CConstaterende datMidden-Delfland
Koppel je AI →
Document · PDF

A 25043 bijlage Concept-NRD-nieuwbouw-kerncentrales

Gemeenteraad 23 september 2025, gemeente Midden-DelflandBij agendapunt: Brieven van het college31.897 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

5.1

Sloegebied Het Sloegebied is in de huidige situatie een gezoneerd industrieterrein. Het is grofweg voor de helft gelegen in de gemeente Borsele (zuidelijk deel) en voor de helft gelegen in de gemeente Vlissingen (noordelijk deel). Het Sloegebied kenmerkt zich door grootschalige industrie en een ruime opbouw. Kenmerkende elementen zijn de insteekhavens, ruime kavels, grootschalige industriële complexen en kleinschaligere bedrijfsmatige bebouwing, bovengrondse en ondergrondse infrastructuur en landschappelijke inpassing rondom het zeehaventerrein met daaraan grenzend de N254. Op grotere afstand vanaf het bedrijventerrein bevinden zich agrarische bedrijven met bijbehorende bedrijfswoningen, verspreid liggende burgerwoningen en woonkernen waarvan de kern Nieuwdorp het dichtst bij het zeehaventerrein ligt. De eerste woningen van deze kern liggen op minder dan 400 meter van de grens van het bedrijventerrein, maar ook de kern Borssele ligt op relatief korte afstand van het Zeehaven- en industrieterrein. De afstand ten opzichte van de meest nabijgelegen kavels bedraagt ongeveer 700 meter. North Sea Port is eigenaar van het industrieterrein. In figuur 5-1 is een overzicht gegeven van de autonome ontwikkelingen in de omgeving Terneuzen en Sloegebied.

Figuur 5-1 Autonome ontwikkelingen rondom Terneuzen en Sloegebied.

41

concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei

Bedrijfsduurverlenging kerncentrale Borssele (autonome ontwikkeling) Het kabinet heeft het voornemen om de huidige kerncentrale in Borssele langer open te houden dan de in de kernenergiewet vastgelegde datum van 31 december 2033. Deze bedrijfsduurverlenging is nodig voor het behalen van de klimaatdoelen en het behouden van een stabiele levering van energie. De voorbereiding van de besluitvorming hiervoor is gestart in 2022. Inmiddels is de mer-procedure afgerond en zal de wetswijziging in de tweede helft van 2025 aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Hoogspanningsverbinding Borssele – Rilland (autonome ontwikkeling) TenneT bouwt in samenwerking met verschillende aannemers aan de nieuwe 380 kV-verbinding tussen Borssele en Rilland (Zuid-West 380 kV West). Volgens de huidige planning is de hoogspanningsverbinding in 2025 in bedrijf. De oude verbinding, de 380 kV-hoogspanningsverbinding in de Zak van Zuid-Beveland, wordt vervolgens verwijderd. Op 7 juli 2021 heeft de Raad van State een uitspraak gedaan over de ingestelde beroepen op de definitieve besluiten. De ingestelde beroepen zijn niet-ontvankelijk en/of ongegrond verklaard (uitspraak 380 kV Zuid West West). Hiermee kan het project worden gerealiseerd. Energie hub op voormalige Thermphos-terrein (zowel autonome ontwikkelingen, als raakvlakprojecten) Op het voormalige Thermphos-terrein is een energie hub voorzien.

Er is een groene waterstoffabriek vergund. De aanbouw hiervan is nog niet begonnen. Daarnaast is er op het voormalige Thermphos-terrein een batterijenergieopslag voorzien. Deze is nog niet vergund. Aanlandingen wind op zee: Net op Zee - Nederwiek 1/ IJmuiden Ver Alpha (autonome ontwikkelingen) Er zijn twee aanlandingen van wind op zee voorzien in het Sloegebied: Net op zee Nederwiek 1 en IJmuiden Ver Alpha. Nederwiek 1 is een ondergrondse hoogspanningsverbinding vanuit windenergiegebied Nederwiek naar het vasteland. Deze nieuwe verbinding loopt voor een groot deel parallel aan het project Net op zee IJmuiden Ver Alpha, met een aansluiting bij Borssele. Het Net op zee Nederwiek 1 maakt het mogelijk om uiterlijk in 2030, 2 GW aan duurzame energie naar land te transporteren en draagt zodoende bij aan het behalen van de (aangescherpte) klimaatdoelstellingen. IJmuiden Ver Alpha is een ondergrondse hoogspanningsverbinding vanuit het windenergiegebied IJmuiden Ver op de Noordzee. Daar worden windparken met een totaal vermogen van 6 GW gebouwd. Voor het transporteren van deze energie naar land zijn ondergrondse hoogspanningsverbindingen nodig. De hoogspanningsverbinding van Net op zee IJmuiden Ver Alpha wordt in het Sloegebied aangesloten op het hoogspanningsnet op land om de energie naar de gebruikers te transporten.

Op 28 februari is het definitief besluit omgevingsvergunning gepubliceerd (omgevingsvergunning - Net op zee IJmuiden Ver Alpha). Voor deze aanlandingen zijn twee converterstations en één 380 kV-hoogspanningsstation met bijbehorende bovengrondse en ondergrondse verbindingen nodig. Deze worden binnen het Sloegebied gerealiseerd. Voor deze ontwikkelingen is reeds een ruimtelijke procedure doorlopen en is gestart met de bouw. De initiatiefnemer hiervan is TenneT TSO B.V. (TenneT). Met de bouw van het hoogspanningsstation is het mogelijk om toekomstige aansluitingen voor de verduurzaming van de industrie mogelijk te maken. Het definitieve Voorkeursalternatief (VKA - Hoogspanningsstation omgeving Sloegebied) is gepubliceerd op 2 oktober 2024. Verbindingen Aanlanding Wind Op Zee (VAWOZ) (autonome ontwikkeling) De op de Noordzee opgewekte energie dient via stroomkabels en waterstofleidingen aan land te worden gebracht en aangesloten op het hoogspanningsnet en het waterstofnetwerk. Het Programma Verbindingen Aanlanding Wind Op Zee 2031 – 2040 (VAWOZ), een initiatief van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei, onderzoekt de mogelijkheden voor deze aanlandingen ter ondersteuning van de realisatie van 29 GW aan windenergie op zee tot 2040. Deze doelstelling komt boven op de huidige routekaart, die uitgaat van 21 GW windenergie op zee.

Daarnaast richt het programma VAWOZ, zoals opgenomen in het besluit betreffende de PEH, zich op de ruimtelijke inpassing van grootschalige elektrolyse op land in samenhang met de elektrische aansluiting van windenergie op zee. Er wordt een IEA/plan-MER onderzoek uitgevoerd naar aanlanding van deze stroom of waterstof in Zeeland. Uit het onderzoek moet blijken of aanlanding via het Sloegebied of via Zeeuws-Vlaanderen wordt gerealiseerd. Onderdeel van de verkenning zijn een IEA en een plan-MER. De planning is dat rond medio 2026 een voorkeur in beeld is voor de aanlanding van wind op zee.

42

concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei

Batterij-energieopslagsysteem Lion Storage (autonome ontwikkeling) Op 17 februari 2025 kondigde Lion Storage aan dat project Mufasa, een van de grootste batterijenergieopslagsystemen (BESS) in Europa, de financiële sluiting heeft bereikt. Het project, ondersteund door Macquarie Capital en andere investeerders, wordt in de eerste helft van 2027 operationeel in Vlissingen. Het zal een belangrijke nieuwe hub voor hernieuwbare energie worden met een opslag capaciteit van 1.400 MWh (megawatt uur) en een vermogen van 350 MW. Groenproject Sloerandzone (raakvlakproject) Omstreeks 2003 is begonnen met Groenproject Sloerandzone dat dient als groene bufferzone tussen industrieterrein Sloegebied en het dorp Borssele. Inmiddels is 130 van de 200 hectare gerealiseerd. Het compensatieplan is gericht op het overgangsgebied tussen het industriegebied en de landelijke omgeving.

