06 VERSIE dd 23-10-20 Bestemmingsplan N223 duurzaam veilig fase 3B.pdf
Tekst van het document
Midden-Delfland N223 Duurzaam veilig fase 3B BESTEMMINGSPLAN
N223 duurzaam veilig fase 3B
Midden-Delfland
bestemmingsplan
identificatie
planstatus
identificatiecode:
datum:
status:
NL.IMRO.1842.BPN223DVF3A-va01
17-07-2019 14-11-2019 18-02-2020 27-10-2020
concept voorontwerp ontwerp vastgesteld
projectnummer:
091409.20171538 opdrachtleider:
drs. W. Kraaijeveld
Weena 505
aangesloten bij:
RBOI - Rotterdam postbusbv150 Delftseplein 27b 3000 AD R�W erdam Postbus 150 T: 010-20 18 555 3000 AD Rotterdam telefoon (010) E-mail: 201 85info@rho.nl 55 E-mail: info@rboi.nl
2
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
3
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
9
1.1
Aanleiding
9
1.2
Ligging plangebied
9
1.3
Planologische regeling
10
1.4
Leeswijzer
10
Hoofdstuk 2
Projectbeschrijving
11
2.1
Huidige situatie
11
2.2
Nut- en noodzaak van een duurzaam veilige N223
13
2.3
Voortraject ontwerp duurzaam veilig fase 3
14
2.4
Nieuwe situatie
15
2.5
Landschappelijke inpassing
20
2.6
Conclusie
21
Hoofdstuk 3
Beleidskader
23
3.1
Rijksbeleid
23
3.2
Provinciaal beleid
24
3.3
Gemeentelijk beleid
30
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
31
4.1
Milieueffectrapportage
31
4.2
Bodemkwaliteit
32
4.3
Water
32
4.4
Wegverkeerslawaai
38
4.5
Luchtkwaliteit
39
4.6
Archeologie
40
4.7
Cultuurhistorie
42
4.8
Ecologie
44
4.9
Kabels en leidingen
48
4.10
Externe veiligheid
48
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
51
5.1
Wettelijk kader
51
5.2
Opzet van de bestemmingsregeling
51
5.3
Toelichting op de regels
52
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
55
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
55
6.2
Economische uitvoerbaarheid
58
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
4
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1
Nota zienswijzen
Bijlage 2
Ontwerpnotitie Voorlopig Ontwerp
Bijlage 3
Ontwerpnotitie Duurzaam Veilig Fase 3 en aansluiting
Bijlage 4
Watersleutel
Bijlage 5
Notitie grondwater
Bijlage 6
Advies landschappelijke inpassing
Bijlage 7
Verkeersveiligheidstoets
Bijlage 8
Onderzoek luchtkwaliteit
Bijlage 9
Akoestisch onderzoek
Bijlage 10
Stikstofberekening
Bijlage 11
Ecologische quickscan
Bijlage 12
Aanvullend ecologisch onderzoek
Bijlage 13
Archeologisch vooronderzoek
Bijlage 14
Archeologische verwachtingskaart
Bijlage 15
Oplegnotitie aanvullend archeologisch onderzoek
Regels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
93
Artikel 1
Begrippen
93
Artikel 2
Wijze van meten
95
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
97
Artikel 3
Recreatie - Dagrecreatie
97
Artikel 4
Verkeer
98
Artikel 5
Water
99
Artikel 6
Leiding - Gas
101
Artikel 7
Leiding - Water
103
Artikel 8
Waarde - Archeologie 2
104
Artikel 9
Waarde - Archeologie 3
106
Artikel 10
Waarde - Archeologie 4
108
Artikel 11
Waarde - Beschermd dorpsgezicht
110
Artikel 12
Waterstaat - Waterkering
111
Hoofdstuk 3
Algemene regels
113
Artikel 13
Anti-dubbeltelregel
113
Artikel 14
Algemene bouwregels
114
Artikel 15
Algemene aanduidingsregels
115
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
5
Artikel 16
Algemene afwijkingsregels
116
Artikel 17
Algemene wijzigingsregels
117
Artikel 18
Overige regels
118
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
119
Artikel 19
Overgangsrecht
119
Artikel 20
Slotregel
120
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
6
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
Toelichting
8
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
9
Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding
De provincie Zuid-Holland werkt in samenwerking met de gemeenten Midden-Delfland en Westland aan het project 'N223 Duurzaam Veilig'. In het kader van de economische ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden in het Westland en de groei van de kernen is de huidige wegenstructuur niet voldoende toereikend om het verkeer tussen het Westland en de A4 op een goede en veilige manier te faciliteren. De provincie heeft daarom het project N223 Duurzaam Veilig opgestart, waarbij de N223 in 3 fasen een reconstructie zal ondergaan. Hierbij worden de kruispunten vervangen door rotondes en wordt het profiel van de weg aangepast. De weggedeelten tussen knooppunt Westerlee – Sportlaan en Sportlaan – Zijdekadebrug zijn duurzaam veilig ingericht. In 2018 wordt de rotonde Noordlierweg gerealiseerd. Fase 3 betreft het traject vanaf de Noordlierweg tot aan de kruising met de A4. Het besluitvormingstraject van fase 3 heeft als gevolg van een zorgvuldig omgevingstraject langer geduurd. Gedurende een aantal jaar is in nauw overleg met de gemeente Midden-Delfland en de omgeving gezocht naar een optimale inpassing van het ontwerp in de omgeving.
Hierbij is gekeken naar verkeerskundige aspecten zoals doorstroming en ontsluiting van het onderliggende wegennet, naar ruimtelijke aspecten zoals het open karakter van het gebied en het behoud van landschappelijke waarden, en ontwerptechnische aspecten zoals de kruising van de ringvaart, kabels en leidingen en watercompensatie. Parallel aan dit proces is gebleken dat er actuele noodzaak bestaat om groot onderhoud uit te voeren op het trajectdeel tussen ’t Woudt en de A4. Vanuit deze noodzaak om snel tot uitvoering van groot onderhoud te komen op het oostelijk deel van het tracé van fase 3 is besloten het project op te knippen in een fase 3A en 3B. Fase 3B betreft het deel tussen 't Woudt en de Molenlaan / brug over de Monsterwatering. Fase 3B past niet geheel binnen de vigerende bestemmingsplannen Buitengebied Gras (2013) en 't Woudt (2012). De provincie heeft in overleg met de gemeente Midden-Delfland besloten om fase 3B net als rotonde Noordlierweg, mogelijk te maken door middel van een bestemmingsplan.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied betreft de N223 (Woudseweg) tussen 't Woudt en Molenlaan / brug over de Monsterwatering. De situering van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
10
Figuur 1.1 Ligging plangebied
1.3
Planologische regeling
Het plangebied
momenteel juridisch-planologisch geregeld in de volgende bestemmingsplannen:
Bestemmingsplan Buitengebied Gras 1e herziening Buitengebied Gras 't Woudt
1.4
Vastgesteld 25-06-2013 26-03-2019 26-02-2013
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt de ontwikkeling nader beschreven. Daarbij komt de huidige situatie aan bod en wordt vervolgens ingegaan op de toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 schetst het relevante beleidskader voor het plan. Daarbij wordt ingegaan op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 worden de omgevingsaspecten behandeld, waaraan de nieuwe ontwikkeling wordt getoetst. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische aspecten van het plan. In hoofdstuk 6 worden de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan toegelicht.
