CConstaterende datMidden-Delfland
Koppel je AI →
Document · PDF

07 Ruimtelijke Onderbouwing Kortebuurt 14

Gemeenteraad 31 oktober 2023, gemeente Midden-DelflandBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling Bestemmingsplan Kortebuurt 14 Maasland27.275 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Op grond van het Activiteitenbesluit geldt voor inrichtingen waar op enig moment meer dan 3 m3 mest opgeslagen is echter een minimale afstand tot geurgevoelige objecten van 50 m buiten de bebouwde kom en 100 m binnen de bebouwde kom. De burgerwoning behorende bij de dierenkliniek is in het vigerende bestemmingsplan (‘3e partiële herziening Kern Maasland’) aangemerkt als buiten de bebouwde kom. Gezien het feit dat ook de bestaande woningen rond de Foppenpolder op een kortere afstand dan 100 m liggen, kan worden geredeneerd dat hier ook sprake is van ‘buiten de bebouwde kom’. Aan de bijbehorende afstandseis vanuit het Activiteitenbesluit van 50 m wordt bij de bestaande woningen voldaan; de woning bij de dierenkliniek ligt op ca. 57 m afstand van het emissiepunt, voor de woning aan de Foppenpolder 14 is dit ca. 55 m. De nieuwe woningen aan de Kortebuurt die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, liggen op ruimere afstand. Zodoende levert dit geen belemmeringen op. Bovendien zorgt de bestemming ‘Tuin – Landschapswaarden’ in het oostelijk deel van het plangebied voor afscheiding en borging dat op kortere afstand geen gevoelige objecten mogelijk zijn. Ten zuiden van het plangebied ligt de bestemming ‘Horeca’, waar middels een aanduiding ten hoogste horecacategorie 2 is toegestaan.

Hoewel deze bestemming direct aan het plangebied grenst, ligt de bestaande woning aan de Kortebuurt 14 al op kortere afstand dan de nieuw te realiseren woningen. Ook het bijgebouw in het achtererf kent in het vigerende bestemmingsplan een (gevoelige) woonbestemming. Met het plan komen er geen milieugevoelige bestemmingen dichterbij de horecafunctie te liggen. Beargumenteerd kan worden dat de bestaande woning c.q. woonbestemming maatgevend is voor een goed

Bestemmingsplan “Kortebuurt 14” Toelichting Vaststelling – 8 september 2023

27

woon- en leefklimaat en dat de ontwikkeling geen verdere belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van de horecafunctie. Ten zuidoosten van het plangebied liggen gronden met een agrarische bestemming. De bedrijfswoning aan de Kortebuurt 15a kent de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ in het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Gras, geconsolideerd’ (gepubliceerd 19 mei 2022). Het perceel met de opstallen aan de Kortebuurt 15b valt binnen het bestemmingsplan ‘Kern Maasland’, en kent daarin de bestemming ‘Agrarisch’. Hier toegestane activiteiten vallen in maximaal milieucategorie 3.2. Volgens de VNGrichtafstandenlijst geldt daarvoor een richtafstand van 50 m in gemengd gebied. Tussen het perceel aan de Kortebuurt 15a en de woonbestemmingen in het voorliggende plangebied wordt deze afstand gerespecteerd. Voor het perceel aan de Kortebuurt 15b is binnen de agrarische bestemming een ruim Lvormig bouwvlak ingetekend. De voormalige agrarische opstallen die hierbinnen aanwezig waren zijn inmiddels grotendeels gesloopt, en vervangen door een gebouw aan de zuidoostkant van het bouwvlak (nabij de bedrijfswoning aan de Kortebuurt 15a). Het noordelijke deel van het bouwvlak van de voormalige agrarische bebouwing is in de huidige situatie grotendeels in gebruik als parkeerterrein. Hier vinden niet langer agrarische activiteiten plaats.

Tussen de bestaande agrarische bebouwing – die vanuit milieuoogpunt met name van belang is – en de woonbestemmingen in het voorliggende plangebied wordt de richtafstand van 50 m gerespecteerd. Bovendien liggen de toegevoegde woonbestemmingen voor de twee nieuwe woningen op ruimere afstand dan de bestaande woning aan de Kortebuurt 14. Ook het bijgebouw in het achtererf kent in het vigerende bestemmingsplan een woonbestemming en kan daardoor voor een milieugevoelige woonfunctie worden gebruikt. Deze bestaande bebouwing kan dan ook als maatgevend worden beschouwd. De mogelijkheden voor het agrarische perceel worden feitelijk dan ook al bepaald door de huidige woonbestemming. Het nieuwe bestemmingsplan vormt geen belemmering voor de bedrijfsvoering van het agrarische perceel. Ten westen van het plangebied bevinden zich een bedrijfs- en een gemengde bestemming. Het betreft de locaties ten westen van de Oude Veiling en aan het Veilingpad. De gemengde bestemming aan de noordoostkant staat activiteiten tot en met milieucategorie 2 toe. Aan de zuidoostkant is binnen de bedrijfsbestemming milieucategorie 3.1 toegestaan. De afstand tussen de bestemming en het plangebied bedraagt overal ruimschoots meer dan 30 m. Zodoende wordt aan de richtafstand voor categorie 3.1 voldaan. Bovendien bevinden de bestaande woningen aan de Kortebuurt zich ook al op kortere of vergelijkbare afstand.

