CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 23 - Notitie zienswijzen incl. staat van wijzigingen, gemeente Middelburg juni 2021-AANGEPAST

Gemeenteraad 7 juli 2021, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Bijlagen 2 t/m 24 - Bijlagen bij bestemmingsplan Waterpark Veerse Meer 202043.228 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Eén van deze principes betreft de aanleg van brede bos- en groenstroken die langs de randen van het park het zicht ontnemen op de bebouwing. Aan de grondwal die in de Toelichting wordt genoemd worden geen eisen gesteld qua hoogte of daarop aan te brengen groen. Hiermee zijn "brede bos- en groenstroken" niet geborgd. Beantwoording Middels het aan de Regels gekoppelde document 'Inrichtingsvereisten' (bijlage 2) is geborgd dat de grondwallen rondom het waterpark voldoende omvang hebben. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (29-30) De herontwikkeling van het waterpark met uitbreiding op deelgebied 2 doet afbreuk aan een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Deze gronden zijn agrarisch in gebruik, dit hoort bij uitstek in een landelijk gebied. Het plan is in strijd met (het ontwerp van) de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), die uitgaat van een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Beantwoording Voor het plangebied zelf zijn er geen nationale belangen die direct doorwerken in dit bestemmingsplan.

Voor de landschappelijke inpassing is een apart participatietraject doorlopen met de omgeving en er zijn bijeenkomsten met experts gehouden, waar deskundigen van waterschap Scheldestromen, provincie Zeeland, Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten geadviseerd hebben over de landschappelijke inpassing van het nieuwe plan Waterpark Veerse Meer. De uitkomsten van dit traject zijn waar mogelijk verwerkt. Het MER concludeert dat juist de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit een van de positieve effecten is van deze ontwikkeling.

41

Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (31-41) Het plan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied. De plantoelichting moet daarom een beschrijving bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling en moet motiveren waarom hieraan niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. Het haalbaarheidsrapport is een ontoereikende onderbouwing voor de behoefte (Ladder duurzame verstedelijking). Het verzorgingsgebied is te ruim vastgesteld, er is gerekend met onjuiste cijfers en er worden onterechte ramingen en veronderstellingen gehanteerd. In het pessimistisch scenario treedt marktverstoring op. Er is geen behoefte aan de ontwikkeling. Ook is onvoldoende rekening gehouden met andere projecten in het gebied en is niet gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied mogelijk is. Het haalbaarheidsonderzoek kan niet dienen als toereikende onderbouwing. Het plan is in strijd met artikel 3.16 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening. Beantwoording Er is reeds sprake van een bestaand recreatiepark, in ieder geval in juridisch-planologische zin. Overigens is een dergelijke inpassing vanwege de omvang van het recreatiepark ondenkbaar.

In tegenstelling tot wat reclamant aandraagt, wordt hier in de Toelichting uitgebreid ingegaan. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (42-42 en 133-134) Opstelling van zonne-energie buiten bestaand stedelijk gebied is o.b.v. art. 2.9 Omgevingsverordening niet toegestaan, tenzij aan voorwaarden wordt voldaan en in de Toelichting aannemelijk wordt gemaakt dat omgevingskwaliteiten zich hiertegen niet verzetten. Nu dit in de Toelichting niet is gedaan is het plan hiermee in strijd. Beantwoording In het bestemmingsplan is bepaald dat voorzieningen ten behoeve van het opwekken van duurzame energie uitsluitend zijn toegestaan als ondergeschikte functie bij het recreatiepark. Aanvullend is in artikel 9.3 van de planregels een beperking in de omvang en hoogte van deze voorzieningen opgenomen, te weten maximaal 100 m2 en 10 m hoog voor gebouwen en bouwwerken voor duurzame energievoorzieningen. Daarmee is het plan niet in strijd met de Omgevingsverordening. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (44-51) Om de herontwikkeling mogelijk te maken wordt kennelijk een beroep gedaan op art.