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
11
Hoofdstuk 2
Projectbeschrijving
Dit hoofdstuk beschrijft de huidige en gewenste situatie in het plangebied. De gewenste situatie is het uitgangspunt voor het goed te keuren bestemmingsplan en moet op een goede manier in de huidige situatie gepast worden.
2.1
Huidige situatie
De N223 (Woudseweg) loopt in een lange rechte lijn door het open veenweidelandschap van Midden-Delfland en vormt de verbinding tussen de A4 bij Delft via knooppunt Westerlee-Maasdijk in het Westland naar Hoek van Holland (figuur 2.1). Het plangebied betreft een gedeelte van het oostelijke deel van de N223 in de gemeente Midden-Delfland. De openheid en het agrarisch karakter vormen belangrijke kwaliteiten van dit gebied, met name ook in contrast met de verstedelijkte gebieden er omheen.
Figuur 2.1 Ligging N223 in het provinciale en rijkswegennet (bron: provincie Zuid-Holland) Cultuurhistorie en landschap zijn hier nauw met elkaar verweven in de vorm van de aanwezige historische verkavelingen en enkele fraaie, op een kreekrug gesitueerde boerderijen. Ten noorden van de weg ligt de Woudse Polder en ten zuiden de Klaas Engelbrechtspolder. De Woudse Polder wordt gekenmerkt door een blokvorming verkaveling met enkele verspreide erven en het dorpje ’t Woudt. De open ruimte wordt begrensd door de kascomplexen langs de Zweth (in het noorden) en die bij de Lier (in het westen). Aan de oostzijde vormt de A4 de begrenzing.
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
12
De Klaas Engelbrechtspolder heeft een langgerekte verkaveling en wordt als ruimte aan de zuidoostzijde afgebakend door de Gaag met daarlangs de bebouwing van Hodenpijl en Schipluiden. Aan de westzijde vormt de Monsterwatering met erachter gelegen kassen de begrenzing. Aan de oostzijde van de polder bevinden zich enkele losse erven. Direct ten zuiden van de N223 bevindt zich tevens een boerderij. Markant is het dorp ’t Woudt, dat als een eiland in de open ruimte ligt en getekend wordt door een fraai dorpsilhouet met een markante kerktoren. ‘t Woudt vormt ook historisch gezien een waardevol ensemble en is aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Verder is de Groenveldsche- of Monsterwatering als historische en landschappelijke structuur van belang. Aan deze boezem-watergang staat de Groeneveldse Molen (1719); één van de weinige overgebleven watermolens in Midden Delfland. In landschappelijke zin vormt de watergang een grens in het landschap; enerzijds door de hogere ligging van de kades, maar vooral ook door het feit dat het de grens vormt tussen het open veenweidegebied en de kassen van het Westland. Vanaf de weg zijn verre zichten mogelijk door het open veenweidegebied.
Daarbij spelen landmarks als het dorpsgezicht van ’t Woudt en kerktorens (Schipluiden, Hodenpijl) een belangrijke rol ter oriëntatie Het kassencomplex aan de Molenlaan ligt los in de ruimte en ontneemt het zicht op het achtergelegen open polder en de molen die hier aan de Groeneveldse Watering staat. De langste zichtlijnen zijn er vooral in zuidelijke richting, waarbij het zicht zich ook tot ver achter het silhouet van Schipluiden uitstrekt (zie figuur 2.2).
Figuur 2.2 De N223 (Woudseweg) ter hoogte van het plangebied, gezien in westelijke richting (bron: google streetview) De weg ligt precies op de scheiding tussen beide polders en voegt zich qua oriëntatie naar de verkaveling van Klaas Engelbrechtspolders. De weg ligt daarmee vanzelfsprekend in het landschap, zonder opvallende doorsnijdingen van de landschappelijke hoofdstructuur. Vanuit de omgeving is de weg maar beperkt zichtbaar; andere doorgaande routes liggen op vrij grote afstand. Voor fietsers lopen er routes langs de N223 zelf (aan weerszijden een dubbelzijdig fietspad), een route langs de Monsterwatering in zuidelijke richting naar Schipluiden en een route in noordelijke richting via ’t Woudt naar de Zweth en Delft (via Harnaschwatering). De weg ligt vrij vlak in het landschap en kent weinig begeleidend ‘meubilair’. Bij de aantakkende wegen staat een enkele lantaarnpaal en bewegwijzering. De weg is aan de noordzijde deels beplant met een (jonge) bomenrij.
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
13
Richting de kruising met de Groenveldsche- of Monsterwatering buigt de N223 af en loopt de weg omhoog richting de brug. Er is sprake van een bescheiden verkeerskundige knoop met behalve de provinciale weg ook een fietstunnel, een houten fietsbrug en erftoegangen tot de bedrijven langs de Molenlaan. De plek heeft ook een recreatieve betekenis in de vorm van een parkeerterrein en diverse picknickplekken. Ter weerszijden van dit deel van de weg staat beplanting; aan de zuidzijde met name in de vorm van opgekroonde bomen, aan de noordzijde in de vorm van dicht bosplantsoen.
2.2
Nut- en noodzaak van een duurzaam veilige N223
Wat is duurzaam veilig? Het Duurzaam Veilig inrichten van wegen houdt in dat wegen zo ingericht worden dat de verkeersveiligheid verbetert. Dit betekent dat er dubbele belijning komt op de weg, zodat er meer ruimte is tussen het tegemoetkomend verkeer. Ook zijn er geen obstakels (bomen) aan de zijkant van de weg en geen uitritten meer die direct uitkomen op de doorgaande weg. In plaats daarvan gaat het verkeer over een parallelweg die middels een rotonde uitkomt op de doorgaande weg. Wat is er al gedaan? De weggedeelten tussen knooppunt Westerlee – Sportlaan en Sportlaan – Zijdekadebrug zijn inmiddels duurzaam veilig ingericht. Ook verkeersveiligheid en leefbaarheid bij de kruising Noord-Lierweg met de Oostbuurtseweg is door de aanleg van een rotonde verbetert. Daardoor is als sprake van een betere doorstroming vanuit de zijwegen van de N223. Waarom is fase 3 noodzakelijk? Het tracé van de N223 tussen de Noord-Lierweg en de kruising met de A4 is een traditionele provinciale weg met enkele zijwegen en uitritten. De N223 is een gebiedsontsluitingsweg, de zijwegen zijn erftoegangswegen. De drie kruispunten met de erftoegangswegen zijn vormgegeven als voorrangskruispunt (respectievelijk van west naar oost: Molenlaan/Woudseweg, `t Woudt, Koelaan).
