VERVALLEN 22-096 Bijlage 3. Ruimtelijke onderbouwing met bijlagen definitief
Tekst van het document
GEMEENTE MIDDELBURG Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een uitgebreide omgevingsvergunning ‘Het Zwin, gemeente Middelburg’
Gemeente Titel
Middelburg Ruimtelijke Onderbouwing ten behoeve van een uitgebreide omgevingsvergunning. ‘Het Zwin, gemeente Middelburg’
Project Status Datum
MB4040 DEF 2022
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
RUIMTELIJKE DERBOUWING Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een uitgebreide omgevingsvergunning. ‘Het Zwin, Middelburg’
INHOUD 1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Geldend bestemmingsplan 1.3 Omgevingsvergunning ex artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder sub 3, Wabo 1.4 Opbouw
3 3 3 4 5
2.
BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE EN BEOOGDE ONTWIKKELING 2.1 Huidige situatie 2.2 De beoogde ontwikkeling 2.3 Parkeren en verkeer
6 6 6 7
3.
BELEIDSKADER EN BEHOEFTE 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid 3.4 Conclusie beleidskaders
10 10 12 14 16
4.
OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Algemeen 4.2 Archeologisch onderzoek 4.3 Cultuurhistorie 4.4 Bodem 4.5 Water 4.6 Flora en fauna 4.7 Bedrijven en milieuzonering 4.8 Wegverkeerslawaai 4.9 Lucht 4.10 Externe veiligheid 4.11 Ontplofbare oorlogsresten 4.12 Kabels en leidingen 4.13 Duurzaamheid en klimaatadaptatie 4.14 M.e.r.-beoordeling
18 18 18 19 19 20 24 26 27 29 30 31 31 32 33
5.
ECONOMISCHE EN FINANCIËLE UITVOERBAARHEID 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
35 35 35
6
CONCLUSIE
37
Bijlagen: Bijlage 1: Parkeerbalans, Rothuizen 1 juli 2022; Bijlage 2: Parkeervraag rekening houdende met aanwezigheidspercentages, Rothuizen, september 2022; Bijlage 3: Archeologisch bureau- en booronderzoek plangebied aan Het Zwin 5-7 te Middelburg, Walcherse Archeologische Dienst, juli 2022; Bijlage 4: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Ontwikkeling Het Zwin voor "tijdelijke" huisvesting, gemeente Middelburg, d.d. 26 april 2022; Bijlage 5: Vormvrije m.e.r.-aanmeldnotitie, Rothuizen, september 2022.
Figuur 1: Ligging projectgebied in groter verband, rode ster geeft indicatief projectgebied aan. Bron: Google Earth
Figuur 2: Weergave projectgebied op luchtfoto, rode rechthoek geeft indicatief het projectgebied aan. Born: Google Earth
1.
INLEIDING
1.1
Aanleiding en doel Momenteel kent Nederland, mede als gevolg van een verhoogde instroom aan asielzoekers en vluchtelingen, een tekort aan opvangplekken voor statushouders. Zowel door het Rijk als de provincie wordt benadrukt, dat onder meer voor deze doelgroep, gemeenten in voldoende sociale huisvesting moeten voorzien. Teneinde daar invulling aan te kunnen geven, wordt door de gemeente Middelburg al langere tijd gekeken en gezocht naar mogelijkheden om meer opvangplekken voor statushouders te creëren. Het onbebouwde kavel gelegen aan Het Zwin aan de rand van de Stromenwijk in Middelburg betreft één van deze locaties. Teneinde een bijdrage aan deze taakstelling en vermindering van voornoemd capaciteitstekort te kunnen leveren, heeft Woongoed Middelburg, hierna initiatiefnemer, voor deze locatie een concreet initiatief bij de gemeente Middelburg ingediend. Het initiatief voorziet, naast de opvang van statushouders, ook in de tijdelijke huisvesting van spoedzoekers. Immers, door het toegenomen aantal woningzoekenden is tevens een discrepantie tussen vraag en aanbod op de woningmarkt en daarmee ook een tekort aan reguliere woningen ontstaan.
Het gaat hierbij primair om spoedzoekers uit de gemeente Middelburg zelf: met name gescheiden mannen en vrouwen (eventueel met kinderen) en bewoners die hun woning hebben verkocht en de tijd tot het betrekken van de nieuwe woning dienen te overbruggen. Het tijdelijke gebruik gaat over een periode van 20 jaar en betreft het plaatsen van bestaande flexibele woonunits, verdeeld over vijf bouwblokken, waar geen (verbouwings)werkzaamheden worden verricht, anders dan grotendeels inpandige werkzaamheden ten behoeve van de inrichting en voorzieningen zoals sanitair en keukens. Daarbij wordt de inrichting van het buitenterrein meegenomen en wordt voorzien in een nieuw te bouwen fietsenstalling bestaande uit twee bergingen. Het college heeft een positieve grondhouding ten aanzien van dit initiatief ingenomen. Kort samen gevat: het initiatief leidt tot een vermindering van de druk op de bestaande woningvoorraad in de gemeente Middelburg, waarbij tevens invulling wordt gegeven aan de maatschappelijke taak meer opvangplaatsen voor statushouders in de provincie Zeeland in het algemeen en Middelburg in het bijzonder te creëren. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan ‘Stromenwijk’.
In overleg met de gemeente is bepaald, dat het voornemen juridisch-planologisch mogelijk worden gemaakt door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°). De opgenomen luchtfoto’s (figuren 1 en 2) geven een concrete indruk van de ligging in groter verband alsmede het projectgebied zelf.
1.2
Geldend bestemmingsplan Voor de locatie geldt het bestemmingsplan ‘Stromenwijk’ zoals door de raad vastgesteld op 13 juli 2015 (figuur 3).
Ter plaatse van het projectgebied geldt de enkelbestemming ‘Gemengd – 2’ alsmede de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. De gronden mogen onder andere worden aangewend voor bedrijven, kantoren, dienstverlening en maatschappelijke voorzieningen. De bebouwing dient te worden gerealiseerd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak, waarvan de goothoogte maximaal 10 meter en de bouwhoogte maximaal 14 meter en maximale bebouwingspercentage 75% mag bedragen. Het plaatsen van tijdelijke woonunits verdeeld over vijf bouwblokken voor het huisvesten van statushouders en spoedzoekers past met name qua functie niet binnen de vigerende, gemengde bestemming. Het bestemmingsplan biedt verder geen wijzigings- of afwijkingsmogelijkheden om het planologisch gebruik mogelijk te maken. Hiertoe is een afwijking van het bestemmingsplan vereist.