5.2

Maasvlakte II De Maasvlakte is een groot industriegebied dat is aangelegd in de Maasmonding. De vlakte ligt direct aan de Noordzee en maakt deel uit van de Rotterdamse haven. Het gebied wordt gekenmerkt door grootschalige industriële activiteiten, brede watergangen met havenbekkens en infrastructuurbundel rondom en groene zones als buffers tussen de haven en het omliggende gebied. Maasvlakte is ontsloten via de Europaweg en A15 met het achterland. De Maasvlakteweg vormt de hoofdontsluiting van Maasvlakte II en sluit ongelijkvloers aan op de Europaweg. Aan de noordzijde bevindt zich een zeewering in de vorm van een harde zeewering (een blokkendam met daarachter een steenstrand en een - groene- dijk) en aan de westzijde ligt een zachte zeewering (een strand met daarachter een duin). Aan de zuidwestzijde is in 2024 het nieuwe bezoekerscentrum Portlantis geopend. Het gehele gebied is in eigendom van de Rijksoverheid, dat het gebied (met uitzondering van het zee-deel) in eeuwigdurende erfpacht heeft gegeven aan de gemeente Rotterdam. De gemeente heeft het gebied op haar beurt in eeuwigdurende ondererfpacht gegeven aan het Havenbedrijf, met uitzondering van de leidingstraten. In figuur 5-2 is een overzicht gegeven van de autonome ontwikkelingen in het gebied Maasvlakte II.

Figuur 5-2 Autonome ontwikkelingen in het gebied Maasvlakte II.

Realisatie park opwekking groene energie (waterstofconversiepark) (autonome ontwikkeling) Havenbedrijf Rotterdam werkt in samenwerking met partners aan de komst van een waterstofsysteem. Zo moet het mogelijk worden dat de industrie en het transport de overstap maken van fossiele brandstoffen naar groene energie in de vorm van groene waterstof. Op de Maasvlakte wordt er met diverse partners een waterstofconversiepark gerealiseerd. Het doel is om op dat park in 2030 voor 2,5 GW vermogen aan waterstoffabrieken in de haven te hebben staan. Op 24 hectare komen vier waterstoffabrieken die groene stroom van offshore windparken via elektrolyse omzetten in groene waterstof. Alle plaatsen op het park zijn gereserveerd, onder andere voor Shell en Air Liquide. Het park zal in 2030 geheel operationeel zijn. Op 25 oktober 2024 is bekend gemaakt dat de wijziging van het bestemmingsplan voor dit project per 1 september 2024 onherroepelijk is geworden (bekendmaking - Conversiepark). 43

concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei

Porthos (autonome ontwikkeling) Bij het project Porthos wordt CO2 van de industrie in de Rotterdamse haven afgevangen, getransporteerd en opgeslagen in lege gasvelden onder de Noordzee. In oktober 2023 is het definitieve besluit (besluit - Porthos) genomen en de aanleg van Porthos is in 2024 van start gegaan. Op land gaat zo’n 30 kilometer leiding de grond in. En in de Noordzee nog eens een leiding tot 20 kilometer uit de kust. De verbinding tussen de land- en zeeverbindingen wordt gemaakt op de Maasvlakte. Naar verwachting is het Porthos-systeem in 2026 operationeel. Net op zee – hoogspanningsstation Amaliahaven (autonome ontwikkeling) De hoogspanningsprojecten op de Maasvlakte zijn Net op zee IJmuiden Ver Beta, IJmuiden Ver Gamma en Nederwiek 2. Via deze ondergrondse hoogspanningsverbindingen transporteren deze duurzame energie, die in de toekomst in windparken op zee wordt opgewekt, naar de Maasvlakte. Daar sluiten de verbindingen aan via het nieuw te bouwen 380 kV hoogspanningsstation Amaliahaven aan op het landelijke hoogspanningsnet. De nog te bouwen converterstations van de Net op zee-projecten IJmuiden Ver Beta en IJmuiden Ver Gamma komen direct ten zuiden van station Amaliahaven te liggen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft in december 2022/ januari 2023 ter inzage gelegen. Het ontwerpbesluit werd op 22 februari gepubliceerd (ontwerp besluit Amaliahaven).

Railterminal Maasvlakte Zuid (autonome ontwikkeling) In samenwerking met ProRail realiseert Havenbedrijf Rotterdam het spooremplacement Maasvlakte Zuid. Deze zal medio 2027 operationeel zijn. Het betreft de aanleg van een nieuw spooremplacement van maximaal vier bundels van elk zes sporen geschikt voor 740 meter treinen. Aramis (autonome ontwikkeling) De bedrijven Total Energies, Shell, EBN en Gasunie vormen samen het consortium Aramis. Aramis, de initiatiefnemer, heeft het voornemen nieuwe infrastructuur te realiseren voor transport van CO2 vanaf land naar platforms op zee, waar de CO2 in lege gasvelden, diep in de ondergrond, kan worden opgeslagen. Het is de bedoeling dat deze infrastructuur in de toekomst verder kan worden uitgebreid voor nieuwe CO2-leveranciers en andere opslagvelden. Het ontwerp projectbesluit is op 13 september 2023 gepubliceerd (Ontwerp Projectbesluit Aramis)

5.3

Terneuzen De Mosselbanken (Valuepark), ten westen van Terneuzen, DOW Chemicals en het kanaal Gent-Terneuzen, is in 1977 ingepolderd voor industrie. Het gebied maakt onderdeel uit van het industrieel cluster en de havens in Terneuzen en wordt ontwikkeld tot een duurzaam en circulair industriepark. In het oostelijk deel van de polder ligt een olieterminal. In het westelijk deel staan windturbines en ligt een zonneveld. De Paulinapolder ten westen van de Mosselbanken is agrarisch gebied. De beide polders worden gescheiden door de Scheldedijk. De polders grenzen aan de noordzijde aan de Westerschelde. Aan de zuidzijde ligt de Braakman, een gebied met natuurwaarden en verderop recreatievoorzieningen. North Sea Port is eigenaar van het industrieterrein. Biervliet ligt op circa drie kilometer ten zuidwesten van deze polders. Hoek ligt op circa vier kilometer ten zuidoosten. De huidige ontsluiting van de Mosselbanken ligt langs DOW. Iets verderop ligt de N62, de weg door de Westerscheldetunnel. De Paulinapolder is via Biervliet ontsloten op de N61 in het zuiden. In Figuur 5-3 is een overzicht gegeven van de autonome ontwikkelingen in de omgeving Terneuzen en Sloegebied.

44

concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei

Figuur 5-3 Autonome ontwikkelingen rondom Terneuzen en Sloegebied.

380 kV Zeeuws-Vlaanderen (raakvlakproject) De Paulinapolder en de Mosselbanken maken onderdeel uit van het zoekgebied voor een nieuwe 380 kVhoogspanningsstation. Een hoogspanningsstation en verbinding met het landelijk hoogspanningsnetwerk zijn voorwaardelijk voor de realisatie van de twee kerncentrales. Wel dienen locaties op elkaar en andere belangen in de omgeving te worden afgestemd. Carbon capture and utilisation (raakvlakproject) Alta Carbon Technologies gaat op Valuepark Terneuzen een pilot opzetten om CO2 en gassen uit de chemische industrie om te zetten naar een vloeistof die gebruikt kan worden in batterijen. De ontwikkeling heeft een ruimtebeslag van circa vier hectare op de Mosselbanken. Carbon Connect Delta (raakvlakproject) Onder de naam Carbon Connect Delta zijn door het grensoverschrijdende consortium (bestaande uit Gasunie, Smart Delta Resources, North Sea Ports en Fluxys) plannen gemaakt die kunnen leiden tot een vermindering van de CO2-uitstoot door industrieën in Terneuzen, Vlissingen en Gent met 30% (6,5 Mton/jaar). De CO2 kan worden opgeslagen in lege gasvelden onder de Noordzee, mogelijk bij één van de Carbon Capture projecten waar Gasunie al bij betrokken is: Porthos en Aramis in Rotterdam.

