VERVALLEN 22-096 Bijlage 3. Ruimtelijke onderbouwing met bijlagen definitief
Tekst van het document
Daarmee zijn in alle redelijkheid negatieve effecten op (zwaarder) beschermde (zoog-)dieren op voorhand uit te sluiten. Op basis hiervan kan het uitvoeren van een ecologisch onderzoek achterwege blijven. Gebiedsbescherming Het projectgebied ligt niet in en op vrij grote afstand van het meest nabijgelegen Natura2000 gebied; namelijk op minimaal 4 kilometer afstand tot het gebied “Westerschelde & Saefthinge”. Indien er een effect inherent aan de ontwikkeling te verwachten valt, dan zal dit een extern effect zijn. Immers, de overige effecten zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, verstoring door licht, verstoring door trilling, optische verstoring en verstoring door mechanische effecten, zijn gelet op de ligging van het projectgebied ten opzichte van het Natura2000 gebied, te weten gescheiden door bestaande functies en gerealiseerde bebouwing, op voorhand uit te sluiten.
Onderhavige ontwikkeling betreft de tijdelijke plaatsing van 52 wooneenheden, verdeeld over vijf bouwdelen, met 2 tot 3 kamers. De wooneenheden zullen gasloos worden opgeleverd en zorgen daarmee niet voor stikstofemissie. De verkeersbewegingen die met de gebruiksfase samenhangen zorgen hier wel voor. Voor de toekomstige verkeergeneratie is uitgegaan van circa 135 motorvoertuigenbewegingen per etmaal. De locatie is verder in bestaande bebouwd gebied voorzien. Gelet op de afstand tot het dichtstbijzijnde Naura2000 gebied, de reeds toegestane en feitelijk aanwezige bebouwing en functies én het feit dat de ontwikkeling tijdelijk van aard is, kan in alle redelijkheid worden aangenomen, dat in de gebruiksfase geen sprake is van een relevante stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/j, die tot onderhavig project te herleiden is. Daarnaast ligt de projectlocatie ook niet in de directer invloedsfeer van het NNZ (binnendijken worden hiervan uitgesloten), zodat negatieve effecten de ontwikkeling geen afbreuk doet aan de bestaande natuurwaarden van het NNZ. Conclusie Negatieve effecten, zoals een toename van de stikstofdepositie, kunnen in alle redelijkehid uitgesloten worden. Dit laat onverlet, dat bij de werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht moet worden genomen. 4.7
Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra,
winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Beoordeling projectgebied Voor een kerk (Leger des Heils) en moskee met bijbehorende functies en activiteiten wordt in de VNG-uitgave een richtafstand van 30 meter voor een rustige woonwijk en 10 meter voor een gemengd gebied aangehouden. Hierbij is het aspect geluid maatgevend. De omgeving van de projectlocatie kan worden aangemerkt als gemengd gebied. Hiermee kan de richtafstand tot 10 meter worden teruggebracht. De afstand tussen de beoogde tijdelijke units en de moskee is beduidend meer dan 10 meter; namelijk 25 meter. De afstand van de units tot de kerk van het Leger des Heils is wel kleiner dan 10 meter; namelijk 8,8 meter. Voor het aspect geluid, zijn met name het luiden van klokken en oproepen tot gebed bepalend. Doordat de tijdelijke woonunits aan de zijde van de moskee op een afstand van 25 meter zijn gesitueerd, wordt ruimschoots aan deze richtafstand voldaan. De kerk van het Leger des Heils beschikt niet over een klok, zodat het oprichten van de tijdelijke units geen beperkingen voor de bedrijfsvoering van het Leger des Heils met zich meebrengt.
Nog los van het gegeven, dat aan de richtafstand tot de moskee ruimschoots wordt voldaan, wordt het oproepen tot gebed, gelet op de korte duur, beperkte frequentie, het tijdstip (overdag) én het feit dat deze activiteit in het Activiteitenbesluit wordt uitgezonderd, als ruimtelijk acceptabel geacht. Tot slot is relevant, dat ofschoon ter plaatse van de projectlocatie feitelijk geen bebouwing aanwezig is, op basis van het geldende bestemmingsplan onder meer de oprichting van onzelfstandige en beschermde vormen van wonen, als een verpleeg- en verzorgingstehuis, tot de mogelijkheden behoort. Deze functies dienen als geluidgevoelig te worden gekwalificeerd en zijn daarmee voor de bedrijfsvoering en uitoefening van de direct aangrenzende functies reeds bepalend. Een nader onderzoek naar inrichtingslawaai is daarmee niet vereist. Tot slot grenst de locatie, zowel in de bestaande als nieuwe situatie, aan een verkeersbestemming, welke gronden deels zijn bestemd ten behoeve van een parkeerterrein. Deze planologische situatie wijzigt door de beoogde ontwikkeling niet en heeft derhalve daarmee voor geen ruimtelijke gevolgen voor deze bestemming en gebruik. Conclusie Vanuit het oogpunt van het aspect bedrijven en milieuzonering kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd ter plaatse van het projectgebied.
Omgekeerd vormt het voornemen geen belemmering voor de bedrijfsvoering- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen nietwoonfuncties en bedrijven. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt dan ook geen beperking voor dit plan. 4.8
Wegverkeerslawaai Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: - de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; - de aanleg van een nieuwe weg;
-
de reconstructie van een bestaande weg.
De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient via een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Beoordeling projectgebied De geprojecteerde woonunits liggen binnen ligt binnen de zone van de binnenstedelijke weg de Stromenweg en de buitenstedelijke weg de Nieuwe Vlissingseweg. Nu de woonunits voor een periode van 20 jaar worden geplaatst, dient door middel van een akoestisch onderzoek te worden aangetoond, dat de geluidsbelasting niet hoger is of zal worden dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Bij overschrijding van deze norm moeten er zodanige geluidsreducerende maatregelen worden getroffen dat wel aan de 48 dB kan worden voldaan.
In geval er niet aan de gestelde voorkeursgrenswaarde van 48 dB kan worden voldaan is het op grond van artikel 83 Wgh mogelijk voor de woonunits een hogere waarde te verlenen tot maximaal 63 dB(A) geluid van de Stromenweg en 53 dB voor geluid van de Nieuwe Vlissingseweg. Door de gemeente is akoestisch onderzoek uitgevoerd, welke als Bijlage 4 aan deze onderbouwing is gehecht. Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting: • ten gevolge van de Nieuwe Vlissingseweg de voorkeurswaarde van 48 dB niet wordt overschreden; • ten gevolge van de Stromenweg bedraagt de geluidsbelasting maximaal 54 dB. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder overschreden, maar blijft voorts ruimschoots binnen de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Door de gemeente Middelburg is geluidbeleid vastgesteld (“Wet geluidhinder – Beleidsregel gemeente Middelburg. Het beleid t.a.v. de voorkeursgrenswaarde en de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting”, d.d. 2009). Op basis van dit beleid is voor een inbreidingslocatie eveneens een hogere grenswaarde mogelijk tot maximaal 63 dB. Echter, indien er een hogere grenswaarde nodig is van meer dan 53 dB dient één van de gevels geluidsluw te zijn. Nu achterzijde van de units geluidluw zijn, wordt hieraan voldaan.