De Molenlaan en `t Woudt hebben een snelheidslimiet van 30 km/h en zijn voor motorvoertuigen 'doodlopende weg', de Koelaan is ook doodlopend en is een 'eigen weg'. Bij alle kruispunten kunnen fietsers en bromfietsers vanaf het zuidelijk gelegen fiets-/bromfietspad de rijbaan oversteken; alleen bij `t Woudt is dat vormgegeven met voldoende verhardingsbreedte en voorrangstekens. Er is een fiets-/bromfietstunnel ter hoogte van de Kleine Zijkade. De rijbaan van de N223 is ter plaatse nu circa 6,50 meter breed met een enkele doorgetrokken deelstreep en doorgetrokken kantmarkeringen. Aan beide zijden van de rijbaan ligt een fietspad en een berm van circa 3 meter breed tussen rijbaan en fietspad. De rijbaanbreedte zou hier 7,50 meter moeten bedragen met een asstreep tussen de rijrichtingen, onderbroken kantmarkeringen, redresseerruimte aan beide zijden van de rijbaan, draagkrachtige bermen van minimaal 2,40 meter (vanaf binnenkant kantstreep) en een obstakelvrije ruimte van minimaal 3,051 meter tussen hoofdrijbaan en parallelweg. Tussen hoofdrijbaan en fietspad zou de minimale obstakelvrije zone conform CROW, samen met belijning en redresseerstrook, en minimaal 4,05 meter moeten zijn.
De weg en de berm zijn te smal, de herkenbaarheid is onvoldoende, er zijn conflictpunten tussen verschillende soorten verkeersdeelnemers (vrachtverkeer, landbouwverkeer, autoverkeer, fiets- en voetverkeer) en de verkeersintensiteit op de N223 is de laatste jaren toegenomen, De combinatie van deze factoren zorgt er voor dat de N223 aan een reconstructie toe is.
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
14
Op het relatief korte tracé N223 Fase 3 zijn drie aansluitingen aan de noordzijde (de Molenlaan, ’t Woudt en de Koelaan). Aan de zuidzijde bevinden zich een tweetal clusters van uitritten (Woudseweg 25 t/m 29 en 21(a) en 23) en diverse perceelontsluitingen. Dit conflicteert met de filosofie van Duurzaam Veilig, zoals gehanteerd binnen de provincie Zuid-Holland, om zoveel mogelijk aan de landelijke richtlijnen van de CROW te voldoen. De op- en afrijbaarheid van de weg voor weggebruikers is, vooral in de spitsmomenten, slecht. Door de grote drukte op de N223 wordt het steeds moeilijker om op een veilige manier de N223 op te rijden. Er zijn regelmatig onveilige situaties en er heerst een groot gevoel van onveiligheid onder de bewoners en gebruikers. Dit wordt gestaafd door cijfers met betrekking tot de ongevallenfrequentie.
2.3
Voortraject ontwerp duurzaam veilig fase 3
Het project Duurzaam Veilig Fase 3 is ontstaan nadat bekend werd dat dit tracédeel niet gelijktijdig met fase 2 gerealiseerd kon worden. Tijdens fase 2 zijn echter wel al een aantal activiteiten buitgevoerd en zijn verschillende oplossingsrichtingen verkend ten aanzien van de herinrichting van dit deel van het tracé. Zo is in het originele ontwerp van fase 2 (in 2008) sprake van een tweetal voorrangskruispunten (ter hoogte van de Molenlaan en ’t Woudt). Vervolgens zijn door de Provincie in 2011 twee varianten opgesteld met een meerstrooksrotonde tussen het ’t Woudt en de Molenlaan (één dicht op ’t Woudt, één meer richting het westen). Door de bewoners van ‘t Woudt is een alternatief met een voorrangskruispunt tussen ’t Woudt en de Koelaan (ten oosten van ’t Woudt) aangedragen. Door een ondernemer is een voorstel met een meerstrooksrotonde ter hoogte van de Molenlaan gedaan. Doorslaggevend draagvlak voor een van deze varianten ontbrak echter. In 2014 is een nieuwe start gemaakt vanuit de invalshoek dat verkeersveiligheid het belangrijkste gedeelde belang is, direct gevolgd door landschappelijke inpassing en doorstroming. Om tot een gedragen oplossing te komen zijn al diverse stappen doorlopen.
Zo zijn gesprekken gevoerd met verschillende stakeholders (bewoners, bedrijven, overheden en belangenverenigingen), ontwerpsessies uitgevoerd, diverse oplossingsrichtingen en varianten opgesteld, twee bewonersavonden georganiseerd en (ambtelijke) overleggen gevoerd. Tijdens de bewonersavond 29 januari 2015 zijn drie varianten gepresenteerd: Variant 1: Rotonde Molenlaan Variant 2: Parallelstructuur Variant 3: Kruispuntoplossingen Volgend op deze bewonersavond hebben provincie Zuid-Holland en gemeente Midden-Delfland op woensdag 11 maart 2015 een gesprek gevoerd over de verdere stappen in de besluitvorming. Hierbij is men tot de conclusie gekomen dat er nog twee varianten mogelijk zijn, namelijk: het Kruispuntoplossingen-variant met een parallelstructuur aan de zuidzijde; de Rotonde-variant; Hierbij is afgesproken de varianten verder te onderzoeken op basis van inpasbaarheid, kosten en verkeersveiligheid. Dit onderzoek is in 2015 uitgevoerd en vastgelegd in een rapportage (Ontwerpnotitie SO 1.3, zie bijlage 3). Na een zorgvuldige afweging van de landschappelijke inpassing en Duurzaam Veilige inrichting, rekening houdend met aandachtspunten voor het vervolgproces, genoot de rotonde-variant hierin de voorkeur.
De uitkomsten van deze rapportage leidde echter niet tot eenduidige voorkeur voor één van de twee varianten, waarbij de gemeente en provincie van mening verschilden over zowel de landschappelijke als
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
15
de verkeerskundige aspecten van beide varianten. Hierop is in onderling overleg besloten onafhankelijke adviezen in te winnen ter ondersteuning van de besluitvorming door het bestuur. Vervolgens hebben de Provinciaal Adviseur Ruimtelijke Kwaliteit (PARK) en Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeerveiligheid (SWOV) de varianten met elkaar vergeleken en eind mei 2016 hun voorkeur uitgesproken (zie bijlage 6). De PARK concludeert op het gebied van landschappelijke inpassing dat dit tot een lichte voorkeur leidt voor de rotonde-variant. Het SWOV concludeert op het gebied van verkeersveiligheid dat de e Rotondevariant een (iets) betere uitkomst heeft dan de Kruispuntenvariant (zie bijlage 7. Beide partijen hebben ook aanbevelingen gegeven om de landschappelijke inpassing en verkeersveiligheid binnen de voorkeursvariant te optimaliseren. Op basis hiervan zijn de gemeente Midden-Delfland en Provincie op ambtelijk (15 juni 2016) en bestuurlijk niveau (3 november 2016) overeengekomen dat de rotonde-variant de voorkeur geniet binnen het Duurzaam Veilig herinrichten van de N223 fase 3. Dit is verwerkt in de ontwerpnotitie Voorlopig Ontwerp DVF (bijlage 2). Deze versie is op 26 september 2017 vastgesteld door de gemeenteraad van Midden-Delfland.
