05. Buitengebied Midden-Groningen Toelichting
Tekst van het document
Voorheen vielen de transportleidingen voor chemische stoffen (anders dan aardgas of aardolieproducten) nog niet onder het Bevb, maar onder de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. De Circulaire is echter in 2015 vervallen. Deze types leidingen zijn vanaf dat moment ook onder het Bevb gaan vallen. Als de ruimtelijke inpassing van deze leidingen echter voldoet aan het Bevb, wordt automatisch voldaan aan de huidige Circulaire. Wetgeving transportroutes Voor ruimtelijke plannen binnen het invloedsgebied (1% letaliteitsgebied) van de risicovolle transportassen (spoor, weg of water) is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van toepassing. Basisnet Aan het Bevt is het zogenaamde basisnet gekoppeld. Dat is bedoeld om de transportroutes vast te leggen. Het basisnet houdt rekening met de veiligheid, maar ook met de dynamiek van
44
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
het transport en met toekomstige groei. In het basisnet is de grotere weg-, spoor- en waterinfrastructuur opgenomen. De provincie Groningen heeft ook al een provinciaal basisnet vastgesteld, als onderdeel van de Provinciale Omgevingsverordening. Het basisnet geeft aan voor welke provinciale wegen aspecten van externe veiligheid aan de orde zijn. Het basisnet ziet op plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Provincie specifiek is een extra regel voor de bescherming voor minder zelfredzame personen. Binnen 30 meter van de rand van wegen en spoorwegen in het basisnet mogen geen nieuwe objecten of functies voor beperkt zelfredzame personen worden toegestaan (scholen, zorgwoningen, zorgcentra et cetera). In de toelichting van bestemmingsplannen moet aandacht besteed worden aan het groepsrisico binnen 200 meter van een weg uit het basisnet. Met name de risico's van een plasbrand (een brandende plas) en een BLEVE (gasexplosie) moeten beschouwd worden. In de toelichting moet ook aandacht besteed worden aan het groepsrisico in gebieden binnen 1500 meter van de spoorweg Groningen-Zuidbroek.
Situatie in Midden-Groningen In (het buitengebied van) de gemeente Midden-Groningen hebben we te maken met grofweg drie categorieën relevante risicobronnen. In de eerste plaats komen verspreid over de gemeente diverse risicovolle inrichtingen in het kader van Bevi, Hierbij moet gedacht worden aan de circa 25 aardgaslocaties van met name de NAM en de Gasunie, Daarnaast is er een aantal benzinestations waarbij LPG wordt verkocht. Ook zijn er inrichtingen waar propaan wordt opgeslagen. Tenslotte komen er ook in het buitengebied nog een aantal gasontvangstations voor. De tweede categorie betreffen de risicovolle transportroutes. Op basis van het landelijk basisnet zijn dit de A7 en de N33, alsmede de spoorlijn Groningen-Duitse grens met de aftakking naar Veendam. In de gemeente doorkruisen verder een aantal wegen, die in eigendom en beheer zijn bij de provincie. Dit zijn de N385 (Kielsterachterweg), de N386 (de Woldweg in Kropswolde), de N387 (de weg van Hoogezand naar Siddeburen), de N860 (de Rijksweg-west langs het Winschoterdiep), de N865 (Meenteweg in Schidwolde), alsmede de in het zuidelijk deel van de gemeente gelegen N962 (Zuidlaarderweg) en N963 (Veendammerweg). De 3e categorie betreft de risicovolle transportleidingen. Dit zijn buisleidingen met een werkdruk van 40 bar of hoger van de Gasunie en de NAM.
Gedacht moet worden aan hogedrukaardgastransportleidingen, bedoeld voor de landelijke gasvoorziening, maar ook diverse regionale transportleidingen. Verder zijn er diverse aardgascondensaatleidingen van de NAM en een aantal waterstof- en stikstofleidingen met name bij Zuidbroek.
45
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
Figuur 6. Uitsnede Risicokaart
Het Steunpunt Externe Veiligheid (Omgevingsdienst Groningen) heeft informatie verstrekt over het aspect externe veiligheid in het plangebied. Hiervoor zijn voor inrichtingen, transportassen en aardgastransportleidingen berekeningen van het PR en GR opgesteld. De navolgende alinea's geven een samenvatting van de verstrekte informatie weer.
Risicovolle inrichtingen BEVI Het vaststellen van onderhavig bestemmingsplan heeft geen invloed op de in en in de omgeving van de gemeente voorkomende risicovolle inrichtingen.
Risicovolle transportroutes
46
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
In het plangebied komen diverse risicovolle transportroutes voor: 1. Rijksweg A7 De rijksweg A7 heeft volgens het landelijk Basisnet geen plaatsgebonden risico. Daarmee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico. In de regeling Basisnet is voor de rijksweg A7 opgenomen dat voor het weggedeelte nabij het plangebied geen plasbrandaandachtsgebied geldt. Hierdoor is dit aspect niet relevant. De A7 is ook opgenomen in de Provinciale Omgevingsverordening (POV). Hierin staat dat geen objecten voor verminderd zelfredzame mensen worden gerealiseerd. 2. Rijksweg N33 De rijksweg N33 heeft volgens het landelijk Basisnet een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 20 meter. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de N33 reikt tot in het plangebied en in de bestemmingen agrarisch, wonen, bos, groen en bedrijf. In de genoemde bestemmingen nabij de N33 worden geen objecten gerealiseerd. Daarmee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico. De N33 is ook opgenomen in de POV. Hierin staat dat geen objecten voor verminderd zelfredzame mensen worden gerealiseerd. 3. De provinciale wegen N385, N386, N387, N860, N865, N962 en N963 Deze wegen kennen ter hoogte van het plangebied volgens de POV, geen veiligheidszone 1 provinciale wegen (PRmax) buiten de weg. Daarmee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico.
De 'veiligheidszone 2' zoals opgenomen in de POV heeft een invloedsgebied van 355 meter. Deze zone is gelegen over het plangebied. Voor de 'veiligheidszone 3 transport' reikt de zone tot in het plangebied. De gemeente Midden-Groningen dient ervoor te zorgen dat er geen objecten voor verminderd zelfredzame mensen binnen de veiligheidszone 3 transport worden opgericht, zoals vastgelegd in de POV. Binnen de veiligheidszone 3 transport zullen geen objecten voor verminderd zelfredzame mensen worden gerealiseerd. Hierdoor is dit aspect niet relevant. 4. De spoorlijn Haren - Waterhuizen Route 250 C heeft volgens het landelijk Basisnet een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 0 meter. De plaatsgebonden risicocontour van dit spoortraject reikt tot in het plangebied en wel in de bestemming verkeer - railverkeer. In de bestemming verkeer - railverkeer worden geen objecten gerealiseerd. Daarmee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico. In de regeling Basisnet is voor de spoorlijn Haren aansl. - Waterhuizen aansl. Route 250 C opgenomen dat voor dit spoorgedeelte in het plangebied geen plasbrandaandachtsgebied geldt. Hierdoor is dit aspect niet relevant. 5. De spoorlijn Groningen - Duitse grens, Route 250 D Waterhuizen aansl. - Veendam aansl. Deze route heeft volgens het landelijk Basisnet een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 10 meter.
De plaatsgebonden risicocontour van dit spoortraject reikt tot in het plangebied en wel in de bestemming verkeer - railverkeer. In de bestemming verkeer - railverkeer worden geen objecten gerealiseerd. Daarmee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico. 6. De spoorlijn Groningen - Duitse grens, Route 250 E, Waterhuizen aansl. - Veendam aansl. Volgens het landelijk Basisnet heeft deze route een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 1 meter. De spoorlijn Groningen - Duitse, Route 250 E, Waterhuizen aansl. - Veendam aansl., is gelegen in het plangebied. De plaatsgebonden risicocontour van dit spoortraject reikt tot in het plangebied en wel in de bestemming verkeer - railverkeer. In de bestemming verkeer railverkeer worden geen objecten gerealiseerd. Daarmee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico. 7. De spoorlijn Groningen - Duitse grens, Route 400B, Veendam aansl. - Leer (D) heeft , volgens het landelijk Basisnet een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 1 meter. De spoorlijn Groningen - Duitse, Route 400B, Veendam aansl. - Leer (D), is gelegen in het plangebied. De plaatsgebonden risicocontour van dit spoortraject reikt tot in het plangebied en wel in de bestemming verkeer -railverkeer. In de bestemming verkeer - railverkeer worden geen objecten gerealiseerd.
