VERVALLEN 22-096 Bijlage 3. Ruimtelijke onderbouwing met bijlagen definitief
Tekst van het document
3.4 Verstoringen
- In het westelijke uiteinde van het onderzoeksgebied zijn volgens dezelfde bodemkaart uit 1952 afzettingen behorende bij een smalle kreekgeul te verwachten. De kans bestaat dat vanaf de middeleeuwen hier menselijke activiteit heeft plaatsgevonden, waarvan nog archeologische resten terug te vinden zijn. In de lager gelegen poelgronden is de kans hierop veel kleiner.
Buiten de door Bennema en Van der Meer waargenomen middeleeuwse moernering zijn uit het bureauonderzoek geen verstoringen gebleken.
3.5 Specifiek verwachtingsmodel Het bureauonderzoek resulteert in de opstelling van volgend verwachtingsmodel voor het plangebied:
- Dwars door het onderzoeksgebied heeft de oude Vlissingse Watergang gelopen. Deze is na de oorlog
- in de ondergrond van het onderzoeksgebied rust 13
Fig. 8 Het plangebied (lichtgroen) op de bodemkaart van Bennema en Van der Meer (1952) met de geplande boringen
Fig. 9 Het plangebied (lichtgroen) op de bodemkaart van Bennema en Van der Meer (1952) met de geplande boringen met hun coördinaten.
Fig. 10 Het onderzoeksgebied (lichtgroen) op de kadastrale kaart 1832. (Bron CHS Zeeland) Noorden is boven.
14
gedempt. Het grondspoor zal nog aanwezig zijn.
de bodemkaart op de locatie van de watergang of anders ter bevestiging van de moernering, boring 3 volgens de kadastrale minuut 1832 op de plaats van de watergang, boring 4 en 6 volgens de bodemkaart op de locatie van aanwezigheid van intact veen en boring 5 op de locatie van moernering.
- Op de geraadpleegde oude kaarten zijn binnen het onderzoeksgebied verder geen structuren of bouwwerken aangegeven. De verwachting op archeologie uit de Nieuwe tijd is daarom laag.
- de boringen zijn te zetten met een Edelmanboor, diameter 7 cm, tot een diepte van ca. 1 meter en vanaf daar door te zetten met de gutsboor, diameter 3 cm. In de regel worden de boringen doorgezet tot de onderkant van het pakket Hollandveen, tot in de top van het Laagpakket van Wormer.
3.6 Vraagstelling en onderzoeksmethode voor het booronderzoek De vraagstelling van het onderzoek is erop gericht om bovenstaand verwachtingsmodel te toetsen. Is in het oostelijk deel van het onderzoeksgebied het veen inderdaad gemoerneerd en op twee plekken nog intact? Is de top van de kreekafzettingen in het westen nog intact? En zijn er aanwijzingen dat archeologische resten uit zowel de ijzertijd, de Romeinse tijd, als uit de middeleeuwen aanwezig (kunnen) zijn? De specifieke onderzoeksvragen zijn in hoofdstuk 1 al opgeschreven en worden in hoofdstuk 5 herhaald en beantwoord.
- Wordt in een boring een intact veenpakket aangeboord, dan worden enkele boringen rond deze boring gezet om te controleren of hier sprake is van een zogenaamd ‘veendammetje’ tussen moerneringskuilen of van een zogenaamd veeneiland. Met de onderzoeken in Ellewoutsdijk in het achterhoofd kunnen deze veeneilanden heel goed ook locaties zijn, waar de middeleeuwer om de resten van Romeinse boerderijen is gestuit. Dit veen zal voor hem te vuil zijn geweest. (Sier 2003)
De onderzoeksmethode is als volgt uitgedacht: - op basis van de projectie van het plangebied op de bodemkaart uit 1952 en op de kadastrale minuut van 1832 zijn zes boringen gepland. Boring 1 ter hoogte van de kreekafzettingen, boring 2 volgens
Kaart/luchtfoto
Periode
Visscher-Roman Hattinga Kadasterkaart Bonneblad Topo kaart Luchtfoto Luchtfoto
1680 1750 1832 1944 1949 1959 heden
- Mocht sprake zijn van een veeneiland, dan hanteert de WAD de regel dat hier ook een proefsleuf wordt gegraven.
Indicator Opmerkingen nee nee nee nee nee nee nee
Naast oude Vlissingse Watergang verder niets Naast oude Vlissingse Watergang verder niets Naast oude Vlissingse Watergang velden met slootjes Naast oude Vlissingse Watergang velden met slootjes Na verkaveling watergang deels opgenomen in slootsysteem akker- en weidegrond
15
4.
Resultaten archeologisch veldonderzoek
4.1 Inleiding en methode op 0,95 m -NAP.
Om het verwachtingsmodel te toetsen zijn op de onderzoekslocatie zes grondboringen gepland. (Fig. 8, 9 en 10) Hierboven is de argumentatie achter de bepaling van de plaats waar we de boringen hebben gezet. In het veld zijn de boorlocaties met het GPS uitgezet. Alleen boring zes hebben we een meter naar het westen verschoven, omdat op de oorspronkelijk locatie ondoordringbaar puin aanwezig was.
In de boring 3 is boven het dunne laagje veen sprake van wat wij interpreteren als slootvulling. Het gaat om sterk siltige, sterk humeuze klei; rommelig en vuil. Hier kan de oude Vlissingse Watergang zijn aangeboord. In boring 4 lijken we een uitloop van de oever van deze watergang aangeboord te hebben. Bij de boringen 2, 5 en 6 is sprake van een pakket opgebrachte kleigrond. De top van het bodemprofiel in alle boringen bestaat uit recent opgebrachte zandige grond met ook veel puin en ander afval erin.
De boringen zijn alle aangezet tot een diepte van 0,90 - 1,00 m onder maaiveld met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. Daarna is overgegaan op de gutsboor met een diameter van 3 cm. De boringen zijn doorgezet tot in de afzettingen van het Laagpakket van Wormer of, als dit sediment was weg geslagen door latere kreekactivitiet, tot een diepte tussen 2,10 3,00 m onder maaiveld. (zie bijlage 1 boorstaten)
Alleen boring 1 heeft onder deze laatste opgebrachte zandige grond geen kleiige afzettingen maar zwak siltige zand afzettingen die behoren bij een voormalige kreek. Dit komt overeen met de bodemkaart uit 1952. (zie fig. 8 en 9).
Het veldteam bestond uit B. Silkens, B. Meijlink en J. Vogel. Beschrijver van de boorkernen is B. Silkens, hierin bijgestaan door B. Meijlink.
4.3 Vondstmateriaal
Elke boring is individueel uitgezet met GPS. Hiervoor maakt de WAD gebruik van een jaarlijks gekeurd GPS. Netwerk, onderhoud en keuring worden geleverd door het bedrijf LNR Globalcom.
Er zijn in de boringen geen vondsten gedaan.