2.4
Nieuwe situatie
Inleiding In de nieuwe situatie wordt een meerstrooksrotonde dicht op de Molenlaan en de brug over de Monsterwatering gesitueerd. De gedachte hierbij is dat door de rotonde in de 'westelijke hoek' te plaatsen bij de Monsterwatering en bebouwing van de (glastuinbouw)bedrijven aan de Molenlaan, het open karakter zo min mogelijk verstoord wordt en de rotonde een zo goed mogelijke landschappelijke inpassing kent. Aan de noordzijde van de rotonde sluit de Molenlaan haaks aan, waarbij de Woudseweg (richting 180 t/m 184) en de parallelstructuur richting ‘t Woudt en de Koelaan aansluiten op de Molenlaan. Aan de zuidzijde van de rotonde is er de aansluiting van de parallelstructuur richting de Woudseweg 25 t/m 29. Aan de oostzijde van het tracé is gekozen voor een korte parallelstructuur tussen Woudseweg 21(a) en 23, de Klaas Engelbrechtsweg en rotonde N468/A4. Doordat de parallelstructuur aan de zuidzijde niet doorloopt tussen de Woudseweg 25 t/m 29 en 21(a)/23, zijn er nog een aantal percelen welke vanaf de N223 benaderd moeten worden door landbouwverkeer. Rotonde De nieuwe meerstrooksrotonde wordt vormgegeven op basis van het Handboek Ontwerpcriteria Wegen 4.0. Dit houdt onder andere in dat er goed zicht moet zijn op de conflictpartij (takken of aansluitende wegen sluiten haaks aan) en dat de rotondestroken goed berijdbaar zijn door 16,50 m lange voertuigen.
Op de hoofdstroom (N223) wordt een toeleidende tak aan de linkerzijde van de bestaande rijkstrook toegevoegd (uitvoegen van rechts naar links). Op de afleidende tak wordt de rijstrook aan de rechter rijstrook beëindigd (invoegen van rechts naar links). Zie figuur 2.3 voor een impressie van de inpassing van de rotonde.
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
16
Figuur 2.3 Impressies
inpassing rotonde Molenlaan (bron: IV Infra BV)
Aan de zuidzijde van de rotonde blijft de huidige fietsstructuur gehandhaafd. Het fietspad van en naar de Lier gaat, ter plaatse van de zuidelijke aansluiting op de rotonde, over in een parallelstructuur. Molenlaan De Molenlaan wordt verbreed naar 5 meter, zodat het verkeer elkaar eenvoudiger kan passeren. Daarnaast is een vrijliggend fietspad aangebracht tussen de (houten) brug over de Monsterwatering en de Noordelijke parallelstructuur. Aan de noordzijde past de nieuwe aansluiting binnen het huidige ruimtebeslag, maar vervalt het parkeerterrein. Ter compensatie van het parkeerterrein wordt een tiental langsparkeervakken langs de Molenlaan aangebracht. De gemeentelijke ambitie om een parkeervoorziening op deze locatie middels een Kerkepad met ’t Woudt te verbinden wordt hierdoor mogelijk gehouden.
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
17
Openbaar vervoer De huidige bushalte ter hoogte van ’t Woudt wordt verplaatst naar de nieuwe rotonde. Dit omdat de oversteekbaarheid van de N223 hier op een veiligere wijze geboden kan worden, ongelijkvloers via de bestaande fietstunnel. Dit is ook overeenkomstig met het onafhankelijke advies van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (zie www.n223.nl). Handhaven van de bushalte op de huidige locatie in het ontwerp van de reconstructie is geen optie. Zoals ook de CROW richtlijn 226 ‘Veilig oversteken? Vanzelfsprekend’ aangeeft, dient het oversteken door voetgangers van een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom, waar de N223 onder valt, alleen te gebeuren op kruispunten. De huidige situatie voldoet niet meer aan de huidige richtlijnen. Vanuit deze oversteekbaarheid is ook gekozen de zuidelijke bushalteplaats niet na de rotonde te plaatsen (zoals normaliter de voorkeur geniet), maar ervoor. Dit vermindert immers de onderlinge afstand tussen de bushalteplaatsen, en stimuleert de oversteek via de tunnel. Beide bushalteplaatsen zullen voldoen aan de Provinciale richtlijnen en voorzien worden van fietsbeugels en een haal- en breng mogelijkheid per auto ter hoogte van de Molenlaan. De exacte locatie en inpassing van de fietsbeugels wordt afgestemd op de landschappelijke inrichting.
De noordelijke bushalte wordt middels een hellingbaan en trap ontsloten op het fietspad. Brug Hooge Heul De huidige brug Hooge Heul (over de Monsterwatering) behoudt haar indeling met een rijbaan en fietspad aan de zuidzijde. De inrichting wordt echter wel aangepast op de nieuwe ontwerprichtlijnen (rijbaan 7,5 meter breed) Door het bredere profiel en de extra rijstrook / verdrijvingsvlak ten behoeve van de invoegstrook na de meerstrooksrotonde is het noodzakelijk de fietstunnel te verlengen. Trajectdeel 't Woudt en Koelaan Figuur 2.4 duidt de nieuwe situatie ter hoogte van ‘t Woudt en de boerderijen langs de Woudsweg aan. Om het profiel van de N223 niet teveel in noordelijke richting te verschuiven (in verband met grondverwerving) is besloten de ruimte tussen de hoofdrijbaan en de zuidelijke parallelstructuur te beperken en daar een houten geleiderail te plaatsen. De zuidelijke parallelstructuur is hier lokaal van 5,0 meter breed in plaats van 5,5 meter. Deze parallelweg eindigt ter hoogte van de toegang naar het perceel naast de Woudseweg 25. Aan de noordzijde is een doorlopende parallelstructuur van 5,5 meter breed, waar ’t Woudt op aansluit. Aan beide zijden zijn de bushaltes vervallen en verplaatst naar de rotonde.
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
18
Figuur 2.4 Impressie situatie ter hoogte van 't Woudt (bron: IV Infra BV) Aansluiting Koelaan Op figuur 2.5 is de nieuwe situatie ter hoogte van de Koelaan (eigen weg Woudseweg 178/178a) te zien. De parallelstructuur eindigt hier en gaat over in een vrijliggend fietspad richting de Oude Woudseweg (parallel aan de N223). Aan de zuidzijde ligt een vrijliggend fietspad (tussen de twee parallelstructuren). De drie landbouwverkeer-uitritten aan de zuidzijde worden gehandhaafd, omdat hier geen verkeersveiligheidsrisico’s in worden gezien (laag gebruik en buiten de spits).