Daarmee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde voor het
47
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
plaatsgebonden risico. 8. De spoorlijn Groningen - Duitse grens, Route 420A, Groningen Oost - Waterhuizen aansl. heeft volgens het landelijk Basisnet een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 9 meter. De spoorlijn Groningen - Duitse, Route 420A, Groningen Oost - Waterhuizen aansl., is gelegen in het plangebied. De plaatsgebonden risicocontour van dit spoortraject reikt tot in het plangebied en wel in de bestemming verkeer - railverkeer. In de bestemming verkeer - railverkeer worden geen objecten gerealiseerd. Daarmee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico. 9. Plasbrandaandachtsgebied In de regeling Basisnet is voor de rijksweg N33 en de spoorlijn Groningen - Duitse grens, Route 250 D, Waterhuizen aansl. - Veendam aansl., de spoorlijn Groningen - Duitse grens, Route 250 E, Waterhuizen aansl. - Veendam aansl., de spoorlijn Groningen - Duitse grens, Route 400B, Veendam aansl. - Leer (D) en de spoorlijn Groningen - Duitse grens, Route 420A, Groningen Oost - Waterhuizen aansl., aangegeven dat voor genoemde transportroutes een plasbrandaandachtsgebied aanwezig is. Het bestemmingsplan buitengebied Midden-Groningen voorziet in de actualisatie van de huidige bestemmingsplannen voor het buitengebied en is overwegend conserverend van karakter en hierdoor is dit aspect niet relevant. 10.
Veiligheidszone 3 POV In de POV is voor de spoorlijn Groningen - Duitse grens aangegeven dat hier een veiligheidszone 3 transport aanwezig is. Binnen de veiligheidszone 3 transport zullen geen objecten voor verminderd zelfredzame mensen worden gerealiseerd. Hierdoor is dit aspect niet relevant.
Risicovolle transportleidingen Uit de uitsnede van de risicokaart valt op te merken dat in het plangebied diverse risicovolle transportleidingen zijn opgenomen. Voor de risicovolle transportleiding NM-501016, NM-501025, NM-501026 en NM-501120 wordt een PR 10-6 contour berekend. Het bestemmingsplan buitengebied Midden-Groningen voorziet in de actualisatie van de huidige bestemmingsplannen voor het buitengebied en is overwegend conserverend van karakter. Vaststellen van het bestemmingsplan heeft geen invloed op de PR 10-6 van de transportleidingen. Verder vormen de aanwezige leidingen geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Naast de hierboven weergegeven risicovolle transportleidingen zijn er ook transportleidingen met een PR 10-6 die in het plangebied liggen maar waar geen objecten in de PR 10-6 zijn gelegen. Ook zijn er transportleidingen die deels binnen het plangebied liggen en deels buiten het plangebied en waarvan de PR 10-6 buiten het plangebied ligt. Dit betreft de volgende risicovolle transportleidingen: NM-501011, NM-501014, NM-501015, NM-501021, NM-501030, NM-501040, NM-501130, NM-502150, NM-502240. Voor de overige risicovolle transportleidingen wordt geen PR 10-6 contour berekend.
Groepsrisico Het berekende groepsrisico van de NAM leidingen NM-501015 en NM-501025 benadert de oriëntatiewaarde en het berekende groepsrisico van de NAM leidingen NM-501016 en NM-501026 is gelegen boven de orientatiewaarde. Het berekende groepsrisico van deze leidingen wordt veroorzaakt door een object buiten het bestemmingsplan buitengebied. Het berekende groepsrisico van de risicovolle inrichtingen, risicovolle transportroutes en overige risicovolle transportleidingen ligt onder de orientatiewaarde.
48
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
Vertaling in het bestemmingsplan In voorgaande alinea's is de informatie vanuit het Steunpunt Externe Veiligheid opgenomen. De informatie leidt niet tot aanscherping van de regels van het bestemmingsplan betreffende externe veiligheid.
Hoofdstuk 5 Hoofdstuk 5
Planuitgangspunten Planuitgangspunten
In deze paragraaf worden de planuitgangspunten van het bestemmingsplan opgesomd, zoals opgenomen in de vastgestelde "Aangepaste Nota van Uitgangspunten Bestemmingsplan Buitengebied". De nota somt de uitgangspunten aan de hand van 5 thema's op, te weten: 1. 2. 3. 4. 5.
5.1
Agrarische sector, Wonen en werken, Recreatie en toerisme, Landschap en Natuur en Duurzaamheid en en energietransitie
Agrarische sector Grootte van bouwvlakken Agrarische bedrijven krijgen in principe een bouwvlak van 1 hectare, dat in een bepaald deel van het buitengebied met een binnenplanse afwijking naar 1,5 ha vergroot kan worden. Met een wijzigingsbevoegdheid kan het bouwvlak onder voorwaarden worden vergroot tot 2 ha. Als bestaande bouwvlakken groter zijn dan 1 hectare, blijft de bestaande oppervlakte in stand. De grootte van de bouwvlakken is verder afhankelijk van het gebied en de provinciale regels. Alternatieve stalvormen, zoals boogstallen zijn hierbij onder voorwaarden toestaan. Bijzondere vormen van agrarisch aanduiden Intensieve veehouderijen, paardenhouderijen, maneges, boomkwekerijen, e.d. krijgen een specifieke aanduiding binnen de agrarische bestemming. In sommige gevallen kan hiervoor ook een eigen bestemming gelden. De reden hiervoor is dat voor deze bedrijven een andere maatvoeringsregeling (zoals qua bouwmogelijkheden) geldt dan bij een regulier agrarisch bedrijf. Geen nieuwe locaties voor agrarische bedrijven Er zijn in het plan geen nieuwe locaties voor de vestiging van agrarische bedrijven of verhuisregelingen voor bestaande bedrijven opgenomen. Door schaalvergroting in deze sector zijn er voldoende bestaande agrarische bouwpercelen in de gemeente beschikbaar.
Bedrijven in het buitengebied Er wordt geen omschakeling toegestaan van agrarisch bedrijf naar intensieve veehouderij, (glas)tuinbouw of naar een bedrijf dat qua milieubelasting op een bedrijventerrein thuis hoort. In beginsel is er geen ruimte voor nieuwvestiging van loonbedrijven in het buitengebied. Bestaande loonbedrijven worden wel toegestaan. Onder voorwaarden kan bij bestaande landbouwbedrijven een loonbedrijf als neventak worden gestart. Herbestemming tuinbouwgebied Sappemeer-Noord Er worden geen nieuwe (glas)tuinbouwbedrijven meer toegestaan. Er wordt hierbij maatwerk toegepast voor bestaande tuinbouwbedrijven. Om de bestaande bedrijven uitbreidingsruimte te geven is gekozen voor een meer logische begrenzing van het tuinbouwgebied. Daarbij is uitgegaan van de bestaande infrastructuur van het gebied. Zo worden de gebieden ten oosten
49
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
van de Laveiweg in Sappemeer gewijzigd in een agrarische bestemming (zonder bouwvlak) en zijn daar tuinbouwactiviteiten niet meer toegestaan, Het gebied ten westen van de Laveiweg behoudt zijn huidige (tuinbouw)bestemming. Voor Sappemeer-Noord worden ook plannen met betrekking tot duurzaamheid / eigen energieopwekking betrokken. Veldschuren Bestaande veldschuren die in het geldende bestemmingsplan onder het overgangsrecht vallen en niet zijn bestemd krijgen de aanduiding 'veldschuur'. Nevenactiviteiten Naast de agrarische functie wordt ruimte geboden voor verschillende nevenactiviteiten in de bestaande bebouwing als semi- of niet-agrarische bedrijvigheid, opslag en stalling (geen buitenopslag) of recreatie (bed & breakfast, kleinschalig kamperen, kinderboerderij, groepsbijeenkomsten en dergelijke). Er mag hierbij ook sprake zijn van kleinschalige detailhandel en kleine horeca (zoals een theeschenkerij). Dit moet altijd ondergeschikt zijn in relatie tot de hoofdfunctie (agrarisch). Initiatieven komen de leefbaarheid van het buitengebied ten goede en ondersteunen de agrarische sector. Regeling voor mestopslag Er wordt geen apart geurbeleid vast gesteld. In plaats daarvan wordt een gebiedsvisie mestopslag opgesteld. Hiermee kan mestopslag op veldkavels worden gereguleerd.