5.4

Eemshaven De Eemshaven is gerealiseerd in 1973 als industrie- en overslaghaven. De haven ligt in de Groningse gemeente Het Hogeland en is de grootste zeehaven van Noord-Nederland. De haven ligt aan de westelijke oever van de Eemsmonding, een zeearm waar de Eems uitstroomt in de Noordzee. Ten noorden van de Eemshaven ligt de Waddenzee; Unesco Werelderfgoed en Natura 2000-gebied. Ten oosten ligt Duitsland. In de jaren '90 verschoof de focus meer naar energie en logistiek en vanaf de jaren 2000 kreeg het gebied een nieuwe impuls als energieen datacenter hub. Sinds 2008 nemen de energie-gerelateerde activiteiten in de Eemhaven toe. Na realisatie van kolen- en gasgestookte centrales is nu de energietransitie zichtbaar. Er komen nieuwe energieverbindingen met land en zee, windturbines, zonnevelden en een accu- en waterstofindustrie. Ook zijn er datacenters in het zuidoosten van de Eemshaven. Eemshaven is in economisch eigendom van Groningen Seaports. Eemshaven is via de N33 en N46 in ontsloten. De haven ligt in agrarisch gebied. Rondom Eemshaven liggen verspreid agrarische bedrijven. Oudeschip, het meest nabije dorp, met circa 150 inwoners ligt op iets meer dan één kilometer afstand. In figuur 5-4 is een overzicht gegeven van de autonome energieprojecten in de Eemshaven.

45

concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei

Gebiedsontwikkeling Oostpolder

Figuur 5-4 Autonome ontwikkelingen Eemshaven (Nationale energieprojectenkaart).

Groen-staalfabriek Synergieweg (autonome ontwikkeling) Aan de Synergieweg is de ontwikkeling van Van Merksteijn voor de ontwikkeling van groen staal vergund. Dit is op 15 maart 2023 definitief beslist (Definitief besluit Van Merksteijn). Onbekend is wanneer deze ontwikkeling gerealiseerd wordt. Gebiedsontwikkeling Oostpolder (autonome ontwikkeling) De provincie en de gemeente Het Hogeland hebben plannen om de Eemshaven uit te breiden (ontwerpbesluit veiligheidscontour) door een bedrijventerrein te ontwikkelen in de Oostpolder. Het gaat om het gebied direct ten zuiden van de Eemshaven. Dit gebied wordt begrensd door de spoorlijn, de dijk en lintbebouwing van Oudeschip en de rijksweg N33. Het gaat om waterstofbedrijven, batterijfabrieken, datacenters en om nieuwe vormen van hightechbedrijven. H2M project van Equinor (raakvlakproject) Het H2M Eemshaven-project is een samenwerking tussen Equinor en Linde en gaat aardgas uit Noorwegen omzetten in koolstofarme waterstof met CO2-afvang en -opslag (CCS). De afgevangen CO2 zal worden opgeslagen onder de zeebodem voor de kust van Noorwegen. Met een beoogde productiecapaciteit van 1 GW is het project bedoeld om grote industriële klanten in Nederland en Duitsland te bedienen. Het project is naar verwachting vanaf 2029 operationeel.

Verduurzamen kolencentrale ‘Eemshavencentrale’ (deels raakvlakproject en deels autonome ontwikkeling) RWE heeft de ambitie om de Eemshavencentrale op termijn om te bouwen naar een biomassacentrale. Er zijn plannen voor het afvangen van CO2 (Biobased Energy, Carbon Capture, Utilization & Storage: BECCUS). Daarnaast wordt op en om het terrein ingezet op batterijopslag en waterstoffabrieken. Programma Aansluiting Wind Op Zee (PAWOZ) – Eemshaven (autonome ontwikkeling) Wind op zee is als opwekker van duurzame energie cruciaal om de klimaatdoelstellingen te behalen. PAWOZEemshaven is onderdeel van de doelstellingen. Er wordt in het kader van dat project onderzocht wat de mogelijkheden zijn voor de aanlanding van 4 GW elektriciteit uit het windenergiegebied Doordewind (DDW) en 500 MW waterstof uit het windenergiegebied Ten Noorden van de Waddeneilanden rond 2031. Ook onderzoekt PAWOZ-Eemshaven de mogelijkheden voor toekomstige aanlandingen na 2031. Het programma wordt naar verwachting in juni 2025 vastgesteld. In het Klimaatakkoord is afgesproken om de Nederlandse energievoorziening te verduurzamen. Hiermee wordt de CO2-uitstoot verminderd en de klimaatverandering tegengegaan. De opwek van windenergie biedt kansen om dit te doen, maar daar is ruimte voor nodig. Op zee is deze ruimte voor wind voorhanden. Daarom komen er windparken op zee.

Om de opgewekte groene energie aan land te krijgen, is een goede aansluiting essentieel. Eemshaven is één van de mogelijke locaties hiervoor.

46

concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei

5.5

Landelijk Ruimte voor Defensie (raakvlakproject) Het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie is een initiatief van het Ministerie van Defensie om de benodigde ruimte te vinden voor militaire activiteiten binnen Nederland. Dit omvat fysieke ruimte voor kazernes, oefengebieden, infrastructuur en munitieopslag, evenals (milieu)ruimte om te kunnen varen, vliegen en rijden binnen passende normen. Het project is gestart omdat de veiligheidssituatie in de wereld verandert. De Nederlandse krijgsmacht richt zich meer op het beschermen van het eigen grondgebied en dat van NAVObondgenoten. Voor deze taak heeft Defensie niet alleen meer militairen en materieel nodig, maar ook meer ruimte in Nederland. Defensie onderzoekt diverse locaties, waarvan een deel raakvlakken heeft met de zoekgebieden voor twee nieuwe kerncentrales.

47

concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei

6.

Reikwijdte en detailniveau effectbeoordeling plan-MER In dit hoofdstuk is ingegaan op het beoordelingskader voor het plan-MER. Eerst komt de beoordelingswijze aan bod (paragraaf 6.1), dan is ingegaan op de aspecten die hierin aan bod komen (paragraaf 6.2 en 6.3). In paragraaf 6.4 en 6.5 is ingegaan op de effecten bij de ontmanteling en radioactief afval. Ten slotte zijn de afwegingen verbonden aan de IEA kort toegelicht (paragraaf 6.6)

6.1

Beoordelingskader plan-MER Situaties die beoordeeld worden in het plan-MER Het beoordelingskader in het plan-MER maakt onderscheid in twee fases: 1. de oprichting van de kerncentrales (bouwfase); 2. de bedrijfsvoering van de kerncentrales (bedrijfsfase). In het plan-MER worden de locaties expliciet getoetst aan de (veiligheids)eisen van de SSG-35 (Site Survey and Site Selection for nuclear installations). Bij deze toets wordt onderscheid gemaakt tussen harde en zachte criteria. Het niet voldoen aan harde criteria sluit een locatie direct uit. Bij zachte criteria is nadere analyse nodig of is er afwegingsruimte. Wijze van beoordelen Alle effecten worden beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie (zie hoofdstuk 5) in het jaar 2040. Bij het beoordelen worden onderscheidende effecten – effecten die een locatie duidelijk onderscheiden van andere locaties – tussen alternatieven onderling met onderscheidende beoordelingen in beeld gebracht. Het detailniveau van het plan-MER is zodanig dat deze bijdraagt aan de keuze van een voorkeurslocatie. In de fase na het planMER wordt voor de voorkeurslocatie nader en meer gedetailleerd onderzoek verricht. In het plan-MER worden de milieueffecten van de alternatieven in beeld gebracht en beoordeeld.

