Bijlage 6 - Bijlagen Rittenburg III - concept vastgesteld BP
Tekst van het document
22
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
Hieronder ligt een dun laagje Hollandveen en vanaf 1,15 m -mv (1,75 m -NAP)13 kleiafzettingen van het Laagpakket van Wormer. Het Laagpakket van Wormer dekt op een diepte van 4,5 m -mv (5,1 m -NAP) het Basisveen Laagpakket af. Op 4,6 m -mv (5,2 m -NAP) ligt vervolgens de Formatie van Boxtel (Laagpakket van Wierden). Het kerngebied van Walcheren bestaat op de Geomorfologische Kaart van Nederland (Brus en de Lange, 1986, niet afgebeeld) globaal uit een poelgebied bestaande uit geëgaliseerde welvingen in getijafzettingen (code 3L27) die doorsneden wordt door een aantal brede getij-inversieruggen (code 3K33) en die plaatselijk gemoerd zijn (vlakte van plaatselijk gemoerde getijafzettingen, code 2M51). Het plangebied zelf is gelegen in een zone die, omdat deze bebouwd is, niet gekarteerd is. In de onmiddellijke omgeving van het plangebied komen alle hierboven opgesomde typen voor. Op de Bodemkaart van Nederland (kaartblad 47 Cadzand – 48 west Middelburg, Bazen en Pleijter, 1994, niet afgebeeld) is het plangebied eveneens te situeren ter plaatse van een niet gekarteerd gebied. In de onmiddellijke omgeving van het plangebied komen volgens deze kaart hoofdzakelijk kalkrijke poldervaaggronden voor (codes Mn22A en Mn25A). Deze zijn deels opgenomen in een pakket van geëgaliseerde en verwerkte zeekleigronden met plaatselijk veen binnen 1,2 m (code AEm8).
Afbeelding 7 Projectie van het plangebied op een vergrote uitsnede van de Bodemkundige Overzichtskaart van Walcheren. Schaal 1:15.000. Bron: Bennema en Van der Meer, 1952.
Voor Walcheren is tevens de meer gedetailleerde Bodemkundige Overzichtskaart van Walcheren van Bennema en Van der Meer (1952) beschikbaar. Op deze kaart wordt niet enkel een onderscheid gemaakt in de oorsprong van de afzettingen maar worden deze ook in een relatieve datering opgedeeld oudland (bodems met een code beginnend met MO), middelland (beginnend met MM) en nieuwland
De aanwezigheid van een dergelijk dun laagje Hollandveen (hier 10 cm) laat vermoeden dat het veen 23 gemoerd of geërodeerd is.
13
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
(codes beginnend met MN). 14 Projectie van het plangebied op deze bodemkaart (afbeelding 7) laat zien dat dit doorsneden wordt door een middellandkreekrug (MMr2Z) met op de flanken van deze kreek overgangsgronden (MMt3). In het uiterste noorden en zuidwesten van het plangebied bevinden zichmiddelland poelgronden (MMp2). Zowel de poelgronden als de overgangsgronden zijn grotendeels gemoerd (aangegeven met arcering). De middelland kreekruggronden waarop het plangebied gelegen is maakt deel uit van een krekensysteem (met op de flanken overgangsgronden en poelgronden) dat zich ingesneden heeft in een oudlandgebied bestaande uit oudland poelgronden (Mop11), en oudlandkreekruggen (Mok1) en overgangsgronden (MOt6). In afbeelding 8 is de bodemkaart in een straal van circa 300 m rondom het plangebied digitaal ingetekend waarbij het beeld vereenvoudigd is door onder andere de op originele kaart weergegeven perceelgrenzen weg te laten.
Afbeelding 8
Gedigitaliseerde versie van de Bodemkundige Overzichtskaart van Walcheren. Schaal
1:7.500. Naar: Bennema en Van der Meer, 1952.
2.2.3
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laser-altimetrie (LiDAR) verkregen digitale bestand toont een
Deze datering is zoals geschreven relatief en niet rechtstreeks te verbinden met bepaalde tijdsperioden.24 Deze relatieve datering is namelijk opgesteld voor geheel Walcheren.
14
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
goed beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Kleine hoogteverschillen kunnen zo visueel worden voorgesteld. Afbeelding 9 toont een bewerkte uitsnede van het AHN van de ruime omgeving van het plangebied, waarbij waarden hoger dan 4 m +NAP en lager dan 1,5 m –NAP egaal zijn ingekleurd. De weergave illustreert de opdeling van het landschap in een de lagergelegen poelgronden (blauwtinten) en de hierin gelegen (geul-)inversieruggen (geel- en oranjetinten op afbeelding 9). De poelgronden kennen een maaiveldhoogte tussen circa 1 en 1,4 m -NAP, de inversieruggen een hoogte tussen circa 0,5 en 1 m +NAP. Bovenaan het kaartbeeld is de historische kern van Middelburg als hoger gelegen gebied goed herkenbaar, hier bedraagt de hoogte tot ruim 3 m +NAP.
Afbeelding 9 Projectie van het plangebied op een uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3). Waarden hoger en lager dan 4 m + NAP en 1,5 m –NAP zijn egaal ingekleurd. Schaal 1:50.000. Bron: AHN.
Om het beeld te verfijnen is in afbeelding 10, op een kleinschaliger kaartbeeld, een uitsnede van het AHN weergegeven. Op deze afbeelding zijn waarden van meer dan 2 m +NAP en lager dan 1,5 m –NAP egaal ingekleurd, hierdoor is de hoger gelegen kleine geulrug centraal in het plangebied (0,2 m -NAP) iets duidelijker te onderscheiden van de lager gelegen poelgebieden (1 m -NAP). Doordat het plangebied in bebouwd gebied is gelegen is het AHN ook niet geschikt om eventueel oude structuren te herkennen. De maaiveldhoogte bedraagt binnen te grootste deel van het plangebied (voor zover onbebouwd) circa 0,3 m -NAP. Centraal in het noorden van het plangebied bevindt zich een lager gelegen zone, hier bedraagt het maaiveld 0,7 tot plaatselijk 1,14 m -NAP.
25
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
Afbeelding 10 Projectie van het plangebied op een uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3). Waarden hoger en lager dan 2 m +NAP en 1,5 m –NAP zijn egaal ingekleurd. Schaal 1:10.000. Bron: AHN.
2.3 2.3.1
Bewoningsgeschiedenis Historische gegevens
Bij het tot stand komen van voorliggend onderzoeksrapport is gebruikt gemaakt van meerdere historische of oude kaarten. Enkel die kaarten waarop nieuwe, afwijkende of kenmerkende informatie met betrekking tot het plangebied wordt weergegeven, zijn afgebeeld in het rapport. Hierbij dient opgemerkt dat de projecties die gemaakt zijn op de oude kaarten vrij betrouwbaar zijn voor alle kaarten daterend vanaf het midden van de 19de eeuw wanneer, dikwijls voor militaire doeleinden, topografische kaarten ontwikkeld werden met vrij grote schaalnauwkeurigheid. De projecties op de kaarten daterend vóór deze periode moeten dan ook als indicatief beschouwd worden. Betrouwbare historische gegevens uit de periode voor de dijkenbouw zijn uitermate schaars. De polder Walcheren, waarin het plangebied gelegen is, heeft een oppervlakte van circa 18.832 hectare en is hiermee de grootste polder in het Zeeuws en Zuid-Hollands deltagebied. Het is tegelijk ook één van de oudste Zeeuwse poldergebieden, die al voor 1200 moet zijn aangelegd. 15 Door de vroege inpoldering
15 Wilderom, 1968, 67.
26
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
heeft de invloed van de zee op Walcheren zich voornamelijk in de eerste eeuwen na Chr. laten gelden en nadien enkel langs de randgebieden van het eiland. Het huidig plangebied is, tot het in de 20e eeuw opgenomen is in de Stromenwijk van het sterk uitdijende Middelburg, in het buitengebied ten zuiden van de stad gelegen in de Ambachtsheerlijkheid Koudekerke. Koudekerke is een dochterparochie van de Westmonster in Middelburg die ergens voor 1198 opgericht is. 16 Op de kaart door Sgrooten uit 1573 (afbeelding 11) is het dorp aangegeven als Coudekercke. Het plangebied zelf is op deze kaart niet exact te projecteren, het bevindt zich ten noordoosten van de Coudekercke, ten zuiden van Myddelburg. Op deze kaart staat ook de plaats Hoghe aangegeven, ten noordwesten van de globale ligging van het plangebied. Dit betreft het hier gelegen middeleeuwse kasteel uit het begin van de 14e eeuw. Dit kasteel dat bestaat uit een centrale middenplaats omgeven door gebouwen en aan de buitenzijde omgeven met een slotgracht/vijver is in de 18e eeuw gesloopt en vervangen door het nu nog bestaande Slot Ter Hooge. Dit slot is gelegen op circa 1 km ten noordwesten van het huidig plangebied.
