CConstaterende datMidden-Delfland
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Regels en toelichting.pdf

Gemeenteraad 28 juni 2022, gemeente Midden-DelflandBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan Equestrum25.151 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het 'Programma Ruimte' bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Daarbij gaat het dan om locatie specifieke of programmatische invulling van beleidsbeslissingen uit de Omgevingsvisie. De kwaliteitskaart is weergeven in de 'bijlage ruimtelijke kwaliteit' waarin vier kaartlagen afzonderlijk zijn opgenomen en toegelicht. De kwaliteitskaart bevat de volgende lagen:  Laag van de ondergrond. Dit gaat over de grondslag van de provincie en de natuurlijke (landschapsvormende) processen;  Laag van de cultuur-en natuurlandschappen. Dit gaat over de laag van het zichtbare landschap en (grondgebonden) nut;  Laag van de stedelijke occupatie. Deze gaat over de steden en dorpen en hun onderlinge netwerken;  Laag van de beleving. Dit gaat over identiteit en (recreatieve) beleving. De lagen in de kwaliteitskaart hebben een relatie met elkaar. De lagen bevatten richtpunten die de bestaande kenmerken en waarden beschrijven. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten deze kenmerken en waarden een rol spelen bij de overweging, de plaatsing en de vormgeving van het initiatief.

32

(ontwerp)

Ontwerpbestemmingsplan Equestrum Doorwerking planinitiatief Voorliggend planinitiatief past op verschillende manieren binnen de omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland. De ontwikkeling draagt bij aan het behoud van de cultuurhistorische waarden door het herontwikkelen van de aanwezige Rijksmonumenten. De landschappelijke inpassingen met erven met half verharding en met het creëren van voldoende water binnen het plangebied draagt Equestrum bij aan een klimaat adaptieve ontwikkeling. De financiële draagkracht voor het onderhoud van de Rijksmonumenten wordt aanzienlijk vergroot met de vestiging van Equestrum, een goed en net onderhouden perceel en de daarop aanwezige gebouwen is immers aantrekkelijker voor de bedrijfsvoering. De kans op verpaupering van het waardevolle rijksmonument neemt door onderhavig plan aanzienlijk af. De realisatie van de hippische kenniscampus en de daaruit voortkomende werkgelegenheid zorgt bovendien voor een impuls van de plaatselijk economie van Midden-Delfland. Daarnaast zal het project Equestrum als geheel een impuls geven aan de hippische branche in de hele regio. De kwaliteitskaart van de provincie is in paragraaf 2.4 reeds uitgebreid doorlopen. Hierbij is de conclusie getrokken dat de ontwikkeling passend is binnen doelen en uitgangspunten van de kwaliteitskaart.

(ontwerp)

33

Ontwerpbestemmingsplan Equestrum

3.3

Regionaal en gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Midden-Delfland

De gemeente Midden-Delfland heeft haar omgevingsvisie ter voorbereiding op de Omgevingswet opgesteld. De omgevingsvisie vervangt de voorheen geldende structuurvisie Middel-Delfland. In de omgevingsvisie is een integrale vooruitblik gegeven op de fysieke leefomgeving tot het jaar 2040. Concreet betekent dit dat de omgevingsvisie niet alleen om ruimtelijke vraagstukken gaat, maar ook over sociale en economische vraagstukken en ontwikkelingen. De omgevingsvisie omvat hiermee het geheel van ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur en cultureel erfgoed. De omgevingsvisie van een gemeente is zelfbindend. Dat betekent dat voor de omgevingsvisie Midden-Delfland alleen de gemeente zich bindt aan de ambities en doelstellingen die er in staan. Dat geldt ook voor de nationale omgevingsvisie (NOVI) en de provinciale omgevingsvisie (POVI), die zijn bindend voor respectievelijk het rijk en de provincie Zuid-Holland. Voor inwoners en initiatiefnemers geeft de omgevingsvisie helderheid en duidelijkheid over mogelijk ruimtelijke ontwikkeling. Doorwerking planinitiatief De omgevingsvisie gaat specifiek in op de ontwikkeling van de hippische kenniscampus Equestrum. Op de globale structuurvisiekaart van de gemeente wordt Equestrum afgebeeld ter hoogte van het plangebied. Voorliggend planinitiatief betreft het oprichten van deze gewenste hippische kenniscampus.

De gemeente heeft als ambitie verschillende recreatieve poorten en recreatieve routes voor fietsen, wandelen maar ook paardrijden te realiseren. De locatie en de nabije omgeving zijn daar bij uitstek geschikt voor. Met de realisatie van Equestrum wordt de verbinding tussen de dorpskern Den Hoorn en het recreatieve, cultuurhistorische landschap versterkt. Voorliggend planinitiatief versterkt de cultuurhistorische beleving van het lint de Ommedijk en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Equestrum vormt als poort het startpunt vanuit noordelijke richting voor het recreatieve gebruik van het fiets- en ruiterpadennetwerk van Midden-Delfland.

Afbeelding 16: Uitsnede structuurkaart Den Hoorn, plangebied globaal weergegeven met rood ovaal

34

(ontwerp)

Ontwerpbestemmingsplan Equestrum

3.4

Woonvisie Midden-Delfland 2010 – 2025

De woonvisie Midden–Delfland 2010 – 2025 is opgesteld in juni 2010 en het is gebaseerd op de woningmarktanalyse Midden-Delfland 2009-2025. De woonvisie stelt dat het aansluiting heeft gezocht op het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaam bouwen en op regionale afspraken rondom het woonbeleid. Het beleid op hoofdlijnen samengevat:  Inzetten op het versterken van de diversiteit van de bevolking;  Vergroten van de kansen voor starters en jonge (potentiële) gezinnen;  Een gevarieerd woonaanbod, met name meer betaalbare woningen in de ‘start- en tussensegmenten’;  Inspelen op de vergrijzing door een goed aanbod van en afstemming tussen wonen, zorg en welzijn;  Aandacht voor duurzaamheid en energiebesparing op het gebied van wonen en bouwen;  Kwetsbare groepen op de woningmarkt niet uit het oog verliezen. Specifiek voor Den Hoorn geeft de gemeente Midden-Delfland in de Woonvisie de volgende opmerkingen en richtlijnen:  Het grootste deel van de woningbehoefte komt uit Den Hoorn, aangezien de groei van het aantal huishoudens en inwoners hier verreweg het grootst is;  In Den Hoorn liggen de meeste mogelijkheden voor nieuwbouw;  Het grootste deel van de nieuwbouw vindt plaats in Den Hoorn;  Voor de periode 2010-2015 zijn er nu circa 400 woningen gepland.

