CConstaterende datMidden-Groningen
Koppel je AI →
Document · PDF

260625-04.1 Bijlage 1 - tussenevaluatie Nationaal Programma Groningen april 2026

Raadsvergadering 25 juni 2026, gemeente Midden-GroningenBij agendapunt: Ingekomen stukken van burgers en instanties28.878 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

teringen, gerichte concentratie op structurele opgaven en duurzame borging van effecten. Wanneer hefboomwerking vooral op projectniveau blijft en minder programmatisch wordt verbonden, ontstaat de bijdrage in vooral als optelsom van losse interventies. Dat betekent niet dat Nationaal Programma Groningen onvoldoende effect sorteert. Het betekent wel dat het pro-

23

HEFBOOMWERKING

gramma, binnen de huidige inrichting, minder sterk stuurt op het vergroten van de gezamenlijke impact dan mogelijk zou zijn met een expliciet op samenhang en strategische bundeling gerichte aanpak. Hoe zichtbaar en geconcentreerd de bijdrage in de resterende looptijd wordt, hangt af van het beter verbinden van financiële hefboomwerking, sturing en toekomstbestendigheid.

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

3

Het lerend vermogen van Nationaal Programma Groningen 3.1 Lerend vermogen bij hoge ambities en beperkte middelen In deze fase van de uitvoer verschuift de aandacht van opzet naar versterking: wat werkt, wat werkt minder en hoe kan de gezamenlijke impact worden vergroot? In een programma met verschillende interventies, uitvoeringspraktijken en bestuurslagen ontstaan onvermijdelijk verschillen in aanpak en effectiviteit. Wanneer deze verschillen zichtbaar worden gemaakt en systematisch worden benut, kunnen middelen gerichter worden ingezet, succesvolle werkwijzen worden opgeschaald en minder effectieve aanpakken worden bijgesteld. Lerend vermogen vergroot daarmee het maatschappelijk rendement van de beschikbare middelen. Omdat het programma werkt met een vaste looptijd en een eindig budget, moet bijsturing tijdens de uitvoering plaatsvinden. Lerend vermogen is daarom geen aanvullende kwaliteit, maar een voorwaarde voor doelmatigheid. Onder lerend vermogen verstaan wij het vermogen om ervaringen en resultaten uit projecten en deelprogramma’s te verzamelen, te duiden en te vertalen naar keuzes op programmaniveau. Het gaat niet alleen om leren binnen projecten, maar om het verbinden van uitvoering, programmering en sturing.

24

HET LEREND VERMOGEN VAN NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN

In deze evaluatie onderscheiden wij drie samenhangende dimensies van lerend vermogen: 1. Instrumentarium en inrichting van leren: de mate waarin leren expliciet is georganiseerd, welke instrumenten beschikbaar zijn en of sprake is van een cyclische werkwijze van uitvoeren, reflecteren en bijstellen. 2. Leren binnen het programma: de uitwisseling en benutting van inzichten tussen projecten, programmalijnen en bestuurslagen. 3. Lessen vanuit het programma: de mate waarin ervaringen worden gedeeld en benut buiten Nationaal Programma Groningen. Voor alle drie dimensies geldt dat leren pas bijdraagt aan doelmatigheid wanneer inzichten daadwerkelijk doorwerken in keuzes over prioritering, fasering en inzet van middelen. Lerend vermogen is daarmee nauw verbonden met sturing. In de volgende paragrafen analyseren wij hoe deze dimensies zijn ingericht, hoe zij functioneren en welke factoren hun ontwikkeling beïnvloeden. De analyse is mede gebaseerd op tijdlijn 2 in bijlage B.

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

3.2 Instrumentarium en inrichting van het lerend vermogen De ontwikkeling van lerend vermogen binnen Nationaal Programma Groningen hangt samen met de manier waarop leren organisatorisch is ingericht. Het programma is gepositioneerd als lerend programma. Reflectie en kennisontwikkeling moeten bijdragen aan kwaliteitsverbetering en bijsturing. Deze ambitie is echter beperkt vertaald naar een samenhangende, programmabrede leerstructuur. Vanaf de start is een deel van het budget gereserveerd voor monitoring en evaluatie. Jaarlijks verschijnt een onafhankelijke monitor die de ontwikkeling van de regio op de vier ambities volgt. Deze monitors bieden een doorlopend beeld van maatschappelijke trends en vormt een belangrijk referentiepunt voor reflectie binnen bestuur en organisatie. Monitoring is daarmee structureel onderdeel van de verantwoordingspraktijk. Een goed functionerend lerend vermogen vraagt daarnaast om betrouwbare en toegankelijke informatie over voortgang, inhoud en financiën van projecten. Het programmabureau besteedt zichtbaar veel aandacht aan projectadministratie en heeft hierin verbeteringen doorgevoerd. De huidige inrichting kent echter kwetsbaarheden. Er wordt gewerkt met meerdere Excel- en spreadsheetoverzichten. Dit ver-

groot de foutgevoeligheid en bemoeilijkt het combineren van inhoudelijke, financiële en voortgangsgegevens. Daardoor is het lastig om systematisch inzicht te krijgen in samenhang, effectiviteit en voortgang op programmaniveau. In de startfase lag de nadruk op het opzetten van het programmabureau en het mogelijk maken van uitvoering. Instrumenten zoals het Loket Leefbaarheid en later het Impulsloket ondersteunden initiatiefnemers en verbeterden de kwaliteit van aanvragen. Deze instrumenten droegen bij aan leren in de uitvoering, maar waren niet ingericht om inzichten programmabreed te verzamelen of te vertalen naar strategische keuzes. Ook het omgevingskwaliteitteam, de onafhankelijke beoordelingscommissie en het programmabureau hebben bijgedragen aan professionalisering. Terugkoppeling leidde tot aanpassingen in procedures en beoordelingscriteria. Dit leren was vooral gericht op verbetering van processen en uitvoering. Het kreeg geen expliciete plaats in een programmabrede leerstructuur. Reflectie vond plaats via afzonderlijke onderzoeken en trajecten, maar niet als structureel onderdeel van een programmabrede sturingscyclus.

3.3 Leren binnen het programma: praktijk, inspanningen en beperkingen Het lerend vermogen manifesteert zich vooral binnen de uitvoering van projecten en in de interactie tussen programmalijnen en bestuurslagen. In de praktijk wordt geleerd en zijn inspanningen geleverd om kennisdeling te bevorderen. De doorwerking naar structurele bijsturing op programmaniveau is echter beperkt. Daarbij spelen de inrichting van het programma en de lange doorlooptijd van projecten een belangrijke rol.

Leren in en tussen projecten Binnen afzonderlijke projecten wordt actief geleerd. Initiatiefnemers passen hun aanpak gaandeweg aan op basis van

25

HET LEREND VERMOGEN VAN NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN

ervaringen met samenwerking, uitvoering en participatie. De ondersteuning door het programmabureau en terugkoppeling vanuit de onafhankelijke beoordelingscommissie dragen hieraan bij. De kwaliteit van projectvoorstellen is in de loop der tijd toegenomen en procedures zijn aangescherpt en vereenvoudigd. Ook evaluaties, zoals de evaluatie van Programma Toukomst door Andersson Elffers Felix, hebben geleid tot reflectie binnen specifieke programmalijnen. Binnen Toukomst zijn bovendien gezamenlijke reflectiemomenten georganiseerd, zoals Toukomstdagen voor initiatiefnemers. Deze bijeenkomsten boden ruimte voor kennisdeling en versterkten de onderlinge verbinding.

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

De benutting van leerervaringen op programmaniveau wordt mede beïnvloed door de lange doorlooptijd van projecten. Bij circa zestig procent van de projecten binnen het programma als geheel is de verwachte doorlooptijd aangepast, met een gemiddelde verlenging van ongeveer vijftig weken. De gemiddelde doorlooptijd steeg van circa 187 naar 237 weken. Dergelijke verlengingen zijn in complexe programma’s met fysieke en maatschappelijke projecten niet uitzonderlijk. Zij hangen samen met factoren als prijsontwikkelingen, personeelsschaarste en afhankelijkheden van externe procedures. Voor het lerend vermogen betekent dit dat resultaten en overdraagbare lessen vaak pas laat beschikbaar komen. Leren vindt daardoor grotendeels gelijktijdig plaats, terwijl de mogelijkheid om op basis van afgeronde projecten expliciete keuzes te maken over opschaling of bijstelling beperkt is. Het is daarmee vooral de timing van beschikbare inzichten die het programmatisch leren begrenst.