Functiewijziging Er wordt een ruimhartige regeling voor functiewijziging van vrijkomende (agrarische) bebouwing opgenomen. Motief hiervan is de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Biomassavergisting Er is een regeling opgenomen voor het opwekken van duurzame energie via biomassavergisting bij agrarische bedrijven (voor eigen gebruik). Dit is alleen onder voorwaarden toegestaan. Zo geldt er een productieplafond voor het produceren van biomassa. Ook worden voorwaarden gesteld aan de ontsluiting van plattelandswegen in relatie tot de toename van het transport. Verder gelden er afstanden tot omliggende woonbebouwing. Stikstofregeling Er is in de algemene gebruiksregels een regeling opgenomen om een toename van de stikstofdepositie in het plangebied bij agrarische ontwikkelingen te voorkomen. Dit betekent dat het gebruik van gronden en bebouwing binnen het agrarisch bouwperceel voor het houden van vee in strijd is met het bestemmingsplan, indien dit leidt tot een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de bestaande situatie vanaf het betreffende agrarisch bouwperceel op de maatgevende voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Deze regeling geldt ook voor het opslaan van mest buiten het agrarisch bouwperceel.
In de praktijk betekent dit dat bijvoorbeeld bij uitbreiding van het aantal dieren of de aanleg van een mestbassin op een veldkavel deze ontwikkelingen niet mogen leiden tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.
50
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
5.2
Wonen en werken Bestaande woningen Voor bestaande woonfuncties wordt ruimte geboden met meer flexibiliteit binnen bouwvlakken. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de voorgeschreven (maximale) maatvoering qua oppervlaktes uit het provinciaal beleid. Ook wordt er rekening gehouden met de versoepeling op het gebied van vergunningsvrij bouwen. Tegelijk dient behoud van de ruimtelijke kwaliteiten 'openheid, ruimte en rust' van het buitengebied voorop te staan. Nieuwe woonkavels In het buitengebied worden geen nieuwe woonkavels toegelaten. Mantelzorg en aan huis verbonden beroepen. In tegenstelling tot de bestaande plannen wordt geen afzonderlijke regeling voor mantelzorg overgenomen, aangezien deze regeling grotendeels vergunningsvrij is geworden. De mogelijkheden voor beroep en bedrijf aan huis wordt -conform de beleidsregels- verwerkt. Niet agrarische bedrijvigheid Bedrijven zonder binding met de agrarische sector zijn minder gewenst in het buitengebied: deze horen op bedrijventerreinen. Bestaande bedrijven krijgen wel voorwaardelijke uitbreidingsruimte indien de economische noodzaak is aangetoond. Een uitzondering kan worden gemaakt voor de vestiging van een nieuw bedrijf in een leegkomend behoudenswaardig pand in het buitengebied.
Detailhandel Beperkte detailhandel is als ondergeschikte nevenfunctie bij de agrarische hoofdfunctie onder voorwaarden toegestaan om de leefbaarheid van het platteland te vergroten. Ook webwinkels zijn toegelaten, mits dit plaatsvindt binnen bestaande gebouwen en geen 'etalage'-uitstraling hebben. Zorgboerderijen Nieuwe initiatieven tot vestiging van een zorgboerderij hebben steeds een eigen planologische afweging nodig. Tweede bedrijfswoning Het bouwen van een tweede bedrijfswoning is in principe niet toegestaan, tenzij sprake is van een duurzaam tweepersoonsbedrijf en al aan de gestelde voorwaarden van de Provinciale Omgevingsverordening wordt voldaan. Voor de beoordeling of sprake is van een volwaardige tweepersoonsbedrijf wordt aansluiting gezocht bij de daarvoor geldende richtlijnen Herinvulling vrijkomende agrarische gebouwen Er wordt een regeling opgenomen waarbij behoudenswaardige/karakteristieke gebouwen die hun oorspronkelijke functie hebben verloren gemakkelijker een nieuwe woonfunctie of (onder voorwaarden) bedrijfsfunctie kunnen krijgen. Er moet dan wel een aantoonbare verbetering van de ruimtelijke beeldkwaliteit van het perceel en zijn directe omgeving zijn. Ruimte voor ruimteregeling Voor minder fraaie voormalige agrarische gebouwen worden de mogelijkheden verruimd.
Als een agrarisch bedrijf stopt en de bestemming moet worden gewijzigd, is er soms sprake van storende bebouwing dat zich niet goed leent voor hergebruik. Grootschalige storende bebouwing in het landschap kan dan onder voorwaarden worden ingeruild (door sloop) voor andere meer passende (kleinere) bebouwing. Dit kan in de vorm van een bijgebouw zoals een schuur, maar onder voorwaarden ook een nieuw te bouwen woning. Ook hier geldt dat er een aantoonbare verbetering van de ruimtelijke beeldkwaliteit van het betreffende perceel en zijn directe omgeving moet zijn. Daarnaast moet worden voldaan aan het gemeentelijk beleid.
51
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
5.3
Recreatie en toerisme Recreatieve ontwikkeling Nieuwe kleinschalige recreatieve ontwikkelingen in principe toelaten om de levendigheid en leefbaarheid van het buitengebied te bevorderen. Extensieve recreatie Het is de bedoeling om extensieve recreatie in het buitengebied stimuleren, waarbij rekening is gehouden met de draagkracht van de natuur. Voorzieningen als wandel- en fietspaden, observatiehutten en picknickplaatsen bij recht toestaan in natuur en uitloopgebieden in agrarische bestemming (dorpsrondje). Bed & Breakfast De uitoefening van een neventak Bed & breakfast bij de woon- en de agrarische bestemming wordt bij recht onder voorwaarden toestaan, tot een maximum van 6 kamers. Bij agrarische bedrijven en in VAB's (voormalige agrarische bebouwing) zijn onder voorwaarden ook groepsaccommodaties toegestaan. Minicampings Minicampings worden bij de woon- en de agrarische bestemming bij recht toegestaan, mits ze voldoen aan de geldende beleidsnotitie. Er geldt een maximum van 25 kampeermiddelen. Ondersteunende/ondergeschikte horeca Ondersteunende/ondergeschikte horeca, zoals theeschenkerijen, worden binnen de woon- en agrarische bestemming bij recht (onder voorwaarden) toegestaan. Zelfstandige horeca Er worden in principe geen nieuwe zelfstandige horecabedrijven in het buitengebied toegestaan.
Nieuwvestiging in karakteristieke (agrarische) bebouwing als een kans zien om de leefbaarheid te vergroten en de bebouwing in stand te laten. Wel is daarvoor een afzonderlijke beoordeling en procedure nodig. Bestaande horecabedrijven krijgen een voorwaardelijke uitbreidingsmogelijkheid.
