07 Bijlage 3 - ruimtelijke onderbouwing n211 wippolderlaan.pdf
Tekst van het document
6.2
Geluid Wettelijk kader Wet geluidhinder – geluidstoename en onderzoek maatregelen Bij aanpassingen aan een bestaande weg is onderzoek nodig naar de geluidseffecten. Uit het onderzoek moet blijken of op woningen of andere geluidsgevoelige objecten binnen de zone van de weg (zoals gedefinieerd in de Wet geluidhinder) sprake is van een geluidstoename van 2 dB of meer. Hierbij wordt de huidige situatie (1 jaar voor openstelling van de weg) zonder wegverbreding vergeleken met de toekomstige situatie (10 jaar na openstelling van de weg) inclusief wegverbreding. Bij een toename van 2 dB of meer moet worden onderzocht welke geluidreducerende maatregelen voldoende effectief zijn. Er dient daarbij te worden gestreefd naar een geluidsniveau dat minder dan 5 dB toename is. Uiteraard wordt gestreefd naar een zo gering mogelijke toename of zelfs afname ten opzichte van de huidige geluidbelasting.
Blad 30 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
Doelmatigheidscriterium Het doelmatigheidscriterium is een, door Rijkswaterstaat uitgegeven, methode om te bepalen waar geluidreducerende maatregelen (Voor een akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder is toepassing van het doelmatigheidscriterium niet wettelijk voorgeschreven, maar wel een bruikbaar instrument om de afweging van maatregelen op een transparante en gestructureerde wijze te kunnen doen) rond een geluidbron worden genomen als er sprake is van te hoge geluidbelastingen. Hierbij wordt gekeken naar maatregelen aan de bron (zoals stil asfalt), maatregelen in de overdracht (zoals schermen) of maatregelen bij de ontvanger (zoals gevelisolatie). Deze afweging is nodig om te voorkomen dat hoge kosten voor een geluidreducerende maatregel (zoals een hoog geluidscherm) worden gemaakt om slechts enkele woningen af te schermen. In zulke gevallen kan het dan goedkoper en beter zijn om de woningen zelf te isoleren. Het doelmatigheidscriterium is bedoeld om een objectieve en controleerbare afweging te maken. Hogere waarden Als blijkt dat het niet haalbaar is om de geluidstoename volledig weg te nemen, dan is het onder voorwaarden mogelijk om hogere geluidsniveaus toe te staan. Hiervoor is een zogenoemde “procedure vaststelling hogere waarden” nodig.
Een hogere waarde kan alleen worden vastgesteld als de wegbeheerder middelen beschikbaar stelt om, daar waar nodig, de geluidisolatie van woningen te verbeteren. Voor alle woningen waarvoor een hogere waarde wordt vastgesteld wordt onderzocht of het geluidsniveau in de woning niet hoger is dan 33 dB. Als het geluidsniveau hoger is dan 33 dB dan worden geluidsisolerende maatregelen aan de woning aangeboden Onderzoek Er is in 2020 door Antea Group een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen als Bijlage 2 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Uit de resultaten blijkt dat vanwege de wijziging aan de N211 Wippolderlaan een toename in geluidbelasting van 2 dB of meer wordt berekend bij 175 woningen. Voor deze woningen is sprake van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Bij 36 van deze 190 woningen bedraagt de toename echter meer dan de ‘maximaal toegestane toename’ van 5 dB. Vanwege de wijziging aan de N222 Veilingroute – Wateringveldseweg wordt een toename in geluidbelasting van 2 dB of meer berekend bij 1 woning. De toename bedraagt niet meer dan de ‘maximaal toegestane toename’ van 5 dB. Uit de resultaten volgt dat voor de wijzigingen aan de Wateringveldseweg en de Laan van Wateringse Veld geen reconstructie effect ter plaatse van woningen optreedt.
Maatregelen Gelet op de overschrijding van de grenswaarden vanwege de N211 en de N222 is onderzocht of er maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk en noodzakelijk zijn. Het Kader Doelmatigheidscriterium Geluidmaatregelen (DMC) is hierbij als leidraad gehanteerd. Op basis van wensen vanuit burgerparticipatie en de m.e.r.-beoordeling zijn de maatregelen geoptimaliseerd. Hierbij is tevens gekeken naar een combinatie met mogelijkheden ter vermindering van lichthinder, geluidoverlast, verkeersveiligheidsmaatregelen en de duurzame
Blad 31 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
leefbaarheid van de Zwethzone. Hier is een set aan maatregelen uit gekomen. Deze maatregelen zijn opgenomen in Figuur 6.1.
Figuur 6.1: toename geluidbelasting en te treffen maatregelen Zoals weergegeven op Figuur 6.1 worden er zowel bronmaatregelen (aanpassingen aan het wegdek) als afschermde maatregelen (geluidschermen en geluidswallen) gerealiseerd. Ter plaatse van de groene arcering in de figuur wordt het wegdek vervangen voor dunne deklagen B. Er worden geluidschermen gerealiseerd met een hoogte van 1 t/m 3 meter. De geluidwallen hebben een hoogte tussen de 1 en 2 meter. Op de figuur is met verschillende kleuren aangegeven op welke locaties, en in welke hoogtemaat, de geluidafschermende voorzieningen geplaatst worden. In het akoestisch onderzoek dat is bijgevoegd als Bijlage 2 is een opsomming van het maatregelenpakket opgenomen. Hogere grenswaarden Ondanks dat er diverse maatregelen getroffen worden, kan er voor 27 woningen niet aan de toetswaarde worden voldaan. Deze woningen zijn in Figuur 6.1 aangegeven met een gele oranje, rode of paarse stip. Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland dienen voor deze woningen een hogere waarde vast te stellen (inclusief correctie ex artikel 110g Wgh). In onderstaande tabel is een overzicht van deze woningen en de vast te stellen hogere waarde vanwege de N211 opgenomen.
