270 1 Bijlage bij Raadsbrief Memorie van toelichting wetsvoorstel Wat
Tekst van het document
Het resterende risico wordt bepaald door de gaswinning uit het verleden. Van zelfsprekend blijft het van belang om m et de analyse inzicht te behouden in dit risico. De risicoanalyse wordt dus niet langer ter onderbouwing, m aar sam en met de operationele strategie, verstrekt. Dit zal niet alleen in de Mijnbouwwet m aar ook in de Mijnbouwregeling worden aangepast.
van gebouwen in de provincie Groningen ingediend bij de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2020/2021, 35 603). Door middel van dat wetsvoorstel wordt dezelfde functie geborgd in de Tijdelijke wet Groningen. 22 Kamerstukken II 2018/19, 34 657, nr. 47. 23 Kamerstukken II 2020/21, 33 529, nr. 815.
2.5 Aanpassingen in de procedure voor de vaststelling van de operationele strategie Volgens het huidige ‘niet m eer dan nodig’ principe m aakt de Minister bij de vaststelling van de operationele strategie een afweging tussen enerzijds het veiligheidsbelang en het maatschappelijk belang van het niet kunnen voorzien van de eindafnemers van laagcalorisch gas en anderzijds het belang van de veiligheidsrisico’s voor omwonenden als gevolg van bodembeweging veroorzaakt door de gaswinning. Met de voorgestelde wetswijziging worden m echanismen gecreëerd waarm ee de leveringszekerheid in uitzonderlijke situaties kan worde n gewaarborgd door m iddel van inzet van het Groningenveld. Dit betekent echter niet dat het veiligheidsbelang van om wonenden ondergeschikt is geworden. De inzet van het Groningenveld in fase 1 leidt tot de productie van een laag volum e gas, die naar verwachting niet bepalend is voor de resterende veiligheidsrisico’s, daar deze m et nam e het gevolg zijn van de historische gaswinning. De m anier waarop het gas uit het Groningenveld wordt gewonnen (de operationele strategie) zal daarom een geringe invloed hebben op het seismisch risico.
Om beter aan te sluiten bij deze realiteit zal in de nieuwe procedure voor de vaststelling van de operationele strategie de Minister de m ogelijkheid hebben om, na consultatie van de wettelijke adviseurs, de huidige operationele strategie m iddels een besluit te verlengen. Daarnaast blijft het m ogelijk om een nieuwe operationele strategie vast te stellen conform de huidige procedure. De beoogde systematiek blijft grotendeels deels hetzelfde als de huidige systematiek waarin de Minister beslist hoeveel en op welke wijze gas wordt gewonnen uit het Groningenveld (zie ook paragraaf 2.2.1). Het proces start m et de ram ing van de netbeheerder van het landelijk gastransportnet over de benodigde inzet van het Groningenveld (artikel 10a, eerste lid, onderdeel q, Gaswet). De opbouw en inhoud van deze ram ing is hiervoor toegelicht in paragraaf 2.3.3. De netbeheerder levert de ram ing op vóór 1 februari. Vervolgens zendt de Minister de ram ing aan de vergunninghouder (artikel 52c, eerste lid, Mijnbouwwet) m et het verzoek om te bevestigen of door m iddel van de bestaande operationele strategie kan worden voldaan aan hetgeen volgens de ram ing is benodigd (artikel 52c, tweede lid). Indien de vergunninghouder concludeert dat dit niet het geval is, stelt de vergunninghouder één of m eerdere nieuwe operationele strategie(ën) voor (artikel 52c, derde lid).
Ongeacht of de operationele strategie een voortzetting van de bestaande of een nieuwe operationele strategie betreft, bevat deze de verdeling van de winning over de clusters in volum e en tijd (artikel 52c, vierde lid). Het volum e volgt uit de capaciteitsbehoefte waarin het Groningenveld als reservemiddel m oet kunnen voorzien. Ook verstrekt de vergunninghouder een dreigings- en risicoanalyse van de verwachte bodembeweging ten behoeve van inzicht in het seism isch risico (artikel 52c, vijfde lid). In opdracht van de Minister kan deze analyse door een andere partij worden uitgevoerd en verstrekt (artikel 52c, zesde lid; zie ook paragraaf 2.4). Verder beschrijft de vergunninghouder de optimale inzet van de gasopslag Norg (artikel 52c, vijfde lid, van de Mijnbouwwet). Op grond van artikel 52c, tiende lid wordt in de Mijnbouwregeling nader geregeld welke elem enten de operationele strategie moeten bevatten en welke onderbouwing m oet worden opgenomen. Aansluitend betrekt de Minister de wettelijke adviseurs voor advie s over de ontvangen operationele strategie(ën). Dit geldt voor zowel een verlengde als een nieuwe operationele strategie. De Minister stelt de regionale overheden in de gelegenheid om te adviseren over de operationele strategie (artikel 52d, zesde lid). Dit advies richt zich op de inzet van de clusters en eventuele verwachte bovengrondse effecten hiervan.
De inspecteur-generaal der m ijnen wordt gevraagd te adviseren over de ondergrondse aspecten van de operationele strategie, zoals de inschatting van de vergunninghouder over het aantal aardbevingen en de m agnitude daarvan, en de bovengrondse risico’s m et betrekking tot leveringszekerheid en veiligheid (artikel 127, eerste ld, onderdeel l). Daarnaast wordt TNO gevraagd de Minister te adviseren over de bovengrondse risico’s in sam enhang m et maatregelen van versterking (artikel 122a). Ten slotte wordt ook de Mijnraad om advies gevraagd (artikel 105, derde lid, onderdeel d). Uiteindelijk verlengt de Minister de bestaande operationele strategie of stelt de Minister een nieuwe de operationele strategie vast m iddels een besluit dat geldt voor één gasjaar. Bij besluit tot verlenging van de bestaande operationele strategie m otiveert de Minister in hoeverre de afweging van enerzijds het veiligheidsbelang en het m aatschappelijk belang van het niet kunnen voorzien van de eindafnemers van laagcalorisch gas en anderzijds het belang van de veiligheidsrisico’s voor
om wonenden als gevolg van bodembeweging veroorzaakt door de gaswinning onveranderd is ten opzichte van de afweging gemaakt bij de voorgaande vaststelling van de operationele strategie (artikel 52d, vierde lid). Gelet op de lage volum es die in fase 1 gewonnen worden, is er naar verwachting een beperkte invloed van de operationele strategie op de resterende veiligheidsrisico’s. Bij vaststelling van een nieuwe operationele strategie m aakt de Minister de afweging tussen leveringszekerheid en veiligheid wel integraal opnieuw (artikel 52d, tweede lid). Op de voorbereiding van het besluit tot verlenging of vaststelling van de operationele strategie is afdeling 3.4 van de Algem ene wet bestuursrecht (de uniforme voorbereidingsprocedure) van toepassing (artikel 52d, zevende lid). Daarbij geldt dat na publicatie van het ontwerpvaststellingsbesluit zienswijzen door eenieder kunnen worden ingediend.
3. Fase 2: Einde inzet Groningenveld 3.1 Inleiding Vanaf het m oment dat ook de inzet van het Groningenveld als reservemiddel niet langer nodig is, kan het veld definitief worden gesloten (fase 2). Dat betekent dat er in het geheel geen gaswinning uit het Groningenveld m eer m ogelijk zal zijn. Er zal dan ook geen operationele strategie m eer worden vastgesteld voor de inzet van het veld. Dit wetsvoorstel voorziet in bepalingen ten behoeve van fase 2. Ten eerste wordt expliciet bepaald dat er geen gaswinning uit het Groningenveld m eer plaatsvindt. Ten tweede wordt erin voorzien dat de bijzondere bepalingen met betrekking tot het Groningenveld en bepalingen die uitgaan van de inzet van het Groningenveld vervallen. Hierbij gaat het m et nam e om de artikelen in de Gaswet en Mijnbouwwet die zien op de voorbereiding, vaststelling en uitvoering van de operationele strategie en de m inimalisering van de gaswinning. Ten derde wordt voorzien in nieuwe bepalingen die nodig zijn in de situatie na sluiting. In de Mijnbouwwet wordt vastgelegd welke verplichtingen de vergunninghouder na sluiting nog heeft ten aanzien van het Groningenveld, te weten een zorgplicht en verplichtingen op het gebied van m onitoring van de seismische veiligheid. In fase 2 zullen ook de resterende wettelijke taken van GasTerra in en op grond van de Gaswet vervallen.