4.2 Stratigrafie Het maaiveld ter hoogte van de boringen ligt tussen 0,58 en 0,279 m - NAP. Het bodemprofiel dat we op basis van de boringen kunnen reconstrueren is behoorlijk eenduidig. Zie ook de boorstaten in bijlage 1. Tussen 2,30 en 2,80 m -NAP is in de boringen 2 tot en met 6 de top van het Laagpakket van Wormer aan geboord, tussen 3,08 en 3,66 m -NAP. Hierboven lag in dezelfde boringen nog een restant met ca. 10 cm dikte van het oorspronkelijke pakket van Hollandveen. Alleen in boring 3 was nog een restant met een dikte van 18 cm over. Boven het restant Hollandveen bevond zich in de boringen 2 tot en met 6 de matig siltige kleiige opvulling van moerneringskuilen. De bovenkant van deze vullingen varieerde per boring aangezien latere ingrepen de top van het bodemprofiel danig hebben verstoord. In boring 2 ligt de bovengrens van de moerneringskuilvulling op 0,70 m -NAP, in boring 4 op 1,20 m -NAP, in boring 5 op 1,00 m -NAP en in boring 6 16
5. Conclusies, waardestelling en selectieadvies 5.1 Algemeen Zoals ook in het Plan van Aanpak (PvA) is gemeld heeft dit onderzoek plaats gevonden in het kader van het realiseren van tijdelijke huisvesting aan Het Zwin 5-7 te Middelburg. De ligging van het onderzoekgebied is weergegeven in de figuren 1 en 2.
Het doel van het booronderzoek was om dit verwachtingsmodel te toetsen ten behoeve van het advies voor eventuele vervolgstappen, zie hieronder paragraaf 5.4. De vraagstelling hierbij was te onderzoeken of het bodemprofiel correspondeert met de verwachting, namelijk in grote delen verstoord door moernering en op enkele plaatsen nog intact.
Vanwege de slappe ondergrond zal voor deze huisvesting toch een fundering aangebracht moeten worden. Volgens het Walchers archeologiebeleid en het bestemmingsplan moet deze ontwikkeling worden voorafgegaan door een verkennend archeologisch onderzoek. Dit rapport bevat de resultaten van het uitgevoerde bureauonderzoek en het verkennende booronderzoek (IVO-O boringen).
Teruggrijpend op het PvA heeft bij het booronderzoek een kleine wijziging plaats gevonden. Boring 6 is ongeveer een meter naar het westen verplaatst. Op de oorspronkelijke plek bevond zich ondoordringbaar puin.
Op basis van het bureauonderzoek is het volgende specifieke verwachtingsmodel opgesteld (zie paragraaf 3.5):
5.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen Om het doel van het onderzoek te bereiken en de vraagstelling te beantwoorden zijn de hieronder vermelde onderzoeksvragen in het PvA opgesteld. Zij kunnen als volgt beantwoord worden.
- in de ondergrond van het onderzoeksgebied rust een lage verwachting op archeologische resten uit de ijzertijd en de Romeinse tijd. Het oostelijk deel van het onderzoeksgebied is gelegen ter hoogte van een poelgebied met onderliggend veen. Daar waar de top van het onderliggend veen bewaard is, kunnen archeologische resten uit de ijzertijd en/ of de Romeinse tijd aanwezig zijn. Deze kans is niet groot, omdat de bodemkarteerders Bennema en Van der Meer op hun bodemkaart hier met een arcering hebben aangegeven dat het veen weg gegraven is (zogenaamde moernering). Alleen centraal en aan het oostelijke uiteinde van het onderzoeksgebied zou volgens hen nog intact veen over een klein oppervlak aanwezig zijn.
Specifiek gelden de volgende onderzoeksvragen:
Kan er op basis van de boringen een degelijk bodemprofiel worden opgemaakt? Hoe ziet het bodemprofiel eruit? Voor een gedetailleerde beschrijving zie hierboven pargraaf 4.2. In de boringen 2 tot en met 6 is een behoorlijk verstoord bodemprofiel te zien. In de boringen 2, 5 en 6 is sprake van opgevulde moerneringskuilen boven nog een dun restje Hollandveen. In boring 3 en 4 lijkt de oude Vlissingse Watergang aangeboord te zijn. In beide boringen rest ook nog maar een dunne laag veen.
- In het westelijke uiteinde van het onderzoeksgebied zijn volgens dezelfde bodemkaart uit 1952 afzettingen behorende bij een smalle kreekgeul te verwachten. De kans bestaat dat vanaf de middeleeuwen hier menselijke activiteit heeft plaatsgevonden, waarvan nog archeologische resten terug te vinden zijn. In de lager gelegen poelgronden is de kans hierop veel kleiner.
In boring 1 is sprake van zandige kreekafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. In alle boringen bestaat de bovenkant van het profiel uit opgebrachte grond.
- Dwars door het onderzoeksgebied heeft de oude Vlissingse Watergang gelopen. Deze is na de oorlog gedempt. Het grondspoor zal nog aanwezig zijn.
Welke verschillende stratigrafische verwachtingsniveaus zijn nog intact aanwezig en welke niet?
- Op de geraadpleegde oude kaarten zijn binnen het onderzoeksgebied verder geen structuren of bouwwerken aangegeven. De verwachting op archeologie uit de Nieuwe tijd is daarom laag.
Geen. De top van het Hollandveen is in alle boringen weg. In boring 1 lijkt de top van de kreekafzetting ook 17
geërodeerd. Onder de opgebrachte grond ontbreekt de oude bouwvoor.
middeleeuwen hier ook niet meer te verwachten zijn.. Om bovenstaande reden adviseren we geen vervolgstappen binnen het archeologisch onderzoeksproces en daarmee de geplande ontwikkeling van het terrein vrij te stellen van verder onderzoek.
• Zijn archeologische vondsten aangetroffen in de boorkernen of bij de terreininspectie? Zo ja, kunnen er uitspraken gedaan worden over de aard, datering en mate van conservering? Er zijn geen archeologische vondsten van belang gedaan.
Daarnaast luidt ons advies om de dubbelbestemming Waarde Archeologie binnen het plangebied te laten vervallen.
• Kan er een uitspraak gedaan worden over de conservering van paleo-ecologische resten? De beide bodemniveaus van archeologisch belang, de top van het Hollandveen en de top van de kreekafzettingen, zijn verdwenen, daarmee ook de eventuele paleo-ecologische resten.
5.3 Waardestelling & selectieadvies Wat is de waardering (volgens de waarderingstabel KNA versie 4.1 VS06) van de vindplaatsen? Waardestelling is niet van toepassing omdat er geen vindplaatsen zijn aangeboord.
- Welke vervolgstappen worden geadviseerd? Er worden geen vervolgstappen binnen het onderzoeksproces geadviseerd. Het onderzoek maakt duidelijk dat de kans heel klein is dat er nog archeologische vindplaatsen in goede staat in de ondergrond aanwezig zijn. Daarnaast luidt het advies om ter hoogte van het plangebied de dubbelbestemming Waarde Archeologie te laten vervallen.