Afbeelding 11 Globale ligging van het plangebied op Ostium Scaldis fluvii cum insulis quas efficit, Kaart van de Zeeuwse Delta, door Sgrooten, 1573. Bron: Koninklijke Bibliotheek van België.
16 Henderikx, 1996, 21.
27
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
Afbeelding 12 Projectie (bij benadering) van het plangebied op Zelandiae comitatus, het nieuwe aanzien van westelijk Staats-Vlaanderen, door N. Visscher uit het midden van de 17e eeuw, zoals uitgegeven door Ottens in 1740. Bron: Nationale Bibliotheek Frankrijk.
De kaart door Visscher en Roman uit het midden van de 17e eeuw (zie afbeelding 12) toont, behalve de diverse parochies, voor het eerst individuele voorname bebouwing en weginfrastructuur. Deze kaart geeft echter een vereenvoudigd beeld van de wegen tussen de woonkernen. Ook de kerken en de bewoning van de dorpen staan vaak niet op de juiste plaats aangegeven. Bij de inkleuring van deze kaart is een onderscheid gemaakt tussen de verschillende heerlijkheden, zonder dat deze hier benoemd worden. Een geheel exacte projectie van het plangebied op deze kaart is door het ontbreken van schaalvaste geografische referentiepunten niet mogelijk. Uit de projectie bij benadering blijkt dat zich in het noordoosten of net ten noordoosten van het plangebied een bergje gelegen is. Dit betreft (vermoedelijk) de locatie van een voormalige vliedberg of motte (deze is als archeologische vindplaats in het gemeentelijk beleid opgenomen). Het plangebied wordt van het noordwesten naar oosten doorsneden door een weg die een ten oosten van het plangebied gelegen erf ontsluit. De kaart door de gebroeders Hattinga die in het midden van de 18e eeuw is vervaardigd (kaart uit 1750, zie afbeelding 13) geeft wel de namen van de heerlijkheden weer. Het plangebied ligt hier binnen de Heerlykheit van Koudekerke.
Hoewel ook deze kaart niet geheel schaalvast is zijn er toch voldoende aanknoopten met de 19e -eeuwse situatie om een projectie bij benadering toe te laten. Deze projectie laat zien dat het plangebied ook in de 18e eeuw doorsneden wordt door een weg, het erf dat door deze weg ontsloten wordt ligt net ten oosten of op de oostelijke rand van het plangebied. De berg die op de kaart door Visscher ten noorden van het plangebied staat aangegeven wordt eveneens door de Hattinga’s afgebeeld, maar ligt op deze kaart meer naar het noorden. Het plangebied is op basis van de projectie op deze kaart nog steeds in onbebouwd gebied gelegen.
28
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
Afbeelding 13 Uitsnede van de Kaart van Walcheren door gebroeders Hattinga, 1750. De globale ligging van het plangebied is met een rode polygoon aangegeven. Bron: Zeeuws Archief.
Op het Minuutplan van de Kadastrale Kaart uit het begin van de 19e eeuw 17 (afbeelding 14) is te zien dat in de onmiddellijke omgeving van het plangebied geen ingrijpende veranderingen hebben plaatsgevonden sinds de 18e-eeuw (en de kaart door Hattinga, afbeelding 13). Het plangebied is nog steeds in onbebouwd gebied gelegen. Het plangebied is op de kadastrale documenten gelegen binnen de kadastrale gemeente Koudekerke, sectie E en maakt er deels deel uit van meerdere percelen. Het geheel is gekend onder de veldnaam Schulwerve Blok. Gedurende de Tweede Wereldoorlog is dit gebied overgeheveld naar de kadastrale gemeente Middelburg. In de OAT (Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel), die bij de Kadastrale Minuut hoort, kan het belastbaar grondgebruik op perseelsniveau in kaart opgezocht worden. Alle percelen die in en straal van 50 m rondom het plangebied gelegen zijn, zijn in afbeelding 15 op basis van belastbaar grondgebruik ingekleurd.
29
17 Deze kaarten hadden tot doel grondbelasting te kunnen heffen op grondbezit en gebouwen. Het zijn ook de eerste
kaarten die nauwkeurig zijn tot op kadastraal perceelsniveau.
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
Afbeelding 14 Ligging van het plangebied op een digitale versie van het Minuutplan van de Kadastrale Kaart (ca 1832). Schaal 1:15.000. Bron: Geoloket Provincie Zeeland.
Afbeelding 15 Ligging van het plangebied op een digitale versie van het Minuutplan van de Kadastrale Kaart (ca 1832). Het belastbaar grondgebruik zoals opgenomen in de OAT is per type ingekleurd. Schaal 1:5.000. Bron: Geoloket Provincie Zeeland. Het perceel met een rode ster betreft de Bultweie (zie verder).
30
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
Afbeelding 16 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op vergrote uitsneden van de Topografische Kaarten uit de 19e en 20e eeuw. Schaal: 1:12.500. Bron: Esri Nederland; Kadaster.
Vanaf het midden van de 19e eeuw worden de Topografische (militaire) kaarten geproduceerd (afbeelding 16). Op de opeenvolgende kaarten die in afbeelding 16 zijn opgenomen is de evolutie tussen 1857 en 2005 te volgen. Opvallend is in elk geval dat op de kaart uit het midden van de 19e eeuw
31
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
de ontsluitingsweg die voorheen doorheen het plangebied lag, rechtgetrokken is en nu enkel nog in het noordoosten van het plangebied gelegen is. Tussen 1950 en 1968 verandert het uitzicht in de omgeving ingrijpender. Grenzend aan het westen van het plangebied wordt de Vlissingsche Watergang aangelegd en het erf dat zich ten oosten van het plangebied gelegen is wordt ontsloten door middel van een nieuwe toegangsweg vanuit het oosten. Ook de kleine percelering verdwijnt ten gevolge van de ruilverkaveling en maakt plaats voor grotere percelen. In 1985 is het beeld vervolgens opnieuw geheel anders, de Stromenwijk is dan in realisatie en binnen het plangebied wordt bebouwing aangegeven die op de volgende kaarten veder in omvang toeneemt. Deze bebouwing is in de loop van 2012-2013 en 2017 gesloopt, waarna het terrein braakliggend is.
2.3.2
Archeologische Gegevens
In deze paragraaf worden de bekende archeologische gegevens weergegeven die zich in de directe omgeving van het plangebied bevinden. Hierbij is een straal van circa 500 m rondom het plangebied gehanteerd. Alleen de archeologische onderzoeken en vondsten die relevante informatie met betrekking tot het opstellen van een specifiek archeologisch verwachtingsmodel opleveren worden nader besproken. De overige worden enkel opgesomd in de tabellen. Deze gegevens zijn ontleend aan Archis en de gemeentelijke verwachtingskaart.
Archeologische Monumentenkaart (AMK) De AMK is een dynamisch digitaal bestand van alle bekende behoudenswaardige archeologische terreinen in Nederland dat door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) in samenwerking met de Provincie Zeeland is opgesteld. Op de kaart staan terreinen met archeologische status aangegeven. Statustoekenning vindt plaats nadat het terrein is getoetst aan een aantal door de RCE gehanteerde criteria: kwaliteit, zeldzaamheid en contextwaarde. De AMK is opgenomen in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur. De AMK wordt echter niet meer bijgehouden en heeft op zichzelf geen juridische status, enkel voor de beschermde archeologische monumenten is het RCE nog steeds bevoegd. Ter plaatse van en in een straal van 500 m rondom het plangebied komen geen archeologische monumenten van de AMK voor.