Blad 32 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
Tabel 6 -1 Aan te vragen hogere grenswaarden vanwege de N211 Adres
Plaats
Hogere waarde (inclusief aftrek ex art 110g Wgh)
Gecumuleerde geluidbelasting (exclusief aftrek ex art 110g Wgh)
Lotsweg 10
Den Hoorn
53
60
Lotsweg 16
Den Hoorn
53
56
Lotsweg 8
Den Hoorn
49
55
Middenweg 18
Wateringen
50
53
Middenzwet 21
Wateringen
58
61
Middenzwet 22
Wateringen
49
52
Middenzwet 24
Wateringen
57
59
Noordhoornseweg 39
Den Hoorn
49
59
Noordhoornseweg 42
Den Hoorn
52
58
Noordhoornseweg 43
Den Hoorn
51
56
Zwetkade Noord 1
Wateringen
56
60
Zwetkade Noord 1a
Wateringen
52
57
Zwetkade Noord 2
Wateringen
51
54
Zwethkade Zuid 1
Den Hoorn
53
59
Zwethkade Zuid 2
Den Hoorn
51
56
Zwethkade Zuid 3
Den Hoorn
50
55
Zwethkade Zuid 3a
Den Hoorn
50
53
Zwethkade Zuid 3b
Den Hoorn
50
54
Zwethkade Zuid 4
Den Hoorn
50
53
Zwethkade Zuid 5
Den Hoorn
50
53
Zwethkade Zuid 8
Den Hoorn
49
52
Zwethkade Zuid 10
Den Hoorn
50
53
Zwethkade Zuid 15
Den Hoorn
50
54
Zwethkade Zuid 17
Den Hoorn
49
53
Zwethkade Zuid 19
Den Hoorn
50
55
Zwethkade Zuid 28a
Den Hoorn
51
58
Zwethkade Zuid 46b
Den Hoorn
49
54
Blad 33 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
Cumulatie Op basis van het Provinciaal toetsingskader voor cumulatie van geluidbelasting hoeft alleen rekening gehouden te worden met de gecumuleerde geluidbelasting van een woning wanneer deze 1 tot 6 dB hoger is dan de vast te stellen hogere waarde. Er is één woning waarvan het gecumuleerde geluidniveau meer dan 6 dB hoger is dan de aan te vragen hogere waarde. Dit is het gevolg van de Rijksweg A4 en niet als gevolg van de N211, waar de hogere waarde voor wordt vastgesteld. De overige 26 woningen hebben een gecumuleerde geluidbelasting van 0 tot 5 dB hoger dan de te verlenen hogere waarde. Het treffen van aanvullende maatregelen ten opzichte van de reeds geadviseerde maatregelen is financieel niet doelmatig gebleken. Het gecumuleerde geluidniveau voor de woningen bedraagt ten hoogste 61 dB, zonder aftrek vanwege ex artikel 110g Wgh. Wanneer de aftrek ook zou worden toegepast op de berekende gecumuleerde geluidniveaus, komt dit niet boven de ten hoogst toelaatbare grenswaarden op grond van artikel 100a Wgh uit. Voor alle woningen waarvoor een hogere waarde wordt aangevraagd kan de gecumuleerde geluidbelasting op basis van het provinciaal toetsingskader aanvaardbaar worden beschouwd.
Geluidwering van de gevel Voor de woningen waarvoor Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland een hogere waarde vaststelt, dient met behulp van een gevelgeluidweringsonderzoek te worden onderzocht of deze woningen aan de wettelijke geluidgrenswaarde voor het binnenniveau kunnen voldoen. Het binnenmilieu wordt beschermd door de eisen opgelegd vanuit de Wet geluidhinder voor bestaande woningen en het Bouwbesluit voor nieuw te bouwen woningen. De geluidwering van de gevel dient zodanig te zijn dat het resulterende geluidniveau in de woning niet meer bedraagt dan 33 dB. Conclusie Als gevolg van de aanpassing van de N211 zijn geluidsreducerende maatregelen nodig om te zorgen voor een aanvaardbare geluidsituatie. Voor 27 woningen is met het maatregelpakket niet aan de toetswaarde voldaan. Voor deze woningen wordt een hogere waarde procedure doorlopen.
6.3
Luchtkwaliteit Wettelijk kader Voor het thema luchtkwaliteit is een achtergrondrapportage (Antea Group (2020)), Luchtkwaliteitonderzoek N211 Wippolderlaan, d.d. 14 mei 2020) gemaakt. Hierin zijn in detail de uitgangspunten en resultaten weergegeven. Ook de m.e.r.-beoordeling bevat een meer gedetailleerde toelichting. In deze paragraaf is een beknopte beschrijving opgenomen. De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer. De luchtkwaliteit langs wegen wordt deels bepaald door het verkeer dat erover rijdt, maar ook door de bijdrage van andere uitstootbronnen zoals industrie, huishoudens en landbouw: de zogenaamde achtergrondconcentraties. Voor de
Blad 34 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
beoordeling van de luchtkwaliteit zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) in Nederland over het algemeen het meest kritisch. Voor deze stoffen is de kans het grootste dat de bijbehorende grenswaarden worden overschreden. Onderzoek In het kader van de aanvraag voor een omgevingsvergunning en de m.e.r.-beoordeling voor de herinrichting van de N211 is een onderzoek uitgevoerd naar de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Daarbij zijn de concentraties stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) uitgerekend langs de wegen in en rond het plangebied. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 3 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Uit het onderzoek is gebleken dat er in de toekomstige situatie zowel toe- als afnames van de stoffen stikstofdioxide en fijnstof zullen optreden. Dit heeft te maken met de veranderde ligging van de N211. In het onderzoek is berekend of de jaargemiddelde concentraties voldoen aan de grenswaarden. Er is gebleken dat er ruimschoots aan de grenswaarden van alle stoffen ruimschoots wordt voldaan. In de volgende alinea’s zijn de resultaten per luchtverontreinigende stof uiteengezet. Stikstofdioxide (NO2) Uit de resultaten blijkt dat de maximale toename aan NO2 als gevolg van de reconstructie van de N211 2,5 µg/m3 bedraagt langs de N211 Wippolderlaan.
Deze toenames zijn zichtbaar op de locaties langs de N211 waar de wegas in de richting van het getoetste punt verschuift. Er zijn tevens afnames berekend. De hoogste afname NO2 bedraagt 2,9 µg/m3. Voor deze afname geldt dat deze waarde is berekend langs de N211 waar de wegas in de toekomstige situatie verder van het toetspunt af komt te liggen. In onderstaande tabel zijn de drie hoogste planbijdrages (toenames) van de luchtverontreinigende stof NO2 weergegeven. De grenswaarde die geldt voor deze stof bedraagt 40 µg/m3. Op alle toetspunten wordt hier ruimschoots aan voldaan.
Tabel 6-2: berekende jaargemiddelde concentraties NO2 Fijnstof (PM10) Uit de resultaten blijkt dat de maximale toename aan PM10 als gevolg van de reconstructie van de N211 0,6 µg/m3 bedraagt langs de N211 Wippolderlaan. Deze toenames zijn zichtbaar op de locaties langs de N211 waar de wegas in de richting van het getoetste punt verschuift. Er zijn tevens afnames berekend. De hoogste afname PM10 bedraagt 0,5 µg/m3. Voor deze afname geldt dat deze waarde is berekend langs de N211 waar de wegas in de toekomstige situatie verder van het toetspunt af komt te liggen.
Blad 35 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
In onderstaande tabel zijn de drie hoogste planbijdrages (toenames) van de luchtverontreinigende stof PM10 weergegeven. De grenswaarde die geldt voor deze stof bedraagt 40 µg/m3. Op alle toetspunten wordt hier ruimschoots aan voldaan.
