05. Buitengebied Midden-Groningen Toelichting
Tekst van het document
25
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
verkavelingspatroon met grote percelen. In Duurswold werden gelijk met de ruilverkaveling bospercelen aangeplant en natuurgebieden ingericht. Tussen het Schildmeer en het Zuidlaardermeer is een open, natte verbindingszone aangelegd. Zo liggen er in het laagland rond de Slochter Ae en de Scharmer Ae grote waterpartijen. De zone is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Economische ontwikkelingen In de 18e eeuw begon de Veenkoloniale scheepvaart; eerst vooral als kustvaart maar later ook als zeevaart richting Scandinavië, Rusland en het Middellandse Zeegebied. Dankzij de scheepvaart werd Hoogezand een welvarend dorp. Bij Hoogezand-Martenshoek concentreerden zich meerdere scheepswerven. De groeiende welvaart leidde tot een verdichting van de bewoning langs de hoofdkanalen. Mede dankzij de scheepvaart ontwikkelde zich vanaf het midden van de 19e eeuw een landbouwindustrie van aardappelmeel- en strokartonfabrieken. Andere industriële bedrijven volgden in Hoogezand-Sappemeer en andere plaatsen langs het Winschoterdiep. De industrieën stonden vrijwel alle langs de hoofdwijken van de veenkoloniale nederzettingen. In 1959 ontdekte men bij Kolham het aardgas. In Midden-Groningen staan meerdere bovengrondse gasinstallaties. De economische ontwikkeling zette zich in de 20e eeuw in rap tempo door tot een veelzijdigheid aan bedrijfstakken en diensten.
De bevolking groeide aanzienlijk en de stedelijke ontwikkeling van Hoogezand-Sappemeer versnelde. In de kleinere kernen was deze groei bescheidener. De economische ontwikkeling en stedelijke groei gingen hand in hand met de aanleg van diverse infrastructuur.
3.3
Landbouw
3.3.1
Huidige situatie Het buitengebied van de gemeente Midden-Groningen wordt vanouds gekenmerkt door de aanwezigheid van een sterke agrarische sector. Het gaat dan met name om de gebieden buiten de stedelijke kern van Hoogezand en Sappemeer. Vele verspreid in de gemeente liggende dorpen en bijbehorende linten hebben een landelijke uitstraling. De agrarische sector in de gemeente is vooral grondgebonden en bestaat uit zowel akkerbouw-, als melkrundveehouderijbedrijven. Daarnaast komen in de gemeente enkele intensieve veehouderijbedrijven voor en is er in Sappemeer een groot glastuinbouwgebied. Ook aan de westkant van Zuidbroek is nog een glastuinbouwgebied, maar deze ligt buiten het plangebied. In het plangebied zijn geen intensieve kwekerijbedrijven en bijzondere dierhouderijen aanwezig.
Ontwikkeling Onder invloed van diverse factoren vinden belangrijke ontwikkelingen in de landbouw plaats. De afgelopen jaren is het aantal landbouwbedrijven afgenomen. Ook de komende jaren zal naar verwachting het aantal landbouwbedrijven afnemen. De komende jaren wordt de volgende verdeling in landbouwbedrijven verwacht: gespecialiseerde grootschalige landbouwbedrijven, waaronder melkveehouderijbedrijven, intensieve veehouderijbedrijven en akkerbouwbedrijven, die door overname van gronden in omvang relatief snel groeien; bedrijven die (soms naast specialisatie) kiezen voor verbreding, verdieping en/of schaalvergroting: het bewerken, verwerken en soms vanuit huis verkopen van eigen producten of het toevoegen van een nieuwe bedrijfstak, zoals agrotoerisme, zorg, landschaps- of natuuronderhoud of biomassavergisting;
26
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
bedrijven die als nevenbedrijf worden voortgezet en waarvan het bedrijfshoofd buiten het landbouwbedrijf een inkomen gaat zoeken; bedrijven die stoppen. De bedrijfsgebouwen komen vrij voor een andere functie. Verwacht mag worden dat er per saldo een vermindering van het aantal bedrijven zal optreden. Ondanks alle veranderingen zal de landbouw in de komende decennia van groot belang blijven voor de gemeente. Het is daarom belangrijk dat de landbouw de mogelijkheden en de ruimte krijgt voor nieuwe ontwikkelingen, waarbij uiteraard moet worden beoordeeld in hoeverre deze ontwikkelingen passen binnen het landschap van de gemeente. Vanuit de agrarische bedrijven komt de vraag naar mogelijke bedrijfsvergroting steeds meer naar voren. Het gaat dan zowel om het uitbreiden van het grondareaal als de uitbreiding van de bedrijfsbebouwing. Naast de vraag naar bedrijfsvergroting wordt er steeds meer gezocht naar verbreding van het bedrijf. Op deze manier kunnen er neveninkomsten gehaald worden uit bijvoorbeeld natuurbeheer, recreatie, zorgverlening en verkoop van (agrarische) streekproducten. In het buitengebied bevindt zich ook een aantal tuinbouw- en fruitteeltbedrijven. Bij de tuinbouwbedrijven, die gewassen telen in de volle grond, is er een sterke relatie met akkerbouwbedrijven (ook als neventak van akkerbouw).
Kenmerkend voor de fruitteeltbedrijven is de beperkte hoeveelheid bedrijfsbebouwing en de blijvende teelt op de landerijen. Sappemeer is aangewezen als één van de tuinbouwconcentratiegebieden van de provincie Groningen. Vanuit de historie had dit gebied de potentie om uit te groeien tot een grootschalig glastuinbouwgebied. Inmiddels is gebleken dat deze ontwikkeling niet zo omvangrijk van de grond is gekomen als beoogd. Niettemin is een groot deel van het gebied met glastuinbouw aanwezig. Het provinciale beleid is in de huidige situatie dat geen ruimte wordt geboden aan de vestiging van nieuwe glastuinbouwbedrijven. 3.3.2
Beleid en ontwikkelingen De gemeente wil voor de bestaande agrarische ondernemers in het buitengebied (in planologische zin) maximale ontwikkelingsruimte bieden. De nadruk ligt daarbij op schaalvergroting en geen nieuwvestiging. Het provinciale beleid is hierin leidend. Schaalvergroting, waarbij het bouwvlak meer gedraagt dan 1 ha, wordt gekoppeld aan voorwaarden ten aanzien van landschappelijke inpassing. Verder is de maatwerkmethode (keukentafel) van toepassing. In goed overleg met de betrokken landbouwer, de provincie en gemeente wordt een landschappelijk inpassingsplan opgesteld.
3.4
Natuur
3.4.1
Huidige situatie In de gemeente zijn diverse (beschermde) natuurgebieden aanwezig. Deze paragraaf gaat in op de bijzondere waarden en doelstellingen van deze gebieden.
1. Gebied Zuidlaardermeer Het Zuidlaardermeergebied is een Natura 2000-gebied. Het Zuidlaardermeer is een natuurlijk meer. Het werd oorspronkelijk gevoed met grondwater van het Drents plateau. Het gebied bestaat uit het Zuidlaardermeer met zijn omringende oeverlanden en een deel van de polders ten noorden en noordwesten van het meer, waarin ook een deel van het Foxholstermeer en het Drentse Diep zijn gelegen. Voor het Zuidlaardermeer zijn de volgende geformuleerd:
algemene instandhoudingsdoelstellingen
Behoud van de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan
27
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie. Behoud van de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 netwerk zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie. Behoud en waar nodig herstel van de ruimtelijke samenhang met de omgeving ten behoeve van de duurzame instandhouding van de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats en soorten. Behoud en waar nodig herstel van de natuurlijke kenmerken en van de samenhang van de ecologische structuur en functies van het gebied voor alle habitattypen en soorten waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Behoud of herstel van gebiedsspecifieke ecologische vereisten voor de duurzame instandhouding van habitattypen en soorten waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd.
