CConstaterende datMidden-Groningen
Koppel je AI →
Document · PDF

82 1 Definitief rapport onderzoek Joods Vastgoed

Raadsvergadering 6 april 2023, gemeente Midden-GroningenBij agendapunt: Ingekomen stukken en mededelingen/Lange Termijn Agenda raad/Toezeggingen57.153 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 6

Burgemeester Drenth wenste de bestemming als zodanig nog even aan te houden.307 Op dezelfde 15 juni schreef de directeur gemeentewerken aan B&W een brief of advies omtrent de verbouwing van de synagoge tot brandweerkazerne. De precieze inhoud ervan is niet bekend. Wel is duidelijk dat naar aanleiding ervan, tijdens de collegevergadering van 2 juli 1943 het oorspronkelijke idee van de burgemeester om de synagoge tot brandweerkazerne te verbouwen van tafel verdween. Wethouder Veldhuis meldde opnieuw dat hij de synagoge, na de ontruiming ervan, tot noodziekenhuis wilde inrichten. De burgemeester verklaarde daaraan mee te willen werken. Hij zou ‘bij de A.N.B.O. vragen tegen welke prijs de gemeente eigenaresse kon worden van de synagoge’ en ‘de twee woningen voorheen bewoond door van Gelder en Izaaks.’ (Bosstraat nummer 22 was bewoond geweest door godsdienstonderwijzer en voorzanger Abraham van Gelder; nummer 26 door godsdienstleraar Samuel Izaaks, beiden vermoord, in respectievelijk maart en februari 1943). Intussen zou de directeur gemeentewerken met de artsen in overleg treden om te zien welke veranderingen in de synagoge moesten worden aangebracht.308 Op 12 juli 1943 bespraken B&W een drie dagen eerder door de ANBO gestuurde brief. In de betreffende brief bood de ANBO de gemeente Winschoten ‘enkele onroerende goederen uit Joods bezit’ aan.

Het ging hierbij om ‘de synagoge met de beide ambtswoningen’, maar ook om ‘de grond bestemd voor de Israëlitische begraafplaats’, waarover verderop meer. Besloten werd dat de directeur gemeentewerken ‘persoonlijk’ naar Groningen zou gaan om te spreken over de aankoop voor lagere

RIJKSARBEIDSBUREAU, Voor dezen, De Inspecteur [getekend onleesbaar] aan den Heer Burgemeester van Winschoten. Winschoten 1946-1969, inv.nr. 300, Memorie van Toelichting der Begroting Gemeente Winschoten dienst 1946, pagina 25, nr. 133: Huur van het gebouw waarin de centrale werkplaats is gehuisvest met daarnaast gelegen pakhuis en erf (percelen Trekweg no’s 80 en 81). 306 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 36, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1943, 17 mei 1943 nr. 20. 307 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 36, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1943, 15 juni 1943 nr. 7. 308 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 36, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1943, 2 juli 1943 nr. 2.

89

bedragen. Hiervoor zou hem door de burgemeester een machtiging tot aankoop worden meegegeven.309 Op 16 juli 1943 bracht de directeur gemeentewerken aan B&W verslag uit van zijn bezoek aan de ANBO te Groningen ‘inzake eventuele aankoop van onroerend goed uit Joods bezit’. Naar aanleiding hiervan besloten B&W in hun vergadering van 19 juli 1943 over te gaan tot de aankoop van de gebouwen van de Joodse gemeente aan de Bosstraat.310 Op 2 augustus kwam het verslag van de directeur gemeentewerken van 16 juli nogmaals in een vergadering van B&W ter sprake. Deze keer leidde dat tot een andere beslissing. Besloten werd om aangaande de percelen aan de Bosstraat af te wachten of deze gratis beschikbaar gesteld konden worden. De burgemeester had daaromtrent namelijk ‘een mededeling’ ontvangen, zo werd genoteerd.311 Op 20 augustus 1943 stuurde de Rijkscommissaris een, niet nader bekend, bericht omtrent ‘de aankoop van een Joods perceel in de Boschstraat’. Naar aanleiding hiervan werd op 30 augustus 1943 besloten dat de burgemeester hiervoor met ‘een Duitsche instantie’ zou gaan praten.312 Op 6 oktober 1943 volgde van de Commissaris voor niet-commerciële Verenigingen en Stichtingen als beheerder van dit Joodse eigendom een bericht dat hij bereid was de panden aan Bosstraat 22, 24 en 26 tegen een nader overeen te komen prijs aan de gemeente te verkopen.

De gemeentelijke verslaglegging vermeldde als vervolgstap: ‘Hierover zal nader overleg worden gepleegd met I. de Groot.’313 Hoe dit overleg verliep is onbekend. Wel helder is dat de burgemeester op 15 november 1943 formeel besloot om voor een bedrag van ƒ 16.250,– de synagoge en de rabbi- en de kosterswoning aan te kopen van de Commissaris voor niet-commerciële Verenigingen en Stichtingen. Een verkoopakte voor de overdracht werd echter nooit opgemaakt.314 Dat nooit een koopakte werd opgemaakt, had hoogstwaarschijnlijk te maken met twee brieven die de Commissaris der provincie Groningen Stargaard begin 1944 aan alle burgemeesters in de provincie stuurde. In de eerste brief deelde hij mee dat de gemeenten de binnen hun grenzen gelegen synagogen en Joodse begraafplaatsen gratis konden krijgen.

Deze brief, van 10 januari 1944, met als onderwerp ‘Joodsche vereenigingen’ luidde: De Commissaris voor niet-commercieele vereenigingen en stichtingen heeft mij onder meer het volgende bericht: “Teneinde de liquidatie te kunnen beëindigen van de krachtens Verordening 41/1941 van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied ontbonden joodsche niet-commercieele vereenigingen en stichtingen, waaronder begrepen de Israëlitische Hoofdsynagoge te Amsterdam en de Nederlandsch Israëlitische en Portugeesch Israëlitische gemeenten in Nederland, verzoek ik U Uw goedkeuring te willen hechten aan overdracht om niet van de joodsche begraafplaatsen, met daarbij behoorende gebouwen, en dergelijke aan de gemeenten, waarbinnen de onroerende goederen zijn gelegen.

309

ArOa, AGW30-45, inv.nr. 36, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1943, 12 juli 1943 nr. 1. 310 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 36, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1943, 19 juli 1943 nr. 2. 311 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 36, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1943, 2 augustus 1943 nr. 1. 312 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 36, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1943, 30 augustus 1943 nr. 4. 313 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 36, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1943, 11 oktober 1943 nr. 2. 314 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 75, Stukken betreffende de aankoop van gronden in het Sint Vitusholt van de heren Garrelds en Geukes en de heer Jager, Kantbeschikking no 754, 16 juni [194]5, Brief getiteld ‘Jodenbezittingen’ door De Directeur van Gemeentewerken aan Den Heer Burgemeester van Winschoten.

