CConstaterende datMidden-Delfland
Koppel je AI →
Document · PDF

06 VERSIE dd 23-10-20 Bestemmingsplan N223 duurzaam veilig fase 3B.pdf

Gemeenteraad 2 maart 2021, gemeente Midden-DelflandBij agendapunt: UIT RAAD 27-10-20 TER BESPREKING en BESLUITVORMING Voorstel vaststellen bestemmingplan N223, duurzaam veilig fase 3B27.889 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Figuur 4.2 Uitsnede legger Hoogheemraadschap van Delfland Toekomstige situatie Algemeen De ontwikkeling in het plangebied bestaat uit optimalisatie van de N223. Daarbij wordt ondermeer de parellelstructuur aangepast en een nieuwe rotonde aangelegd. Waterkwantiteit Conform de nieuwe Handreiking watertoets voor gemeenten van het Hoogheemraadschap van Delfland (2012) geldt als richtlijn voor het watersysteem het 'standstill beginsel'. Dit betekent dat de ontwikkeling niet tot een verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie mag leiden. Ten behoeve van de reconstructie, de aanleg van de rotonde en het realiseren van een parallelstructuur dienen diverse watergangen (deels) gedempt te worden. Het dempen van een watergang dient binnen het betreffende peilgebied 1-op-1 te worden gecompenseerd middels het graven van nieuw open water. Door de verbreding van de hoofdrijbaan N223, de aanleg van de rotonde en het realiseren van de parallelstructuur wordt het totale verhard oppervlak vergroot ten opzichte van de huidige situatie. Ten behoeve van dit extra verhard oppervlak, in relatie tot regenwaterafvoer en waterberging, dient watercompensatie te worden toegepast per peilgebied. De benodigde watercompensatie ten behoeve van het extra verhard oppervlak wordt bepaald middels de ‘Watersleutel’, welke is ontwikkeld door het Hoogheemraadschap van Delfland.

Bij toepassing van de ‘Watersleutel’ wordt rekening gehouden met

Rho adviseurs voor leefruimte

091409.20171538

36

de specifieke kenmerken van de betreffende polder. De benodigde watercompensatie ten behoeve van het extra verhard oppervlak kan tevens (deels) worden ondervangen door het toepassen van alternatieve bergings- en vasthoudmaatregelen en het vertraagd afvoeren van het opgevangen hemelwater, middels een afvoer, in een ander peilgebied. Uit de berekening met de watersleutel (zie bijlage 4) blijkt dat voor de toename aan verharding en het dempen van watergangen in de Woudse Polder en de Klaas Engelbrechtspolder extra berging gerealiseerd gaat worden Uit onderstaande tabellen blijkt dat sprake is van een overschot aan nieuw water. Het te compenseren water is als zodanig bestemd in dit plan. Tabel 4.1 Waterbalans N223 duurzaam veilig fase 3B Woudsepolder Verharding Bestaand Nieuw Toename Resultaat watersleutel extra verhard opp. Peilgebied 3.1 8.421 m2 13.349 m2 4.928 m2 1.570 m2 Peilgebied 3.2 280 m2 404 m2 124 m2 45 m2 Peilgebied 4.1 Totaal compensatie

Saldo dempen en watergangen graven

+ 2.012 m2 + 10 m2 + 535 m2 + 2.647 m2

Tabel 4.2 Waterbalans N223 duurzaam veilig fase 3B Klaas Engelbrechtspolder Verharding Bestaand Nieuw Toename Resultaat Saldo dempen en watersleutel watergangen graven extra verhard opp. Peilgebied 2.1 671 m2 671 m2 0 0 m2 0 m2 m2 Peilgebied 2.2 10.917 m2 14.967 m2 4.050 m2 406 m2 + 852 m2 Peilgebied 2.3 0 m2 674 m2 674 m2 40 m2 + 205 m2 Totaal + 1.057 m2 compensatie Onderhoud watergangen In het ontwerp van het aangepaste watersysteem is conform de regels van het Hoogheemraadschap rekening gehouden met onderhoudstroken met een breedte van 4 m. Hiermee zijn deze ook na planrealisatie bereikbaar en begaanbaar voor mensen en hun onderhoudsmateriaal. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Deze materialen worden niet toegepast. Vanuit het oogpunt waterkwaliteit wordt het hemelwater niet direct geloost op de naastliggende watergangen, maar stroomt het via een berm af. Bodem en grondwater Om de mogelijke effecten ten gevolge van de reconstructie van de N223 (met betrekking tot fase 3) op het grondwater te beoordelen is een aparte notitie opgesteld, die is opgenomen in bijlage 5. In deze notitie wordt onderscheid gemaakt in een tweetal aspecten: 1. Het freatische grondwater; 2. Het diepe grondwater.

Rho adviseurs voor leefruimte

091409.20171538

37

Freatische grondwaterstand De freatische grondwaterstand wordt gedurende de uitvoeringsperiode beïnvloed door uitvoering van de werkzaamheden. De gevolgen hiervan zijn echter niet van grote betekenis voor de stationaire situatie. Diepe grondwaterstand Het diepe grondwater wordt beïnvloed voornamelijk door de volgende aspecten: 1. Grondwater onttrekking; 2. Infiltrerend oppervlaktewater bij gebrek van tussenliggende ondoorlatende lagen; 3. Aanbrengen van stromingsbarrières in de watervoerende lagen. Uit de gegevens omtrent de regionale grondopbouw kan worden afgeleid dat in het plangebied de dikte van het holocene slappe lagenpakket circa 20 m bedraagt. Onder dit slecht watervoerend pakket bevindt zich het diepe grondwater in de pleistocene zanden (1e W.V.P.). Daardoor wordt de mate van de impact van infiltrerend effect van het nieuwe aan te leggen van oppervlaktewater op het diepe grondwater nihil geacht. Volgens het definitief ontwerp zullen geen activiteiten zoals diepe grondwateronttrekking en/of aanbrengen van de stromingsbarrières in het eerste watervoerende pakket benodigd zijn, daardoor wordt geconcludeerd dat door de uitvoering van de geplande werkzaamheden, zoals beschreven in het definitief ontwerp, geen nadelige en/of voordelige geohydrologische gevolgen in het diepe grondwater zullen optreden.