5.4 Conclusies en aanbevelingen Het bureauonderzoek en het booronderzoek hebben aangetoond dat ter hoogte van het plangebied de kans op het aanwezig zijn van archeologische vindplaatsen erg klein is. In het overgrote deel van het plangebied is door moernering het onderliggende veenpakket bijna volledig weg gegraven. Daarnaast is er ook de oude Vlissingse watergang door het veenpakket gegraven. Met het verdwijnen van de top van het Hollandveen zijn ook eventuele resten uit de ijzertijd en/of Romeinse tijd verdwenen. In het westen van het plangebied sprake van zandige kreekafzetting. Hiervan lijkt de top ook geërodeerd, waardoor de kans op archeologische resten vanaf de 18
Lijst afbeeldingen en tabellen Fig. 1 Het plangebied op de topografische kaart en de luchfoto. Fig. 2 Het onderzoeksgebied op de topografische kaart GBKN. Fig. 3 Het onderzoeksgebied groen omlijnd op een uitsnede van de Bodemkaart van Walcheren 1952 (Bennema en Van der Meer 1952) Fig. 4 Overzichtkaartje uit Archis 3 met onderzoeken en vondstmeldingen. Fig. 5 Uitsnede van de Archeologische waarden- en verwachtingskaart Walcheren 2016 Fig. 6 Plangebied op kadastrale minuut 1832 (bron Kaart Cultuurhistorie Zeeland). Fig. 7 Het plangebied op het Bonneblad 1944. (Bron Kaart cultuurhistorie Zeeland Fig. 8 Het plangebied op de bodemkaart van Bennema en Van der Meer (1952) met de geplande boringen Fig. 9 Het plangebied op de bodemkaart van Bennema en Van der Meer (1952) met de geplande boringen met hun coördinaten. Fig. 10 Het onderzoeksgebied op de kadastrale kaart 1832. (Bron CHS Zeeland)
19
Literatuur Bennema J. & K. Van der Meer, 1952, De Bodemkartering van Nederland. Deel 12, De bodemkartering van Walcheren, Verslagen van landbouwkundige onderzoekingen No. 58.4, Stichting voor Bodemkartering/ Ministerie voor Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening, ‘s-Gravenhage Meijlink, B. 2022 Plan van Aanpak PvA MIDD_022_002, versie 17-05-2022 Provinciaal Blad van Zeeland, nr. 8080, 2019. Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland van 10 december 2019, kenmerk 19434306, houdende vaststelling regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019 Rummelen, F.F.F.E. van, 1972: Toelichtingen bij de geologische kaart van Nederland, 1: 50.000, blad Walcheren. Rijks Geologische Dienst. Haarlem, 120 Sier, M. 2003, Ellewoutsdijk in de Romeinse tijd, ADC Rapport 200, Amersfoort Vos, P., 2015, Origin of the Dutch Coastal Landscape, Deltares Utrecht Vos, P. & R.M. Van Heeringen 1997: Holocene geology and occupation history of the Province of Zeeland. In: Fischer, M.M. 1997: Holocene evolution of Zeeland (SW Netherlands), Haarlem (Mededelingen NITG-TNO, 59)
20
BIJLAGEN
21
Bijlage 1 Boorstaten
Rapportage Archeologisch Booronderzoek
Project: Het Zwin 5-7 Middelburg MIDD_022_002 Plaats: Middelburg Gemeente: Middelburg Opdrachtgever:
Gemeente Middelburg
Kaartblad: OM-nummer: Bepaling Locatie: Bepaling Maaiveldhoogte:
65D 5262687100 Dgps Dgps
Verklaring boorschema Zand Klei Veen Bijmengsel 2 Bijmengsel 1 Grondsoort
Silt Humus Grind
Boring: 1
Project:
Datum: 25-5-2022 Maaiveld: braak
Beschrijver: B. Silkens
Het Zwin 5-7 Middelburg X: 30711.00
Y: 389535.00
Z: -0.73
Lithologie: Bodem: Opmerking: Ondergrens:
Zand, matig siltig Matig humeus Matig stevig Donker Bruin-Grijs Opgebrachte grond Recent, verstoord 80 -mv NAP: -1.53 Aard ondergr.: Scherp
Boortype: Edelman 7
Lithologie: Opmerking: Ondergrens:
Zand, zwak siltig Matig slap Geel-Grijs Recent, verstoord 95 -mv NAP: -1.68 Aard ondergr.:
Geleidelijk
Boortype: Edelman 7
Lithologie: Opmerking: Ondergrens:
Klei, matig siltig Stevig Grijs Recent, verstoord 100 -mv NAP: -1.73
Geleidelijk
Boortype: Edelman 7
Aard ondergr.:
Lithologie: Zand, zwak siltig Matig slap Licht Grijs Kalkrijk Bodem: Volledig gereduceerd Opmerking: Kreek Lithostratigrafie: Laagpakket van Walcheren Lithogenese: Kreekrugafzettingen Ondergrens: 130 -mv NAP: -2.03 Aard ondergr.: Geleidelijk Boortype: Edelman 7 Lithologie: Zand, zwak siltig Slap Grijs Kalkrijk Bodem: Volledig gereduceerd Opmerking: Kreek Lithostratigrafie: Laagpakket van Walcheren Lithogenese: Ondergrens: 210 -mv NAP: -2.83
Kreekrugafzettingen Boortype: Edelman 7
Boring: 2
Project:
Datum: 25-5-2022 Maaiveld: braak
Beschrijver: B. Silkens
Het Zwin 5-7 Middelburg X: 30746.00
Y: 389539.00
Z: -0.58
Lithologie: Bodem: Opmerking: Ondergrens:
Zand, matig siltig Matig humeus Matig slap Donker Bruin-Grijs Opgebrachte grond Recent, verstoord 50 -mv NAP: -1.08 Aard ondergr.: Scherp
Boortype: Edelman 7
Lithologie: Bodem: Opmerking: Ondergrens:
Zand, matig siltig Matig humeus Matig slap Donker Bruin-Grijs Opgebrachte grond Recent, verstoord 50 -mv NAP: -1.08 Aard ondergr.: Scherp
Boortype: Edelman 7
Lithologie: Bodem: Opmerking: Ondergrens:
Zand, matig siltig Matig humeus Matig slap Donker Bruin-Grijs Opgebrachte grond Recent, verstoord 50 -mv NAP: -1.08 Aard ondergr.: Scherp
Boortype: Edelman 7
Lithologie: Bodem: Opmerking: Ondergrens:
Zand, matig siltig Matig humeus Matig slap Donker Bruin-Grijs Opgebrachte grond Recent, verstoord 50 -mv NAP: -1.08 Aard ondergr.: Scherp
Boortype: Edelman 7
Lithologie: Bodem: Opmerking: Ondergrens:
Klei, matig zandig Matig humeus Stevig Donker Bruin Bouwvoor Oudere bouwvoor? 70 -mv NAP: -1.28 Aard ondergr.: Scherp
Boortype: Edelman 7
Lithologie: Bodem: Archeologie: Opmerking: Ondergrens:
Klei, matig siltig Matig slap Grijs-Bruin Kalkrijk Vulling veenextractiekuil Volledig gereduceerd Moernering rommelige samenstelling, moernering 240 -mv NAP: -2.98 Aard ondergr.: Scherp
Boortype: Steekguts 3