90

Indien op de synagoges hypothecaire schulden rusten, welke hooger zijn dan de taxatiewaarde van den grond, zal echter een hoogere prijs moeten worden vastgesteld. De aan de overdracht verbonden kosten komen ten laste der gemeenten.” Tot zoover de genoemde Commissaris. Voor zooveel de door hem bedoelde ondernemingen zijn in het belang der gemeenten, zal ik daaraan uiteraard de door artikel 228 der Gemeentewet vereischte goedkeuring hechten. De gemeentebesturen kunnen zich te dezer zaken wenden tot den genoemden Commissaris of tot zijn vertegenwoordiger alhier (…).315 Naar aanleiding van deze brief, besloten B&W van Winschoten op 24 januari 1944 om de voorgestelde gratis overdracht van de in de gemeente gelegen Joodse gebouwen en begraafplaatsen aan te vragen.316 Op 21 februari 1944 schreef de Commissaris der Provincie echter aan de Groninger burgemeesters een tweede brief waarin hij enigszins terugkwam op zijn eerdere bericht. In samenhang daarmee zouden de gemeentelijke initiatieven tot overname van de synagogen en Joodse begraafplaatsen voorlopig even moeten worden gestaakt. Deze brief luidde: Ten vervolge op mijn rondschrijven van 10 januari 1944, nr. 12398/J, 5e afdeeling, bericht ik U, dat blijkens een mededeeling van den Commissaris voor niet-commercieele Vereenigingen en Stichtingen een voor alle provinciën geldende regeling in voorbereiding is.

In afwachting van het tot stand komen dezer regeling waren de in mijn vorengenoemd rondschrijven bedoelde overnemingen voorhands te laten rusten. 317 Hoewel de gemeente Winschoten het rabbinaat, de synagoge en de kosterswoning annex school aan Bosstraat 22, 24 en 26 nooit via een koopakte verwierf, bleef zij zich gedurende de Bezetting actief bezighouden met het geven van een nieuwe invulling aan het complex. Daarbij ging het niet alleen om plannen in de medische sfeer. Zo werd in augustus 1943 nagegaan of de leslokalen aan Bosstraat 26 mogelijk bruikbaar waren voor het U.L.O-onderwijs.318 Een half jaar later vroeg wethouder Witter of een gedeelte van de tuin achter de synagoge mogelijk gebruikt kon worden door een familie met een ziek kind. Dit werd echter niet toegestaan, omdat men vermoedde dit terrein in de toekomst nodig te hebben als rijwielbergplaats.319 Het gevolg van de nauwe gemeentelijke betrokkenheid bij de herinrichting van het synagogecomplex was, dat dit complex zich tegen de tijd van de Bevrijding had ontwikkeld tot een onroerend goed dat de gemeente Winschoten niet in eigendom bezat, maar ook niet wilde missen. Voorlopig gebruikte zij het als opslagplaats en voor schoollokalen. 320 315

ArVd, AGV, inv.nr. 1119, Stukken betreffende de vervolging van Joodse ingezetenen van Veendam tijdens de Duitse bezetting met betrekking tot de Tweede Wereldoorlog, Brief 10 januari 1944 betreffende Joodsche vereenigingen, namens het Provinciaal Bestuur van Groningen, de Commissaris der Provincie Groningen, Staargaard, en De Griffier, S.J. Fockema Andreae, Aan Heeren Burgemeesters der gemeenten in de provincie Groningen. 316 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 37, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 19441945, 24 januari 1944 nr. 3. 317 ArVd, AGV, inv.nr. 1119, Stukken betreffende de vervolging van Joodse ingezetenen van Veendam tijdens de Duitse bezetting met betrekking tot de Tweede Wereldoorlog, Brief 21 februari 1944 betreffende Liquidatie Joodsche Instellingen, namens het Provinciaal Bestuur van Groningen, de Commissaris der Provincie Groningen, Staargaard, en De Griffier, S.J. Fockema Andreae, Aan de Burgemeesters der gemeenten in de provincie Groningen. 318 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 36, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1943, 16 augustus 1943 nr. 3. 319 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 37, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 19441945, 28 februari 1944 nr. 5. 320 GrA, NIGG, inv. nr.

232, Stukken betreffende de opheffing van de Nederlands-Israëlitische Gemeente Winschoten 1945-1952, Brief 25 september 1945 namens het bestuur van het Nederlands Israëlitische Gemeente Winschoten, getekend door A. Salomons, aan de Nederlands Israëlitische Gemeente Winschoten.

91

6.2.6. De aankoop door de gemeente Winschoten in 1944 van een voorheen als Joodse begraafplaats bedoeld perceel in het Sint Vitusholt van de Israëlitische gemeente te Winschoten Terwijl voor de aankoop van het gebouwencomplex aan de Bosstraat uiteindelijk geen koopakte werd opgemaakt, gebeurde dit wel voor de aanschaf door de gemeente Winschoten van ander onroerend goed afkomstig van de lokale Joodse gemeente. Op 16 maart 1944 verwierf de gemeente Winschoten uit het eigendom van de Joodse gemeente een perceel van 0,8 hectare in het gebied het Sint Vitusholt, op de locatie van wat thans de westkant is van de algemene begraafplaats aan de Acacialaan. Aan deze verwerving ging een ingewikkelde geschiedenis vooraf. Daarin speelden diverse partijen met uiteenlopende belangen een rol. In dit verband zijn twee van die partijen relevant. Ten eerste was dat de gemeente Winschoten, die vanaf de late jaren dertig werkte aan een uitbreidingsplan voor het gebied tussen de Acacialaan in het noorden, de weg (door het) Sint Vitusholt in het oosten, het spoor in het zuiden en de gemeentegrens met Scheemda in het westen. Daarnaast was dat de Joodse gemeente van Winschoten, die rond dezelfde tijd beoogde een nieuwe Joodse begraafplaats in het gebied te realiseren. De oudste Joodse begraafplaats in Winschoten stamde uit 1786 en bevond zich aan de Liefkensstraat.

Als gevolg van een in 1827 ingevoerd verbod op het begraven binnen de bebouwde kom, sloot deze begraafplaats in 1828. Twee jaar eerder was ter vervanging een nieuwe begraafplaats geopend. Dat was de thans nog bestaande Joodse begraafplaats aan de huidige straat Sint Vitusholt.321 In 1936 kocht de Joodse gemeente iets ten westen van deze tweede begraafplaats, in het gebied het Sint Vitusholt drie aaneengesloten perceeltjes, met als doel er een derde Joodse begraafplaats te maken. Deze perceeltjes, die kadastraal bekend stonden als E52 en E53 en het westelijk gedeelte van E49, lagen ongeveer ter hoogte van de huidige Kastanjelaan, Lindelaan en Eikenlaan.322 Rond 1939/1940 begon de gemeente Winschoten, op advies van de gemeentearchitect Derk Bolhuis met het doelgericht, door koop of ruiling, verwerven van grond in het genoemde uitbreidingsplan. De gemeente richtte zich hierbij primair op zaadhandelaar Adriaan Jager, die het overgrote merendeel van de grond in het gebied bezat, maar ook van kleinere eigenaren in het gebied probeerde ze het grondbezit te verwerven.323 Daarbij was het voor de gemeente Winschoten van groot belang de perceeltjes van de Joodse gemeente te verwerven. Deze lagen namelijk middenin het volgens het gemeentelijke uitbreidingsplan voor bebouwing bestemde gebied.