Figuur 2.5 Aansluiting Koelaan (bron: IV Infra BV)
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
19
Figuur 2.6 Aansluitingen 't Woudt en Koelaan (bron: IV Infra BV) Langzaam verkeer Aan de noordzijde wordt het (brom)fietsverkeer ter hoogte van de Molenlaan gescheiden van het gemotoriseerd verkeer middels een nieuw vrijliggend (brom)fietspad. Vervolgens is er een oversteek van deze Molenlaan en maakt het (brom)fietsverkeer gebruik van een parallelweg welke via ’t Woudt tot aan de Koelaan loopt. Hier is er de aansluiting op het huidige (brom)fietspad, welke aansluit op de Oude Woudseweg. Aan de zuidzijde wordt in het project ‘Rotonde Noord-Lierweg’ een parallelstructuur gecreëerd tot aan de inrit van Woudseweg 31/Kwekerij Schenkeveld (aan de westzijde van de Monsterwatering). Vanaf hier loopt vervolgens een (brom)fietspad over de brug over de Monsterwatering tot aan de meerstrooksrotonde. Vanaf hier maakt het (brom)fietsverkeer gebruik een parallelweg tot de aansluitingen van Woudseweg 25, 27 en 29. Vervolgens is er het huidige vrijliggende (brom)fietspad tot aan de Woudseweg 21(A) en 23. Deze worden wederom ontsluiten via een parallelweg, welke aansluiting op de Klaas Engelbrechtsweg en rotonde N468/A4. De beoogde situatie voor de afwikkeling van het langzaam verkeer is weergegeven in figuur 2.7.
Figuur 2.7 Afwikkeling langzaam verkeer (bron: IV Infra BV) Inrichting van de parallelwegen Een van de doelstellingen binnen de Duurzaam Veilig visie is het combineren, en daarmee minimaliseren, van aansluitingen op de doorgaande hoofdrijbaan. Binnen dit project betekent dit dat de drie aansluitingen op de N223 aan de noordzijde (de Molenlaan, ’t Woudt en de Koelaan) gecombineerd worden op de noordelijke tak van de rotonde. ’t Woudt en de Koelaan worden hierbij op de rotonde aangesloten via een nieuwe parallelweg. Aan de zuidzijde worden drie erfaansluitingen (en een perceelaansluiting) van de Woudseweg 25 t/m 29 gecombineerd, welke ook via een nieuwe parallelweg op de rotonde aangesloten worden. Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
20
2.5
Landschappelijke inpassing
Het project N223 Duurzaam veilig Fase 3B ligt in en maakt onderdeel uit van het bijzondere en karakteristieke open veenweidegebied van Midden-Delfland en wel op de grens van twee bijzondere polders, de Woudsepolder en de Klaas Engelbrechtspolder. Het kerkdorp ’t Woudt wordt als ‘kroonjuweel’ bestempeld. De karakteristiek van deze twee polders als onderdeel van Midden-Delfland wordt uitvoerig beschreven in enerzijds het Landschapsontwikkelingsperspectief Midden-Delfland 2015 (LOP) opgesteld door de gemeente Midden-Delfland en anderzijds het Gebiedsprofiel opgesteld door de provincie Zuid-Holland in maart 2012. Met belangrijke stakeholders is gezocht naar de beste oplossingen om de beoogde verkeerskundige ingrepen zo goed als mogelijk in te passen in het waardevolle landschap. Zo zijn eisen, wensen en aandachtspunten geïnventariseerd in gesprek met de Midden-Delfland Vereniging, Stichting Midden-Delfland is Mensenwerk, Historische vereniging Oud-Schipluiden, Agrarische Natuurvereniging Vockestaert en gemeente Midden- Delfland. De verkeerstechnische uitwerking is daarnaast in samenspraak met een landschapsarchitect opgesteld. In hoofdlijnen zijn voor de landschappelijke inpassing de volgende uitgangspunten voor fase 3B gehanteerd.
Rotonde Molenlaan De situering van de rotonde met de aansluiting van de Molenlaan is zo dicht als mogelijk gekoppeld aan de overgang met de Monsterwatering. Deze locatie ligt op de grens tussen bebouwing/kassen en de openheid van het landschap. De mogelijkheden om deze landschappelijk in te passen geeft op deze locatie zo min mogelijk 'ruis' in het open landschap. Daarnaast zijn de volgende uitgangspunten voor een goede landschappelijke inpassing voorzien: Door de wegreconstructie moet de bestaande beplanting worden verwijderd. De populieren aan de zuidzijde van het fietspad bij de rotonde blijven gehandhaafd. Aan het einde van de levensduur van deze bomen zal vanwege het zicht vanaf het uitzichtpunt / recreatievoorziening en de verstorende invloed van deze hoge bomen op weidevogels geen herplant plaatsvindt. Met het aanbrengen van nieuwe beplantingen wordt rekening gehouden met zichtlijnen op en in het landschap en de landschappelijke 'iconen'. Het aanbrengen van nieuwe bosschages langs de oprit/brug over de Monsterwatering (gemengd gebiedseigen sortiment). Het aanbrengen van bomen (Els) langs het nieuw aan te leggen fietspad, parallel aan de Molenlaan. Het aanbrengen van enkele knotwilgen langs de Woudseweg (nabij de kassen). Het aanbrengen van fruitbomen en enkele picknickbanken nabij de fietsbrug over de Monsterwatering.
(Het al dan niet aanplanten van de fruitbomen is afhankelijk van de goedkeuring van het Hoogheemraadschap van Delfland, omdat deze bomen binnen de grens Waterstaatswerk en in de Beschermingszone vallen). Het aanbrengen van een uitzichtpunt / recreatievoorziening met uitzicht over Klaas Engelbrechtspolder. Langs de Molenlaan langsparkeerplaatsen uitvoeren met grasbetontegels. Alle bermen zoveel als mogelijk als kruidenrijke grasbermen uit te voeren (extensief beheer), met name rietgroei voorkomen in verband met zichtbeperking. terughoudend beleid ten opzichte van obstakels. Trajectdeel 't Woudt en Koelaan De aansluiting van ‘t Woudt en de Woudhoeve (via de parallelstructuur) worden volop in beeld gebracht. De oprijlaan naar ‘t Woudt en de karakteristieke bomen voor de Woudhoeve bepalen hier het beeld in de openheid. Daarnaast zijn de volgende uitgangspunten voor een goede landschappelijke inpassing voorzien:
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
21
2.6
Bestaande bomen aan de noordzijde van de weg verwijderen (uitzichtbelemmerend). Bestaande rietkragen langs de sloot aan de noordzijde verwijderen (uitzichtbelemmerend). Handhaven bomen langs ‘t Woudt. Handhaven monumentale bomen voor boerderij Woudhoeve. Alle bermen zoveel als mogelijk als kruidenrijke grasbermen uit te voeren (extensief beheer), met name rietgroei voorkomen in verband met zichtbeperking. Terughoudend beleid ten opzichte van obstakels.
Conclusie
Het inrichten van de N223 conform het Duurzaam Veilig principe, het aanleggen van een parallelstructuur en de realisatie van een rotonde op het kruispunt met de Molenlaan zorgt voor een verbetering van de verkeersveiligheid voor alle weggebruikers. Door de genoemde maatregelen wordt het verkeer zoveel mogelijk gescheiden. Daarnaast wordt maar op één locatie in het plangebied het verkeer uitgewisseld. Dit zorgt voor een betere doorstroming van het verkeer op de N223. Het beoogde wegontwerp wordt daarnaast op een zorgvuldige wijze ingepast in het landschap.