Figuur 3: Uitsnede geldende bestemmingsplan 'Stromenwijk', rode cirkel geeft indicatief projectlocatie aan
1.3
Omgevingsvergunning ex artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder sub 3, Wabo De huisvesting van statushouders en spoedzoekers is bedoeld voor kortdurend verblijf. Het doel van het Rijksbeleid is immers primair gericht op een duurzame integratie van deze doelgroepen in de samenleving; het wonen in een reguliere woning in een dorp of stad. In planologisch opzicht wordt het huisvesten van deze doelgroepen dan ook als een tijdelijke functie beschouwd, voor een periode van 20 jaar. De flexibele woonunits zijn naar hun aard dan ook tijdelijk en gemakkelijk te verwijderen. Mocht er nu na 20 jaar nog steeds behoefte zijn aan deze tijdelijke huisvestingsvorm, dan zal door de gemeente opnieuw een afweging worden gemaakt. Nu het plaatsen van de tijdelijke woonunits een langere tijdsperiode dan tien jaar beslaat, dient teneinde deze ontwikkeling mogelijk te maken, een uitgebreide voorbereidingsprocedure van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) ex artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wabo te worden doorlopen. De omgevingsvergunning kan vervolgens slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Een aanvraag voor een dergelijke omgevingsvergunning dient daarom vergezeld te gaan van een goede ruimtelijke onderbouwing.
Voorliggende rapportage bevat deze ruimtelijke onderbouwing. 1.4
Opbouw De ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 1 is de aanleiding voor het opstellen van deze ruimtelijke onderbouwing beschreven. In hoofdstuk 2 wordt de situatie in haar context beschreven. Tevens wordt in dit hoofdstuk een toelichting op de ontwikkeling gegeven. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 de verschillende relevante beleidskaders toegelicht en zal de ontwikkeling hieraan worden getoetst. In hoofdstuk 4 komen de milieuaspecten aan de orde. De economische uitvoerbaarheid komt in hoofdstuk 5 aan bod. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de procedurele aspecten.
2.
BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE EN BEOOGDE ONTWIKKELING
2.1
Huidige situatie De projectlocatie is gelegen aan de zuidkant van de gemeente Middelburg en gesitueerd aan Het Zwin. In groter verband bezien ligt de locatie op de scheidslijn tussen enerzijds het bestaande stedelijke en anderzijds landelijke gebied van de gemeente Middelburg. Op lager schaalniveau kan het stedelijke gebied waarin de locatie is gelegen, gezien de aanwezige en mogelijke (planologische) combinatie van functies met bijbehorende voorzieningen (zoals wonen, scholen, brandweerkazerne), als een gemengd gebied worden gekwalificeerd. Het terrein zelf behelst een relatief ruim kavel, is onbebouwd en wordt naast Het Zwin, omsloten door de Stromenweg en de Nieuwe Vlissingseweg, hetgeen beide gebiedsontsluitingen betreffen. Ook per fiets en te voet is de locatie goed bereikbaar. Hiermee heeft het gebied en daarmee de projectlocatie een directe toegang naar het omliggende wegennet. De ruimtelijke structuur van de locatie wordt gekenmerkt door een open terrein, gemarkeerd door evenwijdig gegraven watergangen. Direct ten westen wordt het terrein door het Leger des Heils met daarachter de brandweerkazerne en ten oosten door de Moskee begrensd. Tot slot is Het Zwin volledig verhard, waarbij in de middenberm kan worden geparkeerd.
2.2
De beoogde ontwikkeling De beoogde ontwikkeling voorziet enerzijds in een verkleining van de druk op de woningmarkt en anderzijds op het creëren van meer opvangplaatsen voor statushouders en spoedzoekers, door tijdelijk wooneenheden aan de markt voor deze specifieke doelgroepen toe te voegen. In dat kader is gezocht naar een passende locatie met bijbehorende inrichting in de nabijheid van stedelijke voorzieningen. Relevant hierbij is voorts, dat de gronden beschikbaar zijn én dat de beoogde ontwikkeling de primaire fysieke hoofdopzet en daarmee ruimtelijke structuur van hetgeen al was voorzien niet wijzigt. Onderhavige ontwikkeling voldoet hieraan. De projectlocatie maakt deel uit van de planologisch beoogde bebouwing, verdeeld over vijf bouwblokken, evenwijdig gesitueerd tussen Het Zwin en de Stromenweg, zoals verankerd in het vigerende bestemmingsplan. De units worden binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak gesitueerd, waarbij de aangegeven maatvoeringen en afstandseisen worden gerespecteerd. Concreet worden er op de projectlocatie, binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak, 28 tweekamer eenheden voor de huisvesting van statushouders en 12 tweekamer en 12 driekamer eenheden met een maximale hoogte van circa 6 meter, voor de huisvesting van spoedzoekers, verdeeld over vijf bouwblokken, geplaatst.
Dit betreffen bestaande units die eerder door het COA en vervolgens voor de huisvesting van arbeidsmigranten zijn ingezet. De werkzaamheden vinden, na plaatsing, grotendeels aan de binnenzijde plaats ten behoeve van de inrichting. Daarnaast wordt het terrein ingericht, van groen voorzien en wordt een nieuw overdekte fietsenstalling, bestaande uit twee bergingen, op het terrein geplaatst. Op deze wijze wordt op de locatie, gelet op de ligging aan de rand van de stad, een rustige groene woon- en verblijfsomgeving gecreëerd. De inrichtingstekening is op onderstaande afbeelding weergegeven.
Figuur 4: Inrichtingstekening
Parkeren geschiedt verder in de direct aangrenzende openbare ruimte. 2.3
Parkeren en verkeer Parkeren Omdat het autobezit van beide doelgroepen beperkt is en ook het aandeel bezoekers laag zal zijn, is uitgaande van de CROW (‘Toekomstbestendig parkeren’, publicatie 381) een berekening uitgevoerd. Aangezien er verder geen specifieke normen voor spoedzoekers en statushouders zijn, is van de normering voor zelfstandige kamerverhuur en sociale huur uitgegaan. Deze sluiten het beste aan bij de beoogde situatie. Concreet betekent dit, dat voor spoedzoekers van een gemiddelde parkeernorm van 1,1 en voor statushouders van gemiddelde parkeernorm van 0,65 -beide inclusief bezoekers- is uitgegaan. Dit daar met name de statushouders niet over een auto zullen beschikken. Deze zullen vooral met de fiets en openbaar vervoer komen. Hiermee komt, uitgaande van het huisvesten van 28 statushouders en 24 spoedzoekers, de totale gemiddelde parkeerbehoefte uit op (afgerond) 45 parkeerplaatsen. Deze parkeerbalans is als Bijlage 1 aan deze onderbouwing gehecht. Parkeren is in de nieuwe situatie voorzien op het als zodanig bestemde openbare parkeerterrein (binnenberm) aan Het Zwin. Bij deze theoretisch berekende parkeervraag dient echter ook de behoefte van de andere, bestaande functies (moskee en Leger des Heils) die tevens van dit parkeerterrein gebruik maken te worden geteld.