Het resulteerde in een, op 12 november 1940 bij notaris Vos notarieel vastgelegde, ruil tussen de gemeente Winschoten en de Joodse gemeente van die plaats. Hierbij werd afgesproken dat de Joodse gemeente in ruil voor haar midden in het uitbreidingsplan gelegen perceeltjes, een perceel zou krijgen in het uiterste noordwesten van het uitbreidingsplan. Dit alternatieve perceel lag vanaf het centrum van Winschoten gezien achter de in het uitbreidingsplan geprojecteerde algemene begraafplaats aan de Acacialaan. Het ging hierbij om 0,8 hectare aan de westkant van het kadastrale perceel E866. Omdat echter de beoogde algemene begraafplaats toentertijd nog niet was aangelegd en de Acacialaan er nog niet naar toe was doorgetrokken, was ook de erachter geprojecteerde Joodse begraafplaats voorlopig nog onbereikbaar. Daarom werd in de akte van ruiling een extra bepaling

321

Brood en Schut (red.), ‘Eene twistzieke natie’, 86-88. ArOa, AGW30-45, inv.nr. 75, Stukken betreffende de aankoop van gronden in het Sint Vitusholt van de heren Garrelds en Geukes en de heer Jager, Afschrift van een akte van ruiling tusschen de Gemeente Winschoten en de Israëlitische Gemeente te Winschoten d.d. 12 november 1940 te kantoor van Tj. Vos notaris te Winschoten. 323 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 75, Stukken betreffende de aankoop van gronden in het Sint Vitusholt van de heren Garrelds en Geukes en de heer Jager, Brief 19 januari 1940 betreffende Aankoop gronden van A. Jager in het St. Vitusholt, van De Gemeentearchitect D. Bolhuis aan Heeren Burgemeester en Wethouders der Gemeente Winschoten. 322

92

opgenomen. Die hield in dat de gemeente Winschoten over haar ten zuiden van de geplande begraafplaatsen gelegen perceel E275 de toegang vanaf de nog niet doorgetrokken Acacialaan naar de Joodse begraafplaats garandeerde. Het servituut betreffende dit recht van overpad luidde: ‘Ten behoeve van het bij deze aan de Israelitische Gemeente overgedragen onroerend goed en ten laste van de Noordzijde van het kadastrale perceel Gemeente Winschoten sectie E nummer 275 en zoo langs de Westzijde van het perceel 886 dierzelfde Gemeente en sectie nog niet voor het openbaar verkeer is opengesteld, tevens ten laste van dit perceelgedeelte, eigendom van de Gemeente Winschoten, wordt bij deze gevestigd de erfdienstbaarheid van weg om te komen van en naar de Acacialaan, zoals op bijgaande situatietekening is aangegeven, welke weg door de Gemeente Winschoten zal worden verhard over[r] een breedte van twee meter vijftig centimeter met een puin en sintellaag, terwijl het onderhoud van dien weg ten laste van de Gemeente Winschoten komt.’324 Ruim tweeënhalf jaar later, terwijl de meeste Joden uit Winschoten intussen waren gedeporteerd en omgebracht, liet burgemeester Drenth weten dat hij wilde proberen de voor de Israëlitische begraafplaats bestemde grond (weer) in handen van de gemeente te krijgen. Hij deed dat tijdens de vergadering van B&W van 2 juli 1943.

Mogelijk was dit naar aanleiding van de boven behandelde gedachtewisseling omtrent het herinrichten van de synagoge tot brandweerkazerne dan wel noodziekenhuis, die direct aan zijn mededeling voorafging.325 Hierna liepen de ontwikkelingen omtrent de poging tot aankoop van de grond voor de Joodse begraafplaats een poosje tamelijk parallel aan die betreffende de beoogde aankoop van het complex aan de Bosstraat. Zo bood de ANBO, zoals uiteengezet, in zijn brief van 9 juli niet alleen het complex aan de Bosstraat te koop aan, maar ook de voor de Israëlitische begraafplaats bestemde grond.326 Bij zijn bezoek van medio juli 1943 aan de stad Groningen besprak de directeur gemeentewerken beide zaken met de ANBO.327 Vervolgens wachtte het College van B&W aangaande de grond voor de begraafplaats een nadere prijsopgave van de ANBO af.328 Vermoedelijk gebeurde dit tegen de achtergrond van gevoerde prijsonderhandelingen.

In elk geval meldde de directeur gemeentewerken na de Bezetting dat de ANBO het perceel aanvankelijk voor ƒ 5.000,– aanbood, maar dat het na onderhandelingen en een hertaxatie uiteindelijk voor ƒ 3.200,– aan de gemeente was afgestaan.329 Op 5 augustus 1943 deelde de ANBO dit bedrag van ƒ 3.200,– per brief aan de gemeente mee, waarna het College van B&W op 9 augustus besloot om, behoudens de vereiste goedkeuring, het perceel aan te kopen.330 Op 12 augustus 1943, nam de burgemeester het formele besluit tot de aankoop. Deze werd op 22 december 1943 door de Commissaris der Provincie Groningen goedgekeurd.331

324

ArOa, AGW30-45, inv.nr. 75, Stukken betreffende de aankoop van gronden in het Sint Vitusholt van de heren Garrelds en Geukes en de heer Jager, Afschrift van een akte van ruiling tusschen de Gemeente Winschoten en de Israëlitische Gemeente te Winschoten d.d. 12 november 1940 te kantoor van Tj. Vos notaris te Winschoten. 325 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 36, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1943, 2 juli 1943 nr. 3. 326 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 36, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1943, 12 juli 1943 nr. 1. 327 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 36, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1943, 12 juli 1943 nr. 1, 19 juli 1943 nr. 2. 328 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 36, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1943, 19 juli 1943 nr. 2, 2 augustus 1943 nr. 1. 329 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 75, Stukken betreffende de aankoop van gronden in het Sint Vitusholt van de heren Garrelds en Geukes en de heer Jager, Kantbeschikking no 754, 16 juni [194]5, Brief getiteld ‘Jodenbezittingen’ door De Directeur van Gemeentewerken aan Den Heer Burgemeester van Winschoten. 330 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 36, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1943, 9 augustus 1943 nr. 3.

331 GrA, KAD, Gedigitaliseerde Registers hypotheken no.4 (HYP 4): Op 28 maart 1944 in bewaring genomen transportakte van 16 maart 1944 betreffende de overdracht van een perceel grond in het Sint Vitusholt onder Winschoten, uitmakende een op het terrein afgebakend Noord Westelijk gedeelte groot ongeveer 80 are van

93

Toen tussen 10 januari en 21 februari 1944 op basis van een schrijven van de Commissaris der Provincie Groningen even de indruk ontstond dat de gemeenten de synagogen en Joodse begraafplaatsen binnen hun grenzen eenvoudig en gratis konden verkrijgen, zoals eerder uiteengezet, besloot Winschoten meteen van dit aanbod gebruik te maken. Daarbij vroeg zij trouwens ook nadrukkelijk om de gratis overdracht van ‘de oude begraafplaats in het Sint Vitusholt’.332 Deze laatste, reeds bestaande Joodse begraafplaats verwierf zij uiteindelijk niet. Het voor de nieuwe Joodse begraafplaats aan de Acacialaan beoogde perceel verkreeg zij wel, zij het niet gratis, maar tegen het eerder met de ANBO overeengekomen bedrag van ƒ 3.200,–. Op 16 maart 1944 passeerde bij notaris Vos de koopakte. Daarmee werd de gemeente Winschoten via de ANBO weer eigenaar van het in 1940 door haar met de Joodse gemeente geruilde perceel.333 De daaropvolgende periode verhuurde zij een deel van het land, dat voor ongeveer 50 are bestond uit bouwland en voor de overige 30 are uit bos,334 als volkstuintjes.335 De verhuur van het land was echter niet het doel waarvoor de gemeente Winschoten het terrein verwierf.