Omdat sprake is van een overschrijding van de voorkeurswaarde is verder onderzocht of geluid beperkende maatregelen mogelijk zijn om te kunnen voldoen aan de voorkeurswaarde. Deze zijn echter vanuit, stedenbouwkundig en financieel opzicht niet haalbaar, noch wenselijk.
Concreet betekent dit, dat er de beoogde ontwikkeling een procedure voor een hogere grenswaarde in het kader van de vergunningverlening dient te worden doorlopen. De hiervoor te volgen procedure zal gelijktijdig met het ter inzagelegging van het ontwerpvergunning worden gestart. Conclusie Voor de units met een geluidbelasting van maximaal 54 dB dB(A) zullen hogere waarden worden aangevraagd. Het ontwerp besluit hogere waarden zal tegelijkertijd worden gestart met het ontwerpvergunning ter inzage worden gelegd. Derhalve staat het aspect geluid het voornemen niet in de weg. Het aspect verkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.9
Lucht Wettelijk kader De eisen voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet kent grenswaarden en voor enkele stoffen ook plandrempels. De Wm heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging, onder andere als gevolg van het verkeer. Indien het uitoefenen van bevoegdheden, zoals het vaststellen van bestemmingsplannen, gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen bestuursorganen die bevoegdheden uitoefenen wanneer aannemelijk is gemaakt dat sprake is van één van onderstaande gevallen (artikel 5.16 Wm): - het bestemmingsplan leidt niet tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden; - de luchtkwaliteit verbetert per saldo als gevolg van het bestemmingsplan dan wel blijft ten minste gelijk; - het bestemmingsplan draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen; - de ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In het Besluit niet in betekende mate bijdragen (laatstelijk gewijzigd op 7 juni 2012) is dit verder uitgewerkt.
Bij ministeriële regeling, de Regeling Niet in betekenende mate bijdragen (Regeling NIBM), zijn categorieën van gevallen aangewezen, waarin het vaststellen van een bestemmingsplan in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Voor onder meer woningbouwlocaties en kantoorlocaties zijn categorieën van gevallen aangewezen. Wanneer een ontwikkeling valt onder de categorieën van gevallen is het niet nodig te toetsen aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit. In de praktijk zal daarom voor de nieuwbouw tot ongeveer 1.500 woningen met één ontsluitingsweg geen luchtkwaliteitsonderzoek nodig zijn. Beoordeling projectgebied Nu de beoogde ontwikkeling per saldo de oprichting van 52 tijdelijke wooneenheden mogelijk maakt blijft deze ruim onder de grenswaarden. De ontwikkeling behoort vanwege de beperkte omvang tot de een categorie die als NIBM kan worden gekwalificeerd. Een toetsing kan dus achterwege blijven. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling
4.10
Externe veiligheid Wettelijk kader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: - activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; - transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; - transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de Veiligheidsregio. Beoordeling projectgebied Om te bepalen of er in de directe omgeving (im)mobiele risicobronnen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Op basis daarvan kan worden geconcludeerd, dat in de directe omgeving van het projectgebied geen buisleidingen, transportroutes of risicovolle inrichtingen aanwezig zijn, waarvan de relevante plaatsgebonden risicocontouren tot in het projectgebied reiken. Het plaatsgebonden risico staat onderhavige ontwikkeling dan ook niet in de weg. Verbrugge Zeeland Terminals Het projectgebied ligt op ca 6 km afstand van Verbrugge Zeeland Terminals. Het invloedsgebied van Verbrugge Zeeland Terminals reikt tot 7.937 meter.
Voorliggende locatie ligt daarmee binnen het invloedsgebied van de inrichting Verbrugge Zeeland Terminals. Groepsrisico Het invloedsgebied is berekend door middel van een QRA. Deze afstand is berekend voor de worst case (meest giftige stof, maximale hoeveelheid aanwezig en het weertype F1,5). Aangenomen kan worden dat mogelijke wijzigingen in de rand van het invloedsgebied (op een grotere afstand dan 1.500 meter) geen noemenswaardige veranderingen in het groepsrisico veroorzaken. In de Nota van Toelichting bij de Beleidsvisie Externe Veiligheid is aangesloten bij het beleid van de provincie Zuid -Holland. Hierin staat beschreven dat de populatie op grote afstand van de
bron nauwelijks invloed heeft op de grootte van het groepsrisico. Het bevoegd gezag wordt geadviseerd om de Veiligheidsregio Zeeland in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over hulpverlening en zelfredzaamheid indien er sprake is van invloedsgebieden van risicobronnen die op een grotere afstand dan 1.500 meter aanwezig zijn en er binnen het plangebied nieuwe of bestaande objecten of functies van meer dan 250 personen bevinden. Het projectgebied ligt op een veel grotere afstand dan 1.500 meter van bovengenoemd bedrijf. Deze ontwikkeling gelegen in een stedelijke omgeving, zal in combinatie met de zodanig grote afstand tot de risicobron- niet zorgen voor een significante toename van het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico van Verbrugge ligt niet over het projectgebied. Volgens de Revi is het invloedsgebied berekend door middel van een QRA. Uit de QRA blijkt dat bij de inrichting de PR 10 -6 buiten de inrichtingsgrens ligt. De PR 10-6 reikt niet verder dan 600 meter. Kerncentrale Borssele Aan de Zeedijk 32 in Borssele is een kerncentrale gesitueerd, waar productie en distributie van elektriciteit, aardgas, stoom en warm water plaatsvindt. De afstand van het projectgebied tot de kerncentrale bedraagt 5 kilometer. Voor de kerncentrale van Borssele zijn veiligheidsmaatregelen getroffen mocht zich onverhoopt een ongeval voordoen.
Het gebied om de plaats van het ongeval is in drie zones ingedeeld; elke zone heeft een eigen maatregel. Dit betekent bijvoorbeeld voor de kerncentrale in Borssele: evacuatie tot op 5 kilometer van de kerncentrale; slikken van jodiumtabletten tot op 10 kilometer en schuilen tot op 20 kilometer. Omdat de afstand van het projectgebied tot de kerncentrale minder dan 10 kilometer bedraagt, is het projectgebied gelegen binnen de zone waarin wordt geadviseerd jodiumtabletten te slikken, mocht zich onverhoopt een ongeval voordoen. De kerncentrale vormt geen belemmering voor het onderhavige ontwikkeling. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. De externe veiligheid levert geen belemmering op voor de ontwikkeling. 4.11
Ontplofbare oorlogsresten Bij een nieuwe ontwikkeling, dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog (WO II). In het kader van de aanleg van de woonbuurt zal de bodem namelijk worden geroerd. Beoordeling projectgebied In dat kader heeft het bevoegde gezag de explosievenkaart geraadpleegd. Hieruit is gebleken dat de planlocatie een licht-verdachte omgeving betreft. Een nader onderzoek op het gebied van ontplofbare oorlogsresten uit WO II is derhalve niet noodzakelijk. Wel is bij de uitvoering van de werkzaamheden het protocol ‘Toevalstreffer ontplofbare oorlogsresten uit de 2e WO’ van toepassing.
