07 RO-BP-621.147.50-TL-VA01
Tekst van het document
Eengezinswoningen in de koopsector voor opstromende gezinnen B. Gelijkvloerse woningen voor empty-nesters, koop of vrije sector huur C. Eengezinswoningen in de koopsector voor startende gezinnen D. Gelijkvloerse woningen in de sociale huur, voor empty-nesters & senioren In het algemeen vormt energiebesparing voor de gemeente een belangrijk aandachtspunt, ook waar het gaat om het beperken van de woonlasten. Winst is niet alleen te bereiken bij nieuwbouw, maar ook in de bestaande voorraad. De gemeente zet in op energiebesparende maatregelen om zo de (groei in) woonlasten te beperken en bewoners bewust te maken van hun invloed op de noodzakelijke energietransitie. Dit doet de gemeente zowel voor nieuwbouw en de bestaande bouw. Uitgangspunten zijn de ambities en maatregelen zoals vastgelegd in het duurzaam energie actieplan en in de Energievisie Samen naar een CO2-neutraal Midden-Delfland. De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit in totaal maximaal 109 nieuwe woningen, met variatie aan woningtypen. Er worden zowel grondgebonden rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen, als appartementen gerealiseerd. Daarmee wordt voorzien in de behoefte van verschillende doelgroepen; zowel eengezinswoningen voor opstromende of startende gezinnen als appartementen voor ‘empty-nesters’ en senioren.
Bestemmingsplan “Maaslandse Zoom” Toelichting Vaststelling – 23 augustus 2023
26
4
Milieu
4.1
M.e.r.-beoordeling Op 1 april 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage aangepast. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het gewijzigde besluit is op 7 juli 2017 in werking getreden en de drempelwaarden van de projecten als genoemd op de C en D-lijst zijn nu indicatief. Dat betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn. De voorgenomen ontwikkeling van maximaal 109 woningen kan worden aangemerkt als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ zoals voorkomend in de eerste kolom van de D-lijst behorende bij het Besluit m.e.r. (categorie 11.2). Hoewel de ontwikkeling ruimschoots onder de drempelwaarden (100 hectare of 2.000 woningen) blijft, dient evenwel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld. Dit kan niet uitsluitend in de vorm van een paragraaf in het ruimtelijk plan. Door de initiatiefnemer moet op grond van het Besluit m.e.r. een ‘aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling’ worden opgesteld.
Als hieruit blijkt dat er mogelijk belangrijke milieugevolgen zijn, is alsnog een uitgebreide (formele) m.e.r.-beoordeling of MER nodig. Hierover dient door het bevoegd gezag expliciet een m.e.r.-beoordelingsbesluit te worden genomen, waarin wordt aangegeven of er wel of niet een formele m.e.r.-beoordeling of MER moet worden opgesteld. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit wordt opgenomen bij het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient rekening gehouden te worden met de criteria zoals die zijn opgenomen in bijlage III van de EU-richtlijn voor milieueffectbeoordeling van projecten (2011/92/EU). Deze criteria hebben betrekking op: • kenmerken van het project; • plaats van het project; • kenmerken van het potentiële (milieu)effect. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, is zodoende een 'aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling' opgesteld. Deze is opgenomen in bijlage 2. Hieruit volgt dat als gevolg van de ontwikkeling hooguit in beperkte mate en geen significant nadelige milieueffecten optreden. Nadelige effecten die eventueel en in beperkte mate optreden zijn te compenseren, en er is mogelijk ook sprake van positieve effecten. Maatregelen zullen worden uitgevoerd om negatieve effecten te beperken en positieve effecten te stimuleren.
De geïnventariseerde effecten maken het opstellen van een MER of m.e.r.-beoordeling niet nodig.
4.2
Bedrijven en milieuzonering Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken.
Bestemmingsplan “Maaslandse Zoom” Toelichting Vaststelling – 23 augustus 2023
27 In de VNG-publicatie worden twee omgevingstypen gehanteerd, namelijk het omgevingstype ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’ en het omgevingstype ‘gemengd gebied’. In het geval van het omgevingstype ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden.
Tabel 4.1: Richtafstanden VNG-brochure.
Onderzoek Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een nieuwe milieugevoelige functie, namelijk woningen. Om de ruimtelijke inpasbaarheid van de ontwikkeling te beoordelen, dient daarom rekening te worden gehouden met de richtafstanden tot milieubelastende functies in de omgeving. In dit kader heeft KuiperCompagnons een quickscan bedrijven en milieuzonering uitgevoerd. Deze rapportage is opgenomen in bijlage 3 bij deze toelichting. In het onderzoek is allereerst geconcludeerd en onderbouwd dat de omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’, op basis van een inventarisatie van omliggende functies. Dit betekent dat de richtafstanden van de VNG met één stap ‘verminderd’ kunnen worden. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende (potentieel) milieubelastende functies c.q. bestemmingen aanwezig. Afbeelding 4.1 toont de ligging van de relevante functies rondom het plangebied. In de quickscan zijn deze in kaart gebracht. Daarbij is per functie getoetst of aan de richtafstand uit de VNGhandreiking wordt voldaan. Uit de uitgevoerde toetsing blijkt dat voor wat betreft de begraafplaats, het braakliggende perceel en de overige functies in de omgeving de richtafstanden gerespecteerd worden. Deze milieubelastende activiteiten vormen derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
De richtafstanden van de onderwijslocatie en de sportvelden reiken wel tot in het plangebied. Deze richtafstanden zijn ten opzichte van het plangebied uitgezet in afbeelding 4.2. De richtafstand van het braakliggende perceel reikt weliswaar ook net over de plangrens, maar wordt tot aan de nieuwe woonbestemming wel gerespecteerd. Voor de onderwijsfunctie en voor de sportvelden is nader onderzoek uitgevoerd. Daarop wordt hieronder verder ingegaan.