Twee dagen voor de overdracht, dus voordat de gemeente het voor de Joodse begraafplaats bedoelde westelijke deel van het perceel E866 daadwerkelijk weer in handen kreeg, had de burgemeester formeel besloten tot de opheffing van het servituut waarmee het recht van toegang via het belendende perceel E275 was geregeld. Hij deed dit bij zijn besluit van 14 maart 1944, nummer 39. In de toelichting schreef hij over zijn beslissing tot de opheffing van het recht van overpad over het perceel E275, na de aankoop van het westelijke deel van perceel E866: ‘dat volgens het vastgestelde uitbreidingsplan deelen van het met erfdienstbaarheid belaste perceel voor bebouwing zijn bestemd; (…) dat het derhalve gewenscht en mogelijk is het perceel Sectie E.no.275 van genoemde erfdienstbaarheid te ontlasten’.336 Na de Bezetting schreef de directeur gemeentewerken over de aankoop in 1944 door de gemeente van ‘de nieuwe Israëlitische Begraafplaats’: ‘De gemeente was min of meer verplicht tot deze aankoop over te gaan, aangezien bij de acte van ruiling met de Israëlitische gemeente op het aan de gemeente in eigendom blijvende perceel sectie E. no. [275] een servituut werd gelegd ten gunste van het aan de

het kadastrale perceel gemeente Winschoten Sectie E nummer 866 zoals door de Israëlitische Gemeente te Winschoten bij akte van 12 november 1940 in eigendom werd verkregen, door de ANBO aan de gemeente Winschoten. 332 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 37, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 19441945, 24 januari 1944 nr. 3. 333 GrA, KAD, Gedigitaliseerde Registers hypotheken no.4 (HYP 4): Op 28 maart 1944 in bewaring genomen transportakte van 16 maart 1944 betreffende de overdracht van een perceel grond in het Sint Vitusholt onder Winschoten, uitmakende een op het terrein afgebakend Noord Westelijk gedeelte groot ongeveer 80 are van het kadastrale perceel gemeente Winschoten Sectie E nummer 866 zoals door de Israëlitische Gemeente te Winschoten bij akte van 12 november 1940 in eigendom werd verkregen, door de ANBO aan de gemeente Winschoten.

334 GrA, KAD, Gedigitaliseerde Registers hypotheken no.4 (HYP 4): Op 22 april 1958 in bewaring genomen transportakte van 8 april 1952 betreffende de overdracht via een openbare verkoping door de Israëlitische Gemeente te Winschoten van een dubbele behuizing met erf aan de Liefkensstraat nummers 45 en 47 te Winschoten, Winschoten Sectie F nummer 3512; de behuizing waarin drie woningen aan Bosstraat nummer 26, 26a en 26b, Sectie F nummers 4335 en 4336; een perceel bouwland en bos van ongeveer 80 are gelegen achter de nieuwe begraafplaats aan de Acacialaan, Sectie E nummer 1106 (oud-nummer 866) aan respectievelijk Jan Kloosterhuis; de Stichting Oost-Groninger Streekmuseum; de gemeente Winschoten; ArOa, AGW46-69, inv.nr. 18, Raadsverslagen 1958, 2 mei 1958 nr. 10. 335 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 36, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 1943, 13 december 1943 nr. 1; inv.nr. 37, Register (…) 1944-1945, 28 februari 1944 nr. 7. 336 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 75, Stukken betreffende de aankoop van gronden in het Sint Vitusholt van de heren Garrelds en Geukes en de heer Jager, Besluit 14 maart 1944 no. 39 door de burgemeester van Winschoten A.J. Drenth tot opheffing van de erfdienstbaarheid ten laste van het perceel Winschoten sectie E no. 275 en ten gunste van het noordwestelijke deel van het perceel sectie E no. 866.

94

Israëlitische Gemeente te Winschoten overgedragen perceel, welk servituut in handen van verkeerde elementen tot groote moeilijkheden voor de gemeente had kunnen leiden.’337

6.3. Het rechtsherstel van de door de gemeente Winschoten verworven Joodse goederen

6.3.1. Het rechtsherstel van het pakhuis met erf van de familie Wolff aan de Trekweg Na de bevrijding van Winschoten, op 15 april 1945, werd de gemeente tot 4 september 1946 bestuurd door een tijdelijke gemeenteraad. Burgemeester A.J. Romein, die begin 1942 door het nationaalsocialistische bewind was ontslagen en vervangen door A.J. Drenth, keerde terug en hernam zijn ambt. De heer Venema, die in 1943 vanwege gezondheidsredenen zijn wedhouderschap had neergelegd, werd na de bevrijding gevraagd weer tijdelijk als wethouder in functie te willen treden, hetgeen hij toezegde. Vanaf 1 november 1945 namen de nieuw benoemde wedhouders J.G. Folkringa en E.H. Robertus zijn taken over. Meteen tijdens de eerste vergadering na de bevrijding, op 11 juni 1945, werd, op voorstel van burgemeester Romijn, besloten te breken met de vroegere gewoonte om de directeur gemeentewerken bij de behandeling van zijn adviezen aanwezig te laten zijn. Voortaan zou hij alleen nog bij de vergaderingen van B&W aanwezig zijn als zijn ‘speciale voorlichting’ nodig werd geacht.

338 Zoals gemeld in paragraaf 5.3, had de Nederlandse regering in ballingschap in 1944 bij Koninkiijk Besluit E100 bepaald dat tijdens de Bezetting onder dwang gewijzigde rechtsbetrekkingen – ondermeer aangaande het eigendom van roerende of onroerende goederen – teruggedraaid ofwel hersteld moesten worden naar de situatie van voor de oorlog. Al kort na zijn terugkeer als burgemeester raakte Romijn ermee geconfronteerd dat de gemeente Winschoten met het fenomeen van rechtsherstel te maken had, doordat zij tijdens de Bezetting aankopen van onroerend goed uit Joods bezit had gedaan. Zelf was Romijn niet bij die aankopen betrokken geweest, aangezien hij toentertijd door het nationaalsocialistische gezag buiten functie gesteld was geweest. Op 1 juni 1945 ontving Romijn in zijn hoedanigheid van burgemeester een aan hem gerichte brief d.d. 30 mei 1945 van notaris Vos uit Winschoten. In de betreffende brief vroeg Vos namens de weduwe van Jacob Wolff, Grietje Bertha Hart, om Rechtsherstel met betrekking tot het door de gemeente gekochte pakhuis Trekweg 81. Vos schreef: Bij Acte 1 October 1943 voor mij verleden kocht de Gemeente Winschoten van de Nederlandsche Administratie van Onroerende goederen een pakhuis met erf aan den Trekweg 81 te Winschoten, kadastraal bekend Sectie E nummer 869, groot zes aren zeventig centiaren. De koopsom bedroeg f.2500.--.