Leren tussen programmalijnen en bestuurslagen Er zijn verschillende inspanningen geleverd om leren tussen programmalijnen en bestuurslagen te stimuleren. Zo vonden bijeenkomsten plaats van programmacoördinatoren, projectleiders en vertegenwoordigers van gemeenten. Deze bijeenkomsten waren bedoeld om inzicht te krijgen in verschillen in tempo en uitvoering tussen programma’s en om onderlinge afstemming te bevorderen. Daarnaast zijn projectleidersbijeenkomsten en werkbezoeken georganiseerd. Deze functioneerden als informele leerstructuur en droegen bij aan reflectie en het signaleren van knelpunten. Ook onderzoeken, zoals het onderzoek naar executiekracht, leverden waar-

devolle inzichten op in structurele randvoorwaarden voor uitvoering. Daarnaast functioneerden trainees als informele schakels in kennisdeling tussen projecten en organisaties. Deze leeractiviteiten hebben echter vooral een uitwisselend karakter. Er is geen vaste structuur waarin inzichten systematisch werden vastgelegd, geanalyseerd en gekoppeld aan programmatische keuzes. Trainees en andere tijdelijke betrokkenen dragen bij aan kennisuitwisseling, maar zijn niet bedoeld als structureel instrument voor programmatisch leren. Doordat programmalijnen en gemeenten zich in verschillende uitvoeringsfasen bevinden, ontbreekt vaak een gedeeld referentiepunt om ervaringen goed te vergelijken of breed toepasbaar te maken. Leeractiviteiten richten zich daarom vooral op het delen van ervaringen en minder op gezamenlijke conclusies voor het programma als geheel.

Gevolgen voor programmatisch leren Nationaal Programma Groningen beschikt over veel individuele leerervaringen en heeft inspanningen geleverd om kennisdeling te bevorderen. Deze inspanningen hebben vooral geleid tot verbetering van uitvoering en kwaliteitsverhoging op projectniveau. Een structurele koppeling tussen leerinzichten en programmatische keuzes over prioritering, fasering en samenhang is minder expliciet georganiseerd. Lange doorlooptijden en gefaseerde ontwikkeling van programmalijnen versterken dit effect. Leeractiviteiten richtten zich vooral op het delen van ervaringen en minder op het formuleren van gezamenlijke conclusies voor het programma als geheel.

3.4 Lessen vanuit het programma: uitwisseling en benutting van ervaringen Leren naar buiten maakt geen vast onderdeel uit van een programmatische leer- en sturingscyclus. In de praktijk wisselt Nationaal Programma Groningen echter actief kennis uit met andere programma’s en beleidsprocessen. Deze

26

HET LEREND VERMOGEN VAN NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN

kennisdeling vindt vooral plaats in relatie tot nieuwe of parallelle gebiedsgerichte trajecten en is vaak verbonden aan concrete samenwerkingsprocessen. Ervaringen uit Nationaal Programma Groningen worden bijvoorbeeld benut bij

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

de inrichting en doorontwikkeling van de Sociale Agenda en de Economische Agenda van Nij Begun. Daarbij worden zowel sterke punten als knelpunten uit de Groningse aanpak meegenomen, zoals de werking van trekkingsrechten en de spanning tussen autonomie en samenhang. Ook bij de start van Nationaal Programma Groningen is geleerd van andere gebiedsgerichte programma’s, waaronder Nationaal Programma Rotterdam Zuid. De programmadirecteur werd uitgenodigd om lessen te delen over langjarige

programmering, sturing en samenwerking. Op lokaal niveau vindt daarnaast uitwisseling plaats met Regio Deals, vaak doordat dezelfde gemeentelijke afdelingen betrokken zijn bij de uitvoering. Hierdoor ontstaat kennisdeling in de praktijk vrijwel vanzelf. Deze voorbeelden laten zien dat Nationaal Programma Groningen deel uitmaakt van een bredere leeromgeving van gebiedsgerichte initiatieven. De uitwisseling is vooral gekoppeld aan concrete trajecten en samenwerkingen.

3.5 Gevolgen voor verwachte doelmatigheid van het programma De analyse laat zien dat binnen Nationaal Programma Groningen daadwerkelijk wordt geleerd. Monitoring, evaluaties, reflectiemomenten en ondersteuning vanuit het programmabureau hebben bijgedragen aan verbetering van projectkwaliteit, procedures en uitvoering. Initiatiefnemers passen hun aanpak aan op basis van ervaringen en knelpunten worden gesignaleerd en besproken. Het lerend vermogen functioneert daarmee zichtbaar op project- en deelprogrammaniveau. De doorwerking naar programmaniveau is beperkter. Inzichten uit projecten, portefeuilleanalyses en afzonderlijke onderzoeken zijn niet structureel gekoppeld aan expliciete keuzes over prioritering, fasering of herordening van middelen. Het leren was vooral gericht op verbetering van uitvoering en minder op programmatische bijsturing van de investeringsmix als geheel. Een belangrijke verklaring ligt in de inrichting van het programma. De nadruk op decentrale verantwoordelijkheid, de gefaseerde ontwikkeling van programmalijnen en de lange doorlooptijden van projecten maakten het moeilijk om tij-

27

HET LEREND VERMOGEN VAN NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN

dig afgeronde lessen te benutten voor strategische keuzes. Leren vond plaats, maar was niet ingebed in een vaste leeren sturingscyclus op programmaniveau. In samenhang met de bevindingen uit de voorgaande hoofdstukken betekent dit dat ook het lerend vermogen vooral functioneert binnen afzonderlijke onderdelen van het programma. Het versterkt de kwaliteit van projecten, maar wordt minder systematisch ingezet als instrument om samenhang, hefboomwerking en concentratie van middelen programmabreed te vergroten. Dit raakt aan de doelmatigheid. In dit programma vraagt doelmatigheid om het vermogen om gaandeweg scherper te prioriteren, middelen te concentreren en succesvolle werkwijzen op te schalen. Als leerinzichten vooral op projectniveau blijven en niet worden gebruikt voor programmabrede keuzes, verbeteren projecten wel, maar wordt de totale inzet minder optimaal benut. Door leerinzichten in de resterende tijd nadrukkelijk mee te nemen in keuzes over prioriteiten, fasering en investeringen, kan het programma gerichter en sterker bijdragen aan de ambities.

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

4

Doeltreffendheid: mate van doelbereik 4.1 Rol van jaarlijkse monitoring in beoordeling doelbereik In de beoordeling van de doeltreffendheid van Nationaal Programma Groningen maken wij onderscheid tussen: 1. Mate van doelbereik: de mate waarin de beoogde resultaten en effecten van het programma feitelijk zichtbaar. We kijken daarbij naar de ontwikkeling van indicatoren die samenhangen met de vier ambities en de twee impactdoelstellingen. 2. Mate van doelrealisatie: de mate waarin deze waargenomen ontwikkelingen (deels) zijn toe te schrijven aan de inzet en interventies van Nationaal Programma Groningen. De beoordeling van de doelrealisatie wordt uitgewerkt in hoofdstuk 5.

INPUT (PROJECT)

UITVOER

Het oordeel over het doelbereik baseren wij primair op de uitkomsten van de Monitor 2024. Deze monitor geeft inzicht in de ontwikkeling van de regio op de ambitie- en impactgebieden van het programma, afgezet tegen de uitgangssituatie in 2018 en tegen relevante referentiegroepen. Wij beoordelen of de regio en gemeenten zich ontwikkelen in lijn met de doelen en ambities van Nationaal Programma Groningen. Daarbij kijken wij niet naar effecten per project, maar naar de voortgang op regionaal niveau.

OUTPUT

Efficiency (doelmatigheid)

DOELTREFFENDHEID: MATE VAN DOELBEREIK

IMPACT

- Economie - Werken & leren - Leefbaarheid - Natuur & klimaat

- Brede Welvaart - Imago

Effectiviteit (doeltreffendheid)

Resultaten van de projecten

28

OUTCOME

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

4.2 Mate van doelbereik per ambitie De vier ambities van Nationaal Programma Groningen zijn vertaald naar concrete indicatoren waarop het doelbereik kan worden gevolgd. Deze indicatoren maken inzichtelijk of de regio en gemeenten zich ontwikkelen in lijn met de beoogde inhaalslag ten opzichte van referentiegebieden. Per ambitie gaat het om de volgende doelstellingen:

• Economie: de bruto toegevoegde waarde stijgt sterker in Groningen dan gemiddeld in Nederland.

