82 1 Definitief rapport onderzoek Joods Vastgoed
Tekst van het document
Daarnaast deed hij mee aan razzia’s in de gemeente Leens. In Winsum werden alle zes Joodse huizen gekocht door de NSB’er en landwachter Johannes Hendrik Haverkamp (zie daarvoor paragraaf 5.5). Het gebrek aan belangstelling van de rest van de bevolking voor het kopen van geroofde Joodse huizen in dit deel van Het Hogeland laat wel zien dat deze aankopen vermoedelijk als besmet werden gezien in deze regio. In de huidige gemeente Westerkwartier valt alleen de landarbeider Meint Berg (1892-1960) op,die drie huizen van Joodse eigenaren in Leek kocht voor tezamen ƒ 13.750,–. Hij was hulplandwachter en assistent bij de Grenzschutz-Polizei en in die rollen maakte hij jacht op onderduikers, clandestiene slachters en anderen. Zo deed hij samen met een Duitser onder andere een inval in de Gereformeerde kerk te Wilp en arresteerde daar drie onderduikers die de dienst bijwoonden. Ook viel hij nog op 23 oktober 1944 met enkele landwachters de boerderij van P. Dijkhuis te Marum binnen waar hij een predikant en Dijkhuis met zijn zoon en schoonzoon gevangennam. Hij werd op grond hiervan veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar en verlies van zijn kiesrecht.192 In de huidige gemeente Veendam ten slotte waren geen zeer grote oorlogkopers, al waren er wel vier personen die elk via twee transacties panden kochten die afkomstig waren van Joden.
Het meest in het oog springend is daarbij de Veendammer arts Harm Theodorus van Heuveln (1892-1973), koper van twee huizen te Veendam met een gezamenlijke aankoopprijs van ƒ 17.250,–. Na de oorlog werd hij tot vier jaar veroordeeld met tien jaar verlies van zijn kiesrecht, omdat hij als keuringsarts had opgetreden ‘ten aanzien van Nederlanders, die voor tewerkstelling in Duitsland in aanmerking kwamen of Joden die naar kampen in Duitsland of Polen werden gezonden’.193 De commandant van de Landwacht in Veendam, de bakker Jan Hendrik Arends (1895-1984), schafte zich ook twee voormalige Joodse panden aan voor ƒ 10.000,–. Na de oorlog werd deze voormalige
189
De Noord-Ooster, 2 november 1946; 8 juni 1947 De Noord-Ooster, 22 maart 1947; 11 oktober 1947; 24 oktober 1947; 21 februari 1948; Winschoter Courant, 6 maart 1948 191 Winschoter Courant, 27 januari 1948; 10 februari 1948. 192 Winschoter Courant, 29 november 1949, 6 februari 1950. 193 Winschoter Courant, 19 maart 1948; 22 maart 1948; 28 november 1947. Zie ook De Noord-Ooster, 2 oktober 1947; 5 december 1947. Bij het proces werd overigens hiertegen ingebracht door zijn advocaat dat hij ook velen had afgekeurd. 190
58
NSB’er, onder meer vanwege de roof van allerhande goederen bij zijn medeburgers in zijn rol als landwachtcommandant, veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf en levenslang verlies van zijn kiesrecht.194 Verder kocht de ongehuwde Veendammer bierhandelaar Johannes Pieter Weijer (19141971) twee huizen voor samen ƒ7.500,–. ‘Johnny’ Weijer was al sinds 1934 lid van de NSB en landstormer onder de genoemde Arends. Hij werd onder meer veroordeeld voor zijn medeverantwoordelijkheid voor de arrestatie in 1944 van drie personen die daarna werden gefusilleerd, en kreeg net als Arends zeven jaar gevangenisstraf en levenslang verlies van zijn kiesrecht.195 Ten slotte was er nog ene Hendrik Smit die voor ƒ 7.875,– twee panden te Veendam en Wildervank kocht en die we gezien zijn naam niet eenvoudig verder konden nagaan. Duidelijk blijkt uit de voorgaande verhalen dat de particulieren die zeer actief waren als oorlogskoper, vrijwel altijd innige relaties met de NSB hadden, of anderszins Duitsgezind waren. Dat maakt het echter zonder nader onderzoek nog niet mogelijk alle andere oorlogskopers zo te betitelen. Al zullen er ook onder diegenen die maar één of twee panden of landerijen uit Joods bezit kochten collaborateurs met de bezetter gezeten hebben.
5.3. Het rechtsherstel De Nederlandse regering in ballingschap had bij Koninklijk Besluit E100 van 17 september 1944 bepaald dat tijdens de Bezetting onder dwang gewijzigde rechtsbetrekkingen teruggedraaid ofwel hersteld moesten worden naar de situatie van voor de oorlog. Dit gold onder meer voor de rechtsbetrekkingen aangaande het bezit van roerende of onroerende goederen, oftewel het vervreemde Joodse eigendom. In augustus 1945 werd mede in het kader daarvan het Nederlandse Beheersinstituut (NBI) opgericht als onderdeel van de Raad voor het Rechtsherstel. Onder meer beheerde het NBI de vermogens van gedurende de oorlog vermiste personen. Meestal ging dat om de eigendommen van gedeporteerde en vermoorde Joden. Het NBI was al met al een enorme organisatie die een grote hoeveelheid archief heeft opgeleverd, met dossiers van al de zaken onder hun beheer.196 Kort na het einde van de oorlog werden er door het NBI bewindvoerders aangesteld over de vermogens van de verdwenen Joden, waarvan het op dat moment nog niet helemaal zeker was of ze ook overleden waren. Zo riep Andreas Theodorus Lieberom te Sappemeer, aangesteld als bewindvoerder over 31 Joden uit Kolham, Foxham en Slochteren, op 13 oktober 1945 allen op die goederen onder zich hadden of gelden verschuldigd waren aan deze personen, zich bij hem te melden. Een vergelijkbaar verzoek zette notaris J.L.L.C.
Hoogenboom te Hoogezand als bewindvoerder over 32 Joden uit Hoogezand in de lokale krant van 17 november 1945.197 Deze aangestelde bewindvoerders moesten geregeld verslag uitbrengen aan het NBI over de toestand van de diverse vermogens die onder hun beheer geplaatst waren (zie voorbeelden daarvan in paragraaf 5.5 en 5.6). Bij tal van zaken aangaande rechtsherstel speelde het NBI dan ook een belangrijke rol (zie ook de hoofdstukken 6 tot en met 10) Omdat zo’n enorm deel van de Joodse bevolking op het Groninger platteland vermoord werd, speelden de bewindvoerders een zeer grote rol in het proces van rechtsherstel. Aan de ene kant
194
De Noord-Ooster, 21 september 1948; 4 oktober 1948; Winschoter Courant, 22 september 1948. De Noord-Ooster, 21 september 1948; 7 december 1948; Winschoter Courant, 23 november 1948. 196 NA, NBI: deze archieven zijn gezien de omvang van het aantal nagelaten Joodse vermogens in het onderzoeksgebied, alleen bestudeerd voor een aantal gevallen. 197 Oost-Goorecht en Omstreken, 13 oktober 1945; idem, 17 november 1945. 195
59
kregen ze te maken met het probleem om de bezittingen van de overleden Joden weer terug te krijgen en deze te beheren. Dat kon gaan om roerende goederen, waardepapier en onroerend goed, dat vrijwel allemaal door de Duitse bezetter van de Joodse inwoners geroofd was gedurende de Tweede Wereldoorlog, of anderszins verdwenen of bewaard. Aan de andere kant was er de lastige vraag voor welke erfgenamen ze eigenlijk optraden. Veel erfkwesties waren behoorlijk ingewikkeld door de enorme sterfte. Daarbij speelde zoals gemeld de volgorde waarin de mensen vermoord waren, de formuleringen in al dan niet aanwezige huwelijkse voorwaarden, en ook wie er eigenlijk van de mogelijke erfgenamen nog in leven was. Ook was het lang onduidelijk – althans niet honderd procent zeker – of mensen wel overleden waren. Pas met het opmaken van de vele overlijdensakten van gedurende de oorlog gestorven Joden in de Burgerlijke Stand rond 1950, kwam hierin althans officieel helderheid. Wat betreft het Joodse onroerend goed, zagen we dat dit voor een groot deel gedurende de oorlog verkocht was. Echter uit ons onderzoek blijkt ook dat inderdaad een niet onbelangrijk deel van vooral de huizen in 1945 nog steeds op naam van de Joodse eigenaar stond in het Kadaster.