Daarvan uitgaande bedraagt de totale theoretisch berekende behoefte in de nieuwe situatie 128 parkeerplaatsen. Aan Het Zwin kunnen maximaal 112 auto’s (schuin parkeren) worden geparkeerd, zodat na realisatie van de tijdelijke wooneenheden een theoretisch tekort van 16 parkeerplaatsen ontstaat.
Op deze theoretisch berekende behoefte dient echter een nuancering te worden aangebracht: bij het bepalen van de vraag dienen de aanwezigheidspercentages te worden meegewogen. Immers, zo zal gelet op de diversiteit van de beide doelgroepen de vraag van de spoedzoekers met name in de avond en de nacht en voor statushouders overdag het hoogste zijn. Door deze spreiding kunnen meerdere functies van dezelfde parkeerplaats gebruik maken. Rekening houdende met de aanwezigheidspercentages van zowel de nieuwe als bestaande functies (moskee en Leger des Heils) ontstaat inzicht in de maatgevende parkeerbehoefte. Uitgaande van de gemiddelde norm én aanwezigheidspercentages zal de parkeervraag op het maatgevende piekmoment (vrijdagavond) in totaal 94 bedragen (Bijlage 2). De maatgevende parkeerbehoefte is daarmee lager dan de theoretisch, berekende behoefte. Dit betekent, dat het openbare parkeerterrein aan Het Zwin deze behoefte, op alle weekmomenten, kan opvangen. Het parkeerterrein is verder vrij toegankelijk en daarmee voor zowel de bewoners als bezoekers beschikbaar. Relevant is voorts, dat afhankelijk van de ervaringen met parkeren na realisatie, door middel van monitoring zal worden nagegaan hoe de parkeervraag -mede in relatie tot de aangrenzende functies- exact uitvalt en of inderdaad in de volledige parkeerbehoefte op alle momenten van de week kan worden voorzien.
Hiermee wordt altijd voldaan aan de parkeernormen. Tot slot wordt in stallingmogelijkheden voor fietsen voorzien door een nieuw te bouwen fietsenstalling (twee bergingen). Op deze wijze wordt aan de parkeereis voldaan en kan vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening hiermee worden volstaan. Verkeer De tijdelijke huisvesting van statushouders en spoedzoekers zorgt voor extra verkeersbewegingen, van zowel gemotoriseerd als langzaam verkeer. Via Het Zwin, de Stromenweg en de Nieuwe Vlissingseweg, is de locatie, voor zowel langzaam als gemotoriseerd verkeer, uitstekend bereikbaar en biedt voldoende parkeergelegenheid in het direct aangrenzende openbare gebied. De bestaande wegen worden door alle verkeersdeelnemers gedeeld en kunnen de verkeersstromen goed verwerken. Dit kan op een veilige manier, daar Het Zwin zelf enkel door bestemmingsverkeer wordt gebruikt, waarbij de snelheid van het verkeer door de uitstraling van de omgeving en het gemengde gebruik voldoende laag is. Daarnaast zijn ook de verkeersintensiteiten, met uitzondering van de vrijdag wanneer de gebedsdienst plaatsvindt, ter plaatse relatief laag. De verkeersgeneratie van de tijdelijke woonunits wordt gebaseerd op de berekende parkeerbehoefte.
Uitgaande van een gemiddelde parkeerbehoefte van 45 parkeerplaatsen en gemiddeld 2 verplaatsingen per etmaal komt het totaal aantal verkeersbewegingen uit op 90 per mvt/etmaal voor de gehele ontwikkeling. Daarnaast zullen mogelijk nog extra verder niet-werkgerelateerde verplaatsingen plaatsvinden. Hierbij wordt uitgegaan, dat de helft van de tijdelijke bewoners zijn of haar voertuig gebruikt voor privédoeleinden. Om deze reden komen er nog eens 45 verplaatsingen bij. In totaal komt dit neer op 135 mvt/etmaal verkeersgeneratie (worstcase). Het verkeer zal via de Stromenweg en Nieuwe Vlissingseweg zich in westelijke en oostelijke richting gelijkmatig verdelen en vrij snel in de bestaande verkeerstromen worden opgenomen. Aannemelijk is dat de verkeersgeneratie in de beoogde tijdelijke, situatie aannemelijk lager zal zijn, dan het aantal mogelijke verkeersbewegingen inherent aan de reeds planologisch toegestane functies op onderhavige ontwikkellocatie, zoals bedrijven en kantoren van behoorlijke omvang.
De toename van verkeer voor de nabije omgeving, als deze zich al voordoet, is daarmee derhalve als dermate beperkt te kwalificeren, dat deze geen onevenredige belasting voor het omliggende wegennet met zich mee zal brengen. Tot slot is het projectgebied gelet op de directe aansluiting op de bestaande wegenstructuur ook voor externe bezoekers goed bereikbaar. Hierdoor is een goede ontsluiting zowel naar en van de locatie gewaarborgd, evenals de bereikbaarheid voor hulp- en servicediensten (bijv. afvalverwijdering). Conclusie Het aantal verkeersbewegingen op de bestaande wegen zal inherent aan de tijdelijke woonfunctie, mede gelet op de reeds (planologisch) toegestane functies, geen nadelige effecten op de bestaande infrastructuur met zich meebrengen. Meer concreet: het verkeer zal snel in het doorgaande verkeer worden opgenomen, waarbij de aangewezen routes voldoende geschikt zijn om de verkeersgeneratie van het project op te vangen. Daarnaast voorziet de openbare ruimte in voldoende parkeergelegenheid, waardoor aan de gestelde parkeernorm en daarmee parkeerbehoefte, uitgaande van het meest waarschijnlijke c.q. maatgevende scenario kan worden voldaan. Daarbij wordt nog expliciet gewezen op de tijdelijkheid van het beoogde voornemen en de parkeervraag die op grond van het geldende bestemmingsplan reeds bestaat.
Tot slot is en blijft de monitoring van het parkeren van belang, teneinde te borgen dat er met name op de piekmomenten voldoende capaciteit aanwezig is en blijft.