Door de sluiting van het Groningenveld hebben deze taken hun functie verloren. Nadat de gaswinning definitief is beëindigd kan ook voor de resterende productielocaties de procedure voor sluiting en verwijdering van de installaties in gang gezet worden. Dit wetsvoorstel heeft geen betrekking op dat proces. Verwijdering vindt plaats op basis van het proces dat reeds in en op grond van de Mijnbouwwet is en wordt geregeld. Op 26 januari 2021 is een wetsvoorstel tot wijziging van de Mijnbouwwet aangenomen door de Eerste Kam er op grond waarvan de regels en procedures voor het verwijderen en hergebruiken van m ijnbouwwerken worden verduidelijkt, aangevuld en geactualiseerd.24 3.2 Einde gaswinning 3.2.1 Einde inzet Groningenveld en operationele strategie Met dit wetsvoorstel komt er een definitief einde aan de gaswinning uit het Groningenveld. In een nieuw artikel 52c wordt expliciet bepaald dat uit het Groningenveld geen gas m eer wordt gewonnen. Tevens kom t er m et dit wetsvoorstel een einde aan de systematiek voor de vaststelling en uitvoering van de operationele strategie voor de inzet van het Groningenveld zoals die op grond van de Wet m inim aliseren gaswinning in de Gaswet en de Mijnbouwwet is opgenomen. De relevante onderdelen van artikel 10a van de Gaswet en de huidige artikelen 52c, 52d, 52e, 52f, en 52h van de Mijnbouwwet vervallen.
Tevens worden verwijzingen naar deze bepalingen uit de Gaswet en de Mijnbouwwet verwijderd evenals de overige bepalingen die m et de vaststelling en uitvoering van de operationele strategie samenhangen. Het betreft hier onder m eer de taken van de wettelijke adviseurs ten aanzien van de vaststelling van de operationele strategie. Ten slotte vervallen ook de bepalingen in de Gaswet en de Mijnbouwwet die m et de Wet m inimaliseren gaswinning zijn toegevoegd m et als doel om de m inimalisering van de gaswinning te faciliteren. Het einde van de inzet van het Groningenveld betekent niet dat heel hoofdstuk 4a van de Mijnbouwwet – dat bijzondere bepalingen voor het Groningenveld bevat – kan vervallen. Om fase 2 in goede banen te leiden blijft een deel van de bepalingen in dit hoofdstuk staan en wordt een aantal bepalingen gewijzigd. Ten eerste blijft artikel 52b gelden. Dit artikel expliciteert dat de systematiek die voor overige vergunninghouders geldt op grond van de artikelen 34, 35 en 36 van de Mijnbouwwet niet van toepassing is op het Groningenveld. Binnen die reguliere systematiek voor andere gasvelden dan het Groningenveld stelt de vergunninghouder een winningsplan op waarm ee de Minister m oet instemmen. Deze reguliere systematiek is voor het Groningenveld m et de Wet m inimaliseren
24 Wijziging van de Mijnbouwwet in verband met het verwijderen of hergebruiken van mijnbouwwerken en
investeringsaftrek, Kamerstukken I 2020/21, 35 462.
gaswinning verlaten en vervangen door een nieuwe besluitvormings- en sturingssystematiek waarbij de Minister een operationele strategie voor het Groningenveld vaststelt en de vergunninghouder verplicht is om die uit te voeren. Nu m et het voorliggende wetsvoorstel in fase 2 ook aan deze laatst geldende systematiek een einde komt, waardoor het veld in het geheel niet m eer inzetbaar zal zijn, is het vanzelfsprekend niet de bedoeling dat de oorspronkelijke reguliere systematiek op basis van de artikelen 34, 35 en 36 van de Mijnbouwwet voor het Groningenveld herleeft. Dit wordt m et de instandhouding van artikel 52b van de Mijnbouwwet voorkomen. Ten tweede heeft de instandhouding van artikel 52b als consequentie dat ook de algemene zorgplicht in artikel 33, die hoort bij de reguliere systematiek op basis van de artikelen 34, 35 en 36 van de Mijnbouwwet, niet herleeft. In plaats daarvan blijft de specifiek op het Groningenveld toegesneden zorgplicht, die m et de Wet m inimaliseren gaswinning in artikel 52g is opgenomen, in een bij fase 2 passende vorm gelden. Dit wordt hierna in paragraaf 3.3 nader toegelicht. Naast deze zorgplicht wordt bovendien in artikel 52g een grondslag opgenomen voor de Minister om bij m inisteriële regeling vast te leggen welke resterende verplichtingen de vergunninghouder na sluiting nog heeft op gebied van de m onitoring van de seismiciteit.
Dit wordt hierna in paragraaf 3.4 toegelicht. Ten slotte blijven de definities in artike l 52a van de Mijnbouwwet gelden die nog steeds zullen worden toegepast. 3.2.2 Verwijdering productielocaties Productielocaties waaruit geen gas m eer wordt gewonnen, m oeten op grond van artikel 44 Mijnbouwwet worden verwijderd. Dit betekent dat een productielocatie, nadat die uit gebruik is genomen, m oet worden ontmanteld. Deze verplichting is nader geregeld in het Mijnbouwbesluit. Op 26 januari 2021 heeft de Eerste Kam er een wetsvoorstel aangenomen tot wijziging van de Mijnbouwwet op grond waarvan de regels en procedures voor het verwijderen en hergebruiken van m ijnbouwwerken worden verduidelijkt, geactualiseerd en aangevuld. 25 Uitgangspunt daarbij is dat de vergunninghouder binnen een jaar nadat een m ijnbouwwerk niet m eer in werking is, een verwijderingsplan aan de Minister overlegt, tenzij daarvoor in verband m et m ogelijk hergebruik van (een deel van) het m ijnbouwwerk een ontheffing wordt verleend. In het verwijderingsplan wordt opgenomen hoe de installaties worden verwijderd en de boorgaten buiten gebruik worden gesteld, dus perm anent afgesloten worden. Het verwijderingsplan behoeft de instemming van de Minister. De vergunninghouder is verplicht om zich aan het verwijderingsplan te houden en daarover aan de Minister te rapporteren.
Deze verplichtingen gelden ook voor het Groningenveld. Het Groningenveld bestaat uit twintig productielocaties die zijn ingedeeld in zes verschillende clusters.26 Inm iddels is al begonnen aan de ontm anteling van de vijf al in 2018 buiten gebruik gestelde productielocaties in het Loppersum cluster. Ook de productielocaties Bierum, Siddeburen en Eemskanaal worden definitief niet m eer ingezet zodat de ontmanteling in gang kan worden gezet. De kom ende jaren wordt dit proces voortgezet. Naar verwachting worden vanaf gasjaar 2022-2023 nog slechts vijf van de oorspronkelijke twintig productielocaties operationee l gehouden. Met ingang van fase 2, als ook deze laatste productielocaties niet m eer nodig zijn en gaswinning uit het Groningenveld in het geheel niet m eer is toegestaan, zullen ook deze locaties worden ontmanteld en verwijderd. Dit m aakt het einde van de gaswinning uit het Groningenveld onomkeerbaar. 3.3 Zorgplicht 3.3.1 Huidige systematiek Binnen de huidige systematiek, die m et de Wet minimaliseren gaswinning is ingevoerd, beschikt uitsluitend de Minister over de sturingsmogelijkheden ten aanzien van de inzet van het Groningenveld. De Minister bepaalt im m ers jaarlijks hoeveel en op welke wijze er wordt gewonnen uit het Groningenveld.