Het Zuidlaardermeergebied is verbonden met een aantal andere grote natuurgebieden in de gemeente. Het natuurnetwerk Nederland (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur) loopt van het Zuidlaardermeerdergebied langs het Drents diep via Westerbroek en Scharmer. Vanaf Scharmer is er weer een verbinding met het natuurgebied Roegwold dat weer verbonden is met het Schildmeer. 2. Roegwold Het grootste deel van het natuurareaal in het buitengebied wordt gevormd door het natuur(ontwikkelings)gebied Roegwold, dat ongeveer 1700 hectare beslaat. Het gebied is grotendeels in beheer bij Staatsbosbeheer (SBB) en bestaat uit een aantal deelgebieden, die met elkaar zijn verbonden. Het Roegwold (voorheen herinrichtingsgebied Midden Groningen) is het relatief jong natuurgebied Het is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (Ecologische Hoofdstructuur) en vormt een schakel tussen het Waddengebied en de Drentse natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar verbinden en met het omringende agrarisch gebied. Het Roegwold strekt zich uit van Kolham in het zuiden tot aan het Schildmeer in het noorden. De herinrichting van het gebied is gestart in 2001 en bestaat van zuid naar noord uit de deelgebieden Westerpolder, Ae's Woudbloem, Dannemeer en Tetjehorn.
Na 2015 is de inrichting van het laatste deelgebied Haansplassen bij het Schildmeer afgerond, waarmee de inrichting van dit stukje Natuurnetwerk Nederland voltooid. Tussen Harkstede en het Roegwold is nog het natuurgebied Rijpema gelegen. Het gebied beslaat een oppervlakte van 90 hectare en het beheer ligt bij Staatsbosbeheer.
3. Kleinere natuurgebieden Naast de het gebied Midden-Groningen liggen er verspreid in de gemeente nog diverse kleinere natuurgebieden zoals de Baggerputten, het Slochter- en Overbos (onderdeel landgoed Fraeylema). Tussen deze natuurgebieden liggen verscheidene verbindingszones die in meer of mindere mate worden gecombineerd met andere functies zoals waterafvoer en –berging. Daarnaast hebben de dorpsrandparken een gecombineerde functie ten behoeve van natuur, recreatie en waterberging. Ook zijn er nog gebieden met een eigen natuurwaarde in samenhang met een recreatieve waarde. Dit zijn bijvoorbeeld: Het Adriaan Tripbos te Sappemeer; De Baggerputten in Slochteren; Polder de Wiede in Muntendam; en,
28
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
Heemtuin en Natuurpark Tussen de Venen in Muntendam Hoewel de beide laatstgenoemde gebieden niet in het plangebied liggen worden ze gezien hun natuurwaarde en recreatieve waarde genoemd. Deze gebieden worden door Staatsbosbeheer samen met andere partijen, beheerd. Niet onvermeld moeten blijven het Huisweersterbos bij Tjuchem en het 2 km lange kabouterpad in het Steendamsterbos, aan de oostkant van het Schildmeer. Verder zijn er enkele gebieden in het plangebied die met name een landschapswaarde hebben: Landschapspark Damsterplas ( nog in ontwikkeling / krijgt een belangrijke recreatieve functie) Omgeving Nieuw Woelwijck, Sappemeer (met name de bossingels rondom het gebied). Rond en nabij diverse dorpen liggen nog bosgebieden met een landschappelijk en natuurlijke waarde. Voorbeeld is het dorpsrandpark Kolham. Tenslotte bevinden zich in de gemeente nog enkele voormalige slibdepots langs het Eemskanaal en het A.G. Wildervanckkanaal. Ook deze hebben een natuurlijke waarde. 3.4.2
Beleid en ontwikkelingen Het beleid is er op gericht de hierboven genoemde gebieden in stand te (laten) houden.
3.5
Toerisme en recreatie
3.5.1
Huidige situatie De recreatiesector in Midden-Groningen bestaat voornamelijk uit kleinschalige recreatieve bedrijven en voorzieningen, waaronder (mini) campings, bed & breakfast en groepsaccommodaties. Deze liggen zowel in het buitengebied als in de kernen. In de omgeving Harkstede-Scharmer en bij het Schildmeer (bij Steendam) zijn twee recreatieparken gevestigd. Rondom het Zuidlaardermeer en het Schildmeer bevinden zich diverse (grootschalige) campings. Bij de Botjeszwembaai in Zuidbroek bevindt zich een zwemplas. Rondom deze locaties bevinden zich ook voornamelijk de mogelijkheden voor dagrecreatie. De recreatie bij Steendam en het Zuidlaardermeer is grotendeels gericht op de watersport. Bij Steendam is golfbaan Duurswold gevestigd. In de gemeente komen verder diverse kleinere dag recreatieve voorzieningen voor, zoals de Heemtuin en het Natuurpark Tussen de Venen in Muntendam. Grootschalige voorzieningen met grote bezoekersaantallen komen niet voor, uitgezonderd het evenemententerrein bij het Van der Valk complex in Zuidbroek. In de diverse dorpen van de gemeente is verder een veelvoud aan musea en galerieën aanwezig. Het buitengebied wordt verder gebruikt voor routegebonden recreatie (fietsen, wandelen en varen). In het buitengebied liggen diverse fietsroutes en in de natuurgebieden zijn wandelpaden aangelegd die vanaf enkele parkeerplaatsen kunnen worden bereikt.
Naast vrijliggende fietspaden zijn ook kleinere plattelandswegen belangrijk voor de recreatieve ontsluiting van het gebied.
3.5.2
Beleid en ontwikkeling Het beleid voor recreatie richt zich op het (verder) benutten van de gemeente voor passende vormen van openluchtrecreatie (fietsen, varen, wandelen, schaatsen) en daarnaast op het ruimte bieden aan kleinschalige verblijfsrecreatie.
29
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
3.6
Wonen en niet-agrarische bedrijvigheid
3.6.1
Huidige situatie Wonen Het grootste deel van de woningen in de het buitengebied zijn vrijstaande burgerwoningen en voormalige boerderijpanden die zich bevinden in de linten (het zuidelijke deel van de gemeente) of meer verspreid in het buitengebied (omgeving Lageland, Overschild en Stootshorn). Vanwege strikte (provinciale) bouwregels is het aantal woningen in het buitengebied de laatste jaren slechts zeer beperkt toegenomen. Gaslocaties In het buitengebied bevindt zich een aantal NAM-locaties, waarvan het grootste deel gaswinlocaties zijn. Ook de Gasunie heeft een aantal locaties in het plangebied liggen. Vanwege de omvang van het Groningen gasveld, dat zich uitstrekt over een groot deel van de provincie, liggen de locaties verspreid door de hele gemeente. Enkele locaties zijn nu (tijdelijk) niet in gebruik als winlocatie of zijn enkel in gebruik als observatielocatie. De locaties die als functie Observatie locatie hebben zijn bedoeld als observatie en niet voor winning, zullen dan ook daar niet voor gebruikt worden in de toekomst. Na het beëindigen van de gaswinning in het Groningen gasveld blijft een aantal observatie locaties gehandhaafd na goedkeuring van de Minister van Economische Zaken en Klimaat. Deze locatie behouden dan inderdaad de vergunde milieugebruiksruimte. Enkele niet in gebruik zijnde locaties zullen de komen jaren ontmanteld worden.