De effecten worden bepaald door de toekomstige situatie die ontstaat door de nieuwbouw van twee kerncentrales te vergelijken met de situatie die ontstaat zonder de nieuwbouw van twee kerncentrales. Dit wordt de vergelijking met de referentiesituatie genoemd. Aan het verschil tussen die twee situaties, het effect, wordt in het plan-MER een kwalitatief oordeel toegekend. De beoordeling gebeurt op een zevenpuntsschaal van plussen en minnen zoals weergegeven in tabel 6-1. Op die manier worden de effecten voor alle relevante aspecten (veiligheid, nietveiligheid en milieu) bepaald en beoordeeld. Ook wordt er gekeken naar mogelijk mitigerende maatregelen voor de geïdentificeerde effecten. De aspecten worden in de paragrafen 6.2 en 6.3 nader toegelicht. Tabel 6-1 Beoordelingsschaal effecten (ten opzichte van de referentiesituatie).

Beoordeling ++ + 0/+ 0 0/--

Toelichting Sterk positief effect, significante positieve effecten op het milieu. Positief effect, positieve effecten voor het milieu. Licht positief effect, mogelijk positieve effecten voor het milieu. Geen of verwaarloosbaar effect. Licht negatief effect, met enige maar niet wezenlijke negatieve gevolgen. Negatief effect, met maatregelen te compenseren of mitigeren. Zeer negatief effect, significante negatieve gevolgen die mogelijk niet te mitigeren of compenseren zijn.

In het plan-MER wordt de locatie van de kerncentrales nader geduid. Hiermee is het ook mogelijk om specifiek voor die locaties de effecten te beschrijven. Over de bouwfase blijven in deze fase onzekerheden, omdat de bouwwijze pas uitgewerkt kan worden na de keuze van het Voorkeursalternatief. Dit is bovendien afhankelijk van de partij die de kerncentrales gaat ontwikkelen. Effecten in de bouwfase worden daarom ingeschat op basis van beschikbaar terrein binnen havengebieden, de mate waarin aannemelijk is dat ook elders ruimte gevonden moet worden en de daar aanwezige waarden en potentiële hinder. Indien uit de effectbeoordeling blijkt dat mitigerende maatregelen nodig zijn, dan geeft het plan-MER hiervoor een aanzet voor de navolgende planfase.

48

concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei

6.2

Veiligheidsaspecten van de SSG-35 Een veilige bedrijfsvoering is het uitgangspunt voor kerncentrales. Er kunnen calamiteiten optreden waardoor deze veilige bedrijfsvoering in gevaar komt. Het plan-MER gaat in op de SSG-35 safety criteria: die gaan over de veiligheidsaspecten (zie tabel 6-2). In essentie gaat dit om effecten van de omgeving die een gevaar op kunnen leveren voor een veilige bedrijfsvoering van de kerncentrales. Tabel 6-2 Beoordelingskader voor het optreden van calamiteiten (veiligheidsaspecten), conform de SSG-35 kaders.

Beoordelingskader SSG-35: Veiligheidsrisico’s (Safety Issues) Veiligheidsaspecten

Sub-criteria

Uitsluitend (hard) criterium

Nader te beoordelen (zacht) criterium

Aardbevingsrisico’s

Ligging t.o.v. Mercalli-zones

✔

Geologische risico’s

Type ondergrond

✔

Risico door vulkanisme

Ligging t.o.v. (actieve) vulkanen

✔

Overstromingsrisico’s

Maximale waterdiepte bij overstromingen en dijkdoorbraak

✔

Extreme weersomstandigheden

Ligging t.o.v. van natuurbrandgevoelig gebied

✔

Risico’s door menselijk handelen

Ligging t.o.v. militaire objecten

Risico op storm ✔

Impact van potentiële oorlogshandelingen, terreur en sabotage Ligging t.o.v. luchthavens, aanvlieg- en scheepvaartroutes en laagvlieggebieden (vliegtuigongeval)

Veiligheid

Ligging t.o.v. evacuatieroutes en schuilmogelijkheden

Waar mogelijk wordt bij de beoordeling van de veiligheidsrisico’s de kans op optreden weergegeven als het risico dat het risico eens in de 10.000 (PR (plaatsgebonden risicocontour) 10-4) of 1.000.000 (PR 10-6) jaar voorkomt. In de SSG zijn ook niet-veiligheidsaspecten opgenomen, zoals bereikbaarheid of effecten op het huidig landgebruik. Deze zijn opgenomen in het beoordelingskader ‘milieueffecten’ in tabel 6-3. Andere aspecten zoals beschikbaarheid van koelwater, zijn een vereiste voor elk alternatief en onderdeel van het op effecten te beoordelen voornemen. Risico op aardbevingen Het plan-MER maakt inzichtelijk hoe de locaties van de twee nieuwe kerncentrales liggen ten opzichte van aardbevingsgevoelige gebieden. Voor het duiden van effecten in het plan-MER wordt onder andere de risicokaart gebruikt waarop de aardbevingsvlakken (Mercalli-zones) zijn weergegeven. Geologische risico’s Het plan-MER maakt inzichtelijk wat de geologische gesteldheid van de locaties voor twee nieuwe kerncentrales is. Een instabiele of zeer bewegelijke ondergrond kan leiden tot uitsluiten van een locatie voor kerncentrales. Hiervoor wordt geologisch onderzoek uitgevoerd en de resultaten ervan worden gepresenteerd in het plan-MER.

Risico door vulkanisme Het plan-MER maakt inzichtelijk hoe de locaties liggen ten opzichte van vulkanische activiteiten, waaronder de Mulciber (een dode vulkaan op het Nederlandse deel van de Noordzee) en de Zuidwalvulkaan (een dode vulkaan onder de Waddenzee). Het plan-MER beschrijft de effecten die hiermee samenhangen. Overstromingsrisico’s Klimaatverandering leidt tot een stijgende zeespiegel en extremer weer waarbij de kans op overstromingen toeneemt. Het plan-MER maakt op basis van openbaar kaartmateriaal inzichtelijk wat de maximale waterdiepte is bij overstromingen en een potentiële dijkdoorbraak en wat de risico’s zijn voor de kerncentrales (op basis van klimaatscenario’s KNMI 2023).

49

concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei

Risico op extreem weer Extreem weer kan in verschillende vormen optreden en natuurbranden en stormen met zich meebrengen. Het plan-MER maakt op basis van openbaar kaartmateriaal inzichtelijk hoe de ligging van de verschillende locaties is ten opzichte van natuurbrandgevoelig gebied (gevoeligheidskaart) en wat de risico’s zijn voor de kerncentrales ten aanzien van storm (op basis van klimaatscenario’s KNMI 2023). Het plan-MER beschrijft de effecten die hiermee samenhangen. Risico door menselijke activiteit Menselijke activiteiten kunnen risico’s meebrengen voor kerncentrales. Het plan-MER maakt inzichtelijk hoe de locaties gelegen zijn ten opzichte van militaire objecten (zoals kazernes) en welke activiteiten daar plaatsvinden. Ook gaat het plan-MER erop in of er tussen de locaties verschillen zijn met betrekking tot risico’s van oorlogshandelingen, terreur en sabotage. Daarnaast kunnen er ongevallen plaatsvinden met (zware) voertuigen. Het plan-MER maakt inzichtelijk hoe de locaties gelegen zijn ten opzichte van laagvlieggebieden voor vliegtuigen, scheepvaartroutes en (de zones van) luchthavens. In het geval van een calamiteit in de omgeving van de kerncentrales zijn er vluchtroutes en schuilplaatsen (voor mensen) nodig.

Het plan-MER maakt inzichtelijk hoe deze infrastructuur binnen vijf kilometer van de locaties gelegen is en in hoeverre deze infrastructuur gebruikt kan worden in het geval van een calamiteit.

6.3

Milieuaspecten Een kerncentrale kan effecten veroorzaken in de fysieke leefomgeving. Het plan-MER brengt de milieueffecten van twee kerncentrales op de verschillende locaties op de omgeving in beeld. De aspecten die worden beoordeeld komen ten dele voort uit de SSG-35 non-safety criteria – eisen die betrekking hebben op andere nietveiligheidseisen in de SSG (tabel 6-2) – en zijn aangevuld met in Nederland gebruikelijke milieuaspecten (tabel 63).