• Werken en Leren: iedere gemeente in het aardbevingsgebied presteert op netto-participatiegraad, gemiddeld besteedbaar inkomen en uitstroom per opleiding beter dan de gemiddelde ontwikkeling in haar referentiegroep.

• Leefbaarheid: iedere gemeente in het aardbevingsgebied presteert op de leefbarometer beter dan de gemiddelde ontwikkeling in haar referentiegroep.

• Natuur en Klimaat: de regio Groningen presteert beter op

Positief is dat de bruto toegevoegde waarde exclusief delfstofwinning in de periode 2018–2021 sterker groeide dan landelijk. Dit wordt ondersteund door een toename van het aantal banen en bedrijfsoprichtingen. Deze ontwikkelingen laten zien dat de Groningse economie zich, ondanks de afbouw van de aardgaswinning, structureel versterkt. De regionale verschillen blijven echter groot. Met name de gemeente Groningen bepaalt in belangrijke mate het positieve provinciale beeld. Tegelijkertijd zijn er aandachtspunten. Het aandeel snelgroeiende en exporterende bedrijven is afgenomen ten opzichte van het begin van de programmaperiode. Juist deze bedrijven zijn van groot belang voor het regionale verdienvermogen, waardoor de daling een risico vormt. Daarnaast blijven investeringen in onderzoek en ontwikkeling en in materiële activa achter bij het landelijke niveau. Dit kan op termijn de economische weerbaarheid en het groeivermogen van de regio onder druk zetten.

de Living Planet Index dan het Nederlands gemiddelde Hieronder beschrijven wij per ambitie hoe de indicatoren sinds de start zijn veranderd en of er een inhaalslag is ten opzichte van referentiegebieden.

Economie: ontwikkeling deels beïnvloed door inflatie Uit de Monitor 2024 blijkt dat Groningen momenteel voldoet aan de hoofdambitie voor Economie. Dit beeld wordt echter deels beïnvloed door de hoge inflatie in 2022. De bruto toegevoegde waarde groeit sterker dan het landelijke gemiddelde, mede door de economische structuur van de provincie en het relatief grote aandeel delfstofwinning en energievoorziening. Tegelijkertijd blijft de volumegroei achter bij het landelijke gemiddelde, wat wijst op beperkte reële economische groei.

29

DOELTREFFENDHEID: MATE VAN DOELBEREIK

Werken en Leren: gemengd beeld en verschillen tussen gemeenten De regio voldoet ten dele aan de hoofdambities voor Werken en Leren. De ontwikkeling verschilt per gemeente en laat een gemengd beeld zien. De netto arbeidsparticipatie in de aardbevingsgemeenten is de afgelopen jaren sterker toegenomen dan gemiddeld in de referentiegebieden. In 2023 ligt de ontwikkeling in alle aardbevingsgemeenten boven die van de referentiegemeenten. Deze stijgende arbeidsparticipatie gaat gepaard met een daling van de werkloosheid. Tegelijkertijd blijft de arbeidsparticipatie in absolute zin structureel lager dan in de referentiegroep en dan het landelijke gemiddelde. Hierbij spelen de relatief grote groep inwoners met een afstand tot de arbeidsmarkt en de omvangrijke studentenpopulatie in de gemeente Groningen een rol.

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

Het besteedbare huishoudinkomen is in alle gemeenten in het aardbevingsgebied gestegen. In Het Hogeland, Midden-Groningen en Oldambt blijft deze stijging echter achter bij het gemiddelde van de referentiegebieden. Ook in 2021 lag het besteedbare huishoudinkomen in alle vijf aardbevingsgemeenten nog onder het gemiddelde van de referentiegroep. Voor de ambitie om beter te presteren op de uitstroom van studenten uit het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs dan de referentiegemeenten geldt dat drie van de vijf aardbevingsgemeenten hieraan voldoen. In 2022 is in alle gemeenten sprake van een stijging, maar in Eemsdelta en Oldambt blijft de ontwikkeling achter bij de referentiegebieden. Het aandeel afgestudeerden uit het hoger onderwijs ligt, met uitzondering van de gemeente Groningen, onder het gemiddelde van de referentiegroep. Grote regionale verschillen spelen hierbij een belangrijke rol. Groningen trekt dankzij de aanwezigheid van de Rijksuniversiteit Groningen en meerdere hogescholen veel jongeren aan uit Noord-Nederland.

Leefbaarheid: stabiel, maar geen inhaalslag De aardbevingsgemeenten voldoen niet aan de hoofdambitie van Nationaal Programma Groningen op het gebied van leefbaarheid. Sinds 2018 is de algemene leefbaarheid per saldo stabiel gebleven en blijft de ontwikkeling achter bij het gemiddelde van de referentiegebieden. Dit hangt grotendeels samen met het langzame tempo waarin de indicatoren van de Leefbarometer veranderen. Een nadere analyse van de onderliggende indicatoren laat zien dat de aardbevingsgemeenten relatief vaak lagere scores en negatieve trends kennen. Dit betreft onder meer ervaren gezondheid, tevredenheid met de woning en woonomgeving en de kwaliteit van de woning. Schade aan woningen als gevolg van gaswinning speelt hierbij een belangrijke rol. Er is een duidelijke samenhang tussen de omvang van

30

DOELTREFFENDHEID: MATE VAN DOELBEREIK

de schade en zowel een lagere ervaren leefbaarheid als een lagere waardering van de leefomgeving. De tevredenheid met het leven vertoont sinds 2020 een dalende trend, zowel landelijk als provinciaal en lokaal. Deze ontwikkeling valt samen met het begin van de coronapandemie. In de aardbevingsgemeenten ligt de levenstevredenheid structureel lager dan in de referentiegebieden. Relatief lage inkomens- en opleidingsniveaus, in combinatie met de impact van aardbevingsschade op woontevredenheid en ervaren gezondheid, dragen hieraan bij.

Natuur en Klimaat: sterkere daling Living Planet Index dan landelijk Groningen voldoet momenteel niet aan de hoofdambitie voor Natuur en Klimaat. Sinds 2018 is de Living Planet Index in de provincie sterker gedaald dan het landelijke gemiddelde. De ambitie uit het programmakader is om beter te presteren dan de landelijke ontwikkeling. Er is sprake van een jaarlijkse lichte afname, vooral door de negatieve ontwikkeling van de biodiversiteit in het ecosysteem boerenland. Om de ambitie te realiseren is een trendomslag binnen de programmaperiode noodzakelijk. Tegelijkertijd zijn er positieve ontwikkelingen op het gebied van klimaatmitigatie. De uitstoot van broeikasgassen per inwoner is sinds de nulmeting duidelijk afgenomen, al ligt de absolute uitstoot nog boven het landelijke gemiddelde. Dit verschil hangt samen met de omvangrijke energieproductie in de provincie. Tussen 2021 en 2022 is de uitstoot in Groningen sterk gedaald, vooral door verduurzaming van de elektriciteitsproductie. Deze daling is sterker dan landelijk. Ook exclusief elektriciteitsproductie is sprake van een duidelijke afname in dezelfde periode, eveneens gunstiger dan de landelijke trend.

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

4.3 Mate van doelbereik per impactdoelstelling Naast de ambities richt Nationaal Programma Groningen zich op twee impactdoelstellingen: brede welvaart en imago, waarin gedurende de uitvoering een zichtbare verbetering wordt beoogd.

23%

Brede welvaart: positieve ontwikkeling, maar nog geen inhaalslag

0%

Uit de Monitor 2024 blijkt dat de brede welvaart sinds de uitgangssituatie is toegenomen. Tegelijkertijd blijft deze ontwikkeling in vrijwel alle aardbevingsgemeenten en in de provincie als geheel achter bij vergelijkbare gebieden in Nederland. De relatieve positie van Groningen is daarmee verslechterd. Van een inhaalslag is nog geen sprake. Deze uitkomst moet worden bezien in het licht van de gehanteerde indicatoren, die grotendeels betrekking hebben op 2022–2023, een periode waarin Nationaal Programma Groningen nog beperkt op stoom was en de inzet op onder meer leefbaarheid nog in ontwikkeling was. Het Groninger Panel laat zien dat inwoners verdeeld zijn over de ervaren ontwikkeling van de brede welvaart. Een minderheid ervaart een verbetering, terwijl een groter deel neutraal of negatief oordeelt. Positieve ervaringen hangen vooral samen met de toegenomen werkgelegenheid. Achterblijvende scores op ervaren gezondheid, woontevredenheid en sociale cohesie drukken de brede welvaart.

