08 Transitievisie Warmte Midden-Delfland_v1.0.pdf
Tekst van het document
We nemen als uitgangspunt dat gebouwen zoveel mogelijk moeten toewerken naar het basisisolatieniveau waarmee ze in ieder geval op 70°C verwarmd kunnen worden of zelfs met 40°C als de installatie in de woning daarvoor geschikt gemaakt kan worden. Dit is het niveau waarmee een gebouw transitiegereed is voor verschillende warmteoplossingen, een spijtvrij niveau. Ook de Rijksoverheid zet in op goede isolatie van woningen en gebouwen, ongeacht de toekomstige warmteoplossing die wordt gekozen. Daarom zijn landelijke Standaard en Streefwaarden9 opgesteld om handelingsperspectief te bieden aan woningeigenaren.
Figuur 9. De transitiekaart voor Midden-Delfland 9 Zie pagina 40 voor meer informatie over de Standaard en Streefwaarden.
29
Het transitiegereed maken van de woningen in de gemeente heeft de focus tot en met 2030. Daarna wordt tot 2050 gewerkt aan het volledig aardgasvrij maken van de woningen. We geven hiermee direct invulling aan het eerste uitgangspunt (zie hoofdstuk 2): de gekozen warmteoplossingen moeten realistisch en betaalbaar zijn. Gemeente Midden-Delfland wil in 2030 een reductie van 20% op het aardgasverbruik ten opzichte van 2010 realiseren. Door de daling in het aardgasverbruik is de gemeente al op de goede weg, maar we zijn er nog niet. Tot 2030 hebben we nog een opgave van grofweg 1 miljoen m3 aardgas te gaan. 5.1. Interpretatie transitiekaart
Spijtvrij transitiepad: Isoleren, hybride en lokaal aardgasvrij Uit het vergelijkende onderzoek blijkt dat het voor veel woningen in de gemeente op dit moment nog een (te) grote stap is om in een keer om te schakelen naar aardgasvrij. Het spijtvrije transitiepad speelt daarop in en heeft als doel om de tijd die we tot 2050 hebben, zo goed mogelijk te benutten. We willen slimme aanpassingen doen op de juiste momenten. Het is daarbij vooral van belang om de nadruk te leggen op het terugbrengen van het gasverbruik. Dit kunnen gebouweigenaren doen door te isoleren, over te stappen op hybride warmtepompen en waar mogelijk helemaal over te gaan op lokale gasvrije oplossingen. We moedigen woningeigenaren aan om de volledige stap naar aardgasvrij te maken als dit haalbaar en betaalbaar is. Het gaat dan om aardgasvrije, individuele of kleinschalig collectieve warmteoplossingen: all-electric oplossingen of lokale kleinschalige warmtenetten met bijvoorbeeld WKO. Het spreekt voor zich dat niet iedere woningeigenaar een vergelijkbaar handelingsperspectief heeft. Overstappen naar spijtvrije maatregelen gebeurt meestal op natuurlijke momenten. Bijvoorbeeld bij renovaties of bij afschrijving van de Cv-ketel. Dat verschilt per woningtype, bouwjaar en per individuele situatie van een inwoner.
Hybride warmtepompen zullen voor sommige woningen een tussenoplossing zijn, in afwachting van een volledig gasvrije warmtepomp. Maar voor een deel van de woningen zal het een eindoplossing zijn, waarbij de resterende gasvraag met duurzaam gas wordt ingevuld. We herijken de TVW tenminste elke vijf jaar. Bij de actualisatie worden de ontwikkelingen telkens opnieuw meegenomen.
Bedrijventerrein: mix van individuele en kleinschalig collectieve warmteoplossingen in het tempo van gebouweigenaren Bedrijven zijn benoemd als apart aandachtsgebied binnen de transitiekaart en kennen een aparte energiebesparingsopgave. Omdat deze doelgroep zowel qua verwarmingsbehoefte als regelgeving afwijkt van woningen is het belangrijk dat voor deze groep specifieke aanpakken worden ontwikkeld. Bedrijventerreinen hebben vanuit het Nederlandse Klimaatakkoord ook een eigen verduurzamingsdoelstelling. De verduurzamingsaanpakken kunnen zowel gericht zijn op individuele (besparings-)maatregelen als op het ontwikkelen van kleinschalige collectieve systemen (zoals bronnetten). Gebouweigenaren op bedrijventerreinen bepalen op basis van natuurlijke momenten wanneer ze de overstap naar aardgasvrij maken. Bedrijven kunnen samen kleinschalig collectieve warmte-koudenetten ontwikkelen, of individueel tot een oplossing komen. Voor alle bedrijventerreinen geldt dat de energie-infrastructuur op het terrein in hoge mate afhankelijk is van de bedrijfsactiviteiten op dat terrein. De oplossing is dus maatwerk. Glastuinbouw Ook deze sector heeft in het Klimaatakkoord een eigen verduurzamingsdoelstelling. Steeds meer glastuinbouwbedrijven zien in warmtenetten een kansrijk alternatief voor hun gasgestookte installaties.
Door meerdere bedrijven met elkaar te verbinden, ontstaat voldoende schaal om gebruik te maken van duurzame warmte uit bijvoorbeeld een geothermiebron. De alternatieven voor de tuinbouwsector bieden ook kansen voor de omringende bebouwing om aan te sluiten bij de ontwikkelingen. Net als voor de bedrijventerreinen geldt voor de glastuinbouw, dat natuurlijke momenten de beste aanleiding biedt om een overstap naar aardgasvrij te maken.
30
6. Vervolgstappen De transitiekaart en de bijbehorende transitiepaden uit het vorige hoofdstuk geven inzicht in de route die wordt doorlopen op weg naar een aardgasvrij Midden-Delfland. In dit hoofdstuk maken we een doorkijk richting de uitvoering: wat willen we bereiken, hoe worden de routes de komende jaren ingezet, welke instrumenten zetten we als gemeente in, hoe kan de gemeente inwoners stimuleren om eerste stappen te zetten richting een aardgasvrije woning? Hierover ontvingen we goede input van de meedenkgroep en van de inwoners. 6.1. Doel In figuur 10 staat het gasverbruik van woningen in Midden-Delfland tussen 2010 en 2019. De ambitie in MiddenDelfland is om een reductie van 20% t.o.v. het aardgasverbruik in 2010 te realiseren in de periode tot 2030. In 2010 was het gasverbruik 10,3 miljoen m3.10 Het doel voor 2030 ligt daarmee op een afname van het verbruik tot 8,2 miljoen m3.
Figuur 10. Gasverbruik woningen periode 2010 – 2019, Klimaatmonitor11
10
Temperatuurgecorrigeerd (dit houdt in dat het verbruik wordt gecorrigeerd voor de invloed van warmere en koudere seizoenen), Totaal gasverbruik
woningen Midden-Delfland, DASHBOARD - Energieverbruik - Midden-Delfland (databank.nl). 11 Aardgasverbruik 2010 – 2019, Klimaatmonitor, DASHBOARD - Energieverbruik - Midden-Delfland (databank.nl).
31
Het gekozen spijtvrije transitiepad zet in op het benutten van de natuurlijke momenten. De inwoners van MiddenDelfland kunnen die gebruiken om stappen te zetten richting transitiegereed en aardgasvrij. We realiseren ons dat transities niet lineair verlopen. In de periode na 2030 verwachten we dat het tempo van de transitie hoger ligt en kunnen we onze ambitie ophogen. De figuur hieronder geeft schematisch weer welke vier fasen een transitie doorloopt.
Figuur 11. De transitiecurve, ‘Transitiemanagement: sleutel voor een duurzame samenleving’, Jan Rotmans
Figuur 11 laat zien dat tijd nodig is om de resultaten in een transitie echt zichtbaar te maken. Maar elke stap die gezet wordt, draagt bij aan de ambitie en inspireert de omgeving om ook spijtvrije maatregelen te treffen. Dit helpt om op een later moment in grotere aantallen de overstap naar aardgasvrij te maken.