5.4
Landschap en natuur Natuurgebieden Bestaande natuurgebieden krijgen de natuurbestemming. Grotere plassen en meren daarbinnen (zoals het Schildmeer en Zuidlaardermeer) worden bestemd als 'Water' . Overig groen Bosgebieden en andere groen gebieden krijgen een passende bestemming. Voor bossen en bossingels (hoogopgaand groen) is dat meestal een bestemming 'Bos'. Aan parken, plantsoenen en groenstroken wordt de bestemming 'Groen' toegekend. Flora en fauna onderzoek De gemeente Midden-Groningen heeft in 2017 een geactualiseerd onderzoek laten uitvoeren op het gebied van Flora en fauna. Dit onderzoek dient als basis voor de paragraaf over de natuur en natuurwetgeving. Cultureel beeldbepalend erfgoed In het landschap voorkomende cultuurhistorisch waardevolle, monumentale en/of beeldbepalende gebouwen krijgen een aanduiding waarmee deze gebouwen bescherming krijgen tegen ondoordachte sloop, verbouwingen of herstelwerkzaamheden na schade door aardgaswinning. Hergebruik van deze panden door functieverandering zal makkelijker worden gemaakt (zie ook onderdeel Wonen en Werken). Cultuurhistorie, landschap en archeologie
52
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
Hoogwaardige ruimtelijke kwaliteiten van het landschap als karakteristieke lintstructuren, behoudenswaardige landschapselementen, open gebieden en archeologische gebieden met een hoge verwachtingswaarde worden beschermd via de planregels. Dit geldt ook voor de zogenaamde zwarte wegen in het gebied. Met zwarte wegen worden meest onverharde landwegen (op zwarte grond) bedoeld, die zijn ontstaan tijdens de veenkoloniale ontginning.
Water en waterberging In het bestemmingsplan worden primaire waterkeringen als dijken en kades beschermd door een passende regeling. Ook blijven gebieden aangewezen die indien nodig als noodberging voor water kunnen dienen.
5.5
Duurzaamheid en energietransitie Zonneparken In het buitengebied worden geschikte locaties gezocht voor kleine(re) en grote zonneparken om de inzet van duurzame energie te stimuleren. Het bestemmingsplan zelf maakt geen keuzes waar wel en niet zonneparken kunnen worden gevestigd. Daarvoor is het in 2019 vastgestelde "Beleid Zonneparken in Midden-Groningen" het toetsingskader. In de onderstaande tabel zijn de volgende locaties opgenomen in het plangebied waar een (tijdelijke) omgevingsvergunning is verleend voor een zonnepark. Tijdelijkheid is in dit geval maximaal 30 jaar. Zonnepark (jaartal vergunning)
Locatie
Omvang (in hectare)
Midden-Groningen (2017)
Lodijck, Sappemeer
117
Zuidbroek (2018)
Spitsbergen, Zuidbroek
32
Duurkenakker (2019)
Duurkenakker, Muntendam
50
Eekerweg (2020)
Eekerweg, Meeden
68
Kleinschalig zonnepark (2020)
Damsterweg, Steendam
0,3
Sappemeer (2019)
Rijksweg oost 123 Sappemeer 1
Voor de locaties waar deze tijdelijke vergunningen zijn afgegeven geldt daarnaast nog de onderliggende (agrarische) bestemming. Windturbines De door de voormalige gemeenten opgenomen beleidsuitgangspunten voor windmolens tot een ashoogte van maximaal 15 meter worden in het bestemmingsplan Buitengebied opgenomen. Voor hogere windmolens wordt geen ruimte geboden binnen het bestemmingplan (en de gemeentegrenzen). Visie Duurzaamheid 2019 In paragraaf 2.4.3.1 zijn de beleidsuitgangspunten van de Visie Duurzaamheid toegelicht. In dit bestemmingsplan is bij onder meer de bestemmingen Agrarisch, Bedrijf, Gemengd en Wonen ruimte opgenomen voor kleinschalige energieontwikkeling.
53
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
Hoofdstuk 6
Juridische toelichting
In dit hoofdstuk wordt als eerste uitgelegd wat een bestemmingsplan is en welke systematiek er gekozen is. Hierna wordt een toelichting gegeven op de bestemmingen die zijn opgenomen in het plan. Hierbij moet altijd worden bedacht dat de regels en de verbeelding in samenhang moeten worden gelezen. Op de verbeelding zijn namelijk de bestemmingen, de aanduidingen en de verklaringen aangegeven die voor een locatie gelden.
6.1
Wat is een bestemmingsplan In een bestemmingsplan is geregeld hoe gronden en de bouwwerken daarop gebruikt mogen worden, en wat en hoe er gebouwd mag worden. Een bestemmingsplan bestaat uit drie delen: de verbeelding, de regels en de toelichting. Op de verbeelding is aangegeven welke bestemming een perceel heeft. Het kan bijvoorbeeld gaan om een woon-, bedrijfs- of verkeersbestemming. In de regels is vervolgens bepaald wat er wel en niet is toegestaan binnen deze bestemming. Hier staat onder andere hoe de grond gebruikt mag worden en of er gebouwd mag worden. Als er gebouwd mag worden, dan staan in de regels onder andere de goothoogte en bouwhoogte die maximaal zijn toegestaan op het perceel. In de toelichting zijn onder andere de aanleiding, de achtergronden en uitgevoerde onderzoeken beschreven. Een bestemmingsplan gaat uitdrukkelijk niet over allerlei uitvoeringsgerichte zaken, zoals bijvoorbeeld de inrichting van wegen en het openbaar gebied of de aanleg of de functionering van rioleringssystemen. Als een persoon of bedrijf wil gaan bouwen of verbouwen, is hier vaak een omgevingsvergunning voor nodig. Een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt onder andere getoetst aan het bestemmingsplan. Als een aanvraag past binnen de regels van het bestemmingsplan wordt in de meeste gevallen een omgevingsvergunning verleend.
De wijze waarop een bestemmingsplan juridisch kan worden vormgegeven, wordt in grote lijnen bepaald door de Wet ruimtelijke ordening, evenals door het daarbij behorende Besluit ruimtelijke ordening.
6.2
Bestemmingsplanregels
6.2.1
Inleidende regels Begrippen In het eerste artikel staan de belangrijkste begrippen verklaard, zoals die in de regels worden gebruikt en die misschien niet geheel voor zichzelf spreken. Het bevat definities om misverstanden te voorkomen. De begrippenlijst is niet uitputtend. Voor niet verklaarde begrippen moet aansluiting gezocht worden bij de uitleg die er in recente andere bestemmingsplannen van de gemeente, de jurisprudentie, de Van Dale of het dagelijks spraakgebruik aan gegeven wordt.
Wijze van meten In het tweede artikel staat de wijze van meten in het bestemmingsplan verklaard. Het gaat dan bijvoorbeeld om de juiste manier van meten van de goot- en bouwhoogte. Hier wordt ook uitgelegd wat wordt bedoeld met 'ondergeschikte bouwdelen' en wanneer deze bij de toetsing aan de bestemmingsplan regels buiten beschouwing mogen worden gelaten.
54
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
6.2.2
Bestemmingsregels Bestemmingsomschrijving Hier worden de aan de gronden toegekende functie(s) omschreven, waar nodig onderverdeeld in hoofdfunctie(s) en daaraan ondergeschikte functies. De bestemmingsomschrijving bevat behalve functie(s) ook inrichtingsaspecten: de gebouwen en bouwwerken ten behoeve van de toegestane functies. Daarnaast kan bij sommige bestemmingen het behoud van bepaalde karakteristieke waarden worden nagestreefd, zoals cultuurhistorische waarden. De gronden worden dan, naast bijvoorbeeld de woonfunctie, tevens bestemd voor het behoud en het herstel van de in het gebied voorkomende cultuurhistorische waarden. Hiervoor worden gebiedsaanduidingen en dubbelbestemmingen gebruikt.
