CConstaterende datMidden-Groningen
Koppel je AI →
Document · PDF

270 1 Bijlage bij Raadsbrief Memorie van toelichting wetsvoorstel Wat

Raadsvergadering 3 juni 2021, gemeente Midden-GroningenBij agendapunt: Ingekomen stukken en mededelingen/Lange Termijn Agenda raad/Toezeggingen23.902 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Wijziging Gaswet en Mijnbouwwet in verband met de beëindiging gaswinning Groningenveld MEMORIE VAN TOELICHTING I. ALGEMEEN 1. Inleiding 1.1 Samenvatting Dit wetsvoorstel voorziet in wijziging van de Gaswet en de Mijnbouwwet in verband m et de definitieve beëindiging van de gaswinning uit het Groningenveld en de periode na sluiting (‘Wat na nul’). Het wetsvoorstel bestaat uit twee delen. Het eerste deel bevat wijzigingen die nodig zijn in de laatste fase van de inzet van het Groningenveld als reservemiddel. Deze fase wordt aangeduid als fase 1 en start naar verwachting vanaf oktober 2022. In deze fase wordt het veld op een andere m anier ingezet dan voorheen. Niet langer wordt er op jaarbasis een volum e gewonnen afhankelijk van de tem peratuur. In plaats daarvan wordt een beperkt aantal productielocaties operationeel gehouden doordat zij op een m inim ale stand produceren (m inimumflow). Alleen in specifieke uitzonderlijke gevallen kan de gaswinning worden aangepast en boven niveau van m inim umflow uitkomen als dat nodig is voor de leveringszekerheid. De wet m oet aan deze gewijzigde inzet worden aangepast. De huidige systematiek waarbij de Minister jaarlijks een be sluit neemt over de toegestane winning blijft als basis behouden. De wijzigingen zien erop dat er niet langer op jaarbasis wordt gewonnen afhankelijk van de tem peratuur.

Ook wordt specifiek geregeld dat en in welke uitzonderlijke situaties inzet van het Groningenveld boven niveau van m inim umflow wordt toegestaan. Daarbij geldt dat de rol van het Groningenveld binnen het Nederlandse gassysteem door de gewijzigde inzet verandert en er wetswijzigingen nodig zijn om dit zorgvuldig in te passen. Daarnaast worden twee gerelateerde onderwerpen meegenomen in de wetswijziging voor fase 1: een verduidelijking van de rolverdeling rondom de seismische dreigings - en risicoanalyse van de gaswinning en vereenvoudiging van de besluitvorming voor de jaarlijkse vaststelling van de operationele strategie voor de inzet van het Groningenveld. Het tweede deel legt het definitieve einde van de gaswinning uit het Groningenveld wettelijk vast (fase 2). In de Mijnbouwwet wordt expliciet bepaald dat er in geen enkel geval m eer gas uit het Groningenveld mag worden gewonnen, ook niet op niveau van m inim umflow. Het veld kan dan dus ook niet m eer als reservemiddel worden gebruikt. Tegelijkertijd vervallen de bepalingen die uitgaan van de inzet van het Groningenveld. Dat betekent dat er een einde komt aan de systematiek voor de vaststelling en uitvoering van de operationele strategie voor de inzet van het Groningenveld zoals die in 2018 in de wet is opgenomen.

In dit deel van het wetsvoorstel wordt ook vastgelegd welke verplichtingen de vergunninghouder (NAM) na sluiting nog heeft ten aanzien van het Groningenveld. Ten eerste houdt de vergunninghouder zijn zorgplicht om de nadelige gevolgen van de gaswinning zo veel m ogelijk te beperken. Ten tweede blijft het na sluiting van belang om de ontwikkeling van de seism ische veiligheid specifiek voor het Groningenveld te monitoren aan de hand van m etingen en periodieke analyses van de waargenomen bodembeweging. Met dit wetsvoorstel wordt vastgelegd welke verplichtingen de vergunninghouder ten aanzien van deze m etingen en analyses heeft. Aan deze verplichtingen wordt geen termijn verbonden omdat het op dit m oment onbekend is hoelang het nodig zal zijn om de specifieke situatie rondom de bodembeweging ten aanzien van het Groningenveld te blijven m onitoren. Ten slotte komt m et het beëindigen van de Groningse gaswinning de kernactiviteit van GasTerra te vervallen. Bepalingen die zien op de taken van GasTerra worden daarm ee overbodig en uit de wet geschrapt. Deze twee delen treden na en ter vervanging van elkaar in werking. Zodra het Groningenveld ook niet m eer nodig is als reservemiddel, kan het veld definitief dicht en kan het tweede deel van de wetswijzigingen voor fase 2 in werking treden.

De datum voor de inwerkingtreding van fase 2, oftewel de einddatum van fase 1 en de startdatum van fase 2, kan nu nog niet worden vastgelegd. Uit de m eest recente ram ing blijkt dat het Groningenveld tussen 2025 en 2028 definitief niet m eer nodig is. Dit kan m ogelijk m et twee jaar versneld worden door de gasopslag Grijpskerk om te bouwen van een opslag van hoogcalorisch gas naar laagcalorisch gas. De definitieve sluitingsdatum is dus afhankelijk van een aantal

randvoorwaarden, zoals de voortgang van de afbo uw van de vraag en de beschikbaarheid van andere m iddelen waarm ee de gasvraag kan worden afgedekt, zoals stikstofinstallaties en gasopslagen. In het kader van de jaarlijkse procedure voor de vaststelling van de operationele strategie wordt de nog benodigde inzet van het Groningenveld, op basis van input van onder m eer de landelijk netbeheerder (GTS), de vergunninghouder en de wettelijk adviseurs (waaronder de regionale overheden en de toezichthouder SodM), door de Minister van Economische Zaken en Klim aat (hierna: de Minister) beoordeeld en ook door het jaar heen gemonitord. De Minister rapporteert hier ook ten m inste tweemaal per jaar over aan de Tweede Kam er.1 Zodra de Minister duidelijkheid heeft over het m oment waarop ook de laatste productielocaties niet m eer in het belang van de leveringszekerheid als reservemiddel operationeel hoeven worden gehouden, stelt de Minister de datum van inwerkingtreding van de wetswijzigingen voor fase 2 vast, die m et dit wetsvoorstel voor dat doel al gereed liggen. Het kabinet doet er alles aan het Groningenveld zo snel m ogelijk definitief te sluiten en blijft zoeken naar m ogelijkheden om fase 2 zo spoedig m ogelijk te laten starten.

1.2 Aanleiding en achtergrond Op 29 m aart 2018 heeft het kabinet besloten de gaswinning uit het Groningenveld uiterlijk in 2030 definitief te beëindigen om de aardbevingsproblematiek in Groningen bij de bron aan te pakken en recht te doen aan het veiligheidsbelang van de Groningers. Voor dit doel heeft het kabinet een wettelijk kader opgezet gericht op de m inimalisering van de gaswinning (‘Niet m eer dan nodig’, hierna: de Wet m inim aliseren gaswinning).2 Ook heeft het kabinet alle m ogelijke aanvullende m aatregelen genomen om de gaswinning uit het Groningenveld steeds verder versneld naar nul te brengen. Daardoor is reeds nu, vele jaren eerder dan verwacht, het einde in zicht. Vanaf m edio 2022 is er in een jaar m et een gemiddeld temperatuurverloop geen gas m eer nodig uit het Groningenveld. Het veld blijft daarna voor een beperkte periode en alleen voor uitzonderlijke situaties beschikbaar als reservemiddel van m axim aal enkele m iljard Nm 3 gas per jaar. Daarbij blijft het de am bitie van het kabinet om het Groningenveld zo snel m ogelijk definitief te sluiten.