Tabel 6-3: berekende jaargemiddelde concentraties PM10 Fijnstof (PM2,5) Uit de resultaten blijkt dat de maximale toename aan PM2,5 als gevolg van de reconstructie van de N211 0,2 µg/m3 bedraagt langs de N211 Wippolderlaan. Deze toenames zijn zichtbaar op de locaties langs de N211 waar de wegas in de richting van het getoetste punt verschuift. Er zijn tevens afnames berekend. De hoogste afname PM2,5 bedraagt eveneens 0,2 µg/m3. Voor deze afname geldt dat deze waarde is berekend langs de N211 waar de wegas in de toekomstige situatie verder van het toetspunt af komt te liggen. In onderstaande tabel zijn de drie hoogste planbijdrages (toenames) van de luchtverontreinigende stof PM2,5weergegeven. De grenswaarde die geldt voor deze stof bedraagt 25 µg/m3. Op alle toetspunten wordt hier ruimschoots aan voldaan.
Tabel 6-4: berekende jaargemiddelde concentraties PM2,5 Conclusie Op basis van het uitgevoerde luchtkwaliteitonderzoek kan worden geconcludeerd dat op alle toetspunten wordt voldaan aan de grenswaarden. Hierdoor kan worden gesteld dat op deze locaties de luchtkwaliteit voldoet aan de normen die hiervoor in Nederland zijn gesteld. Het aspect luchtkwaliteit staat daardoor verdere besluitvorming rondom het project niet in de weg.
6.4
Externe veiligheid Wettelijk kader Het juridisch kader voor externe veiligheid wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het juridisch kader staan de begrippen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) centraal. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.
Blad 36 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10 -6contour (die als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1%-letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.
Figuur 6.2: Weergave plaatsgebonden risicocontouren, invloedsgebied en groepsrisicografiek met oriëntatiewaarde voor transport Verantwoording groepsrisico In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij deze verantwoordingsplicht dient het bevoegd gezag op een juiste wijze de toename en ligging van het groepsrisico te onderbouwen en te verantwoorden. Hierbij geeft het
Blad 37 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. Bij de verantwoording van het groepsrisico dient het bevoegd gezag advies in te winnen bij de veiligheidsregio. De verantwoordingsplicht van het groepsrisico dient naast de rekenkundige hoogte van het groepsrisico, dat berekend wordt door middel van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA), tevens rekening te houden met een aantal kwalitatieve aspecten, zoals hieronder weergegeven.
Figuur 6.3: Verplichte en onmisbare onderdelen van de verantwoordingsplicht van het groepsrisico Onderzoek Huidige en referentiesituatie Inrichtingen: Er is in de huidige situatie één LPG-tankstation aanwezig langs de N211. Deze is echter niet van invloed op de externe veiligheidssituatie bij de N211. De ligging van het LPG-tankstation heeft geen invloed op het plaatsgebonden risico van de weg, daarnaast worden verkeersdeelnemers/gebruikers van de openbare ruimte niet betrokken worden bij de beschouwing van het groepsrisico. Routes gevaarlijke stoffen: Over de N211 worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. Dit betreft vooral het vervoer van benzine en diesel. Bij een ongeluk met deze stoffen kan de impact tot circa 355 meter vanaf de weg reiken (invloedsgebied Handleiding Risicoanalyse Transport). Het vervoer van gevaarlijkere stoffen, zoals LPG en toxische stoffen, over de N211 is beperkt (circa 675 LPG-transporten per jaar). Hierdoor is geen 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour (hierbinnen mogen geen woningen of andere kwetsbare functies staan) aanwezig. Het groepsrisico van de weg is lager dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde (op basis van vuistregels Handleiding Risicoanalyse Transport). Ten aanzien van het risiconiveau (plaatsgebonden risico, groepsrisico) is er geen sprake van een verschil tussen de huidige situatie en de referentiesituatie.
Ondergrondse leidingen: Langs de N211 loopt deels ook een hogedruk aardgasleiding. Effecten Inrichtingen: Het bestaande LPG-tankstation langs de N211 wordt bij de reconstructie verwijderd. Omdat het
Blad 38 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
LPG-tankstation in de huidige situatie reeds geen invloed heeft op de externe veiligheidssituatie bij de N211, is dit in de referentiesituatie ook niet het geval. Routes gevaarlijke stoffen: De voorgenomen verandering richt zich op de vergroting van de capaciteit van de N211 en het doorvoeren van een aantal verkeerskundige verbeteringen. Het betreft geen veranderingen waardoor de N211 aantrekkelijk wordt voor meer vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij speelt tevens mee dat in de (ruime) omgeving geen ontwikkelingen plaatsvinden waardoor meer vervoer van gevaarlijke stoffen gegenereerd zou kunnen worden. De voorgenomen verandering aan de N211 betreft vooral een verbreding van de weg. Dit betekent dat het invloedsgebied, gemeten vanaf het midden van de weg, voor een groter gedeelte over de weg is gelegen. Gezien de omgeving en de omvang van het vervoer van gevaarlijke stoffen is deze verandering echter nog steeds niet relevant voor het aspect externe veiligheid. Ondergrondse leidingen: Langs de N211 loopt deels ook een hogedruk aardgasleiding. Ten gevolge van wegaanpassingen zal er geen sprake zijn van nadelige gevolgen voor het risiconiveau van deze leiding. Risico's voor deze aardgasleiding met betrekking tot externe veiligheid spelen voornamelijk tijdens de aanleg van de weg (incidenten bij leidingen worden veelal veroorzaakt door graafwerkzaamheden).
Maatregelen Er zijn geen maatregelen nodig om de externe veiligheid te verbeteren. Verder geldt dat op basis van de kengetallen uit het HART is bepaald dat er geen sprake is van een relevant groepsrisico. Dit betekent dat op grond van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes een beperkte verantwoording van het groepsrisico van toepassing is. Hierbij moet gekeken worden naar de zelfredzaamheid van personen in de omgeving en naar de mogelijkheid tot bestrijding van een incident met gevaarlijke stoffen. Er wordt opgemerkt dat ten opzichte van de huidige situatie geen verandering optreedt die van invloed is op de zelfredzaamheid of bestrijdbaarheid. De veiligheidsregio heeft daarnaast speciale protocollen voor het bestrijden van incidenten met gevaarlijke stoffen. Conclusie Het aspect 'Externe veiligheid ' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
6.5
Water Wettelijk kader Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet richt zich op de zorg voor waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterfuncties. De wet biedt de basis voor het stellen van normen ten aanzien van deze onderwerpen. Verder bevat de wet regelingen voor het
Blad 39 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
beheer van water. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de Watervergunning. Wet ruimtelijke ordening en de watertoets De watertoets is wettelijk verplicht en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer worden overlegd met de waterbeheerder. Keur (Hoogheemraadschap van Delfland) De Keur is een juridisch instrument van de waterbeheerder (Delfland) dat ervoor zorgt dat het watersysteem op orde blijft. De Keur legt onder andere vast welke bouwactiviteiten in de beschermingszone van waterlopen mogelijk zijn. Onderzoek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is er door Antea Group een watertoets opgesteld. Het volledige onderzoek is opgenomen als Bijlage 4. Onderstaand zijn de resultaten uit het onderzoek weergegeven. Er wordt allereerst ingegaan op de huidige situatie. Vervolgens is het effect van de reconstructie van de N211 op de waterhuishouding beschreven. Huidige situatie Maaiveldhoogte De maaiveldhoogte is afgeleid uit het Algemeen Hoogtebestand Nederland (AHN3). Het plangebied heeft een maaiveldhoogte tussen NAP -4,0 m en NAP +2,0 m. De onderstaande figuur geeft de maaiveldhoogte in het plangebied weer.