4.12
Kabels en leidingen De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer:
a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling projectgebied Ter plaatse van het projectgebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC melding worden uitgevoerd. Conclusie Het aspect kabels en leidingen is geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.13
Duurzaamheid en klimaatadaptatie Klimaatbestendige Middelburgse Samenleving 2018-2050 De gemeente stelt zich tot doel dat Middelburg bewoonbaar blijft en dat de Middelburgers gezond en goed kunnen wonen, leven en werken ondanks de klimaatverandering. De visie gaat in hoe in de gemeente Middelburg gebouwen, tuinen, openbare ruimte en wellicht ook de mensen zodanig kan veranderen dat de gevolgen van klimaatsverandering beheersbaar blijven. Voor de ontwikkeling zijn onderstaande maatregelen relevant: • meer groen en minder verharding' • 'water sturen'; • donkere verharding vervangen door wit of beplanting; • meer water in de bodem. Middelburgse Milieuvisie 2019-2025 Het belangrijkste doel is om te komen tot een gezonde, duurzame samenleving en leefomgeving en een duurzame ontwikkeling van de gemeente. Daarbij is van belang te voorzien in de behoeften van de huidige generaties, zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties te beperken om gezond en goed te kunnen leven. De belangrijkste ambities en doelstellingen die voor de ontwikkeling relevant en uitgangspunt moeten zijn worden hierna genoemd, waarbij is uitgegaan van het doel voor 2025. De gemeente Middelburg heeft als doel volledig energieneutraal te worden. De streefdatum om dit te realiseren is 2050 en indien de (financiële) omstandigheden dit mogelijk maken, zo mogelijk eerder.
Doel is het broeikaseffect tegen te gaan, de economische positie te handhaven en de beschikbaarheid van energie te waarborgen. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan een duurzame (economisch) gezonde samenleving. Voor gebieden waar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden verwacht, worden de ecologische en natuurwaarden in beeld gebracht. Creëren van natuurlijke groene elementen (groene dooradering en natuur benutten voor biodiversiteit, klimaatverbetering, koelte, vochtregulatie en windkering, voor recreatie, productie, educatie e.d.).
De gemeente wil voorts inspelen op gevoel van identiteit door het benutten van landschappelijke elementen en patronen. Lokale identiteit kan worden benut door bijvoorbeeld sloten en watergangen in ontwerp op te nemen en zo een duurzaam, gezond, veerkrachtig watersysteem te creëren. Samengevat: • neem circulariteit en duurzaamheidsaspecten mee in alle fasen van een ontwikkeling (bij onder andere ontwerp, aanbesteding en realisatie van wijk, verkavelingen en gebouwen). • betrek klimaatadaptatie bij de manier waarop de woningen worden gesitueerd/gebouwd. • stimuleer biodiversiteit, ecologische omstandigheden en gebruik van inheemse soorten. • stimuleer het gebruik van duurzaam vervoer, zoals doorgaande fietsverbindingen. • Ontmoedig het stoken van kachels en haarden. Beoordeling projectgebied Het benutten van bestaande units is circulair en duurzaam. Immers, deze units kunnen keer op keer worden hergebruikt, verplaatst of getransformeerd. Flexibel vastgoed is daarmee een soort bank van materialen, bouwdelen en grondstoffen die elke keer opnieuw kunnen worden gebruikt waardoor de economische restwaarde maximaal blijft. Het is een gesloten keten waarmee grote aantallen afval, verspilling en CO2-uitstoot worden beperkt.
Ook het aantal transportbewegingen van en naar een locatie is vele malen lager dan bij traditionele bouwprojecten waardoor er minder wegverkeer, minder fijnstof en wederom minder CO2-uitstoot wordt gerealiseerd. Daarnaast worden de units all-electric gemaakt, verwarmd via een warmteterugwinningsinstallatie en voorzien van zonnepanelen. Tot slot wordt bij de inrichting van het terrein het realiseren van groen meegenomen, zodat zowel binnen als buiten een aangenaam woon- en verblijfsklimaat aan de bewoners kan worden geboden. Op deze wijze draagt de ontwikkeling bij aan de doelstellingen en ambities van de gemeente Middelburg op het gebied van duurzaamheid en klimaatadaptatie. 4.14
M.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: 1. belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk; 2. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die worden genoemd in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport gemaakt moet worden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is sprake van het oprichten van tijdelijke woonunits. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst. Onder categorie D11.2 is begrepen, ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van woningen,
winkelcentra of parkeerterreinen’. Bij een dergelijke activiteit is sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Beoordeling projectgebied Het bouwen van tijdelijke woonunits valt formeel niet onder categorie D11.2, daar de tijdelijke units niet zijn aan te merken als woningen, maar tijdelijk onderkomen. Hoewel de ontwikkeling formeel niet voorkomt op de lijst D11 en qua oppervlakte (circa 1.475 m²) ruimschoots onder de gestelde grenswaarde valt, wordt nu sprake is van een wijziging c.q. verruiming van de gebruiksmogelijkheden door het toevoegen van 52 tijdelijke wooneenheden voor statushouders en spoedzoekers, alsnog een vormvrije aanmeldnotitie opgesteld (Bijlage 5). Daarnaast kan een verruiming van een functie m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Concrete omstandigheden in dit geval zijn functieverruiming, ligging in bestaande stedelijk gebied en de reeds in planologisch opzicht toegestane bebouwing, waaronder begrepen onzelfstandige woonvormen. Daarnaast is de ontwikkeling tijdelijk van aard en wordt landschappelijk ingepast. De verschillende milieueffecten zijn tot slot in hoofdstuk 4 beschouwd.
Hieruit blijkt, dat er door de ontwikkeling geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen. Kort samengevat er zijn geen 'belangrijke nadelige milieugevolgen' te verwachten en daarom is het formeel niet noodzakelijk een m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Toetsing en conclusie Verder is een (vormvrije) m.e.r.(-beoordeling) plicht op basis van artikel 7.19 Wet Milieubeheer op onderhavige ontwikkeling formeel niet van toepassing. Dit laat onverlet, dat voor onderhavige ontwikkeling vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening alsnog een vormvrije aanmeldnotitie en daarmee beoordeling is uitgevoerd welke als Bijlage 5 aan deze onderbouwing is gehecht. Het besluit vormvrije m.e.r.-beoordeling ligt gelijktijdig met de ontwerpvergunning ter inzage.
5.