Bouwregels De bouwregels geven de bebouwingsbepalingen waaraan bouwwerken moeten voldoen. Dit kunnen zijn bepalingen ten aanzien van hoogte, horizontale diepte, breedte, oppervlakte, bouwgrenzen, afstanden tot perceelsgrenzen et cetera. Voor een deel gebeurt dit door middel van een verwijzing naar een aanduiding op de verbeelding. Vergunningsplichtige bouwactiviteiten worden aan deze bepalingen getoetst. Vergunningsvrije bouwwerken behoeven niet aan de bouwregels te voldoen. Het gebruik van dergelijke bouwwerken is overigens wel weer onderworpen aan de bepalingen van het bestemmingsplan (zie gebruiksbepalingen).
Afwijken van de bouwregels Hier wordt aangegeven van welke bouwregels het bevoegd gezag (in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders) een omgevingsvergunning voor het afwijken van bepaalde regels in het bestemmingsplan kan verlenen. Deze afwijkingsbevoegdheid is gebaseerd op artikel 3.6 lid 1 sub c van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De afwijkingsbepalingen kunnen worden opgenomen om een bepaalde flexibiliteit of verruiming van het bestemmingsplan mogelijk te maken, maar waarvoor om welke reden dan ook een nadere afweging per geval gewenst is. De criteria en afwegingskaders zijn opgenomen in dit artikel zelf en zijn zo objectief mogelijk geformuleerd. In ieder geval zijn de algemene afwijkingsvoorwaarden als opgenomen in Hoofdstuk 3 van toepassing.
Specifieke gebruiksregels Artikel 2.1 van de Wabo regelt dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met de bepalingen van -onder meer- een bestemmingsplan. In beginsel is uit de bestemmingsomschrijving af te leiden wat wel of niet is toegestaan. In aanvulling daarop geven de specifieke gebruiksregels voor bepaalde gevallen een nadere uitwerking of extra duidelijkheid wat wel of juist niet is toegestaan binnen de bestemming. In sommige gevallen zijn voorwaarden opgenomen waaronder een bepaalde activiteit is toegestaan. Soms wordt daarbij verwezen naar beleidsregels die als bijlage zijn toegevoegd en zodoende onderdeel van het bestemmingsplan zijn.
Afwijken van de gebruiksregels Er kan ook een omgevingsvergunning voor het afwijken van het gebruik worden verleend ten behoeve van een concrete vorm van gebruik van gronden en of bouwwerken op basis van artikel
55
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
3.6 Wro. Een dergelijke afwijkingsbepaling kan worden opgenomen om een bepaalde flexibiliteit of verruiming van het bestemmingsplan mogelijk te maken, maar waarvoor om welke reden dan ook een nadere afweging per geval gewenst is. De criteria en afwegingskaders zijn opgenomen in de regels van de betreffende bestemming en in ieder geval in de algemene regels en zijn zo objectief mogelijk geformuleerd. In een aantal gevallen wordt voor de criteria verwezen naar de beleidsregels die als bijlage van de regels zijn opgenomen.
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk Een vergunningenstelsel, gebaseerd op artikel 3.3 van de Wet ruimtelijke ordening, maakt het mogelijk een omgevingsvergunning te eisen voor specifieke inrichtingsactiviteiten. Een dergelijke regeling kan worden opgenomen om bepaalde werkzaamheden binnen een bestemming te reguleren. Een vergunningenstelsel kan daarmee extra bescherming bieden aan specifieke waarden, zoals bijvoorbeeld archeologische waarden, landschappelijke of natuurlijke waarden, ecologische waarden of de groen- en/of waterstructuur. De criteria en afwegingskaders zijn opgenomen in de regels van de betreffende bestemming of in de algemene regels en zijn zo objectief mogelijk geformuleerd.
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Artikel 3.3 van de Wet ruimtelijke ordening biedt ook de mogelijkheid om de sloop van bepaalde bouwwerken te koppelen aan een omgevingsvergunning en vormt daarmee dezelfde wettelijke basis geregeld als een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk. Doel van dit vergunningstelsel is bouwwerken met architectonische, cultuurhistorische of archeologische waarden te beschermen en te voorkomen dat deze zonder belangenafweging door het bevoegd gezag worden gesloopt en daardoor voorgoed verdwijnen.
Wijzigingsbevoegdheid De wijzigingsbevoegdheid is gebaseerd op artikel 3.6 van de Wro en geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om de betreffende bestemming op de aangegeven punten te wijzigen. Soms wordt verwezen naar een reeds bestaande bestemming of naar een bestemming die nog niet in het plan voorkomt, maar al wel als bijlage bij de regels is opgenomen. Ook komt het voor dat nog geen verwijzing naar een specifieke bestemming is opgenomen, maar dat de bepalingen aanwijzingen en regels bevat voor de wijziging. 6.2.3
Algemene regels In dit onderdeel van de regels komen algemene regels aan de orde die gelden voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan. De regels worden in onderstaande volgorde opgenomen. De algemene regels bestaan uit de volgende artikelen:
Anti-dubbeltelregel Met de anti-dubbeltelregel wordt geregeld dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning is meegenomen niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning mag worden meegenomen. De antidubbeltelregel heeft uitsluitend betrekking op situaties die plaatsvinden onder het geldende bestemmingsplan. Het is dus niet zo dat gronden die zijn meegeteld bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten onder een vorig bestemmingsplan, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen onder het nieuwe bestemmingsplan ook buiten beschouwing moeten worden gelaten.
56
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
Algemene bouwregels In dit artikel wordt aangegeven in welke mate de maximale bouwgrenzen van ondergeschikte onderdelen van bouwwerken zonder omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan mogen worden overschreden. Dit kan echter ook plaatsvinden in de betreffende bestemmingen zelf. Daarnaast wordt aangegeven wanneer ondergronds bouwen wel en niet in de bouwregels is begrepen.
Algemene gebruiksregels In dit artikel is een aantal (gebruiks)regels opgenomen die voor het hele plangebied van toepassing kunnen zijn afhankelijk van het gebruik en de locatie. Deze regels gelden aanvullend op de andere bestemmingsregels.
Algemene aanduidingsregels In dit artikel kunnen eventuele regels worden opgenomen ten aanzien van de algemene bouwen functieaanduidingen en gebiedsaanduidingen die niet toerekenbaar zijn aan één specifieke bestemming of juist identiek in verschillende bestemmingen worden toegepast waarbij toepassing middels de algemene aanduidingsregels bijdraagt aan uniformiteit van de regels.
Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de gevallen waarvoor een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het afwijken van bepaalde regels. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan, ten zij anders is aangegeven in de bepalingen.
Algemene wijzigingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de gevallen waarmee door middel van een wijzigingsbevoegdheid het mogelijk is enige flexibiliteit in het plan aan te brengen. Het gaat hierbij om een bevoegdheid en houdt geen verplichting in. Deze bevoegdheid mag nadrukkelijk niet worden gebruikt om zodanig aanzienlijke wijzigingen van bestemmingen te bewerkstelligen, dat daarmee de essentie van het plan wezenlijk wordt veranderd. 6.2.4
Overgangs- en slotregels In de overgangs- en slotregels zijn de overgangsbepalingen uit het Besluit ruimtelijke ordening overgenomen. In de slotregel is aangegeven op welke wijze de planregels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
57
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
6.3
Toelichting algemene uitgangspunten
6.3.1
Beleidsregels In het kader van de actualisatie van het bestemmingsplan Buitengebied zijn diverse beleidsregels geactualiseerd en geharmoniseerd. De beleidsregels zijn als bijlagen bij de regels opgenomen en gelden als toetsingskader bij verzoeken. De gemeente wil ruimte bieden aan diverse nevenactiviteiten in het buitengebied. Bij recht zijn diverse activiteiten binnen verschillende bestemmingen toegestaan mits voldaan wordt aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de beleidsregels. Het gaat hier om: Beleidsregel 'Kleinschalige bedrijvigheid Buitengebied' ; Beleidsregel 'Kleinschalige windturbines' ; Gebiedsvisie 'Mestopslag' ; (Ontwerp) beleidsnotitie 'Kamperen' ; Beleidsnotitie 'Paardenhouderijen'; Beleidsnota 'Aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven'.