Conclusies Het aspect bedrijven en milieuzonering leidt niet tot belemmeringen voor het voorliggende bestemmingsplan. 4.3

Geluid Kader Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. In de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidsgevoelige functies zoals woningen. Bij het bepalen van de maximaal toegestane geluidsbelasting maakt de Wet onderscheid tussen bestaande situaties en nieuwe situaties. Nieuwe situaties zijn nieuw te bouwen geluidsgevoelige functies of nieuwe geluidhinder veroorzakende functies. Onderzoek Bestemmingsplan “Kortebuurt 14” Toelichting Vaststelling – 8 september 2023

28

Door KuiperCompagnons is in het kader van dit bestemmingsplan een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 2. In deze paragraaf worden de belangrijkste uitkomsten samengevat. De nieuw te bouwen woningen zijn gelegen binnen de onderzoekszone van de Rijksweg A20, de Oude Veiling en de Maassluiseweg. Om deze reden is akoestisch onderzoek op grond van de Wet geluidhinder noodzakelijk. Ten zuiden van het plan ligt de Kortebuurt. Voor het verkeer op deze 30 km-weg is vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ook onderzoek uitgevoerd. In het onderzoek is eveneens getoetst aan de voorwaarden die in het gemeentelijk hogere waardenbeleid zijn vastgelegd. De woningen liggen niet binnen de onderzoekszone van een gezoneerd industrieterrein of de zone langs een spoorlijn, daarom zijn deze geluidsaspecten buiten beschouwing gelaten. Uit de resultaten blijkt dat het verkeer op de A20 en de Oude Veiling een geluidsbelasting veroorzaakt die de voorkeursgrenswaarde overschrijdt. Op de west- en noordgevel van de middelste woning is de geluidsbelasting door het verkeer op de Rijksweg A20 hoger dan de maximale ontheffingswaarde zodat deze gevel(delen) doof moet worden uitgevoerd. Een dove gevel is een dichte, gemetselde gevel of een gevel met ramen die niet kunnen worden geopend.

Voor eventuele herbouw van de woning aan de Kortebuurt 14 is de toepassing van een dove gevel niet noodzakelijk omdat voor vervangende nieuwbouw binnen de bebouwde kom een maximale hogere waarde geldt van 63 dB en deze waarde wordt niet overschreden. Verder blijkt uit het onderzoek dat geluidsreducerende bron- en overdrachtsmaatregelen niet (financieel) doelmatig zijn, en ook niet noodzakelijk, omdat het plan voorziet in de bouw van maximaal drie woningen. Door het aanpassen van de bouwvorm van de middelste woning (nieuwbouw) kan de noordgevel voldoen aan de maximale hogere waarde, waardoor deze niet doof hoeft te worden uitgevoerd. Alle woningen beschikken, mede door het plaatsen van akoestische schermen over een geluidluwe gevel. Bij het vaststellen van een hogere waarde moet minimaal één van de genoemde criteria uit het gemeentelijke geluidbeleid van toepassing zijn. Dat is in dit geval aan de orde, zodat een hogere waarde kan worden vastgesteld. Voor de woningen moet een hogere waarde worden vastgesteld voor het verkeer op de A20 en de Oude Veiling. Het ontwerpbesluit tot vaststelling van hogere waarden zal gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd. De hogere waarden moeten zijn vastgesteld voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld. Conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden.

Op geveldelen bij de middelste woning (kavel 2) overschrijdt de geluidbelasting de maximale ontheffingswaarde, waardoor een dove gevel nodig is. Daarnaast moet voor de woningen een hogere waarde worden vastgesteld. Het ontwerpbesluit hiertoe zal gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd. 4.4

Luchtkwaliteit Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit.

Bestemmingsplan “Kortebuurt 14” Toelichting Vaststelling – 8 september 2023

29

De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m3. Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen.

Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: - de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; - de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; - de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; - projectsaldering kan worden toegepast. Onderzoek In de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen (aan één ontsluitingsweg) in de regel is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van 2 nieuwe woningen mogelijk, en blijft zodoende ruim onder dit criterium. Nader onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk.

Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn echter alsnog de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het projectgebied. In de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In afbeelding 4.2 zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs […] weergegeven. Dit zijn de rekenpunten die het dichtst bij het plangebied liggen.

Bestemmingsplan “Kortebuurt 14” Toelichting Vaststelling – 8 september 2023

30

Afbeelding 4.2: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020 (bron: NSL-monitoringstool).

Uit afbeelding 4.2 blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter hoogte van het plangebied niet meer bedragen dan respectievelijk 28,3 μg/m3, 19.4 μg/m3 en 11,0 μg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 μg/m3 (voor PM2,5) worden zodoende niet overschreden. De 24-uurgemiddelde concentratie PM10 wordt maximaal 7,1 dagen per jaar overschreden, dit valt ruimschoots binnen het maximum aantal van 35 keer. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor ook geen overschrijdingen van de grenswaarde zijn te verwachten. Conclusie De ontwikkeling is aan te merken als een project dat niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Het aspect luchtkwaliteit vormt zodoende geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast is in het kader van een goede ruimtelijke ordening geconstateerd dat ter plaatse van het plangebied de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 de grenswaarden niet overschrijden. 4.5

Externe veiligheid Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden.

Bestemmingsplan “Kortebuurt 14” Toelichting Vaststelling – 8 september 2023

31

In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde.

Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. Onderzoek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Uit de risicokaart (zie afbeelding 4.1) blijkt dat er in de omgeving van de locatie verschillende risicobronnen aanwezig zijn, te weten: - Rijksweg A20; - Hogedruk aardgastransportleidingen A-613 en W-521-17; - Koolstofdioxideleiding (OCAP).