Lithologie: Veen, zwak zandig Normaal Bruin Lithostratigrafie: Hollandveen Laagpakket Ondergrens: 250 -mv NAP: -3.08 Aard ondergr.: Lithologie: Klei, sterk siltig Blauw-Grijs Lithostratigrafie: Laagpakket van Wormer Ondergrens: 280 -mv NAP: -3.38
Scherp
Boortype: Steekguts 3
Boortype: Steekguts 3
Boring: 3
Project:
Datum: 25-5-2022 Maaiveld: braak
Beschrijver: B. Silkens
Het Zwin 5-7 Middelburg X: 30760.00
Y: 389518.00
Z: -0.77
Lithologie: Ondergrens:
Zand, matig siltig 50 -mv NAP: -1.27
Lithologie: Bodem: Opmerking: Ondergrens:
Klei, sterk siltig Sterk humeus Donker Grijs Kalkarm Slootvulling , humeuze band op 115, rommelig, brokken steviger klei afwisseling 240 -mv NAP: -3.17 Aard ondergr.: Scherp Boortype: Steekguts 3
Lithologie: Veen, zwak zandig Bruin Lithostratigrafie: Hollandveen Laagpakket Ondergrens: 258 -mv NAP: -3.35
Aard ondergr.:
Aard ondergr.:
Scherp
Scherp
Lithologie: Klei, uiterst siltig Zeer slap Blauw-Grijs Opmerking: Spoelt uit boring Lithostratigrafie: Laagpakket van Wormer Ondergrens: 300 -mv NAP: -3.77
Boring: 4
Project:
Datum: 25-5-2022 Maaiveld: braak
Beschrijver: B. Silkens
Boortype: Edelman 7
Boortype: Steekguts 3
Boortype: Steekguts 3
Het Zwin 5-7 Middelburg X: 30795.00
Y: 389522.00
Z: -0.94
Lithologie: Bodem: Opmerking: Ondergrens:
Zand, matig siltig Matig humeus Matig slap Donker Bruin-Grijs Opgebrachte grond Recent, verstoord 50 -mv NAP: -1.44 Aard ondergr.: Scherp
Boortype: Edelman 7
Lithologie: Bodem: Archeologie: Opmerking: Ondergrens:
Klei, matig zandig Matig stevig Bruin-Grijs Gevlekt-gevlekt Slootvulling HK, bst spikkels Vuil, verrommeld, bst spikkels 120 -mv NAP: -2.14 Aard ondergr.: Scherp
Boortype: Edelman 7
Lithologie: Bodem: Archeologie: Ondergrens:
Klei, matig zandig Stevig Grijs-Bruin Vulling veenextractiekuil Moernering 220 -mv NAP: -3.14 Aard ondergr.:
Scherp
Boortype: Steekguts 3
Lithologie: Veen, zwak zandig Normaal Bruin Lithostratigrafie: Hollandveen Laagpakket Ondergrens: 230 -mv NAP: -3.24 Aard ondergr.:
Scherp
Boortype: Steekguts 3
Lithologie: Klei, sterk siltig Slap Blauw-Grijs Lithostratigrafie: Laagpakket van Wormer Ondergrens: 287 -mv NAP: -3.81
Boortype: Steekguts 3
Boring: 5
Project:
Datum: 25-5-2022 Maaiveld: braak
Beschrijver: B. Silkens
Het Zwin 5-7 Middelburg X: 30811.00
Y: 389500.00
Z: -0.86
Lithologie: Bodem: Opmerking: Ondergrens:
Zand, matig siltig Matig humeus Matig slap Donker Bruin-Grijs Opgebrachte grond Recent, verstoord 50 -mv NAP: -1.36 Aard ondergr.: Scherp
Lithologie: Archeologie: Opmerking: Ondergrens:
Klei, matig zandig Matig humeus Matig stevig Bruin-Grijs Gevlekt-gevlekt HK, bst spikkels Vuil, verrommeld, bst spikkels 100 -mv NAP: -1.86 Aard ondergr.: Scherp Boortype: Edelman 7
Lithologie: Bodem: Archeologie: Ondergrens:
Klei, matig siltig Stevig Bruin Vulling veenextractiekuil Moernering 270 -mv NAP: -3.56
Boortype: Edelman 7
Aard ondergr.:
Scherp
Boortype: Edelman 7
Lithologie: Veen, zwak zandig Normaal Bruin Lithostratigrafie: Hollandveen Laagpakket Ondergrens: 280 -mv NAP: -3.66 Aard ondergr.:
Scherp
Boortype: Steekguts 3
Lithologie: Klei, sterk siltig Blauw-Grijs Lithostratigrafie: Laagpakket van Wormer Ondergrens: 290 -mv NAP: -3.76
Boring: 6
Project:
Datum: 25-5-2022 Maaiveld: braak
Beschrijver: B. Silkens
Boortype: Steekguts 3
Het Zwin 5-7 Middelburg X: 30846.00
Y: 389490.00
Z: -0.59
Lithologie: Bodem: Opmerking: Ondergrens:
Zand, matig siltig Matig slap Bruin-Grijs Opgebrachte grond "Recent, verstoord 10 -mv NAP: -0.69 Aard ondergr.:
Scherp
Boortype: Edelman 7
Lithologie: Bodem: Ondergrens:
Zand, zwak siltig Los Geel Opgebrachte grond 35 -mv NAP: -0.94
Aard ondergr.:
Scherp
Boortype: Edelman 7
Lithologie: Bodem: Archeologie: Opmerking: Ondergrens:
Klei, matig zandig Matig stevig Bruin Opgebrachte grond Bst brok Recente brol 75 -mv NAP: -1.34 Aard ondergr.:
Scherp
Boortype: Edelman 7
Lithologie: Ondergrens:
Klei, zwak zandig Stevig Bruin 95 -mv NAP: -1.54 Aard ondergr.:
Scherp
Boortype: Edelman 7
Lithologie: Archeologie: Ondergrens:
Klei, matig siltig Matig stevig Licht Grijs-Bruin Moernering 250 -mv NAP: -3.09 Aard ondergr.:
Scherp
Boortype: Steekguts 3
Lithologie: Veen, zwak zandig Normaal Bruin Lithostratigrafie: Hollandveen Laagpakket Ondergrens: 260 -mv NAP: -3.19 Aard ondergr.:
Scherp
Boortype: Steekguts 3
Lithologie: Klei, sterk siltig Blauw-Grijs Lithostratigrafie: Laagpakket van Wormer Ondergrens: 290 -mv NAP: -3.49
Boortype: Steekguts 3
Bijlage 2. Afkortingenlijst AFKORTINGENLIJST
Algemeen Vondstmateriaal/inclusies aav aanleg vlak aw aardewerk mn mangaan afw afwerking bot bot fo fosfaat inh inhoud bst baksteen sch schelp sp spoor bw bouwmateriaal slk slak verz verzamelwijze hk houtskool vst vuursteen vnr vondstnummer ker keramiek Fe ijzer vul vulling ma monster algemeen Ca kalk wp werkput met metaal plt plantenresten mv maaiveld nst natuursteen Sporen Vorm Lithologie/Textuur bv bouwvoor lin lineair k klei gr greppel onr onregelmatig s silt kl kuil o ovaal z zand lg laag rh rechthoekig V veen pg paalgat vk vierkant pgk paalgatkuil pk paalkuil s scherp 1-4 licht-sterk rec recent g geleidelijk Kleur bl blauw gro groen l licht br bruin ro rood d donker ge geel wi wit gr grijs zw zwart or oranje Bodemhorizont XXX onbekend BASV Basisveen BV bouwvoor HOLV Hollandveen HOLVAAR Veraard Hollandveen KREEK kreekvulling
MOER PLEI REC WALC WORM
gemoerneerd Pleistoceen dekzand Recente verstoring Laagpakket van Walcheren Laagpakket van Wormer
Aardewerk bg blauwgrijs aardewerk (Elmpt, Paffrath en aanverwante baksels) g grijsbakkend aardewerk kp kogelpot aardewerk pi Pingsdorf aardewerk r roodbakkend aardewerk s steengoed wm Witbakkend Maaslands aardewerk
23
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Ontwikkeling locatie t Zwin voor “tijdelijke” huisvesting INHOUD A. B. C. D. E. F G.
blz.