50

concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei Tabel 6-3 Beoordelingskader voor effecten op de fysieke leefomgeving (inclusief non-safety criteria SSG-35).

Criteria

Sub-criteria

Fysieke leefomgeving (Milieuaspecten)

1 Bouwfase

2 Bedrijfsfase

Bereikbaarheid over weg, spoor en water

✔

Verkeersafwikkeling

✔

✔

Verkeersveiligheid (incl. nautische veiligheid)

✔

✔

Industrielawaai

✔

✔

Verkeerslawaai

✔

✔

Trillingen

Trillingshinder

✔

Licht

Lichtemissie

✔

Luchtkwaliteit

Stikstofdioxide

✔

✔

Fijnstof (PM10 en PM2,5)

✔

✔

Verkeer

Geluid

Omgevingsveiligheid (incl. ioniserende straling)

Plaatsgebonden risico

✔

Groepsrisico & Ioniserende straling (calamiteiten)

✔

Gezondheid

Milieugezondheidskwaliteit

✔

Bodem

Bodemgesteldheid

✔

Bodemkwaliteit

✔

Waterkwaliteit

✔

✔

Waterkwantiteit

✔

✔

Waterveiligheid en overstromingsrisico

✔

✔

Natura 2000-gebieden (incl. stikstof)

✔

✔

Overige beschermde gebieden

✔

✔

Beschermde soorten (land en water)

✔

✔

Landschappelijke waarden

✔

✔

Cultuurhistorische waarden

✔

✔

Archeologische (verwachtings)waarden

✔

Huidige functie(s) locatie & topografie

✔

Landgebruik omgeving (waaronder recreatie)

✔

✔

Ligging t.o.v. voedselproductie en drinkwaterwinning

✔

✔

Water

Ecologie

Landschap, cultuurhistorie en archeologie

Landgebruik

Duurzame energie

✔

Meekoppelkansen restwarmte CO2 uitstoot

✔

✔

Verkeer Tijdens de bouwfase vindt aan- en afvoer van bouwmateriaal, bouwmaterieel en mensen van en naar de werkterreinen plaats. Het plan-MER beschrijft voor de bouwfase of effecten beperkt kunnen worden door transport via zowel de weg, het water als het spoor. In de gebruiksfase worden de effecten van verkeer van- en naar de kerncentrales beoordeeld. Het plan-MER maakt inzichtelijk hoeveel voertuigen verwacht worden in de aanleg- en gebruiksfase. Met onder andere een verkeersmodel wordt berekend waar dit verkeer gaat rijden en welke effecten dit heeft op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid. Tot slot brengt het plan-MER in beeld welke effecten tijdens de bouw- en aanlegfase en gebruiksfase (stroming door koelwater) kunnen optreden op de veiligheid van de scheepvaart. Geluid Geluidseffecten kunnen optreden ten gevolge van de aanleg en het gebruik van de kerncentrales. In de aanlegfase gaat het om geluidsemissies van voertuigen van, naar en op de werkterreinen en het projectgebied en geluidsemissies van materieel (gereedschap, heimachines, et cetera). Tijdens het in bedrijf zijn van de

51

concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei

kerncentrales (de gebruiksfase) gaat het om geluidsemissies van voertuigen van en naar de kerncentrales en de geluidsemissie van installaties van de kerncentrales. Het plan-MER maakt de activiteiten met geluidsemissie inzichtelijk en duidt welke geluideffecten daarmee samenhangen en of effecten in stiltegebieden te verwachten zijn. Trillingen Tijdens de aanlegfase kunnen trillingen optreden door bijvoorbeeld heiwerkzaamheden of zwaar verkeer. Het plan-MER maakt inzichtelijk of er trillingen kunnen optreden en waar ze optreden. Het plan-MER beschrijft aan de hand van richtafstanden de effecten die daarmee samenhangen. Licht Installaties tijdens de bouw en installaties van de kerncentrale zelf kunnen licht uitstralen. Het plan-MER maakt inzichtelijk of er lichtemissie kan optreden en waar dit optreedt. Het plan-MER beschrijft aan de hand van richtafstanden de effecten die daarmee samenhangen. Luchtkwaliteit Er kunnen effecten op de luchtkwaliteit optreden als gevolg van emissies van materieel tijdens de aanlegfase. De veranderingen van concentraties fijn stof(PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) worden in het plan-MER indicatief berekend op basis van de emissies van de te verwachten werkzaamheden. Het plan-MER geeft inzicht in eventuele grenswaardeoverschrijdingen ter plaatse.

Omgevingsveiligheid Het plan-MER geeft inzicht in de bevolkingsdichtheid in contouren om de kerncentrales. De effecten van een calamiteit worden vergeleken op basis van het aantal personen in de zogenaamde ‘preparatiezones’. Concreet betreft dit het in beeld brengen van het aantal inwoners binnen 5, 10, 20 en 100 kilometer van de kerncentrales. Het plan-MER beschrijft of er 10-6 risicocontouren van omliggende bedrijven en infrastructuur relevant zijn voor de bedrijfsvoering van de kerncentrales. Het plan-MER geeft inzicht in het risico van het transporteren van radioactief afval naar de opslag op basis van routelengte en bevolkingsdichtheid langs de route. Gezondheid Het plan-MER beschouwt in hoeverre de effecten op de luchtkwaliteit, op de geluidbelasting en omgevingsveiligheid leiden tot effecten op de gezondheid van mensen in de omgeving. In het plan-MER wordt een beschouwing opgenomen of er sprake is van cumulatie van hinder van het voornemen met andere hinderbronnen in de omgeving. Bodem Effecten op de bodem kunnen optreden als gevolg van grondwerkzaamheden en grondverzet tijdens de aanleg van de nieuwe kerncentrales. Er kunnen effecten optreden ten aanzien van de bodemkwaliteit en de zetting van de bodem. Mogelijke effecten betreffen verstoring van de bodemopbouw en verslechtering of verbetering van de bodemkwaliteit.

In de bouwfase kan er aanleiding zijn om bestaande verontreinigingen in de bodem te saneren. Water Het bouwen van twee nieuwe kerncentrales kan veranderingen in het grondwaterpeil en de grondwaterkwaliteit teweegbrengen. Dit kan optreden door grondwateronttrekkingen die (mogelijk) nodig zijn voor ondergrondse bouwwerkzaamheden en door het lozen van (grond)water. Het plan-MER gaat ook in op de kans op verzilting. Verder kunnen veranderingen in de infiltratie van hemelwater in de bodem optreden als gevolg van de verandering in het verhard oppervlak op de werkterreinen en in het projectgebied. De gevolgen die dit kan hebben voor de waterkwaliteit en – kwantiteit worden inzichtelijk gemaakt. Het koelwater kan gevolgen hebben voor de waterkwaliteit. Ook deze effecten worden inzichtelijk gemaakt. Tot slot kunnen effecten optreden met betrekking tot waterveiligheid in de omgeving van kerncentrales door het overstromingsrisico, bijvoorbeeld bij veranderingen aan of nabij waterkeringen. De waterveiligheidseffecten voor de omgeving worden beschreven in het plan-MER.