De vergunninghouder heeft een winningsplicht, wat inhoudt dat de 25 Wijziging van de Mijnbouwwet in verband met het verwijderen of hergebruiken van mijnbouwwerken en
investeringsaftrek, Kamerstukken I 2020/21, 35 462. 26 Artikel 1.3a.1 Mijnbouwregeling.
vergunninghouder verplicht is om de operationele strategie en m aatregelen die de Minister vaststelt exact uit te voeren. De vergunninghouder heeft geen eigen sturingsmogelijkheden m eer. Tegelijkertijd is de systematiek die voor vergunninghouders geldt voor andere velden dan het Groningenveld op grond van de artikelen 34, 35 en 36 van de Mijnbouwwet voor het Groningenveld buiten toepassing gesteld (artikel 52b van de Mijnbouwwet). Binnen die reguliere systematiek stelt de vergunninghouder zelf een winningsplan op waarm ee de Minister m oet instemmen. Daarbij heeft de vergunninghouder zelf invloed op de te winnen hoeveelheid gas en heeft de Minister m inder sturingsmogelijkheden. In artikel 33 van de Mijnbouwwet wordt de algemene zorgplicht geregeld voor uitvoerders van m ijnbouwactiviteiten voor wie de reguliere systematiek op grond van artikel 34, 35 en 36 van de Mijnbouwwet geldt. In lijn m et het uitgangspunt dat vergunninghouders binnen de reguliere systematiek eigen sturingsmogelijkheden hebben, ziet de algem ene zorgplicht op het nemen van alle m aatregelen die in redelijkheid gevergd kunnen worden om te voorkomen dat door de winning schade of nadelige gevolgen worden veroorzaakt.
Deze brede zorgplicht in artikel 33 van de Mijnbouwwet past niet bij de systematiek voor het Groningenveld waarbij de vergunninghouder een winningsplicht heeft en m oet handelen overeenkomstig de door de Minister vastgestelde operationele strategie .27 De vergunninghouder heeft daarbij geen m ogelijkheden m eer om – zoals artikel 33 verplicht – nadelige gevolgen van gaswinning te voorkomen. Door m iddel van de Wet m inim aliseren gaswinning is daarom geregeld dat artikel 33 niet geldt voor het Groningenveld (artikel 52b van de Mijnbouwwet). Dit neem t uiteraard niet weg dat ook voor het Groningenveld geldt dat de vergunninghouder zo zorgvuldig en professioneel m ogelijk m oet handelen. Met de Wet m inimaliseren gaswinning is daarom in artikel 52g van de Mijnbouwwet e en zorgplicht opgenomen die is toegesneden op de systematiek voor het Groningenveld. Deze zorgplicht is als volgt opgebouwd. De Minister heeft m et de Wet m inimaliseren gaswinning het deel van de algem ene zorgplicht aan zich getrokken dat ziet op het voorkomen dat de veiligheid als gevolg van de gaswinning wordt geschaad (artikel 52g, derde lid).
Daarm ee heeft de overheid de verantwoordelijkheid voor de versterking op zich genomen en is een juridische basis voor de publieke aansturing en uitvoering van de versterkingsoperatie gecreëerd.28 Deze basis laat daarbij onverlet dat de verplichting om alle kosten voor schade en versterken te dragen bij de vergunninghouder blijft liggen.29 Op 13 oktober 2020 is het wetsvoorstel tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband m et de versterking van gebouwen in de provincie Groningen ingediend bij de Tweede Kam er.30 Op grond van dat wetsvoorstel wordt de juridische basis voor de versterkingsoperatie verankerd in de Tijdelijke wet Groningen. Daarbij vervalt artikel 52g, derde lid, van de Mijnbouwwet en wordt dezelfde inhoudelijke verantwoordelijkheid van de Minister – die blijft bestaan – opgenomen en nader uitgewerkt in de Tijdelijke wet Groningen. Aan de vergunninghouder zijn in artikel 52g, eerste, tweede en vierde lid, van de Mijnbouwwet specifieke zorgplichten ten aanzien van het Groningenveld opgelegd. Op grond van artikel 52g, eerste lid m oet de vergunninghouder de operationele strategie en een eventueel opgelegde tijdelijke m aatregel op zo’n m anier uitvoeren dat de nadelige gevolgen van de gaswinning zoveel m ogelijk worden beperkt.
In de Mijnbouwregeling zijn, ter uitvoering van artikel 52g, vijfde lid, van de Mijnbouwwet, nadere regels vastgelegd over de uitvoering van de operationele strategie. Meer specifiek voorziet de Mijnbouwregeling in verplichtingen voor de vergunninghouder om tijdens de uitvoering van de operationele strategie doorlopend bepaalde gegevens ten aanzien van de seism iciteit te m onitoren, analyseren en rapporteren aan de Minister en SodM. Artikel 52g, tweede lid, verplicht de vergunninghouder om als een zwaar ongeval zich voordoet, alle noodzakelijke m aatregelen te nemen om de gevolgen daarvan voor m ens en m ilieu te beperken. Hierbij kan niet alleen worden gedacht aan de werknemers die het mijnbouwwerk 27 Kamerstukken II 2017/18, 34 957, nr. 3 en Kamerstukken II 2017/18, 34 957, nr. 14, p. 11. 28 Kamerstukken II 2017/18, 34 957, nr. 3, p. 13. 29 Kamerstukken II 2017/18, 34 957, nr. 14. 30 Kamerstukken II 2020/21, 35 603.
opereren, m aar ook aan de bewoners in de om geving van het m ijnbouwwerk. De zorg voor de externe veiligheid rondom installaties is een verantwoordelijkheid van de vergunninghouder. Artikel 52g, vierde lid, bevat de zorgplicht voor de vergunninghouder om ook na beëindiging van de gaswinning alle m aatregelen te treffen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om nadelige gevolgen van de gaswinning uit het Groningenveld zoveel m ogelijk te beperken. In dit kader rust op de vergunninghouder na beëindiging van de gaswinning in ieder geval de verplichting om een verwijderingsplan voor de resterende productielocaties op te stellen en de verantwoordelijkheid om de locaties op een ve rantwoorde en veilige wijze te af te sluiten. Door de buitentoepassingstelling van artikel 33 kan de vergunninghouder niet langer strafrechtelijk worden vervolgd voor overtreding van dit artikel op grond van de Wet economische delicten. Dit neem t niet weg dat het toezicht op de vergunninghouder en de m ogelijkheid om de vergunninghouder strafrechtelijk te vervolgen door m iddel van de Wet m inim aliseren gaswinning is behouden in een op de systematiek voor het Groningenveld aangepaste vorm.
Bij overtreding van de specifieke zorgplicht op grond van artikel 52g kan jegens de vergunninghouder handhavend worden opgetreden langs bestuursrechtelijke weg door de inspecteur-generaal der m ijnen, bijvoorbeeld door het opleggen van een last onder dwangsom. Daarnaast is overtreding van de verplichting om de operationele strategie uit te voeren strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten. De inspecteur-generaal der m ijnen kan een overtreding bij het Openbaar Ministerie m elden en het is dan aan het Openbaar Ministe rie om te besluiten over vervolging.31 3.3.2 Zorgplicht van de vergunninghouder na beëindiging van de gaswinning uit het Groningenveld (in fase 2) Zoals in paragraaf 3.2 is toegelicht, komt m et dit wetsvoorstel in fase 2 een einde aan de gaswinning en aan de systematiek voor de voorbereiding, vaststelling en uitvoering van de operationele strategie voor de inzet van het Groningenveld. Daarm ee komt er ook een einde aan de verplichting voor de vergunninghouder om de operationele strategie en een eventueel opgelegde tijdelijke m aatregel uit te voeren (de winningsplicht). In het verlengde daarvan vervalt ook de specifieke zorgplicht in artikel 52g, eerste lid, om de operatio nele strategie en een eventueel opgelegde tijdelijke m aatregel op zo’n m anier uitvoeren dat de nadelige gevolgen van de gaswinning zoveel m ogelijk worden beperkt.