Nog niet alle inwoners ervaren een positieve ontwikkeling van de brede welvaart Om te bepalen hoe inwoners de ontwikkeling van de brede welvaart ervaren, is het Groninger Panel gevraagd of zij vinden dat de brede welvaart in de regio zich de afgelopen jaren positief of negatief ontwikkelde. Antwoorden konden worden gegeven op een 5-puntsschaal van zeer negatief tot zeer positief, met de optie ‘weet ik niet/geen mening’. De periode ‘de afgelopen jaren’ is niet nader gespecificeerd; het gaat om een ervaren ontwikkeling, niet om een afgebakende tijdsperiode.

31

DOELTREFFENDHEID: MATE VAN DOELBEREIK

50%

20

18%

40

60

(zeer) negatief

(zeer) positief

neutraal

geen mening/weet ik niet

80

9%

100%

Figuur 1: Antwoorden op de vraag: Vindt u dat de brede welvaart in de regio de afgelopen jaren positief of negatief is ontwikkeld (N=2.344) Bron: Groninger Panel, januari 2025.

Figuur 1 toont dat 18% van de respondenten vindt dat de brede welvaart in de regio in de afgelopen jaren is verbeterd. Een groter aandeel, 23% van de Groningers, geeft aan dat de brede welvaart is verslechterd en 50% beantwoordt deze vraag met ‘neutraal’. De resterende 9% gaf aan het niet te weten of geen mening te hebben.

Imago: per saldo geen verbetering Ook voor het imago is tot op heden geen structurele verbetering zichtbaar. Uit de Monitor 2024 blijkt dat verschillende doelgroepen Groningen in 2024 lager waarderen dan bij aanvang van het programma. Alleen bedrijven buiten de regio geven een hogere waardering dan in 2018. Ook uit het Groninger Panel blijkt een verdeeld beeld onder inwoners. Uit de monitoring van de imagoscores in de afgelopen jaren, blijkt dat het imago van Groningen in 2023 negatief beïnvloed is door de Parlementaire enquête aardgaswinning Groningen. In 2024 is enig herstel zichtbaar. Daarbij valt op dat niet-Groningers de regio vaker spontaan associëren met het einde van de gaswinning. Positieve associaties met studeren, ruimte en groen blijven sterk aanwezig, terwijl de associatie met aardbevingen nog altijd een belangrijke rol speelt.

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

29%

0%

39%

20

26%

40

60

80

6%

29%

100%

0%

42%

20

40

60

(zeer) negatief

(zeer) positief

(zeer) negatief

(zeer) positief

neutraal

geen mening/weet ik niet

neutraal

geen mening/weet ik niet

24%

4%

80

100%

Figuur 2: Antwoorden op de vraag: Vindt u dat het imago van Groningen de afgelopen jaren positief of negatief is ontwikkeld (N=2.344) Bron: Groninger Panel, januari 2025.

Figuur 3: Antwoorden op de vraag: Vindt u dat uw vertrouwen in de toekomst de afgelopen jaren positief of negatief is ontwikkeld (N=2.344)

Herstel van vertrouwen: geen eenduidige ontwikkeling

werken en leven wordt een basis gelegd waarop vertrouwen kan groeien.

Binnen Nationaal Programma Groningen geldt het herstel van vertrouwen onder inwoners als een belangrijke maatschappelijke impact. Deze doelstelling is in het programmakader niet uitgewerkt als een afzonderlijke impactdoelstelling, maar wordt beschouwd als een beoogd neveneffect van de inzet op de vier ambities. Tegen de achtergrond van de aardbevingsproblematiek en langdurige onzekerheid beoogt het programma bij te dragen aan perspectief en vertrouwen in de toekomst. Door te investeren in de kwaliteit van wonen,

Op basis van deze evaluatie kan worden vastgesteld dat nog niet wordt voldaan aan deze impactdoelstelling. Uit het Groninger Panel blijkt dat inwoners verdeeld zijn over de ontwikkeling van hun vertrouwen in de toekomst. Ongeveer een kwart ervaart een toename van vertrouwen, terwijl een iets grotere groep juist een afname ervaart. Daarmee is, net als bij brede welvaart, nog geen eenduidige positieve ontwikkeling zichtbaar.

4.4 Conclusie: huidige doelbereik Nationaal Programma Groningen Op basis van de voorgaande analyse concluderen wij dat het huidige doelbereik op de ambitie- en impactdoelstellingen nog achterblijft bij de doelen uit het programmakader. De mate van doelbereik verschilt daarbij per doelstelling en tussen gemeenten. Tegelijkertijd laat de regio sinds de start van het programma op meerdere terreinen een positieve ontwikkeling zien. Een daadwerkelijke inhaalslag ten opzichte van vergelijkbare gebieden is echter nog niet gerealiseerd. Dit beeld vraagt om plaatsing in context. Structurele sociaaleconomische achterstanden die zich over meerdere decennia hebben opgebouwd, laten zich niet binnen enkele jaren volledig wegwerken. Daarnaast wordt de ontwikkeling

32

DOELTREFFENDHEID: MATE VAN DOELBEREIK

waarop Nationaal Programma Groningen inzet, in belangrijke mate beïnvloed door externe factoren. Dit is zichtbaar in de monitoring van verschillende indicatoren, zoals imago (invloed van de parlementaire enquête) en het bruto binnenlands product (invloed van inflatie). Ook de doorwerking van de aardbevingsproblematiek blijft van invloed op sociale en leefbaarheidsaspecten en beperkt daarmee het tempo waarin een inhaalslag kan worden gerealiseerd. Tegen deze achtergrond beweegt de regio zich in de gewenste richting, maar vraagt duurzame convergentie met vergelijkbare gebieden om een langere termijn.

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

5

Doeltreffendheid: mate van doelrealisatie 5.1 Wijze van beoordeling van de mate van doelrealisatie In hoofdstuk 4 beschreven we het doelbereik van Nationaal Programma Groningen. Daarmee is zichtbaar gemaakt in hoeverre de regio zich ontwikkelt in lijn met de ambities van het programma. In dit hoofdstuk staat de doelrealisatie centraal: de vraag in hoeverre deze ontwikkelingen (mede) kunnen worden toegeschreven aan de inzet van Nationaal Programma Groningen. Het gaat daarbij niet alleen om de richting van trends, maar om de aannemelijkheid van een bijdrage van het programma aan de geconstateerde veranderingen. De beoordeling van doelrealisatie vraagt om een andere benadering dan de beoordeling van doelbereik. Waar doelbereik vooral cijfermatig wordt vastgesteld, moeten we voor doelrealisatie inschatten in hoeverre veranderingen echt door het programma komen, terwijl er tegelijk veel andere factoren invloed hebben. In deze fase van de programmaperiode is een robuuste uitspraak over de feitelijke doelrealisatie nog niet mogelijk. Een deel van de indicatoren kent achterlopende peildata en geeft nog geen volledig beeld van recente ontwikkelingen. Daarnaast is tot 1 januari 2025 slechts een beperkt deel van de programmamiddelen besteed en zijn relatief weinig pro-

33

DOELTREFFENDHEID: MATE VAN DOELREALISATIE

jecten afgerond. Het merendeel bevindt zich nog in uitvoering of is recent gestart. Maatschappelijke en economische effecten manifesteren zich bovendien vaak met vertraging. Daarom kan in deze tussenevaluatie wel een oordeel worden gegeven over het doelbereik, maar nog geen onderbouwde uitspraak over de mate waarin dit doelbereik aan Nationaal Programma Groningen kan worden toegeschreven. Een dergelijke beoordeling is pas in een latere fase mogelijk, wanneer meer projecten zijn afgerond en actuelere gegevens beschikbaar zijn.