2.11 lid 5 Omgevingsverordening: een nieuw verblijfsrecreatieterrein buiten bestaand stedelijk gebied waarbij wordt voldaan aan de in bijlage D onder 4 opgenomen uitgangspunten. Deze is niet van toepassing. Ook wordt niet voldaan aan de voorwaarden die gelden voor uitbreiding van een bestaand verblijfsrecreatieterrein buiten bestaand stedelijk gebied artikel 2.11 lid 4), mits aannemelijk wordt gemaakt dat wordt voldaan aan de in bijlage D onder 3 opgenomen uitgangspunten.

42

Beantwoording Voor het ontwikkelen en uitbreiden van het Waterpark Veerse Meer moet het plan worden getoetst aan artikel 2.11 lid 4 en artikel 2.1 lid 3 (uitbreiding van een bestaand recreatieterrein buiten de kustzone, te weten een aandachtsgebied). Dit blijkt ook uit de zienswijze van de Provincie Zeeland. (Nieuwvestiging en) uitbreiding is in de eerste plaats mogelijk binnen de begrenzing van bestaand stedelijk gebied, maar in afwijking hierop is nieuwvestiging ook mogelijk indien gezamenlijke partijen – vooruitlopend op de uitkomsten van een gebiedsgerichte aanpak – in gezamenlijkheid een specifiek aandachtsgebied aanwijzen en gaan ontwikkelen. Dit is nader verwoord in Bijlage D onder 4, waarin voorwaarden voor het streefbeeld worden benoemd en tevens is bepaald dat invulling moet worden gegeven aan de onderdelen B t/m D van het Ontwikkelkader zoals bedoeld onder 3. De toelichting hinkt inderdaad op meerdere gedachten. Deze wordt in lijn gebracht met de zienswijze van de provincie op dit punt. Daarbij wordt voor de zienswijze van reclamant op onderdeel B van het Ontwikkelkader verwezen naar dat deel van de beantwoording, waar ook de anterieure overeenkomst nader is toegelicht. Samen met bijlage 1 (onderzoek ZKA) geeft dit voldoende onderbouwing van de haalbaarheid van het plan.

Ten aanzien van voorwaarde C: het onderscheidend vermogen heeft niet enkel te maken met circulair bouwen maar met het totaalconcept, waaronder ook de doelgroep, voorzieningen en ruimtelijke kwaliteit van het park. Bij de omgevingsvergunning wordt getoetst aan de wetgeving op dit gebied, te weten de BENG normen die per 1-1-2021 in werking zijn getreden. Voorwaarde D is toegelicht onder ad 2 op pagina 60 van het ontwerpbestemmingsplan. Het betreft hier een omschrijving van de toegevoegde waarde van de komst van het park voor de omgeving. Daarbij zijn onder meer het gebruik van lokale en regionale leveranciers, beheer en onderhoud van het terrein, lokale en regionale economie en toevoeging van groen, recreatie en natuur(beleving) benoemd. Voor wat betreft de leefomgeving van de bewoners aan de Muidenweg 11 wordt voldaan aan de wetgeving en wordt eventuele hinder van het recreatiepark beperkt. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en gegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt tot wijziging van het bestemmingsplan, in die zin dat de Toelichting wordt aangepast. Samenvatting (52-54) Art. 2.13 Omgevingsverordening bepaalt dat permanente bewoning dient te worden voorkomen. Dit is niet in alle definities doorgevoerd. Ook moet permanente bewoning worden uitgesloten in alle recreatiewoningen, niet alleen grondgebonden.

Beantwoording Recreatiewoningen worden enkel in de recreatieve bestemming mogelijk gemaakt. Daar is in de specifieke gebruiksregels (art. 5.3.1) permanente bewoning uitgesloten. Dit is ook expliciet zo benoemd in de begripsbepaling bij de betreffende functies. Daarmee is permanente bewoning uitgesloten, zowel voor recreatie-appartementen als recreatiewoningen, in welke bouwvorm dan ook. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (55-57 en 121-125) Op de gronden van cliënten wordt, in strijd met art. 2.17 Omgevingsverordening, een verblijfsrecreatieve bestemming aangewezen aan binnen 100 meter buiten bestaand stedelijk gebied behorende gronden waarop agrarische gebouwen zijn toegestaan. Niet gemotiveerd is dat hierdoor geen of nagenoeg geen hinder optreedt of de bedrijfsvoering wordt beperkt. Reclamanten zijn van mening dat de agrarische bedrijfsvoering onmogelijk wordt gemaakt. 43