52

concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei

Ecologie Tijdens de bouwfase en de gebruiksfase kunnen effecten optreden ten aanzien van beschermde soorten en beschermde gebieden. Onder het thema ecologie worden deze effecten onderzocht op Natura 2000-gebieden, overige beschermde gebieden en beschermde soorten. Denk aan effecten als stikstofdepositie, verstoring/aantasting van leefgebied van planten en dieren (zowel op land als in water) door licht, geluid, trillingen, koelwater en ruimtebeslag. Landschap, cultuurhistorie en archeologie Kerncentrales kunnen het landschap en de cultuurhistorische waarden beïnvloeden, zowel in de bodem als boven de grond. Het plan-MER maakt inzichtelijk welke effecten optreden op beschermde cultuurhistorische, landschappelijke en aardkundige waarden. Verder gaat het plan-MER in op de ruimtelijk-visuele veranderingen in het landschap. Graafwerkzaamheden in de bouwfase kunnen archeologische resten in de bodem beïnvloeden. Het plan-MER geeft inzicht in de aanwezige beschermde archeologische waarden en archeologische verwachtingswaarden. Landgebruik Het plan-MER maakt inzichtelijk hoe de ligging van de werkterreinen en de kerncentrales is ten opzichte van het bestaande en autonome landgebruik, zoals recreatie, landbouw, stedelijke gebieden, havenactiviteiten en drinkwaterwinning en of deze door de ontwikkeling beïnvloed worden.

Indien er direct nabij de kerncentrales onvoldoende terrein voor de bouwfase aanwezig lijkt, dan wordt ook ingegaan op de mogelijke gevolgen van gebruik van terreinen in de bouwfase elders. Duurzame energie Kerncentrales zijn onderdeel van de energietransitie, waarmee een duurzame energieopwekking is beoogd. De activiteiten bij de bouw van kerncentrales kennen CO2-emissies wat leidt tot een tijdelijke CO2 toename. Deze toename wordt in het plan-MER beschreven. Bij het gebruik van kerncentrales komt restwarmte vrij via het koelwater. Het plan-MER beschrijft welke kansen er zijn om die restwarmte elders te gebruiken.

6.4

Buitengebruikstelling en ontmanteling Een kerncentrale wordt gebouwd om voor een lange tijd energie op te wekken. Momenteel is de verwachting dat dit om circa 60 tot 80 jaar aan energieopwekking gaat. Dat betekent dat de gronden waarop de kerncentrales worden gerealiseerd voor een lange tijd niet beschikbaar zijn voor andere doeleinden. Bij de oprichting van een kerncentrale is het – ondanks dat het ver in de toekomst ligt – verplicht om al rekening te houden met de (on)omkeerbaarheid van de activiteit. Een kerncentrale moet ontmanteld worden zodra deze definitief buiten gebruik is gesteld. De wijze waarop wordt door de exploitant van een kerncentrale vastgelegd in een ontmantelingsplan. Voor de ontmanteling zijn ook vergunningen nodig – ook bij dit vergunningentraject treedt de ANVS op als bevoegd gezag. In deze fase, de locatieverkenning, wordt niet ingegaan op de milieueffecten van de ontmanteling. Ongeacht de locatie zal er op termijn een ontmanteling nodig zijn. De ruimtelijke configuratie voor de twee kerncentrales is hetzelfde voor de verschillende locaties. De omvang van de effecten van een ontmanteling zijn daarom niet onderscheidend. Wat wel relevant is bij de beoordeling van een geschikte locatie voor de kerncentrales, is dat er geen belemmeringen voor ontmanteling mogen zijn.

Bij de vergunningverlening voor de oprichting van de kerncentrale (de fase na het Voorkeursalternatief en het plan-MER) wordt rekening gehouden met de toekomstige ontmanteling.

6.5

Radioactief afval Bij de productie van kernenergie ontstaat radioactief afval. De opslag en het beheer van radioactief afval moet aan strenge regels voldoen en vindt in Nederland plaats bij de COVRA in de gemeente Borsele. Het radioactieve afval wordt bovengronds opgeslagen voor een periode van ten minste honderd jaar. Het afval wordt volledig geïsoleerd opgeslagen, zodat de kans zo klein mogelijk is dat er radioactiviteit vrij komt. De huidige kerncentrale in Borssele produceert ongeveer 4,5 m3 aan radioactief afval per jaar (Rijksoverheid: over kernenergie). Een deel hiervan wordt opnieuw gebruikt, maar een deel van de reststoffen is met de huidige stand van de technologie

53

concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei

niet herbruikbaar. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is verantwoordelijk voor het beleid omtrent radioactief afval. Er wordt momenteel gewerkt aan een nieuw Nationaal programma radioactief afval, conform de Richtlijn 2011/70/Euratom (zie bijlage 4: beleidskaders). Voor het programma is separaat van de locatiekeuze voor nieuwe kerncentrales een MER opgesteld. De geproduceerde hoeveelheid radioactief afval bij twee nieuwe kerncentrales is ongeacht de locatie hetzelfde. In het plan-MER wordt voor de locatiekeuze om die reden niet ingegaan op de opslag van radioactief afval. Voor alle locaties geldt dat radioactief afval in het buitenland wordt bewerkt voordat dit wordt opgeslagen bij COVRA in Vlissingen. Nabijheid van COVRA is hiermee voor de locatiekeuze ook geen relevant aspect.

6.6

De Integrale Effecten Analyse: een breder perspectief dan het plan-MER Het plan-MER vormt een onderdeel van de IEA, die standaard wordt opgesteld voor Projectprocedures door Ministerie van Klimaat en Groene Groei. De IEA beschouwt naast de SSG-35 criteria en de aspecten van milieu (uit het plan-MER) ook afwegingen ten aanzien van omgeving, kosten, techniek en toekomstvastheid. Waar het plan-MER de effecten van bouw en gebruik van de twee nieuwe kerncentrales in een referentiesituatie beschrijft, biedt de IEA ook inzicht in de relaties van dit voornemen met andere ontwikkelingen in de omgeving. Voor het aspect techniek spelen onder andere de mogelijkheden die de locaties bieden voor eventuele toekomstige aansluitingen op - en uitbreidingen van – het hoogspanningsnet en de aandachtspunten daarbij. De IEA levert, mede op basis van het plan-MER, de informatie die nodig is voor het nemen van de ontwerp-Voorkeursbeslissing. De IEA wordt samen met het plan-MER en de ontwerp-Voorkeursbeslissing ter inzage gelegd. Tabel 6-4 Afwegingscriteria in de Integrale Effecten Analyse.

Criteria

Toelichting

Milieu

De IEA bevat per alternatief een beschrijving van de resultaten van het plan-MER. Dit gaat over de milieueffecten in de aanleg- en gebruiksfase van de twee nieuwe kerncentrales. De resultaten van de mer-procedure vormen de basis voor het criterium ‘milieu’.

Omgeving

De IEA bevat per alternatief een beschrijving van de uitkomsten van het tot dan toe gevoerde participatieproces (omgevingsvraagstukken, sociaaleconomische aspecten, e.d.) en maakt inzichtelijk welke zorgen er zijn vanuit de omgeving en in welke mate de omgeving positieve of negatieve effecten ondervindt van twee nieuwe kerncentrales.

Techniek

De IEA bevat per alternatief een beschrijving van de complexiteit van de technische maakbaarheid van de twee nieuwe kerncentrales. Hier staan niet de (milieu)effecten centraal, maar de mate waarin een alternatief technisch complex is. Dit gaat bijvoorbeeld over de voorzieningen die geamoveerd moeten worden om de locatie vrij te maken voor de kerncentrales, evenals de technische uitdagingen tijdens de bouwfase en de complexiteit van de koelwateroplossing. Daarnaast is er de benodigde inspanning voor de bereikbaarheid van de locatie in de bouwfase en voor de aan- en afvoer van brandstof en radioactief afval. Ook de complexiteit van de aansluiting naar het (380 kV-) elektriciteitsnet speelt een rol, evenals de mate waarin het bestaande 380 kV-hoogspanningsnet aangepast moet worden voor kerncentrales. Relevante bronnen voor deze informatie zijn de koelwaterstudies en de systeemstudies naar de inpassing in het elektriciteitsnetwerk.

Toekomstvastheid

De IEA bevat per alternatief een beschrijving van in hoeverre twee nieuwe kerncentrales passend zijn binnen de trends (bijvoorbeeld de energietransitie en klimaatverandering) en ruimtelijke ontwikkelingen op en rondom de locaties. De IEA beschrijft de invloed van een locatiekeuze voor kerncentrales op andere toekomstige ontwikkelingen op basis van een raakvlakanalyse.