Dat maakte zaken eenvoudiger, maar resulteerde natuurlijk wel in het beheer van deze goederen door de bewindvoerder, bij afwezigheid van de oorspronkelijke eigenaar. Als een partij tijdens de Bezetting tegen de wil of het belang van de oorspronkelijke Joodse eigenaar Joods onroerend goed had verworven, kon dit na de Bezetting op grond van de Rechtsherstelwetgeving E 100 op verschillende manieren worden rechtgezet.198 Een eerste mogelijkheid was dat de betrokken partijen zelfstandig tot een onderlinge overeenkomst kwamen, een zogenaamde ‘minnelijke regeling’. In de opzet van het ‘Besluit Herstel Rechtsverkeer’ werd een optie aangeboden om geschillen middels bemiddeling op te lossen, wat wachttijden en veel administratieve kosten kon voorkomen. Hierbij gingen de oorlogskoper en de Joodse eigenaar of diens vertegenwoordigers om de tafel zitten om gemaakte kosten samen te verdelen. Een schikking zoals deze behoorde aan enkele criteria te voldoen. Zo diende de vertegenwoordiging door de oorlogskoper te worden bekostigd en mocht de oorspronkelijke Joodse eigenaar niet financieel vooruitgaan op de situatie zoals deze voor de oorlog was geweest. Voor de Joodse eigenaar was deze methode aantrekkelijk, omdat eigendommen sneller in gebruik zouden worden genomen. Voor de andere partij was deze methode van rechtsherstel goedkoper. Een minnelijke regeling is dan ook geen ongebruikelijke.
Uiteindelijk werd door de belanghebbenden hun overeengekomen minnelijke regeling ter bekrachtiging voorgelegd aan de regionale afdeling van de Raad voor het Rechtsherstel. Als het om wat voor reden dan ook niet lukte om zelfstandig tot een overeenkomst ofwel minnelijke regeling te komen – bijvoorbeeld omdat de kopende partij aan rechtsherstel weigerde mee te werken, of omdat het een ingewikkelde zaak betrof waarbij het lastig bleek alle belanghebbenden te traceren – dan kon een tijdens de Bezetting benadeelde partij dit melden bij de afdeling onroerende goederen van de Raad voor het Rechtsherstel (artikel 113a). Daartoe moest zij bij het hypotheekkantoor in het resort (bijvoorbeeld het resort Winschoten) waarbinnen het onroerend goed was gelegen, een aangifteformulier in drievoud inleveren betreffende het optreden van een geschil. Nadat de Raad voor het Rechtsherstel op deze manier op de hoogte was gebracht van het spelende geschil omtrent het eerder verloren dan wel verworven onroerend goed, was het de taak van de Raad om alsnog te proberen een minnelijke overeenkomst tot stand te brengen (artikel 113b). Hiertoe benoemde de met het betreffende resort belaste gedelegeerde voor de afdeling Onroerende Goederen van het regionale arrondissement van de Raad voor het Rechtsherstel een notaris198
Zie ook Appendix F voor een verdere uitleg van de mogelijke wijzen van rechtsherstel.
60
bemiddelaar. Deze notaris-bemiddelaar probeerde met de betrokken partijen tot een conceptregeling te komen. Als dat lukte, passeerde hij deze concept-regeling – na goedkeuring ervan door de gedelegeerde van de Raad voor het Rechtsherstel – vervolgens als akte. Als het ondanks deze bemiddelende functie van de notaris-bemiddelaar niet lukte om tot een minnelijke overeenkomst te komen, dan kon de vorderende partij een beroep doen op de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel (artikel 122), die in dat geval een bindende uitspraak deed.199 Een andere methode die wel eens voorkomt is een zogenaamde ‘Bekrachtiging’. Hierbij bleef het onroerend goed eigendom van de oorlogskoper. De ontrechte Joodse eigenaar ontving de hele oorspronkelijke koopsom van de oorlogskoper. De oorlogskoper ontving op zijn beurt het recht de door hem eerder tijdens de oorlog betaalde bedragen elders te claimen in zoverre deze bij de Duitse roofinstanties beschikbaar zijn. Eigenlijk gold dit bij iedere vorm van rechtsherstel. De oorlogskoper was het geld kwijt dat hij in de oorlog had betaald voor het onroerend goed, en moest hopen dat hij nog iets daarvan terugzag op grond van dergelijke claims. Ook was het de bedoeling dat de oorlogskoper opdraaide voor alle kosten die gemaakt waren in verband met de oorlogskoop.
De oorspronkelijke Joodse eigenaar of diens erfopvolgers moest geen financieel nadeel hebben van de gedwongen oorlogsverkoop van onroerend goed.
5.4. Het rechtsherstel op het Groninger platteland Voor de provincie Groningen en dan vooral voor het Groninger platteland ging het rechtsherstel van geroofde huizen en landerijen direct na de oorlog bijzonder langzaam. De provincie stak daarbij zeer ongunstig af tegenover de meeste van de andere provincies. Dit wordt heel duidelijk uit een brief die de gedelegeerden van de Raad voor het Rechtsherstel, Afdeling onroerende zaken, te Groningen op 1 maart 1948 verstuurde aan alle notarissen-bemiddelaars in de provincie Groningen.200 Op 1 december 1947 was nog maar 9 % van de aangevraagde rechtsherstelzaken in het ressort Groningen (omvattende de hele provincie) afgewerkt. Alleen in het ressort Roermond was dit met 6 % minder en het hoogste aandeel had Alkmaar met 36 % afgeronde rechtsherstelzaken. Gemiddeld was dit per ressort in Nederland 22 %. Deze afwerking van geschillen rondom het rechtsherstel ging juist vooral uiterst langzaam op het Groninger platteland. Op 15 februari 1948 waren wel 20 % van de rechtsherstelzaken in de stad Groningen, maar slechts 10 % in de provincie als geheel afgerond. De brief constateerde ‘dat de bemiddelaars in de Stad Groningen gemiddeld vier a vijf geschillen hebben afgewerkt en de bemiddelaars in [de rest van] de provincie Groningen gemiddeld slechts één’.
Gewaarschuwd werd door de gedelegeerden dat in dit tempo ‘het rechtsherstel ten aanzien van onroerende goederen nog ten minste 5 jaren [zou] duren. Nog afgezien van de tijd, welke nodig zal zijn om het ambtshalve onderzoek, dat na de afwikkeling der aangegeven geschillen zal moeten plaats vinden, als sluitstuk van dit onderdeel van het rechtsherstel te voltooien’. Geconcludeerd wordt dan ook ‘dat de activiteit van het notariaat niet zo groot is als men met het oog op het belang van een spoedige afwikkeling mocht verwachten’. Er wordt dan ook een dringend beroep gedaan ‘op alle notarissen-bemiddelaars om een verbetering in de afwerking der rechtsherstelzaken te verkrijgen’. Als dit laatste niet gebeurde, dreigde volgens de brief van de Groninger gedelegeerden van de Raad voor het Rechtsherstel een verandering in de procedures waarbij de notarissen niet langer een rol zouden spelen.
199 200
Meijer, E 100 en de naoorlogse rechtspraak, 101-106, 299. GrA, VDeS, inv.nr. 541.
61
Een deel van de verklaring voor de trage gang van zaken bij het Rechtsherstel op het Groninger platteland zou kunnen liggen bij het geringe aantal Joodse overlevenden. Dit zorgde ervoor dat de onroerende goederen afkomstig van Joodse eigenaren vrijwel altijd vielen onder bewindvoerders, wat de gang van zaken zeker niet versneld zal hebben. Bij de oorlogstransacties door zowel particulieren, bedrijven, als gemeenten wat betreft behuizingen en agrarische gronden is in ons onderzoek bij benadering uiteindelijk bij 96 % (257 van de 267 transacties) een administratief rechtsherstel gevonden. Bij bebouwing is dit iets hoger met 97 % (177 van de 182 transacties). Formeel diende rechtsherstel enkel via officiële wegen plaats te vinden. Op eigen initiatief onroerende goederen teruggeven aan hun rechtmatige eigenaar was niet toegestaan. Daar waar dit al was gebeurd, dienden participanten hun vereffening alsnog ter bekrachtiging voor te leggen aan de Raad voor het Rechtsherstel.201 Hier was ook in het onderzoeksgebied sprake van. De ruim 30 hectare landbouwgronden van Roosje de Jong te Oldekerk en Leek kwamen in 1946 bijvoorbeeld toe aan haar nazaten. Daarbij werd de transactie omschreven als een ‘nietigverklaring verkoop’.