Ook vervalt de verplichting om de operationele strategie uit te voeren conform de op grond van artikel 52g, vijfde lid, in de Mijnbouwregeling opgenomen regels. Tegelijkertijd zal de algem ene zorgplicht van artikel 33 Mijnbouwwet niet herleven. De algem ene zorgplicht van artikel 33 geldt im m ers in sam enhang met de reguliere systematiek van de artikelen 34, 35 en 36 van de Mijnbouwwet die eveneens niet herleeft. Bovendien zou ook inhoudelijk de naleving van artikel 33 voor de vergunninghouder op voorhand voor een belangrijk deel onmogelijk zijn. Ten eerste omdat artikel 33 uitgaat van de voorzorgmaatregelen die een vergunninghouder treft bij de winning en de aannam e dat de vergunninghouder sturingsmiddelen heeft om nadelige gevolgen van gaswinning te voorkomen. Dat past nu al niet m eer bij de systematiek voor het Groningenveld en zal te m eer in fase 2, wanneer de winning geheel is gestopt, niet m eer passend zijn. Bovendien geldt dat het deel van artikel 33 van de Mijnbouwwet dat ziet op de verantwoordelijkheid voor de veiligheid als basis voor de versterkingsoperatie voor wat betreft het Groningenveld inmiddels bij de overheid is belegd. Ook in dit opzicht past de toepassing van artikel 33 voor het Groningenveld niet bij fase 2. Dit neem t niet weg dat de vergunninghouder ook in fase 2 een resterende zorgplicht behoudt.
De zorgplicht zoals in 2018 is opgenomen in artikel 52g, vierde lid, zal in fase 2 blijven gelden. Het betreft de verplichting om ook na beëindiging van de gaswinning alle m aatregelen te treffen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om nadelige gevolgen van de gaswinning uit het Groningenveld zoveel m ogelijk te beperken. Deze resterende zorgplicht ziet in ieder geval op het nem en van alle concrete redelijkerwijs m ogelijke maatregelen om de gaswinning op een veilige wijze af te sluiten . Hieronder valt in de eerste plaats het opstellen en uitvoeren van een verwijderingsplan. De zogenoemde abandonneringsactiviteiten m oeten op zorgvuldige wijze worden uitgevoerd zonder dat daardoor 31 Kamerstukken I 2018/19, 34 957, nr. E.
schade ontstaat. Daarnaast ziet de resterende zorgplicht ook op het adequaat en zorgvuldig handelen in situaties m et (m ogelijke) nadelige consequenties, zoals bij lekkage of bodemverontreiniging bij productielocaties. De inspecteur-generaal der m ijnen houdt toezicht op de naleving van deze zorgplicht. Net als de voor de huidige zorgplicht op grond van de Wet m inim aliseren gaswinning, geldt ook voor de resterende zorgplicht waarin dit wetsvoorstel voorziet dat de niet-nakoming daarvan geen overtreding is in de zin van Wet economische delicten. Dat neem t niet weg dat ook in fase 2 de m ogelijkheid om de vergunninghouder strafrechtelijk te vervolgen blijft bestaan in zoverre dat overtreding van de bepalingen inzake het verwijderen van m ijnbouwwerken strafbaar is op grond van de Wet economische delicten. Daarin is in de Wet economische delicten reeds voorzien. Ten slotte is het wenselijk dat de inform atie en kennis die de vergunninghouder heeft opgebouwd ten aanzien van het Groningenveld behouden en beschikbaar blijft voor de m onitoring van seism iciteit na beëindiging van de gaswinning. Dit valt niet onder de resterende zorgplicht ex artikel 52g, vierde lid, als hiervoor om schreven. Het beschikbaar stellen, borgen en toepassen van deze inform atie en kennis is im m ers niet een maatregel waarm ee de vergunninghouder de gevolgen van gaswinning eigenstandig kan beperken.
In artikel 52g wordt daarom in een nieuw apart onderdeel geregeld dat de vergunninghouder ten behoeve van het verkrijgen van inzicht in de ontwikkeling van de seismiciteit, de reservoirdruk en de bodemdaling m et betrekking tot het Groningenveld, m etingen en daarbij behorende analyses verricht en gegevens hierover verstrekt. De Minister kan daarover bij m inisteriële regeling nadere regels stellen. Dit wordt hierna in paragraaf 3.4 nader toegelicht. 3.4 Monitoring van de veiligheidssituatie als gevolg van bodembeweging In fase 2 is het Groningenveld definitief dicht en wordt geen van de productielocaties meer gebruikt voor gaswinning. Desondanks wordt verwacht dat nog gedurende een langere tijd veranderingen in de reservoirdruk zullen plaatsvinden als gevolg van de gaswinning in het verleden (drukvereffening). Hierdoor zullen ook nog enige tijd na sluiting aardbevingen plaatsvinden – zij het m et een naar verwachting afnemende m agnitude en frequentie . Deze lange na-ijleffecten zijn specifiek voor het Groningenveld en voor het kabinet de aanleiding om de m onitoring van deze effecten ook specifiek te regelen.
3.4.1 Huidige systematiek Op grond van de Mijnbouwwet wordt de bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld (seism iciteit veroorzaakt door gaswinning, ook wel geïnduceerde seismiciteit genoemd, en bodemdaling) op dit m oment op verschillende m anieren nauwkeurig, zorgvuldig en onafhankelijk gem onitord. Er is een algem ene verplichting voor het m eten van bodembeweging bij de winning van delfstoffen. Artikel 41 van de Mijnbouwwet bepaalt dat m et het oog op de kans op beweging van de aardbodem m etingen worden verricht voor aanvang van de winning, tijdens de winning en tot dertig jaar na beëindiging van de winning. Deze algem ene verplichting, die ook geldt voor het Groningenveld, is uitgewerkt in de artikelen 30 en 31 van het Mijnbouwbesluit. De m etingen worden conform een m eetplan uitgevoerd en betreffen zowel m etingen van seismiciteit als bodemdaling. De inspecteurgeneraal der m ijnen houdt toezicht op de uitvoering van het m eetplan. Voor de uitvoering van de m eetverplichting ten aanzien van seismiciteit m aakt de vergunninghouder op basis van een publiek-private samenwerking gebruik van het seismisch m eetnetwerk van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (hierna: KNMI). 32 Naast de algem ene verplichting voorziet de Mijnbouwwet op dit m oment tevens in specifieke aanvullende vorm en van m onitoring ten aanzien van het Groningenveld.
Deze zijn gekoppeld aan de onderbouwing en uitvoering van de operationele strategie. Ter onderbouwing van de operationele strategie wordt een seismische dreigings- en risicoanalyse verstrekt (artikel 52c,
32 De rollen en verantwoordelijken binnen deze samenwerking, waarin ook het ministerie van EZK en het
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zijn betrokken als opdrachtgevers, zijn nader toegelicht in Kamerstukken II 2020/21, 33 529, nr. (volgt).
vierde lid, van de Mijnbouwwet). De seism iciteit wordt tijdens de uitvoering van de operationele strategie gemonitord op basis van verplichtingen vastgelegd in de Mijnbouwregeling, op grond van artikel 52g, vijfde lid, van de Mijnbouwwet. Ook voorziet de Mijnbouwregeling in een analyse - en rapportageplicht gericht op de ontwikkeling van de seismiciteit en hoe dit vergelijkt m et de risicoanalyse verstrekt ter onderbouwing van de operationele strategie. Deze rapportage wordt opgesteld ten genoegen van de Minister en de inspecteur-generaal der m ijnen. 3.4.2 Monitoring na beëindiging van de gaswinning uit het Groningenveld Zoals in paragraaf 3.2.1 is toegelicht, vervallen in fase 2 de bepalingen die zien op de vaststelling en uitvoering van de operationele strategie. Hierm ee vervallen ook de bepalingen die zien op specifieke monitoring van het Groningenveld, gekoppeld aan de operationele strategie. Er zal niet langer een dreigings- en risicoanalyse nodig zijn ten behoeve van de vaststelling van de operationele strategie. Ook de verplichting om de operationele strategie uit te voeren conform de op grond van artikel 52g, vijfde lid, in de Mijnbouwregeling opgenomen regels vervalt. Dit neem t niet weg dat ook na beëindiging van de gaswinning de m onitoring van de bodembeweging voor het Groningenveld van belang blijft en geborgd wordt.