Bestemmingsplan “Maaslandse Zoom” Toelichting Vaststelling – 23 augustus 2023
28
Afbeelding 4.1: Overzicht relevante functies rondom het plangebied.
Afbeelding 4.2: Relevante richtafstanden die tot in het plangebied reiken (omgevingstype ‘gemengd gebied’).
Nader onderzoek onderwijsfunctie (Lentiz Maasland) Voor de onderwijsfunctie (Lentiz Maasland) ten noorden van het plangebied heeft KuiperCompagnons een nader akoestisch onderzoek uitgevoerd. De bevindingen uit het onderzoek zijn gepresenteerd in het rapport dat als bijlage 4 bij deze toelichting is opgenomen. Doel van het onderzoek was het bepalen en beoordelen Bestemmingsplan “Maaslandse Zoom” Toelichting Vaststelling – 23 augustus 2023
29
van de optredende geluidniveaus ten gevolge van de activiteiten van Lentiz Maasland ter plaatse van het plangebied, en in hoeverre Lentiz Maasland als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling in haar activiteiten wordt belemmerd. Uit het onderzoek blijkt voor wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau dat in de nachtperiode niet voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en de toetswaarden uit de VNGpublicatie. Het treffen van maatregelen aan de luchtbehandelingskast is daarom noodzakelijk. Daarnaast blijkt voor wat betreft het maximale geluidsniveau dat in de dagperiode niet voldaan wordt aan de toetswaarden uit de VNG-publicatie. Omdat het treffen van maatregelen niet realistisch is, zal op dit punt een nadere bestuurlijke afweging gemaakt moeten worden. Tot slot blijkt voor wat betreft het aspect indirecte hinder dat voldaan wordt aan de toetswaarden uit de VNG-publicatie. Daarmee is voor wat betreft het aspect indirecte hinder sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en wordt de inrichting als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet in haar bedrijfsvoering belemmerd. Uit de resultaten van het onderzoek komen zodoende twee aandachtspunten naar voren.
Deze worden hieronder kort besproken, waarbij per aspect is aangegeven hoe hiermee zal worden omgegaan: - Installaties / luchtbehandelingskast: uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat op enkele rekenpunten in de nachtperiode een overschrijding van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau optreedt. In dit kader zullen de initiatiefnemer, Lentiz en de gemeente in overleg treden en bepalen welke maatregel zal worden uitgevoerd om de overschrijding te voorkomen. - Leerlingen: uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat in de dagperiode voor het maximale geluidsniveau niet voldaan wordt aan de toetswaarden van de VNG-publicatie. Het betreft hier een geringe overschrijding. Gezien de aard van de geluidbelasting en specifieke situatie zijn bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk en/of realistisch. Omdat vanuit het Bouwbesluit bij nieuwbouw al een eis van 20 dB aan de geluidwering van de gevel gesteld wordt zal de binnenwaarde van LAmax = 55 dB(A) in de dagperiode wel gewaarborgd zijn, en het treffen van aanvullende maatregelen aan de gevel niet noodzakelijk. Daarnaast wordt binnen het plangebied een gezamenlijke geluidluwe buitenruimte gerealiseerd, in de vorm van het centrale groene hof (zoals beschreven in hoofdstuk 2). Ingericht voor recreatie en ontmoeting, wordt hiermee voor alle woningen voorzien in een geluidluwe en qua bezonning gunstige buitenruimte.
Nader onderzoek geluid en licht sportvelden De richtafstand van de sportvelden (30 meter) valt gedeeltelijk over de geprojecteerde bouwvlakken. Hier wordt dus niet aan de richtafstand voldaan. Dat betekent dat de nieuwe woningen alleen kunnen worden gerealiseerd als uit nader onderzoek blijkt dat een goed woon- en leefklimaat kan worden bewerkstelligd. Bij sportvelden zijn met name de milieuaspecten geluid en licht van belang. Om de haalbaarheid van de woningbouwontwikkeling te bepalen, heeft DGMR daarom een akoestisch en lichthinderonderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 5. De bevindingen worden hieronder samengevat. Voor het akoestisch onderzoek naar bedrijvigheid is uitgegaan van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering’1. Voor de voetbalvereniging is akoestisch onderzoek gedaan, aangezien niet aan de NB: Voor wat betreft het omgevingstype (gemengd gebied) wordt in de DGMR-rapportage verwezen naar de quickscan ‘bedrijven en milieuzonering’, die als bijlage 3 bij deze toelichting is opgenomen. De quickscan is sindsdien geactualiseerd. Daar waar wordt verwezen naar de quickscan d.d. 3 mei 2022, kan dit worden gelezen als verwijzing naar de quickscan d.d. 17 februari 2023. 1
Bestemmingsplan “Maaslandse Zoom” Toelichting Vaststelling – 23 augustus 2023
30
richtafstand wordt voldaan (stap 1). Het blijkt dat de maximale geluidsniveaus zorgen voor een overschrijding van de in het stappenplan genoemde grenswaarden in het plangebied. Dit geldt in beperkte mate voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Het geluidsniveau als gevolg van de verkeersaantrekkende werking voldoet. De maximale geluidsniveaus zijn, met name bij de eerstelijnsbebouwing, hoger dan de toetswaarden uit stap 2 en 3. De gemeente kan afwegen om meer geluid toe te staan dan stap 2. Daarbij moet worden gemotiveerd waarom dat mogelijk is, en kan worden afgeweken tot de waarden uit stap 3. Eventueel kan de gemeente nog hogere waarden toelaatbaar achten (stap 4). Daartoe is van belang een uitgebreide motivering op te nemen. Op basis van de onderzoeksresultaten is afwijken tot stap 3, en voor een gedeelte van het gebied tot stap 4 (voor maximale geluidsniveaus) nodig. In de rapportage van DGMR zijn verschillende argumenten opgenomen (paragraaf 3.2.6 van het rapport), op basis waarvan kan worden afgewogen of in dit geval sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daartoe zijn in het onderzoek onder meer de (on)mogelijkheden voor verschillende maatregelen beschreven (paragraaf 3.2.5). Op deze afweging en te nemen maatregelen wordt hieronder nader ingegaan.
