82 1 Definitief rapport onderzoek Joods Vastgoed
Tekst van het document
Was de manier waarop de bewindvoering geregeld was of concreter: de benoeming van bewindvoerders een recept voor ellende in de praktijk? Bewindvoerders hadden dikwijls hun eigen werk en waren vaak geen jurist of boekhouder. Aan de andere kant was het voor verwanten ongetwijfeld frustrerend dat de communicatie moeizaam kon zijn en instanties en bewindvoerders zich formeel opstelden en aan procedures vasthielden.
5.7. Rechtsherstel voor een overlevende: casus Israëls te Visvliet (Jeroen Benders) Als voorbeeld van de situatie waarmee een overlevende van de Holocaust na de oorlog te maken kreeg als deze zijn eigendom terug wilde, gaan we ier in op het wedervaren van onderduiker David Israëls te Visvliet voor tijdens en na de oorlog. De veehandelaar en sjochet (ritueel slachter) David Israëls leefde met zijn zus Jette Israëls en broer Salomon Israëls in Visvliet samen op het adres E42. Op de kadastrale hulpkaart sectie G nr. 3 uit 1933 ziet men pal tegenover de slachtplaats van Mozes Israëls229 op kadasternummer G578 een pand liggen. De bijbehorende legger specificeert dat het een ‘huis, slachtplaats en erf’ betrof met als eigenaar (in beklemrechtelijke zin) de Pastorie en Kosterij der 229
Zie over hem paragraaf 10.2
74
N.H. Gemeente te Visvliet en Pieterzijl en als beklemde meiers koopman Salomon Israëls en Jette Israëls (zonder beroep), alsmede de koopman David Israëls ‘en consorten’. De bouwaanvragen voor de twee bedrijven van vader Sander Israëls en Mozes Israëls zijn in 1927 tegelijkertijd ingediend en goedgekeurd.230 In 1946 vond een hernummering plaats, waarbij E42 veranderde in E48.231 Het adres was Hoofdstraat 26, maar in 1965 is dit veranderd in Heirweg 38. Uit het actieve lidmaatschap van de broers van de vereniging Plaatselijk Belang sinds de oprichting daarvan in 1916 en uit overgeleverde verhalen blijkt dat de broers David en Salomon intensief deel hadden aan het dorpsleven.232 Zuster Jette bleef meer in de schaduw. Bekend is dat zij in totaal 3,312 hectare grond bezat in de kadastrale gemeente Kollum, die in oorlogstijd voor een bedrag van ƒ 9.500,– (teruggebracht tot ƒ 8.600,–) van de hand ging.233 David Israëls dook eind 1942 onder in Friesland. Bij het oversteken van de Lauwers liet hij klompen en kleding achter, waardoor aan zelfdoding gedacht werd.234 Salomon en Jette Israëls zijn in Auschwitz respectievelijk Sobibor omgebracht; Jette zou begin april 1943 zijn weggehaald uit het R.K. Ziekenhuis te Groningen, waar ze was opgenomen.235 David Israëls was de enige Joodse overlevende uit de gemeente Grijpskerk.
Na de oorlog nam hij zijn intrek weer in het huis waar hij met zijn broer en zus geleefd had, recht tegenover het leegstaande perceel van de vermoorde Mozes Israëls en Rebekka Cozijn. Op 30 juli 1945 is in een gemeentelijk brievenboek een brief van hem geregistreerd ‘betreffende afstaan slagerij’.236 De brief is niet in geschrifte beantwoord, maar mogelijk of waarschijnlijk mondeling afgedaan. Net als bij de slagerij van Mozes Israëls waren ook hier het woonhuis en de slagerij van elkaar onderscheiden, als E41 respectievelijk E42. Het is onduidelijk of de gemeente in de slagerij woningzoekenden heeft ondergebracht. Gezien de naoorlogse woningnood is dit niet uit te sluiten.237 Het kantoor van de NBI-Groningen en Appingedam vroeg het centrale NBI in augustus 1946 op verzoek van David Israëls om beëindiging van de bewindvoering over hem door de kandidaat-notaris Roelof de Vries te Grijpskerk. Vastgesteld werd dat Israëls sinds de bevrijding niet, ja nooit ‘afwezig’, maar tijdens de Bezetting ondergedoken was geweest, waardoor het aanstellen van een bewindvoerder per 29 maart van dat jaar ‘overbodig is geweest’. Het NBI beëindigde hierop per 8 augustus 1946 het beheer van Davids eigendommen en De Vries werd per 2 augustus van zijn taak als ‘bewindvoerder voor afwezige’ ontheven.238 David Israëls is enige tijd financieel ondersteund door het P.B.V.O.
(Provinciaal Bureau Verzorging Oorlogsslachtoffers) te Groningen, dat daarover in 230
ArWk, AgGk, blok 2, doos 7, dossier 251 G-346, besluit B&W d.d. 22 juli 1927 nr. 23. ArWk, AgGk, inv.nr. 390, huisnummerboekje gedateerd ‘ca. 1931’, denkelijk met een hernummering uit 1946. Dat dit het eindjaar van dit boekje is, blijkt uit het feit dat de naam David Israëls tweemaal genoteerd en doorgehaald is, met twee namen er tussenin. 232 Kamminga, Grijpskerk, 55-56; Kuipers e.a., Heerlijkheid Visvliet, 109. 233 Koper was de in Kollum woonachtige pachter H. Agema. Informatie ontleend aan bestand Ter Braake, ID B1 (percelen: C496 en C688-693). 234 Kamminga, Grijpskerk, 21. 235 GrA, HRG, inv.nr. 526: brief van W. Kamminga, auteur van een boek over de geschiedenis van Grijpskerk, aan het Rode Kruis d.d. 6 november 1968. Vermoedelijk is zij de ‘mej. J. Israëls’ die op 31 december 1942 is ingeschreven in een patiëntenregister van het R.K. Ziekenhuis (GrA, RKZ, inv.nr. 751, p. 92 nr. 6552). 236 ArWk, AgGk, inv.nr. 195 (register van ingekomen en verzonden stukken, 1940-1945, briefnr. 987. 237 ArWk, AgGk, inv.nr. 390, huisnummerboekje gedateerd ‘ca. 1931’, bijgehouden tot en met 1946, geeft geen namen van bewoners bij de slagerij; een ongedateerd exemplaar, denkelijk vlak na de oorlog aangelegd, vermeldt bij E48 tussen David Israëls en Hielke Bosklopper (doorgehaald) nog Ieke Sevinga. In welk van beide panden deze persoon woonde, is niet te zeggen.
238 NA, NBI, toegang 2.09.16.07, inv.nr. 69481 (briefwisseling tussen NBI en NBI-Groningen, alsook de aanstellingsbriefjes van De Vries en een uittreksel uit het Kadaster). 231
75
contact trad met de gemeente, zoals blijkt uit de gemeentelijke brievenboeken. Deze maken in oktober 1946 melding van correspondentie hierover, en met de ‘Joodsche Coördinatie’ in december.239 In het dienstjaar 1950 (kalenderjaar 1949) is op een kadastrale legger de verkoop van het onroerend goed van de familie Israëls met het recht van beklemming van de grond geregistreerd aan drie leden van de familie Bosklopper. De verkoop en overdracht vonden plaats in september-oktober 1949 tegen een som van ƒ 3.500,–. Het geheel wordt in het betreffende kadastrale register omschreven als ‘een behuizing met slachtplaats en erf’, waarvoor aan grondpacht 97,5 cent aan de Pastorie en vijftig cent aan de Kosterij diende te worden voldaan. David, Salomon en Jette Israëls blijken het gezamenlijk in eigendom te hebben verkregen in 1931.240 De gemeente gaf Hielke Bosklopper in september toestemming om de woning E48 te Visvliet te betrekken.241 David Israëls vertrok na de verkoop naar Den Haag en is daar op 11 mei 1957 in een Joods rusthuis overleden. In het pand waar hij met zijn broer en zus had gewoond, vestigde Hielke Bosklopper een kapperszaak.242
239
ArWk, AgGk, inv.nr. 196, register van ingekomen en verzonden stukken 1946-1947, briefnrs. 1886, 1892 en 2301, respectievelijk d.d. 12, 11 oktober en circa 6 december; de laatste brief is beantwoord op 9 december. 240 GrA, KAD, inv.nr. 5964, deel 1367, akte 113. 241 ArWk, AgGk, inv.nr. 81, agenda van B&W 1947-1949, op datum 19 september 1949. 242 Kamminga, Grijpskerk, 21.
