als natuurgebied. Onder meer de eerder verworven terreinen van Natuurmonumenten werden als dergelijk reservaat bestempeld. In het advies van de natuurwetenschappelijke commissie werd in het bijzonder aandacht geschonken aan het hoge aantal weidevogels in Midden-Delfland. Terwijl populaties in de rest van Nederland terugliepen, bleken polders zoals de Noord-Kethelpolder en de Aalkeetbuitenpolder nog rijk aan grutto’s, tureluurs en kieviten.86 Deze gebieden werden dan ook bestempeld als nieuwe natuurgebieden. Staatsbosbeheer verkreeg het eigendom, al zijn grote delen in beheer gekomen bij Natuurmonumenten.

Deze ontwikkeling betekende echter niet dat de zorg voor de weidevogels enkel bestemd was voor de natuurorganisaties. Sterker nog, door enkele betrokken lokale boeren werd in 1999 de agrarische natuurvereniging Vockestaert opgericht. Zij maakten zich hard voor het behoud van de openheid en de natuurwaarden in het gebied, ten behoeve van de weidevogels. In de loop der tijd is de Agrarische Natuurvereniging Vockestaert gegroeid, waarbij meer

96

dan de helft van de boeren in het gebied lid is geworden. Door hun inzet worden veel voorheen reguliere agrarische percelen nu beheerd volgens het principe van agrarisch natuurbeheer.87 Ook gronden in beheer van Natuurmonumenten worden veelvuldig verpacht aan omliggende boeren die agrarisch natuurbeheer toepassen. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw werden meer natuurtechnische ingrepen, zoals het creeëren van plas-dras situaties in weilanden of laat in het jaar maaien, nog enkel door de natuurorganisaties in hun terreinen opgepakt, maar inmiddels zijn deze maatregelen ook steeds meer te zien op de particuliere agrarische gronden. Zo is in Midden-Delfland een sterke samenhang ontstaan tussen de lokale boeren en natuurorganisaties, met als resultaat dat plekken zoals de Klaas Engelbrechtspolder, de Duifpolder en de Commandeurspolder inmiddels rijk aan weidevogels zijn. Recreatieve uitloopgebieden Over het algemeen kan worden gesteld dat de landbouwgronden werden geclusterd in de kern van Midden-Delfland, waarmee het karakteristieke beeld van het open polderlandschap en de verspreide boerderijen op kreekruggen intact bleef. Aan de randen van dit agrarische landschap werden verscheidene percelen omgevormd tot natuurgebied. Om de druk op het centrale poldergebied te verminderen, werden op de grens tussen stad en land brede delen ingericht als groene recreatiezones.

Een mooi voorbeeld hiervan is de Krabbeplas in de Aalkeetbuitenpolder of de Foppeplas in de Foppenpolder. In beide gevallen zijn hier doelbewust waterpartijen gecreëerd op voormalig landbouwgrond, om tegemoet te komen aan de wens voor waterrecreatie en tegelijkertijd de vaarten en vlieten enigszins te ontzien.88

Landschap onder druk: de aankoop van natuurterreinen Het beeld van talrijke weidevogels en insecten in weelderig bloeiende graslanden was een beeld dat in de negentiende eeuw nog op veel weidegronden van toepassing was. Door schaalvergroting, kunstmest en een betere waterbeheersing veranderde dit beeld met name na de Tweede Wereldoorlog rigoureus. Voor verscheidene natuurorganisaties, waaronder Natuurmonumenten, gaf dit de aanleiding om terreinen in eigendom te verkrijgen om deze omwille van hun ecologische waarden en landschapsschoon te bewaren voor de toekomst. In 1949 werden de Vlietlanden als eerste natuurgebied binnen MiddenDelfland aangekocht. Het boezemland kwam vrij nadat de boeren hier stopten met hooien vanwege de slechte bereikbaarheid en niet rendabele opbrengst. In de decennia erna werden aangrenzende percelen geleidelijk aangekocht tot het gehele terrein in eigendom werd verkregen. In 1971 volgde een tweede terrein in de vorm van de eendenkooi bij Schipluiden. Deze eendenkooi, die onder meer werd gezien als belangrijke toevluchtsoord voor enkele kwetsbare vogelsoorten, stond onder druk door de oprukkende stadsbebouwing van Delft en de geplande aanleg van de A4. In 2003 werd het eigendom van Natuurmonumenten nogmaals vergroot door het beheer van de Ackerdijkse Plassen van de Vereniging tot Bescherming van Vogels over te nemen.