ECONOMISCHE EN FINANCIËLE UITVOERBAARHEID
5.1
Economische uitvoerbaarheid Wanneer met een juridisch-planologisch plan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Een privaatrechtelijke overeenkomst heeft tot doel het vastleggen van afspraken tussen de gemeente en een initiatiefnemer. De afspraken welke worden vastgesteld gaan onder andere over bouwrijp maken, kabels en leidingen, bouwschade aan de openbare ruimte, planschade en het kostenverhaal. Deze zaken zullen privaatrechtelijk worden vastgelegd. Er is sprake van de het verruimen van de gebruiksmogelijkheid voor het realiseren van 52 tijdelijke woonunits. Initiatiefnemer koopt de grond en gebruikt eigen middelen om het project te financieren. Hierdoor is verhaal van de kosten van grondexploitatie privaatrechtelijk anderszins verzekerd. Daarmee is de economische uitvoerbaarheid in voldoende mate verzekerd. Gelet hierop geldt geen verplichting tot het maken van een exploitatieplan. Conclusie Er zijn daarmee geen belemmeringen aangaande de financiële uitvoerbaarheid.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid In artikel 3.10 Wabo is bepaald dat op de voorbereiding van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3°, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. In afdeling 3.4. Awb is bepaald dat het ontwerp van de omgevingsvergunning gedurende 6 weken ter visie zal liggen. Tijdens deze periode kan een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen kenbaar maken aan het college van burgemeester en wethouders omtrent hun voornemen om medewerking te verlenen aan de onderhavige omgevingsvergunning. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 6.18 Bor (Besluit omgevingsrecht) dient bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning, waar nodig, overleg gepleegd te worden conform artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Bro geeft aan dat, voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning, het college van burgemeester en wethouders overleg plegen met de besturen van bij het plan betrokken Rijks- en provinciale organen (zoals waterschappen, provincie). Vóór het opstarten van de procedure wordt een ruimtelijke onderbouwing ter vooroverleg opgestuurd naar de diverse instanties.
Omdat er vanwege de aard, geringe omvang en maatschappelijk belang geen Rijks- of provinciale belangen in het geding zijn, is vooroverleg met de Rijksoverheid en de provincie niet noodzakelijk. Vooroverleg met het Waterschap Scheldestromen is evenmin noodzakelijk, aangezien ten opzichte van het geldende bestemmingsplan geen sprake is van een toename van oppervlakteverharding en deze reeds op basis van het geldende regime is gecompenseerd.
Tervisielegging De resultaten van de tervisielegging zullen te zijner tijd worden verwerkt in onderhavige ruimtelijke onderbouwing en omgevingsvergunning.
6.
CONCLUSIE Onderhavig project ziet toe op het verruimen van de gebruiksmogelijkheden voor het plaatsen van 52 tijdelijke wooneenheden ten behoeve van statushouders en spoedzoekers op een perceel gesitueerd aan Het Zwin in de gemeente Middelburg. Om deze gebruiksfunctie mogelijk te maken dient te worden afgeweken van het vigerend bestemmingsplan. Door middel van onderhavige ruimtelijke onderbouwing is aangetoond, dat de betreffende afwijking niet stuit op overwegende bezwaren van ruimtelijke, functionele, beleidsmatige of milieukundige aard. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd, dat onderhavig project planologisch te verantwoorden is.
Parkeerbalans 't Zwin Rothuizen, 01-07-2022 Uitgangspunten Conform 'Toekomstbestendig parkeren' (CROW) Sterk stedelijk Rest bebouwde kom Programma en parkeernormen Spoedzoekers norm cf. CROW: huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur) Statushouders norm cf. CROW: kamerverhuur, zelfstandig (niet-studenten) Parkeervraag aantal Spoedzoekers Statushouders Totaal
min. norm max. norm gem. norm min. vraag max. vraag gem. vraag 24 28 52
0,7 0,6
1,5 0,7
1,10 0,65
16,8 16,8 34
36,0 19,6 56
26,4 18,2 45
Parkeerbalans 't Zwin Rothuizen, 06-09-2022 Uitgangspunten Conform 'Toekomstbestendig parkeren' (CROW) Sterk stedelijk Rest bebouwde kom Parkeernormen Spoedzoekers Statushouders Moskee Leger des Heils
1,10 pp per unit 0,65 pp per unit 0,15 pp per zitplaats (religiegebouw) 0,15 pp per zitplaats (religiegebouw)
Parkeervraag per functie aantal 24 24 28 28 329 230
norm 0,80 0,30 0,50 0,15 0,15 0,15
werkdag ochtend 50% 10% 70% 70% 10% 10%
werkdag middag 50% 20% 70% 70% 80% 40%
werkdag werkdag avond nacht 90% 100% 80% 0% 100% 100% 20% 0% 100% 0% 20% 10%
koopzaterdag zaterdag avond middag avond 80% 60% 80% 70% 60% 80% 80% 60% 80% 20% 50% 50% 20% 40% 40% 20% 60% 40%
zondag middag 70% 70% 70% 50% 20% 100%
Parkeervraag rekening houdens met aanwezigheidspercentages werkdag werkdag ochtend middag Spoedzoekers (bewoners) 9,60 9,60 Spoedzoekers (bezoekers) 0,72 1,44 Statushouders (bewoners) 9,80 9,80 Statushouders (bezoekers) 2,94 2,94 Moskee 4,94 39,48 Leger des Heils 3,45 13,80 31 77 Totaal
werkdag werkdag avond nacht 17,28 19,20 5,76 0,00 14,00 14,00 0,84 0,00 49,35 0,00 6,90 3,45 37 94
koopzaterdag zaterdag avond middag avond 15,36 11,52 15,36 5,04 4,32 5,76 11,20 8,40 11,20 0,84 2,10 2,10 9,87 19,74 19,74 6,90 20,70 13,80 49 67 68
zondag middag 13,44 5,04 9,80 2,10 9,87 34,50 75
Spoedzoekers (bewoners) Spoedzoekers (bezoekers) Statushouders (bewoners) Statushouders (bezoekers) Moskee Leger des Heils Totaal
vraag 19,20 7,20 14,00 4,20 49,35 244 zitplaatsen begane grond en 85 zitplaatsen verdieping 34,50 128
Aanwezigheidspercentages
Spoedzoekers (bewoners) Spoedzoekers (bezoekers) Statushouders (bewoners) Statushouders (bezoekers) Moskee Leger des Heils Totaal
Piekmoment is vrijdagavond
Archeologisch bureau- en booronderzoek plangebied aan Het Zwin 5-7 te Middelburg, gemeente Middelburg
Walcherse Archeologische Dienst
Walcherse Archeologische Rapporten 57