Gelet op de historische seismiciteit en het gegeven dat ook na de definitieve sluiting van het Groningenveld er nog enige tijd aardbevingen zullen optreden, acht het kabinet van belang om inzicht te hebben in het veiligheidsrisico voor omwonenden. Dit inzicht wordt ten eerste geborgd doordat de vergunninghouder op grond van artikel 41 van de Mijnbouwwet, dat ongewijzigd blijft en ook geldt voor het Groningenveld, tot dertig jaar na beëindiging van de winning m etingen m oet blijven verrichten ten aanzien van de seismiciteit en bodemdaling. In aanvulling daarop geldt dat KNMI in opdracht van het m inisterie van EZK de geïnduceerde seismiciteit blijft m onitoren. Aardbevingen zullen dus door het KNMI-m eetnetwerk geregistreerd blijven worden en de bodemdaling zal conform het meetplan Noord-Nederland worden gemonitord. Daarnaast acht het kabinet van belang om aanvullend specifiek inzicht te hebben in de verwachte bodembeweging ten aanzien van het Groningenveld. Het gaat hierbij onder m eer om het inzicht of de drukvereffening en daarm ee ook de seismiciteit verloopt conform de verwachtingen. Dit inzicht is nodig om het resterende risico voor omwonenden goed in beeld te houden. Voor dat doel zijn periodieke analyses van de waargenomen seismiciteit nodig. Het kabinet acht het passend dat de vergunninghouder daarbij ook een verantwoordelijkheid houdt.
Met dit wetsvoorstel wordt in artikel 52g, tweede lid, van de Mijnbouwwet bepaald dat de vergunninghouder na beëindiging van de gaswinning ten behoeve van het verkrijgen van inzicht in de ontwikkeling van de reservoirdruk, de seismiciteit en de bodemdaling m et betrekking tot het Groningenveld, m etingen en daarbij behorende analyses verricht en hierover rapporteert. Met nam e in de situaties dat de drukontwikkeling dan wel de ontwikkeling van seismiciteit afwijkt van de verwachtingen, is het noodzakelijk dat er analyses worden uitgevoerd. Bij m inisteriële regeling kunnen eisen worden gesteld ten aanzien van de inhoud en frequentie van deze m etingen en analyses, evenals de termijn waarin dit noodzakelijk is. Dit wetsvoorstel bepaalt ook dat de vergunninghouder alle gegevens m oet verstrekken die benodigd zijn voor het verrichten van de analyses in opdracht van de Minister (artikel 52g, derde lid, van de Mijnbouwwet). De Minister kan, ook na het vervallen van de grondslag en noodzaak om een dreigings- en risicoanalyse op te laten stellen ten behoeve van de operationele strategie, nog steeds een partij (zoals TNO) de opdracht geven om een dreigings- en risicoanalyse uit te laten voeren. Hiervoor zijn actuele gegevens over het Groningenveld nodig. Naast gegevens over de bodembeweging zijn dit gegevens over de ontwikkeling van de reservoirdruk.
De vergunninghouder is op grond van de Mijnbouwwet reeds verplicht om gegevens conform het m eetplan, dat is goedgekeurd door de inspecteur-generaal der m ijnen, te rapporteren. Dit wetsvoorstel voorziet erin dat de vergunninghouder deze gegevens beschikbaar dient te stellen aan de partij die in opdracht van de Minister een analyse uitvoert. Bij m inisteriële regeling kunnen ook ten aanzien van deze verplichting voor de vergunninghouder om gegevens te verstreken nadere regels worden gesteld.
Aan deze verplichtingen is in artikel 52g bewust geen termijn verbonden. In dit stadium is im m ers nog niet te zeggen hoelang het nodig zal zijn om de specifieke situatie rondom de bodembeweging ten aanzien van het Groningenveld te blijven m onitoren. 3.5 GasTerra GasTerra is een besloten vennootschap m et als aandeelhouders de Staat 50% (Ministerie van EZK 10% en Energie Beheer Nederland (EBN) 40%), Shell 25% en ExxonMobil 25%. De kern van deze publiek-private sam enwerking is de verkoop van Groningengas door GasTerra in sam enhang met de inkoop van gas uit de kleine velden als de kleine veldenproducent daarom vraagt . De Gaswet en daarop gebaseerde regelingen bevatten een aantal bepalingen die zien op de taken voor GasTerra. Met de beëindiging van de gaswinning uit het Groningenveld komt de kernactiviteit van GasTerra als verkoopkantoor van het Groningengas te vervallen. Dit vooruitzicht is de reden om de activiteiten van GasTerra geleidelijk af te bouwen en de onderneming op termijn te beëindigen.33 Het is een complex, m eerjarig traject dat m ogelijk niet synchroon zal lopen m et de afbouw en definitieve stop van de gaswinning uit Groningen. De eerste stappen in dit traject zijn reeds gezet.
Zo wordt in een lopende wijziging 34 van de Mijnbouwwet tevens een aantal artikelen uit de Gaswet geschrapt die verband houden m et de verplichting voor GasTerra om gas af te nem en van de producenten van kleine velden gas als die daarom vragen, de zogeheten kleine veldentaak van GasTerra. Dit wetsvoorstel voorziet erin dat ook de overige taken van GasTerra kom en te vervallen. Ten eerste vervalt de aanbiedingsplicht die GasTerra heeft ten behoeve van de wettelijke taak van de netbeheerder van het landelijk gastransportnet (artikel 10a, derde lid, van de Gaswet). Ten tweede vervalt de aanbiedingsplicht die GasTerra heeft ten behoeve van de pieklevering (artikel 2, zesde lid, Besluit leveringszekerheid Gaswet). Het m oment waarop deze laatste taken van GasTerra kom en te vervallen m oet bezien worden in relatie m et het m oment dat de gaswinning uit Groningen definitief wordt beëindigd, en wordt daarnaast beïnvloed door de borging van de leveringszekerheid in aanloop naar en na sluiting van het Groningenveld (zie ook paragraaf 3.6 hierna). 3.6 Leveringszekerheid na sluiting In de afgelopen jaren is Nederland met het terugdringen van de gaswinning uit Groningen meer en m eer een land geworden dat voor zijn gas afhankelijk is van im port, iets dat van oudsher al geldt voor vrijwel alle andere EU-lidstaten.
Met de definitieve beëindiging van de gaswinning uit het Groningenveld wordt deze situatie bestendigd. Dit, gecombineerd m et het wegvallen aanbiedingsplicht van GasTerra (zie paragraaf 3.5), roept m ogelijk de vraag op wat dit betekent voor de leveringszekerheid. In de afgelopen jaren is het steeds verder wegvallen van de gaswinning uit Groningen zonder problemen opgevangen door de m arkt. De Nederlandse gasmarkt heeft zich in ontwikkeld tot de best functionerende en m eest liquide gasm arkt van de EU zoals blijkt uit rapportages van ACER, he t Europese agentschap voor de sam enwerking tussen energieregulators.35 Uit diverse bronnen wordt gas naar Nederland aangevoerd, zowel via pijpleidingen als in de vorm van LNG. Het verhandeld volum e is vele m alen groter dan het verbruikt volum e en ook het fysiek geleverd volume is groter dan het verbruikt volum e. Daarnaast is in de afgelopen jaren gebleken dat de m arkt en m arktpartijen de sterk teruggelopen Nederlandse gaswinning als gevolg van de diverse Groningenbesluiten en het teruglopende aanbod van kleine velden gas zonder problemen hebben opgevangen. Er is geen reden om aan te nem en dat deze situatie op afzienbare termijn zal wijzigen. De overgang van decennialange netto-exporteur van gas naar netto-im porteur is rim pelloos verlopen.