Waterveiligheid en waterkeringen De inpassing van de N223, de verlenging van de fietstunnel en de landschappelijke inpassing (onder andere de herplant van bomen) bevinden zich (deels) binnen de kernzone en de beschermingszone van de waterkering zoals weergegeven in de Legger Regionale Waterkeringen. Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft aangegeven dat de huidige regionale waterkering in goede staat verkeert en geen kritieke punten bevat waar in de verdere uitwerking van het ontwerp rekening mee dient te worden gehouden. Werkzaamheden en voorgenomen maatregelen binnen de kernzone en / of beschermingszone van de regionale waterkering dienen te voldoen aan de voorwaarden zoals door het Hoogheemraadschap van Delfland zijn beschreven in de ‘Beleidsregel Medegebruik Regionale waterkeringen’ en de ‘Beleidsregel Veendijken’. Het betreft hier onder andere het verbreden van het grondlichaam ten behoeve van het toekomstige wegprofiel, de verlenging van de fietstunnel, het aanbrengen van (her)beplanting t.b.v. de landschappelijke inpassing en de mogelijkheden met betrekking tot het graven van open water. Watervergunningsplicht Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem moet bij het hoogheemraadschap vergunning worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. In dit geval geldt dat voor het graven van nieuwe watergangen rondom de weg en het aanbrengen duikers.

Voor het onderhoud van het bestaande en nieuw te graven oppervlaktewater gelden bepalingen uit de 'Keur'. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse, mede omdat er in dit plan een flink oppervlak aan nieuw water wordt gegraven. Dit voorziet ruimschoots in de compensatieopgave als gevolg van de toename aan verharde oppervlakken. Naast de planologische procedure moet een watervergunning worden aangevraagd.

Rho adviseurs voor leefruimte

091409.20171538

38

4.4

Wegverkeerslawaai

Toetsingskader Voor alle geluidgevoelige bestemmingen binnen de geluidzone van een te wijzigen weg moet bij een wijziging van de weg onderzocht worden of er sprake is van “reconstructie” van die weg, zoals dat is gedefinieerd in de Wgh. Er is sprake van een reconstructie indien de geluidbelasting vanwege de weg in het toekomstige maatgevende jaar zonder maatregelen, met 2 dB of meer wordt verhoogd ten opzichte van de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting. Het toekomstig maatgevende jaar is meestal het tiende jaar na de wijziging. De ten hoogst toelaatbare geluidbelasting is bepaald in artikel 100 van de Wet geluidhinder en artikel 3.3 van het Besluit geluidhinder. In deze artikelen wordt onderscheid gemaakt tussen bestemmingen waarvoor reeds een hogere waarde is vastgesteld en bestemmingen waarvoor geen hogere waarde is vastgesteld. Daarnaast is voor het bepalen van de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van belang of de weg en/of de geluidgevoelige bestemming aanwezig of geprojecteerd waren op 1 januari 2007. De ten hoogst toelaatbare geluidbelasting is 48 dB, tenzij er een hogere waarde is vastgesteld of de weg reeds aanwezig of geprojecteerd was op 1 januari 2007.

Indien reeds een hogere waarde is vastgesteld en de heersende waarde is hoger dan 48 dB, geldt als de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting de laagste waarde van:  de heersende waarde (1 jaar voor de wijziging aan de weg);  de eerder vastgestelde waarde. Indien geen hogere waarde is vastgesteld en de weg reeds aanwezig of geprojecteerd was op 1 januari 2007 en de heersende waarde hoger is dan 48 dB, dan is de heersende geluidbelasting de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting voor geluidgevoelige bestemmingen die op 1 januari 2007 aanwezig of geprojecteerd waren. Onderzoek Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting met ten hoogste 1,37 dB toeneemt op de gevel van de woning aan de Woudseweg 184. De berekening van de toename vindt plaats op basis van de heersende waarde, of indien de heersende waarde lager is dan 48 dB, ten opzichte van 48 dB. Dit betekent dat de geluidbelasting voor de toetsing aan het reconstructiecriterium toeneemt van 48,00 tot 48,49 dB, dit is dus 0,89 dB. Op de gevel van de woning aan Het Woudt 2 en de Woudseweg 184 neemt de geluidbelasting toe met ten hoogste 1,34 dB. De toename is lager dan 1,5 dB. Er is geen sprake van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Het akoestisch onderzoek is bijgesloten in Bijlage 9. Conclusies Er is geen sprake van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder.

Het wegverkeerslawaai vormt, geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Rho adviseurs voor leefruimte

091409.20171538

39

4.5

Luchtkwaliteit

Toetsingskader Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3 weergegeven. Tabel 4.3 Stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10) fijn stof (PM2,5)

Toetsing van jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek De ontwikkeling voorziet in reconstructie van een gedeelte van de N223. Deze ontwikkeling voorziet op zichzelf niet in extra verkeersgeneratie waardoor de ontwikkeling niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit.