Gerelateerd aan de beslissing om het Groningenveld definitief te sluiten is de beslissing om de activiteiten van GasTerra, van oudsher het verkoopkantoor van het Groningengas, gefaseerd af te bouwen.3 Voor deze eindfase voldoet het huidige wettelijke kader m et betrekking tot winning uit Groningenveld niet meer. Daarom past het kabinet door m iddel van dit wetsvoorstel het wettelijk kader aan, ditm aal gericht op het definitieve einde van de winning uit het Groningenveld en de periode na sluiting (‘Wat na nul’). Met dit wetsvoorstel beoogt het kabinet de eindfase van de gaswinning uit het Groningenveld in goede banen te leiden en zorgt het kabinet voor een toekomstbestendig wettelijk kader. 1.3 Route naar het einde van de inzet van het Groningenveld De afbouw van de gaswinning uit het Groningenveld gaat voorspoedig. De gaswinning in het gasjaar 2020-2021 is vastgesteld op 8,1 m iljard Nm 3 in een qua tem peratuur gemiddeld jaar.4 Dit is ver onder het niveau dat was voorzien in het regeerakkoord in 2017 (ca. 20 m iljard Nm 3), ver onder het in 2018 opgestelde basispad (13,6 m iljard Nm 3), onder het door het Staatstoezicht op de Mijnen (hierna: SodM) geadviseerde niveau van 12 m iljard Nm 3 en een verdere besparing van 1,2 m iljard Nm 3 ten opzichte van het niveau dat begin 2020 nog werd verwacht.5 In het kom ende

1 Respectievelijk in februari over de wettelijk voorgeschreven jaarlijkse raming door netbeheerder GTS en

uitvraag van de operationele strategie aan de vergunninghouder en in september bij de vaststelling van de operationele strategie voor het nieuwe gasjaar. Vgl. Kamerstukken II 2020/21, 33 529, nr. 803 en Kamerstukken II 2020/21, 33 529, nr. 848. 2 Wijziging van de Gaswet en van de Mijnbouwwet betreffende het minimaliseren van de gaswinning uit het Groningenveld, Stb. 2018, 371. 3 Kamerstukken II 2019/20, 33529, nr. 691. 4 Kamerstukken II 2020/21, 33 529, nr. 803. 5 Kamerstukken II 2019/20, 33 529, nr. 788.

gasjaar 2021-2022 wordt de gaswinning uit het Groningenveld naar verwachting verder verlaagd naar een niveau van 3,9 m iljard Nm 3 voor een gem iddeld jaar.6 Vanaf het gasjaar 2022-2023 is gaswinning uit het Groningenveld naar verwachting onder normale om standigheden niet m eer nodig (fase 1). Het kan echter nog voorkomen dat de vraag naar laagcalorisch gas groter is dan de beschikbare middelen, anders dan het Groningenveld, aankunnen. Het kan daarbij gaan om de situatie dat er andere laagcalorisch gasmiddelen uitvallen, de bergingen onvoldoende werkvolume hebben of dat de vraag zo groot is dat de overige m iddelen niet voldoende kunnen leveren. Dat laatste doet zich vooral voor op erg koude dagen. De capaciteit van het Groningenveld zal nog enige tijd beschikbaar m oeten blijven als reservemiddel om de beschikbaarheid van laagcalorisch gas ook in dergelijke uitzonderlijke situaties te kunnen borgen. Hiervoor m oet een beperkt aantal productielocaties operationeel worden gehouden. Dit houdt in dat de desbetreffende productielocatie s op een lage stand m oeten produceren, zodat ze betrouwbaar kunnen worden bijgeschakeld en opgeregeld wanneer dat noodzakelijk is. Deze m inim ale noodzakelijke productie wordt aangeduid als m inim umflow.

Op basis van de huidige inzichten is de m inimumflow circa 1,5 m iljard Nm ³ gas in het gasjaar 2022-2023.7 In de periode daarna loopt de m inimumflow af naarm ate er m inder productielocaties beschikbaar m oeten worden gehouden ten behoeve van de leveringszekerheid. Dit betekent dat in fase 1 de hoeveelheid uit het Groningenveld geproduceerd gas gelijk is aan de m inim umflow plus het gasvolum e dat eventueel in uitzonderlijke situaties nodig is in verband m et de leveringszekerheid. Dit zal naar verwachting gaan om kleine aanvullende hoeveelheden. Het kabinet doet er alles aan om fase 1 zo kort m ogelijk laten te duren en blijft zoeken naar m ogelijkheden om de gaswinning uit het Groningenveld zo snel m ogelijk definitief te kunnen stoppen. Op dit m om ent is het nog niet m ogelijk om deze datum voor inwerkingtreding van fase 2, oftewel de einddatum van fase 1 en startdatum fase 2, vast te leggen. Dit is nam elijk afhankelijk van een aantal randvoorwaarden, Dit betreft de inzet van stikstofinstallaties, de voortgang van de afbouw van de vraag naar laagcalorisch gas, de inzet van de gasopslagen (onder andere gasopslag Norg) en de aanvoer van hoogcalorisch gas.

Over de status van deze randvoorwaarden rapport eert de Minister m et regelmaat aan de Tweede Kam er.8 In het kader van de jaarlijkse procedure voor de vaststelling van de operationele strategie wordt de nog benodigde inzet van het Groningenveld, op basis van input van onder m eer GTS, de vergunninghouder en de wettelijk adviseurs (waaronder de regionale overheden en de toezichthouder SodM), door de Minister beoordeeld en ook door het jaar heen gemonitord. De Minister rapporteert hier ook ten minste tweemaal per jaar over aan de Tweede Kam er.9 In het kader van dit proces zal blijken wanneer het m oment wordt bereikt dat de laagcalorische gasvraag verder is afgebouwd en de laagcalorische gasmiddelen (anders dan het Groningenveld), m et nam e de stikstofinstallaties en de gasopslagen, op elk m oment in het jaar aan de vraag kunnen voldoen. Vanaf dat m om ent kan de gaswinning uit het Groningenveld geheel beëindigd worden en kan het Groningenveld definitief gesloten worden. Productielocaties hoeven dan niet langer operationeel worden gehouden of worden ingezet, zodat er ook geen m inimumflow m eer nodig is. De procedure voor verwijdering van resterende productielocaties kan in gang worden gezet.

Zodra de Minister duidelijkheid heeft over dit m oment, stelt hij de datum van inwerkingtreding van de wetswijzigingen voor fase 2 vast, die m et dit wetsvoorstel voor dat doel al gereed liggen. Op die door de Minister vast te stellen datum treedt een wettelijk verbod op gaswinning uit het Groningenveld in werking. Bepalingen die zien op de inzet van het veld vervallen. Er is daardoor geen enkele gaswinning uit het Groningenveld m eer m ogelijk, ook geen m inimumflow. Het veld is

6 Kamerstukken II 2020/21, 33 529, nr. 848. 7 Vaststellingsbesluit voor het gasjaar 2020-2021, https://www.rvo.nl/onderwerpen/bureau-

energieprojecten/lopende-projecten/gaswinning/gaswinning-groningen/gaswinning-groningenvaststellingsbesluit-2020-2021. 8 Kamerstukken II 2019/2021, 33 529, nr. 726; Kamerstukken II 2020/2021, 33 529 nr. 803 en Kamerstukken II 2020/2021, 33 529, nr. 848. 9 Respectievelijk in februari over de wettelijk voorgeschreven jaarlijkse raming door netbeheerder GTS en uitvraag van de operationele strategie aan de vergunninghouder en in september bij de vaststelling van de operationele strategie voor het nieuwe gasjaar. Vgl. Kamerstukken II 2020/21, 33 529, nr. 803 en Kamerstukken II 2020/21, 33 529, nr. 848.

vanaf dan definitief dicht. De procedure voor ontmanteling van de laatste productielocaties kan in gang worden gezet. Op basis van de m eest recente ram ing kan het Groningenveld tussen 2025 en 2028 definitief gesloten worden.10 Dit kan m ogelijk m et twee jaar versneld worden door de gasopslag Grijpskerk om te bouwen van een opslag van hoogcalorisch gas naar laagcalorisch gas. Door dergelijke kansen te onderzoeken en waar m ogelijk te bewerkstelligen, blijft het kabinet zich inspan nen om het Groningenveld zo snel m ogelijk te sluiten. Op het m oment dat het Groningenveld definitief dicht kan en fase 2 kan starten is het doel van het kabinet bereikt: het beëindigen van de gaswinning uit het Groningenveld. 1.4 Noodzaak en doel van het wetsvoorstel De huidige sturings- en besluitvormingsprocedure voor de inzet van het Groningenveld is gericht op de m inim alisering van de gaswinning. Centrale uitgangspunten daarbij zijn dat niet m eer wordt gewonnen dan noodzakelijk voor de leveringszekerheid (‘niet m eer dan nodig’) en dat het Groningenveld het sluitstuk is voor de inzet van laagcalorisch gas. Het is noodzakelijk om de systematiek in de Gaswet en Mijnbouwwet aan te passen aan de situatie waarin de gaswinning uit het Groningenveld alleen in uitzonderlijke situaties noodzakelijk is en de periode daarna waarin het veld definitief wordt gesloten.