Colofon Archeologisch bureau- en booronderzoek Plangebied Het Zwin 5-7 te Middelburg, gemeente Middelburg Walcherse Archeologische Rapporten 57 WAD-Projectcode MIDD_022_002 Auteur B.H.F.M. Meijlink en B. Silkens Afbeeldingen WAD tenzij anders vermeld Status autorisatie bevoegd gezag: ja Uitvoering conform KNA 4.1 en onder certificaat K107015/02 Uitgegeven door Walcherse Archeologische Dienst Postbus 70 4330 AB Middelburg Tel: 0118-67 88 03 Fax: 0118-62 80 94 e-mail: b.meijlink@middelburg.nl ISBN: 978-90-78877-82-0 Middelburg, 2022 Omslag Plangebied Het Zwin 5-7 en moskee (foto Google streetview) © Walcherse Archeologische Dienst, juli 2022 Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. De WAD aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Inhoud Administratieve gegevens
3
Samenvatting
4
1 Inleiding 1.1 Beschrijving van de onderzoeksopdracht 1.2 Wettelijk kader en beleidskader 1.3 Ligging van het onderzoeksgebied 1.4 Huidig gebruik en toekomstig gebruik 1.5 Doel van het onderzoek 1.6 Vraagstelling en onderzoeksvragen 1.7 Werkwijze
5
2 Geologie en bodem
10
3 Overzicht bekende gegevens (bureauonderzoek) 3.1 Onderzoeksgeschiedenis 3.2 Bekende archeologische waarden 3.3 Bekende historische waarden 3.4 Verstoringen 3.5 Specifiek verwachtingsmodel 3.6 Vraagstelling en onderzoeksmethode voor het booronderzoek
11
4 Resultaten archeologisch veldonderzoek 4.1 Inleiding en methode 4.2 Stratigrafie 4.3 Vondstmateriaal
16
5 Conclusies, waardestelling en selectieadvies 5.1 Algemeen 5.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen 5.3 Waardestelling en selectieadvies 5.4 Conclusie en aanbevelingen
17
Lijst afbeeldingen en tabellen Literatuur
19 20
Bijlage 1 Boorstaten Bijlage 2 Afkortingenlijst
2
Administratieve gegevens Soort onderzoek: Bureauonderzoek en Inventariserend VeldOnderzoek - Overig Boringen (IVO-O) Provincie: Zeeland Gemeente: Middelburg Plaats: Middelburg Toponiem: Het Zwin Centrumcoörd. onderzoeksgebied: x 24498 / y 397227 Uitvoeringsperiode veldonderzoek 25 mei 2022 PvA nummer MIDD_022_002PvA Oppervlakte plangebied: Oppervlakte onderzoeksgebied:
5.500 m2 5.500 m2
Kadastrale gegevens: 606S3415 Kaartblad: 65DN1 Archis vooronderzoek: n.v.t. Archis zaaknr: 5262687100 Opdrachtgever: Gemeente Middelburg Contactpersoon: M. Köther Afdeling Leefomgeving Postbus 6000 4330 LA Middelburg Tel.: 0118-675000 Uitvoerder Walcherse Archeologische Dienst Bevoegd gezag: Gemeente Middelburg Namens deze: B.H.F.M. Meijlink Walcherse Archeologische Dienst (WAD) Postbus 6000 4330 LA Middelburg e-mail: b.meijlink@middelburg.nl Beheer en plaats van documentatie & Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD) Beheer en plaats van vondsten: Erfgoed Zeeland Looiserssingel 2, 4331 NK Middelburg Postbus 49, 4330 AA Middelburg Beheerder: dhr. J.J.H. van den Berg Tel.: 0118-670618; fax: 0118-670880 e-mail: depot@erfgoedzeeland.nl Complextype : onbekend Autorisatie:
Drs. B.Silkens, Senior KNA-archeoloog WAD
Datum verschijnen rapport
juli 2022
ISBN-nummer 978-90-78877-82-0 3
Samenvatting De gemeente Middelburg treft voorbereidingen voor de ontwikkeling van het plangebied aan Het Zwin 5-1 t/m 7-39 te Middelburg. Het gaat om de tijdelijke huisvesting van vluchtelingen en statushouders. De ontwikkeling zal een beperkte bodemverstoring inhouden, waarbij mogelijk aanwezige archeologie in het gedrang komt. In lijn met de landelijke wetgeving, het Walchers archeologiebeleid en het gemeentelijke bestemmingsplan heeft de Walcherse Archeologische Dienst een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek en een booronderzoek. Dit rapport presenteert de resultaten, de conclusies van dit onderzoek, evenals de aanbeveling voor vervolgstappen binnen het archeologisch onderzoekstraject. De WAD is begonnen met het bureauonderzoek. Dit heeft geleid tot het volgende specifieke verwachtingsmodel: - in de ondergrond van het onderzoeksgebied rust een lage verwachting op archeologische resten uit de ijzertijd en de Romeinse tijd. Het oostelijk deel van het onderzoeksgebied is gelegen ter hoogte van een poelgebied met onderliggend veen. Daar waar de top van het onderliggend veen bewaard is, kunnen archeologische resten uit de ijzertijd en/of de Romeinse tijd aanwezig zijn.
Deze kans is niet groot, omdat de bodemkarteerders Bennema en van der Meer op hun bodemkaart hier met een arcering hebben aangegeven dat het veen weg gegraven is (zogenaamde moernering). Alleen centraal en aan het oostelijke uiteinde van het onderzoeksgebied zou volgens hen nog intact veen over een klein oppervlak aanwezig zijn. - In het westelijke uiteinde van het onderzoeksgebied zijn volgens dezelfde bodemkaart uit 1952 afzettingen behorende bij een smalle kreekgeul te verwachten. De kans bestaat dat vanaf de middeleeuwen hier menselijke activiteit heeft plaatsgevonden, waarvan nog archeologische resten terug te vinden zijn. In de lager gelegen poelgronden is de kans hierop veel kleiner. - Dwars door het onderzoeksgebied heeft de oude Vlissingse Watergang gelopen. Deze is na de oorlog gedempt. Het grondspoor zal nog aanwezig zijn. - Op de geraadpleegde oude kaarten zijn binnen het onderzoeksgebied verder geen structuren of bouwwerken aangegeven. De verwachting op archeologie uit de Nieuwe tijd is daarom laag. De vraagstelling van het onderzoek was erop gericht om dit verwachtingsmodel te toetsen.
Is in het oostelijk deel van het onderzoeksgebied het veen inderdaad gemoerneerd en op twee plekken nog intact? En zijn er aanwijzingen dat archeologische resten uit zowel de ijzertijd, de Romeinse tijd, als uit de middeleeuwen aanwezig (kunnen) zijn? Dit verwachtingsmodel heeft de WAD getoetst door middel van een booronderzoek. Zes gerichte boringen hebben de lage verwachtingen bevestigd. Ter hoogte van het plangebied is de kans op het aanwezig zijn van archeologische vindplaatsen erg klein. In het overgrote deel van het plangebied is door moernering het onderliggende veenpakket bijna volledig weg gegraven. Daarnaast is er ook de oude Vlissingse watergang door het veenpakket gegraven. Met het verdwijnen van de top van het Hollandveen zijn ook eventuele resten uit de ijzertijd en/of Romeinse tijd verdwenen. In het westen van het plangebied sprake van zandige kreekafzetting. Hiervan lijkt de top ook geërodeerd, waardoor de kans op archeologische resten vanaf de middeleeuwen hier niet meer te verwachten zijn. Om bovenstaande reden adviseren we geen vervolgstappen binnen het archeologisch onderzoeksproces en daarmee de geplande ontwikkeling van het terrein vrij te stellen van verder onderzoek. Daarnaast luidt ons advies om de dubbelbestemming Waarde Archeologie binnen het plangebied te laten vervallen.
4
1.