Relevantie van de beoordeling van de verwachte doelrealisatie Hoewel een uitspraak over de feitelijke doelrealisatie nu nog beperkt mogelijk is, kan wel een inschatting worden gemaakt van de verwachte doelrealisatie. Deze inschatting baseren wij op een analyse van de projectenportefeuille in samenhang met de bevindingen over het doelbereik uit hoofdstuk 4. De projectenportefeuille laat zien welke interventies zijn ingezet, hoe groot ze zijn, waarop ze zich richten en in welke mate ze kunnen bijdragen aan de ambities van het programma. Door deze informatie te koppelen aan de gebieden

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

waar het doelbereik achterblijft of juist goed ontwikkelt, kan worden bepaald of de huidige inzet logisch aansluit bij de regionale opgaven. Zo biedt de inschatting van de verwachte

bijdrage al handvatten voor bijsturing, zonder dat je eerst hoeft te wachten tot alle effecten helemaal zichtbaar zijn.

5.2 Verwachte bijdrage aan de ambitie Economie Totale inzet op de ambitie economie De totale projectenportefeuille van Nationaal Programma Groningen bestaat op 1 januari 2025 uit 327 projecten. Van deze projecten verwachten 248 projecten (ongeveer 75%) een effect op de ambitie Economie. Een groot deel van deze projecten richt zich primair op één van de andere ambities en verwacht een neveneffect op de economische ambitie te realiseren. Bij iets meer dan 30% van deze projecten is op basis van de projectaanvraag niet concreet gespecificeerd op welke wijze een economisch effect wordt verwacht2. Ongeveer één op de vijf van de 248 projecten is primair economisch van aard, in die zin dat zij direct zijn gericht op het realiseren van economische effecten. Projecten waarvoor een inhoudelijke onderbouwing beschikbaar is van het specifieke (sub)thema waarop wordt ingezet, richten zich veelal op het creëren, aantrekken of behouden

Specifiek (sub)thema waar door indieners effect wordt beoogd

Aantal projecten dat op het (sub) thema een effect beoogd

Totaal aan toegekende middelen (naar rato van bijdrage aan economie; in miljoen euro)

Totaal aan cofinanciering (naar rato van bijdrage aan economie; in miljoen euro)

Totale omvang (naar rato van bijdrage aan economie; in miljoen euro)

INNOVATIEKRACHT

24

€ 17,0

€ 22,0

€ 39,0

ONDERNEMERSCHAPSKLIMAAT

15

€ 6,6

€ 16,8

€ 23,3

VESTIGINGSKLIMAAT

17

€ 30,1

€ 74,4

€ 104,6

WERKGELEGENHEID

34

€ 35,3

€ 110,4

€ 145,6

NIET SPECIFIEK

79

€ 51,2

€ 53,3

€ 104,5

EINDTOTAAL

248

€ 140,2

€ 276,9

€ 417,0

Tabel 1: Projecten met beoogde inzet op Economie, per subthema

34

DOELTREFFENDHEID: MATE VAN DOELREALISATIE

van werkgelegenheid. Van de 34 projecten die een werkgelegenheidseffect voorzien, zijn er slechts zeven primair economisch van aard. De overige projecten zijn primair gericht op andere ambities en verwachten een indirect economisch effect, bijvoorbeeld vanuit de veronderstelling dat investeringen in leefbaarheid, onderwijs of infrastructuur ook bijdragen aan de regionale economie. De totale omvang van de 248 projecten die een effect op de ambitie Economie verwachten, bedraagt (naar rato van de verwachte bijdrage) circa €417 miljoen. Veel van deze middelen worden ingezet voor het stimuleren van werk­ gelegenheid of het versterken van het vestigingsklimaat. Op 1 januari 2025 is circa 60% van deze projecten in uitvoering, ongeveer 30% is afgerond en circa 10% bevindt zich in de voorbereidingsfase. De afgeronde projecten betreffen voornamelijk kleinere projecten die primair bijdragen aan de ambitie Leefbaarheid en slechts een beperkt economisch neveneffect verwachten te realiseren.

Specifieke inzet op economie De grootste bijdrage aan de ambitie Economie wordt verwacht van projecten die zich primair en direct op deze doelstelling richten. In deze evaluatie maken wij daarbij onderscheid tussen directe en indirecte effecten:

2 Veelal betreffen dit projecten die totstand gekomen zijn in de beginfase van Nationaal Programma Groningen toen er nog minder specifieke eisen werden gesteld aan de projectaanvragen. Daarnaast betreffen het veel projecten waarvan indieners verwachten dat het project slecht een zeer beperkte bijdrage levert aan de economische ambities van het programma. Hetgeen maakt dat deze bijdrage ook niet nader is gespecificeerd.

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

• Directe effecten: effecten die rechtstreeks voortkomen uit de kernactiviteiten van een project, zoals extra werkgelegenheid of productiviteitsgroei.

• Indirecte effecten: tweede- of derde-orde effecten, bijvoorbeeld via verbeteringen in leefbaarheid, onderwijs of infrastructuur die op termijn doorwerken in de economie. Het betreft 48 projecten met een totale investering van €600,9 miljoen, waarvan €180,3 miljoen afkomstig is van Nationaal Programma Groningen. De cofinanciering binnen deze groep is bovengemiddeld hoog, mede door een relatief grote bijdrage van private partijen, wat wijst op betrokkenheid van het bedrijfsleven. Van de 48 projecten zijn er negen afgerond. Ultimo 2024 was 32,5% van de toegekende middelen besteed. Op basis van de projectaanvragen wordt verwacht dat circa 60% van de projecten een direct economisch effect heeft, terwijl bij 40% sprake is van indirecte effecten. De projecten zijn op basis van de aanvraagformulieren ingedeeld naar inhoudelijk thema. Deze variëren van versterking van industriële en agrofoodsectoren tot de ontwikkeling van

Bijdrage Nationaal Programma Groningen (in miljoen euro)

Categorie

Aantal projecten

Totale omvang projecten (in miljoen euro)

AANTAL PROJECTEN

7

€ 186,20

€ 14,40

TOTALE OMVANG PROJECTEN

3

€ 36,40

€ 28,00

(IN MILJOEN EURO)

4

€ 31,40

€ 16,40

BIJDRAGE NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN

5

€ 101,80

€ 12,10

(IN MILJOEN EURO)

9

€ 26,00

€ 12,20

VERBETERING VAN DE CONCURRENTIEKRACHT VAN HET BREDE MKB

4

€ 21,30

€ 16,40

GEBIEDSONTWIKKELINGEN (CENTRUM- EN DORPSPLANNEN)

11

€ 108,40

€ 24,70

OVERIGE ECONOMISCHE PROJECTEN

5

€ 89,40

€ 55,80

de waterstofeconomie, de vrijetijdseconomie en gebiedsontwikkelingen.

Voorlopige constateringen over de verwachte bijdrage aan Economie De economische hoofdambitie van Nationaal Programma Groningen – een sterkere groei van de bruto toegevoegde waarde dan gemiddeld in Nederland – is ambitieus in verhouding tot de schaal van het programma. Met een regionale economie van circa €29 miljard (2023) is de investeringsimpuls vanuit het programma relatief beperkt. Zoals eerder vastgesteld, is hefboomwerking daarom van groot belang. Initiatieven zoals de baanbrekers zijn hier expliciet op gericht, maar hebben tot nu toe slechts in beperkte mate geleid tot substantiële vervolg- of strategische investeringen. Op basis van de huidige investeringsomvang en hefboomwerking mag een bescheiden bijdrage aan de economische hoofdambitie worden verwacht. Dit betekent echter niet dat de bijdrage betekenisloos is. Impact vraagt vooral om gerichte inzet op thema’s waar het grootste verschil kan worden gemaakt. Gezien de schaarste aan arbeid, ruimte en grondstoffen is het van belang dat bedrijven en instellingen in Groningen hun productiviteit sterker verhogen dan gemiddeld. Dit vraagt om investeringen in sectoren met een bovengemiddeld regionaal verdienvermogen, zoals agrofood, industrie en chemie, en om ondersteuning van innovators en het brede mkb bij het creëren van meer waarde. Daarbij is ook een evenwichtige regionale verdeling van economische baten van belang.