Kosten

De IEA bevat een beschrijving van onderscheidende elementen van de locaties die van wezenlijke invloed zijn op de investeringskosten voor twee nieuwe kerncentrales. Dit zijn bijvoorbeeld de verschillen tussen het verkrijgen van gronden, het verplaatsen van infrastructuur of bestaande bedrijvigheid. In de IEA wordt de eigendomssituatie van de onderzochte gronden inzichtelijk gemaakt.

54

concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei

Bijlage 1: Actualisatierapport waarborgingsbeleid {Separate bijlage}

55

concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei

Bijlage 2: Beoordeling groslist (gebieden in Nederland) {Separate bijlage}

56

concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei

Bijlage 3: Beoordeling longlist (locaties binnen gebieden) {Separate bijlage}

57

concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei

Bijlage 4: Beleidskaders In deze bijlage zijn de internationale en nationale wettelijke kaders en beleidskaders beschreven die van toepassing zijn op het project nieuwbouw kerncentrales. In het plan-MER wordt een nader overzicht gegeven van alle relevante kaders per onderzoeksthema.

Internationale kaders Euratom-verdrag (1957) Nederland is verplicht haar nucleaire activiteiten onder internationaal toezicht te plaatsen. Zodoende valt iedere nucleaire installatie in Europa automatisch onder dit toezicht van de EU (Euratom) en het IAEA te Wenen en is de vergunninghouder gehouden aan het aanleveren van noodzakelijke informatie. Euratom-richtlijn over het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval (2011) Volgens deze richtlijn (Richtlijn 2011/70/Euratom) dienen Lidstaten nationale programma’s op te stellen waarin zo concreet mogelijk wordt aangegeven hoe zij definitieve bergingsfaciliteiten zullen bouwen en beheren. Deze programma’s moeten gebaseerd zijn op principes zoals minimalisatie van afvalproductie, volledige kostenverantwoordelijkheid voor producenten van afval en prioriteit voor veiligheid. Samenwerking tussen Lidstaten wordt hierbij niet uitgesloten. In Nederland is het Ministerie van Infrastructuur en Water verantwoordelijk voor het beleid en wet- en regelgeving omtrent radioactief afval en verbruikt splijtstoffen. Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) (2000) De KRW heeft als doel de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater in Europa te waarborgen. Al het water in de Europese Unie moet in 2027 in een ‘goede chemische toestand’ en een ‘goede ecologische toestand’ verkeren.

Daarnaast wordt het duurzaam gebruik van water bevorderd en dienen lozingen en emissies van gevaarlijke stoffen verminderd te worden. Vooral met de hogere druk op waterbronnen. Bij de komst van de kerncentrale dient daarom rekening te worden gehouden met de KRW. Europese Richtlijn Overstromingsrisico (2007) De richtlijn over de beoordeling en het beheer van overstromingsrisico’s heeft als doel de negatieve gevolgen van overstromingen te beperken. Lidstaten moeten risicobeoordelingen uitvoeren en kaarten opstellen. Vervolgens moeten zij beheerplannen maken met maatregelen om risico’s te verminderen, rekening houdend met lokale omstandigheden. Coördinatie tussen lidstaten en samenwerking met derde landen is essentieel voor effectieve preventie en mitigatie. Europees systeem van handel in emissieruimte (2005) De emissieruimte geeft aan hoeveel een land of bedrijf van een bepaald gas mag uitstoten (emitteren). Hier zijn emissieplafonds aan gesteld. De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) registreert en controleert de emissiehandel van bijvoorbeeld NOx- en CO2-rechten voor bedrijven in Nederland. Het systeem is een uitvloeisel van het Kyotoprotocol. Het aantal beschikbare rechten is beperkt en gaat elk jaar omlaag. In april 2023 hebben de Europese Raad en het Europees parlement ingestemd met een herziene richtlijn voor het European Union Emission Trading System (EU ETS).

Deze herziening maakt deel uit van het Fit for 55 pakket, de Europese klimaatwet waarmee de EU zich eraan verbindt haar netto-uitstoot van broeikasgassen tegen 2030 met ten minste 55% te verminderen. Kyoto Protocol (2005) & Klimaatakkoord van Parijs (2020) Het Kyotoprotocol committeerden geïndustrialiseerde landen aan het verminderen van broeikasgasemissie conform de afgesproken individuele doelstellingen. Dit verdrag, geratificeerd door 192 landen in 2005, is in 2020 vervangen door het Klimaatakkoord van Parijs, wat is geratificeerd door 194 landen. Het Parijs akkoord bevat enkele belangrijke verschillen en nuances ten opzichte van het Kyoto Protocol met betrekking tot de vermindering van broeikasgasemissies. Het Parijs akkoord:  Is opgesteld met alle landen ter wereld in gedachten en niet beperkt tot ontwikkelde landen;  Stelt dat alle landen de verantwoordelijkheid delen, niet alleen de ontwikkelde landen;  Streeft naar een beperking van de opwarming van 1,5 graad Celsius in plaats van de 2 graden Celsius opwarming ten opzichte van het pre-industriële tijdperk;  Beoogt het gebruik van fossiele brandstoffen te verminderen;

58

concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei

Stelt de verwachting dat rijke landen ontwikkelingslanden financieel steunen bij het verminderen van broeikasgassen.

Basel Protocol on Liability and Compensation (1999) Het Basel Protocol (Basel Protocol on Liability and Compensation) uit 1999 bepaalt wie financieel verantwoordelijk is in geval van een incident met gevaarlijke afvalstoffen (waaronder radioactief afval), vanaf het moment dat de afvalstoffen worden geladen op het transportmiddel tot hun export, internationale doorvoer, import en uiteindelijk verwijdering. Het streeft naar adequate en tijdige compensatie voor schade als gevolg van grensoverschrijdende bewegingen van afvalstoffen. Het bevordert transparantie en verantwoording bij het omgaan met gevaarlijke afvalstoffen. Espoo-Verdrag (2017) Het Espoo-verdrag (Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband), ondertekend in 1991en geldend sinds 2017, verplicht partijen om voor voorgenomen activiteiten met een mogelijk belangrijk nadelig grensoverschrijdend effect een milieu-effectrapportageprocedure vast te stellen, waarin voorzien is in publieksparticipatie. Er kan sprake zijn van een nieuwe activiteit of een ingrijpende wijziging van een bestaande activiteit. De aanwezigheid hiervan, gecombineerd met mogelijk belangrijke nadelige grensoverschrijdende milieueffecten, maken dat op grond van artikel 2(3) Espoo-verdrag een MER moet worden opgesteld om die grensoverschrijdende effecten in kaart te brengen.

Dit zorgt ervoor dat zowel de autoriteiten als het publiek in de buurlanden betrokken worden bij de mer-procedure wat internationale inspraak organiseert. Verdrag van Aarhus (2005) Het Verdrag van Aarhus is een milieuverdrag uit 1998 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (bekrachtigd in 2001, en NL in 2005) waarmee wordt geregeld dat het publiek (particulieren, rechtspersonen, en verenigingen die hen vertegenwoordigen) van de staten die partij zijn bij het verdrag, waaronder de EU, recht hebben op vroegtijdig en toegankelijk toegang tot milieu-informatie. Het Verdrag regelt eveneens dat men recht heeft op doelmatige participatie wanneer alle opties openliggen, voorafgaand aan het eerste (ruimtelijk) besluit. De overheid moet het betrokken publiek daartoe informeren over onder andere de belangrijke effecten van de voorgestelde activiteit op het milieu, de beoogde maatregelen om de effecten, met inbegrip van emissies te voorkomen en/of te verminderen en de belangrijkste aan de overheid uitgebrachte rapporten en adviezen hierover (artikel 6, lid 6, verdrag van Aarhus). Ook verzekert het Verdrag toegang tot de rechter als overheidsinstanties deze rechten en milieuwetgeving niet naleven.