Grootste locaties zijn Lookwest-Noord en het centrum van Den Hoorn;  Accent op jonge gezinnen en starters;  In Woonservicezone accent op nultredenwoningen;  De nieuwbouw kent een groen kleinstedelijk tot suburbaan karakter en relatief wat meer appartementen;  Stimuleren van alternatieve woonvormen op kleine schaal. Doorwerking planinitiatief Het planinitiatief richt zich op de ontwikkeling van een hippische kenniscampus. Op het perceel wordt ook een zorgboerderij met woonstudio's gerealiseerd voor zorgbehoevenden. Zorgbehoevende mensen vormen veelal een kwetsbare groep op de woningmarkt. De gemeente Midden–Delfland ziet het als haar taak om voor deze kwetsbare groep te voorzien in voldoende woonruimte. Voor zorgbehoevenden biedt voorliggend planinitiatief een woonruimte en een unieke mogelijkheid om in een beschutte omgeving een waardevolle dagbesteding te hebben. Tevens wordt er met voorliggend initiatief aandacht besteed aan duurzaam en circulair bouwen, onder andere door gedeeltelijke eigen energieopwekking. Bovendien kan de realisatie van studentenstudio's gezien worden als een alternatieve woonvorm op kleine schaal. Het biedt studenten, ook buiten de gemeente, de kans om (tijdelijk) een hoogwaardige opleiding te volgen zonder hiervoor onnodig te moeten reizen. Onderhavig planinitiatief past binnen de woonvisie van de gemeente Midden–Delfland

(ontwerp)

35

Ontwerpbestemmingsplan Equestrum

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

De diverse milieuaspecten vormen een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling in het bestemmingsplan, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen.

4.1

Archeologie en cultuurhistorie

4.1.1

Beleidskader

In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is om het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van het ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Aansluitend op dit verdrag is op 1 september 2007 de Wet Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. Gemeenten hebben de verantwoordelijkheid gekregen om zorg te dragen voor een goede omgang met archeologische waarden binnen hun grondgebied. Gemeenten moesten binnen 2 jaar nadat deze wet in werking is getreden archeologisch beleid hebben geformuleerd. De gemeente Midden-Delfland heeft daarom de “archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart” vastgesteld. De definitieve versie van de 2e druk is vastgesteld in juni 2010. Het plangebied heeft op de beleidsadvieskaart een 'Hoge Verwachting' gekregen. Bij de vaststelling van het vigerende bestemmingsplan 'Hooipolder en Kerkpolder – Oost 2013' heeft de gemeente Midden-Delfland het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 1' toegekend. Op deze gronden mogen alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 meter.

Voor alle andere bouwwerken mag het bevoegd gezag alleen een omgevingsvergunning verlenen indien aanvrager een 1) archeologisch rapport heeft overlegd of 2) de nieuwe bouwwerken een oppervlakte hebben van maximaal 50 m2 of 3) het bouwen zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.

4.1.2

Doorwerking planinitiatief

Archeologie Door Salisbury Archeologie B.V. is een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd met betrekking tot het omgevingsaspect archeologie. Het rapport is toegevoegd als bijlage 2. Bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek is een hoge verwachting opgesteld voor resten uit de Romeinse tijd en Late Middeleeuwen. Voor de overige periodes geldt een lage verwachting. Het plangebied is gelegen in het stroomgebied van de Gantel, wat in de Romeinse tijd en Middeleeuwen een druk bewoond gebied was. Dit blijkt ook uit onderzoeken uit de omgeving. Resten van voor de Romeinse tijd zijn mogelijk al verslagen door de rivier. In de Vroege Middeleeuwen was het plangebied minder in trek door vernatting. Er zijn voor de Nieuwe tijd geen aanwijzingen anders dan de huidige boerderij. Vindplaatsen uit de periode Romeinse tijd en Late Middeleeuwen worden in de afzettingen van Gantel stroomgordel of Delft stroomgordel verwacht.

36

(ontwerp)

Ontwerpbestemmingsplan Equestrum Verkennend booronderzoek Op basis van het verkennend booronderzoek kan de hoge verwachting voor resten uit de Romeinse Tijd en Middeleeuwen naar beneden worden bijgesteld. In de geul- en dekafzettingen zijn geen tekenen van bodemvorming waargenomen. Het (post-)Romeinse niveau is in deze regio vaak te herkennen aan de zogeheten ‘woudlaag’: een donkergrijze zeer humeuze kleilaag. Deze is in het plangebied niet aangetroffen. Ook zijn in de stroomgordel afzettingen geen archeologische indicatoren aangetroffen. Direct vanaf het maaiveld, in de zogeheten Laag van Poeldijk, zijn wel archeologische indicatoren aangetroffen. Op basis van het aardewerk kan deze laag in de Nieuwe tijd (vanaf anno 1500 n.C.) gedateerd worden. Vermoedelijk wijzen de indicatoren op een Nieuwe tijdse akkerlaag/leeflaag. Op het perceel waar tegenwoordig nog bebouwing staat (Ommedijk 3) is een hogere concentratie indicatoren aangetroffen dan in de overige percelen. Dit wijst op continuïteit: bewoning heeft vanaf de Nieuwe tijd tot heden op dezelfde locatie plaatsgevonden. Daarmee kan worden geconcludeerd dat in het overgrote deel van het plangebied alleen Nieuwe tijds off site fenomenen verwacht kunnen worden (zoals sporen van landbewerking). Ter hoogte van boringen 7, 8 en 9 kunnen Nieuwe tijds resten die verband houden met bewoning van de Ommerdijker hoeve voorkomen.

Daarmee wordt de lage verwachting voor het aantreffen van resten uit de Nieuwe tijd bijgesteld naar middelhoog Archeologisch advies Op basis van de resultaten wordt geadviseerd om in een deel van het plangebied een vervolgonderzoek in de vorm van Proefsleuven (IVO-P) uit te voeren, zoals weergegeven op afbeelding 17. Op basis van het bureau- en booronderzoek is geconcludeerd dat vanaf het maaiveld resten uit de Nieuwe tijd kunnen voorkomen. In het overgrote deel van het plangebied gaat het waarschijnlijk om off site fenomenen, als er al resten voorkomen. Ter hoogte van boringen 7, 8 en 9 echter, kunnen resten van bewoning uit de Nieuwe tijd voorkomen die gerelateerd zijn aan de Ommerdijker hoeve. Aanvullend archeologisch onderzoek Geadviseerd wordt om alleen op het perceel waar bodemingrepen noodzakelijk zijn en een hoge archeologische verwachting geldt een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Voor een proefsleuvenonderzoek is een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk. Het bouwplan is nog in ontwikkeling, derhalve is het uitvoeren van een specifiek aanvullend onderzoek nog niet aan de orde. Ter bescherming van de archeologische waarden blijft de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 1' binnen het plangebied vigeren.

Bij aanvraag omgevingsvergunning kan specifiek beoordeeld worden welke archeologische vervolgstappen noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling.

(ontwerp)

37

Ontwerpbestemmingsplan Equestrum

Afbeelding 17: Selectieadvies proefsleuvenonderzoek (Bron: onderzoeksbureau Salisbury) Ook in een vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Over de bevindingen en aanbevelingen uit dit onderzoek dient contact opgenomen te worden met het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Midden-Delfland. Cultuurhistorie Door Bureau Lotte Zaaijer is een Bouwhistorische verkenning met waardestelling voor de Ommedijker Hoeve in Schipluiden opgesteld. Doel van het onderzoek is om een beter inzicht te krijgen van de ontwikkelingsgeschiedenis van het boerderijcomplex en van de waarden van de aanwezige bouwelementen. De bouwhistorische verkenning met waardestelling betreft een onderzoek op hoofdlijnen naar de bouw- en gebruiksgeschiedenis van de Ommedijker Hoeve. Het brengt in kaart welke oorspronkelijke elementen nu nog aanwezig zijn. Op basis van het onderzoek vindt een interne waardestelling plaats die aangeeft welke onderdelen de oorspronkelijke functie het beste illustreren.