Tabel 12. Wijze van rechtsherstel landbouwgronden na de oorlog. Geen indicatie rechtsherstel
Bekrachtiging verkoop
Minnelijke regeling
Nietigverklaring koop
Het Hogeland Midden-Groningen Oldambt Veendam Westerkwartier
1 1 1 1 1
1 2 4
19 5 5
2
6
3
Totaal
5
9
35
3
Rechtsherstel
Totaal
4 3 26
25 11 36 1 12
33
85
Het terugdraaien van de achteraf onrechtmatig verklaarde verkopen na de Tweede Wereldoorlog liep enigszins verschillend voor landbouwgronden dan voor gebouwen, daarom behandelen we ze hier opnieuw apart. Uit tabel 12 wordt duidelijk dat minnelijke regelingen en rechtsherstel procedures veruit de belangrijkste wijzen waren, waarmee getracht werd terug te keren naar de eigendomstoestand aan het begin van de oorlog. Vermoedelijk is bij bekrachtiging verkoop ook compensatie aan de Joodse rechthebbenden verschaft, terwijl dat duidelijk het geval is bij een nietigverklaring van de verkoop. Denkelijk het interessantst om te noemen zijn de vijf gevallen waarin wij bij ons onderzoek geen aanwijzingen in het archief vonden voor rechtsherstel. Dit niet vinden van rechtsherstel sluit overigens niet uit dat de oorspronkelijke Joodse eigenaren of hun rechthebbenden wel degelijk zijn
201
GrA, VDeS, inv.nr. 574, ‘Circulaire 12/5’, 15 Januari 1947.
62
gecompenseerd, wellicht via een andere (informele) weg.202 Opvallend genoeg was er zo’n geval in elk van de vijf huidige gemeenten. Het gaat om de volgende zaken. - De verkoop van 1,86 hectare te Uithuizen, eigendom van Markus Knorringa die geëmigreerd was naar de Verenigde Staten, aan Evert Dijksterhuis voor 5.800 gulden (zie ook hoofdstuk 9, aangezien dit later in delen door de gemeente verworven is). - De verkoop van 1,309 hectare te Noordbroek, eigendom van de vermoorde Daniël Dalsheim, aan Freerk Buitenkamp voor 1.950 gulden. - De verkoop van 6,501 hectare te Winschoten, eigendom van de vermoorde Rudolf Braaf en enkele overlevende leden van de familie Oppenheim, aan Bernhard203 en Engelbert Johannes Meijer voor 9.101,40 gulden.204 - De verkoop van 0,969 hectare te Wildervank, eigendom van de vermoorde Izaäk Meijers, aan Arent ter Velde voor 2.200 gulden. - De verkoop van 3,447 hectare te Leek, eigendom van de vermoorde Abraham Nieweg, aan H.R.J. van der Veen en via doorverkoop aan Jan Siebenga, oorspronkelijke prijs 7.755,75 gulden. Als voorbeeld van het ontbreken van een rechtsherstelaanvraag kan de landbouwgrond van Izaäk Meijers (1899-1943) dienen. Hij woonde in Veendam aan de Marktstraat 50, maar bezat ook een weiland in de buurt van Wildervank (kadastraal A1362 en A1363), dat verkocht werd in maart 1942.
In de bewaard gebleven lijsten van rechtsherstelaanvragen – zoals opgemaakt door het hypotheekkantoor te Winschoten – komen deze bezittingen echter simpelweg niet voor.205 Er vond dan ook geen rechtsherstel plaats, zeer waarschijnlijk omdat deze niet is aangevraagd. Het rechtsherstelproces was namelijk een aanvraagprocedure. Het was aan de originele eigenaar om de opgezette organisatie te verwittigen voor welke eigendommen hij in zijn recht hersteld diende te worden. Indien een directe eigenaar niet meer leefde, hoorde de bewindvoerder of beheerder van zijn boedel dit te doen. Onduidelijk is waarom dit bij Izaäk Meijers niet gebeurde. Tabel 13. Wijze van rechtsherstel transacties bebouwde percelen na de oorlog. Geen indicatie rechtsherstel
Bekrachtiging verkoop
Minnelijke regeling
19 20 6 7 12 64
Het Hogeland Midden-Groningen Oldambt Veendam Westerkwartier
1
2
4 5 3
Totaal
5
12
2
202
Nietigverklaring koop
1
1
Rechtsherstel
Totaal
1 9 71 15 3
21 29 83 28 20
99
181
Nog verder specifiek onderzoek naar deze individuele gevallen zou hier misschien uiteindelijk toch meer duidelijkheid kunnen bieden. 203 Denkelijk is hij dezelfde als de in 1943 huwende Berend Meijer, een broer van Engelbert Johannes Meijer. 204 Betreffende oorlogskopers kochten ook 3,539 hectare te Winschoten van Abraham Meijer, welke koop in 1952 is bekrachtigd. Bij hun aankoop van 3,108 hectare te Winschoten van Simon Lazarus was in 1955 wel sprake van rechtsherstel. 205 NA, KADNBI, inv.nr. 59 ‘Lijst met kadastrale aanduidingen van Rechtsherstelaanvragen’.
63
De nadruk in het gebied van de huidige gemeenten Het Hogeland, Midden-Groningen en het Westerkwartier lag duidelijk op het treffen van minnelijke regelingen om de overdracht van huizen afkomstig van Joodse eigenaren terug te draaien. In het Oldambt (Winschoten) en in Veendam kwamen minnelijke regelingen heel veel minder voor. Dit patroon zagen we ook al bij de teruggaven van landbouwgronden in het Oldambt (tabel 12). Veel zaken draaiden in het Oldambt uiteindelijk op formele rechtsherstel procedures, wat aangeeft dat de teruggave van Joodse eigendommen bepaald niet zonder moeite ging. In het vervolg van dit rapport komen diverse voorbeelden van deze moeizame en langdurige rechtsherstelprocedures voor, waarbij niet alleen de oorlogskopers, maar ook bewindvoerders, notarissen en Joodse rechthebbenden allemaal een rol speelden. Bij de bebouwde percelen vonden wij maar in drie gevallen tot nu toe geen aanwijzingen voor enig formeel rechtsherstel. Het geval van het zeer goedkope huisje dat oorspronkelijk van Hindrikje Gans te Uithuizen was, is al eerder genoemd.
Daarnaast gaat het om twee gevallen te Winschoten, waarbij het wel om waardevolle panden ging, en om twee te Leek van dezelfde Joodse eigenaar: - De verkoop van het pand Beersterstraat 36 te Winschoten, eigendom van de vermoorde Salomon Nathans (ook wel genaamd Oppenheim), aan Hendrikus de Groot voor 5.500 gulden.206 - De verkoop van het pand Kolkje 2 te Winschoten, eigendom van de vermoorde Simon de Vries, aan Jan Boven voor 9.000 gulden. -De verkoop van het pand Bosweg 8 te Leek, eigendom van de vermoorde Freerk Machiels van Dam, aan Johannes Postema voor 4.500 gulden. -De verkoop van het pand Kerkweg 18 te leek, eigendom van de vermoorde Freerk Machiels van Dam, aan Ietse Ploeg voor 1.800 gulden. Er is nadere informatie beschikbaar over de reden waarom er bij het huisje van Hindrikje Gans (18591942), weduwe van Filippus Gans te Uithuizen, geen rechtsherstel plaatsvond. Zes van haar kinderen werden eveneens in de concentratiekampen vermoord, alleen zoon Mechiel Gans overleefde de oorlog (zie voor hem paragraaf 9.1.1). Volgens een verklaring van 30 april 1946 van bewindvoerder Gerrit Nanninga, optredend vanwege de boedel van Hindrikje Gans en de met haar samenwonende ongehuwde dochter Margaretha Gans (1898-1942), blijkt zijn voorganger wijlen Berend Jager in overleg te zijn gegaan met oorlogskoper Egbertus Bos.
Deze timmerman had na aankoop in 1944 ‘het huis afgebroken en de afbraak daarvan weer te (…) gelde gemaakt. Op grond van zijn gemaakte kosten (waaronder aankoopkosten van ƒ 160,–, provisie voor de ANBO van ƒ 60,– en transportkosten van ƒ 35,60) meende Bos een vordering te hebben van ƒ 156,80 op de boedel van Gans. Tot een minnelijke schikking kwam het ook later niet, want Bos vroeg later een vergoeding van ƒ 300,– ‘voor het afbreken [van het huis] en het in cultuur brengen van de 1.4 are grond’. Omdat er geen geld in de boedel zat van de weduwe Gans, kon de bewindvoerder daar niet in meegaan. In oktober 1953 schetste bewindvoerder Nanninga in een brief aan het Nederlandse Beheersinstituut (NBI) de stand van zaken. Hij concludeerde ‘Zooals hieruit blijkt is dan niets aanwezig en kan dus met het stukje grond, waarop het huis heeft gestaan en is verkocht, een procedure zeer slecht worden bekostigd’. Daarom wenste hij de aanvraag voor rechtsherstel op advies van notaris Immenga in te trekken, ‘tenzij volgens U een redelijke kans bestaat, dat de koper in het ongelijke word gesteld en word veroordeeld tot het weder op naam stellen van het grond op naam van de erven Gans met het 206
Opgemerkt moet worden dat de overdracht van het pand Beersterstraat 30, dat oorspronkelijk ook van Salomon Nathans (Oppenheim) was, in 1951 formeel bekrachtigd werd. Mogelijk is bij Beersterstraat 36 voor een enigszins vergelijkbare constructie gekozen, waarvan we echter geen sporen hebben gevonden.