Ten eerste heeft de gemeente nog slechts beperkt locaties beschikbaar om woningen mogelijk te maken, terwijl zij een forse opgave kent om nieuwe woningen te realiseren. Aangezien de gemeente de voorliggende locatie nodig heeft om aan de woonbehoefte te kunnen voldoen, wenst zij gebruik te maken van de mogelijkheden om af te wijken naar tenminste stap 3, en eventueel daarboven als maatregelen om aan stap 3 te voldoen niet mogelijk blijken. De maximale geluidsniveaus worden veroorzaakt door het scheidsrechtersfluitje en het stemgeluid. Bronmaatregelen aan dit geluid zijn niet realistisch. Organisatorische maatregelen, zoals de betreffende velden in de avondperiode niet gebruiken, zijn ook niet mogelijk gebleken. Daarnaast zijn overdrachtsmaatregelen onderzocht. Om de buitenruimte van de hoogbelaste rijwoningen te beschermen zal bij de voetbalvelden een scherm van 2,5 meter hoogte worden geplaatst. Hoger is stedenbouwkundig niet mogelijk gebleken. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat een scherm van 2,5 meter hoog zorgt voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de buitenruimtes van de rijwoningen. Hierover zullen afspraken worden gemaakt tussen de gemeente, initiatiefnemer en de voetbalvereniging. De initiatiefnemer zal zorg dragen voor de plaatsing van het scherm.
Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woningen te waarborgen is het voor de gevels van de eerstelijnsbebouwing nodig om geluidwering te realiseren. Daarmee kan het maximale geluidsniveau in de woningen voldoen aan een aanvaardbare 55 dB(A)-etmaalwaarde. Voor de hoogbouw (appartementen) kunnen afsluitbare balkons/loggia’s hierin voorzien, en een geluidluwe buitenruimte creëren. Voor de overige hoogbelaste geveldelen bij de eerstelijnsbebouwing is aanvullende gevelwering nodig. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen worden de balkons/loggia’s bij de appartementen daar waar het maximale geluidsniveau hoger is dan 70 dB(A) afsluitbaar uitgevoerd, en bij de overige geveldelen aanvullende gevelmaatregelen getroffen. De afsluitbare balkons/loggia’s en aanvullende geluidwering in de gevels zijn geborgd in de regels van dit bestemmingsplan. Daarnaast kan worden gesteld dat de activiteiten die zorgen voor de hoogste overschrijdingen (gebruik scheidsrechtersfluitje), met name optreden tijdens wedstrijden. Dit gebeurt één dag, op bekende momenten, waardoor omwonenden zijn voorbereid op het geluid. Daardoor zullen zij hier minder hinder van ervaren.
Bestemmingsplan “Maaslandse Zoom” Toelichting Vaststelling – 23 augustus 2023
31
In het Activiteitenbesluit milieubeheer worden maximale geluidsniveaus als gevolg van sportactiviteiten uitgezonderd van toetsing, wegens het belang van de voorzieningen en mogelijke belemmering als gevolg van de maximale geluidsniveaus. De maximale geluidsniveaus als gevolg van scheidsrechtersfluitjes treden op tijdens wedstrijden, die in de dagperiode plaatsvinden. Het overige stemgeluid van bezoekers aan de inrichting zijn eveneens uitgezonderd van toetsing in het Activiteitenbesluit. Daarmee vormt het plan geen beperking voor de activiteiten van de voetbalvereniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat het maximale geluidsniveau niet cumuleert met andere geluiden in de omgeving, waardoor eventuele cumulatie geen beperkingen vormt om af te wijken naar stap 3 of 4. De langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus voldoen aan stap 3. De geluidsniveaus als gevolg van de verkeersaantrekkende werking voldoen aan stap 2. Dit acht de gemeente aanvaardbaar. Uit het lichthinderonderzoek is gebleken dat de huidige veldverlichting zorgt voor overschrijdingen van de grenswaarden, in vrijwel het gehele plangebied. Door veld 3 te voorzien van andere armaturen, kan in het gehele plangebied wel aan de grenswaarden worden voldaan.
Daarnaast is gebleken dat, indien alle velden van veldverlichting worden voorzien, het mogelijk is aan de grenswaarden te voldoen bij toepassing van afschermende armaturen voor de velden 2 en 3. Door deze armaturen toe te passen, is in het gehele plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor het aspect lichthinder. Hierover zijn afspraken gemaakt tussen de gemeente en initiatiefnemer in de anterieure overeenkomst. De initiatiefnemer zal zorgen voor aanpassing van deze armaturen. Conclusies De verschillende milieubelastende functies c.q. bestemmingen in de omgeving zijn met een quickscan in kaart gebracht. Voor de meeste wordt de richtafstand gerespecteerd, waardoor deze geen belemmering opleveren. Voor de onderwijsfunctie en sportvelden is nader onderzoek uitgevoerd. Daaruit is gebleken dat, op basis van de gegeven onderbouwing en na het treffen van de aangedragen maatregelen, kan worden voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op de locatie. 4.3
Geluid Kader Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. In de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidsgevoelige functies zoals woningen. Bij het bepalen van de maximaal toegestane geluidsbelasting maakt de wet onderscheid tussen bestaande situaties en nieuwe situaties. Nieuwe situaties zijn nieuw te bouwen geluidsgevoelige functies of nieuwe geluidhinder veroorzakende functies. Onderzoek KuiperCompagnons heeft in het kader van dit bestemmingsplan in 2022 een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 6. In deze paragraaf worden de belangrijkste uitkomsten samengevat. De nieuwe woningen liggen binnen de zone van het 60 km-deel van de Molenweg, waardoor een akoestisch onderzoek op grond van de Wgh noodzakelijk is. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is ook het verkeer op de in de nabijheid van het bestemmingsplan gelegen 30 km-wegen in het onderzoek betrokken. Railverkeers- en industrielawaai is in het plangebied niet aan de orde en zijn dan ook in het onderzoek niet verder beschouwd.