Bestemmingsplan “Kortebuurt 14” Toelichting Vaststelling – 8 september 2023

32

Afbeelding 4.3: Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied (blauwe cirkel).

Rijksweg A20 Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied voor het groepsrisico aanwezig van 200 meter, een invloedsgebied 355 meter voor GF3 (LPG) en een invloedsgebied voor toxische stoffen (LT2) van 880 meter. In de onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de gevaarlijke stoffen die over deze route vervoerd worden. Deze cijfers zijn afkomstig uit Regeling Basisnet. stofcategorie LF1 LF2 LT1 LT2 GF3

invloedsgebied 45 45 730 880 355

transporten Rijksweg 20 (wegvak Z48) 5.682 6.503 61 316 1.000

Tabel 4.1: Transporthoeveelheden en invloedsgebieden gevaarlijke stoffen Rijksweg A20.

De rijksweg A20 heeft geen PR 10-6 contour. Ook is er geen PAG zone aanwezig. Gezien de lage bevolkingsdichtheid in de zone rond het plangebied, de relatief grote afstand van de ontwikkellocatie tot de risicobron en het lage aantal GF3 transporten is het groepsrisico voor de A20 ter hoogte van het plangebied zeer laag. De zeer beperkte omvang van de ontwikkeling (slechts twee woningen) heeft bovendien geen effect op het groepsrisico, waardoor een groepsrisicoberekening achterwege kan blijven. De rijksweg A20 vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

Bestemmingsplan “Kortebuurt 14” Toelichting Vaststelling – 8 september 2023

33

Buisleidingen De hogedruk aardgastranstportleiding W-521-17 en de koolstofdioxideleiding zijn niet relevant voor de beoogde ontwikkeling, aangezien het plangebied zich niet binnen de invloedsgebieden van deze leidingen bevindt. De locatie is wel gelegen binnen het invloedsgebied van de gasleiding A-613. Gezien de lage bevolkingsdichtheid in de zone rond het plangebied en de relatief grote afstand van de ontwikkellocatie tot de risicobron is het groepsrisico ook voor de gasleiding A-613 zeer laag. De zeer beperkte omvang van de ontwikkeling (slechts twee woningen) heeft, net als hierboven voor de A20 is beschreven, geen effect op het groepsrisico voor de aardgastransportleiding, waardoor een groepsrisicoberekening achterwege kan blijven. De hogedruk aardgastranstportleiding vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. In de plangebieden worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten.

Fakkelbrandincident aardgastransportleiding Het maatgevende scenario voor een aardgastransportleiding is een fakkelbrandincident. Tijdens (graaf)werkzaamheden kan een breuk in de hogedruk aardgastransportleiding worden veroorzaakt. Het aardgas stroomt vervolgens onder een hoge druk uit en ontsteekt waardoor een fakkelbrand ontstaat. Bij een directe ontsteking kan dit al gebeuren binnen 20 seconden na de breuk. De hittestraling van een fakkelbrand kan slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken. Afhankelijk van de locatie van de breuk, het type leiding en de aanwezigheid van andere leidingen in de omgeving, kan de brand enkele uren duren. Bij dit type leidingen is er nagenoeg nooit sprake van een spontane breuk, wat betekend dat als er een incident plaatsvindt, dit naar alle waarschijnlijkheid overdag (tijdens werkzaamheden) zal gebeuren. Het gebied in de buurt van aardgastransportleidingen is op basis van de druk en diameter van de leidingen verdeeld in meerdere zones. Binnen deze eerste zone (100% letaliteitscontour) overlijdt bij een incident circa 99% van de aanwezigen en gaan alle brandbare materialen branden. Aanwezigen binnen de tweede zone hebben kans om te overlijden of slachtoffer te worden. In de derde zone komen geen mensen te overlijden, maar kunnen er wel slachtoffers vallen. Het plangebied bevindt zich in de tweede en derde zone.

Maatgevende scenario BLEVE Het maatgevende scenario voor de rijksweg is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion). Er wordt onderscheid gemaakt tussen een warme BLEVE en een koude BLEVE. Bij een warme BLEVE kan door een incident op de weg een brand ontstaan waarbij een tankwagen met LPG is betrokken. Vanwege oplopende temperaturen neemt dan de druk in de tank met LPG toe. Binnen circa 20 minuten leidt het vrijkomen en het ontsteken van de inhoud tot overdrukeffecten en een grote vuurbal, een BLEVE. Een koude BLEVE treedt op zonder of voordat de LPG-tankwagen (maximaal) is opgewarmd door een externe brand. Het scheuren van de tank wordt veroorzaakt door een plaatselijke verzwakking van de tankwand. De maximale druk en temperatuur worden in dit scenario niet bereikt. De hittestraling van een BLEVE is Bestemmingsplan “Kortebuurt 14” Toelichting Vaststelling – 8 september 2023

34

kort en hevig en kan secundaire branden in de omgeving veroorzaken. Ontvluchting in het geval van een BLEVE is mogelijk, mits er geen bijzondere beperkingen zijn ten aanzien van zelfredzaamheid van aanwezigen. Scenario plasbrand Door een incident met een benzinetankwagen kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de benzine in korte tijd uitstroomt. De brandbare vloeistof vormt een plas en kan direct een korte, hevige brand veroorzaken en tevens secundaire branden in de omgeving. Aanwezigen binnen de vloeistofplas hebben geen mogelijkheden tot zelfredzaamheid. Aanwezigen in de nabijheid van de vloeistofplas hebben nauwelijks mogelijkheden tot zelfredzaamheid vanwege de grote hittestraling. Buiten deze zone kan geschuild of gevlucht worden. Scenario toxische gassen Door een incident op de rijksweg met een tankwagen kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur van ammoniak. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. Vluchtmogelijkheden Men kan vanuit het plangebied richting het noorden vluchten over de Kortebuurt.