De waardestelling beoogt het relatieve belang te bepalen van de monumentale waarden van de verschillende onderdelen en aspecten binnen de context van het bouwwerk. Voor de resultaten wordt kortheidshalve wordt verwezen naar het rapport (Bijlage Bouwhistorische verkenning). Voorliggend planinitiatief ziet erop dat de aanwezige cultuurhistorische waarden gehandhaafd worden en waar mogelijk versterkt.

38

(ontwerp)

Ontwerpbestemmingsplan Equestrum

4.2

Natuur

4.2.1

Beleidskader

In het kader van de juridisch-planologische procedure is een toets aan de Wet natuurbescherming verplicht. Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De Wet natuurbescherming verving drie voorgaande wetten: de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. In de Wet natuurbescherming is de bescherming van soorten en gebieden vastgelegd. Verantwoording soortenbescherming De toets aan de natuurwetgeving is een getrapte toets. Allereerst is een quickscan flora en fauna (natuurtoets) nodig. De resultaten van de quickscan bepalen of een vervolgonderzoek uitgevoerd moet worden. Een voorbeeld van een vervolgonderzoek is een onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen of andere beschermde soorten. Het plan kan soms onder bepaalde voorwaarden worden uitgevoerd als er negatieve effecten worden verwacht, bijvoorbeeld door het nemen van maatregelen om negatieve effecten te verminderen of te voorkomen. Er is meestal een ontheffing nodig van de provincie als negatieve effecten niet voorkomen kunnen worden. Verantwoording gebiedsbescherming Vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn er natuurgebieden aangewezen die beschermd zijn. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn uitgesplitst in Habitatrichtlijngebieden Vogelrichtlijngebieden. Binnen de diverse Natura 2000-gebieden komen een aantal stikstofgevoelige habitattypen voor.

Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000 gebied, Solleveld & Kapittelduinen, ligt op circa 9,5 kilometer van het plangebied.

4.2.2

Doorwerking plangebied

Het plangebied wordt gekenmerkt door groen. In het zuidelijke deel van het plangebied is een bos gelegen dat werd beheerd door Staatsbosbeheer (maar in eigendom bij Stichting Equestrum) en om de huidige bebouwing ligt een groene omkadering van bosschages. Er gaan ingrepen plaatsvinden om het gebied leefbaarder te maken of om in- en uitritten en aanhakingen op ontsluitingsstructuren in de omgeving te realiseren. Met de beoogde ontwikkelingen zullen tevens verbouwwerkzaamheden aan de Rijksmonumenten worden uitgevoerd. Om de impact van de ontwikkelingen op flora en fauna te kunnen bepalen is een flora en fauna onderzoek noodzakelijk. De eerste stap bestaat uit het uitvoeren van een quickscan flora en fauna om een potentie-inschatting van het plangebied en de nabije omgeving te kunnen bepalen. Ecologisch onderzoeksbureau Blom Ecologie B.V. heeft het onderzoek op de locatie uitgevoerd. Het rapport (kenmerk BE/2020/309/r) is als bijlage 4 toegevoegd aan voorliggende toelichting. De resultaten en conclusie van het rapport zijn hieronder weergegeven. De beoordeling van de flora en fauna wordt onderverdeeld in soortenbescherming, gebiedsbescherming en beoordeling houtopstanden. In onderstaande paragrafen volgt een korte beschrijving van het onderzoek, voor een uitgebreide onderbouwing wordt verwezen naar bijlage 4.

4.2.2.1 Soortenbescherming De planlocatie heeft mogelijk een essentiële betekenis voor beschermde soorten, zoals opgenomen in de quickscan flora en fauna. Om uit te sluiten dat er sprake is van overtreding van de Wet natuurbescherming is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de volgende soorten of soortgroepen: Huismus, gierzwaluw, steenuil, kerkuil, buizerd en vleermuizen. De planlocatie is daarnaast mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. De aanvullende onderzoeken hebben plaatsgevonden in het najaar van 2020 t/m het voorjaar 2021. De rapportage van het volledige onderzoek is toegevoegd als bijlage 5.

(ontwerp)

39

Ontwerpbestemmingsplan Equestrum Door de beoogde werkzaamheden gaat (tijdelijk) een zomerverblijf van de gewone dwergvleermuis en een paarverblijf van de ruige dwergvleermuis verloren. De gewone en ruige dwergvleermuizen kunnen verstoord worden. Ook kunnen door de werkzaamheden gewone dwergvleermuizen en ruige dwergvleermuizen door de werkzaamheden verstoord worden. Parallel aan de bestemmingsplanprocedure wordt een ontheffing aangevraagd bij de provincie Zuid-Holland inclusief een mitigatieplan. Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de te nemen (en reeds genomen) mitigerende maatregelen is er geen reden om aan te nemen dat de ontheffing niet verleend wordt. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek wordt geen aantasting van essentiële foerageergebieden van de gewone dwergvleermuis verwacht. Binnen het onderzoeksgebied gaan geen vaste rust- of verblijfplaatsen voor huismus, gierzwaluw, steenuil of buizerd verloren. Negatieve effecten van de ingreep op huismus, gierzwaluw, steenuil en buizerd zijn niet te verwachten. De ingreep leidt niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor wat betreft huismus, gierzwaluw, steenuil en buizerd.

4.2.2.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een belangrijk weidevogelgebied of de strategische reservering natuur. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden mogelijk sprake middels een verhoging van de stikstofdepositie. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels het uitvoeren van een Aerius-berekening.

Stikstofdepositie Om de stikstofdepositie in kaart te brengen is de Aerius-berekening uitgevoerd. Het rapport is toegevoegd als bijlage 6 aan voorliggende toelichting. In dit onderzoek is voor de gebruiksfase van de hippische kenniscampus de te verwachten stikstofdeposities ter plaatse van Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekening blijkt dat er geen stikstofdeposities op het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied groter dan 0,00 mol/ha/jaar optreedt. Op grond van de beoordelingssystematiek voor nieuwe activiteiten is het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming dan ook niet nodig. Op grond van de stikstofdeposities is er geen reden het initiatief te belemmeren.

4.2.2.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. De herplantingsplicht conform de Boswet zal binnen het plangebied opgelost worden.

4.2.2.4 Conclusie De beoogde ontwikkeling kan in overeenstemming met de Wet Natuurbescherming uitgevoerd worden indien de ontheffing door de provincie Zuid-Holland verleend wordt. Zoals gesteld is er op basis van het onderzoek geen reden om aan te nemen dat deze ontheffing niet verleend wordt. Voor het overige zijn er geen belemmeringen ten aanzien van het aspect flora en fauna en kan voorliggend bestemmingsplan vastgesteld worden.