Onderzoeken, vondsten en gemeentelijke vindplaatsen Archis is het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen, daterend van de prehistorie tot en met de nieuwe tijd. Sinds de invoering van Archis 3 zijn een aantal functionaliteiten weggevallen, waardoor er nu minder informatie beschikbaar is over de resultaten van oudere onderzoeken. Vandaar dat ook gebruik is gemaakt van oudere Archis 2 bestanden. Waar mogelijk werden alle onderzoeksrapporten opgevraagd in Archis en Dans Easy, de database voor onderzoeksdata. Om dit onderzoek te kaderen in het archeologisch verhaal werden gegevens in straal van 500 m rondom het plangebied bekeken. De nummering in de eerste kolom van tabellen 1 en 2 betreft de nummers waarmee de locaties op afbeelding 16 staan weergegeven. Plaatselijk kunnen meerdere meldingen per nummer voor komen, dit omdat het in dat geval onderzoeken of vondsten betreft die op dezelfde locatie zijn gemeld. In totaal zijn in de omgeving van het plangebied 7 eerdere onderzoeken in Archis 3 opgenomen. Dit betreft hoofdzakelijk bureau- en booronderzoeken maar ook enkele archeologische begeleidingen.
32
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
Afbeelding 16 Projectie van het plangebied op de Topografische kaart met aanduiding van onderzoeken en vondstlocaties (gegevens ontleend aan Archis 3) en de gemeentelijke vindplaatsen. De gebruikte cijferaanduidingen zijn dezelfde als in de tabellen 1 en 2. Schaal 1:10.000. Bron ondergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors, 2020. Tabel 1 Overzicht van de eerder uitgevoerde onderzoeken binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Onderzoeken op dezelfde locatie staan per nummer gegroepeerd.
Nr.
Onderzoek
Uitvoerder
Aard en resultaten onderzoek
1
2051798100
SOB Research
Archeologisch booronderzoek (2004). Bij dit onderzoek werd vastgesteld dat zich in het noordoostelijke deel van het toenmalig plangebied diepreikende geul-afzettingen van het Laagpakket van Walcheren bevonden. In het overige deel van het plangebied werden komafzettingen (Laagpakket van Walcheren) op Hollandveen, op afzettingen van het Laagpakket van Wormer vastgesteld. Er werd een vervolgonderzoek aanbevolen omdat er resten van het voormalige Hof Vijverzicht aangetroffen konden worden.
2104366100
SOB Research
Archeologische begeleiding van de aanleg van rioolsleuven en bouwputten (2006). Er werden recente puinstorten en een gedempte greppel die mogelijk aan de tuin bij het Hof Vijverzicht heeft behoord aangetroffen.
33
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
Nr.
Onderzoek
Uitvoerder
Aard en resultaten onderzoek
2
2368638100
WAD
Archeologisch booronderzoek (2011). Er werden geen aanwijzingen voor archeologische resten aangetroffen. Uit de boringen bleek dat in vrijwel alle de poelgebieden moernering had plaatsgevonden. Wel is aan de noordzijde van het meest zuidelijke perceel, het sportveldje van het ROC, een zone aangeboord, waar het Hollandveen nog intact was. Hier konden mogelijk nog resten uit de ijzertijd/Romeinse tijd aanwezig zijn. Op een aantal plaatsen zijn nog geïsoleerde boringen met intact Hollandveen gelegen. Er werd dan ook aanbevolen om in vier zones met intact Hollandveen een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren door middel van proefsleuven. In het zuiden van het toenmalig plangebied werd dezelfde kreekrug aangeboord die ook het huidig plangebied doorsnijdt. Hier werd vastgesteld dat de bovenzijde van het veen door erosie was aangetast tot een diepte van circa 2m – mv. Verder is uit dit onderzoek ook gebleken dat met name ter plaatse van de jonge overgangsgronden die langs de kreekbedding gelegen zijn het veen niet gemoerd is. 18
3
2420063100
WAD
Archeologisch proefsleuvenonderzoek (2013) op de top van het Hollandveen (ijzertijd/Romeinse tijd) in de vier zones met intact veen, zoals dit op basis van het bovenstaande onderzoek geadviseerd werd. Tijdens het proefonderzoek kon worden vastgesteld dat op drie van de vier geselecteerde locaties weliswaar intact Hollandveen aanwezig was, maar geen bewoningssporen uit ijzertijd of Romeinse tijd. Een vierde zone bleek wel gemoerd te zijn. De boring tijdens het voorgaande onderzoek bleek in een brede veendam gezet.
4
2262576100
WAD
Archeologisch booronderzoek (2009). Tijdens het booronderzoek is vastgesteld dat het grootste deel van het terrein tot op een diepte van circa 1,50 m -mv verstoord is door de vorige bebouwing. In de noordwestelijke hoek van het toenmalig plangebied werd nog een intacte top Hollandveen aangeboord. Hierin werden geen indicatoren aangetroffen. Ook aan de noordoostelijke zijde van het terrein was nog intact Hollandveen aanwezig maar in deze zone was deze top ernstig verstoord door de ondergrondse sloop van de recente bebouwing. Hoewel tijdens het booronderzoek geen specifieke indicaties voor een archeologische vindplaats uit de ijzertijd en/of Romeinse tijd in de top van het Hollandveen werden gevonden is niet uitgesloten dat zich binnen het plangebied vindplaatsen uit deze periode bevinden. Er is dan ook een archeologische begeleiding aanbevolen voor die zones waar intact veen is aangetroffen.
5
2296061100
WAD
Archeologisch booronderzoek (2011). Het plangebied bestond uit twee kleine kreekruggen met daartussen poelgronden. In het uiterste zuiden bevond zich nog een restgeul. Uit het vooronderzoek bleek echter dat de kans op het aantreffen van archeologisch behoudenswaardige resten binnen het plangebied klein was. Wel werd in één boring nog intact Hollandveen aangetroffen waarop mogelijk nog bewoningssporen uit ijzertijd en Romeinse tijd aanwezig konden zijn. Het Hollandveen zou echter met de geplande werkzaamheden niet bereikt worden. Er archeologische begeleiding van de werd een graafwerkzaamheden aanbevolen. De twee boringen in het
18 Silkens, 2012.
34
ARTEFACT! RAPPORT 565
Nr.
Onderzoek
Uitvoerder
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
Aard en resultaten onderzoek noorden van het toenmalig plangebied zijn gelegen ter plaatse van dezelfde kreekrug die ook het huidig plangebied doorkruist. Hier is vastgesteld dat door deze kreek het veen grotendeels geërodeerd. 19
2320799100
WAD
Archeologische begeleiding (2011). Tijdens de begeleiding werden geen behoudenswaardige archeologische sporen aangetroffen. Wel werden resten van moernering gevonden en enkele kuilen met verbrand puin en afval ter hoogte van de bunkers uit de Tweede Wereldoorlog.
In Archis 3 staat één vondst gemeld binnen het plangebied (nr. 9 in tabel 2). Dit betreft de melding van de aanwezigheid van een inmiddels verdwenen verhoging in het landschap. Dit betreft een melding op basis van oude ROB-documentatie. Ten oosten van deze vondstlocatie (deels overlappend met het huidig plangebied) ligt een gemeentelijke vindplaats, deze geeft de ligging van de berg aan die op de kaart door de gebroeders Hattinga staat aangegeven en die door De Man is opgenomen in zijn overzicht. 20 Aangenomen wordt dat zowel de gemeentelijke vindplaats als de Archis-vondstlocatie dezelfde berg betreffen. De Man beschrijft de ligging van deze berg vrij cryptisch als gelegen aan de Groeneweg of Zwarteweg in een inspringende hoek van twee wegen op een terrein dat de Bergwei wordt genoemd. Een dergelijke veldnaam komt in de ruime omgeving van het plangebied niet voor in het overzicht van de veldnamen van Walcheren (raadpleegbaar via Geoloket: CultuurHistorie van de provincie), wel is perceel 219 van het minuutplan van de kadastrale kaart uit de 19e eeuw (aangegeven met een rode ster op afbeelding 15) als de Bultweie gekend. Het is aannemelijk dat hierin een verwijzing zit naar de aanwezigheid van een verhoging in het perceel die wel eens de verdwenen vliedberg zou kunnen zijn.