3.
BELEIDSKADER EN BEHOEFTE
3.1
Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2023, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld, welke op 11 september 2020 naar de Tweede Kamer gestuurd is. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • duurzaam economisch groeipotentieel; • sterke en gezonde steden en regio’s; • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Welke zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven. De drie afwegingsprincipes zijn: • combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; • kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; • afwentelen wordt voorkomen. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht, welke ‘nationale belangen’ genoemd worden. De NOVI richt zich op 21 nationale belangen. Deze worden geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur. De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen. Hierdoor kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Het onderhavige plan omvat geen ontwikkelingen die in strijd zijn met de nationale belangen en waar de NOVI op van invloed is.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In de NOVI wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Zoals al in voorgaande paragraaf bij de NOVI is aangegeven is gelet op het hoge abstractieniveau van het NOVI geen sprake van directe nationale belangen in het projectgebied. Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het projectgebied en de voorgestane ontwikkeling. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.
Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro).” Onbenutte planologische mogelijkheden mogen echter in een nieuw plan worden opgenomen, zonder dat hoeft te worden voldaan aan de in artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro genoemde voorwaarden.
Dat is op basis van jurisprudentie ook het geval, indien nog geen gebruik is gemaakt van de planologische mogelijkheden van het vorige plan. Ofschoon onderhavig plan niet voorziet in aanvullende bebouwing (geen nieuw ruimtebeslag), wordt daarentegen wel een (gebruiks-)wijziging; voor tijdelijke huisvesting van zowel statushouders als spoedzoekers ten opzichte van de voorgaande onherroepelijke planologische maatregelen mogelijk gemaakt. Daarnaast neemt het aantal wooneenheden in planologisch opzicht met 52 toe. Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling is ingevolge jurisprudentie voorts bepaald, dat vanaf 12 woningen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die getoetst dient te worden aan de Ladder. Voorliggend initiatief betreft een toename van 52 wooneenheden en behelst een gebruikswijziging, waardoor sprake is van een
nieuwe stedelijke ontwikkeling en toetsing van de ladder aan de orde is. De ladder wordt in onderstaande paragrafen nader onderbouwd. 3.2
Provinciaal beleid Zeeuwse Omgevingsvisie Op 12 november 2021 hebben gedeputeerde staten van Zeeland de Zeeuwse Omgevingsvisie vastgesteld. Op 1 januari 2023 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. In de Omgevingswet worden alle bestaande wetten die te maken hebben op de fysieke leefomgeving samengevoegd. In de Zeeuwse Omgevingsvisie legt de Provincie Zeeland al haar doelen en ambities voor de lange termijn vast. In de Omgevingsvisie worden verschillende onderwerpen benoemd. Denk daarbij aan wonen, landbouw en circulaire economie, maar bijvoorbeeld ook cultureel erfgoed, recreatie en leefbaarheid. Het uitgangspunt van de provincie voor de Omgevingsvisie is, beleid en regels die hun waarde hebben bewezen, alleen worden gewijzigd als er betere alternatieven zijn. De Provinciale Omgevingsverordening 2018 is daarom hierbij als uitgangspunt genomen. Verder bestaat de visie uit twee delen: deel A en deel B. In Deel A staan de strategische doelen voor de periode tot 2050 onderverdeeld in vier centrale ambities verwoord. De uitdagingen en ambities voor Zeeland, alsmede de Zeeuwse kernkwaliteiten worden daarin beschreven en geven richting aan de beleidsdoelstellingen en acties voorde kortere termijn (tot 2030). In Deel B wordt het beleid voor de periode tot 2030 vormgegeven.
Dit beleid is onderverdeeld in doelen voor 2030, de huidige situatie, acties voor de periode tot 2030 én afwegingsfactoren voor de uitvoering. Er zijn 27 thema’s (bouwstenen) uitgewerkt die samen met onze omgeving geselecteerd zijn. Bij deze thema’s is het beleid voor de komende 10 jaar weergegeven. Deel A De uitdagingen voor Zeeland bestaan voornamelijk uit de klimaatverandering, stijging van de zeespiegel, afname van biodiversiteit, andere bevolkingssamenstelling door vergrijzing. Deels is het de uitdaging te behouden wat er is, deels is het de uitdaging in te spelen op de ontwikkelingen die komen gaan. Om deze uitdagingen het hoofd te bieden en tegelijkertijd te werken aan brede welvaart, beschrijft de Zeeuwse Omgevingsvisie vier Zeeuwse Ambities voor 2050. Deze ambities betreffen: 1. uitstekend wonen en werken in Zeeland; 2. balans in grote wateren en het landelijk gebied; 3. een duurzame en innovatieve economie; 4. een klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland. Deel B In deel B staat per thema aangegeven welke instrumenten worden ingezet om de doelen tot 2030 te bereiken. Gezien de grootte en de complexiteit van de uitdagingen, zijn de ambities echter alleen te halen als iedereen de keuze maakt die zoveel mogelijk bijdraagt aan deze ambities. Hiervoor zijn afwegingsfactoren beschreven en wordt een ‘beste keuze hulp’ gemaakt.
De afwegingsfactoren sluiten aan op het NOVI van het Rijk en verwijzen onder meer naar de Zeeuwse kernkwaliteiten. Deze zijn vertaald naar vier afwegingsfactoren voor Zeeland: - 1. Doe meer met minder grond; - 2. Werk samen en deel kosten en baten; - 3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten; - 4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld. Kernkwaliteiten zijn herkenbare, fysieke kenmerken. De Zeeuwse kernkwaliteiten betreffen: - genieten en opladen; - waarderen en beschermen van het landschap; - verbondenheid met de historie; - passende werkgelegenheid en ontwikkelingsmogelijkheden voor iedereen. In de visie komen een aantal ambities en doelstellingen terug welke relevant zijn voor deze ontwikkeling, waarbij sommige doelen onder verschillende ambities vallen. Deze worden in onderstaande paragrafen toegelicht. Bij woningbouw staan een toekomstbestendige en CO2-neutrale woningvoorraad die in kwaliteit en kwantiteit aansluit op de vraag centraal. Hiertoe werken de Zeeuwse gemeenten en de Provincie aan een Zeeuwse Woonagenda, waarbinnen gezamenlijk wordt opgetrokken om de woningvoorraad toekomstbestendig te maken en te houden.