Vervolgens kan men via de Foppenpolder richting het oosten vluchten of de brug over de Korte Buurt oversteken om via de Oude Veiling en Maassluisweg/Kerkweg richting het noorden te gaan. Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding van rampen Algemeen Bij het stedenbouwkundig ontwerp en de indeling van de openbare ruimte dient rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid en keermogelijkheden van hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen in relatie tot ingangen van gebouwen. De aanwezigheid van effectieve bluswatervoorziening is tevens een belangrijk aandachtspunt. Brandkranen dienen nabij de entrees van gebouwen en de opstelplaatsen gerealiseerd te worden. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat E-Alert wordt ingezet. In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Aanwezigen zijn in gebouwen enkele uren beschermd tegen de effecten van toxische dampen. Het opleggen van het aanbrengen van afsluitbare mechanische ventilatiesystemen is alleen mogelijk indien dit in de planregels van het bestemmingsplan is vastgelegd. Risicocommunicatie is zeer belangrijk.

Bij het sluiten van een koop-/huurcontract kunnen bewoners op de externe veiligheidsrisico’s gewezen worden en kan onderhavige rapportage genoemd worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. Bestemmingsplan “Kortebuurt 14” Toelichting Vaststelling – 8 september 2023

35

Aardgastransportleiding Het treffen van fysieke maatregelen aan de bron of overdrachtsmaatregelen ter beperking van het GR ten gevolge van de aardgasleiding ligt buiten het bereik van de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag dient in overleg met leidingbeheerder Gasunie vast te stellen of afdoende constructieve en veiligheidsmaatregelen zijn getroffen, conform het gestelde in de regelgeving inzake buisleidingen. Factoren die kans op een breuk in een hogedruk aardgastransportleiding kunnen verkleinen zijn te vinden in het vergroten van de diepteligging, bescherming van de leiding en beschermende maatregelen in de buurt van de leiding. Er zijn voor de brandweer geen mogelijkheden tot effectieve bronbestrijding. In de hierboven beschreven eerste zone zijn geen mogelijkheden tot effectieve inzet van de brandweer. In de tweede ring is de inzet gericht op het redden van aanwezigen en in de derde ring is de inzet gericht op het voorkomen van uitbreiding. Transport gevaarlijke stoffen over de weg Alle LPG-tankwagens in Nederland zijn voorzien van een hittewerende bekleding. De uitvoering en de keuring van de hittewerende bekleding is geregeld in de NTA 8820:2015. Deze maatregel is overigens alleen effectief tegen het optreden van een warme BLEVE. Bestrijding van een dreigende BLEVE vereist veel bluswater bedoeld voor het koelen van de LPG-tank.

Bij voldoende koeling zal een BLEVE worden voorkomen. Hiervoor wordt (vanwege de snelheid die is geboden) gebruik gemaakt van primaire bluswatervoorzieningen (in het voertuig aanwezige water en brandkranen op het openbaar waterleidingnet). De aanwezigheid van effectieve grootschalige bluswatervoorziening is hierbij een belangrijk aandachtspunt. Conclusie Het aspect externe veiligheid leidt niet tot belemmeringen voor het voorliggende bestemmingsplan. Bij de uiteindelijke vergunningverlening dient formeel advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio Haaglanden met betrekking tot bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. 4.6

Bodem Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Bestemmingsplan “Kortebuurt 14” Toelichting Vaststelling – 8 september 2023

36

Onderzoek Verkennend bodemonderzoek Uitgangspunt bij nieuwe ontwikkelingen is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige functie. In het vigerende bestemmingsplan zijn de gronden waarop de woningen zijn voorzien al bestemd als ‘Wonen’ en ‘Tuin’. De toekomstige ontwikkeling is geprojecteerd binnen dezelfde bestemmingen. Hoewel de vigerende bestemmingen dus al dezelfde gevoelige bodemfunctie (wonen met tuin) in het plangebied mogelijk maken, dient voor de uiteindelijke vergunningverlening wel inzicht te worden gegeven in de bodemkwaliteit ter plaatse. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is zodoende een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek, uitgevoerd door Inpijn Blokpoel, is opgenomen in bijlage 3. De bevindingen zijn hieronder samengevat. Op basis van historisch (voor)onderzoek is voor de onderzoekslocatie uitgegaan van de onderzoeksstrategie voor een diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming (VED-HE-NL) uit de NEN 5740. Gezien de ligging in een oud woongebied zijn met name PAK en zware metalen ‘kansrijk’. Gezien de tuinbouwactiviteiten kunnen ook organochloorbestijdingsmiddelen (OCB) verwacht worden. Verder is naar aanleiding van de eerste resultaten besloten deelmonsters (MM1) separaat op lood te analyseren.