De in overige de omgeving gedane vondsten dateren uit de middeleeuwen en nieuwe tijd en betreffen losse en oppervlaktevondsten. Tabel 2 Overzicht van de vondstlocaties in de omgeving van het plangebied.
Nr.
Vondslocatie
Datering
Aard van de waarneming of vondstmelding
6
1053327
NT
Melding uit 1986 van de vondst door een particulier van munten uit de nieuwe tijd. Is tevens een gemeentelijke vindplaats. [Op deze locatie heeft in het verleden een buitenplaats gestaan met de benaming Lustenburg].
7
1099900
NT
Melding van de vondst door een particulier van een monogram zegelstempel uit de 18e-19e eeuw
8
1084239
ME
Aan de oppervlakte van een akker langs de Stromenweg zijn drie fragmenten Pingsdorf aardewerk opgeraapt. Op dezelfde locatie zijn met de metaaldetector een bronzen kruisfibula, mogelijk daterend uit de vroege middeleeuwen, en een koperen profielgesp gevonden.
19 Silkens, 2011. 20 De Man, 1888, 482.
35
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
Nr.
Vondslocatie
Datering
Aard van de waarneming of vondstmelding
9
1047610
ME
Locatie van het niet meer bestaande ophoging in het landschap, melding op basis van oude ROB-documentatie. Ten oosten van deze vondstlocatie ligt de gemeentelijke vindplaats.
Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD) – cultuurhistorie – bouwhistorische elementen Het Zeeuws Archeologisch Depot bevat geen bijkomende vindplaatsen in of onmiddellijk nabij het plangebied die niet in Archis opgenomen zijn. 21
Afbeelding 17 Projectie van het plangebied op de Topografische kaart met aanduiding van de in het Geoloket: CultuurHistorie van de provincie opgenomen elementen. Schaal 1:10.000. Bron ondergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors, 2020.
21
Mail H. Jongepier (Erfgoed Zeeland), dd. 18-03-2020.
36
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
Binnen het Geoloket: CultuurHistorie van de provincie wordt op de kaartlaag Historische stedenbouw de boerederij uit 1920 aan de Abeelseweg 3 weergegeven als een Cultuurhistorisch monument (ZL-MB281). De kaartlaag Historisch Landschap geeft aan dat ten zuiden van het plangebied zich een deel van de tankgracht van het Duitse Landfront Vlissingen (complex 529327) bevindt. Ten oosten van deze tankgracht, aangelegd tussen 1942 en 1944, zijn verschillende bunkercomplexen gelegen waarvan deze die heden nog bewaard zijn ook opgenomen zijn in de lijst met Rijksmonumenten en MIPobjecten. De omtrek van het voormalig landgoed Toorenvliedt is opgenomen in de lijst met Landgoederen (GEO-4065) en de Vlissingsche Watergang is er opgenomen onder de lijst Waterstaat (GEO-4154) met de vermelding dat deze voor een deel bestaat uit de voormalige tankgracht die na 1945 in het vernieuwede afwateringssysteem is betrokken.
2.3.3
Recent gebruik: verstoringen en luchtfoto’s
In kader van het archeologisch bureauonderzoek zijn meerdere luchtfoto’s geraadpleegd: uit 1944 (Wageningen UR Library), 1959, 1970 (Geoviewer Provincie Zeeland), 1977 (databank RCE), 1989 (FotoAtlas Zeeland 1989), 2003 (Luchtfotoatlas Zeeland 2004/ Geoviewer Provincie Zeeland) en de satellietfoto’s uit 2005 en 2007 t.e.m. 2019 (Geoviewer Provincie Zeeland).
Afbeelding 18 Projectie van het plangebied op een luchtfoto door de RAF, genomen op 14 oktober 1944. Bron: Wageningen UR Library, Special Collections.
37
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
Van de geraadpleegde foto’s zijn de beelden uit 1944 en 1959 het meest interessant. Op deze foto’s is namelijk de situatie voor de bebouwing te zien. Op de foto uit 1944 is het oude perceelspatroon uit de 19e eeuw nog in het landschap zichtbaar. De foto uit 1959 laat dan weer de situatie na de ruilverkaveling zien. Op deze foto zijn in het noorden en net ten noorden van het plangebied een tweetal vage circulaire patronen waar te nemen. De meer oostelijke, kleinere, cirkel overlapt met de gemeentelijke vindplaats. Mogelijk is hier dan ook de vage imprint van de verdween berg te zien. Deze imprint is niet gelegen in het perceel dat als de Bultweie gekend is, de grotere circulaire structuur ligt wel deels binnen dit perceel. Vanaf de foto uit 1970 is het plangebied bebouwd. De overige geraadpleegde luchtbeelden schetsen een gelijkaardig beeld aan de topografische kaarten die eerder in hoofdstuk 2.3.2 besproken werden. Deze luchtfoto’s worden dan ook niet als afbeelding opgenomen in het rapport. Uit deze overige luchtbeelden blijkt wel dat in de loop van 2012/2013 de gebouwen in het noorden en noordwesten van het plangebied gesloopt zijn. Het gebied moet daarna genivelleerd zijn aangezien het vervolgens in gebruik is als grasveld. In 2017 volgen dan de bebouwing in de overige delen van het plangebied.
Afbeelding 19 Projectie van het plangebied op een luchtfoto uit 1959. In de inzet zijn de twee vaag waarneembare cirkels geel aangegeven. Bron: Geoloket provincie Zeeland.
Volgens de KLIC-gegevens bevinden zich, behalve verschillende strengen met huisaansluitingen voor de verdwenen gebouwen, binnen het plangebied geen kabels of leidingen.
38
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
Binnen het plangebied is in het verleden een bodemonderzoek uitgevoerd. 22 Voor het noorden van het plangebied is hierbij aangegeven dat dit voldoende onderzocht is, in het zuiden zijn reeds meerdere bodemonderzoeken en historische onderzoeken verricht. Voor dit deel van het plangebied is reeds de voormalige aanwezigheid van een verfspuitinrichting (metaal), lasinrichting, metaalwarenfabriek, sociale werkplaats, timmerwerkplaats, dieseltank (bovengronds) en timmerfabriek gekend. Deze waren aanwezig in de inmiddels gesloopte gebouwen, er zijn geen saneringen uitgevoerd.
2.4
Archeologisch Verwachtingsmodel
Op basis van de in eerdere paragrafen beschreven informatie over de huidige situatie, de aardwetenschappelijke, de historische situatie en bekende archeologische waarden kan een specifieke archeologische verwachting worden opgesteld. Hierbij wordt per geologisch niveau aangegeven uit welke perioden archeologische waarden aangetroffen kunnen worden. Indien mogelijk wordt hierbij informatie verstrekt over het complextype en worden nadere kenmerken van de vindplaats beschreven. Op basis van de beschikbare geologische informatie wordt het plangebied van noordwest naar zuidoost doorkruist door een kreekrug van het Laagpakket van Walcheren. Ter plaatse van deze kreekrug is de bovenzijde van het Hollandveen geërodeerd. In de overige delen van het plangebied bestaat de ondergrond uit poelgronden en overganggronden (van de kreekrug naar de poelgrond) op Hollandveen. Eerder onderzoek in de omgeving heeft uitgewezen dat het veen ter plaatse van de poelgronden grotendeels gemoerd is maar dat het vaak intact bewaard is gebleven ter plaatse van de overgangsgronden. Onder het veen bevinden zich kleiafzettingen van het Laagpakket van Wormer met daaronder, op circa 5,1 m -NAP Basisveen en op circa 5,2 m -NAP de pleistocene Formatie van Boxtel (Laagpakket van Wierden). Op basis van deze beschikbare gegevens komen binnen het plangebied verschillende potentieel archeologische niveaus voor.