40

(ontwerp)

Ontwerpbestemmingsplan Equestrum

4.3

Geluid

4.3.1

Beleidskader

Wegverkeer De Wet geluidhinder (Wg) bepaalt de wettelijke grenswaarden van de toelaatbare geluidsbelasting. Het bevoegd gezag moet deze in acht nemen bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Er moet getoetst worden aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de Wet geluidhinder. Dit vindt plaats per weg. 30 km/h wegen zijn vrijgesteld van onderzoek in de Wg. Het geluidsniveau door het wegverkeer dient op de gevels van geluidsgevoelige objecten te voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Dit is van toepassing bij nieuwe of te wijzigen woningen in de geluidszone van een weg. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting werd voorheen voorkeursgrenswaarde genoemd. Deze bedraagt 48 dB. De gemeente kan een hoger geluidsniveau toestaan als deze wordt overgeschreden. Dit heet de zogenaamde "Hogere waarde". De hogere waarde mag alleen worden verleend onder één voorwaarde. Uit akoestisch onderzoek moet blijken dat er geen bron-, overdrachts- of gevelmaatregelen mogelijk zijn. Dit zijn maatregelen om het geluidsniveau terug of onder het onder de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting terug te brengen. Aan de hogere waarde is een maximum verbonden. Voor de nieuwbouw van woningen in binnenstedelijke situaties is dit 63 dB en in buiten stedelijke situaties is dit 53 dB. Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie volgens artikel 110g van de Wet geluidhinder.

Het plangebied ligt niet nabij een spoorweg, gezoneerd industrieterrein en/of binnen het invloedsgebied van een luchthaven. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is toetsing aan spoorweglawaai, industrielawaai en/of luchtverkeerslawaai niet noodzakelijk.

4.3.2

Binnen het plangebied

Het plangebied ligt op basis van de normen in de Wet geluidhinder binnen de geluidscontouren van de A4 en de N223 (de Woudseweg). De A4 kent ter plaatse van het plangebied een afrit, de afstand tot de afrit bedraagt 75 meter en de afstand tot de hoofdrijbaan bedraagt 135 meter. De N223 ligt op ter plaatse van de kortste afstand op 105 meter. Planologisch gezien ligt er geen gebiedsaanduiding 'geluidszone – snelweg' over het plangebied, maar op basis van de Wet geluidhinder is akoestisch onderzoek noodzakelijk. De Ommedijk zelf heeft geen geluidscontour waarbinnen akoestisch onderzoek noodzakelijk is, bovendien is de Ommedijk alleen voor gemotoriseerd bestemmingsverkeer nuttig. Door NIPA Milieutechniek B.V. is een akoestisch onderzoek uitgevoerd ten aanzien van wegverkeerslawaai. Het plan voorziet in onder andere de realisatie van woonruimten voor begeleid wonen voor mensen met een beperking en onderwijsgebouwen. Dit zijn alle geluidgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder. De locatie is gelegen in de zone (akoestisch aandachtsgebied) van Rijksweg A4, de Woudseweg en de Ommedijk. De Ommedijk is niet meer dan een pad voor fietsers en eventueel een enkele auto of landbouwvoertuig en daarom niet relevant voor dit onderzoek. Het doel van het akoestisch onderzoek is het vaststellen van de geluidbelasting Lden als gevolg van het wegverkeer van de relevante wegen.

Voor de resultaten wordt van dit onderzoek wordt verwezen naar bijlage 7. Wet geluidhinder Uit de berekeningsresultaten blijkt op de gevels van de nieuwe woonbestemmingen een geluidbelasting van ten hoogste 59 dB als gevolg van het wegverkeer op de Rijksweg A4 en 47 dB als gevolg van de Woudseweg. Voor een aantal gevels dient het bevoegd gezag een hogere waarde te verlenen, de motivering daarvoor is gegeven in het geluidsrapport. Voor de een aantal waarneempunten geldt dat de gevels in het kader van de Wet geluidhinder al als doof moet worden uitgevoerd. De verplichting tot de realisatie van deze dove gevels is middels een voorwaardelijke verplichting vastgelegd in artikel 3.4.5. In het kader van de bouwaanvraag moet van de nieuw te realiseren geluidgevoelige functies de karakteristieke geluidwering van de gevel (Gak) worden getoetst.

(ontwerp)

41

Ontwerpbestemmingsplan Equestrum Woon- en leefklimaat Er van uitgaand dat er wordt voldaan aan de minimale eis voor de geluidwering van de woning van 20 dB mag de gecumuleerde geluidbelasting niet hoger zijn dan 53 dB om aan de richtwaarde van het binnengeluidniveau van 33 dB te voldoen. Met de berekende geluidbelastingen tot ten hoogste 61 dB (ex. 2dB correctie) is het woon- en leefklimaat in de geluidgevoelige functies zonder nader onderzoek naar de geluidwering van de gevel niet gewaarborgd. De benodigde geluidwering is ten hoogste (61-33=) 28 dB bij de westgevel van de zorgboerderij met waarneempunt 04/5. Middels het treffen van isolerende maatregelen kan aan deze eis voldaan worden. Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

42

(ontwerp)

Ontwerpbestemmingsplan Equestrum

4.4

Bedrijven en milieuzonering

4.4.1

Beleidskader

De invloed van bestaande (of nieuw te vestigen) bedrijvigheid moet op de leefomgeving worden afgewogen. Er dient een ruimtelijke scheiding te worden aangebracht tussen milieubelastende functies en milieugevoelige functies. Dit kan door middel van milieuzonering. Wonen is een voorbeeld van een milieugevoelige functie. De VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) geeft richtlijnen voor de in acht te nemen afstanden. Deze afstanden worden gemeten tussen de grens van de bestemming die bedrijven/milieubelastende activiteiten toestaat en de uiterste situering van de gevel van woningen. Aan de hand van de VNG-brochure is beoordeeld of de nieuwe bedrijvigheid (het parkeren) problemen oplevert voor de milieugevoelige functies in de omgeving (zoals wonen). In tabel 1 staan de richtafstanden per milieucategorie uit de VNG-Brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) weergeven.

Tabel 1: richtafstanden op basis van de VNG-Brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009)

4.4.2

Doorwerking planinitiatief

4.4.2.1 Omliggende gronden Ten oosten van het plangebied ligt een (nu nog onbebouwd) bestemmingsvlak met de bestemming 'Bedrijf - uit te werken' voor bedrijven tot en met categorie 3.2. Planologisch bestaat er geen zekerheid dat ter plaatse daadwerkelijk een bedrijventerrein gerealiseerd wordt, daarvoor dient eerst een uitwerkingsplan vastgesteld te worden conform de uitwerkingsregels. Het zijn per heden onbebouwde gronden waar zonder het vaststellen van een uitwerkingsplan geen bouw- en gebruiksrechten liggen. Planologisch is dat middels een bouwverbod geborgd in artikel 14.3.1. van het bestemmingsplan 'Hooipolder en Kerkpolder Oost 2013'. De uit te werken bestemming zou conform de wijzigingsregels overigens ook uitgewerkt kunnen worden tot o.a. wonen en een kinderopvang. Dit zijn zelf ook gevoelige functies in het kader van bedrijven- en milieuzonering. Nu uit de regels van het bestemmingsplan 'Hooipolder en Kerkpolder Oost 2013' volgt dat er planologisch gezien geen vigerende bouw- en gebruiksrechten zijn voor een bedrijventerrein wordt geconcludeerd dat er geen belemmering ontstaat bij de realisatie van Equestrum. Er zijn voor het overige ook geen bestaande milieubelastende bedrijfsbestemmingen in de nabijheid die van invloed zijn op de ruimtelijke ontwikkelingen binnen het plangebied.