Het geheel aan onderzoeksresultaten geeft aanleiding de gestelde hypothese aan te nemen. Het criterium voor nader onderzoek wordt voor de onderzochte parameters binnen het te ontwikkelen gebied niet overschreden. De matig verontreinigde boring B013 is gelegen buiten het te ontwikkelen gebied (kavel 2). Nader onderzoek rond B013 kan dus op enig moment in een ander kader aan de orde komen, maar is in het kader van de nu voorgenomen ontwikkeling van kavel 2 niet aan de orde. Samenvattend wordt na beoordeling van de onderzoeksresultaten gesteld dat, onder voorbehoud van het navolgende, de aangetroffen bodemkwaliteit aanvaardbaar wordt geacht en zodoende geen belemmering vormt voor de geplande nieuwbouw of graafwerkzaamheden op de kavels 1, 2 en 3. Het feit dat hier in het verleden kassen aanwezig zijn geweest, van onbekend type en die in de jaren 70 van de vorige eeuw gesloopt zijn, betekent dat de bodem ter plaatse asbestverdacht is. In het kader van de ruimtelijke procedure is zodoende een verkennend asbest bodemonderzoek benodigd. Tot slot kan de constatering dat enkele gemeten gehaltes de desbetreffende achtergrondwaarde overschrijden, consequenties hebben bij eventuele graafwerkzaamheden.

Licht verontreinigde grond mag op de locatie worden hergebruikt, mits voldaan wordt aan de lokale achtergrondwaarden of bodemkwaliteitszone (grond mag worden toegepast op een ondergrond van vergelijkbare bodemkwaliteit en op bodems van mindere bodemkwaliteit). Bij hergebruik van licht verontreinigde grond buiten de locatie dienen de eisen uit het Besluit bodemkwaliteit of de lokale/regionale bodembeheernota in acht te worden genomen. Afhankelijk van de bestemming en toepassing zal dus bij afvoer van de grond om een partijkeuring conform het protocol uit het Besluit bodemkwaliteit worden gevraagd. Verkennend asbest bodemonderzoek Naar aanleiding van de resultaten uit het verkennend bodemonderzoek, is door Inpijn Blokpoel een verkennend asbest bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 4, en wordt hieronder samengevat. Omdat in het verleden in het plangebied sprake is geweest van kassen(sloop), is de bodem in principe asbestverdacht. In het verkennend asbest bodemonderzoek zijn de bouwkavels onderzocht, waarbij is Bestemmingsplan “Kortebuurt 14” Toelichting Vaststelling – 8 september 2023

37

uitgegaan is van de norm NEN 5707 en een asbest verdachte locatie met diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld. Voor het onderzoek zijn verdeeld over het onderzoeksterrein twaalf asbestinspectiekuilen gemaakt, waarvan een tweetal is doorgezet tot een diepte van 2,0 m -mv. Bij zowel de maaiveldinspectie als de visuele inspectie van de asbestinspectiekuilen is géén asbesthoudend of asbestverdacht materiaal in of op de bodem aangetroffen. Uit de asbestanalyses blijkt dat in de drie geanalyseerde grondmengmonsters van de bovengrond géén asbest boven de detectiegrens is gemeten. De gemeten ‘gewogen’ asbestgehalten liggen dus (ruim) beneden de restconcentratienorm en interventiewaarde van 100 mg/kg d.s.. Ook de grenswaarde voor nader bodemonderzoek, 50 mg/kg d.s., wordt niet overschreden. De aanname dat de locatie verdacht is voor de aanwezigheid voor asbest kan zodoende worden verworpen. Het uitvoeren van een nader asbestonderzoek is niet noodzakelijk. In het verkennend asbest bodemonderzoek zijn op dit punt zodoende geen beperkingen geconstateerd voor de voorgenomen nieuwbouw. Daarbij wordt opgemerkt dat asbestbodemonderzoek niet meer is dan steekproefsgewijs onderzoek. Met name bij bijmengingen met puin is sprake van heterogeniteit. Er is daarom altijd een zeker restrisico op het onverwacht aantreffen van asbesthoudend materiaal.

Conclusie Op basis van het verkennend bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat de bodemkwaliteit aanvaardbaar is en geen belemmering vormt voor de geplande nieuwbouw en graafwerkzaamheden. Een voorbehoud vormde het uitvoeren van asbest bodemonderzoek, gezien de voormalige kassen. Uit dit onderzoek volgt dat de interventiewaarde en grenswaarde voor nader onderzoek niet worden overschreden. Nader onderzoek is zodoende niet benodigd, op dit punt zijn geen belemmeringen geconstateerd voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.7

Archeologie Kader Erfgoedwet In de Erfgoedwet d.d. 1 juli 2016 is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2019. Het gaat daarbij om de volgende zaken: • Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten • Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie • Bescherming van stads- en dorpsgezichten. Gemeentelijk archeologiebeleid De gemeente Midden-Delfland beschikt sinds 2010 over een vastgestelde archeologische beleidsnota. Een belangrijk onderdeel hiervan vormt de gemeentelijk archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan.

Bestemmingsplan “Kortebuurt 14” Toelichting Vaststelling – 8 september 2023

38

Onderzoek In het vigerende bestemmingsplan (2009) is voor vrijwel het hele plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ (hoge waarde) opgenomen. Daarbij geldt een onderzoeksplicht voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken en uitvoeren van werken en werkzaamheden, met als vrijstellingsgrens een oppervlakte van 50 m2 of diepte van 50 cm -maaiveld. Op basis van de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Midden-Delfland (2010) ligt de locatie geheel in een gebied dat is aangeduid met een hoge archeologische verwachting. Daaraan is een maximale verstoringsoppervlakte en -diepte toegekend van 50 m2 respectievelijk 0,40 m -mv. Ook is een ‘bekende archeologische vindplaats’ in de nabijheid van het plangebied aangegeven. Met de beoogde nieuwe woningen wordt de oppervlaktegrens van 50 m2 overschreden; nog onduidelijk is of werkzaamheden dieper reiken dan 40 cm -maaiveld. In dit kader is door Vestigia in 2021 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Hiermee is voorafgaand aan de ontwikkelingen in kaart gebracht of zich binnen het onderzoeksgebied behoudenswaardige archeologische resten (zouden kunnen) bevinden, die tegen de achtergrond van de bodemingrepen gevaar lopen. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 5; in deze paragraaf wordt het hieruit volgende advies samengevat.