Per niveau zal de archeologische verwachting besproken worden voor de beide zones, enkel perioden met een middelhoge of hoge verwachting zijn vervolgens in de verwachtingstabellen opgenomen. Laagpakket van Wierden – Formatie van Boxtel Vindplaatsen uit het laat-paleolithicum kunnen worden verwacht in eventueel aanwezige paleosols in het opgaand pakket dekzand behorende tot het Laagpakket van Wierden en vindplaatsen uit het finaal-paleolithicum en mesolithicum in de top van dit dekzand. Op basis van de veronderstelde aanwezigheid van mogelijk intact dekzand van het Laagpakket van Wierden vanaf circa 5,2 m -NAP, geldt een middelhoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden uit het laatpaleolithicum in eventueel aanwezige paleosols en een middelhoge verwachting voor het finaalpaleolithicum en mesolithicum in de bovenzijde van het dekzand. Datering
Laat-paleolithicum – mesolithicum.
Complextype
Laat-paleolithicum – mesolithicum: kampementen – losse mobilia.
Soort vindplaats
Mogelijk vondststrooiing; off-site vindplaatsen. Vanaf het mesolithicum: vindplaatsen met ondiepe grondsporen.
22 Raadpleging bodemloket, dd. 19-03-2020.
39
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
Omvang
5 tot 10 m².
Uiterlijke kenmerken
De archeologische resten zullen zich kenmerken door vuurstenen (werktuigen en afslagen). Tevens bestaat de mogelijkheid dat grondsporen (haardplaatsen) kunnen worden aangetroffen, deze kunnen zich kenmerken door de aanwezigheid van houtskool.
Vondstdichtheid
Zeer laag: < 40 per m².
Diepteligging
Naar verwachting vanaf een diepte van circa 5,2 m -NAP, vindplaatsen uit het laat-paleolithicum zullen zich op grotere diepte bevinden.
Locatie
Volledig plangebied.
Gaafheid en conservering
Naar verwachting is het betreffende niveau intact bewaard gebleven. Omdat dit (bij aanvang) geen vochtige niveaus betreft zal naar verwachting de conservering van organische materialen slecht zijn. Er heeft naar verwachting geen verstoring van dit niveau plaatsgevonden.
Mogelijke verstoringen
Basisveen Laagpakket – Formatie van Nieuwkoop Tijdens de periode van het laat-mesolithicum tot en met het midden-neolithicum maakte het plangebied vermoedelijk reeds deel uit van een veenmoeras dat zich door de verdergaande vernatting op het voormalige pleistocene landschap ontwikkelde. Een ontwikkeld veenmoeras was geen geschikte plaats om op te wonen of landbouw te bedrijven. Er geldt dan ook een lage verwachting op het aantreffen van vindplaatsen uit de het laat-mesolithicum tot midden-neolithicum. Het Basisveen kan op basis van de gegevens van het DINO-loket binnen het plangebied aangetroffen worden vanaf een diepte van circa 5,1 m -NAP. Laagpakket van Wormer – Formatie van Naaldwijk Na afloop van de vorming van de marine afzettingen die het Laagpakket van Wormer vormen is in principe bewoning mogelijk. Eventuele bewoning uit het laat-neolithicum is dan ook te verwachten bovenin deze afzettingen. In gebieden met een kleiige bovenzijde van het pakket (zoals dit in het huidig plangebied op basis van eerder onderzoek in de omgeving het geval is) is de verwachting echter laag. De lage verwachting wordt ingegeven door het beperkte aantal aangetroffen vindplaatsen in de omgeving van het plangebied en bij uitbreiding heel Zeeland.
Dit kan mede zijn veroorzaakt door het ontbreken van gericht onderzoek op afzettingen van dit laagpakket, de onderzoeksmethode van de afgelopen decennia en de moeilijke opspoorbaarheid van dergelijke vindplaatsen in Holoceen gebied. Anderzijds wijzen de uiterst zeldzame vondsten op dit niveau eerder op een gebruik van dit gebied als jachtgebied dan als woongebied. In het plangebied wordt de top van deze afzettingen van het Laagpakket van Wormer op basis van de beschikbare gegevens uit eerder onderzoek in de omgeving en de gegevens van het DINO-loket verwacht op een diepte vanaf circa 1,75 m -NAP. Hollandveen Laagpakket – Formatie van Nieuwkoop Resten uit de bronstijd tot midden-ijzertijd kunnen voorkomen in de onderzijde van en het opgaand Hollandveen Laagpakket. Gedurende de bronstijd en midden-ijzertijd behoorde het plangebied echter tot een uitgestrekt veenmoeras waar de omstandigheden vermoedelijk te nat en ongunstig waren voor bewoning. Gecombineerd met het ontbreken van vindplaatsen uit deze periode in Zeeland (met uitzondering van het duinengebied in Westenschouwen en het Pleistoceen dekzand in Nieuw Namen) wordt de archeologische verwachting voor deze periode laag ingeschat. In het plangebied wordt de
40
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
onderzijde van het Hollandveen op basis van de beschikbare gegevens uit eerder onderzoek in de omgeving en de gegevens van het DINO-loket verwacht vanaf een diepte van circa 1,75 m -NAP. In de (intacte) top van het Hollandveen kunnen vindplaatsen uit de late ijzertijd tot en met Romeinse tijd worden verwacht. Op het grondgebied van de gemeente Middelburg werden reeds eerder vindplaatsen uit deze perioden aangetroffen, in de onmiddellijke omgeving van het plangebied zijn deze tot op heden niet vastgesteld. De verwachting op het aantreffen van vindplaatsen uit deze periode in de top van het veen wordt desondanks middelhoog ingeschat. Dit intact niveau wordt op basis van eerder onderzoek in de omgeving met name hoofdzakelijk verwacht in de zones met overgangsgronden op de randen van de kreekrug van het Laagpakket van Walcheren. In de poelgebieden is het veen naar verwachting grotendeels gemoerd, doch hier kunnen ook zones met intact veen voor komen. Ter plaatse van de kreekrug is de bovenzijde van het Hollandveen naar verwachting geërodeerd. Waar het veen gemoerd of geërodeerd is vervalt de archeologische verachting voor de late ijzertijd en Romeinse tijd. Datering
Late ijzertijd - Romeinse tijd.
Complextype
Rurale nederzettingen, grafvelden, sporen gerelateerd aan ambachtelijke activiteiten, infrastructuur: grondsporen (paalsporen, afvalkuilen, greppels) en houten paaltjes in het veen, bodembewerking in functie van de landbouw. Vindplaatsen met grondsporen; mogelijk vondststrooiing; Off-site vindplaatsen. > 200 m2; de omvang van deze vindplaatsen varieert sterk en is afhankelijk van de aard van de vindplaats.
Soort vindplaats Omvang Uiterlijke kenmerken
Vondstdichtheid
De archeologische resten zullen zich kenmerken door bewerkt natuursteen (zoals maalstenen), bewerkte organische resten (hout, bot) en aardewerk en bouwkeramiek. Tevens bestaat de mogelijkheid dat er houtskool wordt aangetroffen. Nederzettingsterreinen kunnen zich ook vertalen in een zwak heterogene en/of brokkelige, losse structuur in het veen, soms met bijmenging van klei. Zeer laag: < 40 per m².
Diepteligging
De top van het veen kan aangetroffen worden op een diepte van circa 1,7 m -NAP.
Locatie
Volledig plangebied.
Gaafheid en conservering
Matig: afgedekt landschap met goede bewaarcondities voor o.a. organisch materiaal maar mogelijk deels aangetast door moernering en erosie. Omdat dit (bij aanvang) een relatief organisch rijk en vochtig niveau betreft en dit naderhand in een vochtig zuurstofarm pakket gelegen is zal naar verwachting de conservering van organische materialen redelijk goed zijn. Gegevens uit eerdere onderzoeken in de omgeving laten veronderstellen dat het betreffende niveau in hoofdzaak goed bewaard gebleven kan zijn langs de randen van de binnen het plangebied gelegen kreekrug (de zone met overgangsgronden). Bij onderzoek in een aangrenzend plangebied is in de poelgebieden hoofdzakelijk (maar niet uitsluitend) gemoerd veen aangetroffen en is vastgesteld dat de top van het veen ter plaatse van de kreekbedding geërodeerd is.
