CConstaterende datMidden-Groningen
Koppel je AI →
Document · PDF

260625-04.1 Bijlage 1 - tussenevaluatie Nationaal Programma Groningen april 2026

Raadsvergadering 25 juni 2026, gemeente Midden-GroningenBij agendapunt: Ingekomen stukken van burgers en instanties28.878 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Tabel 8: Categorisering primaire projecten Natuur en Klimaat

41

DOELTREFFENDHEID: MATE VAN DOELREALISATIE

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

5.6 Beoordeling van de verwachte mate van doelrealisatie per impactdoelstelling De te verwachten bijdrage van het programma aan brede welvaart

De te verwachten bijdrage van het programma aan Imago

Alle projecten binnen Nationaal Programma Groningen dragen bij aan brede welvaart, zij het op uiteenlopende manieren. Omdat veel projecten zich nog in de uitvoeringsfase bevinden, kan de feitelijke bijdrage op dit moment nog niet worden vastgesteld. Op basis van de huidige projectenportefeuille is wel een onderbouwde inschatting mogelijk van de mate waarin de investeringsmix aansluit bij factoren die de brede welvaart versterken of onder druk zetten.

Het imago van een regio wordt niet alleen bepaald door feitelijke ontwikkelingen, maar ook door de manier waarop deze worden verwoord en uitgedragen. In dat licht is het positief dat Nationaal Programma Groningen investeert in voorzieningen, leefbaarheid en cultuur. Deze projecten versterken de directe leefomgeving en kunnen daarmee bijdragen aan trots en verbondenheid onder inwoners, belangrijke bouwstenen voor een aantrekkelijk regionaal verhaal.

Positief is dat een groot deel van de middelen wordt ingezet op de fysieke leefomgeving. Deze investeringen verbeteren de kwaliteit van wonen en leefomgeving en raken daarmee een factor die in veel Groningse gemeenten een rem vormt op de brede welvaart. Ook de inzet binnen de ambities Werken en Leren en Economie draagt bij aan werkgelegenheid en inkomensperspectief, factoren die de afgelopen jaren aantoonbaar hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van brede welvaart.

Daarnaast heeft Nationaal Programma Groningen met de introductie van de Imagomonitor een duidelijke impuls gegeven aan de professionalisering van de regionale marketinginfrastructuur. De Imagomonitor biedt partners de mogelijkheid om structureel en datagedreven aan imagoversterking te werken en vormt daarmee een belangrijke randvoorwaarde voor een meer gerichte en consistente inzet op dit thema.

Tegelijkertijd wordt binnen de portefeuille relatief beperkt geïnvesteerd in domeinen die juist sterk samenhangen met een lagere brede welvaart, zoals ervaren gezondheid, sociale cohesie en veiligheid. Projecten die zich hierop richten zijn vaak kleinschalig of hebben een indirect karakter, waardoor de kans op zichtbare structurele effecten op provinciaal niveau beperkt is. Op hoofdlijnen draagt de huidige investeringsmix bij aan meerdere brede welvaartsverhogende aspecten, maar sluit zij minder sterk aan op de factoren die de brede welvaart in Groningen structureel onder druk zetten. Dit kan de potentiële impact van het programma als geheel beperken, mede doordat de inzet op deze domeinen afhankelijk is van regionale en landelijke partners.

42

DOELTREFFENDHEID: MATE VAN DOELREALISATIE

Tegelijkertijd ontbreekt binnen het programma centrale sturing op samenhang en op het benutten van de inzichten uit de Imagomonitor. Hoewel aanvragers worden gevraagd hun bijdrage aan het imago toe te lichten, worden deze bijdragen onvoldoende verbonden en vertaald naar een herkenbaar overkoepelend narratief. Ook een breed gedragen regionale imagostrategie is nog beperkt verankerd. Hierdoor blijft het potentieel om via de projecten van Nationaal Programma Groningen strategisch bij te dragen aan het provinciale imago vooralsnog grotendeels onbenut.

De te verwachten bijdrage van het programma aan het Toukomstbeeld Het bestuur heeft verzocht om in de tussenevaluatie in beeld te brengen in hoeverre Nationaal Programma Groningen, op basis van de huidige projectenportefeuille, beweegt richting realisatie van het vastgestelde Toukomstbeeld. Het

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

Toukomst­beeld vormt de door inwoners geformuleerde visie op Groningen in 2040. Die visie is opgebouwd uit drie domeinen die zich ruwweg richten op:

• het versterken van verhalen, cultuur en identiteit van de provincie

• het koesteren en verbeteren van het Groningse landschap.

• het versterken van het economisch en maatschappelijk fundament. Zoals eerder vastgesteld, heeft het Toukomstbeeld in de praktijk geen richtinggevende rol gespeeld bij de totstandkoming van de projectenportefeuille. Veel plannen waren al vergevorderd of vastgesteld vóór publicatie van het Toukomstbeeld en er is programmatisch niet expliciet op gestuurd. Om het verzoek van het bestuur te beantwoorden, zijn de drie domeinen van het Toukomstbeeld in overleg met de opstellers uitgewerkt in twaalf karakteristieken. Vervolgens is op basis van projectdocumentatie beoordeeld in hoeverre

43

DOELTREFFENDHEID: MATE VAN DOELREALISATIE

projecten hieraan bijdragen. Omdat aanvragers niet verplicht zijn expliciet te beschrijven hoe hun project aansluit op het Toukomstbeeld, is deze beoordeling deels interpretatief van aard. Binnen het Toukomstprogramma zijn veel middelen ingezet op identiteit, verhalen en cultuur. Gecorrigeerd voor investeringsomvang ligt de grootste verwachte bijdrage echter bij het koesteren en verbeteren van het Groningse landschap. Voor projecten buiten het Toukomstprogramma is de bijdrage beperkter, al volgt de verdeling over de domeinen een vergelijkbaar patroon. Deze uitkomsten zijn verklaarbaar vanuit het ontbreken van programmatische sturing op het Toukomstbeeld. De bijdrage vanuit de huidige portefeuille is daardoor fragmentarisch en de verdere doorwerking richting 2040 zal naar verwachting beperkt blijven. Tegelijkertijd biedt het Toukomstbeeld een waardevol inhoudelijk kader voor toekomstige programma’s, zoals de Sociale Agenda en de Economische Agenda van Nij Begun.

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

6

AANBEVELINGEN De tussenevaluatie van Nationaal Programma Groningen heeft nadrukkelijk een lerend karakter. Het programma is nog in volle uitvoering en het aantal afgeronde projecten is beperkt. Daarom richten we ons in deze evaluatie vooral op hoe het programma werkt en welke factoren het toekomstige doelbereik bepalen. De uitkomsten geven handvatten om in de rest van de looptijd gericht bij te sturen. In deze rapportage beperken wij ons tot aanbevelingen op strategisch programmaniveau. Zij hebben betrekking op keuzes en afwegingen die het programma als geheel raken en die niet op project- of deelprogrammaniveau kunnen worden opgelost. De drie samenhangende aanbevelingen die volgen zijn gericht aan het bestuur van Nationaal Programma Groningen en beogen bij te dragen aan verdere versterking van de doelmatigheid en doeltreffendheid in de resterende uitvoeringsperiode.

44

AANBEVELINGEN

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

AANBEVELING 1 Ontwikkel een samenhangende investeringsstrategie voor de inzet van resterende en terugvloeiende middelen De huidige wijze van middelen toekennen maakt het lastig om synergie te creëren en de hefboomwerking van Nationaal Programma Groningen te vergroten. Daardoor blijft de totale impact waarschijnlijk kleiner dan nodig. Voor de resterende programmaperiode adviseren wij daarom een samenhangende investeringsstrategie, waarin investeringskeuzes expliciet op elkaar en op andere regionale programma’s worden afgestemd. Dit vergroot de kans dat de gezamenlijke inzet meer oplevert dan de optelsom van afzonderlijke projecten of deelprogramma’s. Zonder zo’n strategie blijven middelen in belangrijke mate projectgedreven en zijn samenhang en hefboomwerking afhankelijk van initiatief op projectniveau in plaats van bewuste keuzes op programmaniveau. Bij het opstellen van de investeringsstrategie zijn deze punten belangrijk:

• De resterende looptijd is beperkt. Dit vraagt om een gerichte inzet op aanpakken waarvan de effectiviteit aannemelijk of bewezen is. Waar in de eerste fase ruimte was voor experimenten en pilots, ligt nu de nadruk op het benutten van deze ervaringen: het identificeren van werkzame elementen en het, waar kansrijk, opschalen of verbreden daarvan binnen de aardbevingsregio.