Dat geldt ook m eer specifiek voor laagcalorisch gas, het gas dat door vrijwel alle Nederlandse huishoudens wordt gebruikt. Tussen nu en 2030 wordt de export van laagcalorisch gas volledig afgebouwd en zal het aantal gebruikers van laagcalorisch gas in Nederland in die perio de en in de
33 Kamerstukken II 2019/20, 33 529, nr. 691. 34 Kamerstukken II 2020/21, 35 462, nr. 7. 35 ACER Market Monitoring Report 2019 – Gas Wholesale Market Volume, 23 september 2020 (zie:
https://www.acer.europa.eu/).
jaren daarna afnem en als gevolg van de energietransitie naar andere, duurzam e vormen van energie. Daarm ee zijn de stikstofinstallaties en de nog beschikbare opslagen voor laagcalorisch gas in staat om te voorzien in de vraag naar laagcalorisch gas zonder dat extra m aatregelen nodig zijn. Dit alles is in lijn m et de EU-wetgeving voor de interne markt voor gas en m eer in het bijzonder de EU-verordening leveringszekerheid aardgas die stelt dat een goed functionerende interne gasmarkt de beste waarborg is voor leveringszekerheid en dat het in de eerste plaats aardgasbedrijven zijn die verantwoordelijk zijn voor leveringszekerheid.36 Dit geheel overziend zijn aanvullende m aatregelen op het gebied van leveringszekerheid thans niet nodig. Wel zal op dit punt de vinger aan de pols worden gehouden. Zoals aangekondigd in de Kam erbrief van 9 februari 2021 over strategische afhankelijkheden in het energie-domein 37, is het voornemen om in sam enwerking m et GTS de huidige rapportage gasvoorzieningszekerheid, die onderdeel vorm t van het tweejaarlijkse investeringsplan van GTS, uit te breiden en een eigenstandig karakter te geven, zodat op regelmatige basis een helder inzicht kan worden verkregen in de Nederlandse gasleveringszekerheid. 4.
Verhouding met Europese en nationale wet- en regelgeving 4.1 EVRM 4.1.1 Algemeen Ten grondslag aan de Wet m inim alise ren gaswinning lag het eerder genoemde kabinetsbesluit van 29 m aart 2018 om de gaswinning uit het Groningenveld zo snel als m ogelijk te beëindigen. Dit wetsvoorstel vorm t het sluitstuk op de weg die is ingeslagen met d ie wet. Zoals de m emorie van toelichting bij dat wetsvoorstel beschrijft, hebben de gevolgen van de gaswinning uit het Groningenveld een grote im pact op het dagelijks leven van de inwoners van de regio. Het uiteindelijke kabinetsdoel was het volledig beëindigen van de gaswinning uit het Groningenveld. Het voorliggende wetsvoorstel brengt dit doel, eerder dan verwacht, dichterbij. De verhouding van dit wetsvoorstel m et het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de m ens en de fundam entele vrijheden (hierna: EVRM) kom t zeer overeen met de verhouding zoals deze is beschreven in de m emorie van toelichting bij de Wet m inimaliseren gaswinning. De belangenafweging is ook voor een groot deel hetzelfde. Daarom zal in deze toelichting gebruik worden gemaakt van en verwezen worden naar de m emorie van toelichting bij eerdergenoemde wet.
Ook in dit wetsvoorstel kunnen er twee categorieën grondrechten worden onderscheiden: de grondrechten van de bewoners van het aardbevingsgebied en het eigendomsrecht van de vergunninghouder als vergunninghouder en eigenaar van het gas in het Groningenveld. Hieronder zullen deze grondrechten verder worden uitgewerkt. 4.1.2 Grondrechten van de bewoners van het aardbevingsgebied Om dat dit wetsvoorstel het sluitstuk vorm t op de Wet minimaliseren gaswinning uit het Groningenveld wordt voor een uitgebreide beschrijving van de grondrechten van de bewoners van het aardbevingsgebied verwezen naar de m emorie van toelichting bij dat wetsvoorstel. Kortgezegd zijn van belang de artikelen 2 en 8 van het EVRM en artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM. Op grond van artikel 2 EVRM rust op de staat als verdragsstaat bij het EVRM de verplichting om passende maatregelen te nemen om de levens van degenen binnen zijn rechtsmacht te beschermen. Voor de toepassing van artikel 2 EVRM geldt dat de staat een ruim e beoordelingsmarge heeft. In de Wet m inimaliseren gaswinning leverde deze beoordelingsmarge het besluit om niet m eer gas te winnen dan nodig was om te voldoen aan de leveringszekerheid. Groningengas is steeds minder nodig om te kunnen voldoen aan de levering szekerheid.
Dit wetsvoorstel regelt bovendien de situatie dat gas uit het Groningenveld niet m eer nodig is voor de leveringszekerheid. Op dat m om ent is er geen zwaarwegende reden m eer om door te gaan m et de winning uit het Groningenveld. De beoordelingsmarge die de staat heeft onder artikel 2 EVRM leidt er dan toe dat er een eind wordt gemaakt aan de gaswinning uit het Groningenveld.
36 Verordening (EU) 2017/1938 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gasleveringszekerheid. 37 Zie https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2021Z02711&did=2021D05919 .
Ook onder artikel 8 EVRM heeft de staat een ruim e beoordelingsmarge. Artikel 8 EVRM beschermt het recht op een privé- en gezinsleven, woning en correspondentie, gezamenlijk ook wel aangeduid als de persoonlijke levenssfeer. Zoals hierboven bij de bespreking van de grondrechten op grond van artikel 2 EVRM aan de orde is gekomen, is er binnenkort geen gas uit het Groningenveld m eer nodig om de leveringszekerheid te waarborgen. Daarom leidt de positieve verplichting die op de staat rust uit hoofde van artikel 8, net als artikel 2 EVRM, ertoe dat de gaswinning uit het Groningenveld wordt beëindigd. Hetzelfde geldt ook voor de positieve verplichting van de staat op grond van artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM. Op grond van dit artikel heeft de staat de verplichting eigendom te beschermen. Concreet betekent dit dat de vraag is of Nederland voldoende m aatregelen heeft getroffen ten aanzien van de gevolgen van gaswinning door de vergunninghouder voor eigendommen van anderen. Met de Wet m inimaliseren gaswinning heeft de staat alle m ogelijke m aatregelen genomen om de winning zo snel m ogelijk te stoppen en tegelijkertijd de leveringszekerheid te waarborgen. Dit wetsvoorstel regelt de situatie dat er geen volume uit het Groningenveld meer nodig is (fase 1) en daarna de situatie dat het Groningenveld gesloten wordt (fase 2).
Dit wetsvoorstel is het sluitstuk van de afbouw van de gaswinning en garandeert dat er nooit m eer gewonnen zal worden. Daarm ee doet het recht aan de rechten van de bewoners op grond van artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM, evenals de rechten op grond van artikelen 2 en 8 EVRM. 4.1.3 Eigendomsrecht van de vergunninghouder Waar de Wet m inim aliseren gaswinning beperkingen stelde aan de vrijheid van de vergunninghouder om te beschikken over het gas waarvan de vergunninghouder eigenaar is, is het sluitstuk van dit traject de in dit wetsvoorstel opgenomen fase 2. Vanaf het m om ent dat fase 2 van kracht wordt, zal geen winning uit het Groningenveld m eer kunnen plaatsvinden. Over de afbouw van de gaswinning uit het Groningenveld en de beëindiging van de winning zijn destijds afspraken gem aakt in het Akkoord op Hoofdlijnen (hierna: AoH). Met de vergunninghouder en eigenaar van het gas uit het Groningenveld is afgesproken dat de gaswinning uit het Groningenveld op zo kort m ogelijke termijn volledig wordt beëindigd en dat de Staat voortaan het winningsniveau en de voorwaarden die van invloed zijn op de seismische activiteit zal vaststellen en dat dit wettelijk verankerd wordt. De wettelijke verankering heeft plaatsgevonden m et de Wet minimaliseren gaswinning. Dit wetsvoorstel is een verdere uitwerking van de afspraken die in het AoH zijn gem aakt.
In het AoH zijn m eerdere afspraken gemaakt over de (gevolgen van de) afbouw en beëindiging van de winning, waarbij rekening is gehouden m et de belangen van de vergunninghouder en waarm ee de vergunninghouder (m iddels zijn aandeelhouders) heeft ingestemd. Met de voorgestelde bepalingen is derhalve niet opnieuw sprake van een inm enging in het eigendomsrecht. Aan de voorwaarden van artikel 1 Eerste Protocol EVRM, welke het eigendomsrecht beschermt, is reeds voldaan. Met het voorgestelde verbod om nog gas uit het Groningenveld te halen waardoor de vergunninghouder en eigenaar van het gas niet m eer kan beschikken over dit g as, wordt reeds rekening gehouden in het AoH. In de afspraken die hierover in het AoH zijn gem aakt, worden de belangen van de vergunninghouder en eigenaar van het gas geborgd. Dit wetsvoorstel is een logisch gevolg van het besluit en de afspraak om de win ning uit het Groningenveld zo snel als m ogelijk te beëindigen en vormt de uiteindelijke afhechting hiervan. Met de Wet m inim aliseren gaswinning werd verankerd dat er niet m eer Groningengas mocht worden gewonnen dan om te voldoen aan de belangen van leveringszekerheid. Tegelijkertijd is een traject ingezet om de vraag naar Groningengas naar beneden te krijgen, m et als uiteindelijk doel om te stoppen m et de winning van Groningengas uiterlijk in 2030.