Voor fase 1 geldt dat het huidige wettelijke kader m oet worden aangepast aan het feit dat er niet langer op jaarbasis wordt gewonnen afhankelijk van de tem peratuur. Ook m oet worden geregeld in welke uitzonderlijke situaties inzet van het Groningenveld boven niveau van m inim umflow wordt toegestaan. Dit om te verzekeren dat het Groningenveld als reservemiddel alleen in afgekaderde uitzonderlijke gevallen wordt ingezet waar dat noodzakelijk is voor de leveringszekerheid. Voor fase 2 geldt dat in de wet expliciet m oet worden vastgelegd dat winning uit het Groningenveld in geen enkele vorm m eer zal zijn toegestaan. Daarnaast geldt dat zonder wetswijziging het proces voor de jaarlijkse besluitvorming over de inzet van het Groningenveld (op basis van een operationele strategie) blijft doorlopen. Ten slotte voorzien de huidige wetten ook nog niet in de bepalingen die nodig zijn na sluiting. Met het definitieve einde van de inzet van het Groningenveld zijn zwaarwegende belangen gem oeid. In de eerste plaats het veiligheidsbelang van de Groningers m aar ook het belang om rondom de sluiting van het Groninge nveld de goede werking van het gassysteem zeker te stellen zodat de leveringszekerheid van laagcalorisch gas geborgd blijft. Met dit wetsvoorstel voorziet het kabinet in de noodzakelijke wetswijzigingen om deze belangen te borgen. 2.

Fase 1: Groningenveld als reservemiddel 2.1 Inleiding In fase 1 wordt het Groningenveld operationeel gehouden als reservemiddel en alleen nog in twee typen uitzonderlijke gevallen opgeregeld boven het niveau van m inim umflow indien dat noodzakelijk is voor de leveringszekerheid: ten behoeve van de wettelijke taken van GTS (de zogenoemde back-up voor GTS) en bij een hoge vraag naar laagcalorisch gas die fysiek alleen kan worden afgedekt m et (beperkte) inzet van het Groningenveld. Dit is een wijziging ten opzichte van de huidige systematiek waarbij de Minister voor ieder gasjaar een volume vaststelt dat uit het Groningenveld moet worden gewonnen afhankelijk van de tem peratuur. Voor een belangrijk deel kan de huidige sturings- en besluitvormingsprocedure op grond van de Wet m inim aliseren gaswinning (toegelicht in paragraaf 2.2) ook worden toegepast voor de inzet van het Groningenveld in fase 1. Deze sys tematiek heeft als basis voor de versnelde afbouw zijn succes bewezen en wordt in fase 1 daarom zo veel m ogelijk behouden. Op een aantal punten vergt de inzet van het Groningenveld als reservemiddel aanpassing van de wettelijke systematiek. Dit wetsvoorstel voorziet in die aanpassing. Dit wordt in paragraaf 2.3 toegelicht.

Verder wordt de gelegenheid van dit wetsvoorstel aangegrepen om procedure, werking en rolverdeling ten aanzien van de seism ische dreigings- en risicoanalyse die vanaf 2021 in het 10 Kamerstukken II 2020/2021, 33 529, nr. 848.

publieke domein wordt gebracht te verduidelijken. Deze analyse wordt gebruikt bij de vaststelling van de operationele strategie voor de inzet van het Groningenveld. Deze wijzigingen worden in paragraaf 2.4 toegelicht. Tot slot voorziet dit wetsvoorstel in beperkte aanpassingen in het proces rondom het vaststellen van de operationele strategie door de Minister. Dit wordt in paragraaf 2.5 toegelicht. 2.2 Huidige besluitvormings- en sturingssystematiek en rolverdeling Door m iddel van de Wet m inim aliseren gaswinning is voorzien in een gewijzigde besluitvormingsen sturingssystematiek voor de inzet van het Groningenveld. Binnen deze systematiek beslist de Minister hoeveel gas op jaarbasis wordt gewonnen uit het Groningenveld en de m anier waarop die winning plaatsvindt. Dit doet de Minister door jaarlijks een operationele strategie vast te stellen. Gedurende het jaar kan de Minister in aanvulling of wijziging daarop m aatregelen treffen indien dat nodig is. De vergunninghouder van het Groningenveld, NAM, is verplicht om de operationele strategie en m aatregelen die de Minister vaststelt exact uit te voeren en heeft geen eigen sturingsmogelijkheden m eer. Deze systematiek is gericht op de m inimalisering van de gaswinning uit het Groningenveld.

De procedure voor de jaarlijks vast te stellen operationele strategie start m et een ram ing door de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, GTS, van de inzet van het Groningenveld (volume en daarvoor benodigde capaciteit) die nodig is voor de leveringszekerheid ten behoeve van de laagcalorische gasvraag (artikel 10a, eerste lid, onderdeel q, Gaswet). Deze ram ing stelt de netbeheerder op voor een aantal tem peratuurscenario’s op basis van een zogenoemde graaddagenformule. De graaddagensystematiek wordt in paragraaf 2.3.2 nader toegelicht. De Minister zendt de ram ing door aan de vergunninghouder. Daarbij verzoekt de Minister de vergunninghouder om een of m eer operationele strategieën voor te stellen voor de inzet van het Groningenveld, gelet op de ram ing van de netbeheerder (artikel 52c, eerste lid, Mijnbouwwet). In deze operationele strategie(ën) m oet de verdeling van de winning over de verschillende productielocaties van het Groningenveld in volum e en tijd worden beschreven. Ter onderbouwing van de operationele strategie(ën) verstrekt de vergunninghouder, onder andere, een dreigings- en risicoanalyse van de verwachte bodembeweging. Na ontvangst van de operationele strategie(ën) betrekt de Minister zijn wettelijk adviseurs, bestaande uit de regionale overheden, de inspecteur-generaal der m ijnen, TNO en de Mijnraad.

Gelet op de expertise van de adviseurs krijgt elke adviseur een specifieke adviesvraag. De ontvangen adviezen betrekt de Minister bij het vaststellen van de operationele strategie. De Minister stelt de operationele strategie vast m iddels een vaststellingsbesluit dat geldt voor één gasjaar, dat loopt van 1 oktober tot 1 oktober in het daaropvolgende jaar. De Minister betrekt bij de vaststelling enerzijds het veiligheidsbelang en het m aatschappelijk belang van het niet kunnen voorzien van de eindafnemers en anderzijds het belang van de veiligheidsrisico’s voor om wonenden als gevolg van bodembeweging veroorzaakt door de gaswinning (artikel 52d, tweede lid). Op de voorbereiding van het besluit tot vaststelling van de operationele strategie is afdeling 3.4 van de Algem ene wet bestuursrecht (de uniforme voorbereidingsprocedure) van toepassing (artikel 52d, zevende lid). Daarbij geldt dat na publicatie van het ontwerp-vaststellingsbesluit gedurende zes weken zienswijzen door eenieder kunnen worden ingediend. De Minister kan de operationele strategie tussentijds wijzigen (artikel 52d, vierde lid) of in een beperkt aantal gevallen in afwijking van of aanvulling op de operationele strategie een tijdelijke m aatregel opleggen aan de vergunninghouder (artikel 52e).