ORGANISATORISCHE EN ALGEMENE GEGEVENS ....................................................... 2 WETTELIJK KADER WET GELUIDHINDER ....................................................................... 2 RUIMTELIJKE- EN FYSIEKE GEGEVENS ........................................................................... 2 VERKEERSGEGEVENS ......................................................................................................... 3 TOEGEPASTE METHODE ...................................................................................................... 3 REKENRESULTATEN ............................................................................................................ 3 CONCLUSIE .............................................................................................................................. 4
Bijlagen: 1. Situatie tekeningen met geluidsbelasting
1
Afdeling Leefomgeving
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Ontwikkeling locatie t Zwin voor “tijdelijke” huisvesting A. ORGANISATORISCHE EN ALGEMENE GEGEVENS Opdrachtgever : Burgemeester en wethouders van Middelburg. Uitvoerende instantie : Afdeling leefomgeving. Opsteller : J. Minderhoud. Datum : 26 april 2022. Aanleiding en doel. Onderzoek voor “tijdelijke” woonunits op “T ZWIN voor vestiging migranten is de geluidbelasting op de geprojecteerde woningbouw, veroorzaakt door het wegverkeer, bepaald. B. WETTELIJK KADER WET GELUIDHINDER De geprojecteerde woonunits liggen binnen ligt binnen de zone van de binnenstedelijke weg de Stromenweg en de buitenstedelijke weg de Nieuwe Vlissingseweg. Als het tijdelijk nieuwe woningen betreft hoeft niet getoetst worden aan de Wet geluidhinder en gelden er volgens het bouwbesluit geluidsnormen voor het geluidsniveau in de woningen die 10 dB ruimer zijn dan voor permanente woningen. Als het niet om tijdelijke woningen gaat, zijn deze binnen de zone op grond van de Wgh in principe alleen mogelijk indien doormiddel van een akoestisch onderzoek is aangetoond dat de geluidsbelasting niet hoger is of zal worden dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Bij overschrijding van deze norm moeten er zodanige geluidsreducerende maatregelen worden getroffen dat wel aan de 48 dB kan worden voldaan.
In geval er niet aan de gestelde voorkeursgrenswaarde van 48 dB kan worden voldaan is het op grond van artikel 83 Wgh mogelijk voor de woonunits een hogere waarde te verlenen tot maximaal 63 dB(A) geluid van de Stromenweg en 53 dB voor geluid van de Nieuwe Vlissingseweg. De gemeente heeft hogere waarde beleid vastgesteld. Op basis van dit beleid is voor een inbreidingslocatie eveneens een hogere grenswaarde mogelijk tot maximaal 63 dB. Echter indien de er een hogere grenswaarde nodig is van meer dan 53 dB dient een van de gevels geluidsluw te zijn. C. RUIMTELIJKE- EN FYSIEKE GEGEVENS De situatie tekening geeft een beeld van de ligging van de weg, woningen en overige relevante gebouwen binnen het onderzoeksgebied
2
Afdeling Leefomgeving
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Ontwikkeling locatie t Zwin voor “tijdelijke” huisvesting D. VERKEERSGEGEVENS Als maatgevend jaar is voor dit onderzoek uitgegaan van het jaar 2030. De in het onderzoek gehanteerde verkeersintensiteiten voor de Stromenweg en de Grevelingenstraat zijn afkomstig van het door gemeenteraad vastgestelde verkeersmodel 2030 . Tabel 1: Overzicht gehanteerde verkeersgegevens jaargemiddelde Stromenweg
mtv/etmaal 4945
Nieuwe Vlissingseweg 11538/14938
voertuigcategorieën
etmaalperioden
% licht % middelzwaar % zwaar % daguur % avonduur % nacht km/h wegdek 96 1,9 2,1 6,7 3,1 0,9 50 referentiewegdek 96 1,9 2,1 6,7 3,1 0,9 80 referentiewegdek
E. TOEGEPASTE METHODE Het onderzoek is verricht conform het besluit "Reken en Meetvoorschriften Verkeerslawaai 2012 zoals het artikel 102 lid 1 en 2 van de Wet geluidhinder aangeeft. Voor de berekeningen is de "Standaard Rekenmethode 2" gehanteerd. Verder is bij de berekening uitgegaan van: • het jaar 2032 als maatgevend prognosejaar (verkeersonderzoek van Goudappel-Coffeng voor 2030 geïndexeerd met 1,5% geïndexeerd naar 2032); • 5 dB(A) aftrek bij 50 km wegen conform art. 110g Wgh; • verschillende maatgevende waarneemhoogten op alle bouwlagen berekend afhankelijk het type bouw; • de gemeente Middelburg heeft in verband met hogere kosten en snelle slijtage van geluidarmasfalt besloten geen geluidsarmfalt meer toe te passen. • de maximum snelheid op de gehele Stromenweg 50 km/h bedraagt en de maximum snelheid op de Nieuwe Vlissingseweg bedraagt 80 km/h.
F.
REKENRESULTATEN
Uit de berekening blijkt het volgende. Uitgaande van tijdelijk. In geval van tijdelijkheid is de Wgh wat betreft hogere waarde niet van toepassing en moet alleen getoetst worden of aan de 10 dB spoelere norm van het Bouwbesluit kan worden voldaan door het cumulatieve geluid van alle wegen. Standaard geldt een geluidsniveau van 33 dB in de woning en voor een tijdelijke woningen bedraagt deze 43 dB. Zoals uit de bijlage blijkt wordt de gevel langs de Stromenweg, die het meest nabij de Nieuwe Vlissingseweg ligt, het zwaarst belast en bedraagt 60 dB. De minimale geluidsisolatie van de gevel bedraagt volgens het Bouwbesluit 20 dB. Als de gevelisolatie van de units voldoen aan de gestelde eisen in het Bouwbesluit bedraagt het geluidsniveau in de units
3
Afdeling Leefomgeving
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Ontwikkeling locatie t Zwin voor “tijdelijke” huisvesting maximaal 40 dB. Er wordt aan de gestelde eisen voldaan. Wel wordt geadviseerd om te onderzoeken of de geluidsisolatiewaarde gevels van de units aan de gestelde eisen van het Bouwbesluit voldoen. Geen tijdelijk karakter. Indien voornemens is om de woonunits permanent te plaatsen, dan moet getoetst worden of aan de voorkeursgrenswaarde van de Wgh kan worden voldaan voor beide afzonderlijke wegen, na aftrek. Het beoordelingsniveau voldoet afkomstig van de Nieuwe Vlissingseweg voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het beoordelingsniveau voldoet afkomstig van de Stromenweg voldoet niet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het beoordelingsniveau op de naar de Stromenweg gerichte gevel bedraagt maximaal 54 dB en op de zijgevels maximaal 51 dB. De achterzijde is geluidluw. Omdat maatregelen aan de weg financieel niet haalbaar zijn en de gemeente heeft besloten geen geluidarmasfalt toe te passen, omdat deze snel slijten en maatregelen in het overdrachtsgebied niet haalbaar zijn is een hogere grenswaarde van maximaal 54 dB nodig. Tevens kan met standaard gevelisolatie van 20 dB niet aan de gestelde binnenniveau geluidnormen van 33 dB worden voldaan. Hiertoe dient de isolatie van de voorgevel 27 dB en van de 24 voor de zijgevels te bedragen, mits daar verblijfsruimten aan grenzen.