Figuur 12 Gasbesparing tot 2019 en grafische vooruitblik aardgasbesparing tot 2050Gasbesparing tot 2019 en grafische vooruitblik aardgasbesparing tot 2050
32
6.2. Hoe werken we toe naar het doel? De kracht van de samenwerking in de afgelopen 1½ jaar willen we behouden en continueren in de periode na vaststelling van de TVW. De gemeente zet samen met haar partners maximaal in om stappen te zetten op het spijtvrije transitiepad. Met als doel om energiebesparing, hybride en kleinschalige oplossingen naar aardgasvrij te stimuleren. Partners hebben vertrouwen in elkaar. De kracht van de TVW ligt in de wens om samen te blijven optrekken om in gezamenlijkheid stappen in de uitvoering te maken. De collectieve kennis die de afgelopen periode is opgebouwd, blijft op die wijze benut en zetten we efficiënt in. Bijvoorbeeld door (sub)doelen in prestatieafspraken vast te leggen. Zo werkt de gemeente samen met haar partners aan de ambitie om in 2030 20% minder aardgas te verbruiken dan in 2010. 6.2.1. Twee transitiepaden Het spijtvrij transitiepad ‘isoleren, hybride warmtepompen en lokale gasvrije opties’ splitsen we op in twee transitiepaden om inwoners mee te ondersteunen op weg naar de doelen in de warmtetransitie. Deze komen tegemoet aan de behoeften die we in beeld hebben gebracht door inbreng van inwoners, ondernemers en de betrokken partners tijdens het traject om te komen tot deze TVW: • •
Transitiepad 1: Activeren en faciliteren van inwoners voor het nemen van spijtvrije maatregelen Transitiepad 2: Samenbrengen en ondersteunen van bewonersinitiatieven en kleine collectieven 6.2.1.1.
Activeren en faciliteren van inwoners voor het nemen van spijtvrije maatregelen
Het gemeentelijke Energieloket is een belangrijke strategische partner van de gemeente bij het activeren en faciliteren van inwoners voor het nemen van spijtvrije maatregelen. Inwoners willen weten waar ze moeten beginnen, welke installateurs en leveranciers betrouwbaar zijn en wat het kostenplaatje is. Het Energieloket is de centrale plek om overzichtelijke informatie over de verschillende spijtvrije maatregelen (bijvoorbeeld over het geluid van een warmtepomp) en de verbetering van het comfort in een woning te vinden, de kosten die daarbij horen en de beschikbare subsidies. Recent heeft de Rijksoverheid tijdens Prinsjesdag aangegeven dat er 1,3 miljard euro wordt gereserveerd voor het verduurzamen van woningen en gebouwen. Dat geld wordt ingezet in een nationaal isolatieprogramma, voor een uitrol van hybride warmtepompen en het verduurzamen van maatschappelijk vastgoed. Veel van de aanpassingen aan woningen zullen inwoners individueel doen. Om kosten te beperken willen we inwoners stimuleren om dat zoveel als mogelijk op natuurlijke momenten te doen. Bijvoorbeeld bij verhuizing of een grote verbouwing12. Daarom betrekken we aannemers, makelaars, VvE’s en installateurs (die regionaal actief zijn) om inwoners te bereiken en bewust te maken van de stappen die gezet kunnen worden naar een toekomstige aardgasvrije warmtevoorziening.
Dit is ook een mooie mogelijkheid om lokale ondernemers te betrekken en lokaal werkgelegenheid te creëren. Bijvoorbeeld door woningscans en besparingsmaatregelen aan te bieden en besparingsambassadeurs in de wijken aan te stellen die zelf al verschillende besparingsmaatregelen genomen hebben. Het nemen van individuele maatregelen is op basis van vrijwilligheid. De gemeente heeft weinig sturingsmogelijkheden. Inwoners hebben aangegeven dat zij behoefte hebben aan onafhankelijk en persoonlijk advies. We spelen hierop in door goed te communiceren over het nut en de noodzaak van de warmtetransitie en door regelmatige informatiebijeenkomsten (op gemeente- en wijkniveau) of duurzaamheidsmarkten te organiseren. Transparante en doelgroepgerichte communicatie is hiervan een essentieel onderdeel. Via campagnes, folders en collectieve inkoopacties kunnen inwoners op een laagdrempelige manier kennis maken met de warmtetransitie en de mogelijkheden voor hun woning.
12 Maar ook bijvoorbeeld gevelreiniging of nieuw behang kan een goed moment zijn om ook de kozijnen aan te pakken.
33
Ook het tonen van goede voorbeelden helpt in het verder brengen van de transitie. Buren die kennis en ervaringen delen, kunnen hierin een grote rol spelen. We voorzien ook een belangrijke rol hierin voor het Energieloket. Bijvoorbeeld door de organisatie van een jaarlijkse Duurzame Huizen Route waarin voorbeeldwoningen bekeken kunnen worden en waarbij ‘buren’ ervaringen kunnen uitwisselen. Of met de ‘energiebus’, waarbij inwoners in hun dorpen informatie kunnen krijgen over de warmtetransitie en de mogelijke oplossingen. We werken op deze manier toe naar een basisniveau van isolatie, ventilatie en elektrisch koken in de woningen die dit niveau nog niet hebben. De landelijke Standaard en Streefwaarden voor woningisolatie bieden per woningtype inzicht in isolatieniveaus.13 Sommige inwoners gaven aan, dat zij aanliepen tegen belemmerende gemeentelijke regelgeving richting transitiegereed en aardgasvrij. Om ontwikkelingen makkelijker mogelijk te maken (bijvoorbeeld bij vergunningverlening of in het kader van welstand) moeten we dit goed in kaart brengen. De gemeente wil proactief met inwoners in gesprek om de doelgroepen in beeld te krijgen die al willen starten met het treffen van spijtvrije maatregelen. Een doelgroepenaanpak helpt om tot acties te komen die aansluiten bij de verschillende behoeften die in de gemeente onderscheiden kunnen worden.
Daarbij kijken we onder andere naar sociale demografie, levensstijl, mediavoorkeuren, maar ook bebouwing uit een zelfde bouwperiode waarbij mogelijk dezelfde natuurlijke momenten aangegrepen kunnen worden. Door een goede analyse wordt per doelgroep inzichtelijk op welke manier inwoners het beste te benaderen zijn. En welke ondersteuning per doelgroep het meest passend is om hen te stimuleren om stappen in verduurzaming te zetten. Hiermee gaan we volgend op de vaststelling van deze TVW aan de slag.
Twee startmotoren Midden-Delfland kenmerkt zich door het hoge aantal particuliere woningeigenaren. In de afgelopen 1½ jaar is het de gemeente en haar partners duidelijk geworden dat er een relevante groep inwoners is die aan de slag wil met de warmtetransitie. Inwoners maken zich zorgen over klimaatgevolgen, zoals de opwarming van de aarde en de leefomstandigheden die dit veroorzaakt voor volgende generaties. Sommige inwoners voelen zelfs haast om de transitie spoedig in te zetten. Uit dit geluid is het idee van de startmotor van inwoners ontstaan, naast de woningcorporatie als startmotor.
Inwoners als startmotor Iedereen krijgt met de overstap naar aardgasvrij te maken en veel inwoners hebben er ideeën over. Dit kunnen ideeën zijn voor de hele gemeente, voor een dorp, buurt of misschien specifiek voor de straat of de eigen woning. De gemeente is enthousiast over initiatieven vanuit inwoners en wil deze graag faciliteren. Daarom kan iedereen die dat wil actief meedoen in de planvorming en/of de uitvoering van de transitie naar transitiegereed en aardgasvrij. Er zijn uiteraard ook inwoners in Midden-Delfland die niet veel met de warmtetransitie bezig zijn of zelfs niet van het aardgas af willen. Hier houdt de gemeente rekening mee in het maken van de plannen. Op moment van schrijven, kan de overheid de inwoners niet dwingen om het aardgasverbruik te verminderen. Daarom worden inwoners gestimuleerd en gefaciliteerd om stappen te zetten richting duurzame verwarmde woningen. Er zullen ook inwoners zijn die ervoor kiezen om (nog) niet van het aardgas af te gaan.
13 Zie pagina 40 voor meer informatie over de Standaard en Streefwaarden.
34
Woningcorporatie Wonen Midden-Delfland als startmotor Woningcorporaties zijn verantwoordelijk voor de warmtetransitie in de huurwoningen. Woningcorporaties worden in het Klimaatakkoord aangewezen als startmotor van de energietransitie. Een woningcorporatie kan als gesprekspartner dienen namens vele inwoners zoals verwoord in het uitgangspunt uit het Startnotitie en hoofdstuk 2. In Midden-Delfland is ongeveer 21 procent van de woningen in bezit van woningcorporatie Wonen Midden-Delfland. Wonen Midden-Delfland investeert in haar vastgoed en kan in de periode tot 2030 een deel van de woningen transitiegereed maken. Tot 2030 gaan we vooral werken aan het ‘transitiegereed’ maken van gebouwen. De gebouwen moeten onder andere geïsoleerd worden. Woningcorporatie Wonen Midden-Delfland heeft duurzaamheid hoog in het vaandel. De huurwoningen hebben op het moment van schrijven gemiddeld energielabel C. Het bezit van de woningcorporatie ligt verspreid over de gemeente en is beperkt ten opzichte van het totale vastgoed in de gemeente. Dit zorgt ervoor dat er naast verduurzaming van het bezit van de woningcorporatie nog een grote opgave ligt bij de woningen van particuliere eigenaren. Verduurzaming van het bezit van de woningcorporatie kan gecombineerd worden met verduurzaming van particulier bezit als dit voor beide partijen voordelig uitpakt. Dit is de kracht van de warmtetransitie.