Vanwege de hoge archeologische verwachting wordt geadviseerd om binnen het plangebied een vervolgonderzoek door middel van verkennende/karterende boringen uit te voeren. Dit onderzoek dient om het archeologisch verwachtingsmodel te toetsen en de mate van verstoring binnen het plangebied. De gemeente hanteert doorgaans een grid met een dichtheid van ca. 10 boringen per hectare, tot 2 m -mv, met per 10 boringen een diepe boring tot 4 m -mv. Omdat binnen het plangebied alleen sprake is van een plaatselijke verstoring binnen een tweetal bouwvlakken, adviseert Vestigia om binnen elk bouwvlak twee boringen te zetten, en nog een boring tussen de bouwvlakken in. Vier van deze boringen dienen te worden gezet tot 2 m -mv, en één boring tot 4 m -mv. De rest van het plangebied hoeft niet onderzocht te worden, maar behoudt daarmee wel de bestaande dubbelbestemming. Naar aanleiding van dit rapport en het hierin geformuleerde advies is door het bevoegd gezag, de gemeente Midden-Delfland, onderschreven dat vervolgonderzoek (in eerste instantie een booronderzoek) noodzakelijk is wanneer er bodemverstorende werkzaamheden gaan plaatsvinden.

Wanneer de cyclus van de archeologische monumentenzorg volledig wordt doorlopen voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan hoeft ter plaatse van het onderzochte gedeelte geen archeologische dubbelbestemming te worden opgenomen; wanneer ervoor wordt gekozen het onderzoek later uit te voeren dan moet tot die tijd op het gehele terrein de dubbelbestemming worden opgenomen. In dit bestemmingsplan is vooralsnog voor het gehele plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie hoge waarde’ opgenomen, met een vrijstellingsgrens conform de archeologische beleidsadvieskaart. Uiteindelijk zal vervolgonderzoek in de vorm van een booronderzoek moeten plaatsvinden, voordat de beoogde bodemverstorende werkzaamheden kunnen worden verricht. Dit onderzoek zal in een later stadium worden uitgevoerd. Conclusie Voor het plangebied geldt een hoge archeologische verwachting. Op basis van een archeologisch bureauonderzoek is vervolgonderzoek in de vorm van een booronderzoek benodigd. In dit bestemmingsplan is voor het gehele plangebied de geldende archeologische dubbelbestemming overgenomen. Uiteindelijk zal voordat bodemverstorende werkzaamheden plaatsvinden, dit vervolgonderzoek moeten worden uitgevoerd. Bestemmingsplan “Kortebuurt 14” Toelichting Vaststelling – 8 september 2023

39

4.8

Natuur en ecologie Kader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden, met wetgeving ten aanzien van soorten en Natura 2000-gebieden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en overige natuurwaarden buiten het NNN. Wnb: soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen.

Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2.

Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en ✓ sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen:

Bestemmingsplan “Kortebuurt 14” Toelichting Vaststelling – 8 september 2023

40 • •

de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Schipluiden is de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb.

De provincie Zuid-Holland handhaaft in haar Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland (die per 1 januari 2017 in werking is getreden) de vrijstelling voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden voor de soorten die vielen onder de vrijstelling in de Flora- en faunawet voor algemeen voorkomende soorten (Ffwet - tabel 1 AMvB art. 75). Alleen voor de soorten molmuis, ondergrondse woelmuis en tweekleurige bosspitsmuis is deze vrijstelling komen te vervallen, omdat blijkt dat deze soorten niet of nauwelijks voorkomen in Zuid-Holland zodat een provinciale vrijstelling voor die soorten niet opportuun is. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden.

Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Wnb: Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan.

Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincie Zuid-Holland heeft in haar Verordening Ruimte 2014 regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. Bestemmingsplan “Kortebuurt 14” Toelichting Vaststelling – 8 september 2023

41

Natuurwaarden buiten het Natuurnetwerk Nederland Ook buiten het NNN zijn grote natuurwaarden aanwezig in Zuid-Holland. Behoud, herstel en verdere ontwikkeling van deze natuurwaarden dragen substantieel bij aan de biodiversiteit in de provincie. Aanvullend wordt door de provincie in de Visie ruimte en mobiliteit ingezet op de volgende opgaven: • het realiseren van een natuurmantel in de vorm van een groenblauwe dooradering rondom de natuurkernen in het NNN; • het in stand houden van de belangrijke leefgebieden voor weidevogels in blijvend agrarisch gebied door agrarisch natuurbeheer; • het vergroten van de biodiversiteit in recreatiegebieden; • het benutten van de mogelijkheden voor tijdelijke natuur op braakliggende terreinen. Onderzoek Soortenbescherming Quickscan (2020) Door Bureau Stadsnatuur is voor het perceel een ecologisch vooronderzoek uitgevoerd. De rapportage van deze quickscan (d.d. 20 mei 2020) is opgenomen in bijlage 6. In het onderzoek is het plangebied beoordeeld op (de potenties voor) het voorkomen van beschermde flora en fauna, zoals bedoeld in de Wnb en provinciale verordening. Bij deze beoordeling is ervan uitgegaan dat de bestaande woning met garage en het bosperceel gehandhaafd blijven, en het tuingedeelte wordt gesplitst in twee kavels waarbij twee nieuwe woningen mogelijk zijn binnen het gebied wat nu tuin is.