Het gebruik levert belemmeringen op voor de omgeving ten aanzien van geluid en externe veiligheid (risico). Loonbedrijven In het buitengebied zijn diverse niet agrarische bedrijven gevestigd, waarvan het grootste deel uit (agrarische) loonbedrijven bestaat. Naast de agrarische bedrijven die een loonbedrijf als nevenactiviteit uitoefenen, zijn er een aantal zelfstandige loonbedrijven die zich manifesteren als agrarisch hulpbedrijf, al dan niet in combinatie met grondwerken. Overige bedrijven Daarnaast zijn er enkele grotere bedrijven gevestigd in het buitengebied, die in functioneel opzicht geen binding hebben met het landelijk gebied. Naast deze (ruimtelijk) grote bedrijven komen zijn er ook meerdere kleinere bedrijfjes, welke veelal aan huis gevestigd zijn, zoals aannemersbedrijfjes, meubelmakers etc. Deze kleinere bedrijven in het buitengebied zijn veelal gevestigd in vrijkomende agrarische bebouwing. Hierdoor wordt de bebouwing in stand gehouden. Dit is met name belangrijk voor agrarische bebouwing welke als karakteristiek is aangemerkt. Voor deze bebouwing zijn dan ook ruimere gebruiksmogelijkheden opgenomen dan voor de overige bebouwing in het buitengebied.
3.6.2
Beleid en ontwikkelingen Het beleid is er op gericht om de bestaande bedrijven om binnen de wettelijke mogelijkheden uitbreidingsruimte geven. Uiteraard moet rekening worden gehouden met de omgeving. Bij wonen wordt ruimte geboden voor aan huis verbonden beroepen en bedrijven.
3.7
Infrastructuur en nutsvoorzieningen
3.7.1
Huidige situatie Autowegen De belangrijkste wegen binnen het grondgebied van Midden-Groningen zijn de A7 en de N33, die beide deel uitmaken van het landelijke hoofdwegennet. Hieronder volgen nog enkele
30
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
bijzonderheden over beide wegen. A7 In 1970 startte de aanleg van de A7 tussen Groningen en Hoogezand. In de twee decennia daarna volgde de rest van de snelweg tot aan Bad Nieuweschans. Stukje voor stukje werd de weg opengesteld voor verkeer. In 1994 werd het laatste wegvak officieel geopend. Ten behoeve van de aanleg van de weg werd in de buurt zand gewonnen. Genoemd kunnen worden de voormalige zandwinningsplassen bij de recreatieplas Grunostrand en de Borgmeren alsmede de Scharmerplas bij Harkstede en Scharmer. Ook werd zand gewonnen bij het Botjeszandgat tussen Noord- en Zuidbroek. Dat terrein is nog steeds in gebruik als zandwinlocatie. N33 De N33 ligt tussen de A28 onder Assen en de Eemshaven. Tussen Muntendam/Meeden en het Schildmeer/Appingedam doorsnijdt hij de gemeente Midden-Groningen. Het traject VeendamZuidbroek is in 1966 als enkelbaansweg aangelegd. In 1978 volgde het traject ZuidbroekAppingedam. Het deel ten zuiden van Zuidbroek is in 2014 verdubbeld. Er ligt een plan om ook ten noorden van Zuidbroek aan te pakken (project Verdubbeling N33 midden). Hiervoor wordt een afzonderlijke planologische procedure gevolgd. Van regionaal belang zijn de provinciale wegen N387 (Hoogezand- Wagenborgen), de N865 (Meenteweg (Schildwolde-Ten Post) maar ook de N 86(Woldweg) en de N 85 (Kielsterachterweg).
Verder kunnen nog genoemd worden de N 962 (Zuidlaarderweg) en de N 963 (Veendammerweg). De gemeentelijke wegen hebben een functie voor de ontsluiting van de kernen dan wel als landbouwontsluitingswegen. Een deel daarvan heeft over het algemeen een smal profiel. Veel van deze wegen bevinden zich in het gebied ten noorden van de A7. Een deel van deze wegen is gelegen op oude dijken of hogere natuurlijke ruggen in het gebied, zoals de Graauwedijk, Luddeweersterweg en Groenedijk in Slochteren en de Oude Dijksterweg op de grens met de gemeente Oldambt. Diverse wegen zijn tijdens de ruilverkaveling aangelegd. Deze wegen kennen hun knelpunten vanwege de fundatie en de smalle profielen, reden waarom een aslastbeperking is ingesteld. Spoorwegen De gemeente Midden-Groningen wordt doorsneden door de spoorlijn Groningen-Bad Nieuweschans. Deze spoorlijn wordt zowel voor personenvervoer als goederenvervoer gebruikt. Bij Zuidbroek is er nog een aftakking van de spoorlijn naar Veendam. Hieronder nog enkele bijzonderheden over beide spoorverbindingen. Spoorlijn Groningen-Bad Nieuweschans De spoorlijn Groningen-Bad Nieuweschans is onderdeel van de spoorlijn Harlingen-Leer (D). De trajecten Harlingen Haven-Leeuwarden en Leeuwarden-Groningen werden in 1863 en 1866 geopend. Het traject Groningen-Winschoten werd in 1868 geopend. In 1876 kwam de aansluiting op het Duitse spoorwegnet tot stand.
Over de lijn worden personen en goederen vervoerd. In de gemeente Midden-Groningen stopte de trein oorspronkelijk in Westerbroek, Kropswolde, Martenshoek, Hoogezand-Sappemeer, Sappemeer Oost, Scholten en Zuidbroek. De haltes in Westerbroek en Scholten (tussen Sappemeer Oost en Zuidbroek) zijn niet meer in gebruik. Spoorlijn Zuidbroek-Stadskanaal De spoorlijn Stadskanaal-Zuidbroek is 1 augustus 1910 geopend. De lijn werd in 1953 voor reizigersvervoer gesloten maar bleef bestaan voor goederenvervoer. Sinds 2011 rijdt er weer een personentrein van Veendam via Zuidbroek naar Groningen. Tenslotte wordt hierna nog ingegaan op twee vervallen spoorlijnen. Woldjerspoor In 1929 werd het tracé van het Woldjerspoor geopend, een lokale spoorlijn van Groningen naar Delfzijl. De spoorlijn werd maar kort gebruikt. Kort na de Tweede Wereldoorlog werd ze alweer opgeheven. De stationsgebouwen van Engelbert, Harkstede-Scharmer, Slochteren,
31
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
Schildwolde-Hellum en Tjuchem-Meedhuizen zijn bewaard gebleven. Noordoosterlocaalspoorweg (NOLS) In 1907 werd door Noordoosterlocaalspoorweg-Maatschappij (NOLS) begonnen met de aanleg van de spoorlijn tussen Zuidbroek en Delfzijl. Behalve het beginpunt Zuidbroek en het eindpunt Delfzijl kregen ook Zuidbroek-dorp, Noordbroek, Nieuw-Scheemda -t Waar, Nieuwolda, Wagenborgen, Weiwerd en Farmsum een station of halteplaats. Hoewel de spoorlijn na de opheffing in 1934 grotendeels is opgeruimd, is de oude spoordijk ten oosten van Zuidbroek-Uiterburen en Noordbroek nog aanwezig. Waterverbindingen De gemeente ligt verder aan de hoofdwaterverbindingen het Winschoterdiep, het AG Wildervanckkanaal en het Eemskanaal. Andere bevaarbare watergangen (met een beperkte vaarhoogte) zijn het Afwateringskanaal, het Slochterdiep en het Drents Diep. Winschoterdiep Het Winschoterdiep werd tussen 1618 en 1636 in gedeelten gegraven ten behoeve van de vervening van het Bourtanger Moeras. Het Winschoterdiep heeft nog altijd een belangrijke economische functie in het gebied. A.G. Wildervanckkanaal In de jaren 60 van de 20e eeuw werd voor de scheepvaart en de afwatering van het omliggende gebied het A.G. Wildervanckkanaal gegraven. Nu heeft het kanaal vooral belang voor de watergebonden bedrijvigheid. Eemskanaal Het Eemskanaal is aangelegd tussen 1866 en 1876 en is in 1953 verbreed.