De vergunninghouder is verplicht de winning uit het Groningenveld uit te voeren overeenkomstig de vastgestelde operationele strategie en de eventueel opgelegde tijdelijke m aatregel (artikel 52f). Dit is de zogeheten winningsplicht. 2.3 Inzet Groningenveld als reservemiddel Dit wetsvoorstel voorziet in aanpassing van de inhoud van de jaarlijkse ram ing door de netbeheerder van het landelijk gastransportnet. Dit wetsvoorstel regelt ook d e dat winning uit het Groningenveld in twee typen uitzonderlijke situaties mogelijk is. Deze wijzigingen m oeten worden bezien in het relatie tot de werking van het Nederlandse gassysteem, de kwaliteitsloze gasmarkt en de huidige m ethode voor m inimalisering van de gaswinning op basis van de zogenoemde

graaddagensystematiek. Deze onderwerpen worden hierna eerst toegelicht in de paragrafen 2.3.1 en 2.3.2. 2.3.1 Nederlandse gassysteem en kwaliteitsloze gasmarkt GTS is op grond van de Gaswet aangewezen als netbeheerder van het landelijk gastransportnet. Het landelijk gastransportnet bestaat uit een hoogcalorisch en een laagcalorisch gastransportnet m et ieder entry- en exitpunten. Via de stikstofinstallaties van de netbeheerder zijn deze netten aan elkaar gekoppeld. Door m arktpartijen (shippers) wordt gas o p de entrypunten ingevoed en op de exitpunten weer aan het net onttrokken. GTS is verantwoordelijk voor de fysieke stromen van de entrypunten naar de exitpunten (transportdienst). Nederland kent een kwaliteitsloze gasmarkt. Dit houdt in dat in de handel geen onderscheid wordt gem aakt tussen hoog- en laagcalorisch gas. Marktpartijen kunnen beide soorten gas op het net invoeden en daaraan onttrekken, m its de hoeveelheden naar energie-inhoud (uitgedrukt in MWh) gelijk zijn. De totale fysieke stromen op het net m oeten op twee m anieren in balans zijn. Ten eerste moeten de totale hoeveelheden ingevoed en onttrokken gas in MWh gelijk zijn. GTS heeft in dit verband de wettelijke taak om het evenwicht (de balans) op haar gastransportnet te handhaven aan de hand van een m arktgebaseerd balanceringsmechanisme .

Dit houdt in dat m arktpartijen, die de balans van het totale net kunnen volgen en daarnaast zelf inzicht hebben in hun eigen portfolio, een m edeverantwoordelijkheid dragen voor de balans en er een m arktgericht correctiemechanisme wordt toegepast. Ten tweede moeten ook de volumes hoog- en laagcalorisch gas ieder afzonderlijk in balans zijn, zodat de gasm arkt kwaliteitsloos kan functioneren. GTS heeft in dit verband de wettelijke taak om kwaliteitsconversie toe te passen. Dat is het om zetten van hoogcalorisch gas naar laagcalorisch gas door het toevoegen van stikstof in haar daarvoor bestemde installaties.11 Hierbij geldt dat GTS niet kan bepalen hoeveel stikstof wordt ingezet, ofwel in welke m ate de stikstofcapaciteit van de installaties van de netbeheerder wordt benut: het gedrag van m arktpartijen (de hoeveelheid hoog- of laagcalorisch gas die enerzijds wordt ingevoed en anderzijds wordt onttrokken) bepaalt het gebruik van de stikstofinstallaties. Net als de balanssituatie op het totale net is de stikstofinzet voor m arktpartijen te volgen op de website van de GTS. Marktpartijen kunnen naar deze inform atie handelen.

Als GTS niet m eer kan zorgen voor balans m et de beschikbare stikstofcapaciteit (als deze in feite al m eer dan volledig is aangesproken) waardoor er een tekort aan laagcalorisch gas dreigt te ontstaan, dan is het noodzakelijk om de invoeding van laagcalorisch gas op het net direct te vergroten om daarm ee te voorkomen dat een dergelijk tekort ontstaat. Hiervoor m oeten de fysieke laagcalorische gasmiddelen worden aangesproken. GasTerra (shipper) beschikt over verreweg de meeste van die laagcalorische gasmiddelen. Zij heeft als verkoopkantoor van het Groningengas exclusief de beschikking over het Groningenveld. Daarnaast heeft GasTerra ook de beschikking over de laagcalorische gasopslagen Norg en Alkm aar. Indien er dus fysiek laagcalorisch gas op het net m oet worden ingevoed, is GasTerra in de huidige situatie de m eest waarschijnlijke m arktpartij die daarin kan voorzien. Er zijn weliswaar nog enkele andere m arktpartijen die beschikken over laagcalorische m iddelen, m aar die zijn beperkt van om vang in vergelijking tot de m iddelen waarover GasTerra beschikt. Door afbouw van de vraag naar laagcalorisch gas en het vergroten van de stikstofcapaciteit is deze rol van GasTerra steeds m inder noodzakelijk (zie paragraaf 3.6 hierna). Nederland is uniek in de balancering tussen twee gassystemen.

De kwaliteitsloze gasmarkt, waarbij gas op transparante wijze virtueel wordt verhandeld, m aakt het aantrekkelijk voor buitenlandse aanbieders om hun gas naar de Nederlandse m arkt te brengen. Dit aanbod van buitenlands hoogcalorisch gas is essentieel om – na kwaliteitsconversie – in te zetten ten behoeve van de Nederlandse en buitenlandse laagcalorische gasvraag, zodat voor die gasvraag geen gas uit het Groningenveld hoeft te worden ingezet. De instandhouding van de kwaliteitsloze gasmarkt is

11 De kwaliteitsconversietaak omvat tevens het administratief omzetten van laagcalorisch naar hoogcalorisch

gas. GTS moet kwaliteitsconversie toepassen tenzij dat redelijkerwijs niet van haar kan worden gevergd.

daarom een noodzakelijke voorwaarde om de leveringszekerheid te borgen terwijl de gaswinning in Groningen wordt afgebouwd. Leveringszekerheid betekent dat eindafnemers van gas op het juiste m oment en in de juiste kwaliteit (laag- of hoogcalorisch gas) m et de benodigde hoeveelheid worden beleverd. Leveringszekerheid kent een volumematige en een capaciteitsmatige component. De volum ematige com ponent houdt in dat er over een bepaalde periode voldoende gas beschikbaar m oet zijn om te voorzien in de vraag. De capaciteitsmatige component houdt in dat gas op ieder m oment en ook op m om enten van hoge vraag in de juiste hoeveelheid m oet kunnen worden geleverd. Volume heeft dus betrekking op de jaarhoeveelheid en capaciteit heeft betrekking op d e m aximale uurvraag in de dag. Eindafnemers m oeten ook de juiste kwaliteit van gas geleverd krijgen die geschikt is voor hun installaties. De leveringszekerheid kan in Nederland alleen worden geborgd indien het gassysteem en de kwaliteitsloze gasmarkt goed functioneren. 2.3.2 Huidige systematiek: minimalisering gaswinning en graaddagensystematiek Het huidige systeem op basis van de Wet m inim alisering gaswinning is gericht op het naar nul brengen van de inzet van het Groningenveld op basis van het uitgangspunt ‘niet m eer dan nodig’.

De benodigde inzet van het Groningenveld wordt onder dit uitgangspunt bepaald door de vraag naar laagcalorisch gas, waarbij de inzet van het Groningenveld gelet op de optimale inzet van alle m iddelen, waaronder de mogelijkheid om hoogcalorisch gas door stikstofinzet te converteren en de inzet van de gasopslagen, geminimaliseerd wordt. GTS raam t jaarlijks hoeveel gas er conform dit uitgangspunt nodig is uit het Groningenveld om aan de vraag naar laagcalorisch gas te voldoen. Deze ram ing gebeurt op basis van de zogenoemde graaddagensystematiek. Op basis van tem peratuurprofielen van de afgelopen 30 gasjaren stelt GTS de relatie tussen het temperatuurverloop en de benodigde hoeveelheid gas uit het Groningenveld vast. Deze relatie wordt uitgedrukt in een graaddagenformule die een verband aangeeft tussen de gerealiseerde effectieve temperatuur en de vraag naar gas op jaarbasis. Binnen de huidige wettelijke kaders wordt de vergunninghouder vervolgens door de Minister opgedragen om de gaswinning uit te voeren conform de graaddagenformule. Het uiteindelijke winningsvolume uit het Groningenveld wordt door m iddel van de graaddagenformule bepaald op basis van het daadwerkelijke temperatuurverloop gedurende het gasjaar. De graaddagenformule bepaalt lopende het jaar echter niet welke hoeveelheid gas van dag tot dag of binnen een dag uit het Groningenveld gewonnen wordt.

Die dage lijkse operaties worden bepaald door GasTerra bij de uitvoering van haar rol in het voorzien in de vraag naar laagcalorisch gas . Bij die dagelijkse operaties handelt GasTerra binnen de gestelde kaders, waaronder de graaddagenformule, zodat aan het eind van het gasjaar de hoeveelheid gewonnen gas uit het Groningenveld uitkomt op het uit de form ule volgende jaarvolum e. De huidige graaddagenformule is gebaseerd op een verwachte stikstofinzet van 100% van de baseload stikstofinstallaties van GTS op alle dagen en het beschikbare werkgasvolume in de gasopslagen. Beperkte afwijkingen kunnen doorgaans binnen de bewegingsruimte voor de dagelijkse operaties worden opgevangen. Langdurige en substantiële afwijkingen m oeten aan de Minister worden gemeld zodat de graaddagenformule in de operationele strategie eventueel kan worden bijgesteld.12 2.3.3 Resterende inzet Groningenveld in fase 1 In fase 1 wordt het Groningenveld uitsluitend nog gebruikt als reservemiddel. Om dit m ogelijk te m aken, wordt een beperkt aantal productielocaties operationeel gehouden. Daartoe produceren deze locaties op m inimumflow.