NAP-2,8 m
NAP-3,2 m
NAP-3,5 m
Figuur 6.4: Maaiveldhoogteligging vanuit AHN3 (bron: ahn.nl)
Blad 40 van 68
NAP+0,1 m
NAP+4,0 m
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
Bodemopbouw Voor de regionale bodemopbouw is het Bodemkundig Informatie Systeem (BIS) geraadpleegd en weergegeven in onderstaande figuur. De bodem wordt beschreven als een warmoezerijgrond of leek-/ woudeerdgrond. Om een nauwkeuriger beeld te krijgen van de bodemopbouw ter plaatse, zijn in Figuur 6.6 boorbeschrijvingen weergegeven. De verschillende boringen laten klei in de bovenste zes meter zien, afgewisseld door een zandbaan of dunne lagen veen. De diepteligging en dikte van de veen- en/of zandlagen verschilt per locatie.
Figuur 6.5: Bodemopbouw plangebied (bron: Bodemdata.nl).
Figuur 6.6: Boringen in het plangebied, ten westen, ter hoogte van de dorpskade en ten oosten (bron: DINOloket, boring B37B3073, B37E2949 en B37E2950).
Blad 41 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
Oppervlaktewater Het grootste gedeelte van het plangebied bevindt zich in de Oud- en Nieuw- Wateringveldse polder met een vast peil van NAP -4,47 m. Dit is het laagst gelegen peilvak voor het gemaal, met uitzondering van het opmalingsgebied in de woonwijk. Voor deze polder wordt momenteel (jaar 2020) een nieuw gemaal gebouwd, dat verder in westelijke richting ligt. De maximaal toelaatbare peilstijging is 40 cm. De Zweth maakt onderdeel uit van het boezemsysteem van Delfland. Hier geldt een streefpeil van NAP -0,43 m (toelaatbare peilstijging 0,50 m). Het meest oostelijke gedeelte van het plangebied (aan de zuidoostkant van de Zweth) ligt in de Harnaschpolder, met een vast peil van NAP -2,85 m. De maximale peilstijging hier is 0,5 m.
Figuur 6.7: Peilgebieden met groen omcirkeld de drie peilgebieden van het plangebied (bron: Delfland, 2020). In de legger van Delfland zijn de wateren zichtbaar en afgebeeld in figuur. Ten zuiden van de N211 ligt een primaire watergang parallel aan de weg. Deze watergang kruist de N222 door middel van een duiker. Het water stroomt van west naar oost, waar het water door middel van een gemaal naar de Zweth uitgeslagen wordt. Ten noorden van de N211 bevinden zich secundaire watergangen, welke doormiddel van duikers in verbinding staan met de primaire watergang. De primaire watergangen zijn in onderhoud van Hoogheemraadschap Delfland en de secundaire watergangen zijn in onderhoud van de aangelanden.
Blad 42 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
Figuur 6.8: Legger Wateren rondom de N211/Wippolderlaan (bron: Legger Delfland). Riolering De N211 is niet aangesloten op riolering. De afwatering van de rijbanen van de N211 vindt plaats richting de berm door de lichte dwarshelling van de wegen. Dit betekent dat het hemelwater van het wegdek naar de berm stroomt. In de berm infiltreert het water of stroomt het af naar een bermsloot. Voor de brug geldt ook dat het water vanaf de rijbaan wordt opgevangen en naar een kolk geleid die bij de landhoofden geplaatst is, waar het water via de berm infiltreert of afstroomt naar oppervlaktewater. De afwatering van de daken van de bebouwing nabij het tankstation vindt plaats via het gescheiden rioolstelsel. De verharding welke in verband van vervuiling van het tankstation niet mag afwateren, is op het gescheiden riool aangesloten. Het hemelwater van de overige verharding stroomt af naar berm, waar het infiltreert in de bodem of afstroomt naar de bermsloot. Effecten Waterstructuur De N211 wordt gereconstrueerd. Dit zorgt voor wijzigingen in de waterstructuur. Hieronder zijn de grootste wijzigingen in het watersysteem kort beschreven, dit is uitgebreider toegelicht in het waterhuishoudkundig plan. Er worden twee infiltratiegebieden aangelegd in het plangebied. In het ontwerp worden de watergangen aan de zuidzijde van de Wippolderlaan breder dan in de huidige situatie.
In het noorden is er op twee locaties minder ruimte voor de secundaire watergangen dan in de huidige situatie, dit betreft de watergang ten zuiden van de afvalverwerker parallel aan de N211 en de watergang in het noordoosten van het plangebied parallel aan de N211. Het watersysteem is geoptimaliseerd binnen de beschikbare ruimte en afgestemd met Delfland, dit is beschreven in het waterhuishoudkundig plan.
Blad 43 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
Waterberging De werkzaamheden vinden plaatst in twee polders: Oud- en Nieuw Wateringveldsepolder en de Harnaschpolder. Graven dempen oppervlaktewater: In beide polders wordt meer water gegraven dan gedempt. In overleg met het Hoogheemraadschap van Delfland is de ligging van het nieuwe watersysteem besproken. Geconcludeerd is dat het watersysteem niet verslechtert door de aanpassingen. Compensatie verharding: In de toekomstige situatie wordt een groot deel van het verhard oppervlak aangesloten op twee infiltratiegebieden. Hierdoor is er netto geen toename aan verharding die op oppervlaktewater is aangesloten. Het watersysteem in de Oud- en Nieuw Wateringveldsepolder wordt dus ontlast door de ontwikkeling rond de N211. In de Harnaschpolder is er een toename van 396 m2 aan verharding. In de bijlage is de berekening van de watersleutel uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er een compensatie van 29 m3 benodigd is. Bij de toelaatbare peilstijging van 0,5 m is dit 58 m2. Dit wordt gerealiseerd door of het graven van extra oppervlakte water of door aanleg van een infiltratiegebied. Waterkering Op één locatie vinden wijzigingen plaats in of nabij een regionale waterkering, namelijk bij de Zwethbrug. Overige werkzaamheden vinden niet plaats in de buurt van de waterkeringen. Het gaat om een verlenging van een huidig kunstwerk.