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
22
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
23
Hoofdstuk 3
3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd: 1. de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; 2. de bereikbaarheid verbeteren; 3. zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Toetsing Voor het plangebied is met name de tweede doelstelling relevant. Het Rijk wil samen met de decentrale overheden werken aan een robuust en samenhangend mobiliteitssysteem. Dit is noodzakelijk om een goede bereikbaarheid te kunnen garanderen. De decentrale overheden zijn verantwoordelijk voor een robuust en samenhangend mobiliteitssysteem waarin langzaam en recreatief verkeer een volwaardige plaats hebben. Over het verbeteren van de samenhang tussen de ruimtelijke ontwikkeling en infrastructuur maken de decentrale overheden en het Rijk via het MIRT en de gebiedsagenda's afspraken. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met de bovengenoemde rijksdoelstelling.
Door het duurzaam veilig maken van de N223 ontstaat een meer robuust en samenhangend mobiliteitssysteem. 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) (artikel 3.1.6 lid 2) is opgenomen dat bij een ruimtelijk plan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen moet worden. Deze bestaat uit de volgende onderdelen: 1. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. 2. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het eerste lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
24
3.
Een onderzoek naar de behoefte in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Toetsing Volgens de handreiking behorende bij de ladder voor duurzame verstedelijking valt de beoogde ontwikkeling onder 'overige stedelijke ontwikkelingen'. Hierin staat dat onder het begrip 'overige stedelijke ontwikkelingen' wordt verstaan: accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure. Gelet hierop wordt de in het plan voorziene infrastructurele aanpassingen van de N223 niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6 van het Bro. Toetsing aan de ladder is daarom niet aan de orde. Overigens is de nut- en noodzaak van de de aanpassing van de N223 wel aangetoond in paragraaf 2.2.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland (2019) Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. De provincie heeft zes richtinggevende ambities geformuleerd in de fysieke leefomgeving. Door in te zetten op de zes ambities wordt bijgedragen aan het sterker maken van Zuid-Holland. Deze ambities zijn: Naar een klimaatbestendige delta; Naar een nieuwe economie: the next level; Naar een levendige meerkernige metropool; Energievernieuwing; Best bereikbare provincie; Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Deze ambities zijn vertaald in beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Beleidskeuze provinciale infrastructuur op orde Voor het plangebied is beleidskeuze 'provinciale infrastructuur op orde' relevant. De provincie zorgt voor een vlotte en veilige afwikkeling van verkeer in Zuid-Holland en heeft de wettelijke plicht haar areaal, provinciale wegen en vaarwegen te beheren en te onderhouden. Daartoe realiseert of draagt de provincie bij aan: 1. De dagelijkse beheer- en onderhoudswerkzaamheden, het Dynamisch Verkeersmanagement en bediening van bruggen over cruciale vaar- en wegroutes; 2. De uitvoering van planmatige onderhoudsprojecten; 3. De instandhouding van Zuid-Hollandse veren en veerinfrastructuur; 4.
De uitvoering Provinciale fietsroutes in haar Fietsplan 2016-2025. De provincie wil een vlotte en veilige afwikkeling van het verkeer waarborgen, en heeft daartoe ook de wettelijke plicht voor haar areaal van provinciale wegen en vaarwegen. Er is één samenhangend netwerk van (inter)nationale, (boven)regionale en lokale wegen die beheerd worden door verschillende wegbeheerders. De provincie acht zich primair verantwoordelijk voor (boven)regionale wegen. Het onderhoud aan de provinciale wegen wordt uitgevoerd op een conditiegestuurde, integrale en trajectgewijze manier. Deze manier is beschreven in het assetmanagementsysteem gebaseerd op de internationale assetmanagementstandaard NEN-ISO 55001. Het moment van onderhoud wordt zodanig Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
25
gepland dat precies op tijd wordt onderhouden. Zo blijft de infrastructuur optimaal functioneren tegen de laagste kosten, met overwogen, aanvaardbare risico's. Het PZI geeft een overzicht van de weg- en vaarwegprojecten waarvan het planmatig onderhoud in de jaren 2018 tot en met 2022 wordt uitgevoerd. Het provinciaal beleid geeft zekerheid over een mobiliteitsnetwerk dat op orde is en de reiziger en de vervoerder keuzevrijheid biedt, en bevat voldoende flexibiliteit om in de ruimtelijke ontwikkeling te reageren op maatschappelijke initiatieven. In het mobiliteitsbeleid wordt afgestemd met andere beleidsvelden, met name het ruimtelijk-economisch beleid. Daarbij is het vertrekpunt de huidige ruimtelijke situatie gecombineerd met vier keuzes: 1. Beter benutten en opwaarderen van wat er is; 2. Vergroten van de agglomeratiekracht; 3. Verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; 4. Bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Toetsing Het project N223 duurzaam veilig fase 3B past binnen de beleidskeuze van de provincie op de bestaande infrastructuur op orde te hebben. Het project is daarnaast concreet benoemd in het in samenhang met de Omgevingsvisie opgestelde Programma Ruimte. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland (2019) De Omgevingsvisie Zuid-Holland is vertaald in de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
Voor de beoogde ontwikkeling zijn de volgende onderwerpen relevant: 1. Regionale waterkeringen; 2. Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën; 3. Cultureel erfgoed. Toetsing ad. 1 Regionale waterkeringen Ter weerszijden van de Monsterwatering is op kaart van de Omgevingsverordening een regionale waterkering gelegen (zie figuur 3.1).
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
26
Figuur 3.1 Uitsnede kaart 3 Omgevingsverordening (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) In artikel 6.22 Regionale waterkeringen zijn de volgende voor dit plan relevante regels opgenomen: 1. Een bestemmingsplan voor gronden waarop een regionale waterkering ligt als bedoeld in artikel 2.2, bestemt die waterkering als zodanig. 2. Een bestemmingsplan voor gronden die deel uitmaken van een beschermingszone langs een regionale waterkering, bestemt die beschermingszone als zodanig of duidt die als zodanig aan. 3. Voor het bepalen van de omvang van de gronden, bedoeld in het eerste lid en in het tweede lid, wordt uitgegaan van de door de beheerder van de waterkering vastgestelde legger. 4. Met betrekking tot de gronden waarop een regionale waterkering of een beschermingszone ligt, kan een bestemmingsplan worden vastgesteld dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt voor zover bij de verwezenlijking daarvan geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het onderhoud, de veiligheid of de mogelijkheden voor versterking van de regionale waterkering. 5. Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het vierde lid wordt advies gevraagd aan de beheerder van de waterkering. In het voorliggende bestemmingsplan is de regionale waterkering bestemd door middel van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'.
Ten behoeve van de ontwikkeling binnen de beschermingzone is overleg gevoerd met het Hoogheemraadschap. Zie paragraaf 4.3 voor een nadere toelichting. Het plan voldoet aan de regels voor regionale waterkeringen. ad. 2 Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën Het plangebied is op kaart 14 van de Omgevingsverordening aangeduid als 'groene buffer' met beschermingscategorie 2 (zie figuur 3.2).