De bepaling in de Mijnbouwwet dat in de zogenaam de fase 2 uit het Groningenveld geen gas m eer m ag worden gewonnen stelt zeker dat het Groningenveld nooit meer kan worden ingezet en is een logische aanvulling op het besluit en afspraak om de winning van gas uit het Groningenveld te beëindigen.
4.2 Verhouding Europees recht 4.2.1 Mijnbouwregelgeving De Europese Unie kent een interne energiemarkt, die hoofdzakelijk gericht is op elektriciteit en gas. Over m ijnbouw zijn weinig richtlijnen en verordeningen vastgesteld. De belangrijkste richtlijnen betreffen afvang en opslag van kooldioxide (Richtlijn 2009/31/EG van het Europees parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees parlement en de Raad) en de veiligheid van offshore m ijnbouwinstallaties (richtlijn 2013/30/EU van het Europees parlem ent en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van richtlijn 2004/35/EG). Daarnaast vallen m ijnbouwactiviteiten onder de reikwijdte van Richtlijn 2004/35/EG van het Europees parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende m ilieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van m ilieuschade. Voor het overige is de regulering van m ijnbouwactiviteiten een aangelegenheid van de lidstaten.
4.2.2 Verordening leveringszekerheid De Verordening (EU) 2017/1938 van het Europees parlement en de Raad van 25 oktober 2017 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gasleveringszekerheid en houdende intrekking van Verordening (EU) nr. 994/2010 (PbEU 2017, 280) (hierna: verordening leveringszekerheid) schrijft voor dat iedere lidstaat gepaste m aatregelen neemt om de gevolgen te beheersen van een eventueel tekort aan aardgas. Dit tekort kan veroorzaakt worden voor zowel een onderbreking in de gaslevering als een uitzonderlijk hoge vraag. Het borgen van de leveringszekerheid is volg ens de verordening een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de aardgasbedrijven, lidstaten en de Europese Commissie. De prim aire verantwoordelijkheid ligt bij de aardgasbedrijven. Indien de m arkt zijn rol niet m eer kan vervullen m et als gevolg dat er onvo ldoende gas in een land is om te voldoen aan de vraag, m ogen lidstaten maatregelen nemen om in ieder geval de gaslevering aan beschermde afnemers zoals huishoudens zeker te stellen. In dat kader verplicht de verordening lidstaten en de netbeheerders van de landelijk gastransportnetten samen te werken en voorziet de verordening in een solidariteitsverplichting: lidstaten m oeten elkaar bijstaan bij een tekort aan gas. Daarnaast m oeten preventieve plannen en noodplannen worden opgesteld.
Uitgangspunt van dit wetsvoorstel is dat de winning van gas uit het Groningenveld niet m eer nodig zal zijn bij het voorzien in de vraag naar laagcalorisch gas. Daarom is het niet m eer nodig om het Groningenveld open te houden op het m oment dat het veld niet m eer nodig is om te kunnen voldoen aan de leveringszekerheid. Daarm ee past dit wetsvoorstel binnen de verordening leveringszekerheid omdat deze verordening het aan de lidstaten laat om invulling te geven aan de wijze waarop wordt voorzien in de behoefte aan gas. 4.2.3 Notificatie Het wetsvoorstel bepaalt dat de houder van de winningsvergunning Groningenveld geen gebruik m ag m aken van zijn winningsvergunning. Dit valt onder de reikwijdte van richtlijn 2006/123/EG van het Europees parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne m arkt. Het wetsvoorstel zal na aanvaarding door de Tweede Kam er bij de Europese Commissie worden genotificeerd. 4.3 Nationale wet- en regelgeving 4.3.1 Burgerlijk Wetboek In artikel 6:177 van het Burgerlijk Wetboek is voor m ijnbouwactiviteiten bepaald dat de exploitant risicoaansprakelijk is voor de schade die een gevolg is van bodembewegingen door m ijnbouwactiviteiten.
In de Wet m inim aliseren gaswinning uit het Groningenveld is ten behoeve van de rechtszekerheid opgenomen dat artikel 6:178, onderdeel c, van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is (destijds artikel 52f, tweede lid, van de Mijnbouwwet). In artikel 6:178, onderdeel c, van het Burgerlijk Wetboek is opgenomen dat er geen risicoaansprakelijkheid bestaat
indien de schade is veroorzaakt uitsluitend door voldoening aan een bevel of dwingend voorschrift van de overheid. Deze voorziening is destijds getroffen in afwachting van een m eer definitieve voorziening voor de publieke afhandeling van schade als gevolg van bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld en de gasopslag Norg. Inm iddels is via de Tijdelijke wet Groningen voorzien in een dergelijke grondslag. Het tweede lid van artikel 52f van de Mijnbouwwet is langs die weg ook kom en te vervallen. Voor m eer informatie over de verhouding met het Burgerlijk Wetboek wordt verwezen naar de toelichting op het wetsvoorstel van de Tijdelijke wet Groningen, in het bijzonder paragraaf 3.4 38. Met het wegvallen van de winning blijft de huidige en enige houder van de winningsvergunning aansprakelijk voor schade door beweging van de bodem. Artikel 6:177, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat ook na het sluiten van het m ijnbouwwerk de laatste exploitant aansprakelijk is voor de schade die ontstaat na het sluiten van het m ijnbouwwerk. Dit wetsvoorstel verandert daar niets aan. 4.3.2 Wet op de economische delicten In aanvulling op in paragraaf 3.3.1 reeds is opgemerkt, nog het volgende over de verhouding m et de Wet op de economische delicten.
Met de invoering van de nieuwe systematiek rondom de winning uit het Groningenveld is ook de overtreding van een aantal van de nieuwe wetsartikelen in de Mijnbouwwet strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten. Met het wegvallen van de strafbaar gestelde artikelen dient ook de strafbaarstelling te vervallen, dat gebeurt m et dit wetsvoorstel. Om dat de bepalingen in het huidige voorstel niet van dien aard zijn dat ze via de Wet op de economische delicten strafbaar gesteld dienen te worden, worden er geen nieuwe artikelen via de Wet op de economische delicten strafbaar gesteld. 5. Regeldruk en andere bedrijfseffecten Dit wetsvoorstel heeft administratieve gevolgen voor de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, de rechtspersoon bedoeld in artikel 54, eerste lid, Gaswet, en de vergunninghouder. De wijzigingen die ingaan in respectievelijk fase 1 en fase 2 hebben andere gevolgen voor de regeldruk en worden daarom separaat behandeld.
De hiernavolgende tarieven voor de netbeheerder van het landelijk gastransportnet en de vergunninghouder kom en voort uit de beschrijving van de regeldrukeffecten van de wet van 17 oktober 2018 tot wijziging van de Gaswet en van de Mijnbouwwet betreffende het m inimaliseren van de gaswinning uit het Groningenveld.39 De tarieven voor de rechtspersoon bedoeld in artikel 54, eerste lid, Gaswet zijn afgeleid uit het Handboek Meting Regeldrukkosten. 5.1 Regeldrukeffecten in fase 1 Netbeheerder van het landelijk gastransportnet In fase 1 wijzigen enkele artikelen van de Gaswet, waarvan één wijziging zal leiden tot regeldrukeffecten voor de netbeheerder van het landelijk gastransportnet. In totaal wordt een periodieke regeldruk van 368 euro per jaar verwacht. De onderhavige wijziging legt in de Gaswet de zogenoemde bac k-up taak van GTS vast. Deze taak houdt in dat de netbeheerder van het landelijk gastransportnet een aanwijzing geeft aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 10a, achttiende lid van de Gaswet, tot het nem en van m aatregelen m et betrekking tot de inzet van het Groningenveld (artikel 10a, twaalfde lid). De m ogelijkheid tot het geven van een dergelijke aanwijzing bestaat al, m aar is vooralsnog alleen geregeld op niveau van de technische gascodes op grond van de Gaswet. 40 Het vastleggen van
38 Tijdelijke maatregelen inzake een publiekrechtelijke aanpak van de gevolgen van bodembeweging door
gaswinning uit het Groningenveld en de gasopslag bij Norg (Tijdelijke wet Groningen), Kamerstukken II 2018/19, 35 250, nr. 3. 39 Kamerstukken II 2017/18, 34 957, nr. 3. 40 Transportcode Gas-LNB.