Er wordt ingezet op het saneren of vervangen van woningen waar geen behoefte aan is, het stimuleren van verduurzaming van de woningvoorraad, het realiseren van een flexibele schil en de ondersteuning van gemeenten bij de realisatie van woningbouw die voorziet in een behoefte op de juiste plaats. Provincie en gemeenten stellen de kaders vast waarbinnen de afspraken worden uitgevoerd. Verder staan de ruimtelijke doelen van bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik hoog op de agenda. Het is van provinciaal belang dat Zeeuwse steden de sociaaleconomische motor blijven van de provincie. Gezien de ruimtelijke doelen, de klimaat en demografische opgave, de uitgangssituatie van de woningvoorraad en de toekomstverwachtingen, is woningbouwbeleid essentieel. Woningbouwprojecten, zeker de omvangrijke, hebben een gemeentegrensoverschrijdend impact. Er moet daarom op regionaal niveau gekozen worden voor de woningbouwplannen die qua omvang, locatie en type aansluiten bij de woonwensen van de Zeeuwse burger. Deze keuzes worden gemaakt in regionale woningmarktafspraken. Provinciale Omgevingsverordening 2018 De provincie Zeeland heeft, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op 21 september 2018 een Omgevingsverordening vastgesteld. Aansluitend zijn daar negen wijzingen op doorgevoerd.
Slechts een select aantal onderdelen uit het (voormalige) Omgevingsplan is geregeld in de verordening. Onderwerpen opgenomen in de Omgevingsverordening zijn bijvoorbeeld bedrijventerrein, verblijfsrecreatie, bestaande natuur en ecologische hoofdstructuur, agrarische gebieden van ecologische betekenis, molenbiotopen, glastuinbouw en intensieve veehouderij. Van gemeenten wordt een loyale bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen van het plan, ook ten aanzien van die onderdelen van het plan die niet in de verordening zijn opgenomen. Verder streeft de provincie naar realisering van beleidsdoelen met de inzet van andere instrumenten. Ten aanzien van het onderwerp 'Wonen' is uitsluitend een regeling opgenomen voor kleinschalige locaties in het buitengebied. Daarvan is hier geen sprake. Voor zover die regels relevant zijn voor
de omgevingsvergunning voor de realisatie van de tijdelijke huisvesting van statushouders en spoedzoekers zijn deze opgenomen in de hoofdstuk 4 en is de beoogde ontwikkeling daaraan getoetst. Op basis daarvan kan worden geconcludeerd, dat de ontwikkeling voldoet aan de regels van de verordening. Programma taakstelling huisvesting vergunninghouders tweede helft 2022 Het Rijk heeft in het kader van het creëren van voldoende opvangplaatsen voor vergunninghouders in april 2022 per brief aandacht gevraagd voor de enorme opgave in de asielketen. De opvangcapaciteit bereikt haar grenzen, terwijl de vraag onverminderd groot blijft. Landelijk was per provincie en gemeente een taakstelling vastgesteld. Deze is echter door de huidige omstandigheden achterhaald. Er wordt dan ook verzocht in te zetten op een grote versnelling in de huisvesting van vergunninghouders. Voor de gemeente Middelburg betekent dit concreet dat de opgave voor de eerste helft van 2022 is verhoogd van 28 naar 38 opvangplaatsen. De provincie ziet erop toe dat de gemeenten deze taak goed en adequaat uitvoeren. De taakstelling om vergunninghouders te huisvesten brengt een vraag naar goedkope woningen en woonruimten met zich mee. Deze maakt onderdeel uit van de woningbehoefte in een regio, waarover in regionaal verband afspraken worden gemaakt.
Een van de mogelijkheden om in te kunnen spelen op deze urgente behoefte is het realiseren van flexibele opvanglocaties. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de urgentie op de woningmarkt, asielopvang en integratie van de statushouders, waar gemeenten vanaf medio 2021 verantwoordelijk voor worden gehouden. Op deze flexibele opvanglocaties kunnen ook andere urgente woningzoekers, als spoedzoekers worden tijdelijk worden gehuisvest. Op het moment dat er minder (asiel)opvangplekken benodigd zijn, kunnen deze locaties, waaronder de locatie aan Het Zwin, voor andere urgente doelgroepen zoals spoedzoekers worden gebruikt. Op deze wijze wordt leegstand beperkt en kan er meer woonruimte voor onder meer spoedzoekers beschikbaar komen, zodra mogelijk. Daarnaast heeft de beoogde ontwikkeling betrekking op een additionele vraag die niet te voorzien was in bevolkings- en huishoudensprognoses. Hierdoor maakt de ontwikkeling geen onderdeel uit van de regionale woningmarktafspraken. Om nu te zorgen, dat de tijdelijke units geen onderdeel gaan uitmaken van de reguliere woningvoorraad zal in de voorwaarden van de vergunning worden vastgelegd, dat ter plaatse uitsluitend statushouders en spoedzoekers mogen worden gehuisvest.
Conclusie De beoogde thuisvesting van statushouders en spoedzoekers in tijdelijke units op de locatie gesitueerd aan Het Zwin draagt direct bij aan de aanpak van de grote urgente behoefte aan opvangplekken. Hiermee geeft de gemeente gehoor aan de dringende oproep die door het Rijk aan gemeenten is gedaan. De combinatie van huisvesting van statushouders en spoedzoekers sluit derhalve volledig aan op het huidige Rijksbeleid en taakstelling voor de provincie Zeeland in het algemeen en de gemeente Middelburg in het bijzonder. 3.3
Gemeentelijk beleid Kwaliteitsatlas De Kwaliteitsatlas is een belangrijk integraal beleidsdocument van de gemeente Middelburg. In deze Kwaliteitsatlas wordt een richting uitgestippeld voor de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente tot het jaar 2030. Voor een groot aantal deelaspecten (wonen, werken) is vervolgens aangegeven welke veranderingen op moeten treden om in 2030 tot de gewenste situatie te zijn
gekomen. Eind 2008 is de herijking van de 2e en 3e fase van de kwaliteitsatlas gepresenteerd. De herziene kwaliteitsatlas is op 18 januari 2010 vastgesteld. De Kwaliteitsatlas Middelburg ging in 1998 nog uit van het realiseren van kwaliteit door groei. De gemeente realiseerde nieuwe gebieden met een hoger voorzieningenniveau. Inmiddels is deze gedachtegang veranderd en wil de gemeentekwaliteit (nog meer) vooropstellen. Mensen moeten graag in de gemeente Middelburg willen blijven wonen en werken. De gemeente wil de komende jaren investeren in binnenstedelijke ontwikkelingen. Ook de provincie stuurt aan op ontwikkelingen binnen de bestaande kaders van verstedelijking. Voor Walcheren geldt dat 85% van de nieuwe woningen gerealiseerd moet worden in het stedelijk gebied van Vlissingen en Middelburg. De woningbouwopgave voor de gemeenten Vlissingen en Middelburg samen wordt in de kwaliteitsatlas geraamd op 3.400 woningen. In de kwaliteitsatlas wordt de plancapaciteit van de verschillende wijken weergegeven voor de periode 2010-2020. Voor de Stromenwijk is hier een aantal van 570 opgenomen. Het woningbouwbeleid is nader uitgewerkt in het beleidsdocument 'Woonvisie 2016-2020' van de gemeente Middelburg. Woonvisie 2016-2020 Op 14 december 2015 heeft de gemeenteraad van Middelburg de Woonvisie 2016-2020 vastgesteld.