• De financiële context in de regio is gewijzigd. Sinds de start van Nationaal Programma Groningen kwamen via onder meer de Economische en de Sociale Agenda van Nij Begun en het Just Transition Fund aanvullende middelen beschikbaar. De investeringsstrategie moet hierop aansluiten en een duidelijke keuze maken: versterkt het programma opgaven waarin al wordt geïnvesteerd, of richt het zich op inzet waar minder middelen beschikbaar zijn. Deze keuze is essentieel voor samenhang en impact.

• De bevindingen over de verwachte bijdrage aan ambitieen impactdoel­stellingen vragen om expliciete benutting. De evaluatie laat zien dat op sommige domeinen met

45

AANBEVELINGEN

potentieel grote bijdrage aan de doelstellingen relatief beperkt wordt geïnvesteerd. Een ongelijke spreiding van middelen is niet per definitie problematisch, mits het resultaat van bewuste keuzes. Dit vraagt om per ambitie en impactgebied, gegeven de regionale opgaven en inzet van andere partijen, te bepalen welke inzet het meest kansrijk is. Daarbij is expliciete afweging nodig tussen versterking van bestaande sterke punten en gerichte inzet op structurele achterstanden. Een programmabrede investeringsstrategie vraagt om een concrete vertaling naar de praktijk. Zij geeft richting aan de ontwikkeling en selectie van initiatieven, bijvoorbeeld via prioritering, samenhangs­eisen of specifieke inhoudelijke voorwaarden. Door de investeringsstrategie te verbinden met het beoordelingskader kan de onafhankelijke beoordelingscommissie niet alleen projectkwaliteit beoordelen, maar ook de bijdrage aan samenhang, synergie en hefboomwerking in het programma. Dit voorkomt beoordeling van projecten zonder duidelijke afweging van hun bijdrage aan de gezamenlijke strategische koers.

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

AANBEVELING 2 Beperk uitvoeringsrisico’s door de ondersteuningsinfrastructuur te versterken De evaluatie laat zien dat in de resterende programmaperiode twee uitvoeringsrisico’s de doelmatigheid en doeltreffendheid van Nationaal Programma Groningen kunnen beperken. 1. Vertragingen beperken de ruimte voor opschaling en herinzet. Veel projecten lopen vertraging op door stijgende kosten, gebrek aan personeel en capaciteit, complexe opgaven en afhankelijkheid van andere procedures. Deze vertragingen zijn niet uitzonderlijk in vergelijking met andere programma’s. In combinatie met de beperkte resterende looptijd verkleint dit de ruimte om succesvolle interventies tijdig bij te sturen of op te schalen. Bovendien kan onderbesteding te laat aan het licht komen, waardoor middelen pas laat opnieuw beschikbaar komen. 2. De borging van resultaten is onvoldoende verzekerd. Veel projecten vragen om opvolging of inbedding in bestaande structuren om structurele effecten te realiseren. Wanneer deze borging niet tijdig wordt georganiseerd, bestaat het risico dat resultaten een eenmalig karakter houden en de doorwerking naar de ambities vertraagt of uitblijft. Om deze risico’s te beperken, adviseren wij de ondersteuningsinfrastructuur voor projectuitvoerders in de uitvoeringsfase te versterken.

Dit vraagt om een actievere en anticiperende rol van de programmaorganisatie, gericht op ­faciliteren en ondersteunen zonder verantwoordelijkheden over te nemen. Door signalen over vertraging, onderbeste-

46

AANBEVELINGEN

ding en inhoudelijke knelpunten vroegtijdig te bundelen, kan gerichter worden bijgestuurd waar dit het meeste effect heeft. Concreet kan deze ondersteuning zich onder meer richten op:

• Het inzetten van een interventieteam met expertise op het gebied van financiën, juridische kaders, projectmanagement en samenwerking. Dit team kan knelpunten helpen oplossen, waar nodig procedures versnellen, aanvullende landelijke middelen helpen aantrekken en tussentijdse lessen uit projecten benutten. Het doel is niet versnelling als doel op zich, maar het wegnemen van belemmeringen die realisatie, opschaling en tijdige inzet van middelen in de weg staan.

• Het structureel agenderen van opvolging, opschaling en borging van projectresultaten op programmaniveau. Dit vraagt van het bestuur actieve sturing in samenhang met andere regionale investeringsagenda’s en bestaande institutionele structuren. Het interventieteam kan hierbij ondersteunend optreden. Hiermee vergroot Nationaal Programma Groningen de kans dat succesvolle interventies tijdig worden doorgezet en duurzaam effect sorteren.

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

AANBEVELING 3 Versterk het programmatisch lerend vermogen De evaluatie laat zien dat binnen projecten en programmalijnen van Nationaal Programma Groningen waardevolle leerervaringen worden opgedaan, maar dat deze inzichten nog onvoldoende samenkomen en worden benut op programmaniveau. Leren vindt daardoor vooral ad hoc en gefragmenteerd plaats. Inzichten uit lopende en afgeronde projecten worden niet systematisch verzameld, geduid en verbonden aan strategische keuzes over inzet, fasering en prioritering van middelen. Dit wordt bemoeilijkt door lange doorlooptijden, waardoor resultaten en overdraagbare lessen vaak pas laat beschikbaar komen en beperkt kunnen worden benut voor tijdige bijsturing of opschaling. Er is de afgelopen jaren geïnvesteerd in monitoring en verantwoording, maar de beschikbare informatie wordt nog weinig gebruikt om actief te sturen. De huidige werkwijze, met meerdere Excel- en spreadsheetoverzichten, is vooral gericht op verantwoording en minder op het integraal verbinden van inhoudelijke voortgang, financiële realisatie en doelbereik. Daardoor wordt het potentieel voor datagedreven sturing en betere strategische keuzes nog niet goed benut. Wij adviseren daarom het lerend vermogen op programma­ niveau expliciet te organiseren door:

Het bestaande overleg van programmacoördinatoren kan hierbij worden benut als centrale leerplek, in samenhang met het interventieteam. Door leren niet uitsluitend als projectverantwoordelijkheid te beschouwen, maar als expliciete functie op programmaniveau te organiseren, kan Nationaal Programma ­Groningen gerichter bijsturen en beter onderbouwde keuzes maken voor de resterende middelen. Dit vergroot de kans op duurzame impact op brede welvaart en imago.

• Een centrale plek te creëren waar leerervaringen uit projecten, monitoring en evaluaties samenkomen en worden geduid;

• Een periodieke leer- en reflectiecyclus in te richten waarin deze inzichten worden verbonden aan strategie en uitvoering;

• Duidelijke verantwoordelijkheid te beleggen voor het benutten van leer­ervaringen bij besluitvorming over inzet en prioritering van middelen.

47

AANBEVELINGEN

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

Bijlage A Methode en verantwoording De tussenevaluatie van Nationaal Programma Groningen is uitgevoerd door KplusV, Aletta Advies en Sociaal Planbureau Groningen. De evaluatie richt zich op de eerste vijf jaar van het programma (2019–2024) en is opgezet als een lerende evaluatie gericht op oordeelsvorming én verbetering. De werkzaamheden vonden plaats in de periode januari 2025 tot en met februari 2026. Het onderzoek is uitgevoerd binnen het normenkader van Nationaal Programma Groningen, dat door het Algemeen Bestuur is vastgesteld. Dit kader vormt de basis voor de beoordeling van drie hoofdcriteria:

• Doelmatigheid – de mate waarin middelen efficiënt zijn omgezet in prestaties;

• Doeltreffendheid – de mate waarin de inzet van Nationaal Programma Groningen daadwerkelijk heeft bijgedragen aan het realiseren van doelstellingen;

Het onderzoek is vormgegeven als een lerende evaluatie, waarin analyse en reflectie hand in hand gaan. De aanpak combineert kwantitatieve analyse van de projectenportefeuille met kwalitatieve onderzoeksmethoden zoals interviews, portfolioschouwen en expertsessies.