6.2.1.2.
Samenbrengen en ondersteunen van bewonersinitiatieven en kleine collectieven
Op sommige locaties zijn er kansen waarbij meerdere woningeigenaren tegelijkertijd de overstap kunnen maken naar aardgasvrij door gezamenlijk gebruik te maken van een duurzame bron. De gemeente wil helpen in het samenbrengen van gemotiveerde inwoners die gezamenlijk stappen willen zetten naar transitiegereed en aardgasvrij. Zo zal de gemeente buren met elkaar in contact proberen te brengen én ondersteuning bieden om inwoners in contact te brengen met deskundigen. Tijdens de inwonersbijeenkomst is geopperd om excursies naar projecten te organiseren om inspiratie op te doen over kleine collectieve oplossingen die succesvol zijn gerealiseerd. Ook collectieve inkoopacties voor isolatie en (hybride) warmtepompen maken het voor inwoners aantrekkelijker om stappen te zetten.
35
Voorbeeld 4. In veel gevallen moet een vergunning aangevraagd worden die voldoet aan de welstandsnota. Een vindingrijke bewoner van Midden-Delfland heeft van de gemeente vergunning gekregen voor zonnepanelen aan de zijgevel die zuid-gericht is, foto Citta Energiek
6.3. Meten is weten De gemeente is aangewezen als regisseur van de warmtetransitie. Met deze TVW zet de gemeente de eerste stappen in deze rol. Het uitspreken van een ambitie is daarbij van belang om te kunnen monitoren of de transitie dit streven volgt richting 2030 en 2050. We zetten daarom in op een streven van 20 procent reductie in het gasverbruik ten opzichte van het gasverbruik in 2010. De gemeente doet dit niet alleen, maar rekent daarbij op haar partners zoals Wonen Midden-Delfland, Capturam en EnergieC Midden-Delfland. Zij hebben inzicht in veel data die zal helpen om de voortgang te meten en te evalueren of we in Midden-Delfland op de juiste weg zitten.
Jaarlijkse monitoring De projectgroep zal (in de huidige samenstelling) de voortgang van de warmtetransitie monitoren om zicht te houden op de bijdrage aan de landelijke klimaatdoelen. De stuurgroep komt daarvoor twee keer per jaar bijeen. De gemeenteraad wordt jaarlijks geïnformeerd over de voortgang. Elke vijf jaar wordt de TVW herijkt op basis van de kwantitatieve voortgang van voorgaande jaren en evaluatie van het bestaande beleid (wat hebben we gedaan, wat heeft dat opgeleverd en wat betekent dat voor de komende vijf jaar?). We benutten de betrouwbare openbare data uit de Klimaatmonitor van Rijkswaterstaat om te monitoren. Een belangrijke graadmeter is het gasverbruik. Daarnaast volgen we ook de ontwikkelingen bij de energielabels. We onderzoeken wat de beste manier is om het effect van getroffen maatregelen, bijvoorbeeld (hybride) warmtepompen of isolatie, te monitoren. Met een actualisatie van de Transitievisie Warmte kunnen we de warmtetransitie bijsturen zodat de reductiedoelen voor het jaar 2030 en het eindbeeld van aardgasvrij 2050 binnen bereik blijven.
36
Bijlage 1: Nadere toelichting duurzame warmteoplossingen voor Midden-Delfland 1.1 Warmtevraag beperken en temperatuur verlagen De bestaande woningenvoorraad in de gemeente Midden-Delfland kunnen we grofweg opdelen in vier niveaus van isolatie: 1. Woningen met slechte of onvoldoende isolatie (80 kWh/m2 of hoger, wat neerkomt op een gasverbruik van meer dan 1000 Nm3 per jaar voor een woning van 120 m2). Deze woningen hebben een hoge temperatuur (soms tot circa 90°C) in de radiatoren nodig. Zo kunnen ze op de koudste dagen comfortabel warm stoken. De meeste woningen gebouwd vóór 1990 hebben dit isolatieniveau. 2. Woningen met een minimumisolatieniveau (65-80 kWh/m2, ca 800-1000 Nm3 aan gasverbruik per jaar voor een woning van 120 m2). Deze woningen kun je comfortabel verwarmen met een maximumtemperatuur van 70°C in de radiatoren (middentemperatuur). Mogelijk moet een aantal radiatoren vervangen worden voordat deze woningen daadwerkelijk met 70°C verwarmd kan worden. Bijna alle woningen gebouwd na 1990 voldoen aan dit niveau. 3. Woningen op het niveau van basisisolatie (50-65 kWh/m2, ca 600-800 Nm3 per jaar voor een woning van 120 m2). Deze woningen kunnen comfortabel worden verwarmen met zowel een maximumtemperatuur van 70°C als met 40°C (laagtemperatuur).
Voor laagtemperatuur is het in sommige gevallen wel nodig de radiatoren te vervangen voor bijvoorbeeld vloerverwarming of lage temperatuur radiatoren. De woning is daarmee toekomstbestendig omdat hij geschikt is voor een (hybride) warmtepomp. De woning is dus transitiegereed. 4. Woningen met een hoog isolatieniveau en voorzien van een energiezuinig ventilatiesysteem (20-50 kWh/m2, minder dan ca 600 Nm3 aardgas per jaar voor een woning van 120 m3). Deze woningen zijn zeer geschikt om comfortabel te verwarmen met een maximumtemperatuur van 40°C. Dit zijn recent gebouwde woningen. Bij aanpassing van de bestaande bouw tot dit temperatuurniveau is het vaak nodig de radiatoren te vervangen. Naast warmte voor ruimteverwarming is in een woning ook warm tapwater nodig (ca 100 tot 200 Nm3 per jaar). Voor het veilig gebruik van warm tapwater is minimaal 55°C bij het tappunt nodig (in verband met legionella). Hierbij gaan we uit van de huidige stand van de techniek en regelgeving. Het opweksysteem moet daarvoor een temperatuur van 60-70°C kunnen leveren. Als de aanvoertemperatuur onvoldoende hoog is, moet er een aanvullende voorziening komen in de woning. Veel woningen zullen een onvoldoende isolatie hebben, terwijl er ook woningen zijn die al een basis- of hoog isolatieniveau hebben. Gemiddeld hebben woningen in Nederland een warmtevraag van ongeveer 84 kWh/m2 voor ruimteverwarming.
De gemiddelde woning in Midden-Delfland heeft een warmtevraag van ongeveer 76 kWh/m2 voor ruimteverwarming. Met name voor de woningen met slechte of onvoldoende isolatie is het van belang om de isolatie te verbeteren. Hiermee bereiken we twee belangrijke resultaten: 1. Het direct besparen van aardgas en daarmee op kosten en de uitstoot van CO2 2. Het kunnen verlagen van de temperatuur die nodig is in het warmte-afgiftesysteem om de woning het hele jaar comfortabel te verwarmen Dat laatste is van belang, omdat veel van de duurzame alternatieven voor een Cv-ketel, zoals (hybride) warmtepompen, over het algemeen efficiënter presteren op lagere temperaturen.
37
Tabel 4. Vergelijking Midden-Delfland en Nederland (jaarlijks verbruik)
Midden-Delfland
Nederland
Warmtevraag ruimteverwarming
76 kWh/m2
84 kWh/m2
Gasverbruik
1.375 m3 aardgas
1.239 m3 aardgas
Energielabel
Gemiddeld C
Gemiddeld C
Figuur 13. Warmtevraag in kWh/m2 woningen in Schipluiden
De Standaard en Streefwaarden14 Het isoleren van woningen is een belangrijke stap in de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Dit kan gedaan worden door bijvoorbeeld de vloer, muren en het dak te voorzien van extra isolatiematerialen. Maar hoeveel isolatiemateriaal is er dan precies nodig? Daar probeert de overheid met de Standaard en Streefwaarden richting aan te geven. De Standaard geeft een doel aan ten aanzien van de maximale warmtevraag van een woning. De warmtevraag is de hoeveelheid energie die nodig is voor het verwarmen van de woning. De Standaard probeert hiermee een antwoord te geven op de vraag: “hoever moet ik isoleren?” Het biedt daarmee handelingsperspectief voor gebouweigenaren die (stapsgewijs) willen verduurzamen. De waarde van de Standaard wordt in kWh warmte per m2 weergegeven. Wat de doelwaarde voor een woning is, hangt af van een aantal factoren:
14 Zie voor meer informatie over de standaard en streefwaardes: Rapport standaard en streefwaardes bestaande woningbouw | Rapport | Rijksoverheid.nl
38
• Is de woning een eengezinswoning of een appartement? • Is de woning vooroorlogs of na-oorlogs (voor 1945 gebouwd of na 1945)? • Is de woning heel compact gebouwd? Dit wordt weergegeven door een factor voor compactheid: vloeroppervlak / som van oppervlaktes grenzend aan buitenlucht of grond. Over het algemeen zal een naoorlogse woning met de Standaard ongeveer tot een label A of B zonder zonnepanelen komen. Voor vooroorlogse woningen is het vergelijkbaar met label D zonder zonnepanelen. Bij het behalen van de Standaard is een naoorlogse woning normaal gesproken klaar voor een aanvoertemperatuur van 50°C. Een vooroorlogse woning is klaar voor een aanvoertemperatuur van 70°C. Naast de Standaard zijn er ook Streefwaarden gepubliceerd. Die geven richting aan de isolatie van individuele componenten zoals dak, vloer en muren.