Bestemmingsplan “Maaslandse Zoom” Toelichting Vaststelling – 23 augustus 2023
32
In het akoestisch onderzoek is de geluidsbelasting door het verkeer van de Molenweg en de rond het plangebied gelegen 30 km-wegen onderzocht. Uit het onderzoek blijkt dat alleen het verkeer op de 30 kmwegen leidt tot een geluidsbelasting die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. De geluidsbelasting bedraagt maximaal 49 dB, zodat de voorkeursgrenswaarde met 1 dB wordt overschreden. Omdat 30 kmwegen geen geluidszone hebben is de Wgh niet van toepassing voor deze wegen en is het vaststellen van een hogere waarde niet mogelijk. Verder blijkt uit het onderzoek dat geluidsreducerende maatregelen niet doelmatig of niet mogelijk zijn en dat de situatie voldoet aan de voorwaarden uit het hogere waarde beleid door de aanwezigheid van een geluidsluwe gevel en buitenruimte. Het verdient aanbeveling aan die zijde ook één of twee slaapkamers te plaatsen zodat kan worden voldaan aan de voorwaarden die in het geluidbeleid zijn beschreven. Conclusie Uit akoestisch onderzoek blijkt dat alleen de geluidsbelasting door verkeer op de 30 km-wegen leidt tot een geringe overschrijding van de voorkeursgrenswaarde (1 dB). Omdat het 30 km-wegen betreft is het vaststellen van een hogere waarde niet aan de orde.
Verder wordt geconcludeerd dat aan de voorwaarden uit het hogere waarde beleid kan worden voldaan, door een geluidsluwe gevel en buitenruimte en het plaatsen van één of twee slaapkamers aan die zijde. 4.4
Luchtkwaliteit Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m3. Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit.
Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: - de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; - de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; - de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; - projectsaldering kan worden toegepast.
Bestemmingsplan “Maaslandse Zoom” Toelichting Vaststelling – 23 augustus 2023
33
Onderzoek In de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen (aan één ontsluitingsweg) in de regel is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van 109 nieuwe woningen mogelijk, en blijft zodoende ruim onder dit criterium. Nader onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk. Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn echter wel de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. In de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In afbeelding 4.3 zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs de Prinses Beatrixlaan en Molenweg (N468) weergegeven. Dit zijn de rekenpunten die het dichtst bij het plangebied liggen.
Afbeelding 4.3: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020 (bron: NSL-monitoringstool).
Uit afbeelding 4.3 blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter hoogte van het plangebied niet meer bedragen dan respectievelijk 21,4 μg/m3, 18.2 μg/m3 en 10,5 μg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 μg/m3 (voor PM2,5) worden zodoende niet overschreden. De 24-uurgemiddelde concentratie PM10 wordt maximaal 6,4 dagen per jaar overschreden, dit valt ruimschoots binnen het maximum aantal van 35 keer. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor ook geen overschrijdingen van de grenswaarde zijn te verwachten. Conclusie De ontwikkeling is aan te merken als een project dat niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is daarom niet nodig. Daarnaast is in het kader van een goede ruimtelijke ordening geconstateerd dat ter plaatse van het plangebied de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 de grenswaarden niet overschrijden. Het aspect luchtkwaliteit levert zodoende geen belemmeringen op voor dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan “Maaslandse Zoom” Toelichting Vaststelling – 23 augustus 2023
34
4.5
Externe veiligheid Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.
Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. Onderzoek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten (woningen) mogelijk gemaakt. Uit de risicokaart en/of informatie van de gemeente blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende risicobronnen aanwezig zijn: - propaantank (Commandeurskade 24); - transport gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A20. Op circa 100 meter afstand ten noordoosten van het plangebied ligt een propaantank op het agrarisch perceel aan de Commandeurskade 24. De maximale afstanden ten opzichte van de propaantank/vulpunt zijn: - Plaatsgebonden risicocontour 10-6: 10 meter; - Effectafstand 100% letaliteit: 105 meter; - Invloedgebied 1% letaal: 190 meter. Het plangebied ligt deels binnen effectafstand en het invloedsgebied van het vulpunt/propaantank. Gezien de relatief grote afstand van het plangebied tot de risicobron zal de propaantank echter geen significante belemmering vormen voor het plan.
Ten zuiden van het plangebied bevindt zich de Rijksweg A20. Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied voor het groepsrisico aanwezig van 200 meter. Het invloedsgebied voor
Bestemmingsplan “Maaslandse Zoom” Toelichting Vaststelling – 23 augustus 2023
35
toxische stoffen is meer dan 4.000 meter. Het plangebied is gelegen buiten het verantwoordingsgebied, maar binnen het invloedsgebied voor toxische stoffen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Evenwel is het natuurlijk niet uit te sluiten dat kinderen, ouderen en/of gehandicapten in de woningen gaan wonen/aanwezig zijn. Vanuit maatschappelijk oogpunt is het juist gewenst dat dergelijke specifieke doelgroepen zich gelijkmatig ‘verspreiden’ tussen de reguliere doelgroepen. Scenario fakkelbrand (propaantank) Een fakkelbrand wordt veroorzaakt doordat na een incident een afsluiter afbreekt van de propaantank. Het propaan stroomt vervolgens uit en ontsteekt direct waardoor een fakkelbrand ontstaat. De fakkel blijft branden tot de tank leeg is.