• Impact – de mate waarin het programma bijdraagt aan structurele maatschappelijke veranderingen in brede ­welvaart en imago.

48

BIJLAGE A

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

Opbouw van de evaluatie De evaluatie kende drie hoofdfasen, voorafgegaan door een voorbereidende nulfase. De verschillende fasen bouwen logisch op elkaar voort: van feitelijke analyse en oordeels­ vorming, via validatie en verdieping, naar verklaring en duiding.

Voorbereiding – opbouw en verrijking projectendatabase Een belangrijke randvoorwaarde voor de evaluatie was de ontwikkeling van een projectendatabase in samenwerking met het programmabureau van Nationaal Programma Groningen. In deze database zijn ruim 300 projecten opgenomen waaraan tot en met eind 2024 middelen zijn toegekend. Dit zijn ruim 300 projecten met informatie over ambities, thema’s, doelgroepen, middelen en geografische spreiding. De

database diende als primaire bron voor de beoordeling van doelmatigheid en doeltreffendheid en vormde het fundament van de analyse. De database is opgebouwd op basis van de gegevens die jaarlijks door het programmabureau worden aangeleverd. Daarnaast hebben wij als consortium een coderingsmethode ontwikkeld om de database te verrijken met kenmerken die inzicht geven in de beoogde effecten van de projectenportefeuille. De analyse van deze database – inclusief een eerste rapportage aan het programmabureau en de onafhankelijke beoordelingscommissie – vormde de basis voor de feitelijke oordeelsvorming in Fase 1 van het onderzoek. De exacte en uitgebreide methode voor de opbouw van de database is beschreven in het document Methode opbouw projectendatabase (april 2025).

Fase 1 – Analysefase De analysefase bestond uit drie bouwstenen: 1. Deskresearch. Rapportages, monitors en evaluaties zijn systematisch geanalyseerd en gekoppeld aan het normenkader. Dit leverde een eerste beeld op van de mate waarin normen worden behaald. Zie tevens het overzicht van externe bronnen. 2. Database-analyse. Op basis van de verrijkte projectendatabase is onderzocht op spreiding, inzet, voortgang en resultaten. Hiermee is op portefeuille-niveau inzicht verkregen in de verdeling van middelen, de typen projecten en de voortgang per thema. Aanvullend zijn in overleg met de opstellers van het Toukomstbeeld per domein vier karakteristieken onderscheiden die de inhoudelijke lading bepalen, in totaal twaalf karakteristieken. In de projectdocumentatie is vervolgens geïnventariseerd in welke mate projecten bijdragen aan een of meerdere van deze karakteristieken. Omdat aanvragers niet verplicht zijn om expliciet aan te geven hoe hun project bijdraagt

49

BIJLAGE A

aan het Toukomstbeeld, is deze duiding deels gebaseerd op interpretatie door de onderzoekers. 3. Uitvraag onder inwoners. Via Groninger Panel is een aanvullende uitvraag uitgevoerd om de perceptie van inwoners te meten over de bekendheid, waardering en ervaren impact van het programma. Aan deze meting deden 2.344 panelleden mee. Dat is ruim voldoende om een betrouwbaar beeld te geven van wat er onder Groningers leeft. Onder de respondenten zijn jongere inwoners van Groningen ondervertegenwoordigd. Daarom passen we een weging toe naar opleidingstype en leeftijd per gemeente, zodat de data een zo goed mogelijk beeld geeft van de inwoners van de provincie. De gecombineerde resultaten van deze drie onderdelen zijn vastgelegd in een tussenrapport, met een eerste onderbouwd oordeel over de mate waarin Nationaal Programma Groningen voldoet aan de normen van doelmatigheid, doeltreffendheid en impact.

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

Fase 2 – Beoordelingsfase In de tweede fase zijn de voorlopige bevindingen uit Fase 1 getoetst, verdiept en gevalideerd. Dit gebeurde in drie sessies met het Dagelijks Bestuur, de begeleidingscommissie en de onafhankelijke beoordelingscommissie. Deze sessies dienden voor:

• Validatie van analyses en oordelen • Verrijking door bestuurlijke en praktijkervaring • Vorming van verklarende onderzoeksvragen voor de derde fase

De vragen richtten zich onder meer op opvolging van projecten, oorzaken van vertraging in doorlooptijden, en de verwachte mate van structurele effecten. Voorbeeldvragen betroffen onder meer: In hoeverre worden afgeronde projecten structureel opgevolgd, en is dat nodig om doorlopende effecten te realiseren? Is er sprake van onderbesteding, en wat zijn daarvan de oorzaken? Welke factoren belemmeren de uitvoering van randvoorwaarden zoals toekomstbestendigheid? In welke mate is te verwachten dat de huidige projectenportefeuille leidt tot blijvende maatschappelijke impact?

Fase 3 – Verklarende fase In deze fase stond verdieping en duiding centraal. Twee onderzoeksmethoden vormden de kern: diepte-interviews en portfolioschouwen.

• Afgeronde projecten om inzicht te verkrijgen in opvolging en inbedding van resultaten.

• Projecten met bekende én onbekende opvolging, voor vergelijking van borging en doorwerking.

Diepte-interviews In september 2025 zijn in totaal 19 interviews gehouden met sleutelfiguren binnen het programma:

• 11 projectleiders • Programmamanagers en teams van de vijf lokale programma’s

• Het provinciale programma • Het Toukomstteam • Het programmabureau De gesprekken richtten zich op verklarende factoren ­achter succes en belemmeringen. De selectie van projecten en gesprekspartners is gebaseerd op een systematische set van criteria, waaronder:

50

BIJLAGE A

• Vertraagde en versnelde projecten, om verschillen in ­realisatietempo te duiden.

• Projecten met onderbesteding, om oorzaken en gevolgen te analyseren.

• Spreiding over programma’s en ambities, zodat ­representativiteit verzekerd is.

• Variatie in projectomvang, type interventie en mate van cofinanciering, voor een breed en gebalanceerd beeld van de projectenportefeuille. We spraken met de projectleiders van de volgende 10 ­projecten: Filosofie op het Vmbo (pilot); Groninger films; Innovatiemotor Groene Energie en Chemie; Tijd voor ­Toekomst (deel provincie); Bibliotheek op school en ­Voorleesexpress; JIM-aanpak; Vakland het Hogeland; Werelderfgoed Waddencentrum; Tijd voor Toekomst (deel gemeente G ­ roningen); Dudok aan het Diep

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

Portfolioschouwen

Deelnemers Portfolioschouw Economie

In oktober 2025 zijn vier thematische portfolioschouwen georganiseerd voor:

• W.M.J.M. Bloemen-Bex (Hanzehogeschool Groningen)

• Economie • Leefbaarheid • Werken en Leren • Natuur en Klimaat Onderzoekers, leden van de beoordelingscommissie en externe deskundigen vormden kleine expertgroepen. Voor Leefbaarheid en Natuur en Klimaat is, vanwege plannings- en beschikbaarheidsredenen, gekozen voor individuele interviews in plaats van groepssessies. Tijdens de schouwen werden per themalijn de inzet van middelen, de geleverde prestaties en zichtbare en verwachte effecten besproken ten opzichte van de normen. Het doel was te komen tot een gezamenlijk expert-oordeel over de feitelijke inzet van het programma en de verwachte doeltreffendheid en impact. Deze methode bood ruimte voor een onderbouwde, intersubjectieve weging van resultaten en patronen. De verklarende fase resulteerde in een samenhangend beeld van de werkzame mechanismen binnen Nationaal Programma Groningen en leverde de basis voor de conclusies en aanbevelingen in deze rapportage. In alfabetische volgorde zijn de volgende inhoudsdeskundigen betrokken geweest bij de portfolioschouwen:

• S. Brakman (RUG) • R. Donkerbroek (Nationaal Programma Gronigen) • J. van Dijk (SER Noord-Nederland) • J. Pelle (voorzitter onafhankelijke beoordelingscommissie van Nationaal Programma Groningen) Deelnemers portfolioschouw Leefbaarheid

• B. B. Bock (WUR, lid van de onafhankelijke beoordelingscommissie van Nationaal Programma Groningen)

• E. A. M. Bulder (Hanzehogeschool Groningen) • T. Haartsen (RUG) Deelnemers portfolioschouw Werken en Leren

• T. Ciff (NHL Stenden) • S. van Lanen (RUG) • V. A. Venhorst (RUG) • R. H. Rijnks (RUG) • G. Swaving (Nationaal Programma Gronigen) • Deelnemers portfolioschouw Natuur en Klimaat • J. Lobeek (Natuur- en milieufederatie Groningen) • P. van der Maas (van Hall Larenstein) • J.P. van Soest (lid van de onafhankelijke beoordelings­ commissie van Nationaal Programma Groningen)

• M. van der Veen (lid van de onafhankelijke beoordelingscommissie van Nationaal Programma Groningen)

51

BIJLAGE A

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

Bronnen Externe bronnen Andersson Elffers Felix (AEF) (2025). Lerende evaluatie Toukomst. Tussentijdse evaluatie van Programma Toukomst (2020–2030). In opdracht van het bestuur van Nationaal Programma Groningen. Berenschot (2023). Evaluatie project Roemte. Evaluatierapport. Bock, B.B., Ubels, H. (2021). Toukomst, de dromen en daden van inwoners voor de toekomst van Groningen. Eindrapport evaluatie Toukomstpanel Groningen. Rijksuniversiteit Groningen. Consortium KplusV, Sociaal Planbureau Groningen en Aletta Advies (2021). Methode verdiepende analyse projectenportefeuille Nationaal Programma Groningen. Oktober 2021. Consortium KplusV, Sociaal Planbureau Groningen en Aletta Advies (2021). Uitkomsten verdiepende analyse projectenportefeuille Nationaal Programma Groningen. Rapportage, november 2021. Consortium KplusV, Sociaal Planbureau Groningen en Aletta Advies (2022). Onderzoek, beeld, bevindingen, conclusies en aanbevelingen. Bijlage bij verdiepend onderzoek projectenportefeuille, 20 januari 2022.

Programma Groningen. Eindrapportage inclusief casestudies, november 2023. Onafhankelijke beoordelingscommissie Nationaal Programma Groningen (2022). Onderzoek, beeld, bevindingen, conclusies en aanbevelingen van de onafhankelijke beoordelingscommissie over de voortgang van Nationaal Programma Groningen. Brief aan het bestuur van Nationaal Programma Groningen, 20 januari 2022. Rijksuniversiteit Groningen, Campus Fryslân (2023). Naar meer dan de som der delen. Aanbevelingen voor de governance van Nationaal Programma Groningen. Van den Berg, C., Herweijer, M., De Greef, R., De Wolff, C. Rijksuniversiteit Groningen, Campus Fryslân (2023). Aan het stuur, voor de regio. Governance-alternatieven voor het Nationaal Programma Groningen binnen de Economische Agenda. Van den Berg, C., Herweijer, M., De Greef, R., De Wolff, C. Rijksuniversiteit Groningen, Campus Fryslân (2024). Baanbrekende missies, slagvaardig bestuurd. Nadere uitwerking van de gelaagde governance-structuur aan de hand van de casus Fascinating. Van den Berg, C., Rheinfeld, J.W.A., De Wolff, C.

Consortium KplusV, Sociaal Planbureau Groningen en Aletta Advies (2023). Onderzoek naar executiekracht Nationaal

52

BIJLAGE A

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

Gebruik van interne documentatie Voor deze evaluatie is, naast externe onderzoeken, evaluaties en adviezen, gebruikgemaakt van een omvangrijke set interne documentatie van Nationaal Programma Groningen. Deze interne bronnen zijn geraadpleegd om inzicht te krijgen in de ontwikkeling, inrichting, sturing en uitvoering van het programma in de periode 2019–2024, en om analyses en bevindingen te kunnen plaatsen in hun bestuurlijke en organisatorische context. Daarnaast is gebruikgemaakt van de volledige projectendatabase van Nationaal Programma Groningen en van alle onderliggende projectdocumentatie. De interne documentatie is niet afzonderlijk opgenomen in de literatuurlijst, maar vormt wel een belangrijke empirische basis onder de duiding en conclusies in dit rapport. De geraadpleegde interne documentatie omvat onder meer:

• jaarverslagen van Nationaal Programma Groningen; • jaarlijkse monitors, uitgevoerd door het consortium KplusV, Sociaal Planbureau Groningen en Aletta Advies;

• interne rapporten, memo’s en notities op programma- en projectniveau;

• agenda’s, vastgestelde besluitenlijsten en bestuursbesluiten;

• documenten over de inrichting en governance van het programma, waaronder het programmakader, hoofdlijnennotities, regelingen, verdeling van financiële middelen, reglementen en overeenkomsten. Deze documenten zijn essentieel geweest om kwantitatieve analyses te kunnen duiden en om bevindingen te kunnen plaatsen in organisatorische en bestuurlijke context.

Kwaliteit en beperkingen De database biedt een goed beeld van de totale projectenportefeuille, maar kent ook beperkingen. De karakteristieken van projecten zijn geïdentificeerd en gecodeerd op basis van de aangeleverde projectdocumentatie. We hebben de codering zo veel mogelijk gebaseerd op letterlijke teksten in de aanvragen en zo min mogelijk op eigen interpretatie. We hebben intercoder variabiliteit geborgd en geminimaliseerd door elkaars coderingen te controleren. Omdat de database de projectvoorstellen als uitgangspunt neemt, is de informatie op projectniveau niet altijd actueel. Dit geldt in het bijzonder voor de oudste projecten uit 2019. Ook in de administratie van het programmabureau komen soms discrepanties voor tussen formele registratie en feitelijke voortgang, met name op het gebied van uitgegeven middelen. Tijdens interviews is

53

BIJLAGE A

vastgesteld dat financiële registraties niet altijd synchroon lopen met de feitelijke bestedingen. Deze beperkingen zijn bij de interpretatie van de resultaten expliciet in aanmerking genomen. De evaluatie combineert kwantitatieve en kwalitatieve bronnen om een zo volledig mogelijk beeld te geven van de voortgang en werking van het programma. Tegelijk erkennen wij dat de complexe context van Groningen maakt dat causale verbanden niet eenduidig vast te stellen zijn. Onze werkwijze is daarom gericht op aannemelijkheid en triangulatie: door verschillende bronnen, perspectieven en methoden te combineren ontstaat een robuust en navolgbaar oordeel.

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

Bijlage B Tijdlijnen Ten behoeve van het rapport over de tussenevaluatie reconstrueerden wij twee tijdlijnen. De eerste tijdlijn betreft interventies gericht op het creëren van samenhang en synergie. De tweede tijdlijn richt zich op interventies gericht op kennisdeling en leren. De tijdlijnen zijn opgesteld op basis van beschikbare formele documentatie, waaronder het programmakader, jaarverslagen, adviezen en evaluaties, en aangevuld met duiding uit gesprekken met betrokkenen. Ze zijn besproken en aangepast naar aanleiding van die besprekingen met het programmabureau.

Tijdlijn 1: interventies gericht op samenhang en synergie 2018

Bestuurlijke intentie en start Nationaal Programma Groningen In 2018 spreken het Rijk, de provincie Groningen en de Groningse gemeenten in het aardbevingsgebied de gezamenlijke intentie uit om te investeren in het versterken van de brede welvaart en het toekomstperspectief van Groningen. Deze bestuurlijke intentie vormt het startpunt voor Nationaal Programma Groningen. In deze fase worden nog geen formele afspraken vastgelegd over middelen, verantwoordelijkheden of governance, maar wordt wel de basis gelegd voor verdere uitwerking.