4
Afdeling Leefomgeving
BIJLAGE Berekeningen
Dienst Ruimte Postbus 6000 4330 LA MIDDELBURG Telefoon (0118)67 52 00 www.middelburg.nl
afdeling leefomgeving J. Minderhoud Telefoon (0118)67 52 44 e-mail: j.minderhoud@middelburg.nl
Dienst Ruimte
Afdeling Ruimtelijk beleid
GEMEENTE MIDDELBURG
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r-beoordeling ‘Het Zwin, te Middelburg’
1
gemeente titel
Project Status Datum
Middelburg Aanmeldnotitie vorm vrije m.e.r.- beoordeling voor het realiseren van 52 tijdelijke woonunits ‘Het Zwin’ VH4040 C0-01 2022
AANMELDNOTITIE VORMVRIJE M.E.R-BEOORDELING
INHOUD 1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Achtergrond 1.3 Waarom een vormvrije m.e.r-beoordeling? 1.4 Doel van een vormvrije m.e.r-beoordeling 1.5 Criteria voor het toetsen van activiteiten in een vormvrij m.e.r.-beoordeling
1 1 1 1 2 3
2.
BESCHRIJVING INITIATIEF, PROJECTGEBIED 2.1 Uitgangspunten 2.2 Projectbeschrijving 2.3 Gevoelige gebieden
4 4 4 4
3.
POTENTIËLE EFFECTEN 3.1 Beoordeling
5 5
4.
CONCLUSIE
9
0
1.
INLEIDING
1.1
Aanleiding Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Door het bevoegde gezag van de gemeente Middelburg dient een afzonderlijk besluit genomen te worden of een vormvrije m.e.r.-beoordeling volstaat. In voorliggende aanmeldnotitie wordt gemotiveerd dat geen sprake is van aanzienlijke c.q. significante milieugevolgen, waardoor een vormvrije m.e.r.- beoordeling volstaat.
1.2
Achtergrond Voor de gronden van het projectgebied vigeert het bestemmingsplan “Stromenwijk”. Ofschoon deze gronden reeds mede voor onzelfstandige woondoeleinden kunnen worden aangewend, staat de huidige bestemming (‘Gemengd - 2’) het realiseren van de beoogde 52 tijdelijke woon units voor spoedzoekers en statushouders niet bij recht toe. Initiatiefnemer heeft in nauw overleg met de gemeente voor deze locatie een plan voorbereid en uitgewerkt teneinde de realisatie van 52 tijdelijke woonunits, op een braakliggend perceel aan Het Zwin mogelijk te maken. Doordat de functie niet in het vigerende bestemmingsplan past en een termijn van meer dan 10 jaar beslaat, is een uitgebreide Wabo-procedure nodig waarmee wordt afgeweken van het bestemmingsplan. In figuur 1 is het plangebied, alsmede de begrenzing daarvan weergegeven.
Figuur 1: Luchtfoto plangebied, rechthoek betreft planlocatie 1.3
Waarom een vormvrije m.e.r-beoordeling? Afhankelijk van de type en omvang van de ontwikkeling en het voortraject dient een m.e.r.- procedure, een m.e.r.-beoordelingsprocedure of een vormvrije m.e.r.-beoordelingsprocedure 1
uitgevoerd te worden. De type en omvang van een ontwikkeling, die relevant zijn in het kader van het Besluit m.e.r., staan beschreven in bijlage C en D, onder de kolom 'drempelwaarde' (zie onderstaande figuur).
Figuur 2 Bijlage C en D in het kader van Besluit m.e.r.
Voor de voorgenomen ontwikkeling, die door het doorlopen van een uitgebreide voorbereidingsprocedure wordt mogelijk gemaakt, wordt voorzien van een actueel planologisch-juridisch kader en wordt gemotiveerd of sprake is van negatieve effecten op het milieu. De gronden zijn onbebouwd. De totale oppervlakte van te plaatsen woonunits, inclusief twee fietsenbergen bedraagt het te ontwikkelen terrein bedraagt ongeveer 1.525 m². In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r., er is derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. Op basis van onderdeel D 11.2 dient de ontwikkeling te worden getoetst aan de navolgende bepaling: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Indien de volgende drempelwaarden worden overschreden is sprake van een m.e.r.- beoordelingsplichtig plan: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De voorgenomen ontwikkeling kan formeel niet worden aangemerkt als een ontwikkeling die in der categorie D 11.2 valt, daar het tijdelijke woonunits en daarmee geen reguliere woningbouw betreft. Verder blijft de ontwikkeling ruimschoots onder de drempelwaarde van genoemde categorie.
Onverlet vorenstaande, wenst het bevoegde gezag vanuit het oogpunt van zorgvuldige bestuurlijke afweging en goede ruimtelijke ordening, alsnog een informele m.e.r.-beoordeling uit te voeren. 1.4
Doel van een vormvrije m.e.r-beoordeling Het doel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is om te analyseren in hoeverre sprake is van mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen. Als uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat sprake is van mogelijke belangrijke c.q. significante nadelige milieugevolgen, kan het bevoegd gezag besluiten een m.e.r.-procedure op te starten. Als de milieugevolgen beperkt zijn of hier in het plan goed mee om kan worden gegaan, volstaat deze vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie. 2
De vormvrije m.e.r.- beoordeling is dan afgerond en vormt dan een bijlage bij het ruimtelijk besluit (in dit geval het bestemmingsplan). 1.5
Criteria voor het toetsen van activiteiten in een vormvrij m.e.r.-beoordeling Er bestaan bepaalde inhoudelijke vereisten voor het toetsen of sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.. In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet aandacht worden besteed aan de volgende criteria: 1. Een beschrijving van de kenmerken van het plan. Hierbij wordt ingegaan op de aard en omvang van het plan en eventuele veranderingen die, al dan niet in cumulatie met andere projecten, kunnen optreden in bijvoorbeeld de uitstoot van stoffen, geluidproductie, verkeersgeneratie, risico op ongevallen, etc.. 2. Een beschrijving van de plaats van het plan. In het plangebied en daarbuiten kunnen gebieden voorkomen die gevoelig zijn voor bepaalde verstoringen. Te denken valt hierbij aan kwetsbare natuurgebieden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, gebieden met bijzondere landschappelijke en cultuurhistorische waarden, etc.. In een vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt aandacht besteed aan relevante gevoelige gebieden en locaties in de omgeving van het plan. 3. Kenmerken van het potentiële effect. Door de mogelijke verstoringen van het plan in samenhang met de gevoelige gebieden en locaties in de omgeving van het plan te beschouwen zijn de potentiële effecten van het plan te bepalen. Daarbij wordt, waar mogelijk, o.a.
ingegaan op het bereik van het effect, de orde van grootte en de complexiteit van het effect, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect, etc..
3
2.
BESCHRIJVING INITIATIEF, PROJECTGEBIED
2.1
Uitgangspunten Voor een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan geldt het volgende uitgangspunt: • een actueel juridisch planologisch kader creëren conform de Wet ruimtelijke ordening in lijn met het actuele rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.
2.2
Projectbeschrijving Met onderhavig plan worden 52 tijdelijke woonunits verdeeld met 2 en 3 kamers, verdeeld over 5 bouwdelen op het terrein geplaatst. Concreet bestaat het programma uit huisvesten van 28 statushouders en 24 spoedzoekers. De ontwikkeling past qua gebruik niet binnen het geldende bestemmingsplan. Er is verder in het vigerende plan geen mogelijkheid tot wijziging van de huidige bestemmingen naar het beoogde bouwplan. Het parkeren geschiedt op het direct aangrenzende openbare parkeerterrein. De ontsluiting wijzigt verder niet; via Het Zwin en de Stromenweg en de Nieuw Vlissingseweg wordt de locatie ontsloten. Ook voor langzaam verkeer en met het openbaar vervoer is de locatie goed te bereiken; aan de zijde van de Stromenweg bevindt zich een bushalte en op korte afstand van de projectlocatie zijn fiets- en voetpaden aanwezig. Het gebied waar de ontwikkeling is geprojecteerd is gelegen aan de zuidkant van de gemeente Middelburg en gesitueerd aan Het Zwin. In groter verband bezien ligt de locatie op de scheidslijn tussen enerzijds het bestaande stedelijke en anderzijds landelijke gebied van de gemeente Middelburg. De locatie vormt daarmee de begrenzing van het stedelijke gebied.