Beantwoording Dit artikel is benoemd en onderbouwd op pagina 62 van het ontwerpbestemmingsplan en is nader uitgewerkt in par. 9.7 van het ontwerpbestemmingsplan (Milieuzonering). Langs de randen van het perceel van de cliënten wordt een aardewal aangelegd die eventuele overlast beperkt. Ook worden enkele specifieke functies uitgesloten, zoals extensieve dagrecreatie, sport- en speelterreinen, nutsvoorzieningen en aan het recreatiepark ondergeschikte duurzame energievoorzieningen. Daarmee kan gemotiveerd worden afgeweken van de buffer van 100 meter tussen een agrarisch bedrijf en verblijfsrecreatieve functies. Daarbij voldoet het plan aan de gestelde richtafstanden op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. De afstand bedraagt 50 meter voor externe werking van het recreatiepark naar de woning. Er treedt nagenoeg geen hinder op en ook wordt de bedrijfsvoering van reclamanten niet onevenredig beperkt. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (58-62) In strijd met art. 2.27 Omgevingsverordening beschrijft de Toelichting niet hoe rekening is gehouden met de wezenlijke kenmerken en waarden van natuurgebied 'De Piet'.

Evenmin is geborgd dat deze niet worden aangetast, nu de bestemming 'Natuur - overgangszone' extensieve dagrecreatie, bouwwerken en gebouwen toestaat. Iedere vorm van bebouwing, ook vergunningvrij, dient te worden uitgesloten. Inrichting van de gronden als open natuurlijk grasland en het voorkomen van verdere verdichting (bijv. bosgebied) is niet verzekerd. In de Regels is niet geborgd dat een omgevingsvergunning slechts wordt verleend indien geen onevenredige aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurgebied plaatsvindt. Beantwoording Uit de "Effectbeoordeling Natuur Netwerk Zeeland, herontwikkeling Waterpark Veerse Meer" blijkt dat er zowel in de aanleg als in de gebruiksfase geen sprake is van onevenredige aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuur Netwerk Zeeland waaronder ook natuurgebied 'De Piet' valt. De inrichting van de gronden is opgenomen in de anterieure overeenkomst tussen Driestar en de gemeente Middelburg. Met de expertgroep (bestaande uit Zeeuwse Milieu-federatie (ZMf), waterschap Scheldestromen, provincie Zeeland, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, gemeente Middelburg en Driestar) wordt gewerkt aan een inrichtingsplan voor het gebied. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan.

Samenvatting (63-66 en 118) Voor de ontwikkeling van het waterpark is rotatie van de start-/landingsbaan van het vliegveld vereist. Dit vergt wijziging van het Luchthavenbesluit en van zes bestemmingsplannen of vaststelling van een inpassingsplan. Zolang deze besluiten niet onherroepelijk zijn en de voor de baanrotatie benodigde grond niet is verworven, kan het bestemmingsplan niet worden vastgesteld. Beantwoording Het bestemmingsplan wordt gewijzigd vastgesteld, zodanig dat de baanrotatie niet voorwaardelijk is. De luchtvaartverkeerszones zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan, worden ook opgenomen in het nu vast te stellen bestemmingsplan Hiermee blijft de situatie voor de aanvliegroute vooralsnog ongewijzigd. 44

Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en gegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (67-71) Het plan voldoet niet aan de algemene principes uit de in ontwikkeling zijnde Gebiedvisie: het open Deltalandschap verhoudt zich slecht met hoge bebouwing, ook als die niet direct in zichtlijnen van karakteristieke oriëntatiepunten staan of het historische silhouet ervan verstoren. Ook moeten nieuwe ruimtelijke investeringen toegevoegde waarde creëren. Volgens de Gebiedsvisie is slechts een beperkte uitbreiding van het bedrijfsareaal mogelijk, nader te bepalen in fase 2, in navolging van de Kustvisie. De beperkte uitbreiding uit die laatste visie wordt fors overschreden zodat het plan ook op dit punt niet voldoet aan de algemene uitgangspunten van de Gebiedsvisie. Bestaande agrarische bedrijven moeten volgens de Gebiedsvisie ontwikkelingsmogelijkheden behouden, ook hiermee is het plan in strijd; cliënten verliezen juist gronden. Beantwoording Het Waterpark Veerse Meer is sinds 2018 in ontwikkeling en is een pijplijnproject. Het wordt daarom niet getoetst aan de (nog op te stellen) verordeningsregels, die voortvloeien uit de Gebiedsvisie Veerse Meer. De ontwikkelingsprincipes voor het gebied Veerse Meer worden op dit moment uitgewerkt in fase 2 van de Gebiedsvisie.

Zaken als maximum bouwhoogte en maxima voor uitbreiding zijn nog niet bepaald. Wel wordt duidelijk wat de ´geest´ van de Gebiedsvisie wordt. Zo moet zicht op bebouwing in veel gevallen worden voorkomen en is het belangrijk om landschap te produceren in plaats van te consumeren. In het ontwerp van het Waterpark Veerse Meer is hiermee rekening gehouden. Er is samen met landschapsdeskundigen van natuurorganisaties en overheden gekeken naar de beste plek voor het centrum, de zichtlijnen, de invulling door bos of juist open grasland, enz. Reclamant stelt dat ontwikkelingsmogelijkheden van agrariërs door het bestemmingsplan Waterpark Veerse Meer worden beperkt. Daar waar het gaat om wijziging van de bestemming is dit niet relevant. De zinsnede in de concept-gebiedsvisie waar reclamant op doelt, heeft betrekking op het beperken van agrarische bedrijven die agrarisch blijven, maar die worden door de gebiedvisie niet beperkt in hun mogelijkheden voor agrarisch gebruik. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (72-73) Alle betrokken partijen en externe deskundigen erkennen dat het plan zorgt voor een toename van verkeer. De gezamenlijke overheden kijken gezamenlijk naar dit probleem.

Het onderzoek had moeten zijn afgerond voor het ontwerpbestemmingsplan ter inzage werd gelegd. Nu is het plan in strijd met goede ruimtelijke ordening. Beantwoording Zoals geconcludeerd in het verkeersonderzoek voor het Waterpark Veerse Meer neemt de verkeersproblematiek als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan niet toe ten opzichte van wat volgens het vigerende bestemmingsplan aan ontwikkelingen al mogelijk is. Het is daarom niet noodzakelijk dat vaststelling van het bestemmingsplan moet wachten op de vaststelling en realisatie van de voorstellen uit de gebiedsontsluitingsvisie. Door in een gebiedsgerichte aanpak samen te werken aan de ontwikkeling van een robuuste gebiedsontsluiting voor het Veerse Meer-zuidgebied geven de wegbeheerders aan, de huidige en toekomstige verkeerssituatie serieus te nemen. 45

Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan.

46

Samenvatting (74-77 en 196-197) Door uit te gaan van tellingen bij Hof van Saksen en niet van CROW-kengetallen wordt niet uitgegaan van maximale planologische mogelijkheden. Ook houden de tellingen geen rekening met hoogseizoen en piekmomenten. Hiermee is geen goede ruimtelijke ordening geborgd. Beantwoording Voor het bestemmingsplan en het MER hanteren we de hoogste waarde van de bandbreedte van de CROW-kengetallen voor de verkeersgeneratie. De vergelijking met Hof van Saksen is slechts een vergelijkend achtergrondonderzoek en wordt niet gebruikt ter ondersteuning van de gehanteerde methodiek. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (78) Hof van Saksen en Waterpark Veerse Meer zijn niet vergelijkbaar. Het haalbaarheidsrapport en de verkeersrapportages spreken elkaar tegen wat betreft uitgangspunten (aantrekkelijke ligging vanwege allerlei toeristisch-recreatieve ontwikkelingen versus het vooral op het park blijven door bezoekers). Voor het aspect verkeer is niet uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden - zodat goede ruimtelijke ordening niet is geborgd. Onderschatting van de verkeersbewegingen zorgt eveneens voor onderschatting van de gevolgen voor stikstof, geluid en luchtkwaliteit.