De aannemer gaat in beide gevallen de vergunning aanvragen, waarbij de eisen en randvoorwaarden van Delfland aan de aannemer worden mee gegeven via het realisatiecontract. In het waterhuishoudkundig plan staat een uitgebreide toelichting van de wijzigingen. Natuurwaarden Voor de NVO’s geldt: de strekkende meters oever/oppervlak NVO dat moet wijken voor de werkzaamheden, dient minimaal te worden teruggebracht. Alle NVO’s liggen in het peilgebied van de Oud- en Nieuw Wateringveldse polder. In totaal gaat er door middel van het project 663 strekkende meter natuurvriendelijke oever (2.090 m 2) verloren. In het ontwerp is 677 strekkende meter nieuwe NVO (2.388 m2) opgenomen. Aangezien er een grotere hoeveelheid wordt teruggebracht dan dat er verloren gaat, wordt er ook aan deze eis voldaan. In samenwerking met Delfland worden nog meer locaties onderzocht voor mogelijk NVO’s, dit is niet noodzakelijk om aan te leggen maar betreft een eventuele optimalisatie. Grondwater Er zijn vier ontwikkelingen binnen de voorgenomen wijzigingen die mogelijk invloed hebben op de grondwaterstanden: De verdiepte ligging van de N211; o In het waterhuishoudkundig plan is deze situatie onderzocht. Hieruit volgt dat de verdiepte ligging geen significante effecten op de grondwatersituatie zal hebben. De benodigde bemaling tijdens de uitvoering van de verdiepte ligging;
Blad 44 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
o
De bemaling is alleen voor de aanleg van de verdiepte ligging van toepassing, en betreft dus een tijdelijke situatie. o Door de grote dikte van de onderliggende deklaag blijft het te bemalen grondwater beperkt. De infiltratie van het hemelwater in de infiltratiegebieden. o Bij de twee infiltratiegebieden wordt neerslag eerst geborgen in een wadi, waarna het water infiltreert in de bodem. o Ten opzichte van de huidige situatie is er een toename van de infiltratie van neerslag in de ondergrond te verwachten. Er is dus geen sprake van verdroging door de aanleg van extra verharding. Verplaatsing KWO-putten; o Langs de N211 bevinden zich op een aantal locaties KWO-putten, die verband met de aanleg van de weg en nieuw oppervlaktewater verplaatst dienen te worden. In het waterhuishoudkundig plan is dit verder toegelicht.
Monitoringsplan: Om de eventuele veranderingen in grondwaterstanden te monitoren, wordt aanbevolen om de grondwaterstanden te monitoren. In het waterhuishoudkundig plan is een monitoringsplan opgenomen. Een aandachtspunt hierbij is om tijdig te beginnen met het monitoringsplan, zodat er een nulsituatie van minimaal 0,5 à 1 jaar is voorafgaand aan de werkzaamheden. Hemelwater en waterkwaliteit De afstroming van hemelwater verandert in het ontwerp. Op twee locaties zal het hemelwater van de N211 afstromen naar een infiltratiegebied, dit betreft de pompkelder van de verdiepte ligging en in het oosten een deel van het wegoppervlak. Op de overige locaties zal het hemelwater vanaf de weg via de bermpassage naar het oppervlakte water stromen of infiltreren in de berm. In zowel de huidige als de toekomstige situatie is er sprake van DAB (dicht asfaltbeton) op de wegdelen, dit zal dus niet leiden tot een wijziging in het oppervlaktewaterkwaliteit. Vuilwater Er is geen sprake van wijzigingen in het vuilwaterrioolstelsel in het plangebied door de ontwikkelingen rond de N211. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud blijft grotendeels op dezelfde wijze uitgevoerd worden na de uitvoering als in de huidige situatie. Op een aantal locaties wijzigt het beheer en onderhoud door aanpassingen in het watersysteem. Dit is uitgebreid toegelicht in het waterhuishoudkundig plan.
Conclusie Het aspect 'Water' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
Blad 45 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
6.6
Bodem Wettelijk kader Het nationale bodembeleid is geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). Het doel van de Wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodemverontreinigingen ontstaan. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven in welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit tenminste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is, waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Onderzoek Ter plaatse van de N211 Wippolderlaan te Wateringen is in mei en juni 2016 een historisch bodemonderzoek uitgevoerd. In juni 2020 is dit historisch bodemonderzoek geactualiseerd. In het plangebied zijn enkele stortplaatsen aanwezig geweest en is een tankstation gelegen. Tevens zijn er watergangen langs de N211 aanwezig waarvan het slib verdacht is op het voorkomen van verhoogde gehalten aan metalen, PAK en bestrijdingsmiddelen vanwege de verkeersintensiteit en de in het verleden aanwezige kassen in het gebied.
Daarnaast moet men bedacht zijn op het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld in verband met de mogelijke toepassing van asbestverdachte materialen in (voormalige) bebouwing in het verleden, met name ten zuiden van de N211. Op basis van beide bodemonderzoeken zijn in tabel 6-5 de deellocaties opgenomen en is weergegeven of er nader onderzoek noodzakelijk is.
Blad 46 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
Tabel 6-5: Overzicht deellocaties
Op basis van het historisch bodemonderzoek en de actualisatie van het historisch bodemonderzoek is er nader bodemonderzoek uitgevoerd voor de deellocaties A, F, G en H. Er is een verkennend (water)bodemonderzoek, asfalt- en funderingsonderzoek en asbestonderzoek gedaan. De rapportage van de uitgevoerde bodemonderzoeken is opgenomen als Bijlage 5. De resultaten uit deze onderzoeken zijn onderstaand uiteengezet.
Blad 47 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
Landbodem Over het algemeen is in de grond maximaal licht verhoogde gehalten aan de onderzochte stoffen aangetoond. Ter plaatse van de nieuwe watergang 14 zijn op een diepte van 0,0 tot 1,5 m – mv matig tot sterk verhoogde gehalten aan PAK en licht verhoogde gehalten aan mineralen olie, PCB, bestrijdingsmiddelen en andere zware metalen aangetoond. Ter hoogte van de Dorpskade te Wateringen is dan ook meer 25 m3 sterk met PAK verontreinigde grond aanwezig waarmee sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Op deze locatie is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. De nieuwe watergang 06 ligt tevens binnen de contour van de beschikte verontreiniging, dit is de locatie Zwethkade-Noord. Hier bevinden zich maximaal licht verhoogde gehalten in de grond. Ter plaatse van de Lotsweg zijn licht verhoogde gehalten aan kobalt, molybdeen, kwik en pesticiden, matig verhoogde gehalten aan nikkel, cadmium en lood en sterk verhoogde gehalten aan koper, zink en barium aangetoond. De verontreinigingen zijn aangetoond binnen de contouren van de beschikte verontreiniging van de stortplaats Lotsweg. Op deze locatie zijn vooralsnog geen graafwerkzaamheden voorzien, aanvullend onderzoek is op deze locatie niet noodzakelijk. In het grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan naftaleen, xylenen, barium, nikkel en molybdeen aangetoond.