Gemeld onroerend goed was eigendom van Maurits Wolff, Jacob Wolff, Simon Siemons, en Judith Wolff. Van deze personen is thans in Winschoten teruggekeerd de echtgenoote van Jacob Wolff. De verkooping geschiedde krachtens verordening 154/1941. Deze moet ingevolge artikel 16 van het Kon. Besluit bezettingsmaatregelen geacht worden nimmer van kracht te zijn geweest; tengevolge waarvan de verkooping nietig is. De teruggekeerde Mevrouw Wolff, als waarnemende het belang van haar echtgenoot en de overige rechthebbenden, maakt aanspraak op het onroerend goed en, in afwachting van het te verleenen rechtsherstel, op een gepaste huurvergoeding.

337

ArOa, AGW30-45, inv.nr. 75, Stukken betreffende de aankoop van gronden in het Sint Vitusholt van de heren Garrelds en Geukes en de heer Jager, Kantbeschikking no 754, 16 juni [194]5, Brief getiteld ‘Jodenbezittingen’ door De Directeur van Gemeentewerken aan Den Heer Burgemeester van Winschoten. 338 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 37, Register van notulen van de vergaderingen van het College van B&W 19441945, 11 juni 1945 nr. 1.

95

Ik verzoek U beleefd mij Uw[ ]meening omtrent deze zaak kenbaar te willen maken.339 Vermoedelijk wist Romijn niet meteen hoe de door Vos aangekaarte situatie in elkaar stak. Twee op de brief gemaakte notities wijzen daarop. Op de voorzijde van de brief was dat ‘Besluit E100. Nader bestuderen’ en op de achterzijde ‘Advies. Met name over de feitelijke gegevens omtrent deze aankoop van Dir. Gem. Wer’. 340 Op 14 juni 1945 stuurde Romijn de brief van Vos aan de directeur gemeentewerken Laman Trip om advies. Twee dagen later, op 16 juni, formuleerde Laman Trip zijn advies in een brief aan de burgemeester. Hij opende zijn brief als volgt: Ter voldoening aan Uw kantbeschikking van 14 dezer, waarbij mij om advies werd toezonden, een brief van den Heer Tj. Vos, notaris alhier, van 30 Mei jl., inhoudende een verzoek om het perceel Trekweg 81 weder aan Mevrouw Wolff ter beschikking te stellen, heb ik de eer UEA te berichten, dat in de jaren 1942, 1943 en 1944 verschillende onroerende goederen uit Jodenbezit door de gemeente zijn aangekocht, (…).

Hierop volgde een nauwkeurig overzicht van de door de gemeente verworven onroerende goederen afkomstig uit Joods bezit, te weten: het perceel groenland van Betje Nathan aan de Renselweg; het perceel groenland van de broers Hart aan de Blijhamsterweg; de dubbele arbeiderswoning van de familie West aan het Zandpad; het pakhuis van de familie Wolff aan de Trekweg; en de boogde nieuwe Israëlitische begraafplaats in het Sint Vitusholt. In zijn overzicht beschreef Laman Trip langs welke weg de betreffende onroerende goederen waren verworven, met welk doel en voor welke prijs, waarbij hij in sommige gevallen ook een waardering gaf van de indertijd betaalde prijs. Op vergelijkbare wijze als deze vijf door de gemeente Winschoten verworven onroerende goederen, besprak Laman Trip ook de synagoge met rabbi- en kosterswoning, waarvan de bedoelde aankoop door de gemeente uiteindelijk nooit in een koopakte was vastgelegd. Aan het eind van zijn brief aan Romijn gaf Laman Trip zijn visie op het Rechtsherstel in het algemeen en op de kwestie Wolff in het bijzonder. Het was een visie waarin het belang van de gemeente Winschoten zonder meer voorop werd gesteld en waaruit geen enkele blijk van oog voor de belangen van de oorsponkelijke rechthebbenden, zoals Grietje Bertha Hart, sprak. Laman Trip schreef: Nu de besluiten 102 en 154 van 1941, krachtens artikel 16 van het koninklijk besluit no.

E 93 geacht moet worden nimmer van kracht te zijn geweest, zijn ook de onder 1 t/m 5 genoemde overdragen daardoor onwettig geworden, alle daaruit voortvloeiende rechtshandelingen zullen blijkens koninklijk besluit no. E 100 door de raad voor het rechtsherstel moeten worden geregeld, waaromtrent evenwel thans nog geenerlei jurisprudentie bestaat. Ik acht het dan ook in het algemeen voorbarig reeds thans definitieve beslissingen te nemen, dit geldt te meer voor het geval Wolff, aangezien het betreffende pakhuis thans in het algemeen belang in het gebruik is, en het bedrijf van den Heer Wolff voor alsnog aan deze ruimte geen behoefte heeft, nu den Heer Wolff zelf nog niet is teruggekeerd.341 Op 20 juli 1945 schreef burgemeester Romijn zijn antwoord op het verzoek van notaris Vos tot rechtsherstel met betrekking tot het pakhuis Trekweg 81. In zijn antwoord nam Romijn de door Laman Trip geuite gedachte over dat de gemeente het pakhuis voor het publieke belang nodig had. Daarnaast 339

ArOa, AGW30-45, inv.nr. 137, Stukken betreffende de verhuur van het pakhuis Wolff aan de Trekweg aan de Rijksdienst voor de werkverruiming, Brief 30 mei 1945 van Tj. Vos, Notaris te Winschoten aan Den heer Burgemeester der Gemeente Winschoten. (N.B. Een afschrift van deze brief is aanwezig in: GrA, VDeS, inv.nr. 495, Dossier Wolff, Maurits (gemeente Winschoten) en M. Zuidema.) 340 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 137, Stukken betreffende de verhuur van het pakhuis Wolff aan de Trekweg aan de Rijksdienst voor de werkverruiming, Brief 30 mei 1945 van Tj. Vos, Notaris te Winschoten aan Den heer Burgemeester der Gemeente Winschoten. 341 ArOa, AGW30-45, inv.nr. 75, Stukken betreffende de aankoop van gronden in het Sint Vitusholt van de heren Garrelds en Geukes en de heer Jager, Kantbeschikking no 754, 16 juni [194]5, Brief getiteld ‘Jodenbezittingen’ door De Directeur van Gemeentewerken aan Den Heer Burgemeester van Winschoten.

96

bestreed hij dat de aankoop door de gemeente onrechtmatig – als zijnde niet volgens de toen heersende wetten – was geweest en derhalve als nietig moest worden beschouwd. Hij deed als suggestie dat de cliënte van Vos, Grietje Bertha Hart zich wendde tot het Commissariaat voor het Rechtsherstel om zich over de rechtsgeldigheid van de gemeentelijke aankoop te doen uitspreken. Evenals eerder Laman Trip, gaf ook Romijn kortom een zeer formele, bureaucratische, niet van enige empathie met de oorlogsslachtoffers uit de familie Wolff getuigende reactie. Hierbij nam hij als burgemeester niet het initiatief om vanuit de gemeente Winschoten een begin te maken met het rechtsherstel, maar legde hij de last daartoe volledig bij de nazaten Wolff. In dit verband wekte Romijn bovendien niet de indruk dat de gemeente bij dit rechtsherstel zeer coöperatief zou zijn. Zijn reactie op het verzoek van Grietje Bertha Hart om rechtsherstel was daarentegen uiterst defensief. Romijn schreef letterlijk: In antwoord op Uw schrijven dd. 30 Mei jl. inzake aankoop door den gemeente bij Acte van 1 October 1943 van een pakhuis met erf aan den Trekweg No. 81 alhier, destijds eigendom van Maurits, Jacob en Judith Wolff en Simon Siemons deel ik U mede, dat ik met Uw conclusie, als zoude deze transactie nietig zijn, niet kan instemmen.