Scenario BLEVE (propaantank) Er wordt onderscheid gemaakt tussen een warme BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) en een koude BLEVE. Bij een warme BLEVE kan een brand ontstaan vlakbij de propaantank. Vanwege oplopende temperaturen neemt dan de druk in de tank toe. Het vrijkomen en het ontsteken van de inhoud leidt tot overdrukeffecten en een grote vuurbal, een BLEVE. Een koude BLEVE treedt op zonder of voordat de tank is opgewarmd door een externe brand. Het scheuren van de tank wordt veroorzaakt door een plaatselijke verzwakking van de tankwand. De maximale druk en temperatuur worden in dit scenario niet bereikt. De hittestraling van een BLEVE is kort en hevig en kan secundaire branden in de omgeving veroorzaken. Ontvluchting in het geval van een BLEVE is mogelijk, mits er geen bijzondere beperkingen zijn ten aanzien van zelfredzaamheid van aanwezigen. Scenario wolkbrand (propaantank) Een wolkbrand wordt veroorzaakt doordat na een incident de aansluiting van de propaantank afbreekt. Hierdoor ontstaat een opening waar propaan uitstroomt. Vervolgens wordt een wolk gevormd die zich over de grond verspreidt en eenvoudig kan worden ontstoken, wat leidt tot een vlammenzee. In het geval dat de wolk bij het ontbranden niet kan expanderen ontstaat een gaswolkexplosie.
Scenario toxische gassen (rijksweg) Door een incident op de weg kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur van ammoniak. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. Vluchtmogelijkheden In het geval van een incident met de propaantank kan men vluchten via de nieuw aan te leggen wegenstructuur naar de Hofsingel. Vandaar kan men van de bron af richting het zuiden of westen vluchten. Bestemmingsplan “Maaslandse Zoom” Toelichting Vaststelling – 23 augustus 2023
36
Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding van rampen Bij het stedenbouwkundig ontwerp en de indeling van de openbare ruimte dient rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid en keermogelijkheden van hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen in relatie tot ingangen van gebouwen. De wegenstructuur in het plangebied dient te voldoen aan de door de brandweer gestelde minimumeisen betreffende uitvoering en inrichting. De aanwezigheid van effectieve bluswatervoorziening is ook een belangrijk aandachtspunt. Brandkranen dienen nabij de entrees van gebouwen en de opstelplaatsen gerealiseerd te worden. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat E-Alert wordt ingezet. In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Aanwezigen zijn in gebouwen enkele uren beschermd tegen de effecten van toxische dampen. Het opleggen van het aanbrengen van afsluitbare mechanische ventilatiesystemen is alleen mogelijk indien dit in de planregels van het bestemmingsplan is vastgelegd. Risicocommunicatie naar de bewoners is zeer belangrijk. Bij het sluiten van een huur-/koopcontract dient op de externe veiligheidsrisico’s gewezen te worden.
Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. 4.6
Bodem Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Onderzoek Uitgangspunt bij nieuwe ontwikkelingen is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige functie. In het geldende bestemmingsplan zijn de gronden waarop de woningen zijn voorzien bestemd als ‘Agrarisch’.
Bestemmingsplan “Maaslandse Zoom” Toelichting Vaststelling – 23 augustus 2023
37
Met de voorgenomen ontwikkeling wijzigt het gebruik en de bestemming van het gebied naar een gevoeligere functie, waardoor inzicht inde bodemkwaliteit noodzakelijk is. ABO-Milieuconsult heeft in 2021 voor het plangebied een vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek conform NEN 5725 en NEN 5740 uitgevoerd. Het volledige rapport van het onderzoek is opgenomen in bijlage 7. De belangrijkste conclusies en aanbevelingen hieruit zijn in deze paragraaf samengevat. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies getrokken: - In de bovengrond is in één boring baksteen aangetroffen in de gradatie van resten. - De bovengrond is licht verontreinigd met molybdeen, zink, lood en kwik. - De ondergrond is licht verontreinigd met molybdeen. - Er zijn geen verontreinigingen aangetroffen van de overig geanalyseerde parameters. - Tijdens het veldwerk zijn geen visuele (olie-water reactie) of organoleptische (reuk) waarnemingen gedaan die duiden op een verontreiniging met minerale olie ter plaatse van het westelijk deel van de onderzoekslocatie. - Het grondwater is licht verontreinigd met molybdeen en barium. Op basis van de licht verhoogde waarden in de grond en het grondwater, dient de hypothese “de onderzoekslocatie is verdacht” aangenomen te worden.
De licht verhoogde waarden in de boven- en ondergrond en het grondwater zijn echter dermate gering dat de resultaten hiervan geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Naar aanleiding van de resultaten worden verder de volgende aanbevelingen gedaan: - Aanbevolen wordt om de bij graafwerkzaamheden vrijkomende grond, zoveel mogelijk op locatie te verwerken. Indien in het kader van de nieuwbouw grond moet worden afgevoerd, moet ermee rekening worden gehouden dat in het onderzoek geen onderzoek op PFAS is uitgevoerd. - Indien het aanwezige puin ter plaatse van het pad bij de herontwikkeling van de locatie verwijderd dient te worden, is een asbest- en herbruikbaarheidsonderzoek noodzakelijk. - Indien de aanwezige watergang gedempt dient te worden is een waterbodemonderzoek noodzakelijk. - In de klei die resten baksteen bevat (boring 14, traject 0,00-0,50 m-mv) is geen puinbijmenging of asbestverdacht materiaal aangetroffen. Hierdoor wordt aanvullend asbestonderzoek niet nodig geacht. - Verder wordt opgemerkt dat aan de hand van de bevindingen geen absolute uitspraken kunnen worden gedaan over de hergebruiksmogelijkheden van eventueel af te voeren grond. Om te bepalen of er sprake is van grond (bodemkwaliteitsklasse achtergrondwaarde, wonen of industrie) ofwel een bouwstof gelden er andere beoordelingscriteria en onderzoeksstrategieën.