De diverse activiteiten genoemd in deze beleidsdocumenten moeten passen binnen de regels van de geldende bestemming. Dat wil zeggen dat de gebruiksmogelijkheden moeten passen binnen de toegestane oppervlakte zoals opgenomen in de bouwregels. 6.3.2
Afwijkings- en wijzigingsvoorwaarden AFWIJKINGSVOORWAARDEN In het bestemmingsplan zijn op verschillende momenten mogelijkheden om af te wijken van de geldende regels. Het verlenen van de omgevingsvergunning mag niet leiden tot: aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld; verkeersonveilige situaties; ruimtelijke situaties die onoverzichtelijk en niet sociaal controleerbaar zijn; aantasting van landschappelijke of natuurlijke waarden; een beperking in de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van aangrenzende gronden; een verslechterde milieu of woonsituatie. In de praktijk wil nog eens discussie ontstaan over wat met de onevenredige aantasting van de verschillende onderdelen precies bedoeld wordt. Hieronder een toelichting op deze onderdelen. Het straat- en bebouwingsbeeld Het gaat om de waarde van een gebied in stedenbouwkundige zin. Deze wordt bepaald door de mate van samenhang in aanwezige bebouwing. In het bijzonder wordt daarbij gelet op een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte, een goede hoogte- en breedteverhouding tussen de bebouwing onderling en de samenhang in bouwvorm en ligging tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar is georiënteerd.
Verkeersonveilige situaties Verkeersonveilige situatie kunnen ontstaan wanneer een verandering van gebruik of een bouwwerk een grote verkeersaantrekkende werking heeft of wanneer materieel wordt ingezet waarop de aanwezige wegen en/of omgeving niet berekend zijn. De milieusituatie De situatie, waarbij milieuaspecten dienen te worden beoordeeld, zoals hinder voor omwonenden en een verkeersaantrekkende werking. In het bijzonder dient er bij de situering en omvang van milieubelastende functies (o.a. bedrijven) op te worden gelet dat de uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies (o.a. woningen) zo weinig mogelijk wordt beperkt. Omgekeerd dient er bij uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies op te worden gelet dat bestaande milieubelastende functies zo weinig mogelijk in hun functioneren worden beperkt; De woonsituatie
58
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
Een situatie waarbij, mede door de situering van om de woonfunctie liggende functies en bebouwing, in ieder geval sprake is van een redelijke daglichttoetreding, een redelijke mate van uitzicht en voldoende privacy, alsmede van afwezigheid van hinder. Landschappelijke waarden De aan een gebied toegekende waarde, in verband met de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied. Natuurlijke waarden De aan een gebied toegekende waarden in verband met de geologische, bodemkundige en biologische elementen voorkomende in dat gebied. Onderdeel van de natuurlijke waarden vormt steeds een beoordeling van de soortbescherming op basis van de Wet natuurbescherming. Gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden De mogelijkheden om gronden en daarop toegelaten bouwwerken overeenkomstig de daaraan toegekende bestemming te gebruiken;
WIJZIGINGSVOORWAARDEN Ook voor de wijzigingsbevoegdheden zijn algemene voorwaarden opgenomen, te weten: Bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheden in dit plan belangenafweging plaats waarbij in ieder geval betrokken worden:
vindt
een
evenredige
a. de mate waarin de belangen van gebruikers en/of eigenaren van de aanliggende gronden kunnen worden geschaad; b. de mate waarin de uitvoerbaarheid is aangetoond, waaronder begrepen de toelaatbaarheid op het gebied van milieu, externe veiligheid, waterhuishouding, ecologie en archeologie; c. de mate waarin de landschappelijke inpasbaarheid is aangetoond; d. de mate waarin de verkeerssituatie wordt beïnvloed, waaronder begrepen de gevolgen voor de infrastructuur.
Hieronder volgt een toelichting op deze voorwaarden: ad a.
belangen van gebruikers en/of eigenaren van omliggende gronden schaden. Onder deze voorwaarde valt het belang in brede zin van het woord. Het gaat hier om de afweging voor de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van aangrenzende gronden maar ook om de woonsituatie van naastgelegen percelen.
ad b.
wat betreft de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Er wordt gekeken naar diverse aspecten waaronder op het gebied van milieu, externe veiligheid, waterhuishouding, ecologie en archeologie, eigenlijk alle 'omgevingsaspecten' die eventueel van invloed kunnen zijn op de (financiële) uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Daarnaast wordt ook gekeken naar de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Hierin is bijvoorbeeld, met oog op de Omgevingswet, het betrekken van omwonenden belangrijk.
ad c.
het aantonen van de landschappelijke inpasbaarheid. Dit gaat vaak vergezeld met een inrichtingsplan. Dit kan in sommige gevallen eenvoudig plaatsvinden maar zal in sommige gevallen ook plaatsvinden conform de maatwerkmethode van de provincie. Het planvoornemen mag geen inbreuk doen op de aanwezige landschappelijke waarden.
ad d.
de beïnvloeding van de verkeerssituatie geldt in brede zin van het woord. Hier wordt met name gekeken naar de verkeersaantrekkende werking, de afwikkeling hiervan en de capaciteit van aanwezige wegen. Daarnaast wordt ook gekeken naar de parkeersituatie, zijn er voldoende parkeerplaatsen aanwezig, waar worden deze gerealiseerd? Deze elementen worden beoordeeld in relatie tot eventuele hinder voor omwonenden.
59
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
NORMAAL ONDERHOUD Daarnaast wordt normaal onderhoud vaak als uitzondering opgenomen bij een verbod. Ook hier ontstaat wel eens discussie over wat hier precies onder valt. Met die reden is in deze paragraaf ook een verduidelijkend begrip opgenomen: Normaal onderhoud Het onderhoud, dat gelet op de bestemming regelmatig noodzakelijk is voor een goed beheer en gebruik van de gronden en gebouwen die tot de betreffende bestemming behoren.
6.3.3
Wijzigingsbevoegdheden In het bestemmingsplan zijn diverse bestemmingsspecifieke maar ook algemene wijzigingsregels opgenomen. Wanneer de Omgevingswet in werking treedt komen de wijzigingsregels zoals deze in voorliggende bestemmingsplan zijn opgenomen, in het nieuwe tijdelijke Omgevingsplan te vervallen. Om ook in de toekomstige situatie ruimte te kunnen bieden aan ontwikkelingen kunnen de opgenomen wijzigingsbevoegdheden beschouwd worden als gemeentelijk beleid. Deze wijzigingsbevoegdheden kunnen onder de Omgevingswet beschouwd worden als toetsingskader zodat een Buitenplanse Omgevingsplan Activiteit verleend kan worden.
6.4
Toelichting basisbestemmingen In deze paragraaf wordt een toelichting gegeven over de bestemmingsregels die in het bestemmingsplan voorkomen.
6.4.1
Agrarisch - Agrarisch bedrijf De volgende onderdelen worden tot het bestemmingsvlak gerekend: het erf; de gebouwen en overige bouwwerken die in de directe omgeving van het bedrijfsperceel aanwezig zijn; de verharding in gebruik voor voeropslag. Het agrarische bouwperceel is bestemd voor één grondgebonden agrarisch bedrijf met bijbehorende bouwwerken en één bedrijfswoning. Alle bebouwing dient binnen het aangegeven bouwvlak te zijn gesitueerd, inclusief voer- en mestopslag. Voor de bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken en overkappingen geldt dat niet meer dan 300 m² is toegestaan. De oppervlakte van de bedrijfsbebouwing binnen het bouwvlak is niet gebonden aan een maximum. Ondanks de theoretische bebouwingsmogelijkheden zal een bebouwingspercentage van ongeveer 70% in de praktijk vanwege de agrarische bedrijfsvoering niet worden overschreden. De grootte van het bouwvlak is in principe 1 hectare. Bij bedrijven waar het bestaande bouwvlak groter is, is een groter bouwvlak toegekend. Bedrijven die zijn gelegen in de gebieden waar landschappelijk meer uitbreiding mogelijk is (zoals aangewezen in de Provinciale Verordening) kunnen met een binnenplanse afwijking, het bouwvlak vergroten naar 1,5 ha. De uitbreidingsgebieden bij de betreffende bedrijven zijn aangeduid met de gebiedsaanduiding 'overige zone - maatwerkmethode.