64
voldoen van alle daaraan verbonden kosten’. Uiteindelijk ging het NBI op 29 oktober 1953 akkoord met het verzoek van bewindvoerder Nanninga om ‘intrekking van de aanvraag voor rechtsherstel’. Het lijkt er in de hele zaak Gans wel een beetje op dat de oorlogskoper Egbertus Bos, die gewoon het perceel terug had moeten geven en eigenlijk juist had moeten betalen voor de afbraak van het pand, er met zijn merkwaardige claim op geld van de boedel van Hendrikje Gans mee wegkomt. De oorzaak lijkt een gebrek aan geld in die boedel en de betrekkelijk kleine bedragen waar het om gaat, waarbij wellicht de overweging een rol gespeeld kan hebben dat het zodoende voor de betrokken bewindvoerder en notaris financieel niet zo interessant was. In de andere zaken waarvoor we geen indicatie van rechtsherstel vonden, zullen dergelijke overwegingen veel minder een rol gespeeld hebben, vooral omdat het daar om veel grotere bedragen gaat.
Grafiek 5: Jaar van iedere vorm van rechtsherstel in het onderzoeksgebied, 1946-1960 50 40 30 20 10 0 1946 1947 1948 1949 1950 1951 1952 1953 1954 1955 1956 1957 1958 1959 1960
bebouwd
landbouwgrond
Uit grafiek 5 wordt opnieuw heel duidelijk hoe langzaam het proces van rechtsherstel ging in het onderzoeksgebied. Hoewel notaris Ages van Leens meldt dat het de bedoeling van sommige verkopen van landbouwgrond was dat deze snel overgedragen werden, blijkt dat toch maar een klein deel van de oorlogstransacties te betreffen. Wel is het zo dat het rechtsherstel voor landbouwgrond in de eerste jaren iets sneller van start ging, dan dat van bebouwde percelen. De grote berg aan rechtsherstel procedures werd duidelijk afgerond in de periode 1948 tot 1951. Echter ook in de jaren daarna werd nog steeds onroerend goed teruggegeven, of daar alsnog financiële compensaties voor betaald. Gemiddeld duurde het zo’n vijf jaar na de Tweede Wereldoorlog, voordat Joodse eigenaren hun bezit terugkregen. Zoals gemeld ging het daarbij, door de geringe overlevingskans voor Joden in het gebied, veelal om erfgenamen van de oorspronkelijke eigenaren. Idealiter was het de bedoeling van de afhandeling van rechtsherstel tussen oorlogskoper en oorspronkelijke Joodse eigenaar en diens rechthebbenden, dat de situatie van het moment van verkoop tijdens de oorlog hersteld werd. Alle kosten samenhangend met de verkoop waren in principe voor de oorlogskoper.
Daarbij kreeg deze oorlogskoper voor de aan de Duitse roofinstituties als de Liro-bank betaalde koopsom een financiële claim, op het restant van de bezittingen die er nog 65
in een dergelijke bank zaten. Daarna werd ervan uitgegaan dat het vastgoed vanaf de verkoop gewoon eigendom was gebleven van de Joodse eigenaar. Dat betekende dat alle kosten samenhangend met deze eigendom – waarbij gedacht kan worden aan rijksbelastingen, waterschapslasten, gemeentelijke heffingen, vaste huren (in geval van eigendom in beklemrechtelijke zin) en hypotheekrente – betaald moesten worden door de Joodse eigenaar of diens erfgenamen. Daarentegen kwamen alle huurinkomsten uit het vastgoed ten bate van deze Joodse eigenaar. Het beklemrecht was een typisch Groninger constructie, waarbij de zogenaamde blooteigenaar de grond bezat, maar de opstallen eigendom waren van de pachter, in de Groninger bronnen doorgaans ‘huurder’ of ‘meier’ genoemd. Duidelijk is dat dit alles resulteerde in heel veel rekenwerk om al deze kosten en baten tegen elkaar weg te strepen. Dit werd nog gecompliceerder als de oorlogskoper het vastgoed zelf had gebruikt, en daarvoor dus ook een vergoeding verschuldigd zou moeten zijn. De indruk uit de financiële afhandelingen is wel dat er geen rente in rekening werd gebracht over al deze bedragen in de berekeningen.
Dit is opmerkelijk omdat er tussen de oorlogsverkoop en het rechtsherstel een flink aantal jaren zat, en de Joodse rechthebbenden al die tijd geen beschikking hadden over de netto inkomsten uit hun onroerende goederen, daar die genoten werden door de oorlogskoper. Bij een heersende rentestand van 3,5 tot 5 % kon dit nadeel aardig oplopen. Dit wil trouwens niet zeggen dat oorlogskopers normaliter dankzij de rechtsherstel procedure veel voordeel hadden van hun aankoop. In feite waren de oorlogskopers namelijk het door hen betaalde bedrag kwijt en draaiden ze tevens op voor alle transactiekosten van de overdracht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Wilden ze het onroerend goed toch kopen, dan moesten ze nogmaals de aankoopprijs (of meer) betalen. Het minst slecht af waren de oorlogskopers die de koopsom niet betaald hadden, bijvoorbeeld door het tegelijkertijd aangaan van een lening bij de Joodse eigenaar, zoals gebeurde door de gemeente Leens (zie paragraaf 9.3). Zij betaalden geen geld en waren dat geld dus ook niet kwijt na de oorlog. Gemeentelijke heffingen lijken – als de bewaard gebleven gemeenterekeningen bestudeerd worden – nogal beperkt te zijn geweest in het gehele onderzoeksgebied.
In Winschoten bestond in elk geval na de oorlog een straatbelasting, waar in de verrekeningen rekening mee werd gehouden, en die dus ook betaald moest worden over de oorlogsjaren (zie hoofdstuk 6). In Sappemeer werd in de berekeningen uitdrukkelijk rekening gehouden met de naoorlogse straatbelasting die de gemeente gederfd had, omdat ze die niet had kunnen heffen over een (toenmaals immers eigen) pand dat de gemeente tijdens de oorlog gekocht had uit Joods eigendom (zie hoofdstuk 8 en Appendix G). Die gemeenterekeningen welke door ons bestudeerd zijn, wekken de indruk dat de gemeenten in het onderzoeksgebied gedurende de oorlog eigenlijk niet of nauwelijks zulke heffingen kenden. Echter in het bijzonder financiële archivalia zoals belastingregisters, kwitanties en gemeenterekeningen zijn heel slecht bewaard gebleven voor de periode tijdens en kort na de oorlog, zodat hieromtrent moeilijk iets met zekerheid is vast te stellen. Of de gemeente dergelijke belastingen na de oorlog alsnog heeft trachten terug te vorderen van terugkerende Joden of hun erfgenamen, is daardoor nauwelijks na te gaan. De Joodse begraafplaatsen, ten slotte, bleven overigens meestal onaangeroerd tijdens de Bezetting en waren zodoende nog steeds eigendom van de Joodse gemeenten.
Omdat echter deze gemeenten door de geringe overlevingskansen tijdens de oorlog daarna nauwelijks meer leden telden, kwam het eigendom veelal aan de Nederlands-Israëlitische Gemeente Groningen. Vaak namen na de oorlog de burgerlijke gemeenten op het platteland het beheer en onderhoud van de begraafplaats over, maar dan doorgaans niet van de Joodse graven die aldaar lagen. Zie voor de uitgebreide bespreking van een aantal gevallen de hoofdstukken 6 tot en met 10.