Vanuit dit perspectief sluit een groot deel van de economische inzet van Nationaal Programma Groningen aan bij de regionale potentie. Investeringen in vestigingsklimaat, innovatiekracht en vrijetijdseconomie dragen in potentie bij aan een toekomstbestendig economisch fundament. Ook de inzet op de waterstofeconomie kan, onder passende randvoorwaarden, bijdragen aan versterking van de bestaande industrie en aan nieuwe economische activiteiten.

Tabel 2: Categorisering primaire projecten Economie

35

DOELTREFFENDHEID: MATE VAN DOELREALISATIE

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

Aandachtspunten Tegelijkertijd laat de analyse enkele aandachtspunten zien. De inzet op het brede mkb is relatief beperkt, terwijl juist daar kansen liggen voor productiviteitsgroei. Daarnaast gaat een aanzienlijk deel van de middelen naar centrum- en dorpsplannen, die belangrijk zijn voor leefbaarheid maar naar verwachting vooral indirect bijdragen aan de economi-

sche hoofdambitie. Ook blijft de investeringsstroom richting de industriële sector achter, terwijl deze sector een relatief grote bijdrage levert aan het regionale verdienvermogen. Daartegenover staat dat een substantieel deel van de middelen is gealloceerd aan de waterstofeconomie, waarvan de concrete economische meerwaarde voor de regio zich nog moet bewijzen.

5.3 Verwachte bijdrage aan de ambitie Leefbaarheid Totale inzet op de ambitie leefbaarheid Van de 327 projecten verwachten 286 projecten (circa 87%) bij te dragen aan de ambitie Leefbaarheid. In vergelijking met de andere ambities richt een relatief groot deel van de projecten zich primair op het verbeteren van de leefbaarheid in de regio. Bij ongeveer een kwart van deze 286 projecten is op basis van de projectaanvraag niet concreet uitgewerkt op welke wijze het effect op leefbaarheid wordt gerealiseerd. Dit betreft met name projecten uit de beginfase van het programma en projecten die primair zijn gericht op een andere

hoofdambitie, maar daarnaast een bijdrage aan leefbaarheid verwachten te leveren. Voor meer dan 200 projecten is uit de projectdocumentatie af te leiden op welk (sub)thema zij primair inzetten om bij te dragen aan Leefbaarheid. Uit tabel 3 blijkt dat deze projecten zich vooral richten op het vergroten van de aantrekkelijkheid van de fysieke leefomgeving. Deze categorie is zowel qua aantal projecten als qua totale investeringsomvang (naar rato van de verwachte bijdrage aan leefbaarheid, inclusief cofinanciering) dominant aanwezig. Dit wordt deels verklaard doordat veel projecten die primair bijdragen aan andere ambities daarnaast een neveneffect op leefbaarheid verwachten via fysieke ingrepen. Het gaat hierbij vaak om gebiedsontwikkelingen, soms in combinatie met de versterkingsopgave. Relatief weinig projecten richten zich primair op het bevorderen van een gezonde leefstijl. Deze projecten zijn doorgaans kleinschalig en kennen beperkte cofinanciering.

Specifiek (sub)thema waar effect wordt beoogd

Aantal projecten dat een effect beoogd

Totaal aan toegekende middelen (naar rato van bijdrage aan leefbaarheid; in miljoen euro)

Totaal aan cofinanciering (naar rato van bijdrage aan leefbaarheid; in miljoen euro)

Totale omvang (naar rato van bijdrage aan leefbaarheid; in miljoen euro)

VERSTERKEN SOCIALE COHESIE EN SAMENLEVEN

47

€ 22,8

€ 13,7

€ 36,6

VERHOGEN VAN DE AANTREKKELIJKHEID VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

97

€ 107,1

€ 106,4

€ 213,5

VERGROTEN WELZIJN, WEERBAARHEID EN EIGEN REGIE

50

€ 17,3

€ 12,2

€ 29,4

MEER MENSEN MET EEN GEZONDE LEEFSTIJL EN EEN GEZOND GEWICHT

10

€ 5,1

€ 1,8

€ 6,8

NIET SPECIFIEK

82

€ 39,4

€ 25,2

€ 64,6

Specifieke inzet op leefbaarheid

EINDTOTAAL

286

€ 191,7

€ 159,3

€ 350,9

De grootste bijdrage aan de ambitie Leefbaarheid wordt verwacht van projecten die zich primair en direct op deze doel-

Van de 286 projecten die een effect op leefbaarheid beogen, is 53% in uitvoering en was 31% eind 2024 afgerond. De afgeronde projecten zijn vooral afkomstig uit de beginfase van Nationaal Programma Groningen (2019 en 2020).

Tabel 3: Projecten met beoogde inzet op Leefbaarheid, per subthema

36

DOELTREFFENDHEID: MATE VAN DOELREALISATIE

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

stelling richten. Het gaat om 150 projecten waarvoor indieners hebben aangegeven dat zij relatief de grootste bijdrage leveren aan de leefbaarheidsambities van het programma. Deze projecten vertegenwoordigen een totale investering van € 387,3 miljoen, waarvan € 208,5 miljoen afkomstig is van Nationaal Programma Groningen. De cofinanciering is in vergelijking met het portefeuille-gemiddelde relatief laag, wat samenhangt met het overwegend lokale karakter van de projecten en het grote aandeel publieke investeringen in de openbare ruimte. Eind 2024 was 34% van de toegekende middelen besteed. Op basis van de projectaanvragen wordt verwacht dat circa 85% van deze projecten een direct effect op de leefbaarheid heeft. Dit aandeel is relatief hoog ten opzichte van andere ambities. Bij de overige 15% gaat het naar verwachting om indirecte effecten. Om een eerste beeld te krijgen van de wijze waarop deze projecten bijdragen aan de leefbaarheidsambities, zijn zij op basis van de aanvraagformulieren ingedeeld in vijf categorieën.

Voorlopige constateringen over de verwachte bijdrage aan Leefbaarheid De leefbaarheidsambitie van Nationaal Programma Groningen is helder: iedere gemeente in het aardbevingsgebied moet op de Leefbaarometer beter presteren dan de gemiddelde ontwikkeling van de referentiegroep. Deze doelstelling Bijdrage Nationaal Programma Groningen (in miljoen euro)

Categorie

Aantal projecten

Totale omvang projecten (in miljoen euro)

VERBETEREN VAN DE LEEFOMGEVING EN DORPSVERNIEUWING

54

€ 192,7

€ 75,9

VERSTERKEN SOCIALE SAMENHANG EN GEMEENSCHAPSKRACHT

7

€ 15,3

€ 5,2

VERBETEREN WELZIJN, GEZONDHEID EN ZORG

29

€ 50,5

€ 32,1

VERBETEREN VEILIGHEID

16

€ 38,8

€ 29,5

VERSTERK EN BEHOUD ERFGOED

44

€ 90,0

€ 65,9

is ambitieus, mede doordat de Leefbaarometer is opgebouwd uit structurele en traag veranderende factoren, zoals bevolkingssamenstelling, voorzieningen, woningkwaliteit en veiligheid. Deze factoren ontwikkelen zich over lange perioden en liggen grotendeels buiten de directe beïnvloedingssfeer van het programma. Sinds 2018 zijn de scores daardoor in geen van de Groningse gemeenten zichtbaar gestegen, noch absoluut, noch relatief ten opzichte van vergelijkbare gebieden. Tegelijkertijd zijn er wel degelijk onderdelen van leefbaarheid waarop binnen de looptijd van het programma gerichte invloed mogelijk is. Nationaal Programma Groningen zet substantieel in op deze beïnvloedbare domeinen, zoals de kwaliteit van de publieke ruimte, ontmoetingsplekken, sociale samenhang, gemeenschapskracht en initiatieven gericht op welzijn, gezondheid en veiligheid. Deze inzet draagt bij aan het lokale leefklimaat en aan de ervaren leefbaarheid van inwoners, ook wanneer structurele indicatoren slechts beperkt meebewegen. Daarmee sluit de programmatische inzet logisch aan bij de onderdelen van leefbaarheid waarop binnen de programmaperiode daadwerkelijk resultaat kan worden geboekt en die voor inwoners direct voelbaar zijn.

Aandachtspunten De analyse laat daarnaast aandachtspunten zien voor de verdere inzet. De investeringen zijn sterk geconcentreerd op de fysieke leefomgeving, terwijl initiatieven gericht op sociale samenhang, welzijn en gezondheid relatief beperkt blijven. Dit vergroot het risico dat vooral zichtbare ruimtelijke verbeteringen worden gerealiseerd, terwijl onderliggende sociale opgaven minder worden geraakt. Ook is de inzet verdeeld over veel kleinschalige projecten, wat de samenhang en stapeling van effecten op regionaal niveau kan beperken.