Het kanaal verbindt de stad Groningen met Delfzijl (de Eems). Het kanaal is een belangrijke scheepvaartverbinding en is tegelijk de belangrijkste waterafvoer van het noordoosten van Drenthe. Slochterdiep In 1694 trok men het Slochterdiep (gegraven in 1659) door naar Groningen. Zo ontstond een snellere verbinding met de stad. Voorname families uit de stad bouwden buitenverblijven in het gebied. Zo dankt het dorp Froombosch zijn naam aan de adellijke familie Froma, die in de zeventiende eeuw het huis De Ruiten bewoonde. Drents Diep Deze watergang is al in paragraaf 3.4.1. bij het Zuidlaardermeer besproken. Kabels en leidingen Mede vanwege het Groningen gasveld ligt er een uitgebreid leidingnetwerk in de gemeente. De aardgasleidingen die van planologisch belang zijn vanwege hun omvang en regionaal c.q. nationaal verzorgend karakter zijn in beheer bij de NAM en de Gasunie. Deze leidingen krijgen een planologische bescherming. Hieronder bevinden zich ook aardgascondensaatleidingen. Ten behoeve van de stroomvoorziening lopen een aantal bovengrondse en ondergrondse tracés door de gemeente.
Het betreft de volgende verbindingen: Bovengronds 380/220 kV Eemshaven - Meeden / Schildmeer - Meeden met een bijbehorende belemmerde strook van 35 meter aan weerszijden van het hart (totaal 70 meter); 380/110 kV Meeden - Diele / Meeden - Winschoten met een bijbehorende belemmerde strook (samen) van 55 meter aan weerszijden van het hart (totaal 110 meter); 380/110 kV Zwolle - Meeden met een bijbehorende belemmerde strook van 34 meter aan weerszijden van het hart (totaal 68 meter); 220 kV Schildmeer - Weiwerd met een bijbehorende belemmerde strook van 30 meter aan weerszijden van het hart (totaal 60 meter); 110 kV Groningen Hunze - Kropswolde; 110 kV Groningen Hunze - Slochteren Woltersum; 110 kV Kropswolde - Menterwolde Daaleweg;
32
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
110 kV Veendam Wildervank - Meeden; 110 kV Meeden - Winschoten; 110 kV Menterwolde Daaleweg - Meeden; De 110 kV verbindingen hebben een bijbehorende belemmerde strook van 25 meter aan weerszijden van het hart (totaal 50 meter). Ondergronds 110 kV Hogezand Kropswolde - Slochteren Kooipolder; 110 kV Menterwolde Spitsbergen - Menterwolde Daaleweg; 110 kV Meeden - Veendam Zuidwending; 110 kV Scheemda - Meeden; 1110 kV Meeden - Muntendam; 1110 kV Meeden - Winschoten; 110 kV Slochteren Zuidolinger Polder - Slochteren Tjuchem: 110 kV Slochteren Paauwen - Slochteren Woltersum; 110 kV Slochteren Overschild - Slochteren aftak Overschild.
Daarnaast bevinden zich de volgende stations in het plangebied. 110/220/380 kV Meeden; 110 kV Slochteren Delleweerden; 110 kV Slochteren Paauwen; 110 kV Slochteren Tjuchem; 110 kV Menterwolde Spitsbergen; 110 kV Kropswolde; 110 kV Slochteren Overschild
Ten slotte liggen enkele rioolpersleidingen door het buitengebied die van regionale betekenis zijn na ontmanteling van de rioolwaterzuiveringsinstallaties in de gemeente. Als onderdeel van het Veenkoloniale Afvalwaterleidingsysteem liggen twee industriële afvalwaterleidingen binnen het plangebied die (zout) proceswater afwateren op de Waddenzee. Windpark N33 Aan de oostkant van de gemeente is bij Meeden het Windpark N33 gerealiseerd. Dit grootschalig windpark bestaat uit 35 windturbines met een vermogen van 3 tot 5 Megawatt. Het gaat om 27 windturbines in het gebied ten noorden van Meeden en 4 turbines ten zuiden van Meeden. De overige 4 turbines worden aan de oostkant van Veendam gerealiseerd. Stikstofinstallatie Zuidbroek Om de gaswinning in Groningen zo snel mogelijk te brengen naar nul, is uitbreiding van de bestaande stikstofinstallatie nabij Zuidbroek een noodzakelijke maatregel. Door stikstof bij te mengen aan (geïmporteerd) hoogcalorisch gas kan pseudo Groningengas worden geproduceerd dat geschikt is voor de cv– en kookapparatuur in huishoudens. De installatie beslaat een terrein van ongeveer 12 hectare en wordt ten noorden va de bestaande stikstofinstallatie gerealiseerd. De capaciteit bedraagt zo'n 180.000 m3 stikstof per uur. Deze capaciteit is ruim 10 keer groter dan de bestaande stikstofinstallatie in Zuidbroek.
De planning is dat de installatie in het medio 2022 in gebruik genomen wordt.
33
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
Hoofdstuk 4
4.1
Omgevingsaspecten
PlanMER Aan het bestemmingsplan Buitengebied is een plan-MER-plicht (milieueffectrapportage) gekoppeld. Het doel van het planMER is om milieu- en natuurbelangen naast andere belangen een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming. Voor het bestemmingsplan Buitengebied is sprake van een MER-plicht, aangezien: 1. Het bestemmingsplan activiteiten mogelijk maakt die volgens de wet MER-beoordelingsplichtig zijn omdat aanzienlijke negatieve effecten voor het milieu niet k unnen worden uitgesloten. Het bestemmingsplan bevat uitbreidingsmogelijkheden (vergroting bouwvlak) voor agrarische bestemmingen, waaronder veehouderijen. Hiermee biedt het plan ontwikkelingsmogelijkheden die mogelijk milieubelastend zijn. 2. Het bestemmingsplan maakt activiteiten mogelijk die significante effecten kunnen hebben op Natura 2000-gebieden, waardoor op grond van de Wet Natuurbescherming een nadere beoordeling nodig is. In het buitengebied van de gemeente ligt Natura 2000-gebied het Zuidlaardermeer. De ontwikkelingsmogelijkheden met betrekking tot de schaalvergroting in de landbouwsector kunnen in theorie leiden tot een toename van ammoniak en stikstofdepositie. Uitkomsten planMER (milieueffectrapportage) In de milieueffectrapportage (d.d. 25 oktober 2021) zijn de ingrijpende milieugevolgen van het bestemmingsplan in kaart gebracht.
Hierbij zijn de volgende milieueffecten onderzocht: natuur, landschap, cultuurhistorie en archeologie, ammoniak en geur, bodem en water, geluid, luchtkwaliteit, licht, gezondheid, verkeer en externe veiligheid. Bij de beoordelingen is (c.q. moet worden) uitgegaan van het 'worst-case-scenario', dat wil zeggen dat er is uitgegaan van het feit dat alle mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt ook daadwerkelijk volledig worden benut. Uit de rapportage blijkt dat het bestemmingsplan zonder voorwaarden leidt tot onacceptabele effecten op de natuur door verzuring en vermesting (door stikstofuitstoot) en fysieke aantasting. In het bestemmingsplan is dan ook o.a. een zogenaamde stikstofregeling opgenomen, waarmee stikstofdepositie (neerslag) wordt uitgesloten. Daarmee zijn significante effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten. De regeling zorgt ervoor dat de uitbreiding van agrarische bedrijven of mestopslagen geen stikstofdepositie veroorzaken. Het planMER maakt duidelijk dat een agrarisch bedrijf drie mogelijkheden heeft om uit te breiden door het realiseren van opslag en andere bebouwing waar geen sprake is van een toename in stikstofuitstoot, het verbeteren van stalsystemen voor het dierenwelzijn of het salderen (het realiseren van stalsystemen met best beschikbare technieken, ook op bestaande stallen waardoor ruimte ontstaat voor uitbreiding van het aantal dieren).