76
6. Oldambt: de gemeentelijke betrokkenheid bij de verwerving van onteigend Joods onroerend goed (Daniël Broersma)
6.1. Inleiding De huidige gemeente Oldambt bestond tijdens de bezettingsperiode uit haar nog niet gefuseerde voorgangers Winschoten, Beerta, Finsterwolde, Nieuweschans, Midwolda, Nieuwolda en Scheemda. Voor al deze gemeenten is via onderzoek in de zogeheten Verkaufsbücher, waarin de nationaalsocialistische instanties de verkoop van het Joodse onroerend goed registreerden, en het Kadaster nagegaan of zij tijdens de Bezetting aankopen van onroerend goed uit Joods bezit hebben gedaan. Daarnaast is voor de twee toenmalige gemeenten met de grootste Joodse gemeenschappen, te weten Winschoten en Scheemda, als een vorm van controle ook via de gemeentelijke archieven gezocht naar aanwijzingen voor de aankoop door deze gemeenten van Joods onroerend goed tijdens de Tweede Wereldoorlog. Voor Beerta, Finsterwolde, Nieuweschans, Midwolda, Nieuwolda en Scheemda zijn in het onderzochte bronnenmateriaal geen sporen aangetroffen die wijzen op dergelijke aankopen. De toenmalige gemeente Winschoten deed tijdens de Bezetting wel een aantal aankopen van onroerend goed uit Joods bezit.
Het ging hierbij om: - een in 1942 door de gemeente Winschoten aangekocht perceel groenland van Betje Nathan aan de Zuiderwuppen en de Renselweg; - een in 1942 aangekocht perceel groenland van de gebroeders Hart aan de Blijhamsterweg; - een in 1942 aangekocht pakhuis met erf van de familie Wolff aan de Trekweg; - een in 1943 aangekochte dubbele arbeiderswoning van de familie West aan het Zandpad; - een in 1944 aangekocht perceel in het Sint Vitusholt dat toebehoorde aan de Israëlitische gemeente te Winschoten, die het had willen gebruiken als nieuwe Joodse begraafplaats. Naast deze vijf aankopen door de gemeente Winschoten van onroerend goed uit Joods bezit, was sprake van een zesde zaak die hier bespreking verdient. Vanaf 1943 werkte de gemeente Winschoten namelijk aan de verwerving en herbestemming van de synagoge, rabbinaatswoning en kosters- of schoolmeesterswoning annex Joodse school aan de Bosstraat. Na de Tweede Wereldoorlog vond rechtsherstel plaats met betrekking tot alle aankopen door de gemeente Winschoten van onroerend goed uit Joods bezit. Hieronder volgt een historische beschrijving van de vijf aankopen door de gemeente Winschoten en het verloop van het naoorlogse rechtsherstel, met daarbij ook een overzicht van de gemeentelijke plannen met het synagogecomplex tijdens de Bezetting en nadien. Hiertoe worden eerst in afzonderlijke paragrafen de aankopen besproken.
Daarna volgt een bespreking van de afzonderlijke trajecten tot rechtsherstel, zoals die werden doorlopen door de verschillende betrokken partijen, waaronder de gemeente Winschoten als vroegere oorlogskoper. Bij deze bespreking is gekozen voor de vorm van een zeer uitgebreid en gedetailleerd feitenrelaas. Bedacht moet daarbij worden dat dit rapport niet in eerste instantie geschreven is als een toegankelijke tekst voor een algemeen publiek. Zo’n tekst zou enerzijds op sommige punten namelijk verdere uitleg behoeven, terwijl anderzijds bepaalde zaken meer samengevat zouden kunnen worden. Het doel van dit hoofdstuk is echter vooral de gemeente Oldambt op basis van de relevante historische feiten een oordeel te kunnen laten vormen over een deel van haar verleden of dat van haar voorgangers. Een lastige vraag hierbij is altijd wat die historische feiten precies zijn, waarbij er ook nog de beperking is dat niet alles op schrift gesteld is en ook niet alle archivalia bewaard zijn gebleven. 77
Vanwege deze lacunes in de beschikbare informatie is het dus onmogelijk absoluut inzicht in het verleden te krijgen. Daarom is er hier voor gekozen de wel aangetroffen informatie uitgebreid en gedetailleerd weer te geven. Dit betekent dat in dit hoofdstuk diverse cruciale stukken of passages uit die stukken niet alleen zijn samengevat of geparafraseerd, maar vervolgens ook letterlijk geciteerd. Zo krijgt de lezer de maximale hoeveelheid beschikbare informatie voor het kunnen maken van zijn of haar interpretatie van wat er in het verleden gebeurde en wat er waarschijnlijk of mogelijk gebeurde op die punten waarvoor de bronnen niet spreken. De volgordes waarin de verschillende aankopen en de daaruit voortvloeiende trajecten tot rechtsherstel aan de orde komen verschillen onderling iets van elkaar. Dit heeft twee redenen. De eerste reden is dat de chronologische volgorde waarin de gemeente de verschillende onroerende goederen tijdens de Bezetting verwierf niet parallel loopt aan de chronologische volgorde van het latere rechtsherstel. De tweede reden is dat met betrekking tot sommige trajecten van rechtsherstel beduidend meer archiefmateriaal bewaard is gebleven dan voor andere. Door eerst de kwesties met veel beschikbare informatie te behandelen, is daarbij niet voortdurend nadere uitleg nodig ter opvulling van de leemtes in het bronnenmateriaal.
Vervolgens kunnen de relatief uitvoerige beschrijvingen uit het begin dienen als basis voor het begrijpen van wat er gebeurde en – waar de bronnen niet helder spreken – mogelijk gebeurde bij de later beschreven zaken met minder overgeleverd bronnenmateriaal. Aan het eind van dit hoofdstuk volgt een korte beschrijving van enkele zaken die niet de gemeentelijke aankopen van Joods onroerend goed tijdens de Bezetting en het latere rechtsherstel betreffen, maar die tijdens het onderzoek opvielen als mogelijke onderwerpen voor eventueel vervolgonderzoek. We beginnen nu echter met een paragraaf over het aankoopbeleid door de gemeente Winschoten van Joods en ander onroerend goed tijdens het Interbellum en de Bezetting.
6.2. Het aankoopbeleid door de gemeente Winschoten van Joods en ander onroerend goed tijdens het Interbellum en de Bezetting Al voor de Bezetting voerde de gemeente Winschoten actief beleid gericht op de verwerving van onroerend goed ten behoeve van industrialisering en stadsuitbreiding. Dikwijls deed de gemeentearchitect hierbij aan Burgemeester en Wethouders (B&W) de suggestie om met het oog op de plannen voor de stad, bepaalde percelen aan te kopen. Vanaf 1942 werd deze aanjagende rol grotendeels overgenomen door de op 6 januari van dat jaar benoemde en op 30 maart van dat jaar officieel beëdigde directeur van de gemeentewerken jhr. ir. Scato Laman Trip.243 Hoewel Laman Trip onder burgemeester mr. A.J. [Alexander Jacobus] Romijn werd benoemd, kwam hij in de praktijk direct na zijn aanstelling te werken onder de NSB-burgemeester mr. A.J. [Aalderikus Jacob] Drenth. Op 11 februari 1942 werd Romijn namelijk door het nationaalsocialistische bewind ontslagen, waarna Drenth op 23 april als burgemeester werd geïnstalleerd.244 Naast hem stonden twee wethouders, namelijk Jan Uipko Venema en Derk Veldhuis. In 1943 bedankte Venema om gezondheidsredenen. Hij werd opgevolgd door Jan Witter. Gedurende de hele bezettingsperiode bleven Burgemeester en Wethouders bijeenkomen.
Hierbij was het in Winschoten gebruik de directeur gemeentewerken altijd in de vergadering zijn adviezen te laten toelichten.245 Hoewel de wethouders en de directeur gemeentewerken hun visie konden geven, lag de beslissingsbevoegdheid binnen de 243
ArOa, AGW30-45, inv.nr. 35, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1942, 6 januari 1942 nr. 2 en 30 maart 1942 nr. 8. 244 Omnia en het einde van de Joodse gemeenschap in Winschoten (Doc-Direct van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Den Haag, juli 2015) 11 (digitaal raadpleegbaar via: docplayer.nl47689635-Omnia-en-het-einde-van-de-joodse-gemeenschap-in-winschoten.html). 245 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 37, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 19441945, 11 juni 1945 nr. 1.