Bouwwerkzaamheden kunnen in het broedseizoen verstoring opleveren ten aanzien van eventuele jaarrond beschermde vogelnesten in het bosperceel. Ook plannen die betrekking hebben op het kappen van bomen, renoveren of sloop van de bestaande bebouwing kunnen leiden tot aantasting van een beschermde situatie. In dit geval kan aanvullend onderzoek naar de daadwerkelijke beschermde situaties benodigd zijn om mogelijke effecten van een ruimtelijke ingreep te kunnen beoordelen. Op basis van de uitgevoerde quickscan worden de volgende conclusies getrokken: - Het woonhuis en de garage bieden mogelijk nestgelegenheid voor de huismus en gebouwbewonende vleermuizen; - De treurwilg in de tuin biedt potentiële rustplaatsen voor boombewonende vleermuizen als ruige dwergvleermuis of rosse vleermuis; - De tuin en vijver bieden geen potenties voor het voorkomen van beschermde flora en fauna, of vogels met een jaarronde nestbescherming; - Het bosperceel biedt mogelijk nestgelegenheid aan roofvogels met een jaarrond beschermd nest; - Het perceel met opstallen is mogelijk onderdeel van het leefgebied van beschermde marterachtigen. Naar aanleiding hiervan zijn enkele aanbevelingen gedaan.

Afhankelijk van de ruimtelijke ontwikkelingen die op het perceel plaatsvinden is mogelijk nader onderzoek benodigd om uitsluitsel te kunnen bieden over het voorkomen van vogels met een jaarrond beschermd nest in het bosperceel, en gebouwbewonende vleermuizen en huismus in het woonhuis en de garage en boombewonende vleermuizen in de treurwilg op het perceel. Cameravalonderzoek kan uitsluitsel bieden over het gebiedsgebruik door beschermde marterachtigen. Tabel 4.2 toont een overzicht van mogelijke vervolgonderzoeken.

Bestemmingsplan “Kortebuurt 14” Toelichting Vaststelling – 8 september 2023

42

Tabel 4.2: Overzicht beschermde soorten en mogelijk vervolgonderzoek (bron: Bureau Stadsnatuur, d.d. 20 mei 2020).

Nader onderzoek (2022) Op basis van de resultaten uit de quickscan (2020) heeft Bureau Stadsnatuur in 2022 een nader ecologisch onderzoek naar roofvogels, vleermuizen en marters uitgevoerd. De bijbehorende notitie is opgenomen in bijlage 7. De conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek zijn hieronder samengevat. Op grond van het uitgevoerde onderzoek, waren er in 2022 geen jaarrond beschermde nesten of vaste rustplaatsen aanwezig van vogels. Wel dient rekening te worden gehouden met diverse overige soorten broedvogels die nestelen in de periode maart t/m augustus. Het bosperceel vormt een foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis, waarbij wisselende aantallen zijn waargenomen. Gelet op de kleine oppervlakte en het aanbod aan overeenkomstige bosschages met insectenrijke boomkronen in de omgeving als uitwijkmogelijkheid, is geen sprake van een essentiële functionaliteit: (gedeeltelijke) kap van het perceel heeft geen negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van de lokale populatie van deze soort. Overige potentieel beschermde functies voor de gewone dwergvleermuis zijn niet vastgesteld. Ten aanzien van overige vleermuissoorten zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op een beschermde functionaliteit.

Het voorkomen van beschermde vaste rust- of verblijfplaatsen van de boommarter, steenmarter of andere zoogdiersoorten met een strikt beschermde status, wordt in het onderzoek uitgesloten op grond van het ontbreken van waarnemingen. Op basis van deze resultaten wordt geconcludeerd dat voor verdere ruimtelijke ontwikkeling geen ontheffing nodig is van verbodsbepalingen in de Wnb. Werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder aantasting van beschermde natuurwaarden. Wel is de zorgplicht van toepassing en dient men rekening te houden met de seizoensactiviteit van overige soorten vogels. Daarom worden er in het onderzoek enkele aanbevelingen gedaan. Om verstoring van bezette nesten van vogels te voorkomen dienen kap- en rooiwerkzaamheden te worden uitgevoerd in de periode september t/m februari. Nesten van zangvogels kunnen zich vrijwel onzichtbaar op of vlak boven de bosbodem in de vegetatie bevinden, of in een takkenril of in klimop. Dergelijke nesten zijn in genoemde periode vrijwel niet te ontzien. Bezette nesten zijn te allen tijde beschermd. In het bosperceel zijn sporadisch exemplaren van de huisspitsmuis en bosmuis waargenomen. Deze kunnen zich ophouden in takkenrillen, houtstapels en holletjes in de grond. Daarnaast zijn in de buurt van de watergangen onder boomstammen op de bosbodem overwinterende amfibieën zoals de gewone pad te verwachten.