Wel lijkt het mij dat er voor Uw cliënte reden is zich te wenden tot het Commissariaat voor Rechtsherstel om zich over de rechtsgeldigheid te d[oe]n uitspreken. Hierbij teeken ik echter reeds [di]rect aan, dat mij bij onderzoek van deze aangelegenheid niet van eenige onregelmatigheid of andere fout is gebleken en onder normale omstandigheden de gemeente eveneens tot aankoop zou zijn overgaan, omdat dit perceel voor den publieken dienst moest worden gebruikt. Met belangstelling zie ik Uw verdere stappen in dezen tegemoet.342 Na deze reactie van burgemeester Romijn bleef het van de kant van mevrouw Wolff-Hart verder stil. Op 14 september 1945 verzocht notaris Vos aan mevrouw Wolff-Hart om nog eens naar zijn kantoor te komen. Ruim twee jaar later, op 31 oktober 1947, informeerde Vos per brief bij de heer Jezaias Hart woonachtig aan de Blijhamsterweg te Winschoten of zijn dochter mevrouw Wolff-Hart nog bij hem woonde. Als dat het geval was, dan verzocht hij haar om binnenkort naar zijn kantoor te komen; anders vernam Vos graag van de heer Hart het adres van mevrouw Wolff-Hart.343 Intussen had een aantal andere betrokkenen het initiatief om tot rechtsherstel te komen overgenomen. Hierbij bleek al snel dat het ging om een complexe zaak.

Behalve de gemeente Winschoten, die het pand Trekweg 81 had verworven en vervolgens als Rijkswerkplaats had verhuurd aan het Rijk, waren er nog diverse andere betrokkenen. In dit verband speelden er verschillende zaken, die nader dienden te worden uitgezocht. Ten eerste was er het juridische belang van Maurits Wolff. Sinds het overlijden van zijn vrouw, in 1939, was hij voor 5/8e deel eigenaar van het pakhuis Trekweg 81 geweest. Maurits Wolff was zelf op 29 oktober 1942 in Auschwitz omgekomen. Op 21 september 1945 was accountant W. Nanninga te Winschoten door het NBI benoemd tot bewindvoerder van Maurits Wolff. Vanaf 1 februari 1949 nam accountant H.W. Oosting uit Winschoten deze functie over.344

342

GrA, VDeS, inv.nr. 495, Dossier Wolff, Maurits (gemeente Winschoten) en M. Zuidema, Brief 20 juli 1945 van De Burgemeester van Winschoten [A.J. Romijn] aan Den Heer Tj. Vos betreffende ‘Jodenbezittingen’; ArOa, AGW30-45, inv.nr. 137, Stukken betreffende de verhuur van het pakhuis Wolff aan de Trekweg aan de Rijksdienst voor de werkverruiming, Afschrift Brief 20 juli 1945 van De Burgemeester van Winschoten [A.J. Romijn] aan Den Heer Tj. Vos betreffende ‘Jodenbezittingen’. 343 GrA, VDeS, inv.nr. 495, Dossier Wolff, Maurits (gemeente Winschoten) en M. Zuidema, Afschrift brief 14 september 1945 [van vermoedelijk Tj. Vos] aan Mevrouw J. Wolff-Hart; Afschrift brief 31 oktober 1947 [van vermoedelijk Tj. Vos] aan Den Heer J. Hart. 344 NA, NBI, toegang 2.09.16.16, inv.nr. 195993, Dossier Wolff, M., Winschoten, Benoemingsbrief 21 september 1945 van W. Nanninga tot bewindvoerder van Maurits Wolff namens het NBI getekend door de Vertegenwoordiger i.h. District Winschoten S. Postuma; Benoemingsbrief 25 januari 1949 van H.W. Oosting tot

97

Van de drie kinderen van het echtpaar Maurits Wolff en Kaatje Cohen, die elk voor 1/8e deel eigenaar van het pakhuis waren geweest, had alleen dochter Judith, die met haar partner en latere echtgenoot Abraham Salomons naar Zwitserland was gevlucht (zie hoofdstuk 3), de oorlog overleefd. Zij werd bij het rechtsherstel vertegenwoordigd door haar echtgenoot, met wie zij in volledige gemeenschap van goederen was gehuwd. Jacob Wolff was op 4 februari 1945 omgekomen in Dachau. Zijn weduwe Grietje Bertha Hart, die in mei 1945 bij de gemeente Winschoten had aangeklopt voor rechtsherstel, hertrouwde op 25 juni 1948 met Jan Griekspoor uit Amsterdam. Sindsdien had hij als haar echtgenoot tekenbevoegdheid, terwijl advocaat en procureur mr. W.N. Veldhuis uit Winschoten vanaf ongeveer dezelfde periode optrad als haar gemachtigde belangenbehartiger.345 Rond het echtpaar Rebecca Siemons-Wolff en Simon Siemons lag de situatie helemaal complex. Alles wees erop dat het echtpaar en hun twee minderjarige dochters, Olga en Carla, de oorlog niet hadden overleefd. Al snel stond vast dat Rebecca en beide kinderen op of omstreeks 5 november 1942 door vergassing waren omgekomen in Auschwitz.

Ten aanzien van Simon Siemons bleek echter lange tijd niet vast te stellen of en zo ja, wanneer hij was overleden.346 Pas op 14 mei 1948 verklaarde het Informatiebureau van het Nederlandsche Roode Kruis op basis van getuigenverklaringen, dat moest worden aangenomen dat Simon Siemons na 15 januari 1945, doch uiterlijk eind januari 1945 op het traject Gleiwitz naar Oranienburg was omgekomen.347 Een voor de verervingskwestie complicerende factor was dat dat niet meteen helder was of het echtpaar eenvoudig in gemeenschap van goederen was gehuwd, of dat er sprake was van een huwelijk onder aanvullende voorwaarden.348 Pas gaandeweg het rechtsherstel werd duidelijk dat het echtpaar Simon Siemons en Rebecca Wolff, blijkens een akte van huwelijksvoorwaarden van 19 augustus 1937, gehuwd was in gemeenschap van winst en verlies. Op dezelfde dag had Rebecca Wolff daarbij in haar testament het volgende laten opnemen: ‘Ik herroep alle vroegere door my gemaakte uiterste wilsbeschikkingen. Ik legateer aan myn aanstaande echtgenoot Simon Siemons, wanneer mijn huwelyk met hem wordt voltrokken tot aan zyn hertrouwen toe het levenslange vruchtgebruik van myn gehele nalatenschap met ontheffing van de verplichting om daarvoor zekerheid te stellen.