Beantwoording Zowel bij het voorontwerp- als bij het ontwerpbestemmingsplan zijn de CROW-kengetallen voor de verkeersgeneratie als uitgangspunt gehanteerd. Daarbij is steeds gekozen om uit te gaan van het maximum van de bandbreedte die deze kengetallen geven. Het onderzoek bij Hof van Saksen is uitgevoerd om te zien of gebruikmaking hiervan niet leidt tot een onderschatting van de hoeveelheid verkeer. De uitkomst is dat daar geen aanwijzingen voor zijn. Het park in Drenthe genereert minder verkeer dan met gebruikmaking van deze kengetallen zou worden verwacht. Op grond van dit onderzoek is er geen reden om van meer verkeer uit te gaan dan op basis van het maximum van de CROW-kengetallen verwacht kan worden. Het ontwerpbestemmingsplan, inclusief alle onderzoeken, gaat evenals het voorontwerpbestemmingsplan nog steeds uit van het maximum van de CROWkengetallen; er wordt dus absoluut niet uitgegaan van lagere aantallen. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (79) Uit de uitgevoerde flora- en faunaonderzoeken blijkt dat mitigerende maatregelen nodig zijn om negatieve effecten in de aanleg- en gebruiksfase te voorkomen. Deze maatregelen zijn ten onrechte niet geborgd.

Beantwoording Deze maatregelen worden genomen ten behoeve van het verkrijgen van de benodigde ontheffingsaanvraag. Overigens is de Wet natuurbescherming zelfstandig handhaafbaar. Daarom is het niet benodigd hiertoe een borging op te nemen in het bestemmingsplan. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. 47

Samenvatting (80-81) Ten behoeve van de gebiedsbescherming is een passende beoordeling opgesteld en zijn stikstofberekeningen uitgevoerd. Reclamant kan zich hiermee niet verenigen. Het stikstofrapport houdt geen rekening met de oprichting van nieuwe recreatieve voorzieningen; dit mag niet ten grondslag liggen aan de passende beoordeling, het MER en het bestemmingsplan. In de passende beoordeling is niet de vereiste zekerheid verkregen dat de kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden niet worden aangetast. De beoogde situatie is onderschat omdat geen rekening is gehouden met de bestaande stacaravans en de verhuurcaravans. Als deze worden verwijderd dan kunnen ingevolge art. 5.4 van de Regels nieuwe recreatieve voorzieningen worden gerealiseerd; hiermee is ten onrechte geen rekening gehouden. Beantwoording In artikel 5.2.3 van de Regels is opgenomen dat er maximaal 887 recreatie-eenheden toegestaan zijn. Dit aantal bestaat uit 822 nieuw te realiseren recreatie-eenheden en 65 bestaande recreatieeenheden. Dit zijn dezelfde uitgangspunten als die gehanteerd zijn in het stikstofrapport. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (82-83) De verkeersbewegingen zijn qua aantal onderschat en zijn onterecht beperkt tot een afstand van 5 km.

De Raad van State heeft recent (20-1-2021) geoordeeld dat deze grens onvoldoende is onderbouwd. De conclusie van de Aerius-berekeningen, het stikstofrapport en de passende beoordeling bieden onvoldoende zekerheid dat er geen nadelige gevolgen zijn voor Natura 2000gebieden. Het plan strijdt met art. 2.8 derde lid Wet natuurbescherming. Beantwoording Naar aanleiding van het oordeel van de Raad van State is aanvullend een berekening gemaakt waarbij er geen beperking opgenomen is van 5 kilometer voor de effecten van het verkeer. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en gegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt tot wijziging van het bestemmingsplan, in die zin dat de betreffende bijlage van de Toelichting wordt aangepast. Samenvatting (84) In Natura 2000-gebieden Westerschelde en Saeftinghe zijn habitattypen die al zijn overbelast met stikstof. Er is geen zekerheid dat dit gebied niet wordt aangetast. Het plan strijdt met art. 2.8 derde lid Wet natuurbescherming. Beantwoording De nieuwe berekeningen tonen aan dat er geen overbelasting is op deze natuurgebieden als gevolg van de ontwikkeling. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan.