4.4.2.2 Binnen het plangebied Naast de omliggende gronden moet ook binnen het plangebied gekeken worden naar de menging van functies. De VNG classificeert een manege als milieucategorie 3.1 bedrijf. De richtafstand tussen een gevoelige bestemming en de manege bedraagt 30 meter aangezien er binnen het plangebied sprake is van een gemengd gebied. De nieuwe stallen en de praktijkruimte moeten dus op 30 meter afstand van de gevoelige objecten worden gebouwd. Gevoelige objecten binnen het plangebied zijn de zorgwoningen, de klaslokalen waar theorieles wordt gegeven en de studio's voor studenten. Dit zijn allen functie die ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie van de kenniscampus en alleen beschikbaar zijn voor directe gebruikers van Equestrum.

(ontwerp)

43

Ontwerpbestemmingsplan Equestrum Naast de ruimtelijke richtafstanden gelden ook de regels uit het Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit zijn ook minimale afstanden opgenomen wanneer sprake is van opslag van agrarische bedrijfsstoffen zoals bijvoorbeeld mest, kuilvoer en vast bijvoedermiddelen. Dit zijn milieubelastende activiteiten. In het activiteitenbesluit is een vaste afstand van 50 meter opgenomen tussen deze milieubelastende en milieugevoelige activiteiten (artikel 3.46 Activiteitenbesluit). Het Activiteitenbesluit kent ook uitzonderingen, zo is de minimale afstand voor een mestbassin kleiner dan 350 m2 slechts 25 meter. Het voornemen is om de milieubelastende en milieugevoelige activiteiten zover als mogelijk te scheiden van elkaar, waarbij de grootste minimale afstand uit de VNG of het Activiteitenbesluit leidend is. Bij aanvraag omgevingsvergunning wordt formeel getoetst aan het Activiteitenbesluiten, aangetoond moet worden dat ook voldaan kan worden aan deze geldende wet- en regelgeving. Deze toetsing vindt voor geuremissie plaats op basis van artikel 2.7 van het Activiteitenbesluit. In dit artikel is bepaald dat bij activiteiten waar geuremissies plaatsvinden, geurhinder bij geurgevoelige objecten voorkomen dan wel tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.

Deze toetsing vindt plaats op basis van een onderzoeksrapport (NTA 9065) naar de inrichting en de aanwezige activiteiten en technische voorzieningen. Het bevoegd gezag kan (indien noodzakelijk) op basis van het onderzoeksrapport een maatwerkvoorschrift opstellen waaruit blijkt dat voldaan kan worden aan het uitgangspunt geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Conclusie Bij aanvraag omgevingsvergunning zal wederom getoetst moeten worden of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening, mogelijk dient bij de aanvraag omgevingsvergunning een aanvullend onderzoek plaats te vinden naar geurhinder conform het Activiteitenbesluit. Met zekerheid kan geconcludeerd worden dat het plangebied groot genoeg is om voldoende afstand tussen milieugevoelige en milieubelastende functies te kunnen garanderen. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.

44

(ontwerp)

Ontwerpbestemmingsplan Equestrum

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Beleidskader

Het uitgangspunt bij ruimtelijke planvorming is dat een project niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer, titel 5.2; ofwel de Wet luchtkwaliteit. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor een aantal stoffen die als verontreiniging in de lucht voorkomen. In de praktijk richt de aandacht zich vooral op de stoffen stikstofdioxide en stof (PM 10 en PM2,5). Van deze stoffen komen in Nederland concentraties voor die in de buurt van de grenswaarde liggen. De overige stoffen die in bijlage 2 zijn genoemd liggen over het algemeen ver onder de grenswaarden. De grenswaarden van de stikstofdioxide en fijnstof zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.

Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m3

Fijnstof (PM10)

40 µg/m3

Jaargemiddelde concentratie

24-uurgemiddelde concentratie Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 Fijnstof (PM2,5)

Jaargemiddelde concentratie

25 µg/m3

Tabel 2: Grenswaarden luchtkwaliteit

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit uitoefenen indien:  de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a);  de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid onder b1);  bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2);  de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c);  het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied. Met grof stof wordt rekening gehouden bij de milieuzonering en wordt niet in het kader van luchtkwaliteit meegenomen.

Besluit niet in betekenende mate (nibm) De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel niet in betekenende mate (nibm), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit niet in betekenende mate (nibm) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:  Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;  Een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.

(ontwerp)

45

Ontwerpbestemmingsplan Equestrum Door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu is in samenwerking met Kenniscentrum InfoMill een rekentool ontwikkeld waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteitseisen kan worden vastgesteld. Alleen het extra aantal voertuigbewegingen en het aandeel vrachtverkeer worden ingevoerd. Voor de overige invoergegevens is de NIBM-tool uitgegaan van worst-case omstandigheden. Met deze beperkte invoergegevens wordt vastgesteld of een plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan luchtverontreiniging. 4.5.2

Doorwerking planinitiatief

Al het huidige wegverkeer in en rondom het plangebied stoten uitlaatgassen uit. NO 2 en fijnstof worden voornamelijk geëmitteerd door wegverkeer. Gezien het feit dat het plangebied grenst aan de Rijksweg A4 is het wegverkeer naast de heersende achtergrondconcentraties bepalend voor de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. Op basis van de NSL – monitoringstool kan gesteld worden dat de huidige luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied van voldoende kwaliteit is.

Afbeelding 18: Uitsnede NSL – monitoringstool; links NO2 concentratie; rechts PM10 concentratie (bron: Rijksoverheid) De ontwikkelingen binnen het plangebied zijn relatief gezien beperkt van aard vergeleken met de uitstoot van de A4. Om te kunnen bepalen of het project niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit wordt gekeken naar het aantal verwachte verkeerbewegingen. Het verwachte aantal extra verkeersbewegingen kunnen worden ingevuld in de nibm-tool. De CROW heeft verkeersgeneratiecijfers, maar niet voor alle functies die binnen het plangebied worden gevestigd. Een exacte inschatting van de toekomstige verkeersgeneratie is lastig te bepalen. Besloten is om te kijken naar wat het maximale aantal verkeersbewegingen mag zijn zonder dat er sprake is van een negatieve bijdrage in betekende mate. De nibm-tool is ingevuld voor het jaar 2023, onderstaande uitsnede geeft nibm-tool weer. Uit deze berekening blijkt dat er bij een toename van 1029 verkeersbewegingen per weekdag nog altijd geen sprake is van een negatieve bijdrage in betekende mate. Op basis van het beoogde programma binnen het plangebied kan met zekerheid gesteld worden dat deze grens niet zal worden overtreden, daar is het plangebied te klein voor en de gebruiksmogelijkheden te beperkt.

Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, ook in de toekomstige situatie zal er sprake zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor voorliggend planinitiatief.