66
5.5. Afhandeling beheer verkocht Joods bezit: casus Garson e.a. te Winsum (Jeroen Benders) In het gemeentearchief van Winsum is het nodige te vinden over het onroerend goed van de Joodse inwoners tijdens de oorlogsperiode. De ANBO verzond op 29 maart 1943 een brief met het verzoek aan het College van Burgemeester en Wethouders om ten spoedigste informatie te verschaffen over percelen in de gemeente van Joodse eigenaren, die door de Wehrmacht of andere ‘Dienststellen’ in beslag of gebruik genomen waren, zulks met de datum daarvan, de aard van het onroerend goed en de vermoedelijke huurwaarde. De burgemeester antwoordde dat dit in Winsum niet aan de orde was. Hierbij dient te worden bedacht dat de ANBO blijkens de kadastrale leggers op 17 december 1942 een zestal percelen van Joodse bewoners in Obergum in beslag (‘onder beheer’) genomen had. Juni 1943 schreef de burgemeester de Commissaris der Provincie Groningen onder de kop ‘Ontruiming woningen van Joden’, dat de vier bij Joden in gebruik geweest zijnde woningen volgens informatie van de voormalige gemeenteveldwachter al ontruimd waren door Stab Rosenberg te Groningen. In een van de panden woonde een marechaussee en een collega zou van de provinciale Beauftragte Conring toestemming hebben om een andere woning te betrekken. ‘Er zijn dus nog twee woningen te verhuren’, zo besloot de burgemeester.
In opdracht van de SD bewaarde Jakob Stoffer Kluter de sleutels daarvan. De burgemeester verzocht om nadere instructies. Op 9 september 1943 antwoordde de burgemeester de Commissaris Afvoer Burgerbevolking in de provincie Groningen onder de referentie ‘schoonmaken jodenwoningen’ dat hij met deze panden geen bemoeienis had. De sleutels ervan waren in opdracht van de Sicherheitsdienst (SD) nog steeds in bewaring bij de voormalige gemeenteveldwachter Kluter. In een lijst van vlak na de oorlog staat Kluter met het beroep ‘onderl.[uitenant] Mar.[echaussee]’ als lid van de NSB en SD-agent vermeld.207 Uit november 1943 dateert een briefje van de bezetter aan de burgemeester met het verzoek de ‘Judenwohnung’ Westerstraat 14 toe te wijzen aan K. Venhuizen, die om een woning gevraagd had. De burgemeester diende de sleutel te overhandigen zodra Venhuizen een huurcontract afgesloten had met de ‘Eigentümer’. Wel moest het pand ontruimd zijn. Als dit nog niet het geval was, diende het meubilair in een verzegelde kamer te worden opgeslagen. In de genoemde lijst van vlak na de oorlog wordt Venhuizen, op dit adres, als lid van de NSB en de Landwacht genoemd.208 Ten slotte kocht in februari 1944 de plaatselijke caféhouder Johannes Hendrik Haverkamp alle zes onteigende panden van Joodse eigenaren van de ANBO/NGV aan, bij akte verleden voor de Groninger NSBnotaris Van Russen.
Haverkamp staat als NSB’er en Landwachter op de genoemde lijst. Hij had naast zijn café annex logement aan de Havenstraat 22 een veehouderijtje.209 In de zomer van 1941 kreeg
207
ArHl, AgWi, inv.nr. 1666, brief en lijst d.d. 21 juni 1945 van de burgemeester aan de District’s Militaire Commissaris te Appingedam van alle gearresteerde of huisarrest hebbende NSB’ers ‘enz.’ in de gemeente Winsum ‘en zij die gearresteerd zouden zijn indien zij aanwezig waren geweest’. Zie Tammeling, ‘Winsum in de tweede wereldoorlog’, 261-262: de lijst ’valt vermoedelijk te beschouwen als een ruwe indicatie van wie er ‘fout’ waren’ en ‘Zoals gezegd: de lijst is vrijwel zeker niet compleet en mogelijk ook voor wat het aantal personen betreft onjuist’. 208 ArHl, AgWi, inv.nr. 1666, brief en lijst d.d. 21 juni 1945 van de burgemeester aan de District’s Militaire Commissaris te Appingedam van alle gearresteerde of huisarrest hebbende NSB’ers ‘enz.’ in de gemeente Winsum ‘en zij die gearresteerd zouden zijn indien zij aanwezig waren geweest’. Zie Tammeling, ‘Winsum in de tweede wereldoorlog’, 261-262. 209 ArHl, AgWi, inv.nr. 1666, brief en lijst d.d. 21 juni 1945 van de burgemeester aan de District’s Militaire Commissaris te Appingedam van alle gearresteerde of huisarrest hebbende NSB’ers ‘enz.’ in de gemeente Winsum ‘en zij die gearresteerd zouden zijn indien zij aanwezig waren geweest’. . Zie Tammeling, ‘Winsum in de tweede wereldoorlog’, 261-262.
67
een groep van 26 personen ieder door de bezetter een boete van liefst ƒ 500,– opgelegd wegens het aanbrengen van anti-Duitse leuzen op zijn etablissement.210 Met de bedrijven van Joodse ingezetenen had de gemeente in principe niet te maken. Toch is er een geval waarin er een raakvlak was. Van 7 september 1943 dateert een brief van OMNIA Treuhandgesellschaft m.b.H. te Arnhem aan de gemeente Winsum. OMNIA was zoals eerder gemeld een van de Duitse organisaties die als opdracht hadden bedrijven van Joodse eigenaren te liquideren of ariseren. De brief bevatte de mededeling dat OMNIA door de Rijkscommissaris belast was met de liquidatie ‘des Judenunternehmens’ van de manufacturier Michiel de Vries, Oosterstraat 24, ‘Aktenzeichen Li.Nr. 5910/HA 2/41’.211 Na boekenonderzoek was volgens OMNIA gebleken dat de gemeente deze firma nog een bedrag schuldig was wegens geleverde waren – of zij dit per omgaande wilde overboeken op het contonummer 60383 van de firma bij de Bank voor Nederlandschen Arbeid N.V. te Amsterdam. Een paar dagen later liet de burgemeester OMNIA weten dat de gemeente niet bekend was met een schuld aan Michiel de Vries en dat zij gaarne vernam ‘waarvoor De Vries nog ƒ 2.10 te vorderen heeft’.
De genoemde bank was een in oorlogstijd opgerichte dochter van de Duitse Bank der deutschen Arbeit en naast Liro een vaste partner van OMNIA voor het wegsluizen van de saldi van geliquideerde bedrijven van Joodse eigenaren.212 In gemeentelijke overzichten betreffende de opvang van evacués in 1945 zijn geen panden van Joodse inwoners te vinden. Deze werden kennelijk buiten de inkwartiering gehouden.213 Eind oktober dat jaar informeerde mevrouw M.C. Meerburg-Garson uit Geleen per brief bij de burgemeester naar de eigendommen van haar oom Jozef Garson ‘n.l. zijn eigen huis en inboedel staande Nieuwstraat te Winsum-Obergum’.214 Van de Joodse Raad had zij vernomen dat er van hem niets bekend was en dat hij als vermist opgegeven was. Het gemeentelijk antwoord nam twee weken: het huis was ongeschonden en werd beheerd door ‘de commissie van beheer over N.S.B.-eigendommen, daar het huis in het bezit gekomen was van een lid der N.S.B.’. De inboedel was geheel verdwenen, afgevoerd door een expediteur uit Bedum volgens mededelingen van omwonenden. De burgemeester adviseerde bij eventuele verdere actie deze man te benaderen, echter via de politie te Bedum. In november meldde zich B. van Hessen uit Amsterdam bij de burgemeester. Hij schreef dat hem bekend was dat mevrouw I.
de Vries, wonende aan de Tuinbouwstraat te Winsum, ‘destyds bewaardster is geweest van de archieven van de Joodsche Gemeente te Winsum’ – wat de naam betreft moet hier sprake zijn van een vergissing. Van Hessen verzocht om inlichtingen over dit archief. De burgemeester schreef terug dat ‘na een ingesteld onderzoek’ de archieven in kwestie niet waren gevonden. Naar mededelingen van de politie zou de SD ‘destijds’ verschillende bescheiden van Joodse ingezetenen hebben verbrand ‘zoodat het zeer waarschijnlijk geacht moet worden, dat ook de genoemde archieven dit lot ondergingen. Pogingen om verdere inlichtingen te verkrijgen bleven zonder resultaat’. Over Jozef Garson is een uitgebreid NBI-dossier voorhanden.215 Bewindvoerder was sinds 9 augustus 1945 jhr. C. de Ranitz, oud-notaris te Winsum. Hij was dit niet alleen voor Garson, maar ook voor het echtpaar Izaäk de Vries en Elsina Oudgenoeg en hun kinderen (Sophie en Jacob Comprecht), voor
210
ArHl, AgWi, inv.nr. 1665. Zie voor dit café als logement ib., inv.nr. 827. Overigens volgens Tammeling, ‘Winsum in de tweede wereldoorlog’, 275 waren de werkelijke daders anderen. 211 Het is niet gelukt deze onderneming te traceren in het handelsregister van de Groninger Kamer van Koophandel (GrA, HRD, toegang 1972). 212 Zie Van Tielhof, Banken in bezettingstijd, 100, 236. 213 ArHl, AgWi, inv.nr. 1420. 214 Voor het navolgende: ArHl, AgWi, inv.nr. 823. Haar vader Minko Garson was een broer van Jozef Garson. 215 NA, NBI, toegang 2.09.16.05, inv.nr. 62722.