48

Samenvatting (85-89) De Effectbeoordeling mist een nadere beoordeling in de aanleg- en gebruiksfase op 5 meter hoogte voor natuurgebieden De Piet en Oranjeplaat. Uit de effectbeoordeling volgt dat de geluidbelasting in de aanlegfase gedurende 8 jaar ongeveer 6 weken per jaar zal leiden tot circa 30 hectare aan geluidverstoorde oppervlakte binnen de gehanteerde 42 dB(A) contour. Daardoor kan tijdens het broedseizoen verstoring optreden van broedende vogels. Uitvoering van heiwerkzaamheden buiten het broedseizoen is niet geborgd. Geluidverstoring kan optreden door mensen en activiteiten op het terrein van het waterpark. De effectbeoordeling stelt dat in de gebruiksfase verstoring door geluid is te verwachten maar hieraan is ten onrechte niet de conclusie verbonden dat verstoring van het Natuurnetwerk optreedt en dat het plan dus geen doorgang kan vinden. Afgevraagd wordt of rekening is gehouden met recreatiemogelijkheden binnen het gehele bestemmingsvlak ´Recreatie-verblijfsrecreatie´. Beantwoording De effectbeoordeling zal worden uitgebreid met een beoordeling van geluideffecten op 5 meter hoogte. Dit is alleen relevant voor hoog broedende vogels. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en gegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt tot wijziging van het bestemmingsplan, in die zin dat de betreffende bijlage van de Toelichting wordt aangepast.

Samenvatting In de Effectbeoordeling mist (en dit wordt betwist) dat verstoring door licht kan optreden op natuurgebied De Piet en niet alleen op Oranjeplaat, zoals in de effectbeoordeling staat. Beantwoording Lichtverstoring op het natuurgebied De Piet is niet aan de orde. Tussen het Waterpark Veerse Meer en het natuurgebied komt een overgangszone met een mantel-zoomvegetatie die lichtuitstraling op De Piet voorkomt. Dit wordt in de rapportage extra verduidelijkt. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en gegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt tot wijziging van het bestemmingsplan, in die zin dat de betreffende bijlage van de Toelichting wordt aangepast. Samenvatting (90) In de Effectbeoordeling mist (en dit wordt betwist) dat verstoring door licht kan optreden op natuurgebied De Piet en niet alleen op Oranjeplaat, zoals in de effectbeoordeling staat. Beantwoording Lichtverstoring op het natuurgebied De Piet is niet aan de orde. Tussen het Waterpark en het natuurgebied komt een overgangszone met een mantel-zoomvegetatie die lichtuitstraling op De Piet voorkomt. Dit wordt in de rapportage extra verduidelijkt. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en gegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt tot wijziging van het bestemmingsplan, in die zin dat de betreffende bijlage van de Toelichting wordt aangepast.

49

Samenvatting (91) De Effectbeoordeling onderbouwt niet dat toename van wandelaars niet leidt tot onevenredige aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Zeeland. Beantwoording In de rapportage is aangegeven dat voor vogels en andere gevoelige fauna waardevolle deelgebieden langs De Piet niet toegankelijk voor recreanten zijn. Hier zijn effecten door recreatie daarom uitgesloten. Dit wordt in de rapportage extra verduidelijkt. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en gegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt tot wijziging van het bestemmingsplan, in die zin dat de betreffende bijlage van de Toelichting wordt aangepast. Samenvatting (92) Uit de genoemde uitspraak van de Raad van State (20-1-2021) volgt dat de berekening van de verkeersbewegingen tijdens de aanlegfase ontoereikend is. Daarmee is sprake van onderschatting van de stikstofdepositie. Op basis van de enkele omstandigheid dat stikstoftoename lokaal en tijdelijk is, kan niet worden geconcludeerd dat deze niet leidt tot aantasting van natuurlijke kenmerken van natuurgebied. Beantwoording Omdat de natuurdoeltypen die aanwezig zijn op de Oranjeplaat niet stikstofgevoelig zijn, kunnen effecten met zekerheid worden uitgesloten. Dit is duidelijk in de rapportage aangegeven. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren.