Ten behoeve van de geplande wegaanpassingen van de gehele N223 heeft in het verleden onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit plaatsgevonden (zie bijlage 8). Alhoewel dit onderzoek formeel geen betrekking heeft op een gedeelte van het plangebied, zal de ontwikkeling die in dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt niet leiden tot noemenswaardig andere onderzoeksresultaten. Uit het onderzoek bleek dat in alle onderzochte jaren voldaan wordt voldaan aan de normen voor de maatgevende stoffen stikstofdioxide (jaargemiddelde concentratie) en fijn stof (jaargemiddelde concentratie en aantal overschrijdingsdagen grenswaarde 24-uursgemiddelde concentratie). De NSL Rekentool is een rekeninstrument om de luchtkwaliteit bij wegen te berekenen. Hieruit blijkt dat voor de N223 in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden zullen liggen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen in 2020; 24,8 µg/m³ voor NO2, 19,0 µg/m³ voor PM10 en 11,1 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal Rho adviseurs voor leefruimte

091409.20171538

40

overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 6,8 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Nader onderzoek op grond van de Wet milieubeheer en het Besluit nibm is dan ook niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van het plan.

4.6

Archeologie

Toetsingskader Erfgoedwet De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten.

Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die in 2021 naar de Omgevingswet overgaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is:  Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet;  De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet. Gemeentelijk archeologiebeleid Om de gemeentelijke rol als beslissend bestuursorgaan adequaat te kunnen vervullen, is een gemeentelijk archeologiebeleid met een eigen (inhoudelijk en bestuurlijk) afwegingskader opgesteld dat is vastgelegd in het beleidsplan Archeologie Midden-Delfland. De gemeente Midden-Delfland voert dit beleid in samenwerking met Archeologie Delft. De bij het beleid horende archeologische verwachtingskaart geeft op perceelsniveau inzicht in het voorkomen van bekende en te verwachten archeologische waarden. Daarnaast bevat de kaart een informatielaag met mogelijke diepteligging van de te verwachten archeologie en bodemverstoring. De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor een archeologische beleidskaart: aan de verwachtingen worden voorschriften gekoppeld die inzichtelijk maken waar geen onderzoek nodig is en waar wel.

Deze beleidskaart vormt op zijn beurt de basis voor het aanpassen van bestemmingsplannen en bij de verlening van omgevingsvergunning voor bouwen en aanleggen. Onderzoek Op de beleidsadvieskaart heeft het plangebied een hoge tot middelhoge verwachting op archeologische sporen (zie figuur 4.3).

Rho adviseurs voor leefruimte

091409.20171538

41

Figuur 4.3 Uitsnede beleidsadvieskaart Midden-Delfland In 2004 en 2006 zijn in het plangebied respectievelijk een bureauonderzoek en een aanvullend bureauonderzoek en inventariserend booronderzoek door middel van boringen uitgevoerd (zie bijlage 13 en 14). Het plangebied bestond destijds uit het tracé van de N223 tussen Westerlee en Den Hoorn. Ten behoeve van dit bestemmingsplan is een oplegnotitie opgesteld omdat de eisen die aan archeologisch onderzoek worden gesteld, de bekende archeologische informatie en het plangebied inmiddels zijn veranderd. Deze oplegnotitie is opgenomen in bijlage 15. Uit het in het verleden uitgevoerde booronderzoek bleek dat ter plaatse van het oostelijke gedeelte van het plangebied één archeologische vinplaats is aangetroffen die gerelateerd is aan het de inheems-Romense vindplaats van Bult en Norde (2004). Ten aanzien van deze vindplaats wordt gezien de te verwachten – minimale – verstoring geen waarderend onderzoek aanbevolen. Voor het deel van

Rho adviseurs voor leefruimte

091409.20171538

42

het plangebied aangrenzend aan de vindplaats wordt archeologische begeleiding aanbevolen (tegenwoordig: opgraving, variant begeleiding) als methode om waar tegen de verwachting in geen archeologische resten gevonden zijn (en waar dus geen reden is voor verder onderzoek), alsnog archeologie te karteren en zo nodig waarderen. Voor het overige deel wordt geen nader onderzoek aanbevolen. Op basis van het reeds uitgevoerde onderzoek en de resultaten daarvan acht RAAP de conclusie nog steeds gerechtvaardigd dat aan de in het plangebied geldende archeologische onderzoeksplicht nog steeds is voldaan. In de uitvoeringsfase zal ter plaatse van de vindplaats archeologische begeleiding plaat dienen te vinden. Overeenkomstig het gemeentelijk beleid zijn de verschillende archeologische beleidsgebieden door middel van een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' geborgd in dit plan. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.7

Cultuurhistorie

Toetsingskader Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedsfeer van het plangebied) Rijksmonumeten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stads- en dorpsgezichten aanwezig zijn. Ook het voorkomen van gebieden met landschappelijke waarden en beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Parken en Nationale Landschappen dient bepaald te worden. Onderzoek Monumenten In het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Molenbiotoop Een klein gedeelte van het plangebied ligt binnen de molenbiotoop van de Groeneveldsche Molen. Dit betreft een ronde, stenen poldermolen uit 1719. Binnen de moenbiotoop wordt geen bebouwing mogelijk gemaakt die in strijd is met de molenbiotoop. De molenbiotoop is als gebiedsaanduiding op de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.

Landschap De N223 ligt in het bijzondere gebied Midden-Delfland. Dit is door de provincie is aangewezen als Provinciaal Landschap. Het beleid is erop gericht om de bestaande kwaliteiten van dit gebied te behouden en waar mogelijk te versterken.