Advies Commissie voor de Milieueffectrapportage Het bestemmingsplan en de planMER zijn voor een toetsingsadvies voorgelegd aan de commissie MER. In haar toetsingsadvies signaleert de commissie bij toetsing aan van het MER nog een aantal tekortkomingen. Zij acht deze informatie essentieel voor het volwaardig meewegen van het milieubelang. Het gaat dan met name over de uitvoerbaarheid van de in het plan opgenomen stikstofregeling, de effecten op het landschap en de mogelijke effecten op de kwaliteit van het oppervlaktewater. Aanvullende notities n.a.v. advies commissie MER Het toetsingsadvies van de commissie is niet bindend. Naar aanleiding van het advies is de planMER in zijn volledigheid niet aangepast maar is een oplegnotitie geschreven waarin de
34
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
onderdelen met tekortkomingen aanvullend zijn beschreven. De oplegnotitie bestaat uit twee losse notities: Eén daarvan heeft betrekking op de effecten van het landschap, de andere notitie gaat nader in de op de uitvoerbaarheid van de stikstofregeling. Met de opgestelde planMER in combinatie met deze aanvullende notitie zijn de potentiële milieueffecten van het bestemmingsplan voldoende in beeld gebracht. Het planMER c.q. oplegnotitie geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan leidt niet tot significant negatieve milieueffecten. De planMER (milieueffectrapportage), het toetsingsadvies en de aanvullende oplegnotities zijn als Bijlage 19 en Bijlage 20 bij dit bestemmingsplan opgenomen. Conclusie: Het planvoornemen is op dit punt uitvoerbaar.
4.2
Bodem Wetgeving De milieuhygiënische bodemkwaliteit behoort te passen bij het huidig of het toekomstig gebruik van de bodem. Deze verplichting bestaat op grond van de Wet bodembescherming, Besluit bodemkwaliteit, Wet ruimtelijke ordening, Wet milieubeheer en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De bodemkwaliteit mag immers geen onaanvaardbare risico's opleveren voor de gebruikers van de bodem. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet milieukundig bodemonderzoek worden uitgevoerd. Andersom geldt ook: het toekomstig gebruik mag geen verslechtering van de bodemkwaliteit opleveren. Dat heet zorgplicht. In het kader van het vaststellen van dit nieuw bestemmingsplan laat de gemeente geen milieukundig bodemonderzoek uitvoeren, ook niet op potentieel ernstig verontreinigde of spoedeisende gevallen van bodemverontreiniging. Volgens de eerder genoemde wet- en regelgeving is de perceeleigenaar zelf verantwoordelijk voor de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Daarnaast worden met het planvoornemen geen nieuwe ontwikkelingen/bouwwerkzaamheden mogelijk gemaakt. In onderstaande situaties is het uitvoeren van milieukundig bodemonderzoek sterk aanbevolen en kan worden geëist van de initiatiefnemer.
wijzigen naar een gevoeliger functie/gebruik/bestemming: bedrijf – wonen – landbouw/natuur; start en/of beëindiging bodembedreigende bedrijfsactiviteiten; vermoeden van bodemverontreiniging of het afperken van de omvang van een verontreiniging; bouwen van een verblijfruimte voor mensen; afvoer van vrijkomende grond; wens om bodemkwaliteit te weten, bijvoorbeeld voor transactie of huur.
Bodeminformatie Binnen het plangebied zijn meerdere percelen bekend waarvan de huidige bestemming “bedrijf” is. Van een aantal percelen daarvan wordt de bestemming gewijzigd naar “wonen”. Op basis van het gemeentelijk bodeminformatiesysteem Nazca-i-bodem is er vermoedelijk sprake van bodemverontreiniging op grond van het historisch gebruik op een aantal locaties binnen het plangebied. Daarnaast is op bepaalde percelen bekend dat er sprake is van bodemvervuiling. Informatie over verdachte locaties, uitgevoerde bodemonderzoeken en bodemsaneringen staan vermeld op de Bodeminformatiekaart (via www.bodemloket.nl). Voor de percelen waarvan geen informatie op de Bodeminformatiekaart bekend is en er geen
35
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
aanleiding is om een bodemverontreiniging te vermoeden, geeft de Bodemkwaliteitskaart een gemiddelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De gemeente heeft gebiedsspecifiek beleid opgesteld voor hergebruik van grond. Deze staan beschreven in de Nota bodembeheer Midden-Groningen 2020. Bodemkwaliteitskaarten maken onderdeel uit van dit beleid. Conclusie Het planvoornemen is wat betreft het aspect bodem uitvoerbaar.
4.3
Water Wetgeving Het opnemen van een waterparagraaf in een bestemmingsplan is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en het overleg met het waterschap wordt gevoerd op basis van artikel 3.1.1 Bro. In die paragraaf dient te worden uiteengezet wat voor gevolgen het plan in kwestie heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. KEUR WATERSCHAP Voor alle aanpassingen aan de waterhuishouding, zoals genoemd in de keur, is ook een watervergunning van het waterschap vereist. In de keur van waterschap Hunze en Aa's (2010) is ook opgenomen dat binnen het beheersgebied zonder vergunning van het bestuur geen verhard oppervlak mag worden aangebracht, voor zover dit leidt tot een versnelde afvoer richting oppervlaktewaterlichamen. Hierbij geldt binnen de bebouwde kom een norm van 150 m² en daarbuiten 1500 m². Bij nieuwe verharding met een oppervlak boven deze normen zullen compenserende maatregelen moeten worden genomen. Daarnaast zijn er in de keur ook regels opgenomen over beschermingszone langs (boezem)kades en beschermings- en obstakelvrije zones langs hoofdwatergangen. De beschermingszones worden aangegeven of omschreven in de legger.
Bij het ontbreken van een legger geldt als beschermingszone een strook van 5 meter, waarbij de 5 meter moet worden gerekend vanaf de insteek of de teen van het waterstaatswerk. Als een onderhoudsstrook aanwezig is dan hoort die bij het waterstaatswerk en niet bij de beschermingszone. Vertaling in het bestemmingsplan In het kader van het wettelijk vooroverleg wordt voorliggend bestemmingsplan aan het Waterschap Hunze en Aa's voorgelegd. Algemeen wordt gesteld dat het waterschap zich kan verenigen met de uitgangspunten van het bestemmingsplan. Conclusie Het bestemmingsplan is wat betreft het aspect water uitvoerbaar.
4.4
Landschap, archeologie en cultuurhistorie Landschap De aanwezige landschappelijke waarden in de gemeente zijn vastgelegd in de Provinciale Omgevingsverordening. Deze waarden zijn opgenomen op kaart 7 van de Provinciale Omgevingsverordening. In die verordening worden de gemeenten gevraagd regels op te nemen zodat de op de kaarten voorkomende waarden worden beschermd. In het plangebied komen gebieden met een aardkundige waarde voor. Het betreft enkele
36
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
glaciale, dekzandruggen en inversieruggen. In het open gebied ten noordwesten van Muntendam is een landschappelijk markante zandopduiking aanwezig. Ook westelijk van het lint Uiterburen (tussen Noord- en Zuidbroek) bevindt zich een dergelijke zandopduiking. De dekzandrug ten noordoosten van het Botjeszandgat (glaciale rug Noordbroek-Zuid), de dekzandrug Meeden en de dekzandrug het Veen dienen vermeld te worden. Op een aantal plaatsen in de gemeente is aan de oppervlakte reliëf zichtbaar als overblijfsel van in de ijstijd opgestuwde ruggen die een richting zuidoost naar noordwest hebben. Met name in het overigens vlakke gebied zijn deze accentpunten van landschappelijke betekenis. In de loop der eeuwen is er als gevolg van oxidatie en inklinking van het veen een omkering van het reliëf ontstaan. Delen die niet door de zee zijn overspoeld en waar zodoende het veen is blijven liggen, zijn nu het meest gezakt, terwijl de met klei opgevulde geulen nu als ruggen in het gebied liggen; de inversieruggen. De betreffende gebieden zijn door de kenmerkende smalle verkaveling, onder andere in de omgeving van Luddeweer, nu nog zichtbaar. Tussen de linten van Tripscompagnie en Tusschenklappen is nog een restant waarneembaar van de oorspronkelijke verbinding van Groningen naar Winschoten, de zogenaamde Veendijk.