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
27
Figuur 3.2 Uitsnede kaart 14 Omgevingsverordening (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) In artikel 6.9 zijn de volgende voor dit plan relevante regels opgenomen: 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c.
als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1, een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid In dit geval gaat het om 'aanpassen' van de weg (categorie b). Volgens de kwaliteitskaart zijn de belangrijkste richtpunten voor infrastructuur binnen het gebiedsprofiel Midden-Delfland: Nieuwe of aan te passen infrastructuur wordt altijd beschouwd als een integrale gebiedsopgave inclusief inpassingsvraagstukken. Hieronder wordt naast ligging in het landschap ook verstaan; zorgvuldig omgaan met doorlopende landschappelijke structuren, logische oplossingen voor doorgaande ecologische en recreatieve verbindingen en behoud van gebruiks- en belevingswaarde van het omliggend gebied en logische verbinding met aansluitende infrastructuur.
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
28
Een visuele relatie tussen weg en omgeving is gewenst. Waar wegen landschappelijke hoofdstructuren kruisen, dient de landschappelijke lijn als afzonderlijke structuur zichtbaar en herkenbaar te blijven. Deze ‘contactpunten’ (bijvoorbeeld tunnels, viaducten, aquaducten) worden met zorg ontworpen en komen terug in de beeldkwaliteitsparagraaf. Buiten het stedelijk gebied worden rijks- en provinciale -wegen niet als verstedelijkingsas benut. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen die een relatie met de weg hebben concentreren zich bij de op – en afritten van de weg.
4. Een bestemmingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in het eerste lid bevat een beeldkwaliteitsparagraaf, waarin het effect van deze ontwikkeling op de bestaande kenmerken en waarden wordt beschreven en waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft, voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling: a. waarbij de richtpunten van de kwaliteitskaart in het geding zijn; of b. die is gelegen op gronden binnen een beschermingscategorie als bedoeld in het tweede lid, onder a en b. Ten behoeve van de inpassing van het wegontwerp wordt verwezen naar paragraaf 2.5. Hierin is uitgebreid stilgestaan bij de optimale inpassing van het beoogde wegontwerp in het landschap (beeldkwaliteit). 6. Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad, of karakteristieke landschapselementen, is het provinciale compensatiebeleid van toepassing zoals vastgelegd in de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (2013). De toelichting bij het bestemmingsplan bevat een verantwoording over de wijze van compensatie. De ontwikkeling wordt deels gerealiseerd in aangegeven weidevogelgebied. Op het aspect weidevogelgebieden is ingegaan in paragraaf 4.8.
Hierin is ook een verantwoording gegeven over de wijze van compensatie. ad. 3 Cultureel erfgoed Een gedeelte van het plangebied is op kaart 15 van de Omgevingsverordening gelegen binnen de molenbiotoop van de Groenvelde Molen (zie figuur 3.3).
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
29
Figuur 3.3 Uitsnede kaart 15 Omgevingsverordening (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) In artikel 6.25 Bescherming molenbiotoop zijn de volgende regels opgenomen: 1. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de molenbiotoop van traditionele windmolens, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 15 in bijlage II, garandeert in voldoende mate de vrije windvang en het zicht op de molen en voldoet aan de volgende voorwaarden: a. binnen een straal van 100 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, wordt geen nieuwe bebouwing opgericht of beplanting aangebracht, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek; b. binnen een straal van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting: voor zover dit gebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek; voor zover dit gebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek. 2.
In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, is het oprichten van nieuwe bebouwing mogelijk ten behoeve van: a. een ontwikkeling binnen een molenbiotoop waarin vrije windvang en het zicht op de molen al zijn beperkt door bebouwing, zolang de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt, of zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zicht op de molen door maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd; of b. een ontwikkeling binnen een bijzondere molenbiotoop, waarvan de plaats geometrisch is begrensd en verbeeld op kaart 15 in bijlage II, mits de molen en de molenbiotoop op een goede manier ruimtelijk worden ingepast.
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
30
De ontwikkeling heeft betrekking op de aanpassing van een een bestaande weg. Er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht binnen de molenbiotoop. Derhalve vormt het aspect cultureel erfgoed geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het plan voldoet aan de uitgangspunten uit de Omgevingsverordening.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Midden-Delfland 2025 (2011) Voor het gehele grondgebied van Midden-Delfland is een structuurvisie opgesteld. Deze structuurvisie legt de hoofdlijnen van ruimtelijke ontwikkelingen en het te voeren ruimtelijk beleid vast. Midden-Delfland wil ten volle gebruikmaken van de mogelijkheden die de Wro biedt. De hoofddoelen van de structuurvisie zijn daarom als volgt geformuleerd: de structuurvisie vormt de basis en het kader voor een visie op de toekomst en het daaraan gekoppelde (ruimtelijk) beleid; de structuurvisie leidt tot een actief vereveningbeleid en een pro]actieve houding ten opzichte van nieuwe ontwikkelingen en dient als onderlegger voor de benutting van de mogelijkheden van de nieuwe Wro (grexwet); de structuurvisie vormt een kapstok èn toetsingskader voor concrete plannen. De beleidsdocumenten Gebiedsvisie Midden-Delfland®2025, de visie Vitale Dorpen Midden-Delfland 2025 en het Landschapsontwikkelingsperspectief vormen de belangrijke bouwstenen van deze structuurvisie. Er is geen concreet beleid ten aanzien van de beoogde ontwikkeling. Wel wordt de N223 genoemd als belangrijke ontsluitingsweg binnen de gemeente. De optimalisatie zorgt ervoor dat de functie van deze weg optimaal blijft.
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
31
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Voor de ontwikkeling is het van belang dat tijdens de uitvoering en in de nieuwe situatie sprake is van een goede omgevingssituatie. Deze omgevingstoets gaat in op de relevante milieuaspecten (bodem, water, milieuzonering en externe veiligheid) en om andere sectorale regelgeving (bijvoorbeeld archeologie en cultuurhistorie, ecologie).
4.1
Milieueffectrapportage
Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van het project; de plaats van het project en; de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Onderzoek De onderhavige ontwikkeling is qua aard en omvang zodanig dat de drempelwaarden In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet worden overschreden. Wel is een vormvrije mer uitgevoerd. Kenmerken van het project Het plan omvat de reconstructie van een gedeelte van de provinciale weg N223. Hierbij wordt een nieuwe rotonde gerealiseerd en wordt de parallelstructuur aangepast. De kenmerken van het project rechtvaardigen geen MER. Plaats van het project Het plangebied ligt niet in een gevoelig gebied, zoals een Natura 2000-gebied of een verbindingszone binnen het Natuurnetwerk Nederland.
We ligt het plangebied gedeeltelijk in beschermd weidevogelleefgebied. Hiervoor worden compenserende maatregelen getroffen. De plaats van het project rechtvaardigt geen MER. Kenmerken potentiële effecten Door reconstructie kan verstoring door licht, geluid, en beweging optreden. Deze effecten zijn zeer lokaal. Er zijn er geen effecten aan de orde die een MER rechtvaardigen. Bij de toetsing aan de milieuen omgevingsaspecten in de dit bestemmingsplan g is nader ingegaan op de effecten van de ontwikkeling op het milieu en op de omgeving.