Als voorwaarde voor de uitbreiding geldt dat de maatwerkmethode, zoals de provincie deze voorschrijft, wordt toegepast. Daarnaast is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om onder voorwaarden het bouwvlak behorende bij een agrarische bedrijf te kunnen vergroten naar 2 ha. Bij recht is ook een productiegerichte paardenhouderij inclusief bijbehorende bouwwerken en 1 bedrijfswoning toegestaan. Niet grondgebonden bedrijven zoals intensieve veehouderijen zijn uitsluitend toegestaan op die percelen waar gronden zijn voorzien van een functieaanduiding. Bij intensieve veehouderijen mogen bouwwerken naast de intensieve tak ook gebruikt worden
60
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
voor het stallen van producten, materiaal en werktuigen ten behoeve van een niet-intensieve tak. Hiermee is uitwisseling naar akkerbouw- of loonbedrif activiteiten mogelijk. Daarnaast zijn binnen de bandbreedte van de beleidsregels bij recht de volgende nevenactiviteiten toegestaan: ondergeschikte horeca, niet-agrarische bedrijvigheid, een mini-camping, een vrij beroep of overig aan-huis-verbonden beroep of bedrijf en kleinschalige duurzame energieopwekking. Wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden zoals opgenomen in de beleidsregels is een omgevingsvergunnig niet noodzakelijk. Daarnaast moet de activiteit passen binnen de opgenomen bouwregels. Kleinschalige duurzame energieopwekking kan plaatsvinden in de vorm van zonnepanelen op daken of kleinschalige windturbines (max. 15 m hoog). Kleinschalige windturbines zijn toegestaan binnen het bouwvlak. Mocht binnen het bouwvlak geen ruimte zijn dan is het mogelijk om met een wijzigingsbevoegdheid de ligging van het bouwvlak te wijzigen. Door het wijzigen van de ligging van het bouwvlak kan ruimte ontstaan om toch een kleinschalige windturbine binnen het gewijzigde bouwvlak toe te staan. Onder voorwaarden kan daarnaast een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de regels voor het exploiteren van een mest- en/of biomassavergistingsinstallatie onder voorwaarde dat deze onderdeel uitmaakt van het agrarisch bedrijf.
In de bestemmingsregeling zijn ook een aantal wijzigingsregels opgenomen om de bestemming 'Agrarisch' te wijzigen naar een niet-agrarische bestemming. Met een wijzigingsprocedure kan de bestemming worden gewijzigd naar 'Wonen', 'Wonen - VAB' , 'Gemengd', 'Agrarisch - Paardenhouderij' of 'Agrarisch - Cultuurgrond'. Een voorwaarde bij het wijzigen is dat een deel van de voormalige niet-karakteristieke bedrijfsgebouwen wordt gesloopt en voldaan wordt aan de bebouwingsregels van de nieuwe bestemming. Naast een functiewijziging zijn ook wijzigingsregels opgenomen om het aanwezige bouwvlak te wijzigen in situering, oppervlakte of aanwezigheid. Middels een omgevingsvergunning kan een tweede agrarische bedrijfswoning worden toegestaan. Het bedrijf dient wel te voldoen aan een aantal voorwaarden. Zo zal een bedrijfsplan moeten worden opgesteld waarin beschreven staat dat het bedrijf een toekomstperspectief heeft van in ieder geval tien jaar. Daarnaast moet in dit bedrijfsplan worden aangetoond dat sprake is van een volwaardig bedrijf met minimaal twee volwaardige arbeidskrachten. Als referentie wordt voor het bepalen van deze arbeidskrachten gekeken naar de cijfers van het Landbouw Economisch Instituut/LEI (onderdeel WUR). De tweede bedrijfswoning moet een zorgvuldige locatie op het bedrijfsperceel toegewezen krijgen. Hieraan ligt een erfinrichtingsplan ten grondslag.
Daarnaast wordt gekeken naar eventueel in het verleden toegewezen tweede bedrijfswoningen of afsplitsing van voormalige bedrijfswoningen. Wanneer in het verleden een (tweede) bedrijfswoning is toegekend maar deze na verkoop is gewijzigd in een burgerwoning is het niet toegestaan opnieuw een (tweede) bedrijfswoning toe te kennen.
6.4.2
Agrarisch - Cultuurgrond Deze bestemming is specifiek voor agrarische cultuurgronden, kavelontsluitingswegen en opritten tot erven. Ook kleine bos- en/of natuurelementen (oppervlakte tot 1 ha), houtsingels rondom agrarische bedrijven en natuurvriendelijke oevers vallen onder deze bestemmingsregeling. De regeling heeft het karakter van een gebiedsbestemming. Bebouwing is niet toegestaan tenzij het gaat om bestaande bouwwerken zoals bestaande veldschuren, mestbassins en mestsilo's, bouwwerken behorende bij kwekerijen en opslag. Vervangende nieuwbouw is hierbij wel mogelijk. Daarnaast is het op deze gronden mogelijk om een paardenbak te realiseren ten behoeve van een op een aangrenzend woonperceel aanwezige hobbymatige paardenhouderij, mits voldaan aan de Beleidsnotitie Paardenhouderijen.
61
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
Mestopslag op veldkavels kan worden toegestaan met een omgevingsvergunning en wanneer voldaan wordt aan de Gebiedsvisie Mestopslag. Een omgevingsvergunning kan tevens verleend worden voor het bouwen van onder andere een schuilstal. Het gaat hier om kleinschalige bouwwerken die geen aantasting vormen voor het landschap. Er is ook een afwijkingsregeling opgenomen voor de aanleg van een voedselbos (met een oppervlakte tot ten hoogste 5 hectare). Hierbij moet rekening worden gehouden met landschappelijke waarden zoals opgenomen in de dubbelbestemming 'Waarde - Landschap'. De bestemming kan worden gewijzigd wanneer ten behoeve van de uitbreiding van een agrarisch bedrijf of manege een bouwvlakwijziging noodzakelijk is. Deze wijziging wordt alleen toegepast in combinatie met een wijzigingsbevoegheid die is opgenomen in de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' en 'Sport - Manege'. De bestemming kan worden gewijzigd naar Recreatie om een (beperkte) uitbreiding van een kampeerterrein mogelijk te maken (het plaatsen van mobiele kampeermiddelen). Gebouwen (waaronder stacaravans en chalets) zijn niet toegestaan. Ook is een wijziging mogelijk naar een bestemming Natuur ten behoeve van de ontwikkeling van natuurgebieden. 6.4.3
Agrarisch - Glastuinbouw De glastuinbouwbedrijven in de gemeente zijn voorzien van een eigen bestemmingsregeling. Het gaat hier met name om de glastuinbouwgebieden in Sappemeer. Conform de provinciale omgevingsverordening zijn alleen bestaande glastuinbouwbedrijven toegestaan. Het bouwperceel is bestemd voor de vestiging van 1 bestaand glastuinbouwbedrijf met bijbehorende bouwwerken en een bedrijfswoning waar aangeduid. Alle bebouwing dient binnen het aangegeven bouwvlak te zijn gesitueerd, inclusief opslag van water. Voor de bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken en overkappingen geldt dat niet meer dan 300 m² is toegestaan. De uitbreidingsmogelijkheden voor de bestaande glastuinbouwbedrijven zijn gerelateerd aan de aanwezige bedrijfsbebouwing zoals deze aanwezig was op 17 juni 2009. Dit is geregeld in de provinciale omgevingsverordening. Voor het realiseren van teeltondersteunende voorzieningen, zoals containervelden en de opslag van water buiten het bouwvlak is een afwijkingsregel opgenomen. Ook binnen deze bestemming is de opwekking van duurzame energie mogelijk. Evenals bij agrarische bedrijvigheid gaat het hier om drie kleine turbines voor eigen behoefte binnen een bouwvlak. Voldaan moet worden aan de beleidsregels hieromtrent. Ondergeschikte productiebonden detailhandel is toegestaan wanneer dit in de bedrijfsgebouwen, waaronder kassen, plaatsvindt.