Mogelijke verstoringen
Mogelijk deels aangetast door moernering en/of door mariene erosie.
Laagpakket van Walcheren – Formatie van Naaldwijk
41
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek, betreffende de aardwetenschappelijke en archeologische gegevens van de omgeving van het plangebied, kan worden gesteld dat het plangebied gelegen is binnen een gebied van poelafzettingen van het Laagpakket van Walcheren dat doorsneden wordt door een kreek. Door inversie van het landschap is deze kreek hoger in het landschap te komen liggen dan het omliggende poelgebied. Het plangebied is gelegen in een gebied dat reeds voor 1200 is ingepolderd. Op basis van historische gegevens is geen nederzetting bekend ter plaatse van of in de onmiddellijke omgeving van het plangebied. Vanuit de dorpen en steden werden grote veengebieden gemoerd, een activiteit die ook binnen grote delen van het plangebied lijkt te hebben plaatsgevonden. Wat niet uitsluit dat er geen meer solitair gelegen bewoning (zoals een boerderij) binnen het of nabij het plangebied kan gelegen hebben. Voor het plangebied geldt dan ook een slechts een middelhoge verwachting voor de middeleeuwen. In het noorden van het plangebied heeft mogelijk een vliedberg of motte gelegen in een gebied waar de ondergrond bestaat uit poel- en overgangsgronden. Deze wordt op de kaarten van Visscher en Hattinga (17e en 18e eeuw) afgebeeld en is mogelijk ook nog herkenbaar op de luchtfoto uit 1959. In deze zone geldt een hoge verwachting voor de middeleeuwen. Datering
Middeleeuwen.
Complextype
Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving, infrastructuur, industrie en nijverheid, agrarische productie en voedselvoorziening, grondstofwinning. In het noorden: motte of vliedberg.
Soort vindplaats
Vindplaatsen met alleen grondsporen; mogelijk vondststrooiing; Off-site vindplaatsen; Vindplaatsen met een archeologische laag. In het noorden: onderzijde antropogene ophooglagen, grachten en eventueel resten van de neerhof.
Omvang
Huisplaats: 500-2.000 m²; Nederzetting: 2.000-8.000 m². Motte/vliedberg: onbekend, op basis van de luchtfoto uit 1959 circa 60 m diameter. Tegen deze kleinere cirkel is ook een vagere cirkel te zien met een diameter van circa 100 m.
Uiterlijke kenmerken
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; voorkomen van 'vuile' laag of antropogeen doorwerkte bodem/sporen(niveau); voorkomen van leef-, cultuur- of ophooglagen. Ter plaatse van de motte/vliedberg kunnen resten van ophooglagen en grachtvullingen aangetroffen worden, alsook aardewerk enen andere archeologische artefacten. Vindplaatsen uit de vroege middeleeuwen worden niet gekenmerkt door een grote vondstdichtheid. Voor vindplaatsen uit de late middeleeuwen is deze groter. Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m².
Vondstdichtheid
Diepteligging
In en op de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, onder de bestaande verstoringen.
Locatie
Hele plangebied, motte/vliedberg in het noorden van het plangebied.
42
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
Gaafheid en conservering
De verwachte conserveringsgraad van mogelijk aanwezige organische resten is in de poelgebieden hoog omdat de aanwezige afzettingen hoofdzakelijk uit kleien zullen bestaan. Waar de ondergrond zandiger is (overgangsgronden en kreekrug) is de conservering naar verwachting minder goed, hier is het betreffende niveau minder zuurstofarm en bevindt het niveau van de grondwatertafel zich beneden het archeologische laag.
Mogelijke verstoringen
Het plangebied is in de 20e eeuw bebouwd en recenter van bebouwing ontdaan. Door de bouw en sloop zal naar verwachting de bovenzijde van het Laagpakket van Walcheren verstoord zijn tot een onbekende diepte.
Voor wat betreft de nieuwe tijd is voor het grootste deel van het plangebied gebleken dat het deel heeft uitgemaakt van akker- en weiland. De beschikbare historische data geven geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van bewoning binnen het plangebied gedurende deze periode. Er geldt dan ook een lage verwachting voor bewoningsresten uit de nieuwe tijd. Wel is de aanwezigheid van een toegangsweg gekend die vanaf minimaal de 17e eeuw tot in de 19e eeuw het plangebied heeft doorkruist. Hier geldt wel een hoge verwachting voor resten (greppels, verhardingen) die samenhangen met het gebruik van deze weg. Datering
Nieuwe tijd.
Complextype
Infrastructuur, weg (verhardingen, greppel/sloot).
Soort vindplaats
Vindplaatsen met zowel grondsporen en een beperkt aantal vondsten.
Omvang
Verloop van de voormalige toegangsweg, circa 6 m breed, 150 m lang (binnen plangebied).
Uiterlijke kenmerken
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk. Voorkomen van 'vuile' laag of antropogeen doorwerkte bodem/sporen(niveau); voorkomen van ophooglagen en greppelvulling
Vondstdichtheid
Zeer laag
Diepteligging
In en op de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, onder de bestaande verstoringen.
Locatie
Noordoostelijke deel van het plangebied
Gaafheid en conservering
De verwachte conserveringsgraad van mogelijk aanwezige organische resten is in de poelgebieden hoog omdat de aanwezige afzettingen hoofdzakelijk uit kleien zullen bestaan. Waar de ondergrond zandiger is (overgangsgronden en kreekrug) is de conservering naar verwachting minder goed, hier is het betreffende niveau minder zuurstofarm en bevindt het niveau van de grondwatertafel zich beneden het archeologische laag. De weg is in de loop van de 19e eeuw vervangen door een meer rechtlijnig traject, vanaf dan is het in gebruik als landbouwgrond. Mogelijke aanwezige verhardingslagen kunnen hierbij verstoord zijn. Het plangebied is in de 20e eeuw bebouwd en recenter van bebouwing ontdaan. Door de bouw en sloop zal naar verwachting de bovenzijde van het Laagpakket van Walcheren verstoord zijn tot een onbekende diepte.
Mogelijke verstoringen
43
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
44
ARTEFACT! RAPPORT 565
3
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
Inventariserend Veldonderzoek - verkennend 3.1
Doel en methode
Bij het inventariserend veldonderzoek wordt een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase. De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Een eenvoudige terreininspectie, maar ook geo-archeologisch booronderzoek behoren tot de middelen. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Tevens kunnen aanvullende methoden worden ingezet om ontbrekende informatie, ten behoeve van een waardestelling, te verzamelen. Bij de keuze voor de uitvoering van het inventariserend veldonderzoek dient altijd de minst destructieve methode te worden gekozen om aantasting van de waarden vóór een eventueel besluit tot beschermen of opgraven, tot een minimum te beperken. Booronderzoek en proefsleuvenonderzoek zijn op dit moment de enige karterende methoden voor het opsporen van (niet zichtbare) sites buiten de historische kern die breed inzetbaar zijn.
Voor onderhavig onderzoek is door de bevoegde overheid gekozen voor het in eerste instantie uitvoeren van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Het veldonderzoek had tot doel om met verkennende boringen het opgestelde archeologisch verwachtingsmodel te toetsen. Tijdens het veldonderzoek zijn 28 boringen verricht in een zo goed mogelijke spreiding binnen het plangebied (8 boringen/ha). Centraal langs de oostelijke zijde en in het zuidoosten van het plangebied bevinden zich puin- en grondepots aangelegd op een verharding. Hier is het grid aangepast en is een 29e boring (boornummer 10) niet uitgevoerd kunnen worden. Conform de uitvraag zijn vervolgens aanvullend in het noorden en noordoosten van het plangebied 26 extra boringen uitgevoerd in een grid van 10 bij 10. Dit is in de zone waarin op basis van de beschikbare data zich mogelijk resten van een motte of vliedberg bevinden. Hier bevindt zich (in de zone rondom boringen 46-54) een puinverharding, wat zich vertaalt in de bovenzijde van de hier gelegen boorprofielen. Het boorpuntenplan is weergegeven op afbeeldingen 20. De boringen zijn ingemeten door middel van een dGPS met een maximale horizontale en verticale afwijking van 2 cm. Er is geboord tot maximaal 4 m -mv en 4,23 m -NAP met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm (tot circa 1 m -mv) en een gutsboor met een diameter van 3 cm.