Tabel 4: Categorisering primaire projecten Leefbaarheid (50 projecten met de meeste middelen)

37

DOELTREFFENDHEID: MATE VAN DOELREALISATIE

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

5.4 Verwachte bijdrage aan de ambitie Werken en Leren De inzet van het programma op Werken en Leren Van de 327 projecten verwachten 240 projecten (circa 73%) bij te dragen aan de ambitie Werken en Leren. Een groot deel hiervan richt zich primair op één van de andere ambities en verwacht daarnaast een neveneffect op Werken en Leren te realiseren. Bij iets meer dan de helft van deze 240 projecten is op basis van de projectaanvraag niet concreet uitgewerkt op welke wijze dit effect wordt bereikt. Dit betreft vooral projecten die niet primair op Werken en Leren zijn gericht. Ongeveer een derde van de projecten is wel expliciet en primair gericht op deze ambitie en heeft daarmee als hoofddoel een bijdrage te leveren aan Werken en Leren binnen ­Nationaal Programma Groningen. Projecten waarvoor een onderbouwing beschikbaar is van het (sub)thema waarop zij primair inzetten, richten zich overwegend op het versterken van de kwantiteit en kwaliteit van het arbeidspotentieel. Van de 60 projecten die hier een effect op verwachten, doen 37 dit als primaire doelstelling.

Specifiek (sub)thema waar effect wordt beoogd

Aantal projecten dat een effect beoogd

Totaal aan toegekende middelen (naar rato van bijdrage aan Werken en Leren; in miljoen euro)

Totaal aan cofinanciering (naar rato van bijdrage aan Werken en Leren; in miljoen euro)

Totale omvang (naar rato van bijdrage aan Werken en Leren; in miljoen euro)

TERUGBRENGEN SCHOOLUITVAL

4

€ 1,9

€ 0,3

€ 2,1

TERUGDRINGEN VAN ARMOEDE EN PROBLEMATISCHE SCHULDEN

13

€ 8,1

€ 4,4

€ 12,5

VERSTERKEN VAN DE AANSLUITING TUSSEN ONDERWIJS EN ARBEIDSMARKT

31

€ 24,0

€ 42,2

€ 66,2

VERSTERKEN VAN DE KWANTITEIT EN KWALITEIT BESCHIKBARE ARBEIDSPOTENTIEEL

60

€ 49,4

€ 53,3

€ 102,7

NIET SPECIFIEK

132

€ 65,9

€ 45,1

€ 111,0

EINDTOTAAL

240

€ 149,3

€ 145,3

€ 294,6

De overige projecten zijn primair gericht op een andere ambitie en leveren een nevenbijdrage aan Werken en Leren. De totale omvang van de 240 projecten bedraagt, naar rato van de verwachte bijdrage aan de ambitie Werken en Leren, € 294 miljoen. Een belangrijk deel van deze middelen wordt ingezet voor het versterken van het arbeidspotentieel en het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Het merendeel van de projecten (63%) was per 1 januari 2025 in uitvoering. Minder dan 30% was op dat moment afgerond.

Specifieke inzet op Werken en Leren De grootste bijdrage aan de ambitie Werken en Leren wordt verwacht van projecten die zich primair en direct op deze doelstelling richten. Het gaat om 75 projecten waarvoor indieners hebben aangegeven dat zij naar verhouding de grootste bijdrage leveren aan deze ambitie. Deze projecten vertegenwoordigen een totale investering van € 122,8 miljoen, waarvan € 70,7 miljoen afkomstig is van Nationaal Programma Groningen. De cofinanciering is, vergeleken met het gemiddelde in de portefeuille, relatief laag. Dit hangt samen met een beperkt aandeel private cofinanciering en het relatief grote aandeel projecten uit lokale programma’s. Van de 75 projecten zijn er inmiddels 20 afgerond. Ultimo 2024 was 36,4% van de toegekende middelen besteed. Op basis van de projectaanvragen wordt verwacht dat bij 87% van deze projecten een direct effect op Werken en Leren optreedt. Bij de overige 13% gaat het naar verwachting om tweede- of derde-orde effecten. Om een eerste beeld te krijgen van de wijze waarop en de mate waarin deze projecten bijdragen aan de ambitie Werken en Leren, zijn zij op basis van de aanvraagformulieren nader gecategoriseerd. Daarbij worden vijf categorieën onderscheiden.

Tabel 5: Projecten met beoogde inzet op Werken en Leren, per subthema

38

DOELTREFFENDHEID: MATE VAN DOELREALISATIE

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

Voorlopige constateringen ten aanzien van de te verwachten bijdrage aan Werken en Leren De hoofdambities op Werken en Leren zijn gericht op een sterkere stijging van de netto arbeidsparticipatie, het besteedbaar huishoudinkomen en het opleidingsniveau dan in de referentiegebieden. De realisatie van deze ambities wordt in belangrijke mate beïnvloed door factoren waarop het programma slechts beperkt kan sturen, zoals landelijke arbeidsmarktontwikkelingen en structurele sociaaleconomische kenmerken. Veel indicatoren volgen dan ook grotendeels nationale trends, waaronder de aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt. Daarnaast vragen structurele veranderingen op thema’s als arbeidsparticipatie, schooluitval en armoede een langere tijdshorizon, waardoor substantiële effecten binnen de huidige looptijd niet vanzelfsprekend zichtbaar zijn. Een groot deel van de projecten bevindt zich bovendien nog in uitvoering en een deel van de inzet is kleinschalig van aard. Binnen deze ambitie ligt de nadruk vooral op het versterken van de kwantiteit en kwaliteit van het arbeidspotentieel. Deze projecten hebben aantoonbare waarde voor specifieke doelgroepen, maar de doorwerking op provinciaal niveau blijft vooralsnog beperkt. In relatie tot de hoofdambities valt op dat relatief weinig projecten zich richten op het terugdringen van armoede en schooluitval. Projecten die hierop inzetten

Bijdrage Nationaal Programma Groningen (in miljoen euro)

Categorie

Aantal projecten

Totale omvang projecten (in miljoen euro)

ONDERWIJS EN TALENTONTWIKKELING

27

€ 30,7

€ 19,4

ARBEIDSMARKT, SCHOLING EN LEVEN LANG ONTWIKKELEN

18

€ 50,2

€ 30,7

GEZONDHEID, ZORG EN SOCIALE VEERKRACHT

16

€ 17,7

€ 10,6

ECONOMIE, INNOVATIE EN ENERGIE

8

€ 18,9

€ 6,8

LEEFOMGEVING, CULTUUR EN GEMEENSCHAP

6

€ 5,3

€ 3,2

zijn doorgaans kleinschalig en kennen een relatief beperkte mate van cofinanciering. Dit neemt niet weg dat de inzet binnen Werken en Leren betekenisvol is voor specifieke, vaak moeilijk bereikbare doelgroepen. Juist voor deze groepen kunnen projecten op kleinere schaal een duidelijke positieve impact hebben. De diversiteit van doelgroepen vraagt daarbij om maatwerk en om ruimte binnen projecten om te leren en te experimenteren. Vanuit dit perspectief is het logisch dat veel projecten lokaal en kleinschalig zijn opgezet. Binnen deze projecten zijn innovatieve en werkende aanpakken ontwikkeld die zonder Nationaal Programma Groningen waarschijnlijk niet tot stand zouden zijn gekomen. Het grootste deel van de projecten richt zich op jongeren, scholieren en studenten (34%), gevolgd door projecten gericht op kwetsbare inwoners (20%).

Aandachtspunten Tegelijkertijd zijn er aandachtspunten die de verwachte bijdrage kunnen beperken. Thema’s met potentieel grote impact, zoals het tegengaan van schooluitval en het terugdringen van armoede, krijgen relatief weinig aandacht en worden beperkt opgeschaald. De nadruk ligt vooral op begeleiding en scholing van werkzoekenden, terwijl investeringen aan de vraagzijde van de arbeidsmarkt achterblijven. Daarnaast is de structurele borging van gezamenlijke inzichten en leerervaringen beperkt, terwijl dit van belang is om de effectiviteit van de portefeuille als geheel te vergroten. Ook de samenhang met andere regionale programma’s, zoals het Just Transition Fund, Regio Deals en Elke Regio Telt, is nog beperkt, waardoor kansen voor synergie en gezamenlijke sturing slechts deels worden benut.