In de directe omgeving van de projectlocatie is sprake van een mix van functies, zoals wonen, een sportschool, moskee en brandweerkazarne en kan daarmee als een gemengd gebied worden gekwalificeerd.
2.3
Gevoelige gebieden Onder gevoelige gebieden (zoals genoemd in bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.) vallen Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Brabant (NNB), Nationale landschappen, nationale parken en beschermde monumenten. Natura 2000-gebied/beschermde natuurmonumenten In het plangebied zijn geen Natura 2000-gebieden aanwezig. Het dichtstbijzijnde wettelijke beschermde Natura 2000 gebieden ligt op minimaal 4 kilometer van het projectgebied. Het betreft het Natura 2000-gebied ‘Westerschelde & Seaftinghe’. Gezien de afstand en de aard van de ingrepen wordt geen directe aantasting van Natura 2000-gebieden verwacht. Indirecte effecten door stikstofemissie zijn mogelijk wel aan de orde. Natuurnetwerk Zeeland Het projectgebied ligt buiten de begrenzing NNZ. Gelet op de afstand tot de NNZ-gebieden zijn negatieve effecten op de kenmerken en kwaliteit van deze gebieden uitgesloten; wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Zeeland zullen niet worden aangetast.
4
3.
POTENTIËLE EFFECTEN
3.1
Beoordeling 1. Kenmerken van het project Het project bestaat uit de realisatie van 52 tijdelijke woonunits. Hiervoor zullen bestaande woonunits worden geplaatst, waarbij alleen interne verbouwingen zullen worden uitgevoerd. In de ruimtelijke onderbouwing is een inrichtingstekening van de beoogde terreininrichting opgenomen. 2. Plaats van het project Het projectgebied ligt aan de zuidkant van de bestaande woonwijk, de Stromenwijk genaamd. De locatie wordt direct ten westen door een dependance van het Leger des Heils met daarachter de brandweerkazerne en ten oosten door de Moskee begrensd. Verder wordt de projectlocatie door Het Zwin met bestaande parkeerterrein, de Stromenweg en Nieuw Vlissingseweg omsloten. 3. Kenmerken van het potentiële effect Het gaat hierbij dan om de meer locatie gerelateerde effecten die te maken hebben met de realisatie en ingebruikname van het plangebied. Voor de rapportages van de uitgevoerde onderzoeken en een uitvoerige beschrijving van onderstaande milieuaspecten wordt verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing behorende bij de omgevingsvergunning voor het tijdelijk plaatsen van 52 woonunits. Natuurgebieden De dichtstbijzijnde wettelijke beschermde Natura 2000 gebied, ligt op minimaal 4 kilometer ten zuiden van het plangebied. Het betreft het Natura 2000-gebied’ Westerschelde & Seaftinghe’.
Gezien de afstand heeft de projectlocatie geen belangrijke uitstraling van milieueffecten naar dit beschermde natuurgebied. Het enige mogelijke effect betreft stikstofdepositie wat met name wordt veroorzaakt door aan- en afrijdend verkeer. De te verwachten effecten hangen samen met de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe situatie. Onderhavige ontwikkeling betreft de tijdelijke plaatsing van 52 wooneenheden, verdeeld over vijf bouwdelen, met 2 tot 3 kamers. De wooneenheden zullen gasloos worden opgeleverd en zorgen daarmee niet voor stikstofemissie. De verkeersbewegingen die met de gebruiksfase samenhangen zorgen hier wel voor. Voor de toekomstige verkeergeneratie is uitgegaan van 135 motorvoertuigenbewegingen per etmaal (worstcase). De locatie is verder in bestaande bebouwd gebied voorzien. Gelet op de afstand tot het dichtstbijzijnde Naura2000 gebied, de reeds toegestane en feitelijk aanwezige bebouwing en functies én het feit dat de ontwikkeling tijdelijk van aard is, kan in alle redelijkheid worden aangenomen, dat in de gebruiksfase geen sprake is van een relevante stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/j, die tot onderhavig project te herleiden is. Flora en fauna Het projectgebied betreft een bouwkavel c.q. terrein, welke braak ligt en waar geen vegetatie aanwezig is.
De grond op de projectlocatie zelf betreft overtollige grond uit Rittenburg II die lang in depot heeft gelegen. Het kavel is daarmee een ongeschikte biotoop voor beschermde planten- en diersoorten. Binnen het projectgebied worden eveneens geen sporen van (zwaarder) beschermde soorten zoogdieren verwacht, gezien de aanwezige ongeschikte biotoop. Daarmee 5
zijn in alle redelijkheid negatieve effecten op (zwaarder) beschermde (zoog-)dieren op voorhand uit te sluiten. Op basis hiervan kan het uitvoeren van een ecologisch onderzoek achterwege blijven. Daarnaast dient bij werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van algemene soorten. Bodem Uit eerdere onderzoeken, uitgevoerd in 2006 en 2007, is gebleken, dat ter plaatse ten hoogste lichte verontreinigingen voorkomen. De grond op de projectlocatie betreft de overtollige grond uit Rittenburg II die lang in depot heeft gelegen. Er is voor deze grond een melding voor ingediend en akkoord bevonden. Om die reden is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek niet vereist en kan de locatie als onverdacht worden aangemerkt. Water In het kader van de ruimtelijke onderbouwing is een watertoets opgesteld waarin wordt ingegaan op de (eventuele) invloeden, die de tijdelijke ontwikkeling op de aanwezige waterhuishouding heeft. Uit deze watertoets blijkt dat het verhard oppervlak ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan niet zal toenemen en de benodigde watercompensatie daarin reeds is meegenomen. Het voornemen heeft geen gevolgen voor de bestaande waterstructuur en onderhoudssituatie. Er zijn met onderhavige ontwikkeling geen nadelige gevolgen voor het milieu ten aanzien van het aspect water.
Geluid Door de gemeente Middelburg is een akoestische rapportage voor onderhavig project opgesteld. Het plangebied is conform de Wet geluidhinder gelegen binnen de zones van geluidgevoelige wegen. De berekende geluidbelastingen zijn vervolgens getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd, dat: • ten gevolge van de Nieuwe Vlissingseweg de voorkeurswaarde van 48 dB niet wordt overschreden; • ten gevolge van de Stromenweg bedraagt de geluidsbelasting maximaal 54 dB. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder overschreden, maar blijft voorts ruimschoots binnen de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Door de gemeente Middelburg is geluidbeleid vastgesteld (“Wet geluidhinder – Beleidsregel gemeente Middelburg. Het beleid t.a.v. de voorkeursgrenswaarde en de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting”, d.d. 2009). Op basis van dit beleid is voor een inbreidingslocatie eveneens een hogere grenswaarde mogelijk tot maximaal 63 dB. Echter indien de er een hogere grenswaarde nodig is van meer dan 53 dB dient één van de gevels geluidsluw te zijn. Nu achterzijde van de units geluidluw zijn, wordt hieraan voldaan. Omdat sprake is van een overschrijding van de voorkeurswaarde is verder onderzocht of geluid beperkende maatregelen mogelijk zijn om te kunnen voldoen aan de voorkeurswaarde.