1.2 Inzet toekomstbestendige energie-infrastructuur en warmte-oplossingen In aanvulling op de informatie uit hoofdstuk 3, gaan we hieronder wat uitgebreider op de energie-infrastructuren en warmte-oplossingen in.
Elektriciteitsnet Er is bij all-electric sprake van een individuele warmtevoorziening. Individuele vastgoedeigenaren kunnen daarom zelf de keuze maken om de woning niet alleen te isoleren, maar ook de gasgestookte Cv-ketel te vervangen door bijvoorbeeld een warmtepomp. De individuele vastgoedeigenaar is dus minder afhankelijk van keuzes en beperkingen van andere vastgoedeigenaren in de straat, of in de buurt. Buurten waar all-electric oplossingen de laagste maatschappelijke kosten hebben, zijn meestal buurten met veel eengezinswoningen, gebouwd na 1990. In deze buurten hoeven vaak alleen de radiatoren en het gasfornuis vervangen te worden om de overstap naar all-electric te kunnen maken. In deze buurten is het aardgasnet doorgaans nog nieuw, evenals de gasketels. Bij elektrisch verwarmen zal de vraag naar elektriciteit op koude dagen sterk toenemen. De (over)capaciteit in het bestaande elektriciteitsnet is echter beperkt. Deze capaciteit is ook nodig voor de realisatie van laadpalen voor elektrische mobiliteit, elektrisch koken, elektrificatie van de industrie en opwek van duurzame energie. Aanpassingen aan het elektriciteitsnet zijn daarom vaak nodig. Niet alleen op wijkniveau, maar ook op gemeentelijk, regionaal, nationaal en internationaal niveau. In de wijk kan dat betekenen dat we rekening moeten houden met extra middenspanningsruimtes en het verzwaren van kabels.
Om goed met een warmtepomp te kunnen verwarmen is het wenselijk dat een woning minimaal het basisisolatieniveau heeft. Daarbij is de warmtevraag voor ruimteverwarming 65 kWh/m2 of lager. Bij warmtepompen is het vaak nodig om de radiatoren te vervangen door laagtemperatuur radiatoren of vloerverwarming. Er zijn warmtepompen die lucht gebruiken als warmtebron (lucht-water-warmtepompen of lucht-lucht-warmtepompen). Andere warmtepompen gebruiken water als warmtebron (water-waterwarmtepompen). Een lucht-water-warmtepomp gebruikt als bron bijvoorbeeld buitenlucht. Een water-waterwarmtepomp gebruikt als bron bijvoorbeeld bodemenergie (WKO of bodemlus) of warmte uit zonlicht (zonthermie of PVT). Een voordeel van all-electric verwarmen is dat de meeste warmtepompen ook kunnen worden ingezet om te koelen. Met name in bedrijfsgebouwen is dit een belangrijke functie van het systeem. Maar ook voor woningen neemt de vraag naar koeling in de zomer toe. In het geval van water-water-systemen is deze koeling ook erg efficiënt en kan de warmte in de ondergrond worden opgeslagen. Voor kleinschalige toepassingen in één of enkele ruimtes zijn lucht-lucht-systemen (airconditioning) goed toepasbaar om ’s zomers te koelen en ’s winters te verwarmen.
39
Voor het benutten van energie uit buitenlucht is een buitenunit nodig. Voor het benutten van warmte uit de bodem is een bodemlus nodig onder de woning of in de tuin. Voor het benutten van zonthermie zijn thermische zonnepanelen nodig. Grotere gebouwen, zoals het Lentiz in Maasland en het gemeentehuis in Schipluiden, kunnen ook gebruik maken van een eigen warmte- en koude opslaginstallatie (WKO) om gebruik te maken van bodemenergie als warmtebron. Naast de warmtepomp komt er een boilervat van minimaal 150 liter voor warm tapwater in de woning. Deze ruimte (minimaal ca 60x60x100 cm) moet wel beschikbaar zijn. Bij infraroodpanelen en lucht-water-warmtepomp zal meer verzwaring van het elektriciteitsnet nodig zijn dan bij water-waterwarmtepompen. Efficiëntie van warmtepompen en infraroodpanelen Een warmtepomp gebruikt de warmte in de omgeving als bron (meestal de buitenlucht of de ondergrond). Een warmtepomp kan hiermee meer energie in de vorm van warmte opwekken dan dat aan elektriciteit wordt gebruikt. Van 1 kWh elektriciteit kan een warmtepomp 3-6 kWh aan warmte produceren (een ‘coefficient of performance (COP)’ van 3-6). Bij infraroodpanelen is de omzetting van elektriciteit naar warmte één staat tot één. Dat is dus minder efficiënt. Infraroodverwarming hoeft alleen aan te staan op het moment dat er een persoon aanwezig is in de ruimte.
Hierdoor zijn ze in praktijk wel wat efficiënter zijn dan doet vermoeden.
Daarnaast is all-electric verwarmen vaak toegepast op bedrijventerreinen en kantoorparken, eventueel in combinatie met lokale bronnetten vanwege de koudevraag. All-electric is ook vaak de voorkeurswarmte-optie van veel nieuwbouwontwikkelingen, met name kleine ontwikkelingen waar onvoldoende schaal is voor een warmtenet.
Warmtenet De opbouw van het woningenbestand in een wijk of buurt bepaalt de haalbaarheid van een collectieve oplossing als een warmtenet. In onze gemeente staan voornamelijk eengezinswoningen. Deze zijn lastiger aan te sluiten op een warmtenet dan meergezinswoningen (flats, appartementen). Eengezinswoningen staan minder dicht bij elkaar waardoor er meer leidingen nodig zijn om ze aan te sluiten, wat ook zorgt voor meer warmteverlies. Daarnaast is het van belang dat er voldoende woningen aansluiten. In de praktijk gaat het dan om meerdere straten. Woningcorporaties kunnen in veel gemeenten hierbij een belangrijke rol spelen. In een straat zijn vaak meerdere (soms alle) woningen in bezit van een woningcorporatie. Daardoor kan een warmtenet met corporatiewoningen gemakkelijker de nodige schaalgrootte halen. In Midden-Delfland is het bezit van de woningcorporatie verspreid en veelal gemengd met particuliere woningen, waardoor dit een stuk lastiger is. Een woning die wordt aangesloten op een collectief warmtenet heeft, afhankelijk van het temperatuurniveau van de geleverde warmte, in vergelijking met all-electric oplossingen vaak minder ingrepen aan de schil en de binneninstallatie nodig. Wel zullen er aanpassingen nodig zijn als de bestaande gasketel op zolder is geplaatst.
Bij een warmtenet komt er per gebouw of cluster van eengezinswoningen of kleinere gebouwen een afleverstation. Over het algemeen zijn er bij lagere temperaturen meer (duurzame) bronnen beschikbaar (zie ook de volgende paragraaf). We onderscheiden binnen warmtenetten in Nederland drie categorieën in aanvoertemperaturen. Bestaande warmtenetten in wijken met oudere woningen leveren een temperatuur van maximaal 90°C (hoogtemperatuur). Nieuwere wijken zijn beter geïsoleerd. De aanvoertemperatuur kan daar lager zijn, circa 70°C (middentemperatuur). Bij nieuw te bouwen wijken is verdere verlaging van de aanvoertemperatuur naar 40°C (laagtemperatuur) mogelijk. In de woningen is dan wel een aanvullende boostervoorziening nodig voor warm tapwater (55°C). In de praktijk zien we daarom bij nieuwbouwwoningen vaak een middentemperatuur warmtenet.