Ik sluit myn aanstaande echtgenoot uitdrukkelyk als erfgenaam myner nalatenschap uit en benoem tot erfgenamen diegenen die tot myn nalatenschap gerechtigd zouden zyn indien ik ongehuwd ware overleden op dezelfde wyze en voor dezelfde aandelen als de wet hen dan als erfgenamen zou roepen.’ Als gevolg van de aanvankelijke onduidelijkheid omtrent de huwelijkse voorwaarden en Simon Siemons overlijdensdatum was het lange tijd geen uitgemaakte zaak hoe de vererving van de nalatenschap van het echtpaar diende te verlopen. Hierbij was het de vraag of er mogelijk

bewindvoerder van Maurits Wolff namens het NBI getekend door de Vertegenwoordiger voor de Stad en Provincie Groningen K.J. Kraan. 345 GrA, VDeS, inv.nr. 495, Dossier Wolff, Maurits (gemeente Winschoten) en M. Zuidema, Afschrift brief 18 oktober 1948 betreffende Rechtsherstel Maurits Wolff en Cons. / Gem. Winschoten [van vermoedelijk Tj. Vos] aan W. Nanninga, A. Salomons, H.W. Oosting en Mr. W.N. Veldhuis. 346 NA, NBI, toegang 2.09.16.13, inv.nr. 171307, Dossier Siemons, M., Winschoten, Brief 26 juni 1945 van J.B. le Grand Aan de Advies Commissie Beheer en Rechtsherstel Blyhamsterstraat 21 Winschoten; Brief 16 september 1946 van H. [getekend J.] Cohen van Delft [aan vermoedelijk notaris J.B. le Grand]. 347 NA, NBI, toegang 2.09.16.13, inv.nr. 171312, Dossier, Siemons S., Winschoten, Verklaring 14 mei 1948 van de Directeur van Informatiebureau van het Nederlandsche Roode Kruis J. van de Vosse omtrent het overlijden van Simon Siemons. 348 GrA, VDeS, inv.nr. 495, Dossier Wolff, Maurits (gemeente Winschoten) en M. Zuidema, Brief 15 januari 1951 van J.B. Le Grand aan Den WelEdel Gestrenge Heer Tj Vos. Zie verder: NA, NBI, toegang 2.09.16.13, inv.nr. 171312, Dossier, Siemons S., Winschoten, Brief 31 januari 1948 van De vertegenwoordiger voor de Stad en Provincie Groningen van het NBI K.J.

Kraan aan het NBI, Den Haag; Verklaring van Erfrecht (provisorisch) 20 februari 1948 door Jakob van Hasselt, notaris te Amsterdam, betreffende Mozes Siemons, Olga Leven, Johanna Siemons, Simon Siemons, Rebecca Siemons-Wolff, Olga Siemons en Carla Siemons.

98

nalatenschap van de familie Siemons naar de familie Wolff zou overgaan, of juist andersom. Dit betrof niet alleen de nalatenschap van het echtpaar Rebecca Siemons-Wolff en Simon Siemons. Het betrof ook de nalatenschap van Simon Siemons ouders, Mozes Siemons en Olga Siemons-Leven, die beiden op 19 november 1942 in Auschwitz waren gestorven. De heersende onduidelijkheid plaatste Simons zus, Johanna Cohen van Delft-Siemons te Amsterdam, die behalve haar ouders, Mozes Siemons en Olga Leven, haar broer en schoonzus, Simon en Rebecca, ook haar man Louis Isidore Cohen (zichzelf noemende Cohen van Delft) verloren had en er sindsdien met haar kinderen alleen voor stond, in een uiterst lastige positie. Om in haar onderhoud te kunnen voorzien, wilde ze graag een snelle afhandeling van de nalatenschap van haar ouders. Mevrouw Johanna Cohen van Delft-Siemons stelde zich, bij monde van haar advocaat, mr. I.S.

de Vries, uit Amsterdam, op het standpunt dat aangezien haar ouders, Mozes Siemons en Olga Leven, ná haar schoonzus, Rebecca Siemons-Wolff, waren overleden, er geen sprake van vererving van de kant van Siemons naar Wolff kon zijn, hetgeen betekende dat Johanna Cohen van Delft-Siemons de enige erfgename van haar ouders en haar broer was.349 Ter voorkoming dat langdurig en nodeloos geld uit de nalatenschap zou op gaan aan bewindvoeringskosten voor haar broer, verzocht ze om zelf de bewindvoering over Simon Siemons op zich te mogen nemen.350 Omdat vanuit de familie Wolff echter bezwaar werd gemaakt tegen de gedachte dat Johanna Cohen van Delft-Siemons de enige erfgenaam van Simon Siemons en daarmee mogelijk ook van Rebecca Siemons-Wolff was, kreeg Johanna Cohen van Delft-Siemons de bewindvoering over haar broer niet toegewezen.351 In plaats daarvan volgden de bewindvoerders voor Simon Siemons elkaar snel op: dit onder voortdurend protest van De Vries, de advocaat van Johanna Cohen van Delft-Siemons, die dit een inefficiënte en nodeloos kostbare gang van zaken vond. Nadat eerst, op 2 juli 1945, notaris J.B. le Grand uit Winschoten tot bewindvoerder van Simon Siemons was benoemd, nam per 1 september 1947 kandidaat-notaris J.G. van Buizen uit Wedde deze functie over. Drie maanden later, op 1 december 1947 werd de heer U. Rozema uit Winschoten de bewindvoerder voor Simon Siemons.

Tot slot vervulde accountant H.W. Oosting vanaf 15 juni 1948 nog een maand het bewindvoerderschap. Op 15 juli 1948 werd het bewindvoerderschap over Simon Siemons opgeheven, waarna notaris Le Grand werd belast met de vereffening van de boedel.352 De voortdurende wisseling van bewindvoerders 349

Bij dergelijke erfeniskwesties waren zoals gemeld de precieze overlijdensdata en met name de volgorde van overlijdens van groot belang, waarbij de huwelijke voorwaarden en in bijzonder de gemeenschap van goederen van invloed waren. 350 NA, NBI, toegang 2.09.16.13, inv.nr. 171312, Dossier, Siemons S., Winschoten, Brief 28 mei 1947 betreffende Cohen van Delft-Siemons van Mr. I.S. de Vries Aan het NBI, vertegenwoordiging Winschoten; Brief 29 juli 1947 betreffende Cohen van Delft; bewind Siemons-Cohen van Delft van Mr. J. Wasch, in afwezigheid van Mr. I.S. de Vries, aan het NBI, vertegenw. Stad en Provincie Groningen; Brief 24 november 1947 betreffende Cohen van Delft-Siemons van Mr. I.S. de Vries aan het NBI, vert, Stad en Provincie Groningen; Brief 28 januari 1948 betreffende Cohen van Delft-Siemons van Mr. I.S. de Vries aan het NBI; Afschrift brief 16 april 1948 betreffende Boedel Siemons (Cohen van Delft) van Mr. I.S. de Vries aan Den WelEdel Gestrengen Heer J.B. le Grand; Brief 16 april 1948 van Mr. I.S. de Vries aan het NBI; Brief 13 mei 1948 betreffende Simon Siemons (dossier Cohen van Delft) van Mr. I.S. de Vries aan het NBI; Brief 14 juni 1948 betreffende Cohen van Delft, bewind Siemons van Mr. I.S. de Vries aan het NBI, Vert, Stad en Provincie Groningen; Brief 1 juli 1948 betreffende Boedel Siemons (Cohen van Delft) van Mr. I.S. de Vries aan het NBI.