Inleiding
1.1 Beschrijving van de onderzoeksopdracht
hebben aangegeven dat het veen weg gegraven is (zogenaamde moernering). Alleen centraal en aan het oostelijke uiteinde van het onderzoeksgebied zou volgens hen nog intact veen over een klein oppervlak aanwezig zijn. - In het westelijke uiteinde van het onderzoeksgebied zijn volgens dezelfde bodemkaart uit 1952 afzettingen behorende bij een smalle kreekgeul te verwachten. De kans bestaat dat vanaf de middeleeuwen hier menselijke activiteit heeft plaatsgevonden, waarvan nog archeologische resten terug te vinden zijn. In de lager gelegen poelgronden is de kans hierop veel kleiner. - Dwars door het onderzoeksgebied heeft de oude Vlissingse Watergang gelopen. Deze is na de oorlog gedempt. Het grondspoor zal nog aanwezig zijn. - Op de geraadpleegde oude kaarten zijn binnen het onderzoeksgebied verder geen structuren of bouwwerken aangegeven. De verwachting op archeologie uit de Nieuwe tijd is daarom laag.
Het onderzoek heeft plaats gevonden in het kader van de plannen van de gemeente Middelburg voor de tijdelijke huisvesting voor vluchtelingen en statushouders aan Het Zwin in Middelburg (zie Fig. 1 en Fig. 2) Het plangebied is in bezit van de gemeente en ligt momenteel braak. Op het perceel is (tijdelijke) woningbouw voorzien, waarschijnlijk in de vorm van portacabins. De ontwikkeling zal een beperkte bodemverstoring inhouden, waarbij vooral te denken valt aan sleuven voor riool, kabels en leidingen. Hierbij komt mogelijk aanwezige archeologie in het gedrang. De oppervlakte van de bodemverstoring die met de toekomstige inrichting van het terrein gepaard gaat, is nog onbekend. Desondanks heeft de gemeente besloten de WAD opdracht te geven voor een verkennend archeologisch onderzoek. Dit in lijn met landelijke wetgeving, het Walchers archeologiebeleid en het gemeentelijke bestemmingsplan. De Walcherse Archeologische Dienst (WAD) heeft dit verkennend onderzoek onder certificaat in lijn met de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) 4.1 en de BRL 4000 en de aanvullende provinciale richtlijnen uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek en een booronderzoek (IVO-O boringen).
De vraagstelling van het onderzoek is erop gericht om dit verwachtingsmodel te toetsen. Is in het oostelijk deel van het onderzoeksgebied het veen inderdaad gemoerneerd en op twee plekken nog intact? En zijn er aanwijzingen dat archeologische resten uit zowel de ijzertijd, de Romeinse tijd, als uit de middeleeuwen aanwezig (kunnen) zijn? Dit verwachtingsmodel heeft de WAD getoetst door middel van een booronderzoek (zie hoofdstuk 4). Dit onderzoek heeft de lage verwachtingen bevestigd.
Voor het onderzoek heeft de WAD een Plan van Aanpak (Meijlink 2022 PvA MIDD_022_002) opgesteld, waarin de probleemstelling, het doel, de vraagstelling en de beoogde methode van het onderzoek is uitgeschreven.
Aan de hand van de resultaten en de conclusies van het verkennende onderzoek doet de WAD aanbevelingen met betrekking tot vervolgonderzoek. In het geval van het bouwplan aan Het Zwin in Middelburg luidt de aanbeveling verder geen archeologisch onderzoek noodzakelijk te achten en de dubbelbestemming Waarde Archeologie op te heffen.
Voor het PvA heeft de WAD al een voorstudie gedaan van bodem- en oud kaartmateriaal en luchtfoto’s. In hoofdstukken 2 en 3 van dit rapport wordt dit uitvoerig besproken. Het specifieke verwachtingsmodel komt op het volgende neer: - in de ondergrond van het onderzoeksgebied rust een lage verwachting op archeologische resten uit de ijzertijd en de Romeinse tijd. Het oostelijk deel van het onderzoeksgebied is gelegen ter hoogte van een poelgebied met onderliggend veen. Daar waar de top van het onderliggend veen bewaard is, kunnen archeologische resten uit de ijzertijd en/ of de Romeinse tijd aanwezig zijn. Deze kans is niet groot, omdat de bodemkarteerders Bennema en van der Meer op hun bodemkaart hier met een arcering
1.2 Wettelijk kader en beleidskader Het archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van de Erfgoedwet en de Monumentenwet 1988, die binnenkort overgaat in de Omgevingswet. In de wet is bepaald dat de gemeente de archeologie regelt in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De Walcherse gemeenten hebben daartoe een archeologiebeleid vastgesteld in de Nota archeologische monumentenzorg Walcheren 20162022. Hierin is een inventarisatie gemaakt van de 5
Fig. 1 Het onderzoeksgebied op de topografische kaart uit CH kaart Zeeland (rood omlijnde ovaal). Linksonder de ligging van plangebied op Walcheren; rechtsonder luchtfoto van Het Zwin e.o. met het onderzoeksgebied groen omlijnd. Noord is steeds boven.
Fig. 2 Het onderzoeksgebied op de topografische kaart GBKN, groen omlijnd.
archeologische waarden en verwachtingen op Walcheren, vertaald in de Archeologische Waardenen Verwachtingskaart Walcheren 2016. Ook zijn zes hoofdthema’s geformuleerd die richtingevend kunnen zijn bij het nemen van selectiebesluiten. Naar de hoogte van de archeologische waarde en verwachting en met de hoofdthema’s in ogenschouw is een Beleidsadvieskaart opgesteld met een vrijstellingsregeling. Dit is vertaald in alle gemeentelijke bestemmingsplannen, waarin regels verbonden zijn aan de dubbelbestemmingen Waarde Archeologie. Het plangebied heeft de dubbelbestemming Waarde Archeologie 3 met een vrijstelling van onderzoek voor graafwerkzaamheden, dieper dan 40 cm, met een oppervlakte kleiner dan 500 m2.
1.3 Ligging van het onderzoeksgebied
Indien de provincie als bevoegde overheid optreedt dan geldt het provinciale archeologiebeleid vastgesteld in de Cultuurnota 2017-2020. Dit is hier niet van toepassing.
De gemeente Middelburg bekijkt de mogelijkheid om tijdelijke huisvesting van vluchtelingen en statushouders te realiseren in het bewuste plangebied aan Het Zwin. In het kader hiervan laat zij verschillende onderzoeken uitvoeren, waaronder een inventariserend archeologisch onderzoek met als doel
De ligging van het onderzoekgebied is weergegeven in de figuren 1 en 2. Het ligt aan de noordzijde van de straat Het Zwin in Middelburg ingepast tussen het gebouw van het Leger des Heils en de moskee.
1.4 Huidig gebruik en toekomstig gebruik Het plangebied is in bezit van de gemeente en ligt er momenteel braak bij. Het plangebied is de beoogde lokatie voor tijdelijke huisvesting van vluchtelingen en statushouders.
1.5 Doel van het onderzoek
7
alle aspecten/risico’s in kaart te brengen.
bureauonderzoek uitgevoerd (zie hoofdstukken 2 en 3). Dit bureauonderzoek heeft als doel een verwachtingsmodel op te stellen, dat vervolgens door het booronderzoek moet worden getoetst.
Het bureauonderzoek en het verkennend booronderzoek hebben tot doel de bodemkundige en aardkundige waarden binnen het onderzoeksgebied te inventariseren en te documenteren.
Vervolgens zijn ter hoogte van de onderzoekslocatie zes boringen gepland. Deze zijn afgebeeld in figuur 2 en 43. De boringen zijn gezet met edelmanboor en gutsboor. Er is telkens tot in de top van het Laagpakket van Wormer geboord, telkens ca. 3 meter onder maaiveld.