Tijdens het veldonderzoek is de bodemopbouw en zijn de aanwezige lagen bestudeerd en beschreven. De boorbeschrijvingen zijn gedaan conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB) 23 en zijn opgenomen in Bijlage 1. Het
23 SIKB, 2013.
45
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
onderzoek is uitgevoerd conform de geldende KNA en provinciale richtlijnen alsook de voorschriften in het PvA 24.
Afbeelding 20 Overzicht van de uitgevoerde boringen in het plangebied. Bron ondergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors, 2020.
Het opgeboorde materiaal is in het veld visueel gecontroleerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren (zoals houtskool, vuursteen, aardewerk, verbrand en onverbrand bot of verbrande leem). Het kalkgehalte van de verschillende bodemniveaus is vastgesteld door bedruppelen van het
46 Delporte, F.M.J., 2020. Plan van Aanpak: Middelburg – Grevelingenstraat-Stromenpad. Gemeente Middelburg. Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Artefact, Zaamslag.
24
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
boormonster met een HCL-oplossing. Het nemen van grondmonsters behoorde, gezien de (verkennende) fase waarin het onderzoek zich bevond, niet tot de opdracht.
3.2
Resultaten
De tijdens het veldonderzoek aangeboorde natuurlijke afzettingen bestaan uit de jonge getijdenafzettingen van het Laagpakket van Walcheren, het Hollandveen en de oude getijdenafzettingen van het Laagpakket van Wormer. Oude getijdenafzettingen, Laagpakket van Wormer In 47 boringen zijn onderin het boorprofiel oude getijafzettingen aangetroffen. Deze oude getijdenafzettingen zijn toe te schrijven aan het Laagpakket van Wormer. Deze afzettingen bestaan uit kalkloze, licht(blauw)grijze, zwak tot sterk siltige, ongerijpte klei met resten van riet(wortels). De bovenzijde van het Laagpakket van Wormer is aangetroffen op een diepte tussen 2,41 en 3,58 m -NAP (1,5 en 3,35 m – mv). De top van de oude getijdenafzettingen bestaat niet uit een donker gekleurd, humeus pakket. Dit wijst er vermoedelijk op dat het getijdengebied na verlanding relatief snel overdekt is geraakt met veen. De aanwezigheid van veen bovenop de oude getijafzettingen geeft daarenboven aan dat er geen erosie van de bovenzijde van het betreffende pakket heeft plaatsgevonden. Bij boring nr. 4, 24, 31 en 43 gaan de oude getijdenafzettingen naar boven toe scherp over in een gemoerd pakket. Hier is de top van de oude getijdenafzettingen mogelijk aangetast. De bovenzijde van het Laagpakket van Wormer (of wat daarvan rest) is hier aangetroffen op een diepte tussen 2,66 en 3,31 m -NAP (1,7 en 2,8 m -mv).
Waar de oude getijdenafzettingen van het Laagpakket van Wormer niet bereikt zijn is dit doordat de boring gestuit is. Bij boringen nr. 2 en 19 is dit in het bovenliggende Hollandveen en bij boringen nr. 1, 5, 6, 52 en 54 in een ondoordringbaar (recent) pakket bovenin de boring.
47
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
Afbeelding 21 Overzicht van het Laagpakket van Wormer. Bron ondergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors, 2020
Hollandveen Laagpakket In 44 van de boringen worden de oude getijdenafzettingen afgedekt door een organisch pakket bestaande uit mineraalarm veen. Het veen wordt lithostratigrafisch gerekend tot het Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop. Op basis van de intactheid (aanwezigheid van moernering en/of erosie) is een viertal profieltypen onderscheiden:
48
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
Tabel 3 Overzicht van de boringen met veen.
Veenprofieltype
Aantal boringen
Dikte veenpakket
Top veen veraard (intact)
4
80-95 cm
Top veen vrijwel intact
3
90-130 cm
Veen gemoerd
28
2-45 cm
Geen veen aangetroffen (volledig gemoerd)
4
-
Bovenzijde geërodeerd
11
10-125 cm
5
-
Veen niet bereikt
veen
De basis van een 'volledig' veenprofiel, zoals aangetroffen in boringen nr. 26, 28, 29 en 50, bestaat uit een 15 tot 20 cm dik pakket zwak tot matig amorf donkerbruin rietveen. Het rietveen gaat naar boven toe over in sterk tot matig amorf, donkerbruin bos- en zeggeveen. De bovenzijde van het veenprofiel bestaat vervolgens uit een 0,1 tot 0,25 m dik pakket sterk amorf, zwart, veraard veen. De bovenzijde van het veraarde veen is aangetroffen op een diepte van 1,72 tot 1,93 m -NAP (0,7 tot 1,05 m -mv). De dikte van de veenpakketten in boringen met een veraarde top bedraagt tussen 80 en 95 cm. De boringen met een veraarde veentop zijn aangetroffen in het westen en noordwesten van het plangebied. Bij boring nr. 26 betreft dit in een gebied waarin het veen in de omliggende boringen geërodeerd is, boringen nr. 28, 29 en 50 zijn gelegen in gemoerd gebied. Bij boringen nr. 28 en 29 is het veen gelegen onmiddellijk onder een recent heterogeen pakket, bij boring nr. 50 wordt het veen afgedekt door een moerneringspakket. Bij deze laatste drie boringen is het dan ook niet uitgesloten dat de vastgestelde veraarding niet zozeer intacte veentoppen vertegenwoordigen dan wel het gevolg zijn van blootstelling aan zuurstof (en oxidatie) tijden en na de moernerings- en graafwerkzaamheden in de middeleeuwen en nieuwe tijd. Bij drie boringen, nr.
8, 15 en 17, is geen veraarde top vastgesteld maar is het profiel mogelijk vrijwel intact bewaard. Hier bestaat de bovenzijde van het veenpakket echter uit sterk amorf zwart(bruin) veen. Dit is aangetroffen op een diepte tussen 1,84 en 2,02 m -NAP (2,1 en 2,6 m -mv). Het veenpakket is hier 80 tot 130 cm dik. Deze boringen zijn gelegen in een zone waarin het veen geërodeerd is. Mogelijk is de erosie hier zeer beperkt. In 32 boringen is het veen gemoerd. Kenmerkend hiervoor is de doorgaans zeer heterogene opbouw van het bovenliggende pakket: (blauw)grijze klei en zand met klei- en veenbrokken. Op wisselende dieptes gaat deze klei scherp over in het niet-vergraven veen. Afhankelijk van de dikte van het veenrestant is dit bos- en zeggeveen (boring nr. 41, 45, 47, 48 en 53) of rietveen (boringen nr. 7, 13, 14, 20-23, 30, 32 -40, 42, 44, 46, 49 en 55). In de gemoerde boringen bedraagt de gemiddelde dikte van het (resterende) veenpakket 15 cm (minimum 2 cm en maximum 45 cm). Hiermee is de bovenzijde van het restant veen in deze boringen aangetroffen op een diepte tussen 2,11 en 3,43 m -NAP (1,4 en 3,2 m mv). In boring nr. 4, 24, 31 en 43 ontbreekt het veen; hier is het bodemprofiel tot beneden het veenpakket gemoerd. De boringen met gemoerd veen bevinden zich in het zuidwesten en de noordelijke helft van het plangebied.
49
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
Centraal en in het zuidoosten van het plangebied is het veen aangetast door erosie. Hier rest in 10 boringen afhankelijk van de diepte van erosie nog bos- en zeggeveen (boring nr. 2, 3, 9, 11, 12, 16, 25 en 27) of rietveen (boringen nr. 18 en 19). Het resterende veenpakket is in deze boringen 10 tot 125 m dik en is aangetroffen op een diepte tussen 1,73 en 3,34 m -NAP (0,75 en 2,6 m -mv).