Ook de Boven- en Beneden Veenslootdijk in Meeden en een gedeelte van de Westelijke Dollardboezemdijk zijn aangemerkt als dijken met een cultuurhistorische waarde. Cultuurhistorisch waardevolle dijken zijn verder de Woortmansdijk, de Borgwegdijk en de Hunzedijk (tracé Oude Weg).
Archeologie Begin 1992 ondertekende Nederland het Verdrag van Valletta (Malta). Daarna heeft de rijksoverheid beleid ontwikkeld voor een zorgvuldige omgang met het archeologisch erfgoed. Het uitgangspunt is het behoud van archeologische waarden “in situ” (ter plekke; in de bodem). In 2007 heeft het verdrag zijn neerslag gekregen in de Nederlandse wetgeving. Op 1 september van dat jaar trad de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking. In samenhang daarmee werden ook de Monumentenwet 1988 en drie andere wetten aangepast. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen en een deel is overgegaan naar de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Nederlandse gemeenten zijn vanwege wetgeving op het gebied van archeologische monumentenzorg (Wet op de archeologische monumentenzorg) verplicht om archeologische waarden in de ruimtelijke planprocedures te betrekken en waardevolle resten te beschermen.
Om deze wettelijke taak goed te kunnen uitvoeren en direct mee te kunnen nemen in de actualisering van bestemmingsplannen is gemeentelijk archeologiebeleid, bestaande uit een beleidsnota en beleidskaart, opgesteld. Op de archeologische beleidskaart is aangegeven welk archeologisch beleid van toepassing is in het bestemmingsplan. Voor de gemeente Midden-Groningen is de Erfgoedverordening in mei 2018 vastgesteld. Bij deze verordening hoort een Archeologische verwachtingskaart. In het kader van het opstellen van archeologiebeleid is een inventarisatie gemaakt van aanwezige en te verwachten waarden. Voor zover gelegen binnen het plangebied zijn deze van een passende (beschermende) bestemming voorzien. Cultuurhistorie Vanaf 1 januari 2012 zijn gemeenten op grond van het Bro verplicht cultuurhistorische waarden
37
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
mee te laten wegen in de totstandkoming van een bestemmingsplan. In de toelichting op een bestemmingsplan wordt daarom: 'een beschrijving gegeven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden'.
KARAKTERISTIEKE PANDEN Gemeente Midden-Groningen heeft in 2018 een inventarisatie naar cultureel erfgoed uitgevoerd. Uit deze inventarisatie is een lijst met karakteristieke panden en objecten ontstaan die is opgenomen in het facetbestemmingsplan 'Karakteristieke objecten' (vastgesteld op 20 december 2018). In dat bestemmingsplan is een beschermde regeling opgenomen waarbij met name bij sloop aanvullende eisen worden gesteld.
MOLENS De drie molens langs de Groenedijk in Slochteren en Froombosch vormen belangrijke cultuurhistorische bouwwerken. Hoewel de oorspronkelijke functie is overgenomen door moderne gemalen, hebben de molens nog een grote cultuurhistorische functie vanwege de relatie met het ontstaan van het cultuurlandschap ter plaatse. Als drie-eenheid gelegen aan een oude dijk zijn ze zeer typerend in het open landschap ten westen van de kernen Slochteren en Froombosch. De drie grondzeilers werden vanaf de 18de eeuw gebruikt om de polders te bemalen welke door verzakking onder water kwamen te staan. De middelste molen (Grote Poldermolen) stamt uit 1783 en is daarmee de oudste nog bestaande poldermolen in de provincie. Een andere poldermolen bevindt zich aan de Hamrik in Noordbroek. Aan de Woldweg in Kropswolde bevindt zich een molen, die in tegenstelling tot de andere molens nog een bedrijfsmatige functie heeft.
BORGTERREINEN In de gemeente is een aantal waardevolle borgterreinen gesitueerd. Genoemd worden de Vaartwijk (Westerbroek), Langewijk (Westerbroek) en Welgelegen (Sappemeer). Deze terreinen zijn zowel cultuurhistorisch als visueel-landschappelijk van betekenis. De cultuurhistorische betekenis wordt bepaald door vanuit het verleden zichtbare informatie als vorm, omvang en profiel. De visueel-landschappelijk betekenis wordt bepaald door het beelddragende karakter van het object in zijn omgeving. De gebouwen zijn samen met de directe omgeving beschermde monumenten. De beide borgen in Westerbroek hebben alleen nog een woonfunctie, terwijl de borg in Sappemeer nog een maatschappelijke functie heeft.
Vertaling in het bestemmingsplan De op de kaarten aanwezige landschapswaarden zullen via dit bestemmingsplan worden beschermd. De panden die in het bestemmingsplan "karakteristieke panden" zijn aangeduid worden ook in het bestemmingsplan Buitengebied en voorzien van een dito beschermende regeling. Tot slot zijn de archeologische verwachtingen doorvertaald in dit bestemmingsplan. De diverse cultuurhistorische objecten worden eveneens van een passende (beschermende) bestemming voorzien.
Conclusie Het bestemmingsplan is wat de aspecten landschap, archeologie en cultuurhistorie uitvoerbaar.
38
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
4.5
Ecologie Wetgeving Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Het is tevens een afwegingskader bij de besluitvorming over nieuwe activiteiten of plannen die significante gevolgen kunnen hebben voor de te beschermen flora en fauna. De volgende gebieden genieten bescherming op grond van de Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijngebied); Staatsnatuurmonumenten (gebieden in eigendom van de staat); Beschermde natuurmonumenten (gebieden die in eigendom zijn van particulieren, waaronder terreinbeheerders); Wetlands. In het plangebied bevindt zich een Natura 2000-gebied. Dit is het Zuidlaardermeer. Ook de provincie Groningen heeft gebieden aangewezen waarbinnen beschermende regels gelden ten aanzien van het behoud van ecologische waarden. In de omgevingsverordening zijn voor enkele van deze aspecten, waaronder Natuur Netwerk Nederland en Bos- en natuurgebieden buiten het Natuur Netwerk Nederland, bindende regels opgenomen. Naast de gebiedsbescherming geldt ook soortenbescherming op grond van de Wet natuurbescherming.
Het gaat deels om soorten die landelijk beschermd zijn en deels om soorten die door de provincie aangewezen zijn. Het natuurgebied Roegwold tussen het Zuidlaardermeer en het Schildmeer is zo'n gebied. Leidraad Gemeente Midden-Groningen De gemeente Midden-Groningen heeft in 2017 een leidraad met bijbehorende themakaarten opgesteld dat als handreiking dient voor ruimtelijk beleid en inzicht geeft in de ecologische waarden in de gemeente Midden-Groningen. Met behulp van de leidraad kan een goed beeld worden verkregen van de natuurwaarden in de gemeente. De Wet natuurbescherming is zowel gericht op de gebiedsbescherming als de soortenbescherming. Op basis van de Leidraad zijn er in de gemeente bijzondere soorten en specifieke gebieden te onderscheiden: SOORTEN Uit de leidraad blijkt dat in de gemeente verschillende beschermde soorten flora en fauna voorkomen. Van een aantal belangrijke soorten zijn vaste leefgebieden/verblijfsgebieden bekend. Voor een aantal specifieke soorten (fauna) is hiervoor een kaart in de leidraad opgenomen: Groene glazenmaker en gevlekte witsnuitlibel Heikikker Broedvogels: kokmeeuw, visdief, zwarte stern en witwangstern Oeverzwaluw en huiszwaluw Das Eekhoorn Bever Otter Ransuil (winterroestplekken) Blauwe reiger Roek Broedvogels komen in bijna alle biotopen voor. Het gaat veelal om algemeen voorkomende soorten.