12 Dit mechanisme is toegepast in de loop van het gasjaar 2019-2020. Zie de tijdelijke maatregel van 16 maart

2020, Kamerstukken II 2019/20, 33 529, nr. 738.

Daarnaast kan de gaswinning in de dag worden opgeregeld boven het niveau van m inim umflow – waardoor het Groningenveld dus daadwerkelijk als reservemiddel word t aangesproken – indien dat noodzakelijk is voor de leveringszekerheid. Voor dit doel wordt in fase 1 nog voor twee typen situaties inzet van het Groningenveld boven m inim umflow noodzakelijk geacht en mogelijk gem aakt. Ten eerste blijft het Groningenveld beschikbaar voor de zogenoemde back-up taak van GTS. Dit vergt vooral aanpassingen in de Gaswet die hierna in paragraaf 2.3.3.2 worden toegelicht. Ten tweede kan de uitzonderlijke situatie zich voordoen dat er sprake is van een hoge vraag naar laagcalorisch gas die fysiek alleen kan worden afgedekt m et (beperkte) inzet van he t Groningenveld. Deze tweede m ogelijkheid voor de inzet van het Groningenveld in uitzonderlijke situaties wordt verankerd in de Mijnbouwwet. Dit wordt in paragraaf 2.3.3.3 toegelicht. Voor de inzet van het Groningenveld als reservemiddel zijn ten slotte o ok aanpassingen ten aanzien van de jaarlijkse ram ing van GTS nodig, die hierna eerst worden toegelicht in paragraaf 2.3.3.1. 2.3.3.1 Toegespitste raming van de netbeheerder in fase 1 De ram ingstaak van GTS blijft m et dit wetsvoorstel als zodanig behouden.

Ook in de laatste fase van de gaswinning is im m ers jaarlijks inzicht vereist in de m ate waarin inzet van het Groningenveld nog nodig is. De inhoud van de ram ing wordt echter toegespitst op de inzet van het Groningenveld als reservemiddel. Huidige ram ing De Gaswet schrijft nu nog voor dat GTS een ram ing oplevert die twee delen omvat: een ram ing voor het kom ende gasjaar en een ram ing van de gasontwikkeling in de kom ende tien jaar (artikel 10a, eerste lid, aanhef en onderdeel q). Wat betreft de ram ing voor het komende gasjaar schrijft de Gaswet op dit m oment nog voor dat de benodigde hoeveelheid laagcalorisch gas (volum e) en de daarvoor benodigde capaciteit uit het Groningenveld wordt geraamd die nodig is om eindafnemers van laagcalorisch gas te voorzien. Daarbij m oet GTS alle beschikbare middelen en m ethoden betrekken om die hoeveelheid te m inim aliseren (artikel 10a, eerste lid, aanhef en onderdeel q, sub 1). GTS m oet uitgaan van verschillende temperatuurscenario’s, een uitsplitsing geven naar verschillende afnemers en ingaan op de verwachte inzet van de m iddelen en m ethoden (artikel 10a, negende lid). In de Uitvoeringsregeling Gaswet is nader geregeld dat GTS de ram ing van de verwachte behoefte aan laagcalorisch gas en het daarvoor benodigde winningsvolume uit het Groningenveld baseert op de graaddagensystematiek.

Noodzaak voor aanpassing inhoud ram ing Verwacht wordt dat vanaf gasjaar 2022-2023 bij jaar m et een gemiddeld temperatuurverloop niet langer op jaarbasis een volum e gewonnen hoeft te worden uit het Groningenveld om te voorzien in de vraag naar laagcalorisch gas. Daar kom t bij dat de graaddagensystematiek niet langer toepasbaar is voor het bepalen van het eventueel nog benodigde winningsvolume uit het Groningenveld. De graaddagensystematiek gaat er nam elijk vanuit dat er op alle dagen een baseload stikstofinzet van 100% nodig is, waarna er ook nog een deel Groningenvolume nodig is dat aan de hand van de graaddagenformule kan worden berekend. Door de ingebruikname van de nieuwe baseload stikstofinstallatie in Zuidbroek, naar verwachting in 2022, waarm ee de stikstofcapaciteit significant wordt uitgebreid, in com binatie met de verwachte afgebouwde laagcalorische gasvraag, geldt dat de stikstofinzet niet langer op alle dagen 100% van de beschikbare stikstofcapaciteit hoeft te zijn. Op deze dagen zijn er dan genoeg middelen beschikbaar om te voorzien in de vraag naar laagcalorisch gas en is er geen gas uit het Groningenveld nodig.

De situatie kan zich wel voordoen dat de vraag in een uitzonderlijk geval niet m et de m iddelen kan worden afgedekt, bijvoorbeeld in geval van extrem e kou , of bij uitval of beperkte beschikbaarheid van een stikstofinstallatie, waardoor ook 100% stikstofinzet samen m et de overige m iddelen niet voldoende is. Voor het opvangen van een uitzonderlijk geval m oet capaciteit op het Groningenveld in stand worden gehouden. De graaddagensystematiek – die

gebruikt wordt voor het berekenen van een jaarvolum e op basis van tem peratuur – leent zich niet voor het bepalen van de capaciteit uit het Groningenveld die hiervoor nog nodig is. Dit kom t onder m eer omdat een dergelijke korte zeer koude periode zich ook kan voordoen in een warm e winter. Door deze ontwikkelingen wijzigt het doel van de ram ing en de benodigde inhoud daarvan. Niet langer ligt de nadruk op inzicht in het volum e dat in een jaar m oet worden gewonnen om te voorzien in de vraag en de daarbij behorende capaciteit. Er is prim air inzicht nodig in de capaciteit die nog nodig is om de situatie op te vangen waarin m et de overige middelen en m ethoden niet in de laagcalorische gasvraag kan worden voorzien. De geraam de capaciteitsbehoefte dient hierbij als vertrekpunt om in de operationele strategie te kunnen vaststellen hoeveel productielocaties nog operationeel dienen te worden gehouden. Nieuwe elementen ram ing Gelet hierop worden met dit wetsvoorstel de elementen die de ram ing moet bevatten gewijzigd (in artikel 10a, eerste lid, aanhef en onderdeel q).

Ten eerste m oet de netbeheerder de capaciteit uit het Groningenveld ram en die nodig is om gedurende een dag m et een uitzonderlijk hoge vraag naar laagcalorisch gas (door kou) eindafnemers van laagcalorisch gas te voorzien.13 Om deze capaciteit beschikbaar te houden m oet een beperkt aantal productielocaties op een m inimaal niveau produceren (m inimumflow). Het volum e dat deze productie m et zich brengt is van invloed op de ram ing. Im m ers, dit volum e zal uiteraard ook worden ingezet ten behoeve van de vraag naar laagcalorisch gas en beïnvloedt dus het totale sam enstel van inzet van m iddelen en methoden dat GTS in de ram ing betrekt. Dit wetsvoorstel voorziet er daarom ook in dat GTS in de ram ing de m inimumflow m eeneemt die sam enhangt met het op betrouwbare wijze beschikbaar houden van de benodigde capaciteit, Hierbij blijft onverkort, net als nu al het geval is, gelden dat dat de Minister de uitgangspunten voor berekening van de m inim umflow bepaalt en beslist welke m inimumflow zal worden toegestaan. Dit doet de Minister doordat hij bij de vaststelling van de operationele strategie ook een principebesluit neemt over het afbouwscenario voor de volgende gasjaren dat voldoende betrouwbaarheid biedt en tegelijkertijd recht doet aan de m aatschappelijke im pact van de gaswinning. Dit leidt tot uitgangspunten voor de berekening van de verwachte m inimumflow.