Aanbevelingen landbodem Werkzaamheden binnen de contouren van de beschikte verontreinigingen en de aangetoonde sterke verontreinigen dienen te worden afgestemd met het bevoegd gezag. Voor graafwerkzaamheden in de landbodem ter plaatse van de aangetoonde sterke verontreinigingen en binnen de contouren van de reeds beschikte verontreinigingen dient een deelsaneringsplan/BUS-melding te worden opgesteld en te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Ook voor de te ontgraven aarden wal is het aanbevolen om een deelsaneringsplan/BUSmelding af te stemmen met het bevoegd gezag. Waterbodem De waterbodem uit de te dempen watergangen kunnen over het algemeen verspreid worden op de aangrenzende percelen. Enkel de sliblaag uit watergang 25 overschrijdt de interventiewaarde voor koper en zink. Deze sliblaag is niet verspreidbaar in oppervlaktewater of aangrenzende percelen en niet toepasbaar in oppervlaktewater of op landbodem. Aanvullend onderzoek is hier niet noodzakelijk. Aanbevelingen waterbodem Bij toepassing van baggerspecie in oppervlaktewater geldt dat de ontvangende waterbodemkwaliteit niet mag verslechteren. Indien graafwerkzaamheden plaatsvinden in de sliblaag van watergang 25, waarbij uitgekomen slib elders wordt verspreidt of toegepast, is in beginsel sprake van sanerende handelingen. Er dient hierover afstemming plaats te vinden met het Hoogheemraadschap Delfland.
De melding moet voorafgaand aan de werkzaamheden, inclusief een werkplan, te worden ingediend bij het Hoogheemraadschap van Delfland. Het uitgekomen verontreinigde slib dient te allen tijde te worden afgevoerd naar een verwerker. Asfalt- en funderingsonderzoek Het onderzochte asfalt van de N211 en het fietspad is niet teerhoudend. Het fundatiemateriaal aanwezig op de gehele onderzoekslocatie kan daarom elders worden hergebruikt.
Blad 48 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
Asbestonderzoek Ter plaatse van de (puinhoudende) wegbermen en fundering is een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. In de asbest mengmonsters ten behoeve van het verkennend asbestonderzoek in grond (puinhoudende wegbermen) zijn geen asbestgehalten boven de detectiegrens aangetroffen. In de mengmonsters ten behoeve van asbestonderzoek in puin (fundatiemateriaal) zijn in 3 mengmonsters gehaltes aan asbest aangetroffen boven de detectiegrenswaarden. Echter blijft dit onder de grenswaarde voor nader onderzoek. Conclusie Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden dient een deelsaneringsplan/BUS-melding te worden opgesteld en een melding, inclusief een werkplan, te worden ingediend bij het Hoogheemraadschap van Delfland.
6.7
Natuur Wettelijk kader De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het 'Natuurnetwerk Nederland' (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen) en niet via de natuurwetgeving. Soortbescherming In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën:
soorten van de Vogelrichtlijn;
soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn; 'andere soorten' (onderdeel A 'fauna' en onderdeel B 'flora').
De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving. Tijdens een bijeenkomst van het Netwerk Groene Bureau d.d. 16 december 2016 is aangegeven dat drie provincies (Utrecht, Overijssel en Gelderland) de geldende “Aangepaste lijst met jaarrond beschermde nesten” (LNV, 2009) aanhouden en blijven hanteren in de Wet natuurbescherming. De verwachting is dat ook overige provincies deze beschermingsstatus aanhouden. De lijst wordt in 2017 door de provincies geëvalueerd en waar nodig aangepast. Bij voorliggende toetsing is uitgegaan dat de lijst gehanteerd blijft en dat de nesten een jaarrond beschermde status houden. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen jaarrond beschermde nesten (categorie 1t/m4) en mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5).
Blad 49 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
Soorten van de Vogelrichtlijn Voor Vogelrichtlijnsoorten is het verboden om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen. Dit laatste verbod geldt niet voor een aantal vogelsoorten, indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding en het nest zelf zijn functionaliteit behoudt. Soorten van de Habitatrichtlijn Voor soorten van artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, Bern en Bonn) is het eveneens verboden om in het wild levende dieren en planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen. Voortplantings- of rustplaatsen mogen niet beschadigd of vernield worden. Daarnaast geldt er een verbod op om planten behorend bij artikel 3.5 te plukken, verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In tegenstelling tot de Vogelrichtlijnsoorten in artikel 3.1, mogen dieren behorend bij artikel 3.5 niet opzettelijk verstoord worden, ook niet als er geen wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. Daarbij dient opgemerkt te worden dat een aantal vogelsoorten ook vallen onder artikel 3.5 en daarom niet verstoord mogen worden.
Andere soorten Naast de Europees aangewezen beschermde flora en fauna, is er in Nederland ook een Nationale soortenlijst gemaakt die niet gedekt wordt door de Vogel- en Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern of Verdrag van Bonn. Deze soorten zijn opgenomen in bijlage A en B van de Wnb, zie ook Bijlage tabel C en D van voorliggende rapportage. Voor soorten in bijlage A geldt een verbod op opzettelijk doden of vangen van dieren, opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- of rustplaatsen van dieren. Voor soorten in bijlage B geldt een verbod op opzettelijk plukken, verzamen, afsnijden, vernielen en ontwortelen van planten. In tegenstelling tot artikel 3.1 en 3.5, is verstoring van deze soorten toegestaan. Met betrekking tot de 'andere soorten' zijn per provincie beleidsregels opgesteld waarin voor een deel van deze soorten vrijstelling is verleend. De grond waarop deze vrijstelling geldt verschilt per provincie en hoeft dus niet in alle situaties van toepassing te zijn. Vrijstelling op basis van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling is een geldige reden in alle provincies. Indien bij het voornemen gestelde verboden in artikel 3.1, 3,5 of 3.10 worden overtreden, dient gewerkt te worden conform een gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het mogelijk om een ontheffing aan te vragen bij de provincie waarin het voornemen plaats vindt.
De grond waarop een ontheffing mogelijk is, verschilt per categorie. Gebiedsbescherming Natura 2000 Natura 2000-gebieden zijn natuurgebieden van groot internationaal belang. Deze gebieden zijn aangewezen onder de Europese Habitat- en / of Vogelrichtlijn. Voor de gebieden en de daarbij aangewezen soorten en habitattypen zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Een activiteit mag niet leiden tot significant negatieve effecten op deze doelen of tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken. Indien op voorhand significante effecten niet uitgesloten kunnen worden dient een Passende beoordeling opgesteld te worden.