Uit de Leidraad blijkt dat bijzondere soorten vooral voorkomen in (beschermde) natuur-
39
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
gebieden. Voor de roek, blauwe reiger en de ransuil geldt dat deze juist meer voorkomen in en nabij bebouwd gebied. Deze vogels gedijen goed in menselijk cultuurland. Hierbij is aanwezigheid van hoge bomen een belangrijke randvoorwaarde. In Nederland en ook in de provincie Groningen daalt het aantal akker(weide)vogels. Er is daarom een 'Groninger Actieplan Weidevogels' vastgesteld. Het doel is de afname van het aantal weidevogels te stoppen. Dit gebeurt onder anderen door gebiedsinrichting en agrarisch natuurbeheer. Het plangebied kent (vanuit ecologisch oogpunt) zowel waardevolle als minder waardevolle delen. Verreweg het grootste deel van het plangebied bestaat uit gras- en akkerland en herbergt voornamelijk algemeen voorkomende soorten flora en fauna. Wel is het gebied van belang voor weide- en akkervogels en vogels van waterrijke gebieden. Daarnaast vertegenwoordigen sloten en bermen plaatselijk bepaalde natuurwaarden. Uit het onderzoek is gebleken dat het grootste deel van het plangebied een lage natuurwaarde heeft en van weinig belang voor beschermde planten- en diersoorten. Plaatselijk heeft het gebied een redelijke tot zeer hoge waarde. Het betreft hier met name enkele losse delen in het plangebied en het natuurgebied dat onderdeel is van het Nationaal Natuurwerk Nederland (van Zuidlaardermeer tot en met Schildmeer).
Het bestemmingsplan is een consoliderend plan, waarbij de bestaande situatie zoveel mogelijk wordt vastgelegd. Dit geldt voor de akkergebieden maar ook voor de bestaande natuurgebieden, veelal uit het natuurnetwerk Nederland. De natuurgebieden krijgen een passende bestemmingsregeling (natuur). Hiermee worden de aanwezige natuurwaarden geborgd. Daarnaast wordt in het bestemmingsplan zoveel mogelijk rekening gehouden met bestaande landschapsstructuren in het gebied. In de hoofdstukken 'Planuitgangspunten' en 'Juridische toelichting' wordt hier nader op ingegaan.
VOGEL- EN HABITATRICHTLIJN De Vogelrichtlijn is gericht op het beschermen van de in het wild levende vogelsoorten en op de instandhouding van de leefgebieden (habitats) van deze soorten. De Habitatrichtlijn is gericht op het instandhouden van natuurlijke en halfnatuurlijke habitats en bescherming van wilde flora en fauna. De internationale verplichtingen uit beide richtlijnen zijn verankerd in de Wet natuurbescherming (voorheen in de Natuurbeschermingswet 1998). Rekening dient te worden gehouden met het afwegingskader dat op deze gebieden van toepassing is. Dit afwegingskader is echter niet alleen van toepassing op activiteiten binnen de richtlijngebieden, maar ook op activiteiten in de nabijheid hiervan (als deze gevolgen kunnen hebben voor de richtlijngebieden). Gesproken wordt van de externe werking. Gelet op de externe werking, zijn de Natura 2000-gebieden de Waddenzee (Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebied) en het Lauwersmeergebied (Vogelrichtlijngebied) relevant voor het buitengebied van gemeente Midden-Groningen.
Vertaling in het bestemmingsplan In het bestemmingsplan zijn geen nieuwe ontwikkelingen voorzien. Mochten er in de toekomst wel ontwikkelingen plaatsvinden, die van invloed kunnen zijn op soorten en of gebieden, dienen de effecten op natuurwaarden te worden getoetst aan de Wet natuurbescherming. Uit de leidraad blijkt geen directe noodzaak voor het aanvragen van ontheffingen in het plangebied. Wel moeten bij nieuwe ontwikkelingen de effecten op natuurwaarden op de betreffende locatie worden getoetst aan Wet natuurbescherming.
Conclusie
40
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
Het planvoornemen is wat betreft het aspect ecologie uitvoerbaar.
4.6
Geluid Wetgeving Wat betreft geluid zijn de regels uit de Wet geluidhinder van toepassing. In deze wet wordt onderscheid gemaakt in wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. WEGVERKEERSLAWAAI In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/geldt en wegen die zijn aangeduid als 'woonerf'. In geval van geluidgevoelige bebouwing binnen een zone dient akoestisch onderzoek plaats te vinden. Bij 30 km wegen moet vooraf duidelijk aannemelijk kunnen worden gemaakt dat de geluidsbelasting niet hoger zal zijn dan 48 dB. Alleen indien geen twijfel bestaat over het beperkte aantal voertuigbewegingen over de weg is akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. Behoudens situaties waarbij door burgemeester en wethouders een hogere waarde is vastgesteld, geldt voor geluidgevoelige bebouwing, waaronder woningen. binnen een zone als hoogst toelaatbare geluidsbelasting van de gevel 48 dB. RAILVERKEERSLAWAAI In hoofdstuk VII van de Wet geluidhinder zijn de voorschriften opgenomen die voorzien in de vaststelling van zones langs spoor-, tram- en metrowegen (art. 105, 106 en 107 Wgh). Het besluit Geluidhinder (Bgh) bevat nadere bepalingen. Voor het geluid vanwege een spoor-, tramof metroweg op een nog niet geprojecteerde woning geldt een ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 55 dB (art.
4.9 lid 1.b Bgh). Voor het onderbouwen van de mogelijkheden voor nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen een zone langs een spoor-, tram- of metroweg moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd.
INDUSTRIELAWAAI Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen met (grote) lawaaimakers enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als bewoners en gebruikers van geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Tevens wordt, ter bescherming van de mogelijkheid voor bedrijven om in redelijkheid geluid te maken als gevolg van de bedrijfsvoering, voorkomen dat nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen te dicht bij de bedrijven komen te liggen. Voor het onderbouwen van de mogelijkheden voor nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen een zone rond een industrieterrein moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. Voor het geluid vanwege een industrieterrein op een nog niet geprojecteerde geluidgevoelige bestemming geldt een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 50 dB(A) op de gevel (art. 44 Wgh). Overigens gelden er ook voor de in het plangebied aanwezige diverse NAM-locaties een geluidzone. Deze hebben echter geen dubbelbestemming, maar een gebiedsaanduiding "overige zone - gaslocatie".
Vertaling in het bestemmingsplan De geluidszones industrielawaai worden in dit bestemmingsplan opgenomen. Hiertoe behoren ook de zones rondom de gaslocaties, die verspreid in de gemeente aanwezig zijn. Dit geldt
41
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
ook voor de zones langs spoorwegen. De zones langs zoneplichtige wegen worden daarentegen niet in het bestemmingsplan opgenomen. Geluidszones industrie zijn maatwerk. Elk industrieterrein heeft zijn eigen specifiek vastgestelde zone. Voor zoneringsplichtige wegen en spoorwegen is dat anders. De afmetingen van zones bij wegen liggen wettelijk vast in artikel 74 van de Wet geluidhinder. Voor spoorwegen geldt iets vergelijkbaars. Er zijn in Nederland 2 soorten maar de soort “Spoorwegen aangegeven op de zonekaart” zijn trams die buiten de Randstad niet voorkomen. Wij hebben te maken met “Spoorwegen aangegeven op de geluidplafondkaart”. De omvang van de zones hiervan is vastgelegd in artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder. Conclusie Het planvoornemen is wat het aspect geluid betreft uitvoerbaar
4.7
Lucht Wetgeving Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet Milieubeheer. Daarnaast kan gebruik worden gemaakt van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit bevat landelijk en lokale maatregelen om te kunnen voldoen aan de normen zoals gesteld in de wet. Luchtkwaliteit vormt in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van een ruimtelijk project als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIMB) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen.