68
Sophie van der Klei (weduwe van Jacob Comprechts de Vries), voor het echtpaar Michiel de Vries en Agatha van Zuiden en hun kinderen (Israël en Sophius), en voor Comprecht de Vries en diens zuster Essie de Vries. Het huis en erf van Jozef Garson aan de Nieuwstraat 5 had een omvang van 2,22 are en werd na de oorlog verhuurd. Jozef en Hartog (overleden 31 oktober 1937) Garson hadden het perceel in 1913 aangekocht. De firma Gebroeders Garson stond van 1921-1937 in het handelsregister van de Groninger Kamer van Koophandel ingeschreven als veehandel.216 Tijdens de oorlog was het perceel in handen van de NGV. Meubilair en huishoudelijke goederen had de bezetter afgevoerd. De door De Ranitz geschatte waarde van het pand was ƒ 3.250,–. De oorspronkelijke hypotheek, drie leningen uit 1930, 1937 en 1941 van Garson bij de schoenmaker H. Medema te Baflo voor in totaal ƒ 2.000,–, was in maart 1944 door de ANBO afgelost aan Medema. Daarna bezwaarde de in de woorden van De Ranitz ‘n.s.b.er-koper’ J.H. Haverkamp het perceel, samen met de overige Joodse onroerende goederen in Winsum-Obergum, met een totaalbedrag van ƒ 12.000,–, dat hij geleend had van de N.V. Landelijke Hypotheekbank te Den Haag. Formeel stond dit alles bij het aantreden van De Ranitz als bewindvoerder op naam van Haverkamp, zo had hij bij het Kadaster nagegaan.
De staat van ontvangsten en uitgaven over 1946 bevat nog een afrekening van de ‘beheerder’ Haverkamp. In de jaren daarna komt hij niet meer voor in dit overzicht. Op 25 mei 1950 vond rechtsherstel door een minnelijke regeling plaats ten overstaan van notaris A.H. Ages te Leens, voor allen voor wie De Ranitz bewindvoerder was.217 De kosten van de betreffende akte en van het verdere rechtsherstel waren voor oorlogskoper Haverkamp, die ze nota bene voorgeschoten kreeg van ‘degenen die [in] hun rechten werden hersteld’. Opmerkelijk is het, dat de grondbelasting en de waterschapslasten vanaf respectievelijk 1 januari en 1 mei 1945 voor rekening kwamen van de afwezige Joodse eigenaren ‘gelijk deze lasten sedert dien voor rekening van de afwezigen zijn betaald’ – tot de datum van de onderhavige akte, mag men aannemen. De nieuwe bewindvoerder vanwege Garson (en de andere ‘afwezigen’) was sinds 23 augustus 1950 de kandidaat-notaris D.M. Knol, die in feite alleen de publieke verkoping hoefde te begeleiden. De Landelijke Hypotheekbank eiste ƒ 2.317,54 op tegen 4 % rente. Knol achtte snelle verkoop en aflossing van de schuld gewenst vanwege dit ‘hoge rentepercentage’. Hij schreef dat er naast het onroerend goed nog enig kasgeld voorhanden was en verder dat het oude huis veel onderhoud vroeg.
Vooral drongen volgens hem twee ‘vermoedelijke erfgenamen’ aan op verkoop, te weten Maarten Johannes Garson uit Rotterdam en zijn zuster, de al genoemde Martina Catharina Meerburg-Garson uit Geleen.218 Eerstgenoemde probeerde in 1948 zelf beheerder te worden, omdat hij vond dat De Ranitz al jarenlang niet opschoot; zijn geduld was op. Behalve deze twee kinderen van een ‘vooroverleden’ broer van Jozef genaamd Minko Garson, was er ook nog de dochter van een eveneens eerder overleden zuster Klaartje Garson. Deze in Den Haag wonende dochter Judith Ellina Ekstein (1907-1943) gold met haar man Hartog Behr (1907-1944) toen nog als ‘afwezig’. De akte van veiling van Nieuwstraat 5 is op 8 januari 1951 verleden voor notaris jhr. S.M.S. de Ranitz en de prijs was ƒ 4.075,–. De koper zou de lopende huurovereenkomst à ƒ 215,– per jaar inclusief waterleiding tot 1 mei 1951 respecteren. Een complicatie en enige nasleep leverden de eventuele rechten van het echtpaar Behr-Ekstein op. Het was lang formeel onduidelijk of zij nog in leven waren.
216
GrA, HRD, toegang 1972, KvK-nr. 2001926. GrA, KAD, Gedigitaliseerde Registers hypotheken no.4 (HYP 4), deel 1395, akte 11. 218 Opmerkelijk is dat in De Ranitz’ staat van ontvangsten en uitgaven inzake het vermogen van Jozef Garson over 1949 (NA, NBI, toegang 2.09.16.05, inv.nr. 62722) in juli kosten geboekt zijn ‘Gemt. Uithzn. Inlicht. Klaartje Garson’. Ter zelfder tijd liet de notaris in Den Haag informeren naar ‘nicht Ekstein’. 217
69
De erfgenamen van Jacob Garson wensten intussen al wel hun deel te ontvangen. Het NBI wees dit verzoek echter af, omdat er naar zijn mening geen sprake was van behoeftige omstandigheden. Ook de herhaalde poging van M.J. Garson om bewindvoerder te mogen worden wegens de steeds stijgende kosten van beheer vond geen weerklank. Maarten Johannes Garson schreef: ‘Wij zijn reeds meer dan vijf en een half jaar hier over bezig en naar mijns inziens kan nu de zaak toch wel eens afgehandeld worden’. Het NBI hanteerde evenwel strikte voorwaarden voor bewindvoering (namelijk: in principe niet door familieleden) en toewijzing van nalatenschappen (pas indien overlijden officieel vaststond). Van 15 mei 1951 dateert een overzicht van het beheer van de vier vermogens van Joodse Winsumers van de hand van bewindvoerder Knol. Hij vermeldt daarbij dat hij pas een paar maanden eerder op de hoogte was geraakt van het bestaan van twee levensverzekeringen van Izaäk de Vries (1890-1942), één van de andere vermoorde Winsumer Joden.
5.6. Afhandeling beheer onverkocht Joods bezit: casus gezin Bamberg-Manassen te Uithuizen (Jeroen Benders) Als voorbeeld van de afhandeling van het beheer van onverkocht Joods onroerend goed behandelen we hier het geval van het huis van het de familie Bamberg-Manassen te Uithuizen, waarbij de gemeente ook zijdelings enige betrokkenheid had. Vader Jacob Bamberg was sinds 1 september 1928 keurmeester bij de provincie of de gemeente en is uit deze betrekking ontslagen op of rond 27 februari 1941. In een Duits document heet het dat hij ‘früher Fleischbeschauer’ was.219 Een schoolgeldkohier vermeldt voor de periode januari-april 1941 één van de twee dochters Mathilda en Hendelina Regina van Jacob Bamberg en zijn echtgenote Aleijda (ook wel Aleida) Manassen bij de school in de Schoolstraat te Uithuizen. In het kohier van september-december dat jaar is de familienaam, op het adres C118, doorgehaald.220 Op 12 november 1942 is het gezin op transport gesteld naar Westerbork en anderhalve week later, 23 november, in Auschwitz omgebracht; de dochters waren toen 7 en 9 jaar. Jacob Bamberg was al enkele maanden eerder in Auschwitz vermoord. Jacob Bamberg kreeg in oktober 1936 een bouwvergunning om vóór 1 mei 1937 een gezinswoning met verdieping, aangebouwd schuurtje en afrastering in de vorm van een hek van betonpalen te zetten aan Havenweg E1859.