De Woonvisie besteedt aandacht aan duurzaamheid en betaalbaarheid van de woningvoorraad, maar ook over de huisvesting van diverse, bijzondere doelgroepen zoals statushouders, mensen die net zijn gescheiden en starters. De economische crisis heeft ervoor gezorgd dat de woningmarkt ernstig is verstoord. Er is sprake van krapte op de sociale woningmarkt, waardoor woningzoekenden last hebben van lange wachttijden. Tijdig bijsturen is noodzakelijk om woningzoekenden te helpen bij het vinden van een woonruimte. Dit geldt ook voor bijzondere doelgroepen, zoals statushouders, mensen die net zijn gescheiden en starters. Het doel van de gemeente is om bijzondere doelgroepen een geschikte woonruimte te kunnen bieden, waarbij woonruimtes worden gezien als een noodzakelijke aanvulling op de huurmarkt. Een dergelijke duurzame oplossing vergt behoorlijke investeringen in nieuw en bestaand vastgoed. Dat kan alleen met een redelijk lange exploitatieperiode, waarbinnen schommelingen tussen verschillende doelgroepen kunnen worden opgevangen. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling past volledig binnen het beleid van de gemeente Middelburg. In de Kwaliteitsatlas wordt beschreven dat Middelburg woonmilieus wil bieden, aansluitend op de actuele vraag op de woningmarkt.
Het woningbouwbeleid is verder uitgewerkt in de Woonvisie 2016-2020, waaruit blijkt dat de gemeente Middelburg onder meer wil inzetten in woonruimtes voor bijzondere doelgroepen, zoals statushouders, mensen die net zijn gescheiden en starters. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan het gemeentelijk relevante ruimtelijk beleid.
Nota Ruimtelijke Kwaliteit Wie in Middelburg wil bouwen of verbouwen krijgt te maken met de nota Ruimtelijke Kwaliteit 2016. Deze nota is in de plaats gekomen van de Welstandsnota uit 2009. In de nota Ruimtelijke Kwaliteit is bepaald dat voor een bouwplan anders dan een enkele woning of in omvang vergelijkbaar bouwwerk een beeldkwaliteitsplan moet worden opgesteld. Een beeldkwaliteitsplan wordt opgesteld voordat de bouwplannen worden uitgewerkt. Het legt de stedenbouwkundige en architectonische kwaliteitsuitgangspunten vast voor een nieuwe ontwikkeling en gaat vaak ook in op de randvoorwaarden voor de inrichting van de openbare ruimte. De nieuwe ontwikkelingen voor een gebied waarvoor een beeldkwaliteitsplan geldt, worden getoetst aan dit beeldkwaliteitsplan, en niet meer aan de nota Ruimtelijke Kwaliteit. Het doel van de richtlijnen bij nieuwbouw is dat het bouwplan als geheel een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de bestaande (openbare stedelijke of landschappelijke) ruimte in het bijzonder. Het projectgebied ligt in het gebied dat in de nota Ruimtelijke Kwaliteit is aangeduid als gebied 3: ‘De uitbreidingswijken’.
Voor dergelijke gebieden gelden de volgende beoordelingscriteria: • het bebouwingsbeeld wordt in stand gehouden, zo mogelijk verbeterd; • bij verbouw is de vormgeving, gevelindeling en -geleding, maatvoering, materiaalgebruik, detaillering en karakter van het hoofdgebouw uitgangspunt; • aan-, uit- en bijgebouwen houden rekening met de herkenbaarheid van de hoofdbebouwing en sluiten qua architectuur aan op de bestaande bouwmassa en materialisatie; • gevels worden opgetrokken uit baksteen; • daken worden afgedekt met rode of donkergekleurde pannen; • kozijnen, ramen, deuren of gevelpanelen zijn van hout, op hout gelijkend kunststof of aluminium gemaakt (b.v. CLK-kozijnen met verdiept profiel); • kleuren passend in de omgeving. Het plan is aan het Walchers Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit (WARK) voorgelegd. Conclusie De tijdelijke ontwikkeling die met dit plan mogelijk wordt gemaakt is getoetst aan de welstandscriteria en door de welstandscommissie besproken en akkoord bevonden. De welstandsnota vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. 3.4
Conclusie beleidskaders De beoogde ontwikkeling vindt plaats in bestaand bebouwd gebied. Het betreft een functiewijziging door in totaal 52 tijdelijke wooneenheden toe te voegen. De verankerde bebouwingsstructuur c.q. hoofdopzet blijft onveranderd. Het bouwplan draagt primair bij aan het dringende verzoek van het Rijk om meer wooneenheden specifiek voor urgente doelgroepen, waaronder statushouders en spoedzoekers, mede in de vorm van flexibele tijdelijke woonvormen, te realiseren en creëren. Onderhavige ontwikkeling geeft hier uitvoering aan. Verder wordt de ontwikkeling, zowel qua inrichting, maat en schaalvoering, in relatie tot de directe omgeving zorgvuldig ingepast.
Geconcludeerd kan worden, dat het initiatief, zowel kwantitatief als kwalitatief, binnen de gestelde beleidskaders van zowel het Rijk, provincie als gemeente past.
4.
OMGEVINGSASPECTEN
4.1
Algemeen Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden naar elkaar toe. Bij nieuwe plannen vormt de milieukwaliteit een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsfuncties. In dit hoofdstuk worden de hier aan de orde zijnde relevante milieuaspecten behandeld die binnen de ruimtelijke ordening en daarmee voor het voorliggende afwijkingsbesluit van belang zijn.
4.2
Archeologisch onderzoek Wettelijk kader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. Beoordeling projectgebied In het ter plaatse geldende bestemmingsplan geldt een dubbelbestemming ter bescherming van de archeologische verwachtingswaarden opgenomen, Indien er bebouwing wordt opgericht met een oppervlakte groter dan 500 m² of dieper dan 40 cm onder het maaiveld, is nader onderzoek niet vereist.