Rho adviseurs voor leefruimte

091409.20171538

43

Beschermd dorpsgezicht Ten noorden van de N223 ligt het beschermd dorpsgezicht 't Woudt (aangewezen op 24 juli 1970 door de toenmalige Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening). 't Woudt is een kleine nederzetting van hoge ouderdom, die bestaat uit enige boerderijen, kleine woonhuizen en de op een verhoging gelegen Nederlands Hervormde Kerk. De historische groepering is van grote waarde en van algemeen belang vanwege de schoonheid en het karakter ervan. Een klein gedeelte van het plangebied valt binnen het beschermd dorpsgezicht. Hiervoor een specifieke dubbelbestemming 'Waarde Beschermd dorpsgezicht' opgenomen. Advies landschappelijke inpassing provincie Zuid-Holland In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft de adviseur ruimtelijke kwaliteit van de provincie Zuid-Holland advies uitgebracht of er mogelijk sprake is van aantasting van specifieke cultuurhistorische objecten of structuren (zie bijlage 6). Hieruit blijkt dat het grotere ruimtebeslag van de N223 ten opzichte van de huidige situatie plaatselijk ten koste gaat van een stukje van de verkavelingstructuur aan de zuidzijde van de N223. De herkenbaarheid van de structuur komt hiermee echter niet onder druk te staan. De weg wordt wel een dominantere factor in het gebied.

In vergelijking met de huidige situatie zal de weg een groter ruimtebeslag krijgen en een meer verkeertechnische uitstraling door extra opstelstroken en wegmeubilair (o.a. lichtmasten en borden). Door het open karakter van het gebied is dit goed zichtbaar vanuit de wijde omgeving en heeft het daarmee effect op een groot gebied. Ten aanzien van de uitwerking van de plannen wordt een aantal aanbevelingen gegeven om de landschappelijke inpassing te verbeteren:  de verkeerstechnische uitwerking opstellen met een zorgvuldig landschapsontwerp. Verkeer en landschap dienen daarbij samen op te trekken, op zoek naar de best mogelijke inpassing.  zet in dit open landschap in op een zo ‘leeg’ mogelijk wegprofiel qua wegmeubilair. Minimaliseer het aantal borden, lichtmasten en andere objecten. Combineer en integreer noodzakelijke borden zoveel als mogelijk. Houdt het meubilair bescheiden qua vorm, kleur en grootte.  Verken de mogelijkheden om langs de watergangen aan weerszijden van de weg natuurvriendelijke oevers tot ontwikkeling te brengen.  Het gebied tussen de brug en de rotonde vraagt om een nadere (landschappelijke) uitwerking waarbij zowel de beleving vanaf de weg (het ‘poorteffect’, het zicht op de omgeving) als de beleving vanuit de omgeving (recreatieve routes en verblijfsplekken) wordt betrokken.

Onderzoek daarbij de mogelijkheden om door middel van enkele goed geplaatste (opgekroonde) bomen het zicht op de verkeerstechniek rond de rotonde te verzachten zonder de zichtlijnen te blokkeren. In paragraaf 2.5 is aangegeven op welke wijze de reconstructie van de N223 in relatie tot het landschap is omgegaan. Geconcludeerd wordt dat sprake is van een zorgvuldige landschappelijk uitwerking. Conclusie Het geplande ontwikkeling heeft beperkte negatieve invloed op eventuele cultuurhistorische waarden. In het ontwerp is rekening gehouden met cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Het aspect 'cultuurhistorie' staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

Rho adviseurs voor leefruimte

091409.20171538

44

4.8

Ecologie

Toetsingskader Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:  alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;  het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en  de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en

Rho adviseurs voor leefruimte

091409.20171538

45

vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming provincie Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.

In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een beschermd natuurgebied en NNN-gebied (zie figuur 4.4). De voorgenomen ontwikkeling leidt daarnaast niet tot externe effecten op Natura 2000-gebieden waardoor vervolgstappen in het kader van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming niet nodig zijn.

Rho adviseurs voor leefruimte

091409.20171538

46

Figuur 4.4 Beschermde gebieden (bron: geoloket Zuid-Holland) Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Om te bepalen of er mogelijk effecten op nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied zijn, is voor de aanlegfase is een AERIUS-berekening uitgevoerd (zie bijlage 10). Uit de berekening blijkt dat er geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr voor de aanlegfase. In de provincie Zuid-Holland zijn belangrijke weidevogelgebieden aangegeven in de Provinciale Omgevingsvisie onder de beleidskeuze: behoud en versterking biodiversiteit. De bescherming van weidevogelgebieden is geregeld in de verordening. In deze gebieden zijn geen nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen toegestaan die een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden.

Conform de Omgevingsverordening dienen de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte, kwaliteit en samenhang van de ecologische hoofdstructuur worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Hiertoe is het provinciale compensatiebeleid van toepassing zoals vastgelegd in de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (2013). De aanpassing van de N223 vindt voor een gedeelte in belangrijk weidevogelgebied plaats. Zoals blijkt uit de berekening in figuur 4.5 wordt door de realisatie van het project 11.521 m2 weidevogelleefgebied aangewend. Volgens het 120% compensatiebeginsel is minimaal 13.825 m2 compensatie noodzakelijk. De provincie Zuid-Holland zal in samenspraak met de gemeente Midden- Delfland en vereniging Vockestaert op zoek gaan naar een passende compensatie voor het weidevogelgebied. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient het compensatieplan te zijn opgesteld. Dit is in de regels vastgelegd door middel van een voorwaardelijke verplichting.