46

(ontwerp)

Ontwerpbestemmingsplan Equestrum

Afbeelding 19: Uitsnede nibm-tool 2023 (bron: infomil)

(ontwerp)

47

Ontwerpbestemmingsplan Equestrum

4.6

Bodemkwaliteit

4.6.1

Beleidskader

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen en het verlenen van omgevingsvergunningen regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt zo nodig middels een historisch onderzoek (eventueel aangevuld met een nader bodemonderzoek) bepaald. Het is niet toegestaan om te bouwen op verontreinigde grond. Het bodembeleid onderscheidt drie soorten grond en bodem met ieder hun eigen beleid en wet- en regelgeving:  Sterk verontreinigde grond (boven interventiewaarden);  Licht verontreinigde grond (boven streefwaarden, na 1 juli 2008 AW2000-waarden);  Schone bodems (beneden streefwaarden, na 1 juli 2008 AW2000-waarden). Sinds 2008 is het Besluit bodemkwaliteit van kracht. Dit besluit hanteert voor het toepassen van grond en bagger, een toets op de ontvangende bodem en aan de gebruiksfunctie. Het doel van het Besluit bodemkwaliteit is duurzaam bodembeheer. Dat wil zeggen: een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu en gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen zoals woningbouw of aanleg van wegen. Tevens biedt het besluit meer mogelijkheden voor grondverzet.

4.6.2

Doorwerking planinitiatief

Het perceel heeft in de bestaande planologische situatie voor een groot deel een woonbestemming, derhalve zou de ontwikkeling van nieuwe gevoelige functies (zoals wonen en zorgvoorzieningen) mogelijk moeten zijn. De voorgestelde ontwikkeling vindt echter plaats op een oud agrarisch perceel waarop een aantal oude gebouwen staan. Grondverontreiniging door bijvoorbeeld asbest is op voorhand niet uit te sluiten. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, moet middels een historisch onderzoek (eventueel aangevuld met een nader bodemonderzoek) worden bepaald. Ingenieursbureau Mol op de locatie Ommedijk nabij 3 te Schipluiden verschillende bodem- en asbestonderzoeken uitgevoerd. De rapporten zijn toegevoegd als bijlages 8, 9, 10 en 11.

Bodem Het plangebied is onderzocht om de bestemmingsplanwijziging en de navolgende aanvraag omgevingsvergunning mogelijk te maken. Het doel van de verschillende bodemonderzoeken is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater in gehaltes boven respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden. Op basis van de resultaten van de onderzoeken wordt het volgende geconcludeerd:  De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met lood en kwik;  De ondergrond is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters;  Het grondwater is licht verontreinigd met arseen, barium, nikkel en naftaleen. Op de locatie is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet Bodembescherming, aangezien het totaal aantal m³ sterk verontreinigde grond minder dan 25 m³ bedraagt. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het instellen van verder onderzoek. De resultaten benaderen geenszins de toetswaarde voor nader onderzoek. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt worden geen bezwaren verwacht voor het verstrekken van een omgevingsvergunning en voortzetten van het huidige gebruik. Opgemerkt wordt dat indien bijvoorbeeld bij herinrichtingswerkzaamheden grond vrijkomt die niet ter plaatse kan worden hergebruikt er restricties gelden ten aanzien van het hergebruik.

48

(ontwerp)

Ontwerpbestemmingsplan Equestrum Asbest Op basis van de resultaten van het verkennend asbest in grondonderzoek kan geconcludeerd worden dat er alleen nabij boring 14 sprake is van asbestverontreiniging die de streefwaarde overschrijdt. Binnen het plangebied is er verder geen sprake van een asbestverontreiniging die de wettelijke normen overschrijdt. Boring 14  Tijdens de visuele inspectie van het maaiveld is geen asbestverdacht plaatmateriaal waargenomen;  In het gat is in de laag van 0 tot 50 cm-mv asbestcement vlakke plaat aangetroffen;  In de monsters is analytisch asbest aangetroffen;  Het gewogen asbestgehalte is berekend op 643,40 mg/kg ds en overschrijdt de grens van nader onderzoek (50 mg/kg ds). Opgemerkt wordt dat indien bijvoorbeeld bij herinrichtingswerkzaamheden grond vrijkomt die niet ter plaatse kan worden hergebruikt er restricties gelden ten aanzien van het hergebruik.

Afbeelding 20 : Boorpunten verkennend bodem- en asbest in de grond onderzoek Aanvullende bodem- en asbestonderzoeken De uitgevoerde bodem- en asbestonderzoeken zijn beoordeeld door de Omgevingsdienst Haaglanden. Uit de beoordeling is gebleken dat er naar verwachting geen belemmering zal zijn voor de voorgenomen herontwikkeling. De uitgevoerde onderzoeken dienen op een aantal onderdelen nog aangevuld te worden, het gaat om de volgende aanvullingen:  Nader bodemonderzoek ter plaatse van de hooischuur;  Verkennend asbest in grond onderzoek op de gehele locatie;  Nader asbest in grond onderzoek. De aanvullende onderzoeken zullen voorafgaand aan de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan uitgevoerd en afgerond worden. Tijdens de ontwerpfase van de procedure wordt dit planologische geborgd middels een voorwaardelijke verplichting in artikel 10.2.

(ontwerp)

49

Ontwerpbestemmingsplan Equestrum

4.7

Externe veiligheid

4.7.1

Beleidskader

Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid voor de omgeving van een inrichting met gevaarlijke stoffen en/of transport van gevaarlijke stoffen. Elk nieuw ruimtelijk plan moet volgens de Wet ruimtelijke ordening getoetst worden aan de normen voor plaatsgebonden risico en groepsrisico. Daarbij kunnen de volgende bronnen worden onderscheiden:  Inrichtingen: risico's van onder andere tankstations met LPG, gevaarlijke stoffen (PGS-15)opslagplaatsen en ammoniakkoelinstallaties;  Transport van gevaarlijke stoffen over de weg;  Transport van gevaarlijke stoffen per spoor;  Transport van gevaarlijke stoffen over het water;  Transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een denkbeeldige persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De norm (één op één miljoen per jaar) geldt voor kwetsbare objecten als grenswaarde en voor beperkt kwetsbare objecten als richtwaarde. Dit betekent dat er als gevolg van een ongeval -in theorie- per jaar slechts één persoon op een miljoen mensen mag overlijden. Dit geldt ook als deze objecten geprojecteerd zijn. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans op een ongeval met veel dodelijke slachtoffers.