Het huis zou worden uitgevoerd in donkerrode klinkers en voorzien van drie stookplaatsen, een droogcloset (w.c.) met gresbuizen en betonbeerput; voor de watervoorziening diende een regenbak van gewapend beton met een inhoud van 8.000 liter. Architect was Berend Jager te Uithuizen. Bamberg was toen zelf woonachtig aan de Molenweg 17.221 Van twee dagen later dateert een notariële akte waarin Bamberg voor ƒ 1.100,– van de aannemers Lietmeijer te Uithuizen een perceel van ongeveer 3,51 are aan het Boterdiep aldaar kocht. Het ging hier om een deel van het perceel E1859, in totaal groot 38,10 are. Tot de voorwaarden bij aankoop behoorde de aanleg van een ‘afschutting’ aan de zuidzijde (ook genoemd in de bouwvergunning).222 Het nieuwgebouwde pand bleek echter al een jaar later, in mei 1938, in een ontwerpuitbreidingsplan van de gemeente op de nominatie te staan om te verdwijnen. De geplande
219
ArHl, AgUi, inv.nr. 526 anti-joodse maatregelen, 1941-1947. ArHl, AgUi, inv.nr. 413 volgnrs 4 respectievelijk 3. 221 ArHl, AgUi, ongeïnventariseerde lijsten met nummers van bouwvergunningen en namen van aanvragers op jaar vanaf 1912, 19.10.1936 nr. 46. Het adres Molenweg 17: Nieuwsblad van het Noorden d.d. 10 oktober 1933 (geboorteaankondiging Mathilde). 222 GrA, KAD, inv.nr. 4539, deel 780, akte 103. 220
70
zuidelijke omsnijdingweg om Uithuizen zou namelijk dwars door het pand komen te lopen.223 Bamberg protesteerde daarop bij de gemeente; zijn protestbrief is bewaard gebleven. Ook een plaatsgenoot, de landbouwer Rembertus Pieter Dojes, tekende per brief bezwaar aan, omdat zijn unieke door de Friese tuinarchitect Gerrit Vlaskamp aangelegde siertuin bij Huize Tocama, deels zou komen te vervallen. Het betrokken architectenbureau vond de bezwaren van Bamberg echter niet steekhoudend en de gemeente nam de door het bureau gehanteerde redenering onverkort over. Het zou betekenen dat het huis van Bamberg, dat er net goed en wel stond, afgebroken zou moeten worden en de schade vergoed zou worden. Echter, de uitvoering van de plannen raakte vertraagd doordat Gedeputeerde Staten geen haast maakten en hun beslissing opschortten tot in 1939. Bamberg heeft ook geen beroep ingesteld bij Gedeputeerde Staten, anders dan Dojes.224 Doordat de oorlog uitbrak kwam vervolgens alles stil te staan. Het perceelnummer E1859 is in kadastrale leggers doorgehaald en vervangen door E2022, zijnde het ‘perceel-Bamberg’ op het grotere perceel van de Lietmeijers. De bewaarder van het Kadaster te Appingedam heeft drie dagen na de onder beheerstelling van dit vastgoed bij de ANBO per 16 november 1942 (bij akte G 4506), een aantekening hierover gemaakt op een van de leggers.
Op 16 oktober 1945 werd de Uithuizer architect Berend Jager aangesteld als bewindvoerder van een aantal Joodse inwoners van Uithuizen. Daaronder waren ook de ‘hulpkeurmeester’ Jacob Bamberg, diens echtgenote Aleyda Manassen en hun dochters Hendelina Regina en Mathilda. Van allen wordt vermeld dat zij op Havenweg C118 ‘laatstelijk wonende’ waren en dat hun huidige verblijfplaats onbekend is. Na het overlijden van bewindvoerder Jager, de architect van het nieuwe woonhuis van Bamberg, al op 22 november dat jaar, stelde het NBI per die datum aan de makelaar G. Nanninga te Uithuizen.225 Op de voornoemde kadastrale legger is rechtsboven zijn naam bijgeschreven. Over het beheer door Nanninga is een omvangrijk NBI-dossier voorhanden. Op 30 april 1946 deed hij verslag over de toestand van het vermogen van het gezin Bamberg op het tijdstip van zijn aanstelling tot bewindvoerder. Het huis had na het wegvoeren van het gezin ongeveer een jaar leeg gestaan, waarna het Gewestelijk Arbeidsbureau er zijn intrek nam. In een ander document specificeerde Nanninga deze periode als begonnen op 1 februari 1944 en eindigend op 1 juli 1946. Huur was door het Arbeidsbureau – i.c. de Rijksgebouwendienst – nimmer betaald, merkte hij op. In een balans per 1 januari 1946 heeft Nanninga hiervoor een post van ƒ 660,– als ‘nog te vorderen huur’ geboekt (en daar kwam dus in feite nadien nog een half jaar bij).
Van belang is ook een stelpost aan de passivakant van ƒ 81,25 voor grondbelasting van 1943 tot en met 1945. Kennelijk was de jaarlijkse huuropbrengst van het pand ruim ƒ 300,– geweest. Datzelfde jaar 1946 schreef Nanninga aan de vertegenwoordiging Appingedam van het NBI dat er ter plaatse belangstelling was om de motor van Bamberg te huren. Nanninga merkte hierover met vooruitziende blik op: ‘Hierdoor wordt dan meteen wat kasgeld verkregen’.226 De motor was opgeslagen in Appingedam en stond voor een geschatte ƒ 150,– in genoemde balans. Uit de
223
Voor het navolgende: ArHl, AgUi, inv.nr. 443. Voor een kort portret van Jozef Garson: Regtien e.a., Winsum 1940-1945, 29. 224 GrA, GSBP, inv.nr. 395, uitbreidingsplan Uithuizen 1939-1940, document d.d. 12.9.1938 van Staatstoezicht op de Volksgezondheid / Inspectie Volkshuisvesting Groningen en Drenthe (Noord) nr. 4468/50. 225 NA, NBI, toegang 2.09.16.05, inv.nr. 62473, brief d.d. 27.11.1945, ondertekend door K. Noorman. 226 Het navolgende komt uit NA, NBI, toegang 2.09.16.02, inv.nr. 31470, brieven uit september en oktober (die van 15 oktober 1953 is ook te vinden in: idem, tg 2.09.16.05, inv.nr. 62473). Naar het schijnt per abuis is in dit dossier ook een reeks stukken beland aangaande een J. Bamberg te Oude Pekela.
71
toelichting blijkt dat het motorrijwiel op dat moment gehuurd werd door het NBI district Appingedam. Medio 1946 liet Nanninga het NBI te Groningen weten dat het Arbeidsbureau verhuisde, waarop de burgemeester het perceel vorderde en aan twee gezinnen toewees. Nanninga vroeg en kreeg machtiging voor de kosten van verbouwing voor een geschatte ƒ 500,–, met de mededeling dat, indien te weinig liquide middelen aanwezig waren, hij tijdig toestemming moest vragen om ‘volledig opgegeven effecten’ (eigendom van Bamberg) te mogen verkopen. In de zomer van 1947 verzocht Nanninga om toestemming de motor te verkopen, omdat er geen geld was voor noodzakelijk onderhoud. Ook was de timmerrekening binnen en voor het voldoen daarvan ontbraken eveneens contanten, reden waarom Nanninga de twee obligaties à ƒ 250,– van 3,5 % verzocht van de hand te mogen doen. Het eerste verzoek werd ingewilligd, voor het tweede was overleg met het hoofdkantoor nodig. Op 27 november 1947 richtte M. (Mozes) Bamberg te Soesterberg zich tot het NBI te Den Haag. Jacob Bamberg was een neef van hem, een zoon van zijn broer Benjamin Bamberg. Sinds acht maanden hoorde hij niets meer van Nanninga; daarvoor had hij meermaals met hem gecorrespondeerd. Mozes Bamberg schreef: ‘Ik ben de eenigst overgeblevene van de familie en Nanninga beloofde ons steeds gouden bergen’.
Hij geeft aan tachtig jaar oud en zeer door de oorlog benadeeld te zijn, doordat ‘ons huis door de moffen [is] afgebroken dat bij het vliegveld stond’.227 De nalatenschap zou verlichting van zijn financiële positie betekenen. Het NBI liet Mozes Bamberg eind 1947 weten dat van een erfenis eerst sprake kon zijn wanneer ‘het overlijden van de afwezigen’ rechtens vaststond, blijkens een briefje hierover aan NBI Groningen. In april 1948 vroeg Mozes Bamberg of er al iets bekend was over de overlijdensakte van Jacob Bamberg en over zijn mogelijkheden als erfgenaam op te treden. Het NBI verwees hem door naar de bewindvoerder. Een tweede erfgenaam meldde zich in juli 1948 bij het NBI Groningen: mevrouw A. Jacobs-Bamberg te Leeuwarden. Het ging hier om Esther Bamberg, gehuwd met Asser Jacobs. Zij was een dochter van Davied Bamberg, een andere broer van Benjamin Bamberg, de vader van Jacob Bamberg. Esther Jacobs-Bamberg schreef zich al op 8 augustus 1945 schriftelijk te hebben gemeld bij de Militaire Commissaris voor Groningen, bijkantoor Appingedam, met de vraag of zij bewindvoerder kon zijn voor haar neef Jacob Bamberg. De commissaris had geantwoord dat nimmer familieleden voor deze functie aangezocht werden. Schrijfster verzocht nu om naam en adres van de huidige bewindvoerder, aangezien het bijkantoor Appingedam opgeheven zou zijn.