De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (93) Cliënten verzetten zich tegen latere aanwijzing van de aan te leggen natuur als Natuurnetwerk Zeeland. Beantwoording Het wel of niet aanwijzen van de aan te leggen natuur als Natuur Netwerk Zeeland is geen onderdeel of besluit in het kader van dit bestemmingsplan. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (94) De Effectbeoordeling kan niet leiden tot de conclusie dat de herontwikkeling niet leidt tot onevenredige aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Zeeland. Beantwoording Zoals hierboven is verwoord zijn alle effecten gemotiveerd en kan die conclusie wel worden getrokken. Waar relevant wordt de betreffende rapportage aangepast.

50

Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en gegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt tot wijziging van het bestemmingsplan, in die zin dat de betreffende bijlage van de Toelichting wordt aangepast. Samenvatting (95-105) In de uitgevoerde onderzoeken voor het aspect water zijn de gevolgen voor de bedrijfsvoering van cliënten niet meegenomen, terwijl zij onevenredig in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. Op grond van provinciaal beleid moeten de zoetwaterbellen in stand worden gehouden en indien mogelijk worden vergroot. Door de kreken in het plan komt het zoute water verder landinwaarts waardoor verzilting kan toenemen (rapportage Sweco 26-6-2020), zal de grondwaterstand dalen, de grondwaterstroming richting het Veerse Meer toenemen en het gedraineerde gebied waar nu nog een deel zoetwater is, worden doorsneden met zoutwater zodat vermenging zal optreden. Het plan beïnvloedt dus het zoetwatervoorkomen. Het onderzoek benoemt mitigerende maatregelen (opzetten peil in noordoostelijke watergang, verwijderen van drainage en ophogen van het maaiveld) maar deze zijn niet geborgd. Reclamant bestrijdt overigens het toereikend zijn van de maatregelen. De eindconclusie noemt het aanbrengen van een kleilaag maar deze is niet uitgewerkt.

Beantwoording Het geohydrologisch onderzoek toont aan dat er met mitigerende maatregelen geen negatieve beïnvloeding van het zoetwatervoorkomen is. De kleilaag is niet noodzakelijk als mitigerende maatregel, maar zorgt voor een verlaging van het debiet dat nodig is voor het opzetten van het peil. De uitkomsten zijn doorgesproken en afgestemd met het waterschap en zullen in de nog aan te vragen en te verlenen watervergunning geborgd worden. Om deze reden hoeft dit niet te worden geborgd in de Regels. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (106-107) In het kader van mitigerende maatregelen wordt ervan uitgegaan dat de landbouwfunctie op de gronden van cliënten wordt beëindigd. Los daarvan blijft onttrekking van zoetwater nodig voor de gronden aan de overzijde van de Muidenweg. Dit is niet genoemd in het geohydrologisch onderzoek en daarmee is dus niet op de gevolgen hiervan voor de bedrijfsvoering van cliënten ingegaan. Beantwoording De berekende peilopzet is voldoende als mitigerende maatregel. Als de drainage van de landbouwgronden in het toekomstige natuurgebied verwijderd wordt heeft dit een aanvullend positief effect op het zoetwatervoorkomen. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren.

De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (108-110) Behoud van de zoetwatervoorkomens is van belang voor de onttrekking en om andere redenen. Dit is geenszins geborgd. Toevoeging van het nieuwe natuurgebied aan Natuurnetwerk Zeeland maakt onttrekking van zoetwater onmogelijk voor de gronden aan de overzijde van de weg omdat deze dan binnen 300 meter van het Natuurnetwerk Zeeland liggen. Dit maakt de bedrijfsvoering van cliënten onmogelijk. Het geohydrologisch onderzoek veronderstelt dat de zoetwatervoorraad zal verhogen 51