Hierbij wordt gekeken naar de werkelijk aanwezige bevolking en de verspreiding van die bevolking rond een risicobron. Bepaald wordt hoe groot de kans is op tien, honderd of meer slachtoffers tegelijk onder die bevolking. Groepsrisicoberekeningen beogen maatschappelijke ontwrichting inzichtelijk te maken. Het groepsrisico is afhankelijk van de omvang van het ongeval. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet het groepsrisico worden verantwoord (VGR). Vanzelfsprekend speelt de hoogte van het groepsrisico een rol, ook de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid maken onderdeel uit van de verantwoordingsplicht. De risicomaten zijn vastgelegd in diverse besluiten en beleidsnota's. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen, zoals deze op dit moment luiden (REVI II), zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen vastgelegd. De normstelling voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (voor zowel weg, spoor als water) is gebaseerd op de Nota Risico Normering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (RNVGS) die reeds is vervallen. De nota heeft geen wettelijk bindende werking, maar is niet vrijblijvend. Voor buisleidingen geldt sinds 1 januari 2012 de regeling 'Besluit externe veiligheid buisleidingen'

4.7.2

Doorwerking planinitiatief

4.7.2.1 Plaatsgebonden risico Aan de hand van de risicokaart kan opgemaakt worden welke risicovolle inrichtingen zich bevinden nabij het plangebied. De risico's zijn weergegeven in de onderstaande afbeelding  Ter hoogte van aanduiding a ligt het plangebied, paars omlijnd  Ter hoogte van aanduiding b ligt Benfried B.V., een groothandel in bestrijdingsmiddelen en kunstmeststoffen, waar C-meststoffen worden opgeslagen  Ter hoogte van aanduiding c ligt een aardgasleiding van Gasunie Transport Services  Ter hoogte van aanduiding d ligt gasontvangstation Gasunie W451  Ter hoogte van aanduiding e ligt zwembad Kerkpolder De risicocontouren zijn weergegeven aan de hand van een zwarte stippellijn. De risicocontouren liggen niet over het plangebied heen. het plaatsgebonden risico vormt daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

50

(ontwerp)

Ontwerpbestemmingsplan Equestrum

Afbeelding 21: uitsnede risicokaart met risicobronnen (bron: risicokaart.nl) Binnen het plangebied (de zuidoosthoek) is een voormalige propaantank aanwezig. Omdat de propaantank op eigen terrein ligt is geen sprake van een 'extern' veiligheidsrisico. Op basis van de PR-contour kan vastgesteld worden dat de propaantank in het verleden niet vaker dan 5 keer per jaar bevoorraad werd. Omdat sprake was van zeer incidenteel transport had dit ook geen invloed op het groepsrisico. De propaantank wordt niet meer gebruik en zal na realisatie ook niet meer gebruikt (en dus bevoorraad) worden. De propaantank zal in het verdere onderzoek dan ook niet betrokken worden 4.7.2.2 Groepsrisico Voor het groepsrisico (GR) is geen harde norm vastgelegd, maar is ervoor gekozen om een oriëntatiewaarde te hanteren. Een overschrijding van de oriëntatiewaarde of een toename van het groepsrisico van een bepaalde omvang dient door het bevoegd gezag te worden verantwoord. Het plangebied ligt ten westen van wegvak Z33: A4: afrit 13 (Den Hoorn) - afrit 14 (Delft). Conform de regeling Basisnet [3] dient voor de berekening van het groepsrisico uit te worden gegaan van 500 transporten GF3 (brandbare gassen zoals LPG). Voor wegvak Z10 ten noorden van het plangebied dient uitgegaan te worden van 1000 GF3-transporten. Het plangebied ligt binnen 200 meter van de A4, conform art.

8 van het Bevt dient dan verantwoording afgelegd te worden over de wijziging van het groepsrisico. Onderzoeksbureau Aviv heeft een notitie externe veiligheid opgesteld om het groepsrisico te verantwoorden, deze notitie is toegevoegd als bijlage 12. Uit de berekening blijkt dat zowel in de huidige als toekomstige situatie sprake is van een groepsrisico onder 0.1 keer de oriëntatiewaarde, daaruit volgt dat het groepsrisico geen belemmering vormt. Op basis van artikel 8 bevt kan geconcludeerd worden dat het uitgevoerde onderzoek volstaat voor de verantwoording van het groepsrisico.

(ontwerp)

51

Ontwerpbestemmingsplan Equestrum

4.8

Kabels en leidingen

4.8.1

Beleidskader

Er kunnen planologische relevante kabels en/of leidingen in het plangebied liggen. Ze kunnen ook in de omgeving voorkomen. Voorbeelden zijn hoofdnutsvoorzieningen. Dit kunnen leidingen voor het transport van giftige, brandbare en/of ontplofbare stoffen zijn. Daarnaast zijn aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen en afvalwaterleidingen ook voorbeelden. Deze leidingen worden bestemd als ze voorkomen in het gebied. Met het vigerende bestemmingsplan kan worden vastgesteld welke maatregelen, overleggen en/of rapporten nodig zijn voor een ruimtelijke ontwikkeling.

4.8.2

Doorwerking planinitiatief

In of nabij het plangebied bevinden zich geen planologisch relevante kabels en leidingen in de grond. Wel loopt er in de nabijheid van het plangebied een hoogspanningskabel, zoals reeds besproken in paragraaf 3.1.3. Voor een hoogspanningskabel gelden minimale veiligheidsafstanden tot gevoelige bestemmingen. In voorliggend bestemmingsplan wordt de bestaande aanduiding 'veiligheidszone magneetveldzone' overgenomen. Dat betekent dat er binnen deze aanduiding geen gevoelige bestemmingen zijn toegestaan en niet ten behoeve van een gevoelige bestemming mag worden gebouwd. Op onderstaande afbeelding is de bestaande aanduiding 'veiligheidszone - magneetveldzone' nader weergegeven.

Afbeelding 22: ligging gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - magneetveldzone'

52

(ontwerp)

Ontwerpbestemmingsplan Equestrum

4.9

Water

4.9.1

Beleidskader

Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan (NWP) is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998. Het vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld aan de hand van de Waterwet. Deze is sinds 22 december 2009 van kracht. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van een structuurvisie. Het NWP 2016-2021 bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Het kabinet actualiseert het waterbeleid op een aantal terreinen in het nieuwe NWP.  Het beleid met betrekking tot waterveiligheid en zoetwater. Dit beleid is met vastgestelde deltabeslissingen in 2014 fundamenteel veranderd. Uit de voorstellen voor deze deltabeslissingen vloeit het rijksbeleid voort. Het rijksbeleid is in 2014 met een tussentijdse wijziging verankerd in het NWP 2009-2015. Ook is het rijksbeleid opgenomen in de actuele versie van het NWP voor de periode 2016-2021;  Het kabinet heeft de afgelopen jaren over verschillende beleidsterreinen afspraken gemaakt die raakvlakken hebben met water. Voorbeelden zijn afspraken over energie (Energieakkoord), natuur (Natuurvisie), internationale inzet en vernieuwde bestuurlijke verhoudingen (SVIR, bestuursakkoord water en Deltaprogramma). Deze afspraken zijn verwerkt in het NWP.

De betreffende beleidsdocumenten blijven van kracht;  Met de vaststelling van het NWP voldoet Nederland tevens aan de Europese eisen. Actuele plannen en maatregelenprogramma's moeten volgens de Europese eisen opgesteld worden volgens de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico (ROR) en de Kaderrichtlijn mariene Strategie (KRM). Het NWP formuleert antwoorden op ontwikkelingen op het gebied van klimaat, demografie en economie. Ook investeert het NWP in een duurzaam waterbeheer. Een goede bescherming tegen overstromingen, het zoveel mogelijk voorkómen van wateroverlast en droogte, en het bereiken van een goede waterkwaliteit zijn basisvoorwaarden voor welvaart en welzijn. Nederland als aantrekkelijk waterrijk land met een hoge mate van veiligheid levert een positieve bijdrage aan het vestigingsklimaat. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Acht wetten zijn samengevoegd tot één wet. Dit is de Waterwet. De wet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Daarnaast verbetert de Waterwet ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Ook levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen. Te denken valt aan vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Watertoets Sinds 1 november 2003 verplicht het Besluit ruimtelijke ordening een watertoets te verrichten.