78
gemeente sinds de volledig bij de burgemeester, als gevolg van het buiten werking stellen van de gemeenteraad in 1941.246 Op 13 november 1942 informeerde de directeur gemeentewerken bij B&W ‘naar het standpunt van de gemeente ten opzichte van de aankoop van Jodenwoningen in die gevallen, waarbij de gemeente met het oog op eventuele doorbraakpogingen geinteresseerd zou kunnen zijn.’ Hij had hierbij onder meer het ‘pand v.d. Hove’ op het oog. Hiermee doelde hij op het aan de noodwestelijke zijde van de Kleine Bosstraat, op de hoek met de Langestaat, gelegen pand van Bernhard van der Hove. Dit pand was in beheer genomen door de in paragraaf 5.1 genoemde Niederländische Grundstückverwaltung (NGV). Als het besluit van B&W op de door de directeur gemeentewerken gedane suggestie tot de aankoop van ‘Jodenwoningen’ zoals die van Van der Hove, werd geregistreerd: ‘In principe wordt voor aankoop in die gevallen gevoeld.’247 Tot aankoop kwam het in dit specifieke geval echter niet. De reden daarvoor was dat om de Kleine Bosstraat over de volle lengte te kunnen verbreden, de gemeente nog een ander pand voor de sloop ervan zou moeten verwerven. Dat was het aan de zuidzijde van het pand van Van der Hove grenzende pand. Doordat de Kleine Bosstraat slechts twee panden lang was, lag dit laatste pand op de zuidoostelijke hoek van de Kleine Bosstraat, met de Venne.
Dit laatste pand was sinds 1920 eigendom geweest van Jozef Israëls, die het in 1938 had verkocht aan Simon Simons, welke laatste het in 1940 had doorverkocht aan Willem Dresselhuis. Op 30 november 1942 berichtte de directeur gemeentewerken aan B&W dat ‘het pand-Israels’ door de heer Dresselhuis was aangekocht, zodat ‘het pand-v.d.Hove’ voor de gemeente zijn betekenis had verloren.248 Ook de door de gemeente beoogde aankoop van het perceel met kadasternummer B330, aan de Renselweg 4, afkomstig van Simon Lazarus ging uiteindelijk niet door. In november/december 1942 overlegde de gemeente Winschoten enkele malen over het perceel met de voor de NGV in Joods onroerend goed handelende Algemeen Nederlandsch Beheer van Onroerende Goederen (ANBO: zie paragraaf 5.1). Op 27 november liet de directeur gemeentewerken telefonisch aan de ANBO weten dat de gemeente het terrein, dat in afwijking van de opgave van de ANBO, volgens zijn berekening 1,771 hectare besloeg, wilde kopen voor ƒ 6.300,–. De dag daarop bevestigde de burgemeester dit bod schriftelijk aan de ANBO. Enkele dagen later stelden de directeur gemeentewerken en de burgemeester echter vast dat het terrein niet in gemeente-eigendom kon worden verkregen, doordat het intussen aan een andere gegadigde, namelijk Marten Wassing uit Winschoten, was verkocht,249 dit overigens voor de beduidend lagere verkoopprijs van ƒ 3.000,–.
6.2.1. De aankoop door de gemeente Winschoten in 1942 van een perceel groenland van Betje Nathan aan de Zuiderwuppen en de Renselweg Voordat de bovengenoemde koop van het perceel B330 aan de Renselweg afketste, had de gemeente Winschoten een ander perceel uit Joods bezit in het gebied aangekocht. Het betrof het aan de Zuiderwuppen en de Renselweg gelegen 1,479 hectare metende perceel groenland B327 van mej. Betje Nathan. Als Joodse was zij – zoals gemeld in paragraaf 5.1 – op grond van verordening 102/1941 door het nationaalsocialistische bewind verplicht gesteld dit perceel landbouwgrond voor 1 september 246
Vledder, Inventaris archieven gemeentebestuur Winschoten 1939-194, vii en xv. ArOa, AGW30-45, inv.nr. 35, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1942, 23 november 1942 nr. 9. 248 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 35, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1942, 30 november 1942 nr. 3. 249 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 79, Stukken betreffende de aankoop van een perceel aan het Zandpad van het bureau “ANBO”, Memorandum van De Directeur van Gemeentewerken S. Laman Trip aan Den Heer GemeenteSecretaris; Afschrift aan gemeentewerken van Brief 28 November 1992 van de Burgemeester van Winschoten aan het Bureau ANBO betreffende Aankoop vaste goederen uit Joodsch bezit; Afschrift van Brief 5 December 1942 van de Burgemeester van Winschoten aan het Bureau ANBO betreffende Aankoop vaste goederen uit Joodsch bezit. 247
79
1941 te verkopen aan een niet-Jood en het voor 1 januari 1942 daadwerkelijk te hebben overgedragen. Dergelijke transacties dienden te worden goedgekeurd door het Bureau voor de Goedkeuring van overdracht van Joodse landbouwgronden.250 In eerste instantie kwam mejuffrouw Nathan met de landbouwer Jan Hendrik Kloosterboer H.zn uit Heiligerlee overeen hem het perceel groenland te verkopen voor een bedrag van ƒ 4000,–.251 Deze aankoop werd echter niet goedgekeurd door het Bureau voor de Goedkeuring van overdracht van Joodse landbouwgronden. In plaats daarvan wees het Bureau de gemeente Winschoten als koper van het perceel aan, voor het lagere bedrag van ƒ 3.700,–.252 Na de Bezetting zou de directeur gemeentewerken de koopprijs van ongeveer ƒ 2.500,– per hectare omschrijven als ‘laag’.253 Het besluit tot aankoop van het perceel was op 27 mei 1942 door burgemeester Drenth genomen. De door hem hiervoor vermelde reden was dat de grond bij het zogenaamde industrieterrein van de gemeente lag.254 Na de Bezetting gaf de directeur gemeentewerken Laman Trip als reden op dat het perceel aan de overzijde van de Udeswatering lag op een terrein dat de gemeente in de toekomst nodig achtte voor havenuitbreiding.255 De akte van verkoop passeerde op 8 augustus 1942 voor notaris Tjeerd Vos bij kandidaat-notaris J.A. Tack te Winschoten.
Twee dagen later berichtte vermoedelijk Tack namens Vos aan mejuffrouw Nathan dat hij de van de gemeente Winschoten ontvangen koopsom ƒ 3.700,–, conform de betreffende verordening, had overgeschreven op een rekening op haar naam bij de Firma Lippmann, Rosenthal, Co., aan de Sarphatistraat te Amsterdam.256 Dat was de gebruikelijke route waarlangs Joodse eigendommen en tegoeden via schijnbaar legale weg door de nationaalsocialisten werden weggesluisd. Intussen stond de gemeente voor de vraag wat het op korte termijn met het aangekochte land van mejuffrouw Nathan zou doen. Een door het Bureau voor Goedkeuring gestelde voorwaarde beperkte de mogelijkheden enigszins. Het Bureau keurde de aankoop door de gemeente goed, onder de voorwaarde dat de gemeente het verworven perceel uitsluitend aan ‘landgebruikers’ mocht verpachten.257 Wethouder Venema meende dat de gemeente het land zelf moest gebruiken, voor de paarden van de gemeentelijke reinigingsdienst.258 De burgemeester daarentegen vond dat de
250
Vos en Ter Braake, Rechtsherstel van geroofd Joods onroerend goed, 13-14. GrA, VDeS, inv.nr. 362, Dossier Nathan, B. (gemeente Winschoten; rechtsherstel), Ongedateerde conceptkoopovereenkomst Betje Nathan en Jan Hendrik Kloosterboer betreffende perceel Winschoten sectie B nummer 327. 252 NA, NBI, toegang 2.09.16.11, inv.nr. 139372, Dossier Nathan, B., Winschoten, Afschrift brief 14 januari 1946 [van notaris Tj. Vos] aan Den Heer Burgemeester van Winschoten. 253 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 75, Stukken betreffende de aankoop van gronden in het Sint Vitusholt van de heren Garrelds en Geukes en de heer Jager, Kantbeschikking no 754, 16 juni [194]5, Brief getiteld ‘Jodenbezittingen’ door De Directeur van Gemeentewerken aan Den Heer Burgemeester van Winschoten. Overigens schatte de Grondkamer voor Groningen in 1951 de grond in voor een nog lager bedrag, van ƒ2.300, – per hectare. Zie hiervoor: GrA, VDeS, inv.nr. 750, Dossier B. Nathan, Brief 6 augustus 1951 van De Secretaris van de Grondkamer voor Groningen [ getekend onleesbaar] aan de Heer Tj. Vos. 254 GrA, VDeS, inv.nr. 362, Dossier Nathan, B. (gemeente Winschoten; rechtsherstel), Afschrift Besluit no 25 van de Burgemeester van Winschoten A.J. Drenth d.d. 27 mei 1942, betreffende aankoop grond mej. B Nathan en onderbrenging ervan in het Gemeentelijk Grondbedrijf. 255 ArOa, AGW30-45, inv.nr.