Door de Walcherse Archeologische Dienst is in dat kader een bureau- en inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd (Bijlage 3). Op basis van het onderzoek is vastgesteld dat: • in de ondergrond van het onderzoeksgebied een lage verwachting op archeologische resten uit de ijzertijd en de Romeinse tijd rust. Het oostelijk deel van het onderzoeksgebied is gelegen ter hoogte van een poelgebied met onderliggend veen. Daar waar de top van het onderliggend veen bewaard is, kunnen archeologische resten uit de ijzertijd en/ of de Romeinse tijd aanwezig zijn. Deze kans is niet groot, omdat de bodemkarteerders Bennema en Van der Meer op hun bodemkaart hier met een arcering hebben aangegeven dat het veen weg gegraven is (zogenaamde moernering). Alleen centraal en aan het oostelijke uiteinde van het onderzoeksgebied zou volgens hen nog intact veen over een klein oppervlak aanwezig zijn; • in het westelijke uiteinde van het onderzoeksgebied volgens dezelfde bodemkaart uit 1952 afzettingen behorende bij een smalle kreekgeul te verwachten zijn. De kans bestaat dat vanaf de middeleeuwen hier menselijke activiteit heeft plaatsgevonden, waarvan nog archeologische resten terug te vinden zijn. In de lager gelegen poelgronden is de kans hierop veel kleiner;
• • • •
• • •
dwars door het onderzoeksgebied de oude Vlissingse Watergang heeft gelopen. Deze is na de oorlog gedempt. Het grondspoor zal nog aanwezig zijn; met het verdwijnen van de top van het Hollandveen ook eventuele resten uit de ijzertijd en/of Romeinse tijd verdwenen zijn; de top van de in het westen aanwezige zandige kreekafzetting lijkt geërodeerd te zijn, waardoor de kans op archeologische resten vanaf de middeleeuwen niet meer te verwachten zijn; op de geraadpleegde oude kaarten binnen het onderzoeksgebied verder geen structuren of bouwwerken aangegeven zijn. De verwachting op archeologie uit de Nieuwe tijd is daarom laag; er geen verwachtingsniveaus meer aanwezig zijn; er geen archeologische resten zijn aangetroffen; vervolgonderzoek niet is vereist
Conclusie Het aspect archeologie staat de beoogde planontwikkeling daarmee niet in de weg. De gronden worden verder vrij gesteld van nader onderzoek. In een opvolgend planologisch regime kan daarmee de dubbelbestemming voor deze gronden komen te vervallen. 4.3
Cultuurhistorie Wettelijk kader Goede ruimtelijke ordening betekent dat er, onder meer bij het opstellen van bestemmingsplannen, een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is daarbij een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Door wijziging per 1 januari 2012 van het Besluit ruimtelijke ordening (art. 3.1.6) dienen cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Beoordeling projectgebied Om een inzicht te krijgen in de aanwezige cultuurhistorische waarden binnen een projectgebied heeft de provincie de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) opgesteld. Op basis van de CHS zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen binnen het projectgebied aanwezig. Een nadere afweging, dan wel beschermingsregeling, is dan ook niet nodig. Conclusie De cultuurhistorische waarden van het projectgebied en omgeving worden door de realisatie van dit plan niet aangetast.
4.4
Bodem Wettelijk kader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet
stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's. Wanneer bodemsanering plaats moet vinden, moet gesaneerd worden, totdat de kwaliteit voldoet aan de bodemfunctieklasse van het desbetreffende gebied. De kaart met bodemfunctieklassen van de gemeente Vlissingen is voor de planlocatie Wonen. Ook wanneer grond wordt toegepast binnen het gebied, dient deze te voldoen aan de functieklasse. Ook moet de kwaliteit van de ontvangende bodem bekend zijn.
In dit geval is de vraag relevant of de bodem milieukundig gezien schoon genoeg is voor de beoogde functiewijziging van de planlocatie. Beoordeling projectgebied Uit eerdere onderzoeken, uitgevoerd in 2006 en 2007, is gebleken, dat ter plaatse ten hoogste lichte verontreinigingen voorkomen. De grond op de projectlocatie betreft de overtollige grond uit Rittenburg II die lang in depot heeft gelegen. Er is voor deze grond een melding voor ingediend en akkoord bevonden. Om die reden is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek niet vereist en kan de locatie als onverdacht worden aangemerkt. Conclusie Met betrekking tot de bodem zijn vanuit milieutechnische overwegingen geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.5
Water Wettelijk kader Waterbeheer en watertoets Het projectgebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van de ontwikkeling is overleg gevoerd met het waterschap over deze waterparagraaf, hetgeen een verplicht onderdeel van de procedure betreft. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en
kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: • Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: • Nationaal Waterplan (NW); • Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); • Waterwet. Provinciaal: • Provinciaal Waterplan; • Provinciale Structuurvisie; • Verordening Ruimte. Waterschapsbeleid Waterschap Scheldestromen is verantwoordelijk voor het beheer van het binnendijkse oppervlaktewater in Zeeland. Doel van het waterbeheer is het bereiken en in stand houden van een goede toestand van dit oppervlaktewater, zowel wat de waterkwaliteit betreft als de waterkwantiteit. Voor het projectgebied is het plan van het voormalige Waterschap Zeeuwse Eilanden van toepassing. Het gaat hierbij om 'integraal waterbeheer': waterzuiveringsbeheer en watersysteembeheer. Het waterschap streeft met het beleid, beheer en onderhoud naar een optimale status en aanwezigheid van oppervlaktewater en grondwater, dat van geschikte kwaliteit is voor mens en omgeving. Dit wordt bereikt met veilige en duurzame systemen voor wateraanvoer, ‐afvoer en ‐berging. Het waterschap draagt zorg voor een veilig en goed bewoonbaar gebied met gezonde en duurzame watersystemen. Recreatief medegebruik en 'beleving' van het water hebben daarbij ook de aandacht.