De watertoets beschrijft het proces waarop de waterbeheerder en de initiatiefnemer van het ruimtelijke plan moeten samenwerken. Het samenwerkingsproces leidt uiteindelijk tot een 'waterparagraaf' die onderdeel moet gaan uitmaken van het uiteindelijke plan of besluit. Bij dit bestemmingsplan is de Hoogheemraadschap van Delfland en de gemeente Midden-Delfland de waterbeheerder. De waterparagraaf bevat een beschrijving over de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Hoogheemraadschap van Delfland De gemeente Midden-Delfland valt onder het Hoogheemraadschap van Delfland. Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021. Dit beleidsdocument is vastgesteld op 19 november 2015 en het beleid is formeel vastgelegd in de Keur en de legger. Het verbeteren van de waterkwaliteit en het vergroten van de bergingscapaciteit zijn belangrijke pijlers binnen dit beleid. Het waterschap zoekt bij de planvormig en uitvoering zo veel mogelijk de samenwerking met partners.

(ontwerp)

53

Ontwerpbestemmingsplan Equestrum Hoogheemraadschap van Delfland hanteert daarnaast een Handreiking watertoets (2016) voor gemeenten. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet. De toets berust op twee uitgangspunten:  standstillbeginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen;  verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Tevens gelden de regels van de Keur. De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. De Keur en de Beleidsregels van Hoogheemraadschap van Delfland zijn online raadpleegbaar

4.9.2

Doorwerking planinitiatief

De gemeente Midden-Delfland heeft het voorontwerpbestemmingsplan in het kader van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voorgelegd aan het Hoogheemraadschap van Delfland. Het Hoogheemraadschap heeft hierop gereageerd middels een vooroverlegreactie. De gemeente en de initiatiefnemer hebben voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan overleg gevoerd met het Hoogheemraadschap zodat de vooroverlegreactie en het waterschapsbelang correct geborgd is. Op deze manier wordt voldaan aan het uitgangspunt zoals verwoord in de 'Handreiking watertoets voor gemeenten' van het Hoogheemraadschap. Watercompensatie Voorliggend bestemmingsplan maakt de herontwikkeling van de Rijksmonumentale boerderij mogelijk, inclusief de omliggende gronden. De herontwikkeling van de Rijksmonumenten betreffen alleen inpandige wijzigingen, hierdoor neem het verharde oppervlak niet toe. Daarnaast worden er nieuwe gebouwen gerealiseerd en terreinverharding toegevoegd. Deze toename van verharding is meegenomen in de watersleutel. De watersleutel is naar aanleiding van het vooroverleg verfijnd en geactualiseerd. De ingevulde watersleutel is toegevoegd als bijlage 13 . De bestaande en toekomstige situatie zijn het uitgangspunt voor de watersleutel. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de bestaande en toekomstige verharding.

De paardenpiste is als onverhard oppervlakte beschouwd. De grond ter plaatse van de paardenpiste bestaat uit grasland. In de toekomstige situatie is binnen de paardenpiste sprake van een zandgrond. De functie van zandgronden in de volledige waterhuishouding, zoals infiltratie en vertraagde afvoer, is vergelijkbaar met grasland. Derhalve is het oppervlak van de paardenpiste zowel in de bestaande als toekomstige situatie als onverhard ingevoerd in de watersleutel.

Type verharding

Bestaande situatie m2

Toekomstige situatie m2

Bebouwing

2.200

3.500

Terreinverharding

19.000

17.700

Tabel: bestaande en toekomstige verharding plangebied Op basis van de ingevulde watersleutel is watercompensatie noodzakelijk. Watercompensatie kan plaatsvinden in de vorm van extra oppervlakte water (m2), extra opstuwing in het peilgebied (m3) of water infiltrerende voorzieningen (m3). Voorbeelden van water infiltrerende voorzieningen zijn bijvoorbeeld de toepassing van sedumdaken of infiltratiekratten. De initiatiefnemer stelt voorafgaand aan de werkzaamheden een integraal waterhuishoudkundig plan op, in samenwerking met de gemeente en het Hoogheemraadschap. Onderdeel van dit waterhuishoudkundige plan is ook een optimalisering van de bestaande watersystemen. Dit heeft te maken met de slechte staat van inlaten,

54

(ontwerp)

Ontwerpbestemmingsplan Equestrum waardoor het waterpeil op dit moment flexibel optreedt. Er wordt in overleg met het Hoogheemraadschap en op basis van funderingsonderzoek een voorstel gedaan voor een definitief waterpeil rondom de ontwikkeling. Op basis van de watersleutel dient te worden voorzien in 845 m2 extra oppervlaktewater of in 282.5 m3 extra waterberging. Het integrale waterhuishoudkundige plan zal nader ingaan op de gekozen wijze van watercompensatie, hierbij is ook een combinatie van voorzieningen mogelijk. Het plangebied en de beoogde ontwikkeling bieden in ieder geval voldoende mogelijkheden om tot een goede waterhuishoudkundige situatie te komen. In artikel 3.2.4 is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee is vastgelegd dat, voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning, voorzien moet worden in een goede waterhuishoudkundige invulling. Onderdeel van deze voorwaardelijke verplichting is een positief advies van het Hoogheemraadschap. Er is voor gekozen om in de voorwaardelijke verplichting geen exacte hoeveelheid aan m2 en/of m3 watercompensatie op te nemen. Het bestemmingsplan biedt nog flexibiliteit in de hoeveelheid bebouwing, derhalve kan ook de exacte hoeveelheid watercompensatie nog wijzigingen.

Om te voorkomen dat bij nadere uitwerking dan wel aanpassing van het bouwplan strijdigheid met het bestemmingplan ontstaat is gekozen voor een globale omschrijving.

Dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' Aan de oostzijde van het plangebied loopt de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering', deze dubbelbestemming zal in voorliggend bestemmingsplan gehandhaafd blijven. Werkzaamheden die binnen deze dubbelbestemming plaatsvinden moeten worden afgestemd met het Hoogheemraadschap, dat is in de regels van zowel het bestemmingsplan als keur geborgd. Werkzaamheden binnen deze de waterkering zijn altijd vergunningplichtig, hiervoor zal een watervergunning (c.q. aanlegvergunning) aangevraagd moeten worden bij het Hoogheemraadschap. Op basis van de huidige plannen zijn de volgende werkzaamheden voorzien binnen waterkering: 1. De aanleg van een brug voor de ontsluiting; 2. De aanleg van een persriool; 3. De aanleg van verschillende kabels en leidingen (nutsvoorzieningen); 4. Renovatie of vervanging bestaande inlaat. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Legger van het Hoogheemraadschap weergegeven. De dubbelbestemming op de verbeelding komt overeen met de aangegeven beschermingszone in de Legger.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=middendelfland&id=d9631950-4c86-473f-b4c7-7eb67f0c2423