Gasnet/hybride In veel buurten en wijken zijn zowel all-electric oplossingen als een warmtenetten zeer kostbare en daarom onrealistische warmteoplossingen met de huidige stand van de techniek. In deze wijken zal het gasnet daarom
40
voorlopig blijven liggen en kan er beter gestart worden met isolatie en hybride warmtepomp oplossingen of allelectric oplossingen bij gebouwen en woningen, die wel al voldoende zijn geïsoleerd. De hybride warmtepomp is een combinatie van een warmtepomp met een gasketel. Deze techniek verlaagt het gasverbruik van een woning of gebouw. De warmtepomp gebruikt een warmtebron en elektriciteit voor het opwekken van warmte. De gasketel springt op koude dagen bij en verwarmt het warm tapwater. Er zijn verschillende typen hybride warmtepompen op de markt, waarbij de bronnen variëren van buitenlucht, ventilatieretourlucht of zonthermie. Een voordeel van een hybride systeem ten opzichte van een all-electric oplossing is dat er geen aanpassingen gedaan hoeven worden aan het elektriciteitsnet. Voor de piekbelasting maakt het systeem namelijk gebruik van gas. Een nadeel is dat een woning nog steeds gas gebruikt. Het systeem is daarom niet voor alle wijken mogelijk, anders blijven de woningen op de lange termijn afhankelijk van aardgas. Door isolatie in combinatie met een hybride warmtepomp kan bij woningen circa 70% gas bespaard worden. Uiteraard gaan de woningen wel meer elektriciteit gebruiken.
1.3 Overstappen naar duurzame warmtebronnen Bij elke overstap is het belangrijk dat er zicht is op voldoende duurzame bronnen in de toekomst, en dat er voldoende capaciteit is in de infrastructuur om deze energie ook te kunnen transporteren. Naast het verwarmen in de gebouwde omgeving zullen ook andere sectoren in toenemende mate gebruik gaan maken van duurzame energie. Het vervoer zal steeds meer elektrisch worden en ook de industrie zal daar waar mogelijk overstappen op elektriciteit en waterstof. Om de beschikbaarheid van duurzame energie in de toekomst te borgen, werkt de gemeente regionaal samen met andere gemeenten in de regio Rotterdam-Den Haag aan de Regionale Energiestrategie (RES). In deze strategie geven de gemeenten aan dat het niet mogelijk is om binnen de regio voldoende duurzame elektriciteit op te wekken om aan de toekomstige vraag te voldoen. De regio zal daarvoor dus gebruik maken van duurzame elektriciteit van buiten de regio: andere regio’s of windparken op zee.15 Aandachtspunt is daarbij dat knelpunten in het elektriciteitsnet tijdig worden verholpen.16 Warmte is lastiger om over grote afstanden te transporteren dan gas en elektriciteit. Warmtenetten hebben daarom vaak een sterk lokaal of regionaal karakter. De nabijheid van duurzame warmtebronnen is belangrijk voor de haalbaarheid van warmtenetten.
In de regio Rotterdam-Den Haag zijn veel warmtebronnen aanwezig. Zo is er veel restwarmte beschikbaar vanuit de industrie. Er wordt gewerkt aan een transportleiding die restwarmte vanuit Rotterdam richting Delft en Den Haag leidt (zie figuur 11). Ook is het perspectief op geothermie en aquathermie gunstig. Toch is daarmee niet gezegd dat het lukt om deze warmte in de gemeente in te zetten. Veel hangt af van de schaal van een toekomstig warmtenet en of de vraag groot genoeg is om de afstanden te overbruggen.
15 Zie ook: Regionale Energiestrategie regio Rotterdam-Den Haag
16 Zie ook: systeemstudie Zuid-Holland
41
Figuur 11. Mogelijk tracé van de toekomstige transport-warmteleidingen tussen Rotterdam en Den Haag. Bron: www.warmtelinq.nl
Er bestaan verschillende typen duurzaam gas: groen gas dat wordt geproduceerd door het vergassen of vergisten van biomassa en (groene) waterstof dat wordt geproduceerd door met groene stroom water te ontleden in waterstof en zuurstof. Naar de toekomstige beschikbaarheid van deze gassen wordt nog veel onderzoek gedaan. De huidige inschatting is dat er tot 2030 met groen gas een potentiële verduurzaming van 20% tot 30% van de huidige gasvraag van de gebouwde omgeving mogelijk is. Tot 2050 is er mogelijk meer beschikbaar, maar ook andere sectoren zullen hiervan gebruik willen maken. Bijvoorbeeld als back-up voor elektriciteitsproductie, als piekvoorziening voor warmtenetten en voor de procesindustrie. Voor groene waterstof wordt voor 2030 geen grootschalige toepassing in de gebouwde omgeving verwacht. Ook voor de periode daarna is het verduurzamingspotentieel onzeker. Dat komt omdat voor de productie van groene waterstof groene stroom noodzakelijk is. Zolang groene stroom nog niet in overmaat beschikbaar is, zal het efficiënter zijn om de stroom direct in te zetten. Daarnaast zullen, net als bij groen gas, ook andere sectoren van duurzame waterstof gebruik willen maken.17
17 Zie bijvoorbeeld: Klimaatakkoord, Routekaart Groen Gas 2020-2050, PBL Klimaat en Energieverkenning 2019, RES MRDH, Systeemstudie Zuid Holland
42
Bijlage 2: Selectiecriteria en transitiepaden Om de selectie van startkansen te maken, heeft de projectgroep aan het begin van het proces selectiecriteria opgesteld. Deze hebben we hieronder opgenomen. In de blauwe vakken is te lezen wat de inwoners vinden van de selectiecriteria. Op de korte termijn komen de selectiecriteria echter niet aan de orde gegeven de gekozen transitiepaden. Deze selectiecriteria zijn nog wel relevant op het moment dat er vanuit de wijk of een cluster woningen een meer collectief signaal komt dat de inwoners over willen stappen. In deze bijlage gaan we na de selectiecriteria in op de gekozen transitiepaden om de komende jaren werk te gaan maken van de warmtetransitie. 2.1 Selectiecriteria
Haalbaar alternatief Randvoorwaarde om een wijk van het aardgas af te halen is dat er zicht is op een technisch en financieel haalbaar en duurzaam alternatief. Dat betekent dat we de warmtetransitie de komende jaren zullen starten in de gebieden waar we verwachten dat de maatschappelijke kosten voor de overstap naar aardgasvrij verwarmen het laagst zijn. Na het vaststellen van de Transitievisie Warmte zullen we de kosten meer gedetailleerd in beeld brengen. We gaan pas daadwerkelijk in een wijk of buurt aan de slag als er zicht is op een oplossing die voor alle partijen, inwoners en andere belanghebbenden, passend is. We beseffen dat de warmtetransitie op dit moment op veel plekken (nog) niet rendabel is. Om ook (particuliere) gebouweneigenaren bereid te krijgen om de stap naar aardgasvrij te maken, streven we naar om betaalbare oplossingen. Omdat we aan het begin staan van een transitie houden we nog alle opties open hoe we dit het beste kunnen vormgeven.
Draagvlak bij inwoners Draagvlak bij inwoners is belangrijk voor een geslaagde warmtetransitie. We gaan daarom bij voorkeur aan de slag met buurten waar de wens of bereidheid om te verduurzamen groot is. Wanneer inwoners ervoor kiezen om zelf initiatief te nemen en zich organiseren, kan dit een goede reden zijn om hier te beginnen. Als bijkomend positief effect kan een warmte-initiatief ook bijdragen aan de saamhorigheid en leefbaarheid in een wijk. We stimuleren daarom kansrijke initiatieven uit de samenleving. Draagvlak is voor veel van de inwoners belangrijk. Iets meer dan de helft (53%) van de deelnemers geeft aan het belangrijk te vinden om zelf te kiezen voor een alternatief. Bijna 48% geeft ook aan zich zorgen te maken geen keuze te hebben. 6,1% is negatief over de warmtetransitie en geeft aan niet mee te willen doen en niet aardgasvrij te willen worden. Respondenten uit deze groep willen het niet omdat ze vinden dat aardgas duurzaam is, Nederland niet ‘het beste jongetje van de klas hoeft te zijn’ en/of omdat er veel zorgen zijn over de kosten.
Weinig aanpassingen nodig Als er in een wijk een simpele en snel uitvoerbare warmteoplossing mogelijk is, is het logisch om in deze wijk te starten. Op deze manier laat je snel een wijk zien die succesvol aardgasvrij is geworden en kan dienen als voorbeeldwijk. Bijvoorbeeld, gebouwen uit recente jaren zijn beter geïsoleerd. Op het moment dat woningen of kantoren bijvoorbeeld een beter energielabel hebben, is het makkelijker en betaalbaarder om de overstap naar aardgasvrij te maken.