Rho adviseurs voor leefruimte

091409.20171538

47

Figuur 4.5 Berekening weidevogelcompensatie Soortenbescherming Ten behoeve van het aspect soortenbescherming is door Van der Helm Milieubeheer een ecologische quickscan uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage 11. Uit de quisckscan bleek dat nader soortgericht onderzoek noodzakelijk was om de aan-/afwezigheid van nesten van de sperwer, ransuil en buizerd te tonen. Daarnaast is geadviseerd om een soortgericht onderzoek uit te voeren naar de aan-/afwezigheid van voortplantings- en rustplaatsen van de rosse vleermuis, watervleermuis, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Ook het gebruik van de bomenrijen als vliegroute van deze soorten dient aangetoond of uitgesloten te worden. Naar aanleiding van de quickscan is door Adviesbureau Mertens B.V. een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 12. De belangrijkste conclusies van dit onderzoek zijn:  in het gebied vliegen en foerageren laatvlieger, meervleermuis, gewone en ruige dwergvleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren.  Vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen en de platte schijfhoren komt niet voor.

Op grond van de bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de plannen voor de optimalisatie van de N223 zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. Indirecte aantasting van de weidevogelleefgebieden langs de N223 is daarnaast uitgesloten omdat het plan geen verkeerstoename tot gevolg heeft. Wel zal er directe aantasting plaats vinden als gevolg van ruimtebeslag. Zoals uit het voorgaande blijkt zal de wijze van compensatie nader worden uitgewerkt in samenwerking tussen provincie Zuid-Holland, gemeente Midden-Delfland en vereniging Vockestaert. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Rho adviseurs voor leefruimte

091409.20171538

48

4.9

Kabels en leidingen

Toetsingskader Voor planologisch relevante kabels en leidingen geldt in het algemeen een belemmeringenzone waarmee in de ontwikkeling van een plangebied rekening moet worden gehouden. Onderzoek en conclusie In het plangebied en in de directe nabijheid van het plangebied liggen 2 planologisch relevante hogedruk aardgasleidingen. Daarnaast ligt er een planologisch relevante drinkwaterleiding in het plangebied. Deze leidingen blijven gehandhaafd en zijn bestemd voor Leiding - Gas en Leiding - Water. Voor werkzaamheden binnen de beschermingszones van deze leidingen is advies van de leidingbeheerder noodzakelijk. In het kader van de verdere uitvoering van de werkzaamheden is een KLIC melding gedaan en wordt voor overige leidingen beoordeeld of maatregelen nodig zijn.

4.10

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicorelevante inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.

Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken.

Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Rho adviseurs voor leefruimte

091409.20171538

49

Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering.

Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek Risicorelevante inrichtingen Volgens de risicokaart bevindt zich op circa 250 m ten noorden van de N223 een gasontvangstation (Gasunie W451). De aanpassingen hebben, gelet op deze ruime afstand, geen relevante gevolgen voor dit station. Vervoer van gevaarlijke stoffen De N223 is op de risicokaart niet aangegeven als transportas voor vervoer van gevaarlijke stoffen. De weg is door de gemeente wel aangewezen als doorgaande route voor gevaarlijke stoffen. Over de weg vindt dan ook wel vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Gezien de beperkte bebouwingsdichtheden rondom het plangebied zal in geen geval sprake zijn van een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Buisleidingen Volgens de risicokaart ligt parallel ten noorden van de N223 maar buiten het plangebied een hogedruk aardgasleiding (11227) met een diameter van 30 inch en een werkdruk van 66,2 bar (zie figuur 4.6). Daarnaast liggen er twee hogedruk aardgasleidingen in het plangebied (11625 en 10548). Deze leidingen blijven gehandhaafd en zijn planologisch geborgd in het bestemmingsplan.

Aangezien het plan eveneens geen ontwikkeling van (beperkt) kwetsbare objecten binnen de PR 10-6-contour mogelijk maakt, voldoet het plan aan de grenswaarden voor het PR.

Rho adviseurs voor leefruimte

091409.20171538

50

Figuur 4.6 Uitsnede risicokaart (bron: www.risicokaart.nl) Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.

Rho adviseurs voor leefruimte

091409.20171538

51

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische toelichting

Wettelijk kader

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde standaarden (thans SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar. Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is van belang voor bestemmingsplannen. Het Bro bepaalt verder dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijks als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld.

5.2

Opzet van de bestemmingsregeling

Verbeelding Eisen aan de verbeelding Belangrijke eis is dat het bestemmingsplan dient te voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar dient te zijn. In aansluiting hierop en in relatie tot de digitale verplichting verdient het de voorkeur zoveel mogelijk onderdelen van de regeling op de verbeelding zichtbaar te maken en de regels zo transparant mogelijk te houden. Voorts zijn de volgende eisen van toepassing:  de ondergrond waarop de verbeelding is gebaseerd, geeft informatie over de actuele (kadastrale) situatie;  op de verbeelding wordt met de bestemming en de aanduidingen aangegeven of, en zo ja welke bebouwing is toegestaan;  op het renvooi wordt de betekenis aangegeven van de bestemmingen en de aanduidingen;  de volgorde van de bestemmingen in het renvooi komt overeen met de volgorde zoals van de regels (alfabetisch). De bestemmingen in dit plan De bestemmingen In het plangebied zijn gericht op het faciliteren van de beoogde aanpassing van de weg. Enkel de gronden die noodzakelijk zijn voor de beoogde ontwikkeling zijn opgenomen in het plan. De bestemming 'Verkeer' is bedoeld voor de bestaande weg en nieuw aan te leggen rotonde. beoogde waterberging die gerealiseerd wordt heeft de bestemming 'Water'. De bestemming 'Recreatie Dagrecreatie' is opgenomen voor de picknickplaats.

Naast de bovengenoemde bestemmingen, komen er meerdere dubbelbestemmingen voor in verband met het aspect archeologie en het belang van leidingen en de waterkering.