Afbeelding 22 Overzicht van de aangetroffen veenprofielen. Bron ondergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors, 2020.
Bij boringen nr. 1, 5, 6, 52 en 54 is de boring steeds gestuit in een ondoordringbaar (recent) pakket bovenin de boring. Hier kon het veenprofiel niet vastgesteld worden.
50
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
Afbeelding 23 Overzicht van de dikte van het aangetroffen veenprofielen. Bron ondergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors, 2020.
Jonge getijdenafzettingen, Laagpakket van Walcheren De bovenzijde van het natuurlijke profiel wordt gevormd door jonge getijdenafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Deze getijdenafzettingen bestaan poelafzettingen en kreekafzettingen. Echter de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren zijn uitsluitend centraal en in het zuidoosten van het plangebied aangetroffen.
51
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
Afbeelding 24 Overzicht van de aangetroffen afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Bron ondergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors, 2020.
De kreekafzettingen bestaan uit zwak siltig (bruin)grijs zand. Dit kalkrijke zand bevat schelpgruis- en fragmenten en enkele roestvlekken. Naar onder gaan de kreekafzettingen geleidelijk over op zwak siltig donkergrijs kalkrijk zand. Dit bevat eveneens schelpgruis en -fragmenten en plaatselijk schelplagen en veengruisbandjes. De kreekafzettingen bevinden zich in een van noordwest naar zuidoost lopende zone die centraal doorheen het plangebied loopt. Ter plaatse van boringen nr. 2, 12, 18, 19, en 27 vormen zij het volledige Walcherenprofiel en hebben deze de bovenzijde van het onderliggende Hollandveen geërodeerd tot
52
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
een diepte tussen 1,73 en 3,34 m -NAP (0,75 en 2,6 m -mv). Bij boringen nr. 3 en 11 gaan de kreekafzettingen scherp over op poelafzettingen (overgang gelegen op een diepte van 1,86 en 1,93 m -NAP (1,45 en 1,4 m -mv). Dit betreft een zeer dun restje poelafzettingen van slechts 5 cm. Ter plaatse van boring nr. 4 gaan de kreekafzettingen erosief over op een gemoerd pakket (op 1,36 m -NAP / 0,85 m -mv). De poelafzettingen bestaan uit zwak tot matig siltige grijze klei die veelal kalkarm tot kalkloos is. Deze bevatten weinig roestvlekken. Plaatselijk zijn de afzettingen sterker siltig of kalkrijker. Naar onder toe gaan de poelafzettingen over op donker(blauw)grijze kalkloze klei. Deze is eveneens veelal zwak tot matig siltig. Ter plaatse van boringen nr. 8, 3 en 11 zijn de afzettingen aan de basis matig tot sterk humeus. De poelafzettingen, aangetroffen ten zuiden van de kreekrug, hebben het onderliggende Hollandveen slechts deels aangetast. Ter plaatse van boringen nr. 8, 15 en 17 is het veen vrijwel intact aangetroffen (zie voorgaande hoofdstuk) en ter plaatse van boring nr. 26 intact. Dit op een diepte tussen 1,77 en 2,02 m -NAP (0,7 en 1,4 m -mv). In de overige boringen (nr. 3, 9, 11, 16 en 25) is het veen bij de vorming van de poelafzettingen geërodeerd tot een diepte tussen 1,87 en 2,2 m -NAP (0,9 en 1,7 m -mv).
Afbeelding 25 Laagpakket van Walcheren: vereenvoudig overzicht van de aangetroffen profielen. Bron ondergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors, 2020.
In het zuidwesten (boringen nr. 23-24) en het noorden van het plangebied (boringen 7, 13, 14, 20-2, 3051, 53 en 55) zijn geen afzettingen van het Laagpakket van Walcheren aangetroffen, hier bestaat het profiel onmiddellijk aan het maaiveld of onder de bestande verstoring uit een gemoerd pakket en ter
53
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
plaatse van boringen 28 en 29 uit het intact Hollandveen. Verder is ter plaatse van boringen nr. 1, 5, 6, 52 en 54 de boring gestuit in een recent pakket waardoor het profiel niet vastgesteld kan worden. Antropogene lagen Binnen een groot deel van het plangebied is in het verleden grond afgegraven, vergraven en deels (opnieuw) opgebracht. Dit heeft geleid tot het ontstaan van een heterogeen pakket bovenin de meeste boorprofielen. Het onderscheid tussen opgebrachte dan wel vergraven grond is op basis van de vullingen niet te maken. Een deel van de vergravingen en ophogingen hebben vermoedelijk plaatsgevonden bij de bouwwerkzaamheden in het plangebied omstreeks de jaren ‘70 tot in de 21e eeuw. Andere kunnen het gevolg zijn van de sloop van deze bebouwing in 2012/2013 (in het noorden en noordwesten) en 2017 (in de overige delen van het plangebied). In afbeelding 26 wordt een vergelijkend beeld gegeven tussen enerzijds de huidige maaiveldhoogten (op basis van de gegevens uit het booronderzoek) en anderzijds de maaiveldhoogten bij het opnemen van het AHN3 (omstreeks 2015, dus na de sloop van de gebouwen in het noorden en noordwesten) waaruit blijkt dat met de sloop in 2017 wel degelijk nog een verandering heeft plaatsgevonden in de maaiveldhoogte.
Afbeelding 26 Maaiveldhoogte ten tijde van het booronderzoek (links) en in de oudere situatie zoals weergegeven op het AHN3 (rechts). Bron ondergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors, 2020.
54
ARTEFACT! RAPPORT 565
MIDDELBURG GREVELINGENSTRAAT-STROMENPAD
De in afbeelding 26 gemaakte vergelijken laat duidelijk zien hoe met name langs de westelijke zijde van het plangebied het maaiveld sterk verlaagd is van circa 0,3 tot gemiddeld 1 m -NAP. Tegelijk is in de zone rondom boring nr. 14 (centraal in het noorden) de voormalige diepte (circa 1,4 m -mv op het AHN) opgevuld tot 0,49 m – NAP. In de onderstaande tabel worden de verschillen per boornummer opgesomd. Hieruit blijkt dat er daadwerkelijk zowel sprake is van verdere ontgraving als ophoging ten opzichte van 2015. Tabel 3 overzicht van het maaiveldverschil tussen 2015 en 2020 per boorpunt Boring
2015
2020
Verschil (cm)
Boring
2015
2020
Verschil (cm)
1
-0,32
-0,35
-3
29
-0,97
-0,98
-1
2
-0,33
-0,53
-20
30
-0,62
-0,38
+24
3
-0,33
-0,41
-8
31
-0,52
-0,51
+1
4
-0,35
-0,51
-16
32
-0,50
-0,49
+1
5
-0,31
-0,30
+1
33
-0,60
-0,59
+1
6
-0,37
-0,37
0
34
-0,61
-0,23
+38
7
-0,44
-0,26
+18
35
-0,64
-0,25
+39
8
bebouwd
-0,62
-
36
-0,64
-0,20
+44
9
bebouwd
-0,50
-
37
-0,61
-0,71
-10
11
-0,42
-0,53
-9
38
-0,72
-0,35
+37
12
-0,06
-0,88
-82
39
-0,74
-0,23
+51
13
-0,39
-0,41
-2
40
-0,70
-0,39
+31
14
-1,15
-0,49
+66
41
-0,80
-0,39
+41
15
-0,41
-0,60
-19
42
-0,73
-0,32
+41
16
bebouwd
-0,60
-
43
-0,60
-0,54
+6
17
bebouwd
-0,54
-
44
-0,71
-0,55
+16
18
bebouwd
-0,74
-
45
-0,57
-0,61
-4
19
-0,07
-0,74
-67
46
-0,77
-0,80
-3
20
-0,41
-0,73
-33
47
-0,64
-0,66
-2
21
-0,51
-0,78
-37
48
-0,70
-0,68
+2
22
-0,97