351 NA, NBI, toegang 2.09.16.13, inv.nr. 171312, Dossier, Siemons S., Winschoten, Afschrift brief 11 februari 1948 van het NBI, de Vertegenwoordiger voor de Stad en Provincie Groningen K.J. Kraan cand. nots. Voor dezen Chef Afdeling Beheer [onbekend] aan Den Heer Mr. I. de Vries. 352 NA, NBI, toegang 2.09.16.13, inv.nr. 171312, Dossier, Siemons S., Winschoten, Afschrift benoemingsbrief 2 juli 1945 van J.B. le Grand tot bewindvoerder van Simon Siemons getekend door De Commissaris Militair Gezag voor het District Winschoten, De Majoor Mr. J.G. Boogerd en De R.T.O., De Res. Kapt. J.W. Nienhuis; Benoemingsbrief 25 november 1947 van J.G. van Duizen tot bewindvoerder van Simon Siemons namens het NBI getekend door de Vertegenwoordiger voor Groningen, Appingedam en Veendam c.a. K.J. Kraan; Benoemingsbrief 30 december 1947 van U. Rozema tot bewindvoerder van Simon Siemons namens het NBI getekend door de Vertegenwoordiger voor Stad en Provincie Groningen K.J. Kraan; Benoemingsbrief 3 juni

99

leidde geregeld tot onduidelijkheid tussen de diverse betrokken advocaten, notarissen en accountants over wie er nu precies bij de zaak betrokken waren en in welke hoedanigheid. Hier bovenop was er nog het vraagstuk van de hypothecaire lening die Maurits Wolff bij Mozes Zuidema had afgesloten. Mozes Zuidema en zijn echtgenote Frida Zuidema-Schulenklopper, die allebei Joods waren, waren op 11 februari 1943 gestorven in Auschwitz-Birkenau. Hun dochter Geertruida Heilbron-Zuidema, uit Baton Rouge in de Verenigde Staten, was hun enige erfgename.353 Zij liet zich vertegenwoordigen door Koenraad Hazelhoff, te Groningen. Met betrekking tot de hypothecaire lening van Wolff bij Zuidema draaide het om twee vragen. De eerste vraag was of het op 1 oktober 1943 door de gemeente Winschoten aan het voor de NGV handelende makelaarskantoor P. Everout betaalde bedrag van ƒ 2.080,50 voor de aflossing van de hypotheek en sinds 1 november 1942 ontstane renteachterstand, daadwerkelijk door dit makelaarskantoor / de NGV was gebruikt voor het aflossen van deze schuld bij Zuidema. Dat bleek niet het geval te zijn. Dit betekende dat de partij Zuidema, in de persoon van Geertruida Heilbron-Zuidema, nog een vordering van het originele hypotheekbedrag van ƒ 2.000,– plus de sinds 1 november 1942 ontstane achterstand in de betaling van de hypotheekrente had op de partij Wolff.

Dit leidde tot de tweede vraag, namelijk welke rente hiervoor moest worden gerekend?354 De oorspronkelijke rente was 5 % per jaar. Door mevrouw HeilbronZuidema was voor de jaren 1945, 1946 en 1947 ook inkomstenbelasting betaald over een renteopbrengst die was berekend op grond van deze 5 %.355 Bij de gemeentelijke aankoop in 1943 van Trekweg 81 was echter voor de periode vanaf 1 november 1942 gerekend met een rentepercentage van 4,5 % per jaar. De familie Wolff vond dat de billijkheid met zich meebracht dat vanaf die periode een rentepercentage van 4 % per jaar zou worden gerekend, aangezien zij niet in staat was geweest gedurende de Bezetting en ook daarna renteverlaging te vragen of een andere hypotheek af te sluiten.356 Kort samengevat, ging het bij de rechtsherstelkwestie rond Trekweg 81 om een ingewikkelde zaak met diverse betrokkenen, waarbij de partij Wolff een vordering had op de gemeente Winschoten en de partij Zuidema een nader te bepalen vordering op de partij Wolff. Nadat het in juni 1945 via notaris Vos door Grietje Bertha Hart aan de gemeente Winschoten gedane verzoek tot rechtsherstel met betrekking tot Trekweg 81 op niets was uitgelopen, lijkt accountant Nanninga, in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over Maurits Wolff, najaar 1947 het voortouw in deze zaak te hebben genomen.

In elk geval zijn voor deze periode weer sporen van overleg over de kwestie in de archieven traceerbaar. Het was de periode waarin notaris Vos, op 31 oktober 1947, bij de heer J. Hart informeerde of mevrouw Wolff-Hart nog bij hem woonde. Rond dezelfde tijd, namelijk op 18 september 1947, meldt de agenda van ingekomen en uitgaande stukken van de gemeente Winschoten een door de gemeente gestuurde brief aan het Ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw over ‘Rechtsherstel perceel Trekweg 81’.357 Op 22 december 1947 berichtte 1948 van H.W. Oosting tot bewindvoerder van Simon Siemons namens het NBI getekend door de Vertegenwoordiger voor Stad en Provincie Groningen K.J. Kraan; Brief 8 juli 1948 betreffende beëindiging bewindvoering H.W. Oosting over Simon Siemons namens het NBI getekend door de Vertegenwoordiger voor Stad en Provincie Groningen K.J. Kraan; GrA, VDeS, inv.nr. 495, Dossier Wolff, Maurits (gemeente Winschoten) en M. Zuidema, Brief 19 oktober 1948 van H.W. Oosting Jr. aan De Weledelgestrenge Heer Tj. Vos. 353 GrA, VDeS, inv.nr. 495, Dossier Wolff, Maurits (gemeente Winschoten) en M. Zuidema, Verklaring van erfrecht opgesteld door Tjeerd Vos op 14 januari 1947 met aanvullingen 1 april 1947 betreffende de echtgenoten Mozes Zuidema en Frida Schulenklopper. 354 GrA, VDeS, inv.nr. 495, Dossier Wolff, Maurits (gemeente Winschoten) en M.

Zuidema, Brief 20 juni 1950 van J.B. le Grand aan Den WelEdel Gestrenge Heer Tj. Vos. 355 GrA, VDeS, inv.nr. 495, Dossier Wolff, Maurits (gemeente Winschoten) en M. Zuidema, Afschrift brief 8 september 1950 betreffende rechtsherstel fam. Wolf/Gem. Winschoten/M. Zuidema [van vermoedelijk Tj. Vos] aan de Weledelgestrenge Heer J.B. le Grand. 356 GrA, VDeS, inv.nr. 495, Dossier Wolff, Maurits (gemeente Winschoten) en M. Zuidema, Afschrift brief 8 september 1950 betreffende rechtsherstel M. Zuidema/Wolff [van vermoedelijk Tj. Vos] aan de Weledele Heer K. Hazelhoff. 357 ArOa, AGW46-69, inv.nr. 60, Agenda van ingekomen en uitgaande stukken 1947 nrs. 3311-4830, nr. 3336.

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12744248/1