Rho adviseurs voor leefruimte

091409.20171538

52

Volgorde regels Op grond van SVBP2012 hebben de hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, de volgende vaste volgorde: 1. In de Inleidende regels worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald; 2. In de Bestemmingsregels worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven waarmee die bestemmingen zoals die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven; 3. De Algemene regels bevatten een aantal regels (voorheen bepalingen genoemd) die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelbepaling of de bepaling welke wettelijke regeling van toepassing); 4. De Overgangs- en slotregels ten slotte geven overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan. Ook bij de opstelling van een bestemmingsbepaling (Hoofdstuk 2 van de regels) moet een vaste volgorde gebruikt worden: Een bestemmingsregel behoeft niet alle voorgeschreven elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels. Voorts is in het Bro een aantal bepalingen opgenomen waaraan de regels van het bestemmingsplan moeten voldoen. Het gaat hierbij om een aantal begrippen, regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti-dubbeltelbepaling.

Tot slot dienen de regels zoveel mogelijk aan te sluiten bij de modelregels voor bestemmingsplannen die onder andere ook voor andere bestemmingsplannen in de gemeente Midden-Delfland zijn gehanteerd. In onderhavig plan is aangesloten op de regeling uit het bestemmingsplan' Buitengebied Gras', zoals dit luidt na 1e herziening.

5.3

Toelichting op de regels

5.3.1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Dit artikel bevat begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt en een duidelijke definitie nodig hebben. Dit om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe hoogte en inhoudsmaten moeten worden gemeten of berekend. 5.3.2 Bestemmingsregels Artikel 3 Recreatie - Dagrecreatie Op deze gronden is een picknickplaats toegestaan. Daarnaast zijn voet- en fietspaden mogelijk. Op de gronden mag beperkt worden gebouwd. Artikel 4 Verkeer Binnen de bestemming Verkeer wordt de weg mogelijk gemaakt. De nieuwe weg met rotonde valt binnen deze bestemming. Hierbinnen zijn 2 x 1 rijstrook toegestaan met uitzondering van opstelstroken en busstroken. Ook vallen voet- en fietspaden, geluidswerende voorzieningen, straatmeubilair, nutsvoorzieningen, kunstwerken, groenvoorzieningen, water en parkeervoorzieningen hieronder. Artikel 5 Water Door de vernieuwing van de N223 wordt meer verhard oppervlakte aangebracht. Daarom is watercompensatie nodig, dit is geborgd binnen de bestemming Water. Rho adviseurs voor leefruimte

091409.20171538

53

Artikel 6 Leiding - Gas en Artikel 7 Leiding - Water In het plangebied ligt een gasleiding en een drinkwaterleiding. De leidingen en de bijbehorende belemmeringenzone zijn voorzien van een dubbelbestemming Leiding - Gas en Leiding - Water Hiermee wordt voorkomen dat bouwen, werken en werkzaamheden plaatsvinden zonder overleg met de leidingbeheerder. Artikel 8 Waarde - Archeologie 2, Artikel 9 Waarde - Archeologie 3 en Artikel 10 Waarde - Archeologie 4 Omdat in het plangebied gebieden aanwezig zijn waar een kans bestaat dat er archeologische sporen in de grond aanwezig zijn, zijn drie verschillende dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie opgenomen. De dubbelbestemmingen corresponderen met de gemeentelijke archeologiekaart. Voor bepaalde activiteiten op de gronden met de dubbelbestemming is een omgevingsvergunning voor bouwwerken, werken en werkzaamheden noodzakelijk. Archeologisch onderzoek is in verband met een omgevingsvergunning slechts noodzakelijk indien de bouwwerken, werken of werkzaamheden de maximale diepte (van de toegekende waarde) overschrijden. Artikel 11 Waarde - Beschermd dorpsgezicht Een klein gedeelte van het plangebied is aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Deze gronden zijn voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht'.

Dat betekent dat de gronden, naast de andere bestemmingen, bestemd zijn voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden zoals benoemd in het aanwijzingsbesluit. Binnen de dubbelbestemming is een aanlegverbod opgenomen, bovenop de aanlegverboden uit de andere bestemmingen. Dit voorziet in de eerste plaats in het aanbrengen van bovengrondse en ondergrondse transport-, energie- en-of telecommunicatieleidingen. Ook het beplanten van gronden met bomen en andere opgaande beplanting is opgenomen in dit aanlegverbod. Zo wordt onder meer voorkomen dat belangrijke zichtlijnen naar het landschap verdwijnen als gevolg van nieuwe beplanting en de waardevolle landschappelijke setting van 't Woudt verdwijnt. Artikel 12 Waterstaat - Waterkering De dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering is opgenomen ter bescherming van de waterkering. Dit omvat de waterkering en de beschermingszone die daar langs loopt. Voor het uitvoeren van werkzaamheden binnen de bestemming Waterstaat - Waterkering is een omgevingsvergunning vereist.

5.3.3 Algemene regels Artikel 13 Anti-dubbeltelregel De antidubbeltelregel voorkomt dat wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken neit meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mag beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Dit is bepaald in artikel 3.2.4 Bro. Artikel 14 Algemene bouwregels In de eerste bepaling is opgenomen dat bestaande maten, die meer of minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten hoogste toelaatbaar mogen worden aangehouden. Herbouw is uitsluitend mogelijk indien deze op dezelfde plaats plaatsvindt. Op de genoemde afwijkingen is daarnaast het overgangsrecht niet van toepassing. De tweede bepaling heeft betrekking op landhoofden behorende bij bruggen. Deze zijn toegestaan op bestemmingen grenzend aan de bestemming Water. Artikel 15 Algemene aanduidingsregels