maar dit is niet geborgd, evenmin als is geborgd dat in dit gebied geen kreken worden gerealiseerd nu de bestemming dit niet verbiedt. Beantwoording Het bestemmingsplan regelt niet dat de nieuw aan te leggen natuur onderdeel wordt van het Natuur Netwerk Zeeland. Daarmee is het ook niet zo dat met de vaststelling van dit bestemmingsplan het besluit genomen wordt dat er geen zoetwater meer onttrokken mag worden uit het zoetwatervoorkomen. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (111) Uit de Notitie plaagsoorten (Tauw, 26-11-2020) blijkt dat deze soorten zullen toenemen. Initiatiefnemer heeft aangegeven slechts een beperkt aantal van de in de rapportage aangegeven aandachtspunten en aanbevelingen te willen overnemen, en deze zijn niet geborgd. Het plan zal dus leiden tot (een toename van) plaagsoorten. Beantwoording Het is niet zo dat de notitie aangeeft dat het aantal plaagsoorten toeneemt, maar toetst of plaagsoorten kunnen voorkomen in de nieuw aan te leggen kreken en is gericht op het aspect volksgezondheid. De initiatiefnemer neemt de maatregelen die nodig zijn om de risico's voor de volksgezondheid van de gasten op het recreatiepark te beperken.

De conclusie is dat met deze maatregelen het voorkomen van plaagsoorten aanzienlijk kleiner en beheersbaar is. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (112-114) Een voor deelgebied 2 uitgevoerd milieuhygiënisch vooronderzoek concludeert dat nadere onderzoeken dienen te worden uitgevoerd. De Toelichting stelt dat dit te zijner tijd, "in het kader van de omgevingsvergunning" gebeurt. Ook blijkt uit het vooronderzoek dat een nader bodemonderzoek, een vooronderzoek waterbodem én een verkennend waterbodemonderzoek (enkele watergangen komen immers te vervallen) moeten worden uitgevoerd. Deze hadden al moeten zijn uitgevoerd, dit is in strijd met art. 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening en staat aan uitvoerbaarheid van het plan in de weg. Bijlage 3 bij het vooronderzoek ontbreekt en niet duidelijk is wat in het vooronderzoek wordt bedoeld met "de gedempte watergang". Beantwoording In de planregels zal een voorwaardelijke verplichting worden opgenomen op grond waarvan een omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen pas zal worden verleend als uit (nader) onderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit voldoende is. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en gegrond te verklaren.

De zienswijze leidt op dit punt tot wijziging van het bestemmingsplan, in die zin dat een voorwaardelijke verplichting in de Regels wordt opgenomen (artikel 10.5) voor bodemkwaliteit in relatie tot het verlenen van een omgevingsvergunning.

52

Samenvatting (115-116) In het plan is enkel gekeken naar wegverkeerslawaai en industrielawaai. De akoestische uitstraling van het plan op de woning van cliënten is niet onderzocht zodat niet duidelijk is of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met de komst van het recreatiepark. Cliënten stellen zich op het standpunt dat vanwege een groot recreatiepark in hun achtertuin en de daarmee gepaard gaande geluidsbelasting, niet langer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat het plan daarmee niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Beantwoording Er is in het plan wel degelijk rekening gehouden met de aanwezigheid van de bestaande woningen rond het plan, waaronder de Muidenweg 11. De afstand van dit geluid is niet opgenomen in de paragraaf 'Geluid', maar toegelicht in de paragraaf 'Bedrijven en milieuzonering'. Hierin worden de VNG-richtafstanden van functies in de omgeving beschouwd. Op basis van deze richtafstand zijn rond het perceel Muidenweg 11 tot op een afstand van 50 meter groenbestemmingen vastgelegd op de verbeelding van het plan. Op (ieder van) deze groenbestemmingen wordt een aardewal van 4 meter hoog gerealiseerd. Hiertoe is tevens een aanduiding opgenomen op de Verbeelding. De recreatieve bestemming, waar het recreatiepark mag worden gevestigd, ligt op grotere afstand dan 50 meter.

De afstand van de recreatieve bestemming tot de woning is nog ruim 8 meter groter. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat voldoende onderbouwd. Ten noorden van het perceel is