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
32
Conclusie Gelet op de aard en relatieve omvang van het project, de plaats hiervan en de kenmerken van de potentiële effecten kan op voorhand worden geconcludeerd dat er hiermee geen belangrijke negatieve milieugevolgen aan de orde zijn die een milieueffectrapportage rechtvaardigen.
4.2
Bodemkwaliteit
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij geschikt is voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Onderzoek en conclusie Voor een gedeelte van het plangebied vindt functiewijziging plaats. Hierbij wijzigt een deel van Agrarisch of Groen naar Verkeer. Er is geen sprake van een verandering naar een meer gevoelige functie. In het kader van de omgevingsvergunning zal wel een actueel bodemonderzoek worden uitgevoerd in combinatie met een geotechnisch onderzoek. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
4.3
Water
Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemers van een ruimtelijke plan behoren in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen worden toegelaten die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteitsen waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan is overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. Wettelijk kader water Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante wetgeving en beleid, waarbij het beleid van het hoogheemraadschap nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: Nationaal Waterplan (NW); Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet. Provinciaal: Provinciaal Waterplan; Omgevingsvisie; Omgevingsverordening.
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
33
Waterschapsbeleid In het Waterbeheerplan 2015-2021 beschrijft het Hoogheemraadschap van Delfland de strategische keuzes, de doelen voor het waterbeheer en de financiële consequenties daarvan. De complexiteit van het gebied en de omvang van de noodzakelijke investeringen dwingen tot het stellen van prioriteiten. Het Hoogheemraadschap gaat het beheer en onderhoud van het watersysteem optimaliseren en zal daarbij flink investeren in waterkwaliteit, waterkeringen en het voorkomen van wateroverlast en watertekort. Voor de zuiveringstechnische infrastructuur ligt de nadruk op beheren, onderhouden en optimaliseren. Daarnaast is Handreiking Watertoets vastgesteld. Deze handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking bestaat uit een procesdeel en een inhoudelijk deel. In het procesdeel wordt ingegaan op het watertoetsproces voor ruimtelijke planvorming. Het inhoudelijk deel bevat de vertaling van het actuele beleid van Delfland in ruimtelijke zin. Gemeentelijk beleid Het Waterplan Midden-Delfland is een gebiedsgericht plan van de gemeente en het Hoogheemraadschap waarin samenhangende thema's rond waterbeheer aan bod komen. Ruimtelijke ontwikkelingen spelen hierbij een belangrijke rol.
Ook ontwikkelingen als de Europese Kaderrichtlijn Water, landelijk beleid als het waterbeleid voor de 21e eeuw (WB21,)) en gemeentelijke plannen, zoals een gemeentelijk rioleringsplan, komen samen in het Waterplan. Het Waterplan bestaat uit drie fasen. De watervisie, het waterstructuurplan en het uitvoeringsplan. De watervisie geeft op hoofdlijnen de doelstelling aan op het gebied van waterbeheer in de gemeente Midden-Delfland. De visie is uitgewerkt in het waterstructuurplan. Het waterstructuurplan geeft op kaart en in beschrijving weer wat de opgave in de polders van Midden-Delfland is. Bovendien maken de gemeente en Delfland afspraken over de wijze waarop de wateropgave wordt gerealiseerd. Concrete maatregelen en procesafspraken zijn gebundeld in het uitvoeringsprogramma van het waterplan. Het Waterplan is slechts een van de plannen die in Midden-Delfland spelen. Het Waterplan is afgestemd met het Landschapsontwikkelingsplan 2025, de FES-proeftuin, KRW-gebiedsproces en andere ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied. Huidige situatie Algemeen Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit de N223 inclusief parallelstructuur tussen 't Woudt en Molenlaan / brug over de Monsterwatering in de gemeente Midden-Delfland. Langs de randen van bestaat het plangebied voornamelijk uit weidegrond. Het plangebied ligt in de Klaas Engelbrechtspolder en de Woudse Polder.
Bodem en grondwater Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse voor een groot deel uit klei op veen. Er is sprake van de grondwatertrap II. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand op meer dan 0,4 m beneden maaiveld ligt en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand varieert tussen 0,5 en 0,8 m beneden maaiveld. De gemiddelde maaiveldhoogte bedraagt circa NAP -1,0 m. Waterkwantiteit en onderhoud watergangen Rondom het plangebied zijn enkele secundaire watergangen gelegen. De Montserwatering is aangeduid als primair water. De wateren zijn in onderhoud bij het Hoogheemraadschap. Het beheer en onderhoud aan wateren, inclusief de oever, mag niet worden belemmerd. Onderhoudsstroken maken essentieel
Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
34
onderdeel uit van wateren. Zonder goed onderhoud kunnen wateren namelijk niet meer optimaal functioneren en kan wateroverlast (zowel kwantitatief als kwalitatief) ontstaan. Een onderhoudsstrook moet aan bepaalde minimale afmetingen en andere ontwerpeisen voldoen om effectief gebruikt te kunnen worden. Daarbij moet de onderhoudsstrook bereikbaar en begaanbaar zijn voor mensen en hun materiaal. Zie figuur 4.1 voor een overzicht van watergangen in en rondom het plangebied.
Figuur 4.1 Watergangen in en rondom het plangebied (bron: Hoogheemraadschap van Delfland) De N223 / Woudseweg ligt op de polderkade en dient als scheiding tussen de Woudse polder en de Klaas Engelbrechtpolder. Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft aangegeven dat de huidige polderkade (N223) in goede staat is en dat deze geen kritieke punten bevat waar rekening mee dient te worden gehouden bij de reconstructie van de N223. Doordat de N223 grotendeels deel uitmaakt van de polderkade dient de hoogteligging van de toekomstige rijbaan getoetst te worden aan het leggerprofiel van de polderkade. Het toekomstige profiel van het weglichaam mag het bestaande profiel van Polderkade niet negatief beïnvloeden. Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen of in de omgeving van het plangebied bevinden zich geen KRW-waterlichamen. Het plangebied is niet gelegen in waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone. Het eerste watervoerend pakket van het gehele gebied is van groot belang voor de gietwatervoorziening van Greenport Westland. Opslag van zoetwater heeft dan ook hoge prioriteit voor het Hoogheemraadschap van Delfland. Op basis van het Weidevogelpact Midden-Delfland wordt beoogd hoge grondwaterstanden en plas-dras gebieden te bevorderen en ook natte omstandigheden (voor weidevogels) te bevorderen.
Daarom heeft Delfland afgelopen jaren een aantal onderbemalingen opgeheven. Waterveiligheid en waterkeringen De Monsterwatering is een boezemwater met boezemkades erlangs. De boezemkades (Groeneveldse of Rho adviseurs voor leefruimte
091409.20171538
35
Monsterwaterkering) gelden als regionale waterkeringen. Beide waterkeringen zijn veendijken. Bij de uitwerking van het duurzaam veilig inrichten van de N223 en het herinrichten van de directe omgeving dient rekening te worden gehouden met de kernzone en de beschermingszone van de waterkering en bijbehorende beleidsregels van het Hoogheemraadschap. De waterkering is als dubbelbestemming opgenomen in het bestemmingsplan.