5 oktober 2018

Bestuurlijke bekrachtiging en richtinggevende afspraken Op 5 oktober 2018 vindt in Den Haag een bestuurlijke bijeenkomst plaats waarin de samenwerking rond Nationaal Programma Groningen publiekelijk wordt bekrachtigd. Tijdens deze bijeenkomst worden de eerder ontwikkelde bouwstenen voor het programma besproken en wordt afgesproken om gezamenlijk toe te werken naar een formele bestuursovereenkomst en verdere uitwerking van het programma.

54

BIJLAGE B

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

20 1 8 –20 1 9

Voorbereidende fase (kwartiermakersfase) In de periode na de bestuurlijke bijeenkomst van oktober 2018 volgt een voorbereidend traject onder leiding van Maarten van Poelgeest en Frank de Vries. In deze fase wordt gewerkt aan het verder concretiseren van ambities en aan de voorbereiding van de inrichting van Nationaal Programma Groningen. Governance, financiële systematiek en programmatische sturing zijn in deze periode nog in ontwikkeling. Deze fase wordt in latere documenten aangeduid als de kwartiermakersfase. De beschikbare stukken uit deze periode laten zien dat inhoudelijke denkrichtingen en uitgangspunten zijn verkend, maar dat nog geen formele besluitvorming heeft plaatsgevonden. De kwartiermakersfase heeft daarmee het karakter van een voorbereidend en richtinggevend traject, dat de basis vormt voor de formele inrichting van het programma in 2019.

Maart 2019

Bestuursovereenkomst Nationaal Programma Groningen Op 11 maart 2019 ondertekenen het Rijk, de provincie Groningen en de Groningse gemeenten de Bestuursovereenkomst Nationaal Programma Groningen. Met deze overeenkomst wordt het programma formeel ingericht en worden de startafspraken van oktober 2018 verder uitgewerkt. De overeenkomst legt afspraken vast over doelen, samenwerking, verantwoordelijkheden en de inzet van middelen. Daarnaast wordt vastgelegd dat gemeenten lokale programmaplannen opstellen en dat de provincie thematische programmaplannen ontwikkelt. Ook wordt afgesproken dat in 2019 een programmakader wordt opgesteld en door gemeenteraden en Provinciale Staten zal worden vastgesteld.

Maart 2019

Een programma dat groeit: richtinggevend referentiepunt Op dezelfde datum wordt Een programma dat groeit besproken als document voor de verdere ontwikkeling van Nationaal Programma Groningen. Raden en Provinciale Staten besluiten het document nadrukkelijk niet vast te stellen als formeel kader. In een aanvullende bestuurlijke afspraak wordt vastgelegd dat, om voortgang in 2019 mogelijk te maken en ruimte te houden voor zorgvuldige kaderstelling door raden en Staten, wordt gewerkt met een tijdelijke en lichte toetsingsrichtlijn. Deze richtlijn is gebaseerd op Een programma dat groeit en functioneert in 2019 als richtinggevend referentiepunt voor projectbeoordeling. Daarbij wordt expliciet afgesproken dat deze werkwijze vervalt zodra het programmakader formeel is vastgesteld. Deze keuze markeert een bestuurlijke afweging om voortgang en flexibiliteit te combineren met uitgestelde formele kaderstelling.

September 2019

Vaststelling Programmakader Nationaal Programma Groningen Op 19 september 2019 stelt het Algemeen Bestuur het Programmakader Nationaal Programma Groningen vast. Het programmakader vertaalt de ambities en uitgangspunten van het programma naar een normatief kader voor beoordeling en verantwoording, met samenhang, integraliteit en proportionaliteit als centrale randvoorwaarden. In de maanden daarna wordt het programmakader in 2019 vastgesteld door alle gemeenteraden en Provinciale Staten. In de aanloop naar de vaststelling zijn gemeenteraden en Provinciale Staten actief betrokken bij de totstandkoming van het programmakader. Concepten zijn voorgelegd, zienswijzen zijn opgehaald en verwerkt, waarna het definitieve programmakader ter vaststelling is aangeboden. Met de vaststelling van het programmakader ontstaat formeel een expliciet toetsingskader voor projecten en programma’s binnen Nationaal Programma Groningen. Dit kader vormt de inhoudelijke basis voor latere afspraken over governance en financiële inrichting. Tegelijkertijd wordt de wijze waarop het programmakader in de praktijk richting geeft aan programmabrede samenhang nog beperkt ingevuld; de toepassing richt zich in deze fase vooral op individuele projectbeoordeling en verantwoording.

55

BIJLAGE B

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

November 2019

Invoering trekkingsrechten en financiële systematiek Op 4 november 2019 stelt het Algemeen Bestuur het document Financiële opbouw Nationaal Programma Groningen vast. In dit document worden de trekkingsrechten uitgewerkt als het centrale mechanisme voor de verdeling en inzet van middelen door gemeenten en provincie. Iedere gemeente en de provincie krijgen daarbij de beschikking over een vooraf vastgesteld budget dat voor hen is gereserveerd. Deze middelen worden pas daadwerkelijk toegekend nadat concrete projecten zijn ingediend en door het bestuur zijn goedgekeurd. Na vaststelling wordt de financiële systematiek besproken met gemeenteraden en Provinciale Staten. De invoering van trekkingsrechten biedt duidelijkheid en voorspelbaarheid over de beschikbare middelen en geeft gemeenten en provincie een hoge mate van autonomie in de uitvoering. Daarmee draagt de systematiek bij aan de uitvoerbaarheid van het programma. Hoewel de trekkingsrechten aansluiten bij de uitgangspunten van het programmakader, functioneren zij primair als financieel verdeelmechanisme. Zij zijn niet ingericht als instrument voor programmabrede prioritering of actieve sturing op samenhang. Als gevolg daarvan wordt een groot deel van de middelen in een vroeg stadium gealloceerd, terwijl de verdere uitwerking van programmatische samenhang en integrale afweging bestuurlijk nog onderwerp van gesprek blijft.

December 2019

Opdracht borging samenhang en governance In december 2019 geeft het Algemeen Bestuur het Dagelijks Bestuur expliciet opdracht om voorstellen uit te werken voor het borgen van samenhang binnen Nationaal Programma Groningen en het verder inrichten van de governance. Deze opdracht volgt op de vaststelling van het programmakader en de financiële systematiek, en markeert het bestuurlijke besef dat samenhang en programmatische sturing daarmee nog niet vanzelfsprekend zijn geborgd. Het Dagelijks Bestuur wordt gevraagd een uitwerking te maken langs de lijnen visie (inhoudelijke hoofdlijnen en samenhang), slagkracht (structuren en werkwijzen) en betrokkenheid (commitment en inrichting van bestuur en governance), inclusief de rol en inrichting van de onafhankelijke beoordelingscommissie.

Juni 2020

Hoofdlijnennotitie: richtinggevend, maar niet sturend De Hoofdlijnennotitie is de uitkomst van de bestuursopdracht van december 2019 om samenhang en governance binnen Nationaal Programma Groningen verder uit te werken. In de aanloop naar de vaststelling wordt een conceptnotitie besproken (5 maart 2020), waarin expliciet wordt ingezet op inhoudelijke focus en het sterker verbinden van projecten aan de ambities van het programma. Bij de vaststelling op 29 juni 2020 kiest het Algemeen Bestuur ervoor de Hoofdlijnennotitie nadrukkelijk te positioneren als richtinggevend en inspirerend document, en niet als aanvullend toetsings- of sturingskader naast het programmakader. De vastgestelde versie is ten opzichte van het concept bewust voorzichtiger van toon en positionering. Daarmee biedt de Hoofdlijnennotitie wel een inhoudelijk referentiekader voor samenhang, maar bevat zij geen instrumenten om programmabrede prioritering of herijking af te dwingen. De feitelijke doorwerking van de Hoofdlijnennotitie blijft beperkt. Dit hangt samen met het moment waarop de notitie verschijnt, wanneer veel programma’s en middelen al zijn ingericht, én met de bewuste bestuurlijke keuze om de notitie geen normatieve status te geven binnen de bestaande sturings- en financieringssystematiek.