ALGEMEEN BEELD LUCHTKWALITEIT Waar de luchtkwaliteitswaarden (voor met name fijn stof (PM10) en stikstofdioxide) de laatste jaren in grote delen van West-Europa onder druk staan, is de verwachting voor de autonome ontwikkeling dat de relevante achtergrondconcentraties langzaam lager zullen worden. Voor Midden-Groningen geldt dat de achtergrondconcentraties reeds laag zijn. Belangrijkste bronnen van emissies in het buitengebied van Midden-Groningen zijn bedrijven en industrie, de veehouderij en het wegverkeer. Voor de veehouderij gaat het om emissies van met name fijn stof (PM10). Auto’s en vrachtwagens zullen door verdergaande reducerende maatregelen steeds minder NOx en PM10 uitstoten. Ook bij de industrie zullen de NOx en PM10-emissies door middel van aangescherpt beleid (bijvoorbeeld NOx-emissiehandel) naar verwachting verder beperkt worden. Het RIVM produceert jaarlijks kaarten met grootschalige concentraties voor Nederland voor diverse luchtverontreinigende componenten, waarvoor Europese regelgeving bestaat. De kaarten geven een grootschalig beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en betreffen zowel recente als toekomstige jaren.
SITUATIE IN MIDDEN-GRONINGEN Uit de meest recente GCN-kaarten (Grootschalige Concentratie Nederland-kaarten) kan voor het buitengebied van Midden-Groningen het volgende worden geconcludeerd: Voor NO2 (stikstofdioxide) geldt voor 2020 een concentratie van maximaal 11 ug/m3 en een verwachting voor 2030 van 10 ug/m3. Voor PM10 (fijn stof) geldt voor 2020 een concentratie van maximaal 14,2 ug/m3 en een
42
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
verwachting voor 2030 van maximaal 13 ug/m3. Voor PM2,5 (fijn stof) geldt voor 2020 concentratie van maximaal 14,3 ug/m3 en een verwachting voor 2030 van maximaal 7 ug/m3. Voor SO2 (zwaveldioxide) geldt voor 2020 en een verwachting voor 2030 een concentratie van 0,4 ug/m3.
Vertaling in het bestemmingsplan In het kader van de Plan-MER heeft een onderzoek voor het aspect luchtkwaliteit plaatsgevonden. De resultaten hiervan worden te zijner tijd aan deze paragraaf toegevoegd. Verwacht wordt dat er geen sprake is van een overschrijding van de wettelijke norm en het plan voldoet daarmee uit het oogpunt van luchtkwaliteit.
Conclusie Het bestemmingsplan is voor wat betreft het aspect lucht uitvoerbaar
4.8
Externe veiligheid Wetgeving inrichtingen Het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) is het wettelijk kader voor risicovolle inrichtingen als het gaat om afstanden tot risicogevoelige objecten. Uitgangspunt is dat personen die ergens langdurig of permanent verblijven geen onevenredig groot risico lopen als er ramp gebeurt. Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten Het BEVI maakt onderscheid tussen twee categorieën risicogevoelige objecten: kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Dit onderscheid is gebaseerd op maatschappelijke opvattingen over welke groepen mensen in het bijzonder moeten worden beschermd. Daarnaast spelen ook het aantal personen en de verblijfsduur een rol. Het BEVI geeft geen harde definities van kwetsbaar of beperkt kwetsbaar. Het noemt enkele categorieën kwetsbare objecten, met daarbij voorbeelden. Er kan bijvoorbeeld worden gedacht aan woningen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, scholen, kinderopvang, grote kantoren, hotels en winkelcomplexen en grote kampeer- en recreatieterreinen. Beperkt kwetsbare objecten zijn volgens het besluit in ieder geval verspreid liggende woningen, dienstwoningen van derden, kleinere kantoren, hotels, winkels, bedrijfsgebouwen, sporthallen, zwembaden, overige sporten kampeerterreinen en objecten van hoge infrastructurele waarde zoals elektriciteitscentrales.
Plaatsgebonden risico Het BEVI onderscheidt twee vormen van risico: het plaatsgebonden risico en het groepsgebonden risico. Het plaatsgebonden risico (PR) is een maat voor het overlijdensrisico van één persoon op een bepaalde plaats in de omgeving van een ongeval. Het maakt niet uit of daar echt personen aanwezig zijn. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als: de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een inrichting zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval met een gevaarlijke stof. Het plaatsgebonden risico laat zich goed vertalen op een kaart. De verschillende punten in de omgeving met hetzelfde risico worden verbonden en zo ontstaat een contour. Zo wordt op de kaart een gebied met een bepaald risico aangegeven. Voor kwetsbare objecten geldt een zogenaamde grenswaarde: een kans van 10-6 per jaar. Die mag niet worden overschreden. Voor beperkt kwetsbare objecten is de kans van 10-6 een zogenoemde richtwaarde. Als het
43
Buitengebied, Midden-Groningen (vastgesteld)
risico groter wordt, moet dat goed gemotiveerd worden. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is niet een vast getal, maar wordt uitgezet in een grafiek. Die geeft een curve waarin de kans op een bepaald aantal doden is af te lezen: zoveel kans op één dode, zoveel kans op twee doden en zo verder. Het groepsrisico geeft inzicht in de eventuele maatschappelijke ontwrichting. Daardoor kan er bewuster worden omgegaan met risico's. Het groepsrisico kan op twee manieren toenemen: door uitbreiding van risicovolle activiteiten: de kans op een ongeval neemt toe; door het verhogen van de personendichtheid (bijvoorbeeld door woningbouw): het aantal mogelijke doden neemt toe. In beide gevallen neemt het groepsrisico toe. Daarom wordt er bij het opstellen van ruimtelijke plannen naar het groepsrisico gekeken. Voor het groepsrisico gelden geen harde normen, maar alleen oriënterende waarden. Als die waarden worden overschreden, moet het bestuur dat motiveren. De regels daarvoor staan in het BEVI en de Bevb.
Er moet in ieder geval aandacht besteed worden aan: het aantal personen in het invloedsgebied; het groepsrisico; de mogelijkheden om het risico te verminderen; de alternatieven; de mogelijkheden om de omvang van de ramp te beperken; de mogelijkheden tot zelfredzaamheid.
Wetgeving buisleidingen Sinds 1 januari 2011 geldt het Besluit externe veiligheid Buisleidingen (Bevb). Het Bevb regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en van de gemeente. De gemeente moet in bestemmingsplannen rekening houden met risicovolle buisleidingen. De gemeente moet een ruimtelijke reservering opnemen voor het plaatsgebonden risico (PR). Het bestemmingsplan mag binnen de PR 10-6 risicocontour geen kwetsbare objecten mogelijk maken. Ook risicoverhogende objecten mogen niet. Risicoverhogende objecten zijn bijvoorbeeld windmolens (afvallende wieken) en hoogspanningslijnen. Beperkt kwetsbare objecten moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. De gemeente moet het groepsrisico (GR) verantwoorden. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Het invloedsgebied bij brandbare vloeistoffen reikt tot net buiten de 10-6 contour. Voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet het invloedsgebied per geval berekend worden. De gemeente moet een ruimtelijke reservering opnemen voor belemmeringenstrook met aanleg vergunningstelsel: de voor onderhoud gereserveerde ruimte bedraagt ten minste 5 meter aan beide zijden van de leiding.