Rho adviseurs voor leefruimte

091409.20171538

54

Molenbiotoop In dit artikel is de bescherming van de molenbiotoop geregeld. Veiligheidszone - leiding In dit artikel is bepaald dat het aantal beperkt kwetsbare objecten zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) niet mag toenemen in verband met de aanwezigheid van een risicovolle buisleiding. Artikel 16 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een beperkt afwijking geregeld van maximaal 10% van de bestaande maten en percentages. Met een omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag afwijken. Artikel 17 Algemene wijzigingsregels Dit artikel betreft wijzigingsbevoegdheden die voor het gehele plangebied van toepassing zijn. In de eerste bepaling is opgenomen dat bestemmingsgrenzen mogen worden overschreden indien dit noodzakelijk is voor technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken, of indien dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De tweede bepaling geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid het plan dusdanig te wijzigen, dat de aanleg mogelijk wordt van een boorlocatie voor aardwarmtewinning ten behoeve van de productie van energie voor één of meerdere glastuinbouwbedrijven. Artikel 18 Overige regels In het eerste lid is geregeld dat alle wettelijke regelingen, waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan.

Het tweede lid betreft een parkeerbepaling. 5.3.4 Overgangs- en slotregel Artikel 19 Overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. De Wet ruimtelijke ordening schrijft voor hoe de overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik in bestemmingsplannen dienen te luiden. Kort samengevat zijn hieronder de belangrijkste punten vermeld. Voor bouwwerken die aanwezig zijn op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan of die nog gebouwd kunnen worden op basis van een omgevingsvergunning voor het bouwen en die afwijken van het bestemmingsplan geldt, dat deze gedeeltelijk mogen worden vernieuwd of veranderd. De overgangsbepalingen voor bouwwerken bevat een calamiteitsregeling en een regeling op grond waarvan het dagelijks bestuur eenmalig kan worden afgeweken voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk dat onder de overgangsbepalingen valt met maximaal 10%. De overgangsregels voor het gebruik bepalen dat het gebruik dat op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is, mag worden voortgezet. Het met het bestemmingsplan strijdige gebruik mag niet worden veranderd in een ander strijdig gebruik, tenzij daardoor de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

Indien het strijdige gebruik langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten. De overgangsbepalingen zijn niet van toepassing op bestaande bouwwerken die zijn gebouwd zonder vergunning en bestaand gebruik in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Artikel 20 Slotregel De slotregel omvat de titel van het bestemmingsplan.

Rho adviseurs voor leefruimte

091409.20171538

55

Hoofdstuk 6

6.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de geplande ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier worden doorlopen. Voortaject Voorliggend plan heeft een intensief voorbereidingstraject doorlopen. Een beschrijving van dit proces is weergegeven in paragraaf 2.3. Wettelijk vooroverleg In het kader van het wettelijk vooroverleg is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de provincie Zuid-Holland, Hoogheemraadschap van Delfland en Bewonersvereniging 't Woudt. De ingekomen reacties worden hierna samengevat en van reactie voorzien. 1. Provincie Zuid-Holland Samenvatting De provincie is akkoord met het bestemmingsplan. Wel wordt verzocht in de ecologieparagraaf een tekstuele aanpassing te doen met betrekking tot de compensatie van weidevogelgebied. Reactie De tekstuele reactie wordt overgenomen in de ecologieparagraaf. 2. Hoogheemraadschap van Delfland Samenvatting  1.

2.

3.

Waterkwantiteit De getallen in de tekst voor het compenseren van de verharding kloppen niet met de getallen op de tekeningen en de watersleutel. Daarnaast staan er aantal onjuistheden in de ingevulde watersleutel. Gevraagd wordt de watersleutel per peilgebied opnieuw in te vullen met de juiste getallen en deze aan te passen voor de waterparagraaf en de tekeningen. Gevraagd wordt in de tekst onder het kopje ‘waterkwantiteit’ een tabel op te nemen met daarin per peilgebied het te dempen/ graven oppervlak aan water en het te compenseren water, zoals nu ook is aangegeven op de tekeningen in de bijlagen. Tevens aangeven dat de verharding opgenomen in de watersleutel het planologisch vlak is. Nu is er een klein tekort aan waterberging in het peilgebied WOP III.2. Dat is op zich geen punt, zolang dit tekort wordt gegraven in een lager gelegen polder waar het water vanuit WOP III.2 naar toe stroomt. In dit geval is dat WOP III.1. Graag (na herberekening met de watersleutel) bij een bergingstekort in een peilgebied expliciet in de tekst benoemen in welk peilgebied dit wordt gecompenseerd.

Rho adviseurs voor leefruimte

091409.20171538

56

4.

Tot slot dient in de regels van het bestemmingsplan een voorwaardelijk verplichting te worden opgenomen, waarin staat dat er pas begonnen mag worden met de verbreding van de weg nadat de x m3 water is gecompenseerd, mits in overeenstemming met Delfland anders wordt besloten.

 5.

Watersysteemkwaliteit en ecologie Er bevindt zich langs de parallelweg ’t Woudt-Koelaan een NVO in onderhoud van de provincie. Gevraagd wordt of deze ook bij fase 3B hoort. Doordat de watergang wordt verlegd, verdwijnt de huidige NVO. Deze moet gecompenseerd worden. Ofwel er moet een nieuwe NVO met hetzelfde oppervlak worden aangelegd. Dit wordt ook gedaan, maar dit ontbreekt nu in de tekst. Graag onder watersysteemkwaliteit en ecologie noemen dat er een NVO ligt langs de parallelweg. Daarnaast beschrijven wat er met de NVO gebeurt en dat deze weer opnieuw wordt aangelegd door de provincie. Graag benoemen wat er gebeurt met het afstromende hemelwater vanaf de weg. Vanuit het oogpunt waterkwaliteit heeft het de voorkeur dat dit hemelwater niet direct wordt geloost op de naastliggende watergangen, maar bijvoorbeeld via een berm afstroomt.