deze m ogelijkheid in de Gaswet geeft daarom geen nieuwe regeldrukeffecten. In lagere wet- en regelgevel wordt vastgelegd in welke situaties GTS een aanwijzing m ag geven. Nieuw is de m eldplicht die de netbeheerder van het landelijk gastransportnet heeft bij het geven van een aanwijzing aan de rechtspersoon, bedoeld in het achttiende lid van de Gaswet. Om inzicht over de inzet van het Groningenveld te waarborgen en handhaving te verscherpen, heeft de netbeheerder van het landelijk gastransportnet een m eldplicht aan ACM, de vergu nninghouder en de Minister bij het geven van een aanwijzing aangaande de inzet van het Groningenveld (artikel 10a, dertiende lid). In de huidige situatie is het reeds mogelijk dergelijke aanwijzingen te geven conform de regels vastgesteld in technische gas codes op grond van de Gaswet 41, m aar is er geen m eldplicht aan gekoppeld. In voorgaande jaren is er enkele keren per jaar een aanwijzing gegeven, nam elijk vier keer in het gasjaar 2018-2019 en twee keer in het gasjaar 2019-2020. Uitgaande van uiterste scenario van hooguit vier m eldingen per jaar, gem aakt door een hoger opgeleide senior m edewerker (uurtarief 138 euro) die daarvoor gegevens verzamelt (30 m inuten) en verstuurt (10 m inuten), leidt deze nieuwe verplichting naar schatting tot een periodieke last van 368 euro per jaar voor de netbeheerder van het landelijk gastransportnet.
De overige wijzigingen voor de netbeheerder van het landelijk gastransportnet betreffen het aanscherpen van taken die reeds in de wet zijn vastgelegd, nam elijk de wettelijk taak van de netbeheerder van het landelijk gastransportnet (artikel 10a, eerste lid, onderdeel q), de ram ingstaak (10a, negende en tiende lid) en de rapportageplicht over het afgelopen gasjaar (artikel 10a, zestiende lid). Voor het uitvoeren van deze taken heeft de netbeheerder van het landelijk gastransportnet reeds processen ingericht. De aanscherping en beperkte uitbreiding van die taken kan worden opgevangen binnen de bestaande processen. De wijziging van deze artikelen heeft daarom geen regeldrukeffecten. De rechtspersoon bedoeld in artikel 10a, achttiende lid, Gaswet In fase 1 ontstaat er een nieuwe verplichting voor de rechtspersoon bedoeld in artikel 10a, achttiende lid, Gaswet. Naar verwachting leidt dit tot een periodiek regeldrukeffect van 3200 euro per jaar. De voorgenomen wetswijzing voorziet in een m eldplicht voor de rechtspersoon bedoeld in artikel 10a, achttiende lid bij het op de korte term ijn (binnen de dag) opregelen van de gaswinning uit het Groningenveld wanneer er een fysieke hoge vraag is naar laagcalorisch gas (artikel 10a, eenentwintigste lid). De rechtspersoon m aakt de m elding aan ACM en de Minister.
Door de veranderde inzet van het Groningenveld kan er op basis van het verleden geen inschatting worden gem aakt hoe vaak deze situatie zich zal voordoen. Indien deze situatie zich zal voordoen, dan zal dit het m eest waarschijnlijk zijn in de periodes van koude, zoals de m aanden januari en februari, en de start van de periode dat de gasopslagen worden gevuld, de m aand april. Het is zeer onwaarschijnlijk dat op alle dagen van deze m aanden de gaswinning moet worden opgeregeld, m aar dit extrem e uitgangspunt wordt gehanteerd om tot een berekening van de regeldruk te kom en. Uitgaande van dit scenario m aakt een hoog opgeleide m edewerker (uurtarief 54 euro) 89 m eldingen per jaar. Hiervoor verzam elt de m edewerker gegevens (30 m inuten) en worden deze verstuurd (10 m inuten). Dit leidt tot een periodieke administratieve last van circa 3200 euro per jaar. De vergunninghouder In fase 1 wijzigen twee artikelen die betrekking hebben op de vergunninghouder. Naar schatting zullen deze wijzigingen geen regeldrukeffecten tot gevolg hebben. De eerste wijziging ziet op de m ogelijkheid tot verlenging van de huidige operationele strategie (artikel 52c, tweede lid en derde lid, Mijnbouwwet). Dit houdt in dat de Minister de vergunninghouder kan verzoeken om te bezien of de huidige operationele strategie verlengd kan worden.
Indien dit niet het geval is, wordt de vergunninghouder gevraagd e en nieuwe operationele strategie op te stellen (artikel 52c, tweede lid en derde lid). In de huidige situatie bestaat reeds de m ogelijk om m eerdere operationele strategieën uit te vragen. Hieruit volgt dat deze wijziging niet tot een verandering in regeldruk voor de vergunninghouder.
41 Transportcode Gas-LNB.
De tweede wijziging ziet op een verduidelijking van de reeds bestaande en al toegepaste rolverdeling om trent het opstellen van de seismische dreigings- en risicoanalyse (artikel 52c, zesde lid, zevende lid en negende lid). Het expliciteren van de rolverdeling past binnen de huidige systematiek en bestaande processen die zijn ingericht ten behoeve van het opstellen van de seism ische dreigings- en risicoanalyse. De wijziging van dit artikel heeft daarom geen regeldrukeffecten. 5.2 Regeldrukeffecten in fase 2 Netbeheerder van het landelijk gastransportnet In fase 2 kom en m eerdere verplichtingen voor de netbeheerder van het landelijk gastransportnet te vervallen. Dit heeft regeldrukeffecten tot gevolg. Naar schatting zal de onderhavige wetswijziging leiden tot een vermindering van de adm inistratieve regeldruk van in totaal 104.460 euro per jaar. Ten eerste komt de ram ingstaak te vervallen (artikel 10a, eerste lid, onderdeel q, en negende en tiende lid, Gaswet). De regeldruk ten gevo lge van de ram ingstaak is beschreven in de m emorie van toelichting bij de wijziging van de Gaswet en de Mijnbouw betreffende het m inimaliseren van de gaswinning uit het Groningenveld.42 Daarin worden de kosten voor het opstellen van de ram ing geschat op circa 80.000 euro.
Het vervallen van deze verplichting leidt daarm ee tot een periodieke verm indering van regeldruk van 80.000 euro per jaar. Ten tweede komt de m eldplicht aan de Minister bij het optreden van een langdurige en substantiële afwijking van de inzet van de m iddelen en m ethoden of de vraag naar laagcalorisch gas ten opzichte van de ram ing te vervallen (artikel 10a, elfde lid). In het gasjaar 2018-2019 heeft deze situatie zich niet voorgedaan en in het gasjaar 2020-2021 is het één keer voorgekomen. Uitgaande van één m elding per jaar, gem aakt door een hoger opgeleide senior m edewerker (uurtarief 138 euro) die daarvoor gegevens verzamelt (30 m inuten) en verstuurt (10 m inuten), heeft deze verplichting een regeldrukeffect van 92 euro per jaar. Daarm ee le idt het vervallen van deze verplichting tot een periodieke verm indering van de regeldruk van 92 euro per jaar. Ten derde vervalt de zogenoemde back-taak van GTS (artikel 10a, twaalfde lid). Zoals hierboven beschreven in paragraaf 5.1 is deze wettelijke taak afgeleid van de technische gascodes op grond van de Gaswet.43 Op basis van deze gascodes heeft GTS een algem ene taak om aanwijzingen te geven dan wel verzoeken te doen aan partijen in de gasm arkt om m iddelen in te zetten ten behoeve van het in stand houden van de kwaliteitsloze gasmarkt.