56

BIJLAGE B

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

20 1 9 –202 1

Toukomst: participatief traject, samenhang en doorwerking Vanaf de zomer van 2019 wordt Toukomst ontwikkeld als een breed participatief traject waarin inwoners ideeën aandragen voor de toekomst van Groningen. In 2020 vindt de ideevorming, bundeling en beoordeling van ideeën plaats. In 2020 en 2021 werkt het Toukomstpanel deze ideeën uit tot een samenhangend advies en wordt het Toukomstbeeld 2040 opgesteld. Het Toukomstbeeld is expliciet bedoeld als inhoudelijke inspiratie voor de verdere invulling van de ambities van Nationaal Programma Groningen. Binnen Toukomst wordt actief gestuurd op samenhang. Het Toukomstpanel werkt met overkoepelende thema’s (Ons Verhoal, Mien Laand, Mit Mekoar) en adviseert over de ideeën niet geïsoleerd, maar in onderlinge samenhang. Daarmee wordt binnen het Toukomsttraject zelf inhoudelijke verbinding aangebracht en toegewerkt naar een gezamenlijk toekomstbeeld. In de praktijk komt het Toukomstbeeld beschikbaar op een moment waarop lokale en thematische programma’s en het financiële verdeelmechanisme via trekkingsrechten grotendeels al zijn ingericht. Hierdoor vervult het Toukomstbeeld vooral een inspirerende en legitimerende rol. De samenhang die binnen Toukomst is ontwikkeld, wordt slechts beperkt benut als sturend kader voor programmabrede prioritering of herordening van bestaande keuzes binnen Nationaal Programma Groningen.

Mei 2021

Agendering van doorbraakgericht werken (moonshot-denken) In mei 2021 levert Jouke de Vries, bestuurslid van Nationaal Programma Groningen en voorzitter van het College van Bestuur van de Rijksuniversiteit Groningen, een inhoudelijke bijdrage in bestuurlijke context waarin het belang van doorbraakgericht en schaalbaar werken wordt benadrukt. In deze bijdrage wordt het zogeheten moonshot-denken geïntroduceerd als denkrichting om complexe maatschappelijke opgaven met meer focus, samenhang en ambitie te benaderen. De bijdrage heeft een agenderend en inspirerend karakter en is gericht op het bestuur van Nationaal Programma Groningen. Er is op dat moment geen sprake van formele besluitvorming of vastlegging. De betekenis van deze stap ligt vooral in het expliciet benoemen van de wens om, aanvullend op de bestaande programmering, te verkennen hoe grotere en meer samenhangende ambities kunnen worden nagestreefd.

Najaar 2021

Start ontwikkeling baanbrekers: opdracht aan het programmabureau Geïnspireerd door de bijdrage van Jouke de Vries, geeft het Algemeen Bestuur het programmabureau opdracht om de denkrichting rond grotere, samenhangende opgaven verder uit te werken. Deze opdracht markeert de start van de ontwikkeling van de baanbrekers als aanvullende programmatische interventie, gericht op het bundelen van grotere opgaven en het realiseren van structurele doorbraken, aanvullend op de bestaande lokale en thematische programma’s. Met deze stap neemt het bestuur inhoudelijk meer richting op focus en schaal, terwijl dit niet goed aansluit bij de bestaande sturings- en financieringssystematiek van trekkingsrechten. De ontwikkeling van de baanbrekers is daarmee systeem-vreemd binnen de oorspronkelijke inrichting van Nationaal Programma Groningen.

2021

Verdiepende analyse projectenportefeuille In de loop van 2021 wordt een verdiepende analyse uitgevoerd van de bestaande projectenportefeuille van Nationaal Programma Groningen. Deze analyse brengt voor het eerst systematisch in beeld hoe projecten zijn verdeeld over thema’s, schaalniveaus en typen interventies. De analyse maakt zichtbaar waar kansen liggen voor meer focus en samenhang in de

57

BIJLAGE B

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

inzet van middelen. De analyse wordt uitgevoerd in samenhang met de adviesvraag die het Algemeen Bestuur stelt aan de onafhankelijke beoordelingscommissie over het functioneren van het programma en de mate waarin de ambities worden gerealiseerd. Daarmee vormt de analyse een inhoudelijke basis voor verdere bestuurlijke reflectie op samenhang, schaal en effectiviteit.

Januari 2022

Advies onafhankelijke beoordelingscommissie en wisseling voorzitterschap In januari 2022 brengt de onafhankelijke beoordelingscommissie haar zelfstandig advies uit aan het Algemeen Bestuur van Nationaal Programma Groningen. De commissie concludeert dat de samenhang binnen de projectenportefeuille, met name op het terrein van economie, werken en leren en biodiversiteit beperkt is. Hierdoor komt het realiseren van de ambities onder druk te staan. De commissie wijst op de noodzaak van meer focus en samenhang in de inzet van middelen, onder meer door het formuleren van een overkoepelende hoofdambitie en bijbehorende sturing.

Januari 2022

Wisseling voorzitterschap Nationaal Programma Groningen In januari 2022 wordt Johan Remkes benoemd tot voorzitter van Nationaal Programma Groningen. In zijn functieprofiel wordt expliciet benoemd dat, nu de startfase is afgerond en het programma staat, de ambitie van Nationaal Programma Groningen kan worden opgeschroefd. Daarbij wordt gewezen op het belang van aansluiting bij andere nationale en Europese programma’s om de totale bestedingsruimte te vergroten en de impact voor het perspectief van Groningen en de Groningers te versterken. In dit licht wordt een trekkersrol voor de voorzitter voorzien. Het aantreden van Remkes markeert daarmee een fase waarin binnen het bestuur explicieter aandacht ontstaat voor vragen rond focus, schaal en samenhang in de inzet van middelen. Deze inzet wordt verder zichtbaar in de voorzittersbrief die hij na zijn eerste periode publiceert en in de wijze waarop Nationaal Programma Groningen later onder zijn voorzitterschap wordt gepositioneerd in relatie tot Nij Begun en de ontwikkeling van de Economische Agenda. Tegelijkertijd leidt deze verbreding van ambitie niet tot formele aanpassing van de sturings- of financieringssystematiek.

2022–2023

Bestuurlijke verkenning versterking sturing en governance In de periode 2022–2023 wordt binnen het Algemeen Bestuur verkend of versterking van de governance kan bijdragen aan meer samenhang en bestuurlijke zeggenschap over de inzet van resterende middelen. Deze verkenning sluit aan bij de bevindingen van de onafhankelijke beoordelingscommissie en bij de eerdere signalen uit de verdiepende analyse van de projectenportefeuille. In deze fase leeft de verwachting dat aanpassing van de governance ruimte zou kunnen bieden voor meer programmabrede sturing.

Januari 2023

Governanceadvies RUG Campus Fryslân: Naar méér dan de som der delen In dit rapport wordt de bestaande governance van Nationaal Programma Groningen geanalyseerd. Het rapport maakt expliciet onderscheid tussen een lokaal gerichte leefbaarheidslogica en een bovenlokale logica gericht op economische en maatschappelijke structuurversterking, en beschrijft hoe deze verschillende logica’s uiteenlopende eisen stellen aan sturing, samenhang en programmering. In deze fase wordt binnen het bestuur, en bij de voorzitter in het bijzonder, vooruitgeblikt op een mogelijke verandering van de governance, mede met het oog op meer bestuurlijke zeggenschap over de inzet van

58

BIJLAGE B

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

middelen. Deze inzet komt echter niet tot formele aanpassing van de governance, omdat binnen het bestuur onvoldoende draagvlak bestaat om af te wijken van het systeem van trekkingsrechten; gemeenten en provincie willen geen afstand doen van hun bestaande positie.

Oktober 2023

Governanceadvies RUG Campus Fryslân: Aan het stuur, voor de regio Dit rapport bouwt voort op eerdere governance-analyses, maar richt zich specifiek op de economische agenda. Het verkent governance-opties en introduceert een afwegingskader voor de samenhangende aansturing en uitvoering van grootschalige economische investeringen op regionaal niveau. Omdat inmiddels duidelijk is dat een fundamentele herinrichting van Nationaal Programma Groningen niet haalbaar is en Nij Begun zich aandient als nieuw kader, richt dit adviestraject zich mede op het vervolg en op de Economische Agenda, en niet meer op aanpassing van de governance van Nationaal Programma Groningen zelf.