Voldaan moet worden aan Besluit bodemkwaliteit. Conclusie Op basis van het verkennend bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat de aangetroffen licht verhoogde waarden in de boven- en ondergrond en het grondwater dermate gering zijn dat de resultaten geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Het aspect bodemkwaliteit vormt zodoende geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan “Maaslandse Zoom” Toelichting Vaststelling – 23 augustus 2023
38
4.7
Archeologie en cultuurhistorie Kader Erfgoedwet In de Erfgoedwet d.d. 1 juli 2016 is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2019. Het gaat daarbij om de volgende zaken: • Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten • Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie • Bescherming van stads- en dorpsgezichten. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”. De CHS dient als informatiebron voor beleid op het gebied van erfgoed en ruimtelijke ontwikkeling, van zowel de provincie als de gemeenten. Daarmee wil de provincie stimuleren dat cultuurhistorie behouden of ingepast wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
Deze cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland, in de vorm van een digitale atlas, geeft een overzicht van cultuurhistorische kenmerken en waarden in de provincie. Het is een overzicht op hoofdlijnen, bijvoorbeeld van waardevolle verkavelingspatronen of cultuurlandschappen, historische verdedigingslinies, gebieden met een archeologische verwachtingswaarde of monumentale boerderijlinten. Dit is het schaalniveau waarop de provincie beleid voert. De CHS kent drie verschillende thema's: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Gemeentelijk archeologiebeleid De gemeente Midden-Delfland beschikt sinds 2010 over een vastgestelde archeologische beleidsnota. Een belangrijk onderdeel hiervan vormt de gemeentelijk archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan. Archeologie In het geldende bestemmingsplan ‘Kern Maasland 2008’ kent vrijwel het hele plangebied geen archeologische dubbelbestemming. Enkel in een kleine strook aan de uiterste westkant valt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie (middelhoge waarde)’ binnen het plangebied. Het geldende bestemmingsplan (vastgesteld in 2009) is echter verouderd. Op de recentere archeologische beleidskaart van de gemeente Midden-Delfland ligt het plangebied binnen een zone met een middelhoge archeologische verwachting.
Hiervoor geldt dat ingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 40 cm -mv onderzoeksplichtig zijn. Vooronderzoek (bureauonderzoek) In dit kader is door Vestigia een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Doel van dit onderzoek was vast te stellen of er in het plangebied sprake is (of kan zijn) van archeologische resten die door de ingrepen verstoord dreigen te worden. Hiertoe is eerst een bureauonderzoek verricht, waarbij voor het plangebied een specifiek archeologisch verwachtingsmodel is opgesteld. Op basis van de resultaten van het onderzoek is tenslotte een advies geformuleerd in het kader van de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg
Bestemmingsplan “Maaslandse Zoom” Toelichting Vaststelling – 23 augustus 2023
39
(AMZ). Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 8 bij deze toelichting; hierna worden de belangrijkste conclusies samengevat. Op basis van het bureauonderzoek geldt voor het plangebied vanwege de ligging bij de getij-inversierug van een verlande kreek een middelhoge archeologische verwachting op het aantreffen van bewoningssporen uit de IJzertijd/Romeinse tijd en de Late Middeleeuwen. Huisplaatsen uit de Nieuwe Tijd worden op basis van het beschikbare historisch kaartmateriaal niet verwacht. Verder kunnen binnen het plangebied sporen worden aangetroffen van het agrarisch cultuurlandschap uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd (sloten, greppels etc.). Er dient mogelijk ook rekening gehouden te worden met het aantreffen van resten behorend tot de Atlantikwall. De verwachting hiervoor is echter laag, aangezien het plangebied aan de grens van de aanduiding op de IKME gelegen is en verder geen enkele melding over het widerstandsnest te vinden is in overige bronnen, zoals de Cultuurhistorische Atlas van Zuid-Holland. Op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek adviseert Vestigia om bij de bestemmingsplanwijziging voor het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ op te nemen, waarbij ingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 40 cm -mv onderzoeksplichtig zijn. Bij ingrepen dient dan een vervolgonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd te worden.
Dit onderzoek dient om het archeologisch verwachtingsmodel te toetsen en de mate van verstoring binnen het plangebied. Inventariserend veldonderzoek (booronderzoek) Het voorgestelde vervolgonderzoek door middel van boringen is vervolgens in 2022 uitgevoerd door Vestigia. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 14. Hieruit blijkt dat de ondergrond van het plangebied bestaat uit zandige klei (wadafzettingen) en sterk siltige klei (kwelderafzettingen) van het Laagpakket van Wormer. Dit wordt afgedekt door een mineraalarm rietveenpakket, in tweeën gedeeld door een laag kwelderklei uit de Oer- Gaag fase. Het veen gaat scherp naar boven toe over in een sterk siltig tot sterk zandig kleipakket (Gantel laag). In het centrale deel van het plangebied lijkt een noord-zuid lopende geul te zijn gevormd, geflankeerd door een kwelderwal en, verder van de geul af, een dunne laag kwelderklei. In de top van de Gantel laag is een vegetatieniveau ontstaan. Tijdens een zee-inbraak in de Late Middeleeuwen is in het westen van het plangebied een geul gevormd en is in het overige deel van het plangebied een kleidek afgezet (Laag van Poeldijk). De top van dit pakket is verwerkt in de 30 tot 55 cm dikke bouwvoor. De oorspronkelijke bodemopbouw is nog relatief intact, op de 30 tot 55 cm dikke bouwvoor na. Plaatselijk is een relatief diepe bodemverstoring geconstateerd tot ca. 70 cm -mv.