Dit 138 hectare tellende gebied is ontstaan door vervening.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

97

Het ontbreken van groen in de nabijheid van de stad werd aangepakt door verscheidene recreatieve uitloopgebieden in te richten als een landschapspark. Dit principe kwam overeen met de Randstadgroenstructuur, die vanaf 1985 verspreid over de gemeenten in de Randstad werd uitgevoerd en moest zorgen voor meer bos-, natuur- en recreatiegebieden in de directe nabijheid van de stad. Door de aanplant van meer parken en bossen met recreatieve voorzieningen kon beter op de toenemende recreatiebehoefte worden ingespeeld. Dit initiatief is omstreeks 2000 overgegaan op het programma Recreatie om de Stad, waarbij werd begroot dat voor iedere nieuwe woning ook een hoeveelheid groen van 75 vierkante meter nodig was.89

98

Met name aan de stadsranden verrezen hierdoor grote landschapsparken. Het Abtswoudse Bos ten zuiden van Delft, waar naast het aanplanten van bomen en struiken ook delen van de polder zijn afgegraven Afbeelding 5.8 - Met name in de jaren ‘90 en rond de eeuwwisseling zijn verscheidene recreatieve uitloopgebieden langs de stadsranden van Midden-Delfland ontwikkeld. Op deze uitsnede van het deelgebied Abtswoude zijn de ontwerpen van het Abtswoudse Bos en de golfbaan ten oosten van Schipluiden zichtbaar. Doordat gebruik is gemaakt van een kadastrale ondergrond wordt extra duidelijk dat de recreatiegebieden niet enkel nieuwe toevoegingen waren, maar dat het ten koste ging van historische polderstructuren.

en omgevormd tot slingerende waterpartijen, kan gezien worden als goed voorbeeld van een dergelijk landschapspark. De financiering voor deze gebieden kwam voor rekening van de provincies of het Rijk. Voor het beheer van de intensievere recreatiegebieden werden speciale recreatieschappen opgericht. De gebieden met een extensieve recreatiedruk werden beheerd door Staatsbosbeheer.90 Ook de Broekpolder ten westen van Vlaardingen kan worden gezien als voorbeeld van een kunstmatig landschapspark, hoewel dit in feite geen project uit het programma Recreatie om de Stad betreft. Tussen 1958 en 1976 werden in deze voormalige landbouwpolder vele meters baggerspecie gestort, om hier een nieuwbouwwijk voor Vlaardingen te bouwen. De grond, afkomstig uit de Rotterdamse haven, bleek echter veel te sterk verontreinigd om een woonwijk te realiseren, waarmee de plannen voor nieuwbouw werden geschrapt.91 Als nieuwe bestemming werd het terrein voor een deel aangeplant met bos en voor een deel natuurlijk ontwikkeld met behulp van begrazing. Inmiddels is het gebied een populaire bestemming voor dagrecreatie vanuit Vlaardingen en omgeving. Een snelweg dwars door de polder In de vorige paragrafen is een beeld geschetst van de steeds toegenomen aandacht voor de bijzondere waarden van het polderlandschap in Midden-Delfland.

Maar dat er ook andere belangen in het gebied spelen blijkt onder meer uit de jarenlange discussie over de Rijksweg 19, nu bekend als de A4. Al in 1957 werd de aanleg van deze weg tussen Rijswijk en Schiedam gepland en in 1968 werd al een start gemaakt met de aanleg van de fundering (het zandlichaam). De weg sneed dwars door het oude polderlandschap, wat leidde tot hevige protesten. Ook over de Blankenburgverbinding werd destijds al gesproken. De Reconstructiewet Midden-

Delfland gaf aanleiding om de plannen tijdelijk te pauzeren, al is de voltooing van de A4 nooit definitief uit de planvorming verdwenen. Zo werd in 1998 alvast een start gemaakt met de oplevering van het noordelijke deel van de snelweg tussen Rijkswijk en Delft. Lange tijd bleef de snelweg door Midden-Delfland slechts een onafgewerkt zandlichaam, totdat gedeputeerde Marnix Norder met een compromis kwam. Hij stelde voor om de snelweg niet boven maaiveld, maar juist verdiept en deels als tunnel aan te leggen. 92 In zijn bewoording was de snelweg hiermee “niet ze zien, niet te horen en niet te ruiken.” Het idee van Norder werd positief door het kabinet ontvangen en uitgewerkt naar een concreet plan, te weten het Integrale ontwikkelingsplan Delft-Schiedam (IODS). Om tegemoet te komen aan het verlies van landschap werden tal van compensatiemaatregelen getroffen. Zo werden extra natuurstroken aangelegd en werden boeren financieel ondersteund bij hun overschakeling op kringlooplandbouw en/of agrarisch natuurbeheer. Het plan Norder had overigens enkel betrekking op de A4. De Blankenburgverbinding (A24) was ook binnen de politiek lange tijd controversieel en werd pas in 2016 openbaar aanbesteed, ondanks hevige protesten over de doorsnijding van eeuwenoud cultuurlandschap. In 2024 werd de verbinding alsnog geopend voor verkeer.

De compensatie voor de A4 bood de mogelijkheid om tal van verspreid liggende kascomplexen in het landschap uit te kopen en te saneren. Hiermee werd het onderscheid tussen glas en gras uit de eerdere gemeentelijke herindelingen opnieuw bevestigd. De Westlandse gebieden met veel glastuinbouw werden hierbij samengevoegd tot de gemeente Westland en de landelijke gemeenten Schipluiden en Maasland werden samengevoegd tot de gemeente Midden-Delfland.

Landschapsbiografie Midden-Delfland

99

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=middendelfland&id=ab19bb1f-5f29-4dea-abfb-049d44e56036