6.

7.

 8.

Onderhoud watergangen Dit onderwerp wordt gemist in de waterparagraaf. Graag een apart kopje maken en daaronder voor de huidige situatie beschrijven welke watergangen secundair en primair zijn in het plangebied en wat de verbreding van de weg betekent voor het onderhoud van de watergangen. Gevraagd wordt of er ruimte blijft voor onderhoud en bagger op de kant. Er ligt langs de watergangen een onderhoudsstrook. Blijft deze vrij?

 9.

Grondwater Dit onderwerp wordt gemist in de waterparagraaf. Graag een apart kopje maken wat de verbreding van de weg betekent voor de grondwaterstand. Neemt de kans op grondwateroverlast toe? En zo ja, wat zijn de mitigerende maatregelen die worden getroffen?

 Overig 10. Er worden een aantal tekstuele suggesties gedaan voor de waterparagraaf. Reactie 1. De watersleutel is naar aanleiding van de reactie opnieuw ingevuld, overlegd met het Hoogheemraadschap en akkoord bevonden. De waterparagraaf wordt hierop tevens aangevuld. 2. De waterparagraaf wordt op dit punt aangevuld. 3. De waterparagraaf wordt op dit punt aangevuld. 4. In artikel Verkeer is conform het advies van het Hoogheemraadschap een voorwaardelijke verplichting toegevoegd. 5. De NVO behoort wel tot het project fase 3B maar ligt niet binnen de begrenzing van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan regelt uitsluitend het nieuwe wegontwerp dat niet kan worden uitgevoerd op basis van het vigerende bestemmingsplan. 6. Zie reactie onder 5. Derhalve is het niet noodzakelijk dit op te nemen in de waterparagraaf. 7. De waterparagraaf wordt op dit punt aangevuld. 8. De waterparagraaf wordt op dit punt aangevuld. In het ontwerp van het aangepaste watersysteem is conform de regels van het Hoogheemraadschap rekening gehouden met onderhoudstroken met een breedte van 4 m. Hiermee zijn deze ook na planrealisatie bereikbaar en begaanbaar voor mensen en hun onderhoudsmateriaal. 9. De waterparagraaf wordt op dit punt aangevuld. 10. De tekstuele suggesties worden overgenomen in de waterparagraaf.

Rho adviseurs voor leefruimte

091409.20171538

57

3. Bewonersvereniging 't Woudt Samenvatting De bewonersvereniging heeft bezwaar tegen het verplaatsen van de bushalte bij 't Woudt met circa 500 m. Dit gaat ten koste van de bereikbaarheid van 't Woudt. In fase 3B gaat de halte van 't Woudt naar de rotonde bij de Molenlaan, uit verkeersveiligheidsoogpunt wenselijk, maar de nieuwe halte komt 500 m verder van het kerkdorp 't Woudt en bovendien erg dicht bij halte Noordlierweg (circa 300m). De kans is groot dat de busmaatschappij te zijner tijd tot samenvoeging komt. De busmaatschappij heeft recent ook al besloten dat lijn 32 van Delft - Naaldwijk v.v. al niet meer Den Hoorn aan doet. Verzocht wordt om nog eens te bekijken of er toch een veilige halte bij de Kerklaan van 't Woudt (huidige locatie) ontworpen kan worden, zodat verplaatsing voorkomen kan worden. Reactie De bushalte Groot Genoeg komt te vervallen op basis van de beperkte vervoersvraag, de onveilige oversteekbaarheid en de kosten van de aanleg een nieuwe bushalte die voldoet aan de landelijke en provinciale richtlijnen. De huidige bushalte ’t Woudt wordt verplaatst naar de nieuwe rotonde. Dit omdat de oversteekbaarheid van de N223 hier op een veiligere wijze geboden kan worden, ongelijkvloers via de bestaande fietstunnel. Dit is ook overeenkomstig met het onafhankelijke advies van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (te vinden op www.n223.nl).

Handhaven van de bushalte op de huidige locatie in het ontwerp van de reconstructie is geen optie. Als ook de CROWrichtlijn 226 ‘Veilig oversteken? Vanzelfsprekend’ aangeeft, dient het oversteken door voetgangers van een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom, waar de N223 onder valt, alleen te gebeuren op kruispunten. De huidige situatie voldoet eigenlijk al niet meer aan de huidige richtlijnen. Dat hier nog geen ongelukken zijn gebeurd mag geen reden zijn. Er is begrip dat de verplaatsing ten kostte gaat van de bereikbaarheid van ’t Woudt per openbaar vervoer. De verkeersveiligheid gaat echter altijd boven bereikbaarheid. De gemeente Midden-Delfland heeft zich ingespannen om het historische Kerkepad tussen de Molenlaan en ’t Woudt te herstellen, welke dan ook zou kunnen bijdragen aan een directe looproute tussen ’t Woudt en de nieuwe bushalte. Gesprekken tussen de gemeente en particulieren grondeigenaren zijn tot op heden echter niet vruchtbaar gebleken. Ten aanzien van de opmerking over de samenvoeging van haltes: Er is contact geweest met de concessieverlener (Metropoolregio Rotterdam Den Haag) en vervoerder (EBS). Zij zien geen reden om te aannemen dat de halte bij de Noord-Lierweg en de nieuwe rotonde t.h.v. de Molenlaan in de toekomst samengevoegd worden. De reactie leidt dan ook niet tot aanpassingen in het ontwerp.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=middendelfland&id=69d2ac7f-7a21-4e21-8748-a04d20f24a3d