43
Gevraagd naar wat volgens de deelnemers aan de enquête logische plekken zijn om te starten, geeft een aantal van hen aan het juist logisch te vinden wanneer wordt gestart op plekken waar de woningen nu veel aardgas verbruiken.
Koppelkansen benutten We proberen indien mogelijk aan te sluiten op bijvoorbeeld werkzaamheden in een buurt of bij (renovatie)plannen van vastgoedeigenaren. Dit vergroot de acceptatie bij inwoners, voorkomt onnodige overlast en beperkt de kosten van de warmtetransitie. Beschikbare (duurzame) bronnen Een buurt kan makkelijker en sneller aardgasvrij worden als een duurzame bron in de buurt beschikbaar is. In de gemeente zijn verschillende warmtebronnen aanwezig. We stimuleren initiatieven om bijvoorbeeld geothermie vanuit de glastuinbouw ook in de gebouwde omgeving in te zetten. Daarnaast onderzoeken we de mogelijkheden voor het gebruik van aquathermie of aansluiten bij regionale projecten zoals WarmtelinQ. Bij all-electric gaat het er vooral om dat het elektriciteitsnetwerk in de wijk voldoende capaciteit voor heeft. We stemmen regionaal de beschikbaarheid van voldoende duurzame elektriciteit af. Ongeveer de helft van de respondenten geeft ook aan de duurzaamheid van het alternatief belangrijk te vinden.
2.2 Transitiepaden De doelstelling is om in 2050 alle woningen en gebouwen in Midden-Delfland aardgasvrij te verwarmen. Alle wijken en buurten zullen hier dus op den duur mee aan de slag moeten,
Figuur 12 De transitiekaart voor Midden-Delfland
44
Bijlage 3: Koeling Hitte in en rond gebouwen is een belangrijk onderwerp. Goed geïsoleerde woningen hebben een lagere warmtevraag, maar raken ook moeilijker warmte kwijt in de zomer. Daarnaast veroorzaakt klimaatverandering steeds intensere hittegolven. Ook werken we steeds meer thuis. Deze effecten zorgen ervoor dat de komende decennia steeds meer behoefte is om warmteoverlast of ‘hittestress’ in woningen te voorkomen. Voorkomen van warmteoverlast Niet iedereen ervaart dezelfde temperatuur als warmteoverlast. Dit kan per leeftijdsgroep en persoon sterk verschillen18. Ook is het afhankelijk van de specifieke functie van het gebouw of een ruimte. Om de gebouwde omgeving voor iedereen in de toekomst comfortabel en leefbaar te houden, is het belangrijk om hittestress te voorkomen of in ieder geval de mogelijkheden te bieden om deze te verminderen. Er zijn twee manieren om dit te doen: 1. Voorkomen dat gebouwen verregaand opwarmen; 2. Actief koelen van gebouwen en/of ruimtes om warmte kwijt te raken. 3.1 Voorkomen dat gebouwen verregaand opwarmen ‘Voorkomen is beter dan genezen’. Dit geldt ook in veel gevallen voor warmteoverlast: het voorkomen van veel warmte is vaak beter dan het massaal actief gaan koelen van gebouwen. Voorkomen kan door beschaduwing, reflectie van zonnestralen, verdamping en ventilatie.
Dit soort maatregelen worden ook wel ‘klimaatadaptieve maatregelen’ genoemd. Principe Beschaduwing Reflectie
Werking Voorkomen directe zoninstraling Reflecteren van zoninstraling
Verdamping
Verkoeling door waterverdamping
Ventilatie
Ventileren met koelere lucht
Voorbeelden Bomen, hoge gebouwen, zonwering Lichte kleuren of groen op daken, gevels en in straten Meer groen en water rond gebouwen, groene daken Nachtventilatie, ventilatoren
Het eigenaarschap van deze maatregelen kan erg wisselen. Zonwering en vegetatiedaken (groene daken) zal op (grotendeels) initiatief en rekening zijn van de gebouweigenaar, terwijl openbaar groen of water in de wijk bij de gemeente ligt. Het voorkomen van warmteoverlast is een onderdeel van een ‘aanpak klimaatadaptatie’, waar veel partijen bij betrokken kunnen en moeten zijn. 3.2 Het actief koelen van gebouwen en/of ruimtes om warmte kwijt te raken Wanneer het een gegeven is dat gebouwen en woningen te veel opwarmen, kan het noodzakelijk zijn om door actieve koeling warmte te onttrekken. We noemen deze ‘vraag’ naar het onttrekken van warmte ook wel de ‘koudevraag’. Het energiegebruik dat hiervoor nodig is, verschilt sterk per maatregel en of het hele gebouw, of alleen een slaapkamer en/of werkkamer gekoeld wordt. Energiegebruik Zeer hoog energiegebruik
18
Werking
Voorbeelden Mobiele airco met slang door geopend raam
https://www.koelebuurt.nl/publicaties/gedrag-van-bewoners-heeft-grote-invloed-op-de-binnentemperatuur-dit-blijkt-uit-eerste-verkennende-
metingen-in-bestaande-woningen
45
Hoog energiegebruik
Laag energiegebruik
(Omgevings-)energie gebruiken voor een koelproces Koude verplaatsen
Lucht-lucht warmtepomp (airco19) of luchtwater warmtepomp Ventilator, bodemkoeling, opslag van koude
Vanzelfsprekend ligt de voorkeur voor de opties met een laag energiegebruik, alleen zijn deze niet altijd toepasbaar of voldoende om tot de benodigde koelbehoefte te komen. Kosten, ruimtegebruik en inpasbaarheid in de bestaande gebouwde omgeving zijn ook belangrijke factoren voor de haalbaarheid. Warmtevraag is doorslaggevende factor voor de warmtetransitie De keuze voor een duurzame warmte-infrastructuur (gasnet, warmtenet, all-electric) wordt voor de bestaande bouw bepaald aan de hand van de warmtevraag, niet de koudevraag. Met een Cv-ketel (gasnet) of een warmtenet kan geen koude geleverd worden. Bij all-electric kan een warmtepomp vaak wel koude leveren, maar all-electric vereist goede isolatie (landelijke streefwaarden, zie bijlage 3). De mogelijkheden voor isolatie en duurzame alternatieven voor de warmtevraag zijn dus leidend. Invulling koudevraag voor de bestaande bouw De Transitievisie Warmte geeft per wijk een voorkeursoptie voor bestaande gebouwen. Bij toenemende isolatie wordt het interessant om ook naar koude te kijken. Per voorkeursoptie geven we een aantal zaken waar op gelet moet worden in relatie tot koudevraag. All-electric: Bij all-electric worden woningen verwarmd met een lage temperatuur. Woningen moeten daarvoor wel voldoende zijn geïsoleerd. Hierdoor kan de koudevraag dus hoger zijn.
Met klimaatadaptieve maatregelen kan de koudevraag verder verlaagd worden. Een individuele all-electric oplossing met bodem gekoppelde warmtepomp biedt ook de mogelijkheid om te koelen. Warmtenet: Een warmtenet kan alleen warmte leveren. Actieve koeling is mogelijk met individuele koude oplossingen (airco’s). Aandacht voor klimaatadaptieve maatregelen is dus wenselijk. Omdat bij de aanleg van een warmtenet de straat opengaat, is dit een logisch moment om klimaatadaptieve maatregelen te nemen, waarmee de koudevraag kan worden beperkt en de leefomgeving kan worden verbeterd. Gasnet: Woningen waar een duurzaam gasnet wordt voorzien, zijn voornamelijk oudere woningen. In deze woningen blijft de warmte minder hangen in de zomer. Individuele koude-oplossingen en klimaatadaptieve maatregelen zijn logische stappen voor deze wijken. Bronnet: Bij een bronnet zit automatisch koeling ook in de warmte-infrastructuur. Deze optie komt daarom met name voor bij grotere gebouwen, bijvoorbeeld kantoren en winkels, omdat deze al vaak een hoge koudevraag hebben. Een bronnet is een efficiënte manier van koelen, omdat vaak gekoeld kan worden zonder tussenkomst van een warmtepomp, bijvoorbeeld als wordt gekoeld met energie uit de bodem (WKO of bodemlus). Koudevraag bij nieuwbouw Koudevraag heeft wél invloed op de keuze van de warmtevoorziening bij nieuwbouw.