Het waterschap beschikt hiervoor over de Keur waterschap Zeeuwse Eilanden 2009. De Keur stelt regels in belang van het watersysteem en geeft aan welke activiteiten in de buurt van leggerwateren en waterkeringen wel en niet zijn toegestaan Om na te gaan of het voorliggend plan niet in strijd is met duurzaam waterbeheer, voldoet aan de waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen, is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de criteria uit de Zeeuwse Handreiking Watertoets. Deze criteria zijn bijeengezet in de watertoetstabel die door het Waterschap wordt gehanteerd en hierna is opgenomen. Uit toetsing aan deze criteria blijkt dat het aspect water geen vormt belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Beoordeling projectgebied Bij de inrichting en uitvoering van het vigerende bestemmingsplan ‘Stromenwijk’ is reeds in vereiste waterberging, mede voor onderhavige locatie, voorzien, zodat een opgave voor onderhavige ontwikkeling ontbreekt. Aan de noord- en zuidzijde van het perceel liggen secundaire watergangen. De beschermingszone van de watergang aan de noordzijde valt de eerste meters over het projectgebied, zowel aan de zijde van Het Zwin als de Stromenweg. Deze watergangen wateren af naar de hoofdwaterloop in westelijke richting. Het bouwvlak waarbinnen bebouwing mag
worden opgericht is buiten de beschermingszone gelaten. Door de ontwikkeling worden de bestaande watergangen en onderhoudsstroken verder niet aangepast, zodat de ontwikkeling daar geen invloed op heeft. De watertoetstabel In onderstaande tabel wordt aangegeven, welke invloed de voorgenomen ontwikkeling heeft op de diverse wateraspecten. Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking De ontwikkeling ligt niet binnen een keurzone van
Veiligheid waterkeringen Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.
een primaire of secundaire waterkering, zodat bouwen binnen deze zone op grond van de Keur van het waterschap zonder meer is toegestaan. Het aspect veiligheid/waterkering is derhalve niet aan de orde.
Voorkomen overlast door oppervlaktewater Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op ex-
Er is geen sprake van een toename van verhard oppervlak; de oprichting van de bebouwing is bij recht reeds toegestaan en in het vigerende bestemmingsplan reeds voorzien. Het hemelwater wordt op het oppervlaktewater geloosd.
treme weersituaties.
Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking (vervang toelichtingen door uw gegevens)
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI’s en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI,
Het hemelwaterafvoer en vuilwaterafvoeren worden gescheiden aangelegd, maar gezamenlijk aangesloten op het gemeenteriool.
het transportsysteem en het beperken van overstorten. De beoogde bouw leidt niet tot het onttrekken van
Grondwaterkwantiteit en verdroging
grondwater of het infiltreren van grondwater met als
Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast
doel het later weer op te pompen. Verdroging is dan
en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen
ook niet aan de orde. De ontwikkeling heeft derhalve
van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebie-
geen negatieve gevolgen voor de grondwaterkwanti-
den en –mogelijkheden.
teit. Er wordt niet gebouwd in een infiltratiegebied of natuurgebied. Door het gebruik van duurzame niet uit-
Grondwaterkwaliteit
logende bouwmaterialen heeft het plan geen nade-
Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit.
lige gevolgen voor de grondwaterkwaliteit. Ingrepen
Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.
voortkomend uit dit plan tasten geen bodemlagen aan als gevolg waarvan het grondwatersysteem verandert.
Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit.
Het regenwater van de daken en het terrein wordt
Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toe-
geloosd op het oppervlaktewater.
passing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren.
Volksgezondheid
Er is in de bestaande als in de toekomstige situatie
Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen.
geen sprake van open water. Het aspect is derhalve
Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de
niet relevant. Er worden geen water gerelateerde
daarvoor benodigde ruimte.
consequenties voor de volksgezondheid verwacht Het peilregiem van het projectgebied is afgestemd
Bodemdaling
op bebouwd gebied. Er is geen sprake van een peil-
Voorkomen van maatregelen die (extra)
verlaging en/of bodemdaling. Derhalve is deze pro-
maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen
blematiek niet aan de orde. Er wordt geen grondwa-
veroorzaken.
ter onttrokken. Bodemdaling wordt dan ook niet verwacht.
Natte natuur
Het projectgebied grenst niet rechtstreeks aan natte
Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en na-
natuurgebieden. Derhalve zijn er geen bijzondere
tuurlijk karakteristieke aquatische natuur.
maatregelen te treffen of beperkingen te verwachten
Onderhoud oppervlaktewater Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.
Er liggen geen waterlopen binnen de projectlocatie en er worden geen nieuwe waterlopen voorzien. Derhalve is het aspect onderhoud van de waterlopen niet aan de orde.
Andere belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren. Wegen in beheer bij het waterschap (alleen invullen voor zover van toepassing) * in de bouwfase: Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats over waterschapswegen?
*na realisatie: verkeersaantrekkende werking Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer?
na realisatie: bereikbaarheid Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en voetgangers uw plan kunnen bereiken.
Geef aan hoe U omgaat met objecten van waterbeheer voor zover aanwezig in de directe omgeving, zoals terreinen, milieucontouren, etc.
Nee Ja, door het realiseren van 52 tijdelijke wooneenheden zal het aantal van de verkeersbewegingen, zij het in geringe mate, toenemen. Hierbij overwegen wij, dat op grond van het geldende bestemmingsplan de realisatie van onder meer maatschappelijke voorzieningen, bedrijven en kantoren reeds is toegestaan. Daarnaast kan het verkeer vanaf Het Zwin via de Stromenweg en de Nieuwe Vlissingseweg in meerdere richtingen worden afgewikkeld. De toename van het verkeer, als deze dus zich al voordoet, is voor de nabije omgeving derhalve procentueel gering en zal niet tot onevenredige overlast leiden.
Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd?
Na realisatie: parkeren Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd?
Na realisatie: (ver)bouwen Bent u voornemens om binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals een woning of afscheiding (gefundeerd).
Het projectgebied is de bewoners en bezoekers via de bestaande infrastructuur bereikbaar. Er zullen geen wegen worden gewijzigd of worden aangelegd. Nee. Parkeren vindt plaats op de direct aangrenzende openbare ruimte, die daarin kan voorzien.
Nee
Conclusie De beschermingszone van Keur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Verder neemt het verhard oppervlak ten opzichte van het geldende bestemmingsplan niet toe; watercompensatie heeft reeds op basis van het geldende bestemmingsplan plaatsgevonden. Een wateradvies is daarom niet noodzakelijk. 4.6
Flora en fauna Wettelijk kader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden.
Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; - soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); - soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); - andere soorten (artikel 3.10).
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijsteling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en; 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Beoordeling projectgebied Soortenbescherming Het projectgebied betreft een bouwkavel c.q. terrein, welke braak ligt. De grond op de projectlocatie zelf betreft overtollige grond uit Rittenburg II die lang in depot heeft gelegen. Het kavel is daarmee een ongeschikte biotoop voor beschermde planten- en diersoorten. Binnen het projectgebied worden eveneens geen sporen van (zwaarder) beschermde soorten zoogdieren verwacht, gezien de aanwezige ongeschikte biotoop.