De doel van het verkennende onderzoek in de vorm van boringen is meer specifiek om vast te stellen of het bodemprofiel ter plaatse nog intact is en beantwoordt aan de verwachting. Daarnaast is het doel om vast te stellen of binnen de eventueel intacte stratigrafie van bodemlagen archeologische resten aanwezig (kunnen) zijn.
De resultaten van het booronderzoek zijn beschreven in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 zijn vervolgens de conclusies, van het onderzoek beschreven. Ook komen in dit hoofdstuk de waardestelling en het selectieadvies aan bod.
1.6 Vraagstelling en onderzoeksvragen De vraagstelling van het onderzoek is erop gericht om het verwachtingsmodel, zoals dat hierboven beschreven is, te toetsen.
In de bijlage 1 zijn de gegevens van omliggende archisdata in tabelvorm weergegeven. In bijlage 2 zijn de boorkolommen opgenomen.
Specifiek gelden de volgende onderzoeksvragen:
• Kan er op basis van de boringen een degelijk bodemprofiel worden opgemaakt? Hoe ziet het bodemprofiel eruit?
Ten behoeve van het archeologisch bureauonderzoek zijn door de Walcherse Archeologische Dienst de volgende bronnen geraadpleegd:
Welke verschillende stratigrafische verwachtingsniveaus zijn nog intact aanwezig en welke niet?
Adressen (al dan niet digitaal) - ARCHIS (onderzoeken, waarnemingen, geologische kaarten) - Geoweb gemeente Middelburg (topografie, kadastergegevens en luchtfoto’s) - Kaart Cultuurhistorie Zeeland (historische kaarten, luchtfoto’s) - Luchtfotografische documentatie 1974 (Erfgoed Zeeland) - Zeeuws Archief (historische kaarten, foto’s, bouwtekeningen, kadastrale minuut) - Zeeuws Archeologisch Archief - Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
• Zijn archeologische vondsten aangetroffen in de boorkernen of bij de terreininspectie? Zo ja, kunnen er uitspraken gedaan worden over de aard, datering en mate van conservering? • Kan er een uitspraak gedaan worden over de conservering van paleo-ecologische resten? • Zijn er op basis van de bevindingen uit het archeologische bureau- en booronderzoek vervolgstappen noodzakelijk? Zo ja welke stappen zijn dit en waarom zijn zij noodzakelijk? - Wat is de waardering (volgens de waarderingstabel KNA versie 4.1 VS06) van de vindplaatsen?
Oude kaarten - Visscher-Romankaart (1650) - Topografische Kaart van de Hattinga’s (1750) - Kadastrale Minuut 1832 - Kaart van Walcheren (Lampert 1852) - Kaart van Walcheren (Van Nieukerken en Kuiler 1875) - Bonnebladen (1926 en 1944)
- Welke vervolgstappen worden geadviseerd?
1.7 Werkwijze Voor het onderzoek heeft de WAD een Plan van Aanpak (Meijlink 2022 PvA MIDD_022_002) opgesteld, waarin de probleemstelling, het doel, de vraagstelling en de beoogde methode van het onderzoek is uitgeschreven.
Aardwetenschappelijke kaarten - Rijks Geologische Dienst (RGD). Geologische kaart van Nederland 1:50.000, Blad Walcheren, Haarlem: 1972, Tweede druk 1997. - RGD. Toelichtingen bij de Geologische kaart van
Ter beantwoording van de hierin opgenomen en hierboven vermelde vraagstelling is eerst een 8
Nederland 1:50.000, Blad Walcheren, Haarlem: 1972, Tweede druk 1997. Geomorfologische kaart Van nationaal Georegister versie 2008 geraadpleegd in Archis 3 - Bodemkaart (1984/1994) 2014 uit Archis 3 - Bennema, Ir. J. en Dr. Ir. K. van der Meer. De Bodemkartering van Nederland, deel XII, De Bodemkartering van Walcheren. Verslagen van landbouwkundige onderzoekingen no. 58.4, Stichting voor Bodemkartering, ‘s-Gravenhage: 1952.
Voornaamste literatuur: zie literatuurlijst achteraan.
Fig. 3 Het onderzoeksgebied groen omlijnd op een uitsnede van de Bodemkaart van Walcheren 1952 (Bennema en Van der Meer 1952)
9
2.
Geologie en bodem
In figuur 3 is de contour va het plangebied op de bodemkaart uit 1952 gemaakt door Bennema en Van der Meer geprojecteerd. Aan de westzijde van het plangebied loopt een smalle jongere kreekrug (MMr2). Groot deel van het plangebied beslaat lage, oude poelgrond, gemoerde grond (MOp11). In een driehoekje langs de noordzijde en aan de oostzijde ontbreekt de arcering die moernering aanduidt. HierAan de westrand van het plangebied zou men ter hoogte van de kreekafzettingn zou het onderliggende pakket Hollandveen dus nog intact kunnen zijn.
deze lager gelegen poelgebieden hebben gevestigd. Dat deden ze op de hoger gelegen kreekruggen die het Walcherse landschap doorkruisen. - Aan de westrand van het plangebied zouden in de top van de kreekafzettingen archeologische resten vanaf de middeleeuwen aanwezig kunnen zijn. De bodemkartering uit 1952 geeft een zo duidelijk beeld van de bodemopbouw ter plaatse dat de informatie van andere, latere geologische en bodemkundige kaarten nauwelijks van toegevoegde waarde zijn. Zij zijn ook op grotere schaal en navenant minder nauwkeurig. Hieronder geven we daarom enkel in het kort de classificatie per kaart weer.
De beschrijving uit 1952 van het bodemprofiel schept een duidelijk verwachtingsmodel voor het archeologisch onderzoek aan Het Zwin te Middelburg, zoals dat ook op pagina 5 is uitgeschreven en ook aan het eind van hoofdstuk 3.