75, Stukken betreffende de aankoop van gronden in het Sint Vitusholt van de heren Garrelds en Geukes en de heer Jager, Kantbeschikking no 754, 16 juni [194]5, Brief getiteld ‘Jodenbezittingen’ door De Directeur van Gemeentewerken aan Den Heer Burgemeester van Winschoten. 256 GrA, VDeS, inv.nr. 362, Dossier Nathan, B. (gemeente Winschoten; rechtsherstel), Afschrift brief 10 augustus 1942 voor/namens Notaris Vos [vermoedelijk cand.not. J.A. Tack] aan Mej. B. Nathan. 257 GrA, VDeS, inv.nr. 362, Dossier Nathan, B. (gemeente Winschoten; rechtsherstel), Afschrift Besluit no 25 van de Burgemeester van Winschoten A.J. Drenth d.d. 27 mei 1942, betreffende aankoop grond mej. B Nathan en onderbrenging ervan in het Gemeentelijk Grondbedrijf. 258 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 35, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1942, 1 juni 1942 nr. 1 en 30 juni 1942 nr. 2. 251
80
belangen van de veehouders ‘onder de huidige omstandigheden’ vóórgingen.259 Sowieso had de oorspronkelijk beoogde koper, landbouwer Jan Hendrik Kloosterboer H.zn uit Heiligerlee zich al op 27 mei bij de gemeente gemeld met het verzoek om het land van haar te mogen huren. Op 15 juni besloten B&W echter dat Kloosterboer het land voor 1 juli moest ontruimen, iets waarvan hij op 20 juni bericht kreeg.260 Op dezelfde 15 juni had zich intussen een andere gegadigde gemeld, aan wie de gemeente op 20 juli besloot het van mejuffrouw Nathan afkomstige land te verhuren. Het ging hier om de om de als NSB’er bekend staande261 veehouder Albert Heemstra, aan de Blijhamsterweg.262 Hij mocht de grond huren voor de door de Grondkamer bepaalde huurprijs van ƒ 110,– per hectare per jaar, ofwel in totaal ƒ 162,69 per jaar.263 Daarmee viste een derde gegadigde, namelijk J. Kruger, ook achter het net.264 Overigens meende de burgemeester dat Heemstra ook ‘het land, afkomstig van Oppenheim’ in gebruik moest krijgen. Vermoedelijk doelde hij hiermee op enkele aan de Tusschenweg en Zuiderwuppen gelegen percelen die toebehoorden aan de nabestaanden van wijlen Mozes Oppenheim. Besloten werd het standpunt van de burgemeester aan de Grondkamer in Groningen mede te delen.265
6.2.2. De aankoop door de gemeente Winschoten in 1942 van een perceel groenland van de gebroeders Hart aan de Blijhamsterweg Rond dezelfde tijd en op vergelijkbare wijze als bij het perceel van Betje Nathan, kocht de gemeente Winschoten, in 1942, ook circa 2,34 hectare landbouwgrond van de broers Arnold en Martinus Folquinus Hart. Hoewel de broers allebei koopman in Amsterdam waren geweest, verbleven ze op het moment van de verkoop vrijwel zeker beiden in Amerika. In het geval van Arnold Hart was dat Argentinië, waar hij op 23 december 1943 te Buenos Aires overleed. Martinus Folquinus Hart overleed op 18 juni 1944 te Brookline (Massachusetts), nabij Boston, in de Verenigde Staten.266 Het land dat de 259
ArOa, AGW30-45, inv.nr. 35, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1942, 30 juni 1942 nr. 2 260 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 35, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1942, 1 juni 1942 nr. 1 en 15 juni 1942 nr. 1b; GrA, VDeS, inv.nr. 362, Dossier Nathan, B. (gemeente Winschoten; rechtsherstel), Brief 20 juni 1942 betreffende Verhuur Land a/d Rensel van de Burgemeester van Winschoten A.J. Drenth en De Gemeente-Secretaris J. Egmond aan den Heer J.H. Kloosterboer. 261 GrA, VDeS, inv.nr. 362, Dossier Nathan, B. (gemeente Winschoten; rechtsherstel), Afschrift brief 6 oktober 1950 van (vermoedelijk) Tj. Vos aan Mr. A. de Haas. Zie ook: Winschoter courant. Dagblad voor oostelijk Groningen 75:140, donderdag 4 juli 1946, p. 1. 262 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 35, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1942, 15 juni 1942 nr. 1b en 20 juli 1942 nr. 14. 263 GrA, VDeS, inv.nr. 362, Dossier Nathan, B. (gemeente Winschoten; rechtsherstel), Brief 6 november 1942 betreffende Vergoeding voor gebruik van groenland van De Burgemeester van Winschoten A.J. Drenth en De Gemeente-Secretaris J. Egmond aan den Heer J. Kloosterboer te Westerlee; Stuk getiteld: ‘Verrekening kosten perceel groenland aan de Renselweg, kadastr. bekend gem.Winsch. Sectie B. no.327’. 264 ArOa, AGW30-45, inv.nr.
35, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1942, 30 juni 1942 nr. 8. 265 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 35, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1942, 30 juni 1942 nr. 2. 266 GrA, KAD, Gedigitaliseerde Registers hypotheken no.4 (HYP 4): Op 16 september 1952 in bewaring genomen akte van 15 september 1952 inzake het weder ten naam van de partij Hart stellen van laan, tuin en weiland aan en bij de Blijhamsterweg te Winschoten, kadastraal bekend gemeente Winschoten sectie C nummers 823, 909 beide geheel en 314 gedeeltelijk, en het nietig verklaren van de koopovereenkomst waarmee de gemeente Winschoten deze percelen op 6 november 1942 had verworven; ArOa, AGW30-45, inv.nr. 62, Stukken betreffende de aankoop van een perceel grond aan de Blijhamsterweg van de heer Hart, Afschrift akte van koop door de gemeente Winschoten 6 november 1942 van ongeveer twee hectare, vierendertig are en negentien centiare groenland aan en bij de Blijhamsterweg te Winschoten, uitmakende van de gemeente Winschoten Sectie C de kadastrale percelen 823 en 909 beide geheel en nummer 314 gedeeltelijk; Afschrift
81
gemeente Winschoten verwierf lag aan het begin van de Blijhamsterweg, in de noordwestelijke hoek met het spoor, op de plaats van de tegenwoordige Campus Winschoten. Het bestond uit de twee kadastrale percelen C823 en C909 en een gedeelte van een derde perceel C314. Op dit laatste perceel stond een al geruime tijd voor de Bezetting in onbruik en ernstig verval geraakte vellenbloterij en huidenzouterij.267 Dit pand bleef buiten de koop. Ook buiten de koop bleven twee belendende percelen van de gebroeders Hart, met de kadastrale nummers C404 en C709. Het betrof hier respectievelijk de toegangsweg naar de vellenbloterij en een perceel met daarop een woning. De voor zover bekend oudste, bewaard gebleven informatie omtrent de transactie dateert van 4 mei 1942. Die dag stuurde de secretaris van het Pachtbureau of de Grondkamer voor Groningen aan de burgemeester van Winschoten een brief betreffende ‘landbouwgrond in Joodsche handen’. Deze luidde: Hierbij heb ik de eer U mede te deelen, dat de Grondkamer voor Groningen aan het Bureau voor de Goedkeuring heeft geadviseerd aan u gemeente toe te wijzen de perceelen gemeente Winschoten, sectie C, no’s 314, 823 en 909, tezamen groot 2.34.19 ha, bestaande uit groenland, toebehoorende aan de Gebr. A. en M.F.
Hart voor een koopprijs van ƒ 3500.– per ha, onder verplichting, dat het land uitsluitend aan landgebruikers wordt verpacht gedurende het tijdperk, dat het nog niet voor volkshuisvesting of industrie-doeleinden noodig is. Een en ander is indertijd met den heer Ir. Laman Trip besproken. Ik verzoek U mij te willen medeelen, of U genegen bent deze perceelen voor dezen prijs over te nemen.268 Een opvallend detail is dat iemand achteraf in de kantlijn van de brief bij de zin dat het een en ander indertijd met Laman Trip was besproken, de opmerking ‘niet juist!’ schreef. Hoe het ook zij, in hun vergadering van 11 mei 1942 stemden B&W met de aankoop in.269 Op 12 mei 1942 berichtte de burgemeester aan het Pachtbureau voor Groningen dat hij bereid was de percelen voor de gemeente Winschoten over te nemen, dit met inachtneming van de door het bureau aan de koop verbonden verplichtingen.270 Op 20 mei 1942 gaf Het Bureau voor de Goedkeuring zijn fiat.271 Hierop nam de burgemeester op 28 mei 1942 het formele besluit tot de aankoop van het land, welk besluit meteen door hem ter goedkeuring werd voorgelegd aan de Commissaris der Provincie Groningen, de NSB’er Staargaard.272 Op 20 juli 1942 volgde de gevraagde goedkeuring door de laatste. Op 6 november 1942 brief 25 november 1942 betreffende Adresopgave A. Hart van De Burgemeester van Winschoten aan Lippmann, Rosenthal en Co.