Op basis van deze uitgangspunten kan GTS de verwachte m inimumflow m eenemen in de ram ing. 14 Deze uitgangspunten zijn ook leidend bij het ve rzoek van de Minister aan de vergunninghouder om een operationele strategie op te stellen. In deze operationele strategie m oet aan de uitgangspunten concreet invulling worden gegeven. In het vaststellingsbesluit beslist de Minister ten slotte definitief over de m inim umflow (zie ook paragraaf 2.3.3.3 hierna). Ten tweede m oet de netbeheerder ram en welk volum e nodig is ten behoeve van de back-up taak van GTS. Dit ziet op een aantal specifieke gevallen waarin winning uit het Groningenveld (tot een gem axim eerd volume) nodig is ten behoeve van de uitvoering door GTS van haar wettelijke taken. Dit wordt in paragraaf 2.3.3.2 hierna nader toegelicht. Ten derde wordt voor de volledigheid in de ram ing nog steeds het uit het Groningenveld benodigde volum e opgenomen dat op jaarbasis nodig is om in de laagcalorische gasvraag te voorzien. Dit heeft als doel inzicht te geven in en te bevestigen dat volum e naar verwachting niet langer nodig is. Dit inzicht is onder m eer van belang voor de beoordeling of het veld definitief dicht kan en fase 2 in werking kan treden. Voor dit deel van de ram ing kan niet langer de graaddagensystematiek worden toegepast. De Uitvoeringsregeling Gaswet zal hierop worden aangepast.

Bij de ram ing van de hiervoor genoemde capaciteits- en volumebehoeften betrekt de netbeheerder alle beschikbare m iddelen en methoden die de benodigde capaciteit en het benodigde volume uit het Groningenveld m inimaliseren. Ten slotte om vat de ram ing ook nog steeds de ontwikkeling van de gasvraag in de kom ende jaren.

13 Dit criterium is gebaseerd op de Verordening leveringszekerheid aardgas (Verordening (EU) 2017/1938). 14 Dit principe is al toegepast voor de raming voor het gasjaar 2021-2022. Zie Kamerstukken II 2020/21, 33 529,

nr. 848.

Aanvullende inform atie Met dit wetsvoorstel wordt ook geregeld dat de beschrijving die de ram ing ten m inste m oet bevatten wordt aangevuld m et informatie ten behoeve van de hiervoor omschreven nieuwe ram ingselementen (artikel 10a, negende lid). Ten eerste wordt toegevoegd dat de ram ing van de capaciteit die nodig is uit het Groningenveld een beschrijving bevat van de benodigde totale capaciteit die nodig is om gedurende een dag m et een uitzonderlijk hoge vraag naar laagcalorisch gas eindafnem ers van laagcalorisch gas te voorzien. Ten tweede moet de ram ing ook een beschrijving bevatten van het verwachte planmatig onderhoud aan de installaties van GTS, de daaruit volgende transportbeperkingen, en de verwachte ontwikkeling in de sam enstelling van het hoogcalorisch gas. Het gaat hierbij uiteraard om de onderhoudsplanning die GTS op het m om ent van de ram ing heeft. Deze planning kan later nog veranderen.15 Ten slotte wordt geregeld dat GTS bij de beschrijving van de optimale inzet van m iddelen en m ethoden tevens een beschrijving opneemt van de inzet van de reserve stikstofinstallaties.

2.3.3.2 Back-up taak GTS Op basis van onderzoeken door GTS in 2013 16 en 2015 17 is vanaf 2016 de m ogelijkheid van gasproductie uit het Groningenveld als back-up in geval van verstoringen in het gassysteem ten behoeve van de wettelijke taken van GTS opgenomen in de instemmingsbesluiten respectievelijk vaststellingsbesluiten voor het Groningenveld. Tot nu toe is in alle besluiten het m aximale volume voor back-up vastgesteld op m aximaal 1,5 m iljard Nm 3 per gasjaar. De back-up functie, zoals die opgenomen is geweest in de besluiten voor de winning , is op basis van de onderzoeken van GTS, in die besluiten beperkt tot drie situaties. Ten eerste in geval van technische m ankementen aan de (baseload en reserve stikstof)installaties van GTS. Ten tweede bij transportbeperkingen, zoals de fysieke locatie waarop het hoogcalorische gas wordt aangeboden ten opzichte van de locaties waar kwaliteitsconversie kan plaatsvinden, waardoor de m ogelijkheid om kwaliteitsconversie in te zetten wordt beperkt. Ten derde in geval van onverwachte wijzigingen in de sam enstelling van het hoogcalorisch gas waardoor er m eer stikstof nodig is uit de stikstofinstallaties om hoogcalorisch gas te converteren en waardoor terugval op andere m iddelen (het Groningenveld) noodzakelijk is om te voorzien in de vraag naar laagcalorisch gas .

Binnen de bestaande systematiek gebeurt de verhoging van de gasproductie uit het Groningenveld als backup op verzoek of aanwijzing van GTS aan GasTerra. In de o p de Gaswet gebaseerde technische codes is de m ogelijkheid van een dergelijk verzoek of een aanwijzing nader uitgewerkt .18 Dit is een generieke bevoegdheid, niet gericht op een specifiek m iddel. Afhankelijk van het feit of GTS aangeeft dat sprake is van een van de redenen is waarvoor verhoging van de gaswinning uit het Groningenveld in het vaststellingsbesluit is toegestaan, kan het Groningenveld extra worden ingezet. In fase 1 blijft de noodzaak bestaan om het Groningenveld als back-up bij de genoemde verstoringen in het gassysteem te kunnen inzetten en de gaswinning voor dat doel te verhogen boven het niveau van m inim umflow. Deze m ogelijkheid wordt daarom in fase 1 behouden. Dit wetsvoorstel voorziet er evenwel in dat de ze inzet van het Groningenveld als back-up in belang van de wettelijke taken van GTS in en op grond van de Gaswet wordt geregeld. Hierdoor worden aan de voorkant duidelijke wettelijke kaders gesteld voor de inzet van het Groningenveld als reservemiddel en is daarop ook beter toezicht mogelijk.

Tot nu toe was de inzet van het Groningenveld als back-up voor GTS alleen geregeld in besluiten m et betrekking tot de productie uit het Groningenveld die zich richten tot de vergunninghouder, niet tot GTS. In fase 1, waarin de gaswinning zich in principe beperkt tot de minimumflow als gevolg van het operationeel houden van de productielocaties, en waarin het opregelen van de winning boven het volume van m inim umflow alleen in uitzonderlijke situaties (waaronder ten behoeve van de back-up taak van GTS) kan plaatsvinden, is nodig dat dat deze situaties en de randvoorwaarden die daarbij gelden, wettelijk worden vastgelegd.

15 Vgl. Transportcode Gas LNB, artikel 4.4.1. 16 Bijlage bij Kamerstukken II 2013/14, 33 529, nr. 28. 17 Zie https://www.internetconsultatie.nl/gaswinning . 18 Vgl. Transportcode Gas LNB, artikel 4.4.5 en artikel 4.4.6.

Concreet wordt met dit wetsvoorstel in artikel 10a Gaswet bepaald dat GTS een aanwijzing geeft aan een daartoe aangewezen rechtspersoon – de shipper voor het Groningenveld, GasTerra – gericht op het aanspreken van het Groningenveld indien dat noodzakelijk is voor de goede uitvoering van haar wettelijke taken. Hierbij gaat het om taken die betrekking hebben op het bewaken van de systeemintegriteit, waaronder het beheer van het landelijk gastransportnet, de balanshandhaving en kwaliteitsconversie. GasTerra is verplicht om de aanwijzing van GTS uit te voeren. Bij m inisteriële regeling wordt vastgelegd in welke specifieke situaties GTS een aanwijzing m ag en kan geven die leidt tot de inzet van het Groningenveld voor back-up. Daarbij zal ook worden m eegenomen hoe deze bevoegdheid zich verhoudt tot de reeds bestaande reguliere bevoegdheid van GTS tot het doen van een verzoek of aanwijzing die niet gericht is op een specifiek m iddel – en die dus onder m eer kan leiden tot de inzet andere m iddelen, zoals de gasopslagen. Vervolgens zal beoordeeld m oeten worden in hoeverre de op de Gaswet gebaseerde technische codes, waarin de bestaande reguliere bevoegdheid van GTS is geregeld, in lijn hierm ee aangepast of verduidelijkt m oeten worden.