2 0 2 3 –2 0 24

Landing van baanbrekers binnen het provinciaal programma De baanbrekers worden uiteindelijk niet ingericht als afzonderlijke programmalijn binnen Nationaal Programma Groningen. Gegeven het systeem van trekkingsrechten en de reguliere verantwoordelijkheden komt de uitvoering terecht binnen het provinciaal programma. Deze landing verloopt niet vanzelfsprekend. De borging van de baanbrekers binnen het provinciaal programma wordt door het Algemeen Bestuur als voorwaarde gesteld bij de toekenning van de laatste trekkingsrechten. Deze voorwaarde wordt vervolgens ingelost met toezeggingen hiertoe.

Juli 2025

Bestuurlijke reflectie en teleurstelling over doorwerking baanbrekers In het Algemeen Bestuur van 4 juli 2025 wordt teleurstelling uitgesproken over de mate waarin er nog aandacht en ‘heilig vuur’ is voor de baanbrekers, in verhouding tot de ambitie die het bestuur in 2021 heeft uitgesproken om in te zetten op economische structuurversterking. Daarbij wordt gewezen op de beperkte omvang van de gereserveerde middelen, het belang van gezamenlijk bestuurlijk en ambtelijk commitment en de noodzaak van aanvullend privaat commitment. De spanning tussen bestuurlijke ambitie, uitvoeringspraktijk en verantwoordelijkheidsverdeling blijft daarmee expliciet op de agenda.

59

BIJLAGE B

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

Tijdlijn 2: interventies gericht op leren en ontwikkelen 2019

Inrichting programmabureau - focus op uitvoering In de startfase van Nationaal Programma Groningen ligt de nadruk op het opzetten van de organisatie, processen en subsidie­ loketten, met als primair doel uitvoering mogelijk te maken. Leren en kennisdeling zijn in deze fase nog geen expliciet georganiseerde onderdelen van de werkwijze, maar ontstaan vooral impliciet in de praktijk van opstart, beoordeling en ondersteuning van projecten.

September 2019

Programmakader: Nationaal Programma Groningen als lerend programma In het Programmakader Nationaal Programma Groningen wordt vastgelegd dat het programma een lerend programma is. Reflectie, kennisontwikkeling en het benutten van ervaringen uit de uitvoering voor bijsturing en kwaliteitsverbetering worden benoemd als uitgangspunt van de werkwijze. De concrete organisatorische invulling van programmabreed leren en kennisdeling krijgt in deze fase echter nog beperkt vorm.

20 1 9 –2020

Loketten als vroege leer- en ondersteuningspraktijk Vanaf 2019 worden met het Loket Leefbaarheid en vanaf 2020 met het Impulsloket initiatiefnemers ondersteund bij het ­ontwikkelen en indienen van projecten. Deze loketten dragen bij aan individuele leerervaringen en kwaliteitsverbetering van aanvragen. Leren en kennisdeling zijn hierbij echter primair gericht op ondersteuning van afzonderlijke projecten en worden niet programmabreed georganiseerd.

Va n a f j a n u a r i 2 0 2 0

Omgevingskwaliteitteam (OKT) Het Omgevingskwaliteitteam adviseert projecten over ruimtelijke kwaliteit en ontwerp. Het OKT fungeert als inhoudelijk leer­ instrument voor individuele projecten. De evaluatie van het OKT levert inzichten op voor verdere professionalisering, die slechts gedeeltelijk programmabreed worden benut.

Va n a f 2 0 2 0

Onafhankelijke beoordelingscommissie en programmabureau als leerpraktijk Vanaf 2020 vervult de onafhankelijke beoordelingscommissie een rol in de toetsing van projecten aan de geldende kaders en in het geven van inhoudelijke feedback op aanvragen. Deze terugkoppeling ondersteunt leren en kwaliteitsverbetering op projectniveau. Parallel hieraan ontwikkelt het programmabureau zich tot een centrale uitvoeringsgerichte leeractor. Op basis van ervaringen uit beoordelingen en reviews worden aanvraagformulieren, beoordelingscriteria en processtappen voortdurend aangepast en aangescherpt. Ook het proces voor het doorgeven en beoordelen van wijzigingen in projecten wordt ingericht en meerdere malen vereenvoudigd, meest recent begin 2025. Hetzelfde geldt voor de rapportageverplichtingen, die worden teruggebracht van twee integrale rapportages per jaar naar één inhoudelijke rapportage, aangevuld met een lichtere tussentijdse check.

60

BIJLAGE B

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

Va n a f 2 0 2 0

Deskundigenpool als ondersteunend leerinstrument Vanaf 2020 wordt een deskundigenpool ingezet om initiatiefnemers en projecten te ondersteunen bij onder meer staats­ steunvraagstukken, juridische en financiële aspecten, uitvoeringsvraagstukken en het versterken van samenhang met bestaande initiatieven binnen en buiten het programma. De deskundigenpool draagt bij aan kwaliteitsverbetering en leren op projectniveau. In de praktijk wordt minder gebruikgemaakt van de deskundigenpool dan vooraf werd verwacht. Uit het onderzoek naar executiekracht blijkt dat de ervaringen van gebruikers overwegend positief zijn, maar dat de bekendheid met de reikwijdte van de deskundigenpool beperkt is, waardoor de potentie als breder leer- en versterkingsinstrument niet ten volle wordt benut.

20 1 9 –202 1

Toukomst als intensieve leerpraktijk Binnen Toukomst vindt intensief leren plaats over participatie, inhoudelijke afwegingen en procesinrichting. Het Toukomstpanel ontwikkelt gedurende 2020–2021 gezamenlijke beoordelingskaders en reflecteert expliciet op kwaliteit en samenhang. Deze leerpraktijk is sterk en expliciet binnen Toukomst, maar staat grotendeels los van de reguliere programmering en uitvoeringspraktijk van Nationaal Programma Groningen.

April 2021

Eindevaluatie Toukomstpanel De eindevaluatie van het Toukomstpanel reflecteert op het functioneren van het panel en het leerproces tussen panelleden en initiatiefnemers. De evaluatie laat zien dat binnen Toukomst sprake was van intensief leren en reflectie, maar dat deze leerervaringen slechts beperkt zijn verbonden met de reguliere uitvoering en kennisdeling binnen Nationaal Programma Groningen.

Vo o r j a a r 2 0 2 1

Start traineeprogramma in aanloop naar capaciteitsproblemen In het voorjaar van 2021 wordt het traineeprogramma binnen Nationaal Programma Groningen voorbereid en gestart. In juni 2021 constateert het Dagelijks Bestuur, onder meer bij de bespreking van het jaarverslag, dat de uitvoering van projecten achterblijft, mede door de coronacrisis en door structurele capaciteitsproblemen bij gemeenten en provincie. In dat licht worden de inzet van trainees en hun bijdrage aan de uitvoering en aan het versterken van onderlinge uitwisseling expliciet benoemd als onderdeel van de oplossing. Het traineeprogramma heeft een tweeledig doel: het tijdelijk versterken van de uitvoeringscapaciteit bij gemeenten en het programmabureau, en het bevorderen van uitwisseling en kennisdeling tussen de betrokken overheden. Trainees rouleren met opeenvolgende opdrachten tussen verschillende organisaties en ontmoeten elkaar wekelijks. Deze inzet draagt bij aan individuele leerervaringen en netwerkvorming, maar leidt nog niet tot een structureel ingericht leer- en ontwikkelsysteem.

2 0 2 0 – 2 0 2 5  Verkenning projectleiders- en expertpool: herhaald onderzocht, niet structureel ingericht In de periode 2020–2025 wordt herhaaldelijk verkend of gezamenlijke kennisdeling en professionalisering kunnen worden georganiseerd via een projectleiderspool en een expertpool. Deze verkenningen vinden plaats in verschillende gremia, waaronder de coördinatiegroep en het Algemeen Bestuur. In december 2024 bespreekt de coördinatiegroep opnieuw de ontwikkeling van een projectleiderspool en spreekt af om voor de onderwerpen Tijd voor Toekomst en revitalisering

61

BIJLAGE B

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

van bedrijventerreinen de behoefte aan gezamenlijke projectleiders te inventariseren. Uit deze inventarisatie en de daaropvolgende bespreking in het Algemeen Bestuur van 10 februari 2025 blijkt uiteindelijk dat er onvoldoende behoefte bestaat aan een structurele projectleiderspool. De opeenvolgende verkenningen leveren waardevolle inzichten op over randvoorwaarden voor gezamenlijk leren en ondersteuning, maar leiden bewust niet tot een duurzame organisatorische voorziening.