In één boring zijn enkele slakken aangetroffen in een 25 cm dikke, humeuze laag die zich onder de Laag van Poeldijk bevindt. Deze boring is gestuit op 70 cm -mv, waarschijnlijk op een laag met bakstenen. Mogelijk is hier een veldoven (uit de eerste helft van de Late Middeleeuwen) aanwezig. In de overige boringen werden geen archeologische indicatoren aangetroffen. Omdat de vegetatieniveau in de top van de Gantel laag op de meeste boorpunten in de bouwvoor is opgenomen, is het potentiële archeologische vondstenniveau uit de IJzertijd tot en met de Late Middeleeuwen verstoord geraakt. Uit het booronderzoek blijkt verder dat in het verleden twee geulensystemen in het plangebied actief zijn geweest. Op basis van het historische kaartmateriaal worden echter ter hoogte van de geul van de Laag van Poeldijk, in het westen van het plangebied, geen archeologische vindplaatsen verwacht. Ter hoogte van de geul en de kwelderwal van de Gantel laag, in het centrale deel van het plangebied, kan nog een potentieel archeologische sporenniveau intact zijn gebleven. Dit ligt relatief ondiep en zal dus worden bedreigd door de geplande woningbouw. Het advies van Vestigia is om dit gebied met proefsleuven te Bestemmingsplan “Maaslandse Zoom” Toelichting Vaststelling – 23 augustus 2023
40
onderzoeken, en indien archeologische waarden worden aangetroffen, deze ex situ te behouden door middel van een definitief onderzoek (opgraving). Archeologieduurzaam bouwen In overleg met de gemeente en Archeologie Delft is vervolgens bekeken of er ook een alternatief mogelijk was: een archeologieduurzame ontwikkeling op de locatie. Daarbij wordt door middel van het toepassen van een aantal civieltechnische maatregelen de verstoring van de archeologische laag tot een minimum beperkt, waardoor de aanwezige archeologische resten in situ, onder het bouwplan, bewaard kunnen blijven. Dit is alleen mogelijk wanneer het archeologisch informatieverlies als gevolg van realisatie van het bouwplan aantoonbaar zeer gering is. In dit kader heeft Green Archaeology een analyse opgesteld waarin de gevolgen zijn bekeken van dit specifieke bouwplan op deze specifieke locatie met deze specifieke archeologische verwachting (zie bijlage 15). Uit deze analyse blijkt dat de verstoring van de archeologische laag door de geplande ontwikkeling zeer beperkt is. Enkele verstoringen (lokaal toepassen van verticale drainage en de aanleg van een sleuf voor de riolering) zijn onontkoombaar. In het geval van de drainage is de verstoring beperkt, zeker wanneer gebruik wordt gemaakt van kunststof buisjes.
Het tracé van de rioolsleuf zal het archeologisch niveau doorsnijden en daarom archeologisch worden onderzocht, conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd PvE. De overige verstoring van de archeologische laag beperkt zich tot heipalen. Om deze verstoring te minimaliseren, zal gebruik worden gemaakt van geslagen, grondverdringende heipalen. Dit is in afwijking van de richtlijn van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, omdat verder onderzoek (Groenendijk, 2021) heeft aangetoond dat grondverdringende palen minder verstorend zijn dan grondvervangende palen. Daarnaast worden de palen geplaatst in voorspelbare, rechte lijnen met een tussenafstand tussen rijen van minimaal vier- en waar mogelijk vijf meter hart op hart. Er worden geen funderingen of andere ondergrondse obstakels verwijderd voorafgaand aan het heien, en het aantal palen wordt zoveel mogelijk beperkt door gebruik te maken van zwaardere funderingsbalken. Uiteindelijk resulteert dat in een verstoring door heipalen van minder dan 2% van het plangebied. Als die verstoring vervolgens wordt afgezet tegen de te verwachten archeologische sporen, blijkt het informatieverlies vanwege de aard van de aanwezige archeologie nihil (zie bijlage 15).
Deze aanpak wordt geborgd door het instellen van bouwplaatsbegeleiding: de palenplannen worden ontworpen in overleg met een specialist archeologieduurzaam bouwen, de uiteindelijke bouwtekeningen worden gecontroleerd op archeologieduurzame aspecten en de specialist archeologieduurzaam bouwen woont zo vaak als nodig bouwvergaderingen en bijeenkomsten bij (op locatie of als agendalid) om de archeologische aspecten onder de aandacht te brengen en te houden. Hierdoor wordt geborgd dat het plan ook echt wordt uitgevoerd zoals ontworpen. Conclusie Op basis van bovenstaande heeft de gemeente in overleg met Archeologie Delft besloten in te stemmen met een archeologieduurzaam bouwplan, conform de in de notitie opgesomde eisen (bijlage 15). Verder archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk, met uitzondering van de plekken waar een verstoring niet vermeden kan worden. Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen specifieke cultuurhistorische objecten aanwezig. De gronden bestaan in de huidige situatie grotendeels uit braakliggend grasland. Wel zijn in de directe omgeving enkele historisch Bestemmingsplan “Maaslandse Zoom” Toelichting Vaststelling – 23 augustus 2023
41
landschappelijke elementen aanwezig, zoals aangeduid op de Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland. Afbeelding 4.4 toont hiervan een uitsnede. Zoals te zien in afbeelding 4.4 zijn de watergang en poldergrens evenwijdig aan de ’s-Herenstraat ten westen van het plangebied en het Doelpad ten zuiden van het plangebied aangemerkt als historisch landschappelijke lijnen van (zeer) hoge waarde. Deze bevinden zich niet in het plangebied, en worden met de ontwikkeling dan ook niet aangetast. Ten noorden en oosten van het plangebied is een historisch landschappelijk vlak van redelijk hoge waarde aangeduid, dat voor een klein deel binnen de plangrens valt. Dit betreft een veenontginning. De meeste landschapstypen (bijvoorbeeld veenontginning) zijn op provinciaal niveau niet bijzonder zeldzaam. Ook is bij de waardering gelet op de samenhang tussen de historisch-landschappelijke eenheden (veelal polders) alsook daarbinnen (vooral de verkaveling), en de mate waarin de gaafheid en samenhang zijn aangetast. In dit geval is aan het historisch landschappelijke vlak daarom niet meer dan een redelijk hoge waarde toegekend.