Tabel 6: Categorisering primaire projecten Werken en Leren

39

DOELTREFFENDHEID: MATE VAN DOELREALISATIE

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

5.5 Verwachte bijdrage aan de ambitie Natuur en Klimaat De inzet van het programma op Natuur en Klimaat De projectenportefeuille van Nationaal Programma Groningen bestaat per 1 januari 2025 uit 327 projecten. Van deze projecten verwachten 206 projecten (circa 63%) bij te dragen aan de ambitie Natuur en Klimaat. Een groot deel hiervan richt zich primair op één van de andere ambities en verwacht daarnaast een neveneffect op Natuur en Klimaat. Bij iets minder dan de helft van deze 206 projecten is op basis van de projectaanvraag niet concreet uitgewerkt op welke wijze dit effect wordt gerealiseerd. Dit betreft vooral projecten die niet primair op Natuur en Klimaat zijn gericht. Ongeveer één op de vijf projecten is wel expliciet en primair gericht op deze ambitie en heeft daarmee als hoofddoel een bijdrage te leveren aan Natuur en Klimaat binnen Nationaal Programma Groningen. Projecten waarvoor een onderbouwing beschikbaar is van het (sub)thema waarop zij primair inzetten, richten zich overwegend op klimaatmitigatie. Van de 49 projecten die hier een effect op verwachten, doen 25 dit als primaire doelstelling. De overige projecten zijn primair gericht op een andere

Specifiek (sub)thema waar effect wordt beoogd

Aantal projecten dat een effect beoogd

Totaal aan toegekende middelen (naar rato van bijdrage aan Natuur en Klimaat; in miljoen euro)

Totaal aan cofinanciering (naar rato van bijdrage aan Natuur en Klimaat; in miljoen euro)

Totale omvang (naar rato van bijdrage aan Natuur en Klimaat; in miljoen euro)

BIODIVERSITEIT EN NATUURONTWIKKELING

24

€ 19,5

€ 24,4

€ 43,9

CIRCULAIRE ECONOMIE

12

€ 15,1

€ 46,6

€ 61,7

KLIMAATADAPTATIE

22

€ 9,5

€ 5,8

€ 15,3

KLIMAATMITIGATIE

49

€ 32,1

€ 87,3

€ 119,4

NIET SPECIFIEK

99

€ 29,5

€ 13,3

€ 42,8

EINDTOTAAL

206

€ 105,7

€ 177,5

€ 283,1

ambitie en verwachten via innovatie of isolatie bij te dragen aan emissiereductie. De totale omvang van de 206 projecten bedraagt, naar rato van de verwachte bijdrage aan de ambitie Natuur en Klimaat, € 283 miljoen. Een groot deel van deze middelen wordt ingezet voor klimaatmitigatie. Deze projecten kennen bovendien een relatief hoge mate van cofinanciering. Eind 2024 was 56% van de projecten in uitvoering, iets minder dan 30% afgerond en bevond het resterende deel zich in de voorbereidingsfase.

Specifieke inzet op Natuur en Klimaat De grootste bijdrage aan de ambitie Natuur en Klimaat wordt verwacht van projecten die zich primair en direct op deze doelstelling richten. Het gaat om 42 projecten waarvoor indieners hebben aangegeven dat zij naar verhouding de grootste bijdrage leveren aan deze ambitie. Deze projecten vertegenwoordigen een totale investering van € 252,1 miljoen, waarvan € 81,5 miljoen afkomstig is van Nationaal Programma Groningen. De cofinanciering is bovengemiddeld en hangt grotendeels samen met de inzet op de waterstofeconomie, waarbij de bijdrage van het programma relatief beperkt is. Het aandeel private cofinanciering bedraagt 19%, wat past bij het maatschappelijke karakter van deze projecten. Van de 41 projecten zijn er inmiddels 15 afgerond. Ultimo 2024 was 43% van de toegekende middelen besteed. Op basis van de projectaanvragen wordt verwacht dat bij 55% van de projecten een direct effect op Natuur en Klimaat optreedt. Bij de overige 45% gaat het naar verwachting om tweede- of derde-orde effecten. Om een eerste beeld te krijgen van de wijze waarop en de mate waarin deze projecten bijdragen aan de ambitie Natuur en Klimaat, zijn zij op basis van de aanvraagformulieren ingedeeld in zeven categorieën.

Tabel 7: Projecten met beoogde inzet op Natuur en Klimaat, per subthema

40

DOELTREFFENDHEID: MATE VAN DOELREALISATIE

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

Voorlopige constateringen ten aanzien van de verwachte bijdrage aan Natuur en Klimaat De hoofdambitie voor Natuur en Klimaat is dat de Living ­Planet Index in Groningen zich gunstiger ontwikkelt dan landelijk. Voor een regionaal programma als Nationaal Programma Groningen is het moeilijk om hierop merkbare invloed uit te oefenen. De belangrijkste bepalende factoren van de Living Planet Index, zoals klimaatverandering, stikstofbelasting, waterkwaliteit en structurele trends in soortenrijkdom, worden grotendeels gestuurd door nationale en internationale ontwikkelingen. Hoewel de portefeuille investeert in biodiversiteit en natuurontwikkeling, bestaat een groot deel van deze inzet uit landschapsontwikkeling. Meer dan de helft van de interventies binnen projecten die primair op Natuur en Klimaat zijn gericht, betreft ingrepen in de fysieke leefomgeving. Deze projecten leveren naar verwachting vooral een bijdrage aan ruimtelijke kwaliteit, maar raken de structurele factoren achter biodiversiteit slechts beperkt. Een direct effect op de Living Planet Index is daardoor niet vanzelfsprekend. Dit betekent echter niet dat de bijdrage van het programma op dit terrein beperkt is. De ambitie Natuur en Klimaat richt zich breder op een toekomstbestendige leefomgeving. Het Bijdrage Nationaal Programma Groningen (in miljoen euro)

Categorie

Aantal projecten

Totale omvang projecten (in miljoen euro)

VERBETERING VAN BIODIVERSITEIT EN NATUURONTWIKKELING

6

€ 61,6

€ 36,2

NATUUR INCLUSIEVE LANDBOUW

5

€ 8,4

€ 2,6

WARMTETRANSITIE

8

€ 24,8

€ 14,3

STIMULERING VAN DE WATERSTOFECONOMIE

6

€ 138,5

€ 19,4

OPWEK VAN DUURZAME ENERGIE

3

€ 8,9

€ 2,2

VERDUURZAMING VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING (WONINGEN EN UTILITEITEN)

10

€ 17,3

€ 11,2

OVERIGE PROJECTEN

3

€ 7,7

€ 4,0

terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen en fijnstof en het vergroten van de klimaatadaptiviteit zijn daarbij van groot belang. Deze inzet draagt bij aan het leefbaar houden van de regio en aan een economische structuur die minder afhankelijk is van fossiele energie. Vanuit dit perspectief is het logisch dat een groot deel van de middelen wordt ingezet op klimaatmitigatie, met name door de verduurzaming van industrie en mobiliteit. Dit leidt tot vermindering van emissies en kan op termijn bijdragen aan een gunstiger klimaat, met indirecte effecten op biodiversiteit. Tegelijkertijd versterkt deze inzet de toekomstbestendigheid van de regionale economie. Ook investeringen in klimaatadaptieve landschapsontwikkeling en vergroening van de openbare ruimte dragen bij aan een aantrekkelijker leefklimaat.

Aandachtspunten De analyse laat daarnaast aandachtspunten zien. De landbouwsector, die een groot deel van het Groningse landschap beslaat en een belangrijke rol speelt in biodiversiteit, is vooralsnog beperkt vertegenwoordigd in de portefeuille. Daarmee blijft sturing op enkele bepalende factoren voor biodiversiteit onderbelicht. Daarnaast gaat een aanzienlijk deel van de middelen naar emissiereductie, waarvan de effecten beperkt zichtbaar zijn. Dit hangt samen met het langetermijnkarakter van deze effecten en met het relatief beperkte aandeel van de regio in mondiale emissies.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17057243/1