In nieuwbouw is het voorkomen van warmteoverlast al standaard bij utiliteitsbouw, zoals kantoren. Hier wordt actieve koeling vrijwel altijd toegepast. Vanaf 2021 is het ook standaard voor woningbouw in de vernieuwde BENG eisen. Er is een wettelijke eis die een limiet stelt aan hoge temperaturen in de zomer in woningen (de zogenaamde TO-juli indicator). Deze indicator houdt echter geen rekening met het al dan niet aanwezig zijn van klimaatadaptieve
19
Raadpleeg voor het plaatsen van een vaste (airco-)unit aan uw woning altijd de vergunningsvereisten van uw gemeente en bij een huurwoning ook de
voorwaarden van uw verhuurder.
46
maatregelen in de omgeving. Ook houdt het geen rekening met toenemende hittestress door klimaatverandering. Het is bij nieuwbouw daarom nuttig om hier extra aandacht aan te besteden, met name bij hoogbouw. Hier kunnen slimme keuzes gemaakt worden, zoals aandacht voor windcorridors tussen gebouwen en de oriëntatie van straten.
47
Bijlage 4: Besparingsmaatregelen Vanuit het Energieloket zijn er een aantal voorbeelden van besparingsmaatregelen. Woningen zijn ingedeeld in groepen van bouwjaren. Per voorbeeldwoning is aangegeven wat de eigenschappen zijn, welke maatregelen genomen moeten worden om transitiegereed te zijn, wat dit gaat kosten en wat de besparing per jaar is. 4.1 Voorbeeldwoning 1946-1964 Eigenschappen woning: • Ongeïsoleerde hout/betonvloer • Ongeïsoleerde spouwmuur • Ongeïsoleerd dak • Natuurlijke ventilatie • CV niet altijd aanwezig • Enkel-of dubbel glas Om de woning duurzaam te verwarmen, worden minimaal de isolatie-eisen voor energielabel B gevolgd. Nóg beter isoleren maakt de woning nog efficiënter. Maatregel 1. Vloerisolatie: onderzijde vloer Bij voldoende hoogte in de kruipruimte geeft vloerisolatie het hoogste rendement. Producttips: Tonzon, PIF, Isobooster 2. Gevelisolatie: spouwmuur Van buitenaf wordt er isolatiemateriaal in de lege spouwmuur gespoten. Producttips: Supafil, Neopixels, HR parels 3. Dakisolatie: binnenzijde (extra) Door vakman aan te brengen of eventueel zelf uit te voeren. Producttips: Isobouw, Steico, Faay, Isofloc 4. Glas: HR++ beglazing Dit moderne dubbelglas isoleert nog beter en past in bijna elk houten kozijn 5. Zonnepanelen Met zonnepanelen wordt het stroomverbruik verminder of zelfs tot nul gebracht.
Investering indicatie*
Besparing per jaar**
Subsidie***
Terugverdientijd
€ 1.800,-
€ 200,-
€ 350,-
7 jaar
€ 900,-
€ 200,-
€ 250,-
3 jaar
€ 5.200,-
€ 650,-
€ 900,-
6,5 jaar
€ 145,-/m2
€ 15,-/m2
€ 35,-/m2
gem. 11 jaar
€ 2.800,-
€ 450,-
6 jaar
* Gebaseerd op een gemiddelde rijwoning ** Schatting op basis van prijspeil 2020 *** Subsidie alleen bij het aanvragen van 2 maatregelen (ISDE)
48
4.2 Voorbeeldwoning 1965-1974 Eigenschappen woning: • Ongeïsoleerde betonvloer • Ongeïsoleerde spouwmuur • Matig geïsoleerd dak • Natuurlijke ventilatie • Centrale verwarming • Enkel-of dubbel glas Om de woning duurzaam te verwarmen, worden minimaal de isolatie-eisen voor energielabel B gevolgd. Nóg beter isoleren maakt de woning nog efficiënter.
Maatregel
Investering indicatie*
Besparing per jaar**
Subsidie*** Terugverdientijd
€ 1.800,-
€ 200,-
€ 350,-
7 jaar
€ 900,-
€ 200,-
€ 250,-
3 jaar
€ 5.200,-
€ 300,-
€ 900,-
14 jaar
€ 145,-/m2
€ 15,-/m2
€ 35,-/m2
gem. 11 jaar
€ 2.800,-
€ 450,-
1. Vloerisolatie: onderzijde vloer Bij voldoende hoogte in de kruipruimte geeft vloerisolatie het hoogste rendement. Producttips: Tonzon, PIF, Isobooster
2. Gevelisolatie: spouwmuur Van buitenaf wordt er isolatiemateriaal in de lege spouwmuur gespoten. Producttips: Supafil, Neopixels, HR parels
3. Dakisolatie: binnenzijde (extra) Door vakman aan te brengen of eventueel zelf uit te voeren. Producttips: Isobouw, Steico, Faay, Isofloc
4. Glas: HR++ beglazing Dit moderne dubbelglas isoleert nog beter en past in bijna elk houten kozijn 5. Zonnepanelen Met zonnepanelen wordt het stroomverbruik verminder of zelfs tot nul gebracht.
6 jaar
* Gebaseerd op een gemiddelde rijwoning ** Schatting op basis van prijspeil 2020 *** Subsidie alleen bij het aanvragen van 2 maatregelen (ISDE)
49
4.3 Voorbeeldwoning 1975-1982 Eigenschappen woning: • • • • • •
Matig geïsoleerde betonvloer Matig geïsoleerde spouwmuur Matig geïsoleerd dak Mechanische ventilatie Centrale verwarming Dubbel glas
Om de woning duurzaam te verwarmen, worden minimaal de isolatie-eisen voor energielabel B gevolgd. Nóg beter isoleren maakt de woning nog efficiënter.
Maatregel 1. Vloerisolatie: onderzijde vloer Bij voldoende hoogte in de kruipruimte geeft vloerisolatie het hoogste rendement. Producttips: Tonzon, PIF, Isobooster
2. Gevelisolatie: spouwmuur (extra) Van buitenaf wordt er extra isolatiemateriaal in de spouwmuur gespoten. Producttips: Supafil, Neopixels, HR parels
3. Dakisolatie: binnenzijde (extra) Door vakman aan te brengen of eventueel zelf uit te voeren.
Producttips: Isobouw, Steico, Faay, Isofloc
Investering indicatie*
Besparing per jaar**
Subsidie*** Terugverdientijd
€ 1.800,-
€ 200,-
€ 350,-
7 jaar
€ 700,-
€ 80,-
€ 250,-
5,5 jaar
€ 5.200,-
€ 300,-
€ 900,-
14 jaar
€ 145,-/m2
€ 15,-/m2
€ 35,-/m2
gem. 11 jaar
€ 2.800,-
€ 450,-
4. Glas: HR++ beglazing Dit moderne dubbelglas isoleert nog beter en past in bijna elk houten kozijn 5. Zonnepanelen Met zonnepanelen wordt het stroomverbruik verminder of zelfs tot nul gebracht.
6 jaar
* Gebaseerd op een gemiddelde rijwoning ** Schatting op basis van prijspeil 2020 *** Subsidie alleen bij het aanvragen van 2 maatregelen (ISDE)
50
4.4 Voorbeeldwoning 1983-1991 Eigenschappen woning: • Redelijk geïsoleerde betonvloer • Redelijk geïsoleerde spouwmuur • Matig geïsoleerd dak • Mechanische ventilatie • Centrale verwarming • Dubbel glas Om de woning duurzaam te verwarmen, worden minimaal de isolatie-eisen voor energielabel B gevolgd. Nóg beter isoleren maakt de woning nog efficiënter.
Maatregel
Investering indicatie*
Besparing per jaar**
Subsidie***
Terugverdientijd
€ 900,-
€ 200,-
€ 250,-
3 jaar
€ 5.200,-
€ 300,-
€ 900,-
14 jaar
€ 145,-/m2
€ 15,-/m2
€ 35,-/m2
gem. 11 jaar
4. Ventilatiebox De moderne gelijkstroom ventilatieunits verbruiken veel minder elektriciteit.
€ 300,-
€ 60
5 jaar
5. Zonnepanelen Met zonnepanelen wordt het stroomverbruik verminder of zelfs tot nul gebracht.
€ 2.800,-
€ 450,-
6 jaar
1. Gevelisolatie: spouwmuur Van buitenaf wordt er isolatiemateriaal in de lege spouwmuur gespoten. Producttips: Supafil, Neopixels, HR parels
2. Dakisolatie: binnenzijde (extra) Door vakman aan te brengen of eventueel zelf uit te voeren.
Producttips: Isobouw, Steico, Faay, Isofloc
3. Glas: HR++ beglazing Dit moderne dubbelglas isoleert nog beter en past in bijna elk houten kozijn
Producttips: IthoDaalderop, Orcon
* Gebaseerd op een gemiddelde rijwoning ** Schatting op basis van prijspeil 2020 *** Subsidie alleen bij het aanvragen van 2 maatregelen (ISDE)
51
4.5 Voorbeeldwoning 1992-2005 Eigenschappen woning: • • • • • •
Goed geïsoleerde betonvloer Goed geïsoleerde spouwmuur Goed geïsoleerd dak Mechanische ventilatie Centrale verwarming Dubbel glas
Om de woning duurzaam te verwarmen, worden minimaal de isolatie-eisen voor energielabel B gevolgd. Nóg beter isoleren maakt de woning nog efficiënter.