Blad 50 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
Op 1 juli 2015 is Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden. Het bijbehorende programma “programma aanpak stikstof” is tevens in werking getreden, waardoor de vergunningverlening in het kader van de Wet natuurbescherming (destijds Natuurbeschermingswet) voor het aspect stikstof is vereenvoudigd. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is een stelsel van ecologisch hoogwaardige natuurgebieden; de Natura 2000-gebieden maken daar deel van uit. Naast de Natura 2000-gebieden bevat het NNN ook overige leefgebieden van soorten en – om isolatie te voorkomen - gebieden die een verbinding vormen tussen natuurgebieden. Het NNN is onderdeel van het actieve beleid om bedreigde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding te brengen. De natuurgebieden die behoren tot het NNN en hun functies worden planologisch beschermd, hier geldt het 'nee, tenzij'- principe. De planologische bescherming betekent in het kort dat geen nieuwe bestemmingen worden toegestaan die per saldo leiden tot een significante aantasting van de oppervlakte, de kwaliteit en de samenhang van het NNN. Hieraan wordt getoetst bij de verlening van een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Onderzoek Er is een natuurtoets uitgevoerd in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. Het volledige onderzoek is opgenomen als Bijlage 6.
Onderstaand zijn de resultaten uit het onderzoek uiteengezet. Er wordt ingegaan op de gebiedsbescherming en soortenbescherming. Soortenbescherming Uit het onderzoek is gebleken dat het plangebied een potentieel leefgebied vormt voor enkele beschermde soorten, namelijk: Vleermuizen (vliegroutes en foerageergebied); Algemene broedvogels (aangetroffen nestplaats en zeer waarschijnlijk overige nestplaatsen). Vleermuizen Tijdens het terreinbezoek is geconstateerd dat er in het plangebied geen geschikte verblijfsplaatsen voor vleermuizen verwacht worden. Er is echter wel sprake van een mogelijke vliegroute van knotwilgen die in een lijnvormige structuur staan. Ook het kanaal De Zweth is in potentie een geschikte vliegroute. Op basis hiervan zijn vleermuizen niet uit te sluiten in het plangebied. Onderzoek uit 2016 heeft tevens reeds aangetoond dat de Zweth een belangrijke vliegroute is voor de meervleermuis. De knotwilgen zijn in dat onderzoek beoordeeld als nietessentiële vliegroute. Ook is er binnen het plangebied potentieel foerageergebied aanwezig. Er is geen nader onderzoek nodig. Er is geen sprake van een overtreding wanneer de ontwikkeling wordt gerealiseerd, mits verstoring van de Zweth als vliegroute wordt voorkomen. Algemene broedvogels De vegetatie en waterelementen in het projectgebied bieden een geschikt broedbiotoop voor algemeen voorkomende broedvogels.
Voorbeelden van algemene broedvogels die tijdens het terreinbezoek zijn waargenomen zijn de gans, eend en meerkoet. De nesten van algemene
Blad 51 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
broedvogels zijn tijdens het broedseizoen beschermd. Het broedseizoen vindt plaats van medio maart tot medio juli. Het is mogelijk om werkzaamheden die het broeden van deze soorten kunnen verstoren, buiten het broedseizoen plaats te laten vinden. Er is geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied Solleveld & Kapittelduinen is op circa 6 kilometer afstand (ten westen) van het plangebied gelegen. Er is in 2016 reeds onderzoek gedaan naar stikstofdepositie en het effect hiervan op het Natura 2000-gebied. Op basis van dit onderzoek is in 2017 een vergunning verleend. Het projectgebied ligt op circa 6 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied ‘Solleveld & Kapittelduinen’. Dit gebied is aangewezen als Natura 2000-gebied op grond van de Habitatrichtlijn. Aanwijzing tot Natura 2000-gebied vindt plaats op basis van het voorkomen van specifieke soorten en/of habitattypen. Voor deze soorten en habitattypen worden doelen benoemd met betrekking tot aantal, oppervlakte en kwaliteit van het habitat of leefgebied, de zogenaamde instandhoudingsdoelen. De bijdrage van het voornemen aan de stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige habitattypen is beoordeeld (zie Antea Group, 2016). Voor het voornemen is in 2017 een Wnb vergunning verleend.
Natuur Netwerk Nederland Wanneer er sprake is van directe aantasting van het Natuur Netwerk Nederland (NNN), dient dit gecompenseerd te worden. Dit is alleen het geval wanneer er een NNN-gebied binnen het plangebied gelegen is. Dit is niet het geval. Ook significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN in de nabijheid van het project kunnen worden uitgesloten. De ontwikkeling in het projectgebied heeft geen effect op de directe omgeving van het projectgebied. Vanuit dit oogpunt zijn er voor NNN geen belemmeringen. Het NNN-beleid staat de uitvoering van het project niet in de weg. Weidevogelgebieden De provincie Zuid-Holland hanteert aanvullende beschermde weidevogelgebieden. Gezien het reeds verstoorde karkater, de afstand tot nabijgelegen weidevogelgebieden en de omvang van het projectgebied zijn effecten uitgesloten. Conclusie Op basis van de uitgevoerde natuurtoets kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
6.8
Archeologie en cultuurhistorie Wettelijk kader Verdrag van Malta en Wet op de Archeologische Monumentenzorg Het Verdrag van Malta is er op gericht het bodemarchief beter te beschermen. Het bodemarchief bestaat uit alle archeologische waarden die zich in de bodem bevinden. Deze archeologische
Blad 52 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
waarden dienen op een integrale wijze beschermd te worden, waarbij de volgende drie principes gelden: 1.
2. 3.
Tijdig rekening houden met eventuele aanwezigheid van archeologische waarden: Het is belangrijk dat bij de ruimtelijke inrichting van een gebied tijdig rekening gehouden wordt met mogelijk aanwezige archeologische resten. Daarom dient voorafgaand aan een nieuwe ontwikkeling onderzoek plaats te vinden naar archeologische waarden in de bodem van het plangebied. Hierdoor kunnen tijdig archeologievriendelijke alternatieven gezocht worden en wordt tevens een stukje onzekerheid tijdens de bouw van de ontwikkelingen weggenomen, doordat vooraf duidelijk is of er al dan niet archeologische resten in bodem te verwachten zijn. Behoud in situ: Er wordt naar gestreefd archeologische waarden in de bodem te bewaren (behoud in situ). In de bodem blijven de resten immers goed geconserveerd. Verstoorder betaalt: Degene die verantwoordelijk is voor het verstoren van de grond dient te betalen voor het doen van opgravingen en het documenteren van archeologische waarden, wanneer behoud in situ niet mogelijk is.
Dit verdrag is in 2007 vertaald naar de Nederlandse situatie middels de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMz). Onder deze wet, een wijzigingswet die onder andere de Monumentenwet 1998 heeft gewijzigd, zijn de gemeenten de bevoegde overheid inzake archeologie geworden. Zij dienen het aspect archeologie onder meer te borgen in nieuwe bestemmingsplannen. Aangezien de gemeenten de bevoegde overheid zijn voor archeologie beschrijft onderstaande paragraaf per gemeente de conclusies van het verkennend onderzoek. Sinds 1 juli 2016 is de voorgaande wetgeving vervangen door de Erfgoedwet 2016. Anders dan enkele artikel-wijzigingen sluit de nieuwe wetgeving voor dit bestemmingsplan aan op het hiervoor geschetste beeld. Onderzoek Huidige situatie en referentiesituatie Archeologie Omdat de ontwikkeling plaatsvindt op het grondgebied van twee gemeentes, wordt de huidigeen referentiesituatie afzonderlijk beschreven. Gemeente Westland Op de beleidskaart van de gemeente Westland (figuur 6.9) is het plangebied gelegen in verwachtingszone IV. Hiervoor gelden geen archeologische voorwaarden vanwege de zeer lage archeologische verwachting. Het gebied waarin het plangebied was gelegen was namelijk een droogmakerij. De oorspronkelijk aanwezige afzettingen van het Hollandveen Laagpakket zijn afgegraven. Eventuele vindplaatsen die zich in en op dit veen bevonden zijn daardoor verdwenen.