Detailhandel buiten bedrijfsgebouwen is niet toegestaan. Aan-huis-verbonden beroepen en vrije beroepen zijn in de bedrijfswoning en bijbehorende bouwwerken bij recht toegestaan mits voldaan wordt aan de beleidsregels. In de bestemmingsregeling is een aantal wijzigingsregels opgenomen. Het gaat hier dan om de wijziging van de situering van het bouwvlak, het verwijderen van het bouwvlak bij bedrijfsbeëindiging en het wijzigen van de bestemming ten behoeve van een functieverandering. De bestemming kan onder voorwaarden bij bedrijfsbeëindiging worden gewijzigd in Wonen, of Agrarisch - Cultuurgrond. Van belang is dat de niet langer in gebruik zijnde opstallen (kassen) worden gesloopt en omliggende bedrijvigheid niet in ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Ten hoogste één bedrijfswoning kan worden gewijzigd in een reguliere woning.
6.4.4
Agrarisch - Paardenhouderij Deze bestemming is toegespitst op de gebruiksgerichte paardenhouderij. Het gaat hier met name om africhtingsstallen, trainingsstallen, handelsstallen, stalhouderijen en pensionstalling.
62
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
Om deze bestemming toe te kennen moet er sprake zijn van bedrijfsmatige activiteiten, dus geen hobbymatig activiteit, in bestaande bebouwing c.q bestaand agrarisch bouwperceel. De gebruiksgerichte paardenhouderij is gericht op het africhten en trainen van paarden en het bieden van stalruimte voor paarden en het geven van instructie aan derden. De gebruiksgerichte paardenhouderij is niet-agrarisch en heeft als kenmerk publieks- en verkeersaantrekkend te zijn. Productiegerichte paardenhouderijen vallen niet onder deze bestemming omdat zij qua aard en omvang vergelijkbaar zijn met een grondgebonden agrarisch bedrijf. Voor Agrarisch - Paardenhouderijen is een bouwvlak van 1 ha opgenomen. Binnen het bouwvlak is de vestiging van één paardenhouderij met bijbehorende bouwwerken en overkappingen toegestaan. Alle bebouwing dient binnen het aangegeven bouwvlak te zijn gesitueerd, inclusief voer- en mestopslag. Een ruime regeling is opgenomen om meer bebouwing toe te staan dan nu op het perceel aanwezig is. Voor de bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken en overkappingen geldt dat niet meer dan 300 m² is toegestaan. Binnen de bedrijfswoning zijn aan-huis-verbonden beroepen en vrije beroepen toegestaan mits voldaan wordt aan het daarvoor opgestelde beleid. Ook binnen deze bestemming zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen om het bouwvlak van situering te wijzigen, of zelfs te verwijderen.
Ook kan de bestemming bij bedrijfsbeëindiging gewijzigd worden in Wonen, Wonen-VAB, Gemengd of Agrarisch - Cultuurgrond.
6.4.5
Bedrijf Deze bestemming voorziet in een regeling voor (individuele) niet-agrarische bedrijven die zijn gelegen in het buitengebied. Branches die hierbinnen vallen worden geregeld in de Staat van Bedrijven die in de bijlage van het bestemmingsplan is opgenomen. Het gaat hier met name om bestaande bedrijvigheid. Bij recht zijn bedrijven in milieucategorie 1 en 2 toegestaan. Bestaande bedrijven die zwaarder zijn of niet passen binnen de bestemmingsregeling worden specifiek in de bijlage bij de regels benoemd. Daarnaast is er een afwijkingsbevoegdheid opgenomen bedoeld voor bedrijven die niet genoemd worden binnen de Staat van Bedrijven maar naar aard en effecten op het woonen leefklimaat van de aangrenzende woongebieden, al dan niet onder te stellen voorwaarden, voor wat betreft geur, stof, gevaar en geluid, gelijk kunnen worden gesteld met de bedrijven welke wel zijn genoemd. Binnen deze bestemming zijn ook specifieke bedrijven opgenomen zoals de bedrijfsmatige molen bij Kropswolde, de bestaande mestvergistingsinstallatie aan de Veendammerweg, en detailhandelsactiviteiten aan de Woldweg. Deze activiteiten zijn alleen ter plaatse van een specifieke aanduiding toegestaan. Bedrijfswoningen zijn alleen toegestaan als deze zijn aangeduid. Het gaat hier om bestaande bedrijfswoningen.
Mocht bij ver- of nieuwbouw blijken dat de aanduiding niet toereikend is dan kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken en kan een bestaande bedrijfswoning buiten een aanduiding worden toegestaan. In het plan is geen regeling opgenomen om nieuwe bedrijfswoningen toe te staan. Voor bedrijfsgebouwen, bijbehorende bouwwerken en overkappingen geldt dat deze binnen een bouwvlak gesitueerd moeten worden. De ingetekende bouwvlakken kennen een ruimere maat ten opzichte van de bouwmogelijkheden in voorgaande plannen, hiermee is enige uitbreidingsruimte bij recht mogelijk. Van de toegestane oppervlakte kan met een omgevingsvergunning afgeweken worden. Hieraan zijn een aantal voorwaarden, zoals een landschappelijke inpassing, verbonden.
6.4.6
Bedrijf - Afvalstoffenterrein Vervallen
63
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
6.4.7
Bedrijf - Gaslocatie De bestemming 'Bedrijf - Gaslocatie' is opgenomen op de gronden in het buitengebied waar het transport van gas plaatsvindt (Gasunie) en waar zich observatieputten bevinden. Ten opzichte van de locaties waar de NAM haar bedrijfsactiviteiten met betrekking tot de gaswinning uitvoert hebben de locaties van de Gasunie een duurzamer toekomstperspectief. Deze locaties zullen ondanks het eindigen van de gaswinning nog lange tijd in gebruik zijn. Een definitieve bestemming is dan ook meer passend dat een gebiedsaanduiding zoals voor de NAM-locaties geldt. Als uitzondering zijn de observatieputten van de NAM wel binnen deze bestemming opgenomen. Voor deze locaties geldt dat ook zij nog langdurig in gebruik zullen zijn, ondanks de beëindiging van de gaswinning. Het voorgaande is wel afhankelijk van het Vaststellingsbesluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, waarin het capaciteitsafbouwplan wordt bepaald. Binnen de bestemming 'Bedrijf - Gaslocatie' zijn in principe geen gebouwen toegestaan, tenzij bestaand. Bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegestaan tot een hoogte van 10 m.
6.4.8
Bedrijf - Nutsvoorziening De bestaande nutsvoorzieningen, zoals gemalen en de grotere elektriciteitshuisjes, zijn apart bestemd met de bestemming Bedrijf - Nutsvoorziening. De gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing per bestemmingsvlak is vastgelegd met een bouwvlak. De bouwhoogte van nutsgebouwen is vastgelegd op 5 meter. Ontsluitingswegen zijn tevens inbegrepen binnen de bestemming. Ook de afsluiterschema's behorende bij de gasleidingen zijn onder deze bestemming gebracht.
6.4.9
Bedrijf - Rioolwaterzuivering Deze bestemming is van toepassing op de Rioolwaterzuivering - A7 in Hoogezand (Verlengde Winkelhoek). Er is vanwege de invloed op de omgeving gekozen voor een aparte bestemming. Uitbreiding is niet voorzien en daarom ook niet mogelijk gemaakt. Uitwisselbaarheid met andere functies is niet gewenst en daarom ook niet voorzien.