Deze zijn echter vanuit, stedenbouwkundig en financieel opzicht niet haalbaar, noch wenselijk. Concreet betekent dit, dat er de beoogde ontwikkeling een procedure voor een hogere grenswaarde in het kader van de vergunningverlening dient te worden doorlopen. De hiervoor te volgen procedure is gelijktijdig met het ter inzagelegging van het ontwerpvergunning gestart. 6
Luchtkwaliteit In de Regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie tot maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In voorliggend bestemmingsplan wordt uitgegaan van de realisatie van maximaal 52 tijdelijke eenheden. Gezien de ligging van de locatie binnen c.q. direct grenzend aan het stedelijk gebied met daarbij horende doorgaande ontsluitingsstructuur, kan worden geconcludeerd, dat de voorgenomen ontwikkeling kan worden gezien als een project dat niet in betekenende mate bijdraagt. Externe veiligheid Binnen het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen toegestaan. Het project ligt wel binnen de invloedsgebied van een bedrijf; Verbrugge Zeeland Terminals .Echter voor dit bedrijf is door middel van een QRA bepaald, dat nu het projectgebied op een veel grotere afstand dan 1.500 meter van bovengenoemd bedrijf is gelegen, de beoogde ontwikkeling niet zal zorgen voor een significante toename van het groepsrisico. Een nadere onderbouwing van het groepsrisico is daarmee niet vereist. Verder ligt de locatie binnen de invloedsfeer van de gemeente Borsele en worde geadviseerd jodiumtabletten te slikken, mocht zich onverhoopt een ongeval voordoen. Ook de kerncentrale vormt daarmee geen belemmering voor het onderhavige tijdelijke ontwikkeling.
Bedrijven en milieuzonering De omgeving van het plangebied kan worden gemerkt als een gemengd gebied, nu er diverse functies met bijbehorende doorgaande ontsluitingsstructuur aanwezig is. In de directe omgeving van de ontwikkeling zijn een moskee en dependance van het Leger des Heils aanwezig. Beide functies vallen onder milieucategorie 2, waarvoor een richtafstand geldt van 10 meter voor het aspect geluid tot nabijgelegen gevoelige bestemmingen (gemengd gebied). De omgeving van de projectlocatie kan worden aangemerkt als gemengd gebied. Hiermee kan de richtafstand tot 10 meter worden teruggebracht. De afstand tussen de beoogde tijdelijke units en de moskee is beduidend meer dan 10 meter; namelijk 25 meter. De afstand van de units tot de kerk van het Leger des Heils is wel kleiner dan 10 meter; namelijk 8,8 meter. Voor het aspect geluid, zijn met name het luiden van klokken en oproepen tot gebed bepalend. Doordat de tijdelijke woonunits aan de zijde van de moskee op een afstand van 25 meter zijn gesitueerd, wordt ruimschoots aan deze richtafstand voldaan. De kerk van het Leger des Heils beschikt niet over een klok, zodat het oprichten van de tijdelijke units geen beperkingen voor de bedrijfsvoering van het Leger des Heils met zich meebrengt.
Nog los van het gegeven, dat aan de richtafstand tot de moskee ruimschoots wordt voldaan, wordt het oproepen tot gebed, gelet op de korte duur, beperkte frequentie, het tijdstip (overdag) én het feit dat deze activiteit in het Activiteitenbesluit wordt uitgezonderd, als ruimtelijk acceptabel geacht. Tot slot is relevant, dat ofschoon ter plaatse van de projectlocatie feitelijk geen bebouwing aanwezig is, op basis van het geldende bestemmingsplan onder meer de oprichting van onzelfstandige en beschermde vormen van wonen, als een verpleeg- en verzorgingstehuis, tot de mogelijkheden behoort. Deze functies dienen als geluidgevoelig te worden gekwalificeerd en zijn daarmee voor de bedrijfsvoering en uitoefening van de direct aangrenzende functies reeds bepalend. Een nader onderzoek naar inrichtingslawaai is daarmee niet vereist.
7
Tot slot grenst de locatie, zowel in de bestaande als nieuwe situatie, aan een verkeersbestemming, welke gronden deels zijn bestemd ten behoeve van een parkeerterrein. Deze planologische situatie wijzigt door de beoogde ontwikkeling niet en heeft derhalve daarmee voor geen ruimtelijke gevolgen voor deze bestemming en gebruik. Vanuit het oogpunt van het aspect bedrijven en milieuzonering vormt het plan dan ook geen belemmering voor de bedrijfsvoering- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen niet-woonfuncties en bedrijven. Omgekeerd maakt het plan geen bedrijvigheid mogelijk. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt dan ook geen beperking voor dit plan. Verkeer en parkeren Als gevolg van de woningbouwontwikkeling neemt het aantal verkeersbewegingen toe. Voor het huisvesten van statushouders en spoedzoekers zijn in het CROW geen kengetallen voor de verkeersgeneratie beschikbaar. Derhalve is voor de rekentool van de CROW rekening gehouden met de normering voor zelfstandige kamerverhuur en sociale huur. Verder wordt voor het aantal verkeersbewegingen aangesloten bij de parkeernorm. Hiervan uitgaande zullen er op een werkdaggemiddelde 135 autobewegingen plaatvinden (worstcase).
Gelet op de inrichting en functie van de direct aangrenzende wegen, de huidige verkeersintensiteiten en reeds toegestane functies, levert deze toename, geen problemen op voor de verkeersafwikkeling op het bestaande wegennet. Op basis van de doelgroepen zijn gemiddeld 45 parkeerplaatsen benodigd. Parkeren is op het openbare parkeerterrein aan Het Zwin voorzien. Ter plaatse kunnen maximaal 112 auto’s worden geparkeerd (schuin parkeren). Naast de parkeerbehoefte van de nieuwe ontwikkeling dient echter ook de parkeervraag van de bestaande functies, die tevens aan Het Zwin parkeren, bij de beschikbare capaciteit te worden betrokken. Daarmee komt de totale theoretisch berekende parkeervraag van zowel de bestaande als nieuwe functie op 128. Formeel is daarmee sprake van een tekort. Echter, deze theoretisch, berekende vraag dient neerwaarts te worden bijgesteld, daar rekening kan en moet worden gehouden met aanwezigheidspercentages (dubbel gebruik). Immers, meerdere functies kunnen gebruik maken van dezelfde parkeerplaats. Uitgaande van de gemiddelde parkeernorm en aanwezigheidspercentages zal de parkeervraag op het maatgevende piekmoment (vrijdagavond) 94 bedragen. De maatgevende parkeerbehoefte is daarmee lager dan de theoretisch, berekende behoefte. Het parkeerterrein aan Het Zwin, alwaar maximaal 112 auto’s kunnen parkeren, kan daarin voorzien.
Verder is het parkeerterrein vrij toegankelijk en daarmee voor zowel de bewoners als bezoekers beschikbaar. Tot slot wordt het parkeren ook gemonitord, zodat kan worden nagegaan of inderdaad in de volledige parkeerbehoefte op alle momenten van de week kan worden voldaan.
8
4.
CONCLUSIE Gelet op: • de aard en relatieve omvang van het project; • de plaats hiervan, en; • de kenmerken van de potentiële effecten; kan op voorhand worden geconcludeerd, dat hiermee geen belangrijke significante milieugevolgen aan de orde zijn die een passende beoordeling (en plan m.e.r.) rechtvaardigen. Voor de planvorming en uitvoering kan met onderhavige vormvrije m.e.r.-beoordeling worden volstaan.
9