Er worden soms nog wel toevalvondsten gedaan. Dit vondstmateriaal is echter secundair terecht gekomen op de kleiafzettingen onder het veen en zijn dus contextloos. Daarom is het niet zinvol om hier een archeologisch onderzoek uit te voeren. De meldingsplicht van eventuele toevalsvondsten die tijdens de werkzaamheden worden gedaan blijft echter wel van kracht.
Blad 53 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
Figuur 6.9: Uitsnede beleidskaart Archeologie gemeente Westland. Projectgebied is ter plaatse van de rode cirkel Gemeente Midden-Delfland De beleidskaart van de gemeente Midden-Delfland (figuur 6.10) is gebaseerd op 5 periode specifieke verwachtingskaarten. Voor de periode vanaf de vroege prehistorie tot en met het begin van de late middeleeuwen geldt voor het gedeelte van het plangebied binnen de gemeente Midden-Delfland een lage archeologische verwachting. Voor de periode late middeleeuwen en nieuwe tijd geldt voor dat gedeelte een middelhoge archeologische verwachting. Op de beleidskaart is de hoogste verwachting overgenomen en geldt er dus een middelhoge archeologische verwachting voor het plangebied binnen de gemeente Midden-Delfland. Hierbij geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemverstorende werkzaamheden met een oppervlakte van 100 m2 of meer die de bodem dieper dan 40 cm beneden maaiveld zullen verstoren.
Figuur 6.10: Uitsnede beleidsadvieskaart gemeente Midden-Delfland. Plangebied is ter plaatse van de rode cirkel Voor de Zwethstrook, het stuk land dat gelegen is tussen de Zweth en de N211 in, geldt dat er daar vanaf 1760 veen is afgegraven. De kans dat er nog archeologische vindplaatsen binnen dat gebied aanwezig zijn, wordt daarom niet aanwezig geacht.
Blad 54 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
Cultuurhistorie Rond de N211 zijn enkele cultuurhistorische elementen aanwezig. Deze worden kort beschreven. Molenbiotoop Het plangebied overlapt met een molenbiotoop. De molen zelf staat in de gemeente Rijswijk. De molenbiotoop strekt tot in de gemeente Westland en de gemeente Midden-Delfland. De molenbiotoop heeft op basis van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening een beschermde status vanwege de zeer hoge cultuurhistorische waarde.
Figuur 6.11: Molenbiotoop, Cultuurhistorische Atlas Provincie Zuid-Holland Binnen de molenbiotoop gelden regels voor het oprichten van nieuwe bebouwing en beplanting. Het plangebied ligt op circa 270 meter afstand van de molen en heeft daarom te maken met de volgende hoogtebeperking voor bebouwing en beplanting: “De maximale hoogte van bebouwing en beplanting mag niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek.” De bebouwing ter plaatse van het plangebied mag daarom niet hoger zijn dan 9 meter. De huidige weg ligt momenteel op 2,8 meter boven NAP (hoogste punt). Gemeente Westland De cultuurhistorische waarden in de gemeente Westland zijn opgenomen in de Cultuurhistorische Atlas van de Provincie Zuid-Holland. De gemeente Westland heeft haar gemeentelijke monumenten opgenomen in het Monumentenregister Westland. Nabij het plangebied, op grond van de gemeente Westland zijn geen beschermde cultuurhistorisch- of landschappelijke waarden of kenmerken aanwezig. Er is wel sprake van een gemeentelijk monument in de directe omgeving van het plangebied, manege Zwethkade Noord.
Blad 55 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
Figuur 6.12: cultuurhistorisch erfgoed gemeente Westland Gemeente Midden-Delfland De cultuurhistorische waarden en kenmerken van de gemeente Midden-Delfland zijn eveneens opgenomen op de Cultuurhistorische atlas van de Provincie Zuid-Holland. Het plangebied maakt deel uit van de Harnaschpolder, een gebied dat bestaat uit veen dat gedeeltelijk is afgedekt met een laagje klei. Op Figuur 6.13 is een uitsnede van de Cultuurhistorische Atlas weergegeven. Hierop is te zien dat er drie lijnen zijn aangeduid als cultuurhistorisch waardevol. De twee buitenste lijnen betreffen poldergrenzen (Zwethkade Zuid en Noord). De middelste lijn betreft de watergang de Zweth. De Zweth is aangewezen als hoofdwetering. De beeldkwaliteit van de historische waterverbinding en haar omgeving (Zwethzone) is gedeeltelijk reeds verstoord, door de aanwezigheid van de bestaande N211, Rijksweg A4 en diverse bedrijven.
Blad 56 van 68
Ruimtelijke onderbouwing N211 Wippolderlaan Gemeente Westland en Midden Delfland projectnummer 0405082.154 3 juli 2020 revisie 00 Provincie Zuid-Holland
Figuur 6.13: Cultuurhistorische waarden, Cultuurhistorische Atlas Provincie Zuid-Holland Effecten Archeologie Geconcludeerd kan worden dat het grootste gedeelte van het plangebied dat is gelegen in de gemeente Westland (het plangebied ten noorden van de Zweth) vrijgesteld is van archeologisch onderzoek en dat er dus ook geen vervolgonderzoek hoeft plaats te vinden. Alleen daar waar de verstoringen dieper dan 4 m –mv reiken (ter plaatse van de tunnelbak), en op de twee molenlocaties, worden eventueel aanwezige archeologische waarden wel bedreigd. Het gedeelte van het plangebied binnen de gemeente Midden-Delfland (het plangebied ten zuiden van de Zweth) kent een middelhoge archeologische verwachting, maar een archeologisch booronderzoek uit 2012 heeft uitgewezen dat de bodem ter hoogte van het plangebied minimaal tot 200 cm –mv is verstoord. De geplande werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de N211 zullen niet dieper reiken dan dat. Voor dit gedeelte van het plangebied is daarom geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk. Cultuurhistorie Op de locatie waar de molenbiotoop het plangebied overlapt wordt voldaan aan de hoogtebeperkingen. De aanpassingen van de N211 leiden niet tot aantasting van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Er worden geen ruimtelijke ingrepen gedaan aan de cultuurhistorisch waardevolle lijn de Zweth en de waardevolle poldergrenzen.