Top Pleistoceen (bron Archis 3): tussen 10 en 5 m -NAP (oostelijk deel) en tussen 6 en 4 m -NAP (westelijk deel)
Hier nog eens in het kort:
Bodemkaart Nederland 2014 (bron Archis 3): Knippige poldervaaggronden; klei, profielverloop 3 (gMn83C)
- in het grootste deel van het plangebied, ter hoogte van de lager gelegen poelgronden bestaat een lage verwachting op archeologische resten uit de ijzertijd en de Romeinse tijd in de top van het onderliggend veen. Het veen is hier naar alle waarschijnlijkheid weg gegraven in de middeleeuwen. Daarnaast is de kans ook klein dat mensen zich vanaf de middeleeuwen in 04-07-2022 16:35
Geomorfologische kaart 2008 (bron Archis3): 2M71: Vlakte van plaatselijk gemoerde getij-afzettingen (2M72)
Geologische kaart (Van Rummelen 1972): AO.2 Afzettingen van Duinkerke II op Hollandveen op Afzettingen van Calais Zoeken en Vinden Selecteer Archeologische Objecten
Het Zwin 5-7 Middelburg Archis
04-07-2022 16:34:40
Archeologische objecten (selecteerbaar)
Zaakidentificatielabels vondstlocaties Archeologische vondstlocaties
Zaakidentificatielabels onderzoeksgebieden Archeologische onderzoeksgebieden
Fig. 4200Overzichtkaartje uit Archis 3 met onderzoeken en vondstmeldingen. Ons plangebied met donkerblauw omlijnd. m
10
https://rce.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=Zoeken_en_Vinden_Selecteer_Archeologische_Objecten&bookmark=1c5801b0-0895-4769-afc0-782f7dc0ba67&maponly=true
A WGP P-P
1/1
3 . O ver zicht bekende gegevens (bureauonderzoek) 3.1 Onderzoeksgeschiedenis Op de onderzoekslocatie zelf heeft Erfgoed Zeeland (toen PACZ) in 1998 een archeologisch booronderzoek uitgevoerd. In een raai zijn acht boringen gezet. Zij vertoonden bijna allemaal een rommelige bodemopbouw en weg gegraven veen. Alleen een boring ter hoogte van de flank van een kreekrug bevatte een intact veenpakket. Daarnaast heeft Erfgoed Zeeland in 2003 nog twaalf boringen gezet ter hoogte van de huidige brandweerkazerne. Hier bevatten drie boringen nog intact veen. Ook hier zal het om veen onder de flank van de kreekrug gaan. De documentatie van beide onderzoeken bevindt zich onder de projectnummers 6479 en 6480 in het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD).
Aan de overkant van de Stromenweg, langs het Stromenpad (plangebied Rittenburg III) heeft Artefact een bureau- en booronderzoek uitgevoerd. (zaaknummer 4805458100) Hierbij is in enkele boringen een intact veenpakket aangeboord. Op deze locaties heeft de WAD proefsleuven gegraven en in de top van het veen geen vindplaatsen aangesneden. (zaaknummer 5080939100) In de noordwesthoek van dit onderzoeksgebied staat de vondstmelding 2808768100 gedocumenteerd. Hier zou door J.C. de Man in 1888 een vliedberg zijn gekarteerd. De recente onderzoeken hebben dit niet kunnen bevestigen. Wel heeft het bureauonderzoek van Artefact ertoe geleid dat de vliedberg eerder in de noordoosthoek van het plangebied moet worden gezocht. In het plangebied er westelijk naast gelegen (Rittenburg I en II) heeft de WAD een bureau- en booronderzoek en een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. (zaaknummers 2368638100 en 2420063100) Ook hier is in enkele boringen intact veen aangeboord. In de proefsleuven is op deze plaatsen geen vindplaats aangesneden. Wel is in de afdekkende klei van het Laagpakket van Walcheren mogelijk het spoor van een vijver in het park van de voormalige buitenplaats Zeerust aangesneden.
3.2 Bekende archeologische waarden Archeologische verwachtings- en waardenkaart Walcheren en Archeologische beleidsadvieskaart Walcheren 2016 Deze kaarten zijn opgesteld op basis van ondermeer de gedetailleerde bodemkaart van Bennema en Van der Meer en geven een aanscherping van de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW). Verder zijn in deze kaarten alle bekende archeologische waarden uit onder andere Archis 3, en ook verwachtingsvolle informatie uit oude kaarten overgenomen.
Archeologische gegevens Archeologisch Archief (ZAA)
Figuur 5 toont een uitsnede van de Archeologische waarden- en verwachtingskaart Walcheren 2016. Het plangebied ligt in een gebied aangeduid als een zone met een hoge en middelhoge archeologische verwachting. Hier geldt dat bij bodemingrepen dieper dan 40 cm met een oppervlaktemaat groter dan 500 m² voorafgaand archeologisch onderzoek moet plaatsvinden.
uit
het
Zeeuws
Van het ZAD hebben we informatie gekregen rond de in 1998 en 2003 uitgevoerde booronderzoeken, zoals die hierboven zijn beschreven. (mails Jongepier d.d.31 mei 2022)
3.3 Bekende historische waarden Historische kaarten & luchtfoto’s
Archeologische gegevens uit Archis 3
Op basis van de projectie van de huidige topografie op de kaarten van Visscher-Roman (1680), de gebroeders Hattinga (1750), de kadastrale kaart 1832 (fig. 6) en onder meer het Bonneblad 1944 (fig. 7) weten we dat het plangebied in de voorbije eeuwen steeds akkerof weiland is geweest, grofweg van zuid naar noord doorsneden door de oude Vlissingse Watergang. (zie tabel op pag.15) Beide laatste kaarten zijn goed te georefereren en daarom met de contour van het plangebied afgebeeld.
Er zijn in de directe omgeving van het onderzoeksgebied verschillende vondstmeldingen bekend in Archis3 (de landelijke database van onderzoeken en vondstmeldingen). (zie figuur 4) Net ten westen van het plangebied heeft de WAD in 2010 en 2011 een bureauonderzoek, booronderzoek en een archeologische begeleiding van de aanleg van een fietspad en nieuwe sloot uitgevoerd. (zaaknummers 2296061100 en 2320799100) Er zijn hierbij geen archeologische vindplaatsen gevonden. 11
Fig. 5 Uitsnede van de Archeologische waarden- en verwachtingskaart Walcheren 2016 met het onderzoeksgebied rood omlijnd. Archeologische waarden: in groen voormalige buitenplaatsen; blauw gearceerde cirkel: archeologische vindplaatsen (op basis van vondstmelding Archis). Archeologische verwachtingswaarden: in beige gebied met middelhoge en in roze hog verwachtingswaarden op basis van bodemkaart Bennema en van der Meer 1952; grijs is onderzocht: geen verder onderzoek. Noorden is boven.
Fig. 6 Plangebied (lichtgroen op kadastrale minuut 1832 (bron Kaart Cultuurhistorie Zeeland).
12
Fig. 7 Het plangebied (lichtgroen) op het Bonneblad 1944. (Bron Kaart cultuurhistorie Zeeland)
Op de topografische kaart van 1949 blijkt de Watergang tegen die tijd niet meer zo gepronunceerd in het landschap aanwezig en is deze bij de naoorlogse verkaveling deels opgenomen in het slotensysteem.
een lage verwachting op archeologische resten uit de ijzertijd en de Romeinse tijd. Het oostelijk deel van het onderzoeksgebied is gelegen ter hoogte van een poelgebied met onderliggend veen. Daar waar de top van het onderliggend veen bewaard is, kunnen archeologische resten uit de ijzertijd en/ of de Romeinse tijd aanwezig zijn. Deze kans is niet groot, omdat de bodemkarteerders Bennema en Van der Meer op hun bodemkaart hier met een arcering hebben aangegeven dat het veen weg gegraven is (zogenaamde moernering). Alleen centraal en aan het oostelijke uiteinde van het onderzoeksgebied zou volgens hen nog intact veen over een klein oppervlak aanwezig zijn.
Op een luchtfoto uit 1959 is te zien dat er nog meer verkaveling heeft plaats gevonden. (geoweb Zeeland) De loop van de oude watergang is niet meer duidelijk aanwezig. Een afbeelding van een uitsnede van het AHN heeft weinig zien. Vandaag de dag ziet het er nogal uitgevlakt uit.