November 2023

Onderzoek executiekracht Het onderzoek naar executiekracht brengt systematisch in beeld waar knelpunten en verschillen in uitvoeringskracht bestaan tussen gemeenten en projecten. Het onderzoek levert expliciete leerinzichten op over ondersteuning, organisatie en samenwerking en onderstreept de noodzaak van structurele leermechanismen.

Va n a f 2 0 2 3

Toukomstmiddagen Binnen Toukomst worden vanaf 2023 informele bijeenkomsten georganiseerd waarin initiatiefnemers kennis en ervaringen uitwisselen. Deze Toukomstmiddagen zijn gericht op interne netwerking, het versterken van samenwerking en leren van elkaar, mede op verzoek van initiatiefnemers. De bijeenkomsten functioneren als werkende leerpraktijk binnen Toukomst, maar zijn niet ingericht als programmabrede leerstructuur voor Nationaal Programma Groningen.

M e i 2 0 24

Bestuurlijke instemming met versterking lerend vermogen Naar aanleiding van het onderzoek naar executiekracht wordt in mei 2024 een notitie voorgelegd aan het Algemeen Bestuur met voorstellen om het lerend vermogen binnen Nationaal Programma Groningen te versterken. Het Algemeen Bestuur stemt in met deze voorstellen en benadrukt het belang van structurele uitwisseling tussen betrokkenen in de uitvoering. In dit kader wordt opnieuw aandacht gevraagd voor de mogelijkheid van een projectleiderspool.

2 0 24 –2 0 2 5

Projectleidersbijeenkomsten als lichte leerstructuur Sinds 2024 worden meerdere bijeenkomsten georganiseerd voor projectleiders, gericht op het delen van ervaringen, het bespreken van knelpunten in de uitvoering en het versterken van onderlinge samenwerking. In 2024 vindt één bijeenkomst plaats; in 2025 volgen er drie, waaronder werkbezoeken die door het programmabureau worden georganiseerd in samen­ werking met de programmamanager van de ontvangende gemeente. Deze bijeenkomsten functioneren als een lichte, praktijkgerichte leerstructuur. Zij dragen bij aan gezamenlijk leren en reflectie, maar zijn niet vastgelegd als formeel onderdeel van een programmabreed leer- en ontwikkelsysteem.

Fe b r u a r i 2 0 2 5

Lerende evaluatie programma Toukomst (AEF) Op verzoek van het Algemeen Bestuur wordt een tussentijdse, lerende evaluatie uitgevoerd naar de werking, voortgang en tussentijdse resultaten van Programma Toukomst. De evaluatie markeert een expliciete poging om leren, reflectie en bijsturing te organiseren en levert concrete lessen op over procesinrichting, begeleiding, governance, monitoring en toekomstbestendigheid binnen Toukomst.

62

BIJLAGE B

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

Bijlage C  pbouw projecten­ O portefeuille Nationaal Programma Groningen op 1-1-2025 De resultaten in deze bijlage zijn gebaseerd op een projectendatabase die in samenwerking met het programmabureau van Nationaal Programma Groningen is aangelegd. De methode die hieraan ten grondslag ligt, is nader uitgewerkt in een apart document (‘Methode opbouw projectendatabase, april 2025’). Vervolgens is er een verdiepende analyse uitgevoerd op de projectenportefeuille van het programma. De resultaten hiervan zijn verwerkt in een rapportage richting het programmabureau en beoordelingscommissie. We beperken ons in deze paragraaf tot een feitelijke weergave van de ­uitkomsten van de verdiepende analyse van de projectendatabase. In deze verdiepende analyse is gekeken naar de opbouw en de status van de projectenportefeuille van Nationaal Programma Groningen. Daarbij is eerst ingegaan op de totstandkoming van de projectenportefeuille. Vervolgens is gekeken naar het overzicht van de huidige projectenportefeuille: de omvang van de projectenportefeuille, de verdeling van de middelen, de status van de verschillende projecten, cofinanciering en de opvolging ervan. Hierbij wordt een uitsplitsing

63

BIJLAGE C

naar de 4 ambities gemaakt: Economie, Werken & Leren, Leefbaarheid en Natuur & Klimaat. De gepresenteerde bedragen in deze bijlage komen voort wat er uit de projectdocumentatie met peildatum 31 december 2024 bekend is. De totalen tellen daardoor niet altijd volledig op, maar de analyse levert op hoofdlijnen wel inzichten over de opbouw van de projectenportefeuille.

T U SSE N EVA LUAT I E NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2026

Gereserveerde middelen (€ miljoen)

Toegekende programmamiddelen (€ miljoen)

Percentage toegekend

Uitgegeven programmamiddelen (€ miljoen)

Percentage uitgegeven

LOKALE PROGRAMMA’S

369,3

238,2

64%

88,3

24%

GEMEENTE EEMSDELTA  

130,7

74,6

57%

28,7

22%

GEMEENTE GRONINGEN  

63,9

47,1

74%

11,7

18%

GEMEENTE HET HOGELAND  

58,2

37,1

64%

19,3

33%

GEMEENTE MIDDEN-GRONINGEN

80,3

60,7

76%

21,8

27%

GEMEENTE OLDAMBT  

34,5

17,3

50%

6,3

18%

GEMEENTE WESTERKWARTIER  

1,7

1,5

86%

0,5

29%

PROVINCIAAL PROGRAMMA

498,7

367,2

74%

95,1

19%

SPECIALE PROGRAMMA’S

262,2

241,3

92%

134,4

51%

ERFGOED  

20,0

20,0

100%

5,0

25%

IMPULSLOKET

10,0

10,0

100%

3,1

31%

LOKET LEEFBAARHEID

10,0

10,0

100%

4,2

42%

OVERIGE PROJECTEN  

75,1

75,9

101%

57,4

76%

PROGRAMMA ENERGIEPARTICIPATIE

5,0

5,0

100%

1,8

37%

TOUKOMST  

99,8

78,1

78%

20,6

21%

ZORGPROGRAMMA  

42,3

42,3

100%

42,3

100%

PROGRAMMABUREAU

49,2

28,2

57%

21,1

43%

ONVOORZIEN (BUDGET AB)

2,7

EINDTOTAAL

1182,1

874,8

74%

338,9

29%

Samenstelling huidige projectenportefeuille: overzicht De verdeling van de middelen Onderstaande tabel C1 toont de samenstelling van de projectenportefeuille naar programma met peildatum 31 december 2024. De verdeling van de gereserveerde middelen over de programma’s komt mede voort uit de interbestuurlijke afspraken die zijn gemaakt in november 2019. Van de totaal gereserveerde middelen ter waarde van circa 1,18 miljard was op de peildatum 74% toegekend aan concrete projecten, met een gezamenlijke omvang van circa 875 miljoen euro. Dit betekent dat halverwege de uitvoering van het programma nog een kwart van de financiering aan projecten of (uitvoerings)programma’s toegekend moet worden. Bij de Lokale programma’s is tot op heden 64% van het gereserveerde budget toegewezen; bij de Speciale programma’s ligt dit aandeel op 92%. De uitgaven van de middelen ligt voor alle programma’s lager. Met name de uitgaven in het provinciaal programma liggen relatief gezien op een lager niveau in vergelijking tot de andere programma’s. Van alle toegewezen middelen is 19% van het gereserveerde budget daadwerkelijk uitgegeven. Dit wordt mede verklaard vanuit het feit dat er in 2024 relatief veel middelen voor een aantal provinciale uitvoeringsprogramma’s zijn gereserveerd, waarvan de onderliggende projecten nog moeten worden ontwikkeld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17057243/1