Convention on Nuclear Safety (1996) Het Verdrag Inzake Nucleaire Veiligheid, aangenomen in 1994 en van kracht gegaan in 1996, heeft als doel de verdragsluitende partijen die civiele kerncentrales op het land exploiteren, te verplichten een hoog veiligheidsniveau te handhaven. Dit wordt bereikt door het vaststellen van fundamentele veiligheidsbeginselen. Het verdrag is gebaseerd op het gemeenschappelijk belang van de partijen om hogeren veiligheidsniveaus te bereiken, die zullen worden ontwikkeld en bevorderd door middel van regelmatige bijeenkomsten. Het is verplicht de partijen om verslagen over de uitvoering van hun verplichtingen in te dienen voor ‘collegiale toetsing’. Dit mechanisme is het belangrijstek innovatieve en dynamische element van het verdrag. Non-proliferatieverdrag, NPV (1970) Het internationale Non-profileratieverdrag, dat in 1970 in werking trad, heeft als doel de verspreiding van kernwapens te beperken en uiteindelijk een wereld zonder kernwapens te bereiken. Het verdrag beperkt het bezit van kernwapens tot vijf landen: de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Rusland en China.

Daarnaast bevordert het NPC internationale samenwerking op het gebied van vreedzaam gebruik van kernenergie en zet het zich in voor naleving van verdragsverplichtingen door middel van internationale samenwerkingsverbanden zoals het Non-Proliferation en Disarmament Initiative. Nederland heeft het verdrag ondertekend en roept andere landen op om ook toe te treden, met als doel een veiliger en stabieler internationaal klimaat te creëren. IAEA Safety Documents De IAEA heeft een reeks veiligheidsdocumenten ontwikkeld die dienen als wereldwijde referentie om nucleaire veiligheid te waarborgen en de bescherming van mensen en het milieu te garanderen. Deze documenten zijn onderverdeeld in drie hoofdcategorieën: Safety Fundamentals, Safety Requirements en Safety Guides. De Safety

59

concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei

Fundamentals leggen de fundamentele veiligheidsdoelstellingen en –principes vast die als basis dienen voor alle andere veiligheidsnormen. De Safety Requirements beschrijven de specifieke vereisten die moeten worden nageleefd om een hoog niveau van bescherming te waarborgen. De Safety Guides bieden gedetailleerde aanbevelingen, waaronder de Site Survey and Site Selection for Nuclear Installations (No. SSG-35), en richtlijnen over hoe aan deze vereisten te voldoen. Deze normen worden wereldwijd gebruikt door regelgevende instanties, nationale autoriteiten, en organisaties die betrokken zijn bij het ontwerp, de bouw en exploitatie van nucleaire faciliteiten, evenals door organisaties die straling gerelateerde technologieën gebruiken. Door deze geharmoniseerde veiligheidsnormen te volgen wordt gestreefd naar een consistent hoog veiligheidsniveau wereldwijd, wat cruciaal is voor het beschermen van de bevolking en het milieu tegen de potentiële risico's van nucleaire activiteiten. Het internationaal stappenplan van de IAEA voor het kiezen van locaties voor kerncentrales is opgenomen in de volgende figuur. Dit stappenplan is vastgelegd in de internationale richtlijn SSG-35.

Figuur 0-1 De vijf fasen van de twee processen om de veiligheid van een locatie voor een kerncentrale te waarborgen (bron: SSG-35).

Locatie proces (siting process) In de eerste fase van het locatie proces als onderdeel van het internationaal stappenplan van de IAEA worden grote gebieden onderzocht om kleinere gebieden en uiteindelijk, binnen die kleinere gebieden, potentiële locaties voor de nieuwbouw van kerncentrales te identificeren. In fase 2 worden ongeschikte locaties afgewezen. De overgebleven locaties worden beoordeeld op basis van veiligheid en andere overwegingen om tot een voorkeurslocatie te komen. Locatie evaluatie proces (site evaluation process) Vervolgens wordt alle relevante informatie over de gekozen voorkeurslocatie verzameld in fase 3. Op basis van deze informatie worden de ontwerpcriteria voor de bouw en exploitatie van de faciliteit vastgesteld, rekening houdend met de specifieke risico’s en kenmerken van de locatie. In de pre-operationele fase (fase 4) worden de studies en onderzoeken die in de eerdere fasen zijn begonnen, voortgezet na de start van de bouw en vóór de start van de exploitatie van de nucleaire installatie. Dit gebeurt om de beoordeling van de locatiekenmerken te voltooien en te verfijnen. De verkregen locatiegegevens maken een definitieve beoordeling van de simulatiemodellen mogelijk die in het definitieve ontwerp worden gebruikt.

In de operationele fase (fase 5) worden geschikte veiligheid gerelateerde locatie-evaluatieactiviteiten uitgevoerd gedurende de gehele levensduur van de nucleaire installatie(s). Dit gebeurt voornamelijk door middel van monitoring en periodieke veiligheidsbeoordelingen.

60

concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei

Nationale kaders Nationale Omgevingsvisie Extra (NOVEX) De Nationale Omgevingsvisie Extra (NOVEX) is gericht op het versterken en versnellen van de uitvoering van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Het biedt extra richtlijnen en maatregelen om de ruimtelijke ordening in Nederland te verbeteren en te coördineren. Het richt zich op specifieke nationale opgaven zoals woningbouw, klimaatadaptatie en infrastructuur. De NOVEX biedt een overkoepelende afweging voor ruimtelijke ordening, waarbij nationale en regionale belangen worden verenigd om duurzame en goed afgestemde ruimtelijke ontwikkelingen te bevorderen. Zo heeft de NOVEX een gebiedsgerichte aanpak ontwikkeld voor zestien specifieke gebieden in Nederland, waarbij voor elk gebied een gezamenlijk ontwikkelperspectief is opgesteld door de Rijksoverheid en de regio. Twee van deze gebieden zijn de North Sea Port District en de Rotterdamse haven. De Eemshaven en haven van Delfzijl zijn onderdeel van het bredere NOVEX-gebied Groningen en zijn in de afrondende fase van het ontwikkelperspectief. De North Sea Port, als Vlaams-Nederlandse haven, biedt de kans om grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen, wat de realisatiekracht versterkt en bijdraagt aan de nationale economie en brede welvaart.

De Rotterdamse haven biedt kansen om gebiedsgerichte afstemming van initiatieven en ontwikkelingen te bevorderen, wat de besluitvorming versnelt en bijdraagt aan de energietransitie van het haven- en industriegebied. Ook biedt het mogelijkheden voor het koppelen van financieringsbronnen en extra financiële inzet, wat cruciaal is voor de duurzame ontwikkeling. Wel is er druk op de ruimte op de Maasvlakte, een urgente vraag die nadere uitwerking behoeft. Voorontwerp Nota ruimte (2024) De nieuwe Nota Ruimte biedt een lange termijnvisie op Nederland en zal antwoord geven op de vraag hoe omgegaan wordt met de schaarse ruimte en tegelijkertijd het waarmaken van de ambities. In de Nota Ruimte wordt vooruitgekeken naar de jaren 2030, 2050 en naar 2100. In 2024 is het voorontwerp voor de Nota Ruimte gepubliceerd, een tweede tussenproduct richting de OntwerpNota Ruimte en bouwt voort op de in oktober 2023 gepubliceerde contourennotitie Nota Ruimte. Het voorontwerp biedt een overzicht van de nieuwe richtingen, ruimtelijke beelden en keuzes voor nu, straks en later. Het gaat dan om de keuzes die al zijn gemaakt en ingezet in verschillende nationale programma’s, keuzes die aanvullend nodig zijn en nog gemaakt moeten worden in de (ontwerp) Nota Ruimte en keuzes die in de Nota Ruimte geagendeerd worden voor later.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=middendelfland&id=63fabbcb-13e1-4452-b08e-4d7f97b8372a