Bij m inisteriële regeling wordt ook een m aximum gesteld aan de om vang van de ten behoeve van die aanwijzing in te zetten extra gaswinning (waaronder een maxim um volume). Hierbij wordt de ram ing door GTS van de voor de back-up taak benodigde capaciteit en het daarvoor benodigde volume betrokken (zie paragraaf 2.3.3.1), zodat de back-up m ogelijkheid zich tot het noodzakelijke beperkt. Ten slotte wordt vastgelegd welke gegevens de aanwijzing bevat. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de reden voor de aanwijzing. Ten behoeve van toezicht wordt bepaald dat GTS het inroepen van de back-up aan de Minister en aan de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) m oet m elden. Bij m inisteriële regeling zullen ook ten aanzien van deze m elding regels worden gesteld, waaronder de inhoud van de m elding en de term ijn waarbinnen de m elding m oet worden gedaan. Ook wordt bepaald dat GTS in haar jaarlijkse rapportage die zij na afloop van ieder gasjaar m oet doen tevens rapporteert over het inroepen van het Groningenveld als back-up. Bij overtreding van de bepalingen waarin de back-up taak is geregeld kan de ACM een boete opleggen. Ten slotte m oet GTS ook de vergunninghouder over de aanwijzing inform eren.

2.3.3.3 Operationele strategie in fase 1 Met dit wetsvoorstel wordt de ook de Mijnbouwwet aangepast aan de specifieke laatste inzet van het Groningenveld als reservemiddel in fase 1: productie op m inimumflow met de gelimiteerde m ogelijkheid tot opregelen van de gaswinning ten behoeve van de leveringszekerheid in twee situaties – ten behoeve van de back-up taak van GTS of indien dat nodig is om te voorzien in een uitzonderlijke hoge fysieke vraag naar laagcalorisch gas . Deze inzet m oet worden vertaald naar een operationele strategie die het kader m oet bieden waarbinnen de vergunninghouder m ag en m oet opereren. De bepalingen in hoofdstuk 4a van de Mijnbouwwet die zien op de inhoud en uitvoering van de operationele strategie worden hierop aangepast. Minim um flow In de Mijnbouwwet is al bepaald dat de vergunninghouder op basis van de ram ing van GTS op verzoek van de Minister een operationele strategie opstelt die de verdeling van de winning over de clusters in volum e en tijd om vat (artikel 52c). Daarbij m oeten het m inimaliseren van de inzet van het Groningenveld en het m inimaliseren van de verwachte bodembeweging als uitgangspunt worden genomen. Onder winning wordt in dit verband zowel de capaciteitsmatige als de volum ematige inzet van het Groningenveld verstaan.

Op basis van de door GTS geraam de capaciteitsbehoefte kan dus in de operationele strategie worden uitgewerkt welke productielocaties nog operationeel dienen te worden gehouden. Als uitwerking van de verdeling van de winning over de clusters in volum e en tijd wordt in de operationele strategie tevens opgenomen welk niveau van m inim umflow (als m inim aal niveau van winning) nodig is om de betreffende productielocaties m et een voldoende m ate van betrouwbaarheid operationeel te houden. De vergunninghouder is hierbij uiteraard gebonden aan de uitgangspunten en randvoorwaarden die de Minister ten aanzien van m inim umflow stelt. Zoals hiervoor is toegelicht (paragraaf 2.3.3.1), is op basis van dezelfde uitgangspunten de m inimumflow ook door GTS m eegenomen in de ram ing. De vergunninghouder m oet in zijn voorstel voor de operationele strategie aan deze uitgangspunten concreet invulling

geven, zodat de Minister op basis daarvan een definitieve beslissing kan nem en over de toegestane m inim umflow. Inzet voor de back-up taak van GTS Doordat m et dit wetsvoorstel wordt geregeld dat GTS in de ram ing tevens opneemt welk volume uit het Groningenveld nodig is ten behoeve van de nieuwe back-up taak, en de operationele strategie wordt opgesteld met inachtneming van die ram ing (artikel 52c van de Mijnbouwwet), wordt erin voorzien dat de inzet van het Groningenveld voor dit doel wordt m eegenomen in de operationele strategie. Hierbij geldt dat voor dit doel geen aanvullende capaciteit operationeel wordt gehouden ten opzichte van de capaciteit die, zoals hiervoor beschreven, operationeel wordt gehouden om gedurende een dag m et een uitzonderlijk hoge vraag naar laagcalorisch gas (door kou) eindafnemers van laagcalorisch gas te kunnen voorzien. Inzet in belang leveringszekerheid (anders dan voor back-up taak GTS) De Mijnbouwwet biedt nog geen kader voor het opnemen en inkaderen in de operationele strategie van de situaties waarin de gaswinning wordt opgeregeld boven de minimumflow in de situatie dat sprake is van een hoge vraag naar laagcalorisch gas (door kou) die fysiek alleen kan worden afgedekt m et (beperkte) inzet van het Groningenveld.

De gaswinning uit het Groningenveld m oet daarvoor beperkt en op zeer korte termijn, zoals binnen de dag, kunnen worden aangepast. Het gaat hierbij niet om de specifieke technische situaties die effect hebben op het netbeheer waarvoor de back-up taak van GTS bedoeld is, m aar om situaties ingegeven door een fysiek hoge vraag waarvoor GasTerra de m eest aangewezen partij is om daarin te voorzien (en waarin GTS als onafhankelijk netbeheerder niet kan en m ag voorzien). Het gaat dus om situaties waarbij er geen sprake is van een aanwijzing door GTS, m aar er toch beperkt laagcalorisch gas uit het Groningenveld boven op de m inimumflow nodig is. Hierbij speelt dat een zekere reservestelling van de gasopslagen nodig is als randvoorwaarde voor de operationele strategie.19 Het is bijvoorbeeld m ogelijk dat zich al in het najaar of begin van de winter een zeer koude periode voordoet, en de vraag piekt buiten de grenzen van de reservestelling van de gasopslagen die nodig is voor de rest van de winter. Ook een sam enloop van om standigheden is denkbaar. Om dit soort situaties op te vangen en/of te voorkomen kan het nodig zijn om de gaswinning uit het Groningenveld op te regelen boven het niveau van m inim umflow.

Binnen de huidige systematiek op grond van de Wet m inimaliseren gaswinning heeft GasTerra de ruim te om dit soort situaties in haar dagelijkse operaties op te vangen, en voor dat doel de gaswinning uit het Groningenveld binnen de dag te laten op - of afregelen, zo lang de gaswinning op jaarbasis voldoet aan de graaddagenformule. In fase 1 is deze graaddagenformule als kader echter niet m eer toepasbaar (zie de toelichting in paragraaf 2.3.2 en 2.3.3). In het belang van de instandhouding van de kwaliteitsloze gasmarkt, goede m arktwerking en het voorkomen van m arktm anipulatie is het noodzakelijk dat GasTerra in fase 1 nog voldoende ruim te houdt om deze situaties te kunnen opvangen.20 In artikel 52c wordt daarom opgenomen dat in de operationele strategie tevens de mogelijkheid wordt m eegenomen tot verhoging van de winning in de dag ten opzichte van de m inim umflow in verband m et het belang van het kunnen voorzien van afnem ers van de benodigde hoeveelheid laagcalorisch gas (de leveringszekerheid). Bij m inisteriële regeling worden regels gesteld ten aanzien van de m ate waarin en de om standigheden waaronder de winning voor dit doel kan worden aangepast. Hierbij kan onder m eer worden gedacht aan regels ten aanzien van het m axim ale volum e voor het opregelen van de gaswinning.

Hierbij geldt overigens dat het volume al in absolute zin wordt begrensd door de capaciteit van de productielocaties die nog operationeel worden gehouden. Ook kan worden gedacht aan een uitwerking van hoe zich de m ogelijkheid tot opregelen verhoudt tot de reservestelling van de gasopslagen

19 Gasopslagen kennen een injectieseizoen en een productieseizoen. Dit beperkt beschikbaarheid van productie

tot de winter en zolang er werkvolume is. De uitgangspunten die worden aangeduid als ‘reservestelling’ beogen te borgen dat er voldoende werkvolume beschikbaar is om het productieseizoen door te komen. NB. dit geldt niet voor de zogenoemde gascavernes, die een andere cyclus hebben. 20 Kamerstukken II 2018/19, 33 529, nr. 666.