Maatregel 1. Glas: HR++ beglazing Dit moderne dubbelglas isoleert nog beter en past in bijna elk houten kozijn 2. Zonnepanelen Met zonnepanelen wordt het stroomverbruik verminder of zelfs tot nul gebracht.
Investering indicatie*
Besparing per jaar**
Subsidie***
Terugverdientijd
€ 145,-/m2
€ 15,-/m2
€ 35,-/m2
gem. 11 jaar
€ 2.800,-
€ 450,-
6 jaar
* Gebaseerd op een gemiddelde rijwoning ** Schatting op basis van prijspeil 2020 *** Subsidie alleen bij het aanvragen van 2 maatregelen (ISDE) 4.6 Voorbeeldsysteem warmtepomp Eigenschappen woning: •
Minimaal energielabel B
Voorbeeld 5 Met een warmtepomp kan al veel gas (voor de Cv-ketel) worden bespaard, foto Citta Energiek
52
•
Maatregel
Investering indicatie*
Subsidie**
€ 9.000,-
€ 1.800,-
€ 18.000,-
€ 1.800,-
€ 8.000,-
-
€ 6.000,-
-
€ 8.000,-
-
1a. Lucht/water warmtepomp Efficiënte elektrische verwarming welke gebruik maakt van energie uit de buitenlucht d.m.v. een buiten unit. 1b. Bodem/water warmtepomp Efficiënte elektrische verwarming welke gebruik maakt van energie uit de aarde d.m.v. een gesloten bron. 2. Lagetemperatuurverwarming (LTV) Vloerverwarming en lagetemperatuurradiatoren met een aanvoertemperatuur van max. 50 °C 3. Balansventilatie met WTW Voorkomt tochtklachten en ventileert energiezuinig door warmteterugwinning
Naar energieneutraal 4. Zonnepanelen Met 20 – 25 zonnepanelen wekt u alle stroom op die u zelf nodig heeft. 5. (Evt.) Zonneboiler Efficiënte manier van verwarmen tapwater door gebruik te maken van zonnewarmte
€ 2.500,* Gebaseerd op een gemiddelde rijwoning ** Meer info over deze subsidie is te vinden op woonwijzerwinkel.nl/isde
€ 725,-
53
Bijlage 5: Conclusies vergelijkende analyses 5.1 Conclusies per modelanalyse Buurtnaam
Schipluiden kern
Den Hoorn kern
Omschrijving
Met ongeveer 20% Den Hoorn heeft Maasland is met Hoewel deze van de gebouwen van ongeveer 40% van de ongeveer 30% van gebieden verschillen MD staat de kern van gebouwen en kent het totaal aantal, de kennen, worden ze Schipluiden te boek relatief veel jonge 2-na grootste kern. gekenmerkt door lage als kleinste kern, bouw. Met 70% kent De leeftijd en dichtheid van maar ook met de het nog relatief veel samenstelling van gebouwen en dus 'slechtste' labels, op grondgeboden woningen is echter energievraag de voet gevolgd door woningen. erg vergelijkbaar met (uitgezonderd gtb Maasland. Met 85% die van Schipluiden. gebied).Tussen de 8van de woningen Net als Schipluiden 70% van de zijnde kent Maasland relatief woningen zijn in deze grondgebonden is de gebieden zijn van veel monumenten. dichtheid relatief laag. voor 1930. Kenmerkend voor Schipluiden is de kern met relatief veel monumenten.
Bron
Schipluiden kern
Startanalyse
De opties hybride WP Gelijk aan conclusie Vergelijkbaar als voor Net als de kernen is met duurzaam gas Schipluiden. Hierbij is Schipluiden. ook in elke van deze kennen de laagste een HT netwerk nog gebieden de optie kosten. Indien de een stuk duurder van een hybride opties van duurzaam (200€/ton extra) warmtepomp gas wordt uitgesloten, aangevuld met gezien de duurzaam gas de onzekerheid van de optie met de laagste beschikbaarheid van kosten. Indien duurzaam gas, staat duurzaam gas niet volledige elektrificatie beschikbaar is, dan is
Den Hoorn kern
Maasland kern
Maasland kern
Andere dorpen en buurten (Hodenpijl, Gaag-Schipluiden, Negenhuizen en Zouteveen, ’t Woudt, Ter Lucht, verspreide huizen Schipluiden, Dijkpolder, Duifpolder en omgeving)
Andere dorpen en buurten (Hodenpijl, Gaag-Schipluiden, Negenhuizen en Zouteveen, ’t Woudt, Ter Lucht, verspreide huizen Schipluiden, Dijkpolder, Duifpolder en omgeving)
54
Openingsbod
met warmtepompen ongeveer gelijk met een LT warmtenetwerk. Beide hebben behoefte aan goede isolatie (naar label B) en een warmtepomp per woning. Voordeel van de individuele warmtepompen zonder warmtenet is dat gebouweigenaren hun eigen tempo kunnen bepalen en hybride als tussenstap kunnen kiezen. Voordeel van een LT warmtenetwerk is dat er meer sprake is van ontzorging. Een HT netwerk voorkomt veel investeringen in de woningen zelf, maar door de hogere kosten van het netwerk zelf, is deze optie uiteindelijk duurder.
ook voor deze woningen een warmtepomp de volgende optie, aangezien warmtenetwerken veelal een factor 2 duurder zijn. Aangezien een warmtenetwerk hier dus niet zal komen, hebben deze gebouwen alleen de opties van duurzaam gas en elektrificatie. Ze kunnen hiermee lokaal met wat buren een klein warmtenetwerk aanleggen (<100m) maar meer waarschijnlijk op individuele basis.
Dorpskernen hebben Gelijk aan conclusie Gelijk aan conclusie een hogere Schipluiden. Schipluiden. gebouwdichtheid en kortere afstanden tussen afnemers dan buitengebieden. Dit maakt dorpskernen geschikter voor MT/ HT warmtenetten.
Bij een hoge beschikbaarheid van duurzaam gas wordt voor de buitengebieden een hybride warmtepomp in combinatie met isolatie aangeraden. Door de lage dichtheid van gebouwen is in deze gebieden een warmtenet een duurdere oplossing. Er is 1 buurt die uit het openingsbod als 'zekere' buurt komt. Met een score van 75% is duurzaam gas een uitkomst voor de buurt Negenhuizen en Zouteveen. Uit de diverse modellen komt een isolatiegraad van de
55
woningen tot en met label B. Warmtetransitie Model
Kostenverschil Warmtenet, Gelijk aan conclusie warmtenet/all-electric gebouwen reeds op Schipluiden. < 10%, het warmtenet vallen kostenverschil tussen binnen de analyse. een warmtenet & all- Hierbij wordt electric ligt in deze veronderstelt dat er kern dichtbij elkaar, nog ruimte is op het waardoor het model bestaande net. geen overtuigende Doordat in Den Hoorn uitkomst kan geven. een warmtenet Dit wordt verklaard aanwezig is komt door de diversiteit deze optie relatief (woningtype en gezien als bouwperiode) aan goedkoopste uit het gebouwen in dit model naar voren. gebied. De relatief Hiernaast kent het hoge gebied genoeg gebouwdichtheid gebouwdichtheid om voorzien mogelijk een een warmtenet verder rol voor een te onderzoeken. warmtenet, maar duurzaam gas en allelectric lijken ook mogelijk. Bovendien is het de vraag of een warmtenet in de kleine organiseerbaar is.
Door de lage dichtheid van gebouwen is een warmtenet een duurdere oplossing. Individuele oplossingen (zoals duurzaam gas of allelectric) zijn hierdoor relatief het goedkoopst. Welke optie het aantrekkelijkst is afhankelijk van de beschikbaarheid van duurzaam gas.
5.2 Conclusie per warmteoplossing en isolatie Warmteoplossing en besparingsmaatregel
Beschrijving
Isolatie
HR++, vloerisolatie (indien vloerverwarming ook bij woningen <2010), dakisolatie, kierdichting.
All-electric
Afhankelijk van verbouwplannen, woning label en vervangmoment bestaande gasketel.