267 NA, NBI, toegang 2.09.16.02, inv.nr. 2438, Dossier Boelsums, M.G., IJmuiden (N.B. Dit samengestelde dossier bevat o.a. het geraadpleegde dossier Hart, M.F., Winschoten [PE103710]), Brief 7 januari 1954 betreffende Schr.Min.v.Oorlog 28-11-’53 i/s erven M.F. en A. Hart van De plv. vertegenwoordiger van het NBI J.M.W.A. Hoppenbrouwers aan de Directie van het NBI. 268 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 62, Stukken betreffende de aankoop van een perceel grond aan de Blijhamsterweg van de heer Hart, Brief 4 mei 1942 betreffende Landbouwgrond in Joodsche handen van De Secretaris van de Grondkamer voor Groningen [getekend onleesbaar] aan Den Heer Burgemeester der Gemeente Winschoten. 269 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 35, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1942, 11 mei 1942 nr. 3. 270 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 62, Stukken betreffende de aankoop van een perceel grond aan de Blijhamsterweg van de heer Hart, Afschrift aan gemeentewerken brief 12 mei 1942 betreffende Landbouwgrond in Joodsche handen getekend door De Burgemeester van Winschoten, J. Drenth en De Secretaris, J. Egmond aan het Pachtbureau voor Groningen. 271 ArOa, AGW30-45, inv.nr.
62, Stukken betreffende de aankoop van een perceel grond aan de Blijhamsterweg van de heer Hart, Afschrift goedkeuringsbesluit 20 mei 1942 van de aankoop onder voorwaarden door de gemeente Winschoten van de percelen kadastraal bekend als Gemeente Winschoten, Sectie C. nrs. 314, 823 en 909, namens het Bureau voor de Goedkeuring getekend door De Directeur-Generaal van de Landbouw, Voorzitter van het Bureau voor de Goedkeuring. 272 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 62, Stukken betreffende de aankoop van een perceel grond aan de Blijhamsterweg van de heer Hart, Besluit van de Burgemeester van Winschoten 28 mei 1942 nr. 23 betreffende de aankoop van de percelen Gemeente Winschoten Sectie C. nummers 314 (gedeeltelijk), 823 en 909, getekend door de Burgemeester van Winschoten, J. Drenth en de Gemeente-Secretaris, J. Egmond; Afschrift brief 28 mei 1942
82
passeerde vervolgens de koopakte bij notaris Johan Bernhard le Grand, te Winschoten. Vanaf dat moment mocht de gemeente Winschoten zich, voor de aankoopsom van ƒ 8198,65 plus de overdrachtskosten, de eigenaar noemen van het vroegere land van de gebroeders Hart.273 De gemeente kocht de grond om het in de toekomst te ontwikkelen tot bouwterrein binnen het gemeentelijke uitbreidingsplan.274 Voor de korte termijn gold echter de expliciet in de koopakte opgenomen bepaling dat het land ‘onder de bepalingen van het Pachtbesluit blijft verpacht, tot dat het voor Volkshuisvesting of Industriedoeleinden noodig zal zijn’. B&W besloten de percelen voorlopig te blijven verpachten aan de oorspronkelijke pachter, de heer J. Noordhoff, die nabij het land woonde, aan de Willeminasingel (in 1942 genoemd Willemstraat) nummer 10.275 Na de Bevrijding zou de directeur gemeentewerken het gegeven dat de percelen voorlopig niet voor het uitbreidingsplan werden gebruikt, beschrijven als een financieel risico. Medio 1945 schreef hij over de voor het perceel Groenland van de gebroeders Hart door de gemeente Winschoten betaalde prijs: ‘De grondprijs van f.3500.-- per ha.
was voor het in het uitbreidingsplan tot bouwterrein bestemd terrein niet onredelijk, zij het ook, dat de noodzaak om daar bouwterreinen in exploitatie te nemen voorloopig nog niet aanwezig is, zoodat op een terrein als onderhavige groot verlies aan rente zou moeten worden gevreesd.’276
6.2.3. De aankoop door de gemeente Winschoten in 1943 van een dubbele arbeiderswoning van de familie West aan het Zandpad Behalve de percelen groenland van Betje Nathan en de broers Hart, verwierf de gemeente Winschoten met het oog op de geplande stadsuitbreiding ook een dubbele arbeiderswoning. Deze was kadastraal geregistreerd als F6109/6110 en stond aan het toenmalige Zandpad 20-22. De straat was onderdeel van een volksbuurt, van kleine, veelal verkrotte arbeiderswoningen. Hij lag ongeveer waar tegenwoordig de Zeeheldenstraat ligt. De gemeente kocht de dubbele woning omdat in het toenmalige uitbreidingsplan op de plek ervan een nieuw aan te leggen zijstraat geprojecteerd stond.277 De woning behoorde oorspronkelijk toe aan het echtpaar Nathan West en Anna Stoppelman. Het echtpaar woonde er overigens zelf niet, maar verhuurde hem. Sinds het overlijden in 1935 van haar echtgenoot, was Anna West-Stoppelman voor 2/3e deel eigenaar van de dubbele arbeiderswoning geworden. De kinderen van het echtpaar, Jozeph en Heika West, hadden elk 1/6 deel van het eigendom geërfd. Beiden waren ze in gemeenschap van goederen gehuwd, met respectievelijk Roosje Mariaantje betreffende Aankoop grond uit Joodsch bezit, van De burgemeester van Winschoten, J. Drent, en De Secretaris, J. Egmond, aan den Heer Commissaris der Provincie Groningen. 273 ArOa, AGW30-45, inv.nr.
62, Stukken betreffende de aankoop van een perceel grond aan de Blijhamsterweg van de heer Hart, Afschrift akte van koop door de gemeente Winschoten 6 november 1942 van ongeveer twee hectare, vierendertig are en negentien centiare groenland aan en bij de Blijhamsterweg te Winschoten, uitmakende van de gemeente Winschoten Sectie C de kadastrale percelen 823 en 909 beide geheel en nummer 314 gedeeltelijk. In de koopakte wordt melding gemaakt van de goedkeuring van de koop door de Commissaris der Provincie Groningen, op 20 juli 1942. 274 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 75, Stukken betreffende de aankoop van gronden in het Sint Vitusholt van de heren Garrelds en Geukes en de heer Jager, Kantbeschikking no 754, 16 juni [194]5, Brief getiteld ‘Jodenbezittingen’ door De Directeur van Gemeentewerken aan Den Heer Burgemeester van Winschoten. 275 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 35, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1942, 20 juli 1942 nr. 13, 27 juli 1942 nr. 15, 3 augustus 1942 nr. 3 en 24 augustus 1942 nr. 6. 276 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 75, Stukken betreffende de aankoop van gronden in het Sint Vitusholt van de heren Garrelds en Geukes en de heer Jager, Kantbeschikking no 754, 16 juni [194]5, Brief getiteld ‘Jodenbezittingen’ door De Directeur van Gemeentewerken aan Den Heer Burgemeester van Winschoten. 277 ArOa, AGW30-45, inv.nr.
75, Stukken betreffende de aankoop van gronden in het Sint Vitusholt van de heren Garrelds en Geukes en de heer Jager, Kantbeschikking no 754, 16 juni [194]5, Brief getiteld ‘Jodenbezittingen’ door De Directeur van Gemeentewerken aan Den Heer Burgemeester van Winschoten.
83
(Roza) Lievendag en Hartog Bargeboer. Het echtpaar Bargeboer-West was kinderloos. Het echtpaar West-Lievendag had twee kinderen, Nathan West en Jozephina West. Geen van allen overleefde de Holocaust. In het najaar van 1942 besloot burgemeester Drenth om de dubbele arbeiderswoning aan Zandpad 20-22 voor het bedrag van ƒ 2.700,– voor de gemeente aan te kopen. Op 27 november 1942 stelde de directeur gemeentewerken Laman Trip de ANBO, die het pand voor de NGV te gelde maakte, hiervan telefonisch op de hoogte. De dag daarop volgde de schriftelijke bevestiging door de burgemeester.278 Op 5 december 1942 nam de burgemeester, met zijn besluit nummer 120, de officiële beslissing tot aankoop. In het betreffende stuk stond over de overwegingen achter het aankoopbesluit vermeld: Dat het gewenscht moet worden geacht vorenbedoelde perceelen in eigendom te verkrijgen, opdat geleidelijk aan uitvoering gegeven zal kunnen worden aan het voor dit stadsdeel geldend uitbreidingsen bebouwingsplan; dat de gevraagde koopsom niet onredelijk is, mede in aanmerking nemend de huuropbrengst van de beide, op genoemde perceelen staande woningen;279 Omdat de gemeente Winschoten als een ‘noodlijdende gemeente’ gold en zij daarom een ‘noodlijdendheidsbijdrage’ genoot, moest zij vooraf haar uitgaven ter goedkeuring aan de Commissaris der Provincie voorleggen.
Op 5 december legde burgemeester Dremth de beoogde uitgave van ƒ 2.700,– voor de aankoop van de dubbele arbeiderswoning aan de Groninger Commissaris ter goedkeuring voor.280 Nadat Commissaris der Provincie Staargaard op 4 maart 1943 zijn beslissing had uitgesteld omdat het voor zijn oordeel nodige onderzoek nog niet was afgerond,281 volgde op 12 april de provinciale goedkeuring. 282 Op 1 september 1943 passeerde bij notaris Vos te Winschoten de koopakte. Die dag werd de gemeente Winschoten voor de aankoopsom van ƒ 2.700,– en de overdrachtskosten de eigenaar van Zandpad 20 en 22. De gemeente aanvaardde daarbij geen rechten te kunnen ontlenen aan de toestand waarin de dubbele arbeiderswoning mogelijk verkeerde, zoals overigens standaard het geval was bij dergelijke verkopen. In het contract stond hierover geschreven: ‘Het verkochte gaat op de Gemeente Winschoten over vrij van hypotheek, hypothecaire inschrijving en beslagen, in den staat waarin het zich op heden bevindt, met alle heerschende en lijdende erfdienstbaarheden en gebreken, hetzij die voortdurend of niet voortdurend, zichtbaar of onzichtbaar mochten zijn en voorts met alle lusten en lasten daaraan verbonden, wordende door de kooper afstand gedaan van het bepaalde in artikel 1538 van het Burgerlijk Wetboek.’ Tevens aanvaardde de gemeente 278
ArOa, AGW30-45, inv.nr. 79, Stukken betreffende de aankoop van een perceel aan het Zandpad van het bureau ANBO, Memorandum van De Directeur van Gemeentewerken S. Laman Trip aan Den Heer GemeenteSecretaris; Afschrift aan gemeentewerken van Brief 28 November 1992 van de Burgemeester van Winschoten aan het Bureau ANBO. 279 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 79, Stukken betreffende de aankoop van een perceel aan het Zandpad van het bureau “ANBO”, Besluit 5 december 1942 nr. 120 van De Burgemeester van Winschoten, waarnemend de taal van den Raad dier Gemeente, betreffende de aankoop van de percelen Gemeente Winschoten Sectie F.nos.6109 en 6110, met op het document toegevoegd goedkeuringsbesluit door de Commissaris der Provincie Groningen 12 april 1943. 280 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 79, Stukken betreffende de aankoop van een perceel aan het Zandpad van het bureau “ANBO”, Afschrift brief 5 december 1942 betreffende Aankoop vast goed uit Joodsch bezit van De Burgemeester van Winschoten (getekend Drenth) en De Gemeente-Secretaris (getekend J. Egmond) aan den Heer Commissaris der Provincie Groningen. 281 ArOa, AGW30-45, inv.nr.
79, Stukken betreffende de aankoop van een perceel aan het Zandpad van het bureau “ANBO”, Brief 4 maart 1943 betreffende Verdaging aankoopbesluit [bur]gemeester Winschoten van De Commissaris der Provincie Groningen [getekend onleesbaar] en De Griffier [getekend onleesbaar] aan den heer Burgemeester der gemeente Winschoten. 282 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 79, Stukken betreffende de aankoop van een perceel aan het Zandpad van het bureau “ANBO”, Besluit 5 december 1942 nr. 120 van De Burgemeester van Winschoten, waarnemend de taal van den Raad dier Gemeente, betreffende de aankoop van de percelen Gemeente Winschoten Sectie F.nos.6109 en 6110, met op het document toegevoegd goedkeuringsbesluit door de Commissaris der Provincie Groningen 12 april 1943.
84
de lopende contracten van de huurders van het pand te zullen continueren.283 Intussen had de gemeenteontvanger al de opdracht gekregen om voortaan de huren, van respectievelijk ƒ 3,60 en ƒ 3,50 per week bij de huurders van Zandpad 20 en 22 te innen.284
6.2.4. De aankoop door de gemeente Winschoten in 1943 van een pakhuis met erf van de familie Wolff aan de Trekweg In 1943 kocht de gemeente Winschoten via de ANBO een pakhuis en erf aan de Trekweg 81 te Winschoten, met als doel het te verhuren als centrale werkplaats voor werklozen. Het geheel, van in totaal 670 m² stond kadastraal geregistreerd als E869. Het pakhuis hoorde oorspronkelijk, sinds 5 december 1932, toe aan het echtpaar Maurits Wolff en Kaatje Cohen. Na het overlijden van Kaatje Cohen 3 juni 1939 hadden haar echtgenoot en hun kinderen, Jacob, Rebecca en Judik (veelal genoemd Judith) Wolff, haar aandeel in het pakhuis geërfd. Dit betekende dat Maurits Wolff sindsdien voor 5/8e deel eigenaar was, terwijl de drie kinderen dat elk voor 1/8e deel werden. Rebecca Wolff was op het moment van het overlijden van haar moeder in algemene gemeenschap van goederen gehuwd met Simon Siemons. Jacob en Judith Wolff waren beiden ongehuwd, maar zouden respectievelijk in 1942 en 1944285 trouwen met respectievelijk Grietje Bertha (Grea) Hart en Abraham Salomons.286 Op 24 maart 1933 was Maurits Wolff, ten kantore van notaris J.J. Offerhaus te Winschoten in aanwezigheid van kandidaat-notaris Tj. Vos, bij Mozes Zuidema een hypothecaire lening van ƒ 2.000,– aangegaan, met het pakhuis Trekweg 81 als onderpand. Zuidema was evenals Wolff van Joodse komaf.
De rente op de hypothecaire lening bedroeg 5 % per jaar. Voor de periode vanaf 1 november 1942 was deze niet meer betaald,287 wat ongetwijfeld te maken had met de deportatie van Maurits Wolff, die op 19 oktober 1942 in Auschwitz omkwam. De aankoop van het perceel en pand aan de Trekweg 81 door de gemeente Winschoten had een voorgeschiedenis. Voordat de gemeente tot de aankoop ervan overging, had zij al een werkplaats voor werklozen aan de Trekweg 80. Vanaf medio 1942 ontwikkelden de gemeente Winschoten en het Rijk plannen voor uitbreiding van de werkplaats. De Rijksdienst voor de Werkverruiming nam hierbij het voortouw, terwijl er ook bemoeienis met de zaak was vanuit het Nederlands Arbeidsfront: een op 30 april 1942 door Seyss-Inquart ingestelde nationaalsocialistische vakcentrale ter vervanging van de bestaande vakbonden. De bedoeling was dat in Winschoten een werkplaats zou komen voor werklozen
283
ArOa, AGW30-45, inv.nr. 79, Stukken betreffende de aankoop van een perceel aan het Zandpad van het bureau “ANBO”, Afschrift akte van transport 1 september 1943 betreffende de aankoop door de gemeente Winschoten van een dubbel huis aan Zandpad 20 en 22 kadastraal bekend als Winschoten sectie F nummers 6109 en 6110. 284 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 79, Stukken betreffende de aankoop van een perceel aan het Zandpad van het bureau “ANBO”, Afschrift brief 28 augustus 1943 betreffende Huur woningen Zandpad nos.20-22 van de Burgemeester van Winschoten [getekend Drenth] en De Gemeentesecretaris [getekend P. Groenewold] aan den Heer Gemeente-Ontvanger van Winschoten. 285 Voor de Burgerlijke Stand was ze overigens al op 14 juli 1942 gehuwd te Winschoten als Judik Wolff. 286 GrA, VDeS, inv.nr. 495, Dossier Wolff, Maurits (gemeente Winschoten) en M. Zuidema, Conceptakte van minnelijke regeling van rechtsherstel I 12151. 287 GrA, VDeS, inv.nr. 495, Dossier Wolff, Maurits (gemeente Winschoten) en M. Zuidema, Afschrift brief 26 juni 1950 betreffende rechtsherstel fam. Wolff/Gem. Winschoten [van niet ondertekend; vermoedelijk Tj. Vos] aan de Weledele Heer A.
Salomons; Niet ondertekende kopie volmacht waarin Koenraad Hazelhoff, handelende als schriftelijke lasthebber met macht van substitutie van Mevrouw Geertruida Zuidema verklaart de last en macht te geven aan [niet vermeld]; Niet ondertekende kopie van volmacht januari 1951 waarin Abraham Salomons, Jan Griekspoor en Hendrik Willem Oosting verklaren last en macht te geven aan Johan Bernard le Grand; Conceptakte van minnelijke regeling van rechtsherstel I 12151.
85
van 15 tot en met 50 jaar uit Winschoten en omliggende gemeenten. De betreffende werklozen zouden hier, na plaatsing door het Gewestelijk Arbeidsbureau, worden tewerkgesteld en/of geschoold.288 Na de Bezetting omschreef de directeur gemeentewerken het doel en belang van de uitbreiding van de Centrale Werkplaats als volgt: ‘Deze uitbreiding had tot doel, te komen tot scholing en herscholing van een groot aantal jeugdige arbeidskrachten tot electrisch lasschen, bankwerken en dergelijke beroepen. Dit was van het grootste belang, daar weliswaar de geschoolde arbeiders na afloop van de cursus naar Duitschland zouden worden bemiddeld, deze gedurende de maanden van hun scholingscursus tenminste van tewerkstelling in Duitschland waren vrijgesteld.’ 289 In eerste instantie was het plan om de beoogde Centrale Rijkswerkplaats te vestigen op een in 1941 door de gemeente Winschoten van Heinrich Diedrich Boekhoff aangekocht fors perceel met opstallen, waaronder een pakhuis, dat zich uitstrekte vanaf de Torenstraat tot aan de Blijhamsterstraat.290 De gemeente Winschoten zou hierbij zorgen voor een geschikte inrichting van het pakhuis, iets wat de directeur gemeentewerken globaal raamde op een bedrag van ƒ 40.000,–.
Vervolgens zou het Rijk dan wel het Nederlands Arbeidsfront het pand van de gemeente moeten huren voor een bedrag bestaande uit de huursom, de rente over het inrichtingskapitaal en de afschrijvingen. In januari 1943 verdween dit plan echter van tafel en vielen de betrokken partijen terug op een bescheidener aanpak. Het Nederlands Arbeidsfront liet weten af te zien van de huur van het pand aan de Torenstraat. In plaats van in dit pakhuis een nieuwe Rijkswerkplaats te vestigen, nam het Rijk het beheer over van de tot dan toe gemeentelijke werkplaats aan de Trekweg 80. Om de centrale werkplaats toch te kunnen uitbreiden, zou de gemeente proberen het aangrenzende vroegere pakhuis van de familie Wolff aan de Trekweg 81 over te nemen, zodat het Rijk voortaan beide panden van de gemeente kon huren.291 Op 18 januari 1943 namen B&W hun besluit om te proberen het pand van Wolff te verwerven. 292 Vervolgens informeerde de directeur gemeentewerken namens de gemeente bij de ANBO naar de prijs voor het pakhuis. Op 12 mei 1943 berichtte de ANBO hem dat het pand voor ƒ 2.500,– te koop was.293 Vervolgens adviseerde de directeur gemeentewerken aan B&W tijdens hun vergadering van 17 mei 1943 om: ‘van de A.N.B.O. aan te kopen het pakhuis “Wolff” aan de Trekweg voor een eventuele uitbreiding van de Centrale Werkplaats’.
Hiertoe werd vervolgens, op 17 mei, door het college besloten.294 Op 21 mei 1943 bekrachtigde de burgemeester vanuit zijn rol als waarnemer van de Raad dit besluit van B&W. In het betreffende burgemeestersbesluit, no. 83. staat als overwegingen voor de aankoop omschreven: 288
ArOa, AGW30-45, inv.nr. 137, Stukken betreffende de verhuur van het pakhuis Wolff aan de Trekweg aan de Rijksdienst voor de werkverruiming, Brief 9 mei 1944 namens de DIRECTEUR-GENERAAL V/H RIJKSARBEIDSBUREU, Voor dezen, De Inspecteur [getekend onleesbaar] aan den Heer Burgemeester van Winschoten. 289 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 75, Stukken betreffende de aankoop van gronden in het Sint Vitusholt van de heren Garrelds en Geukes en de heer Jager, Kantbeschikking no 754, 16 juni [194]5, Brief getiteld ‘Jodenbezittingen’ door De Directeur van Gemeentewerken aan Den Heer Burgemeester van Winschoten. 290 Zie hiervoor het dossier: ArOa, AGW30-45, inv.nr. 61, Stukken betreffende de aankoop van een perceel grond met opstallen aan de Blijhamsterstraat en de Torenstraat van de heer Boekhoff en verhuur hiervan aan het rijk ten behoeve van het gewestelijk arbeidsbureau en de dienst der inspectie van de invoerrechten en accijnzen en verkoop van een strook grond met opstallen aan de Schoolstraat. 291 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 35, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1942, 15 juni 1942 nr. 6; 17 juli 1942 nr. 18; 24 augustus 1942 nr. 16; 17 september 1942 nr. 4; 19 oktober 1942 nr. 7; ArOa, AGW30-45, inv.nr. 36, Register (…) 1943, 18 januari 1943 nr. 5; 17 mei 1943 nr. 19. 292 ArOa, AGW30-45, inv.nr.
36, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1943, 18 januari 1943 nr. 5. 293 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 77, Stukken betreffende de aankoop van een perceel aan de Trekweg van het “ANBO”, Brief 12 mei 1943 van G. Tekelenburg, namens ANBO, aan Den Directeur der Gemeente Werken Winschoten. 294 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 36, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1943, 17 mei 1943 nr. 19.
86
Overwegende, dat de Gemeente door aankoop uit Joodsch bezit voor f 2500.- den eigendom kan verkrijgen van het aan den Trekweg,no.81, alhier gelegen pakhuis en erf, staande ten name van Maurits Wolff en cons. Groot 670 m2 en kadastraal bekend in de gemeente Winschoten als sectie E.no.869; dat het gewenscht is tot aankoop van bedoeld perceel tegen genoemden, acceptabelen, prijs over te gaan, teneinde in staat te zijn, dit pand zoo nodig ter beschikking van het Rijk te stellen voor eventueele uitbreiding van de aangrenzende Centrale Werkplaats voor jeugdige werkloozen; dat, mocht het aan te koopen perceel niet ten behoeve van de Centrale Werkplaats worden aangewend, ongetwijfeld een andere gegadigde voor huur van dit gunstig gelegen perceel zal zijn te vinden, tenzij de Gemeente zelve daaraan een nader te bepalen bestemming wenscht te geven.295 Een dag later, op 18 mei 1943, berichtte de burgemeester de ANBO over zijn besluit het pakhuis voor de genoemde prijs van ƒ 2.500,– voor de gemeente aan te kopen, ‘een en ander onder voorbehoud van de vereischte hoogere goedkeuring’.296 Die vereiste goedkeuring zorgde ervoor dat het nog geruime tijd duurde totdat de definitieve koopakte passeerde.
Vanwege de ‘noodlijdendheid’ van de gemeente moest namelijk niet alleen de Commissaris der Provincie Groningen de aankoop goedkeuren, maar was ook nader overleg met de betrokken departementen nodig.297 Door de tijd die dat vergde dreigde de op de voorlopige koopakte, van 4 juni 1943, vermelde passeerdatum voor de definitieve koopakte, op 15 september 1943,298 niet te worden gehaald. Op 12 augustus 1943 drong burgemeester Drenth er bij de Commissaris der Provincie op aan haast te maken met de goedkeuring van de beoogde aankoop van Trekweg 81.299 Op 4 september moest hij echter aan de ANBO laten weten dat de noodzakelijke goedkeuring nog steeds niet binnen was. ‘Ik twijfel echter niet, of de vereischte goedkeuring zal worden verleend, evenals zulks het geval is geweest ten aanzien van de perceelen Zandpad no.s 20 en 22’, zo liet hij de ANBO weten.300 Op 7 september antwoordde de ANBO er in dit specifieke geval mee in te stemmen dat de datum van aanvaarding met uiterlijk een maand werd verlengd.301 Uiteindelijk passeerde de definitieve koopakte op 1 oktober 1943. Dit gebeurde op het 295
ArOa, AGW30-45, inv.nr. 77, Stukken betreffende de aankoop van een perceel aan de Trekweg van het “ANBO”, Besluit no. 83 De Burgemeester van Winschoten, waarnemend de taak van de Raad, 21 mei 1943, betreffende aankoop Trekweg no. 81. N.B. Hetzelfde aankoopbesluit bevindt zich ook in: GrA, VDeS, inv.nr. 495, Dossier Wolff, Maurits (gemeente Winschoten) en M. Zuidema. 296 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 77, Stukken betreffende de aankoop van een perceel aan de Trekweg van het “ANBO”, Afschrift brief 18 mei 1943 betreffende Aankoop perceel Trekweg 81 te Winschoten, van De Burgemeester van Winschoten [getekend Drenth] en De Gemeente-secretaris [getekend F.C. Oostman] aan het ANBO te Groningen. 297 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 77, Stukken betreffende de aankoop van een perceel aan de Trekweg van het “ANBO”, Afschrift brief 4 september 1943 betreffende Aankoop Perceel Trekweg 81 Winschoten: Spoed, van De Burgemeester van Winschoten [getekend Drent] en De Gemeentesecretaris [getekend P. Groenewold] aan het ANBO te Groningen. 298 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 77, Stukken betreffende de aankoop van een perceel aan de Trekweg van het “ANBO”, Voorlopige koopakte Trekweg 81 te Winschoten en bijbehorende Verkoopvoorwaarden van 4 juni 1943 ondertekend namens ANBO [door onleesbaar] en de Gemeente Winschoten, ten dezen vertegenwoordigd door haar Burgemeester den Heer Mr. A.J. Drenth. 299 ArOa, AGW30-45, inv.nr.
77, Stukken betreffende de aankoop van een perceel aan de Trekweg van het “ANBO”, Afschrift brief 12 augustus 1943 betreffend Aankoop perceel Trekweg 81 van De Burgemeester van Winschoten [getekend Drenth] en De Gemeentesecretaris [getekend P. Groenewold] Aan den Heer Commissaris der Provincie Groningen. 300 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 77, Stukken betreffende de aankoop van een perceel aan de Trekweg van het “ANBO”, Afschrift brief 4 september 1943 betreffende Aankoop Perceel Trekweg 81 Winschoten: Spoed, van De Burgemeester van Winschoten [getekend Drent] en De Gemeentesecretaris [getekend P. Groenewold] aan het ANBO Groningen. 301 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 77, Stukken betreffende de aankoop van een perceel aan de Trekweg van het “ANBO”, Brief 7 september 1943 betreffende Aankoop perceel Trekweg 81 van G. Tekelenburg namens ANBO aan WelEd. Gestr. Heer Burgemeester der Gemeente Winschoten.
87
notariskantoor van Tjeerd Vos, bij kandidaat-notaris Johan Adriaan Tack. Namens de gemeente tekende wethouder Derk Veldhuis, vanuit zijn functie als locoburgemeester.302 Vanaf dat moment mocht de gemeente zich voor een totaalbedrag van ƒ 2.672,07 eigenaar van het pakhuis aan de Trekweg 81 noemen. Dit bedrag was opgebouwd uit de koopsom van ƒ 2.500,–; een bedrag van ƒ 6,27 aan reeds door de ANBO voor de periode van 15 september tot 31 december 1943 betaalde grond- en wegenbelasting; en ƒ 165,80 aan overdrachtskosten.303 Aangezien Mozes Zuidema in 1933 aan Maurits Wolff een hypothecaire lening van ƒ 2.000,– had verstrekt, met het pakhuis aan Trekweg 81 als onderpand, lag het voor de hand dat nu dit onderpand van eigenaar veranderde, de hypotheek uit de door de gemeente Winschoten betaalde koopsom werd afgelost. Hetzelfde gold voor de vanaf 1 november 1942 ontstane achterstand in betaling van rente. Op 1 oktober 1943 meldde vermoedelijk notaris Vos aan de afdeling hypotheekbeheer van makelaarskantoor P. Everout te Amsterdam dat hij die dag, in overeenstemming met een eerder van Everout ontvangen aflossingsnota, op de rekening van Everout bij de Twentsche Bank een totaalbedrag van ƒ 2.080,50 had laten bijschrijven voor het aflossen van de hypotheek H 12236 ten behoeve van Mozes Zuidema en ten laste van Maurits Wolff.
Dit bedrag was samengesteld uit de hoofdsom van ƒ 2.000,– en een bedrag van ƒ 80,50, voor 322 dagen rente à 4,5 %.304 Nadat de gemeente Winschoten het pakhuis Trekweg 81 had verworven, volgde tussen november 1943 en mei 1944 de formele vastlegging van de afspraken met het Departement van Sociale Zaken en de daaronder ressorterende Rijksdienst voor de Werkverruiming over de transformatie van de gemeentelijke werkplaats tot Rijkswerkplaats. Bepaald werd dat de werkplaats per 1 februari 1943 van de gemeente was overgenomen door het Rijk; vanaf dat moment kwamen de exploitatiekosten ten laste van het Rijk. De inventaris van de werkplaats, waaronder gereedschap en machines, werd na taxatie overgenomen. De gebouwen waarin de Rijkswerkplaats gevestigd was bleven eigendom van de gemeente en werden door haar verhuurd aan het Rijk. Voor het gebouw van de oorspronkelijke gemeentelijke werkplaats Trekweg 80 werd een huur gerekend van ƒ 350,– per jaar. Het nieuw verworven pand van de familie Wolff, Trekweg 81, werd verhuurd voor ƒ 325,– per jaar. De huur voor beide panden werd aangegaan voor een periode van vijf jaren, tot eind 1948, met daarbij een optietermijn van nogmaals vijf jaren. Met betrekking tot Trekweg 81 werd vastgelegd dat het Rijk het pand aanvaardde in de toestand waarin het zich bevond, met uitzondering van het dak, dat door de gemeente Winschoten zou worden gerepareerd.
Het verder in orde brengen van het gebouw, waaronder een nodig geachte wijziging in de indeling, kwam voor rekening van de Rijksdienst voor de Werkverruiming. Bij beëindiging van de huurovereenkomst zouden eventueel aan het gebouw aangebrachte verbeteringen ten bate komen van de gemeente, zonder dat zij hiervoor een vergoeding aan de Rijksdienst hoefde te betalen.305
302
ArOa, AGW30-45, inv.nr. 77, Stukken betreffende de aankoop van een perceel aan de Trekweg van het “ANBO”, Afschrift van een akte van koop en verkoop [betreffend Trekweg 81 / Sectie E nummer 869 Winschoten] d.d. 1 oktober 1943 door de Niederländische Grundstückverwaltung te Den Haag, als beheervoeder over Maurits Wolff te Winschoten, e.a. aan de Gemeente Winschoten. 303 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 77, Stukken betreffende de aankoop van een perceel aan de Trekweg van het “ANBO”, Brief 20 september 1943 van Tj. Vos, Notaris te Winschoten aan Den Heer Burgemeester WINSCHOTEN. 304 GrA, VDeS, inv.nr. 495, Dossier Wolff, Maurits (gemeente Winschoten) en M. Zuidema, Afschrift brief 1 oktober 1943 [van niet genoemd en niet ondertekend] aan Makelaarskantoor P. Everout, Afd. Hypotheekbeheer, Amsterdam. 305 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 137, Stukken betreffende de verhuur van het pakhuis Wolff aan de Trekweg aan de Rijksdienst voor de werkverruiming, Brief 25 november 1943 betreffende huurovereenkomst voormalig pakhuis Wolff a/d Trekweg, van De directeur van Gemeentewerken [getekend S. Laman Trip] aan den heer Burgemeester van de gemeente WINSCHOTEN; Besluit no. 146 De Burgemeester van Winschoten, waarnemend de taak van de Raad, 30 november 1943, betreffende verhuur Trekweg no. 81 aan de Rijksdienst voor de werkverruiming, te ’s-Gravenhage; Brief 9 mei 1944 namens de DIRECTEUR-GENERAAL V/H
88
6.2.5. De vanaf 1943 door de gemeente Winschoten ontwikkelde plannen tot aankoop en herbestemming van de synagoge, rabbinaatswoning en kosters- of schoolmeesterswoning annex Joodse school aan de Bosstraat Vanaf medio 1943 richtte de gemeente Winschoten zich ook op het verwerven van het onroerend goed van de lokale Joodse gemeente. Het ging hierbij onder andere om het complex van de rabbinaatswoning, synagoge en de kosters- of schoolmeesterswoning annex Joodse school aan Bosstraat 22, 24 en 26. Het beheer over deze Joodse goederen werd gevoerd door de in paragraaf 5.1 genoemde Commissaris voor niet-commerciële Verenigingen en Stichtingen. Op 17 mei 1943 vestigde burgemeester Drenth tijdens de vergadering van B&W de aandacht op de synagoge, met de vraag of deze misschien zou kunnen worden ingericht als brandweerkazerne. Besloten werd de ANBO te vragen of die bereid was het gebouw te verkopen.306 Ongeveer een maand later, op 15 juni 1943, werd opnieuw in de vergadering van B&W over de synagoge gesproken. Deze keer was het wethouder Veldhuis die het onderwerp ter sprake bracht. Hij wees op de synagoge en de daarbij behorende woningen als mogelijke locatie voor het inrichten van een noodziekenhuis voor de luchtbeschermingsdienst. Volgens hem waren deze gebouwen in verband met hun ligging tegenover het Groene Kruisgebouw [aan Bosstraat 25], voor dat doel uitermate geschikt.