Afbeelding 4.4: Uitsnede Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland.
De voorgenomen ontwikkeling van Maaslandse Zoom wordt ingepast in het bestaande (historische) landschap en de landschappelijke structuren. Voor het gebied zijn een gebiedspaspoort en een beeldkwaliteitsplan opgesteld, met als doel de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing te borgen. Op basis van een ruimtelijke analyse van het gebied zijn spelregels en uitgangspunten voor de toekomstige inrichting geformuleerd. Paragraaf 2.3 gaat hier nader op in.
Bestemmingsplan “Maaslandse Zoom” Toelichting Vaststelling – 23 augustus 2023
42
In het ontwerp zijn de bestaande landschappelijke structuren zo veel mogelijk behouden. De langwerpige verkavelingsstructuur (met westelijk en oostelijk deel) is ook in de toekomstige situatie herkenbaar. Het nieuwe woongebied wordt verbonden met het omliggende landschap door behoud en toevoeging van doorlopende groen- en waterstructuren. De structuren zijn geënt op het oorspronkelijke landschappelijke (kavel)patroon van het slagenlandschap. Doordat deze structuren ook als zichtlijn dienen vormt het plangebied een verbinding tussen het dorp Maasland en het landelijk gebied. Zodoende doet de ontwikkeling recht aan de bestaande landschappelijke waarden in en rondom het plangebied. Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Voor wat betreft archeologie is een dubbelbestemming opgenomen, voor de omgevingsvergunning voor het bouwen is wel vervolgonderzoek benodigd. Dit onderzoek is momenteel in uitvoering. Daarnaast worden met de voorgenomen ontwikkeling de bestaande cultuurhistorische waarden in het gebied gerespecteerd. 4.8
Natuur en ecologie Kader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden, met wetgeving ten aanzien van soorten en Natura 2000-gebieden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en overige natuurwaarden buiten het NNN. Wnb: soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen.
Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het
Bestemmingsplan “Maaslandse Zoom” Toelichting Vaststelling – 23 augustus 2023
43
broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en ✓ sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: • de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of • de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort.
Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Midden-Delfland is de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb. De provincie Zuid-Holland handhaaft in haar Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland (die per 1 januari 2017 in werking is getreden) de vrijstelling voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden voor de soorten die vielen onder de vrijstelling in de Flora- en faunawet voor algemeen voorkomende soorten (Ffwet - tabel 1 AMvB art. 75). Alleen voor de soorten molmuis, ondergrondse woelmuis en tweekleurige bosspitsmuis is deze vrijstelling komen te vervallen, omdat blijkt dat deze soorten niet of nauwelijks voorkomen in Zuid-Holland zodat een provinciale vrijstelling voor die soorten niet opportuun is. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk.
Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Wnb: Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) Bestemmingsplan “Maaslandse Zoom” Toelichting Vaststelling – 23 augustus 2023
44
negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincie Zuid-Holland heeft in haar Verordening Ruimte 2014 regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. Natuurwaarden buiten het Natuurnetwerk Nederland Ook buiten het NNN zijn grote natuurwaarden aanwezig in Zuid-Holland. Behoud, herstel en verdere ontwikkeling van deze natuurwaarden dragen substantieel bij aan de biodiversiteit in de provincie.
Aanvullend wordt door de provincie in de Visie ruimte en mobiliteit ingezet op de volgende opgaven: • het realiseren van een natuurmantel in de vorm van een groenblauwe dooradering rondom de natuurkernen in het NNN; • het in stand houden van de belangrijke leefgebieden voor weidevogels in blijvend agrarisch gebied door agrarisch natuurbeheer; • het vergroten van de biodiversiteit in recreatiegebieden; • het benutten van de mogelijkheden voor tijdelijke natuur op braakliggende terreinen. Onderzoek Soortenbescherming De kans bestaat dat in het plangebied beschermde planten- en/of diersoorten voorkomen. De beoogde ontwikkeling omvat de sloop van bestaande opstallen en nieuwbouw van woningen. Deze werkzaamheden kunnen van invloed zijn op mogelijk aanwezige beschermde flora en fauna in het plangebied. In het kader van de Wnb dient daarom een quickscan flora en fauna te worden uitgevoerd. Dit onderzoek is door ABO-Milieuconsult uitgevoerd. Doel van deze quickscan is om de voorgenomen ontwikkeling te toetsen aan de huidige natuurwetgeving (Wnb), zodat duidelijk wordt welke maatregelen eventueel moeten worden getroffen om overtreding van deze wet te voorkomen. Het plangebied is onderzocht en beoordeeld op de aanwezigheid van en betekenis voor door de Wnb beschermde plant- en diersoorten. De volledige quickscan is terug te vinden in bijlage 9.