In het kader van de zorgplicht dienen dieren die zich schuilhouden een vluchtweg te hebben en wordt aanbevolen om te verwijderen takken en dergelijke voorzichtig te verwijderen voordat het terrein wordt betreden met zwaar materieel. Bestemmingsplan “Kortebuurt 14” Toelichting Vaststelling – 8 september 2023

43

Gebiedsbescherming Het plangebied valt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden met elkaar verbinden. Met de voorgenomen ontwikkeling gaat dan ook geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren. Er kunnen zodoende geen negatieve effecten door het plan op het NNN optreden. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Rondom het plangebied liggen verschillende Natura-2000 gebieden. In het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Oude Maas zijn geen stikstofgevoelige habitats aanwezig. De dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn Solleveld & Kapittelduinen (circa 8 km afstand), Voornes Duin (circa 12 km afstand) en Voordelta (circa 15 km afstand). Gezien de grote afstand en de uit te voeren werkzaamheden worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen van de plannen verwacht, zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Wel dient te worden aangetoond dat er geen negatieve effecten zijn als gevolg van stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. KuiperCompagnons heeft in dit kader een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd, dat is opgenomen in bijlage 7.

In het onderzoek is beoordeeld of de aanlegfase en gebruiksfase van de twee nieuwe woningen aan de Kortebuurt 14 leidt tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door de aanleg en het gebruik van de beoogde ontwikkeling. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan. Conclusie Voor wat betreft beschermde soorten, is een quickscan en op basis daarvan een nader onderzoek (naar vogels, vleermuizen en marterachtigen) uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de voorgenomen werkzaamheden niet leiden tot aantasting van beschermde natuurwaarden, en geen ontheffing van de Wnb benodigd is. Met de voorgenomen ontwikkeling vindt geen aantasting van NNN-gebied of andere beschermde natuurgebieden plaats. Verder kunnen significant negatieve effecten op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie worden uitgesloten. 4.9

Water Kader Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt één en ander uiteengezet. Europees en rijksbeleid Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Zij ontwikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Bestemmingsplan “Kortebuurt 14” Toelichting Vaststelling – 8 september 2023

44

Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit, natuur, scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd.

De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water is opgesteld om de waterkwaliteit in Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is.

Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouder van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Provinciaal beleid Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 Provinciale Staten hebben het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. Hierin staat hoe de provincie samen met haar partners werken aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, Bestemmingsplan “Kortebuurt 14” Toelichting Vaststelling – 8 september 2023

45

concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Er zijn diverse Europese richtlijnen rondom water, zoals de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn, de Richtlijn Overstromingsrisico's en de Zwemwaterrichtlijn. In de Waterwet is bepaald wat de provincie moet doen om uitvoering te geven aan deze richtlijnen. Dit staat dus in het regionaal waterprogramma van de provincie. De provincie Zuid-Holland gaat in het regionaal waterprogramma – naast deze verplichte onderwerpen – ook in op onderwerpen zoals zoetwatervoorziening, waterrecreatie, vaarwegen en wateroverlast. Op deze manier komt al provinciaal beleid dat te maken heeft met water samen in één document. Dit geeft een helder beeld van de aanpak van de provincie en laat de samenhang tussen de verschillende onderwerpen duidelijk zien. Provinciale Staten hebben het regionaal waterprogramma unaniem vastgesteld. Bij de uitwerking van het regionaal waterprogramma is intensief samengewerkt met een groot aantal belanghebbende partijen, waaronder de zeven Zuid-Hollandse waterschappen, drinkwaterbedrijven, omgevingsdiensten en gemeenten. Het regionaal waterprogramma wordt iedere zes jaar geactualiseerd en als het nodig is vaker.

Beleid waterbeheerder Hoogheemraadschap van Delfland – Waterbeheerprogramma 2022-2027 Op 10 maart 2022 heeft het bestuur van het Hoogheemraadschap van Delfland het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) ‘Waterwerk-Watermerk’ vastgesteld. Dit is de opvolger van het Waterbeheerplan 20162021. Hiermee geeft Delfland invulling aan de verplichting voor waterschappen onder de Omgevingswet om een waterbeheerprogramma op te stellen. In het Waterbeheerprogramma beschrijft het Hoogheemraadschap van Delfland haar strategie voor de uitvoering van kerntaken voor de aankomende jaren. Het is de leidraad voor het handelen van het hoogheemraadschap in de periode 2022-2027. Daarbij vormt het een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: waterveiligheid, waterbeheer en waterzuivering. Naast een aantal verplichte onderdelen (de Kaderrichtlijn Water, de richtlijn overstromingsrisico’s, de richtlijn zwemwater en Natura 2000), zijn er voor het waterbeheerprogramma geen vormvereisten. Delfland heeft voor het WBP6 gekozen voor een opzet met drie verschillende niveaus: WBP6 op hoofdlijnen, een thematisch overzicht van maatregelen en activiteiten, en een kennisbank.

Watertoets De watertoets komt voort uit het advies van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW, 2003; NBW-actueel, 2008). De toets berust op twee uitgangspunten: 1. ‘Standstill’-beginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; 2. verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Bij een bestemmingsplan en een omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing is de watertoets een wettelijke verplichting. In de volgende paragraaf worden de onderwerpen benoemd en de handreiking toegelicht. De actuele versie van de handreiking watertoets voor gemeenten is te vinden op de website van het Hoogheemraadschap van Delfland. Keur en Legger Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het Hoogheemraadschap zijn gebods- en Bestemmingsplan “Kortebuurt 14” Toelichting Vaststelling – 8 september 2023

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=middendelfland&id=3769289c-4c2a-4b67-96ff-0c7926353aa5