Op die m anier wordt de noodzakelijke ruimte voor de operaties van GasTerra behouden terwijl daarvoor tegelijkertijd, ter vervanging van de graaddagenformule, een duidelijk kader wordt gesteld waarbinnen m oet worden geopereerd en waarm ee duidelijke grenzen worden gesteld aan de inzet van het Groningenveld. Om dat de aanpassing van de winning in deze situaties in beginsel geschiedt op initiatief van GasTerra wordt in de Gaswet voor GasTerra eveneens een m eldplicht opgenomen. GasTerra m oet aan de Minister en de ACM m elden dat inzet van het Groningenveld boven niveau van m inim umflow nodig is. Bij m inisteriële regeling worden ook ten aanzien van deze m elding regels gesteld, waaronder de inhoud van de m elding en de termijn waarbinnen de m elding moet worden gedaan. Operationele strategie en verplichtingen vergunninghouder Uiteindelijk stelt de Minister de operationele strategie vast. Binnen de hiervoor omschreven kaders stelt de Minister daarm ee vast welke invulling wordt gegeven aan het operationeel houden van de productielocaties op m inimumflow en de mate waarin het opregelen boven minimumflow in dat gasjaar wordt toegestaan voor de twee typen toegestane uitzonderlijke gevallen (back-up GTS en fysiek hoge vraag). De vergunninghouder is en blijft verplicht om de operationele strategie uit te voeren (winningsplicht).

Met dit wetsvoorstel wordt in artikel 52d Mijnbouwwet expliciet opgenomen dat de Minister als onderdeel van de operationele strategie ook de verplichtin gen van de vergunninghouder vastlegt ten aanzien van het opregelen van de winning boven de m inimumflow. Op die m anier wordt verzekerd dat het Groningenveld als reservemiddel operationeel wordt gehouden en dat het opregelen boven minimumflow kan en m oet plaatsvinden binnen de kaders die daarvoor op basis van dit wetsvoorstel worden gesteld. Hierm ee blijft het uitgangspunt uit de Wet m inim aliseren gaswinning behouden dat Minister de wijze van inzet van het Groningenveld dwingend voorschrijft en de vergunninghouder hierin geen eigen sturingsmogelijkheden heeft. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat in de Mijnbouwwet reeds is voorzien de m ogelijkheid om de operationele strategie gedurende het gasjaar te wijzigen indien dat gerechtvaardigd wordt door het belang van de leveringszekerheid. Ook is voorzien in de m ogelijkheid om door m iddel van een tijdelijke m aatregel de operationele strategie aan te vullen of daarvan af te wijken om wille van de veiligheid een onverwachte gebeurtenis of een substantiële wijziging. Deze bepalingen blijven ongewijzigd.

Ten slotte wordt m et dit wetsvoorstel bepaald dat de vergunninghouder in de rapportage die zij aan het einde van het gasjaar over de gaswinning m oet doen, tevens rapporteert over de inzet van het Groningenveld boven het niveau van m inim umflow ten behoeve van de back-up taak van GTS en/of binnen de hiervoor genoemde ruim te voor GasTerra. In com binatie m et de jaarlijkse rapportage van GTS en de eventuele meldingen die gedurende het gasjaar van GTS en/of GasTerra zijn ontvangen over de noodzaak tot inzet van het veld boven m inim umflow levert dit voor de Minister inzicht ten behoeve van de beoordeling of het toegestane kader voor inzet van het Groningenveld verder kan worden teruggeschroefd of zelfs fase 2 al in werking kan treden. 2.4 Publieke seismische dreigings- en risicoanalyse (SDRA) Ten behoeve van de afweging van de veiligheidsbelangen die de Minister m aakt bij de vaststelling van de operationele strategie, wordt binnen het huidige systeem de operationele strategie onderbouwd aan de hand van een dreigings- en risicoanalyse. Dit is een analyse van de dreiging en het risico gem oeid m et de winning uitgevoerd op basis van de operationele strategie (artikel 52c, vierde lid, onderdelen b en c, Mijnbouwwet). Deze analyse is een m odelmatige inschatting van de grondbeweging en het effect op de gebouwen en infrastructurele werken.

De uitkom sten hiervan vorm en binnen de huidige systematiek tevens de basis voor de versterkingsopgave.21 Tot aan 2020 is de dreigings- en risicoanalyse uitgevoerd

21 Deze functie van de analyse is op dit moment vastgelegd in het Besluit versterking gebouwen Groningen. Op

13 oktober 2020 is het wetsvoorstel tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met de versterking

door de vergunninghouder. De analyse door de vergunninghouder wordt aangeduid als de Hazard and Risk Assessment, afgekort ‘HRA’, van de vergunninghouder. De Minister heeft in november 2018 besloten om de dreigings- en risicoanalyse in publiek beheer te nemen. Dat wil zeggen dat deze analyse door een onafhankelijke publieke partij zonder belangen in de gaswinning, en niet langer door de vergunninghouder, wordt uitgevoerd.22 De opdracht om een publieke variant voor de HRA te ontwikkelen is verstrekt aan TNO.23 Dit heeft geresulteerd in de publieke seismische dreigings- en risicoanalyse (hierna: SDRA) van TNO. Het onderliggende model kan, net als het voorgaande HRA-m odel, de seismische dreiging en risico berekenen ten gevolge van de gaswinning. Dit m odel is echter volledig in publieke handen en wordt openbaar gemaakt, waardoor m odelverbeteringen ook door andere partijen in opdracht van de Minister kunnen worden uitgevoerd en geïmplementeerd. De Minister blijft verantwoordelijk voor het besluit om trent de operationele strategie (zie paragraaf 2.5). Vanaf 2021 is de Minister ook systeemverantwoordelijk voor de uitvoering van de publieke SDRA. De Minister heeft TNO de opdracht gegeven om de SDRA te beheren en de publieke risicoanalyse uit te voeren.

Vanaf het gasjaar 2021-2022 wordt de operationele strategie verstrekt sam en m et de resultaten van de publieke SDRA, welke de Minister betrekt b ij de besluitvorming. Voor dit doel heeft de Minister, tegelijk m et het verzoek in de zogenoemde verwachtingenbrief om een operationele strategie voor te stellen (op basis van artikel 52c, tweede lid, van de Mijnbouwwet), aangegeven dat de operationele strategie dient te worden verstrekt samen m et de resultaten van de in opdracht van de Minister door TNO opgestelde publieke SDRA. Dit wetsvoorstel voorziet in een aanpassing van artikel 52c van de Mijnbouwwet in verband m et het gebruik van de publieke SDRA. Het huidige artikel 52c, vierde lid, specificeert dat de dreigingsen risicoanalyse ter onderbouwing van de operationele strategie door de vergunninghouder aan de Minister wordt verstrekt. Dit artikel laat in zijn huidige vorm ruim te voor de toepassing van de publieke SDRA. TNO voert de analyse uit en de resultaten van de analyse van TNO worden verstrekt sam en met de operationele strategie. Dit wetsvoorstel wordt evenwel aangegrepen om de bovengenoemde procedure en werking van de publieke SDRA en verantwoordelijkheden van partijen in de Mijnbouwwet te verduidelijken.

In een nieuw onderdeel wordt verduidelijkt dat de Minister de op grond van de Mijnbouwwet aangewezen instelling de opdracht kan geven om de analyses, bedoeld in artikel 52c, vierde lid, geheel of gedeeltelijk te verrichten. De Minister kan dus TNO, of eventueel een andere partij, de opdracht geven de analyses te verrichten. Het kan daarbij ook gaan om een gedeelte van de analyses. Wanneer er analyses in opdracht van de Minister door een andere partij dan de vergunninghouder worden verricht, is de vergunninghouder verplicht tot het verstrekken van de benodigde gegevens aan deze aangewezen partij. Ook wordt verduidelijkt dat wanneer er analyses in opdracht van de Minister door een andere partij dan de vergunninghouder worden verricht, deze analyses door deze partij rechtstreeks aan de Minister worden verstrekt. De vergunninghouder hoeft die analyses niet zelf te verstrekken. In de afgelopen jaren is het karakter van de dreigings- en risicoanalyse veranderd. In voorgaande jaren werd de vergunninghouder gevraagd m eerdere operationele strategieën voor te stellen en elk van die strategieën m et een risicoanalyse te onderbouwen. Op die m anier had de Minister de relevante inform atie om de strategie m et de laagste veiligheidsrisico’s te kunnen vaststellen. In de aanstaande fase zal de wijze van winnen nauwelijks m eer van invloed zijn op de veiligheidsrisico’s.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12746401/1