Verder vroeg zij het NBI, indien dat zelf bewindvoerder was, of zich de afgelopen tijd nog andere familieleden gemeld hadden en zo ja, wie. In mei 1948 werd ontdekt dat op de zolder van de Marechausseekazerne te Uithuizen een niet afgesloten kist stond met tijdens de oorlog in beslag genomen goederen van Jacob Bamberg. Enkele maanden later kwam Nanninga er – volgens hem bij toeval – achter dat ze verkocht waren zonder zijn medeweten. Hij beklaagde zich hierover bij het NBI. De koopsom (de getaxeerde waarde was ƒ 96,–) was op de postrekening van Nanninga bijgeboekt. Met de gang van zaken kon hij zich niet verenigen en ook de erfgenamen wilden de goederen terug. Aangezien er een recht van wederinkoop van vijf jaar gold, vroeg Nanninga om toepassing daarvan. Het NBI was het hiermee eens en gaf te kennen dat de goederen ‘abusievelijk aan oorlogsslachtoffers’ waren verkocht, nadat de Afdeling Roerende Goederen van het NBI ze had opgehaald. Het blijkt dat Nanninga een tijd lang brieven van het NBI onbeantwoord had gelaten, waarna het kantoor tot deze actie was overgegaan. Begin 1951 meldde zich bij NBI Groningen nog de Stichting Bewindvoering Afwezigen en Onbeheerde 227
Vergelijk: https://oudsoesterberg.nl/afgebroken-op-last-van-de-duitsers/.
72
Nalatenschappen (BAON), afdeling Polisherstel voor J. Bamberg op het adres Havenweg 108 (het huisnummer zal een vergissing zijn). Verdere gegevens hierover ontbreken. Uit 1953 dateert een briefwisseling tussen het NBI en de Officier van Justitie te Groningen over het bewindvoerder- en later curatorschap van Nanninga over de ‘onbeheerde nalatenschap’ van het gezin Bamberg-Manassen, NBI-dossiernummer 1515. Het NBI wees de Officier van Justitie er begin dat jaar op dat Nanninga tot en met 1949 het verplichte jaarlijkse verslag met vermogensopgave had opgesteld, daarna echter niet meer. Het NBI verzocht daarop de Officier van Justitie wegens ‘moedwillig verzuim’ – op enkele, ook aangetekend verzonden herinneringsbrieven was door Nanninga ondanks zijn telefonische toezegging geen actie ondernomen – te gelasten de stukken in te leveren en anders tot rechtsvervolging over te gaan. Op 1 oktober 1953 reageerde de Officier van Justitie op een brief van het NBI van 9 september, waarin het erop wees dat moedwillig in gebreke blijven van een bewindvoerder strafbaar was krachtens het Besluit Herstel Rechtsverkeer (Staatsblad K.B. E100), maar dat het niet uit was op verdere vervolging indien Nanninga ‘tijdig reageert’.
De Officier van Justitie gaf aan dat Nanninga tegenover hem verklaard had ten spoedigste rekening en verantwoording te zullen afleggen, en wel vóór 15 oktober; Nanninga meende dit niet meer te hoeven doen, omdat hij inmiddels tot curator in dezelfde zaak was benoemd. Het NBI schreef niet op de hoogte te zijn van het feit dat Nanninga curator was. Het meldde dat er erfgenamen van Bamberg bekend waren en dat Jacob eerder overleden was dan zijn vrouw en kinderen; of er een testament was, wist het NBI niet. Het vroeg de Officier van Justitie wanneer Nanninga als curator aangesteld was. Zes dagen later stuurde het NBI een brief naar de Groninger Officier van Justitie met de mededeling dat het op 16 oktober van Nanninga een vermogensopgave had ontvangen van het bewind voor Jacob Bamberg, evenwel niet van dat voor H. Gans-Gans (Hendrikje Gans, weduwe van Filippus Gans), dat het echter ook nodig had. Het verzoek aan de Officier van Justitie was of hij Nanninga kon opdragen dit nog voor het eind van de maand op te sturen. Uit een afschrift van een brief van de notaris H.J. Kloosterman te Finsterwolde van 9 december 1956 blijkt, dat de ‘beëdigd makelaar’ Nanninga per 30 december 1952 bij beschikking van de Arrondissementsrechtbank tot curator was benoemd voor Bamberg.
Het perceel was op 29 april 1953 door Nanninga publiek verkocht in café Paping te Uithuizen, ten overstaan van de plaatselijke notaris J.D. Immenga. Het geheel wordt dan omschreven als een behuizing met de volle eigendom van 3,68 are erf en tuin aan het Boterdiep, kadastraal E2022. Koper was de Stichting ter bevordering van het Ambachtsonderwijs voor Uithuizen en omstreken voor een bedrag van ƒ 7.600,–. Hier verrees vervolgens een ambachtsschool (later: technische school, LTS) met als adres Havendwarsweg 2 (E1866). Een eindeloze reeks tekeningen en berekeningen daarvoor is vanaf 1950 gemaakt door de Uithuizer architect J.J. Smith. De school stond in de ‘oksel’ van de Havendwarsstraat en de Oude Tilsterweg. Het perceel van Bamberg komt op de tekeningen en bestekken echter niet voor.228 Van wijlen Jacob Bamberg wordt in de akte van veiling gesteld dat hij in algehele gemeenschap van goederen gehuwd was met Aleijda Manassen. Aleijda Manassen was in 1900 geboren te Rotterdam, haar vader was geboren in Tiel en haar moeder in Oude Pekela. Een erfgenaam van Aleijda Manassen meldde zich begin 1957 met een brief bij het NBI Den Haag. G.P.A. Cosman te Voorburg schreef hierin dat hij eind 1956 telefonisch contact gehad had, maar door ‘bijzondere omstandigheden’ die hij niet nader toelichtte nu pas toekwam aan het verstrekken van informatie over ‘vermiste personen 228
GrA, HHC, inv.nr. 801.
73
tijdens de bezettingsjaren’. Daarop volgden de namen en enige gegevens over drie familieleden. Cosman deelde mee dat wijlen zijn vader Levi (Levij) Cosman was. Tevens sloot hij een vel bij met afschriften van de brieven die hij ontvangen had van twee Groninger notarissen. Van 21 december 1954 dateert een brief van de notaris J.D. Immenga, waarin deze namens de bewindvoerder Nanninga een reactie geeft op een brief aan laatstgenoemde van G.P.A. Cosman over de nalatenschappen Bamberg-Manassen. Immenga deelde mee dat volgens de Stichting Centraal Bureau van Onderzoek inzake de vererving van de nalatenschappen van Vermiste Personen, de bloedverwanten van Saartje Cosman, gehuwd geweest met Aaron Fresco, ‘waarschijnlijk voor een zeer gering aandeel tot de nalatenschap van Aleida Manassen gerechtigd zouden zijn’. Hij ‘zou dus gaarne van U vernemen of en hoe Uw vader verwant was aan voornoemde Saartje Cosman’ en merkte op dat ‘de boedel niet groot is en een eventueel aandeel zeer gering, zodat U beter geen onkosten kunt maken’. Saartje Cosman was in 1860 geboren in ’s-Gravenhage, als dochter van Sander Cosman en Maria van Leeuwen en de Cosman’s waren kennelijk zeer verre verwanten van Aleijda Manassen.
Cosman had onder dit getypte afschrift toegevoegd, dat hij Immenga op 27 januari 1955 een afschrift had bezorgd van het uittreksel van het bevolkingsregister van de gemeente ‘s-Gravenhage, waarin vermeld stond dat Saartje Cosman een zuster was van Levi Cosman, de vader van de briefschrijver/nabestaande. ‘Nadien heb ik van genoemde Notaris niets meer gehoord’, zo sluit hij af. Het tweede afschrift betreft een brief van de notaris Kloosterman van 9 december 1956, die een antwoord bevat op een brief van Cosman van 3 november 1954 en een aangetekend stuk van 7 december 1956. In hoeverre tussentijds nog andere correspondentie gevoerd is, blijkt niet uit deze afschriften. Kloosterman deed slechts mededeling van de benoeming tot curator van G. Nanninga per 30 december 1952 en rondde af met de zin: ‘Met deze boedels [namelijk ‘de onbeheerde nalatenschappen van Jacob Bamberg en Aleida Manassen’] heb ik geen bemoeienis’. De zaak van Bamberg in Uithuizen maakt duidelijk dat de uitvoering van het rechtsherstel in de praktijk stroperig kon verlopen. Het zou interessant zijn om na te gaan in hoeverre fricties tussen overlevenden/nabestaanden, NBI en bewindvoerders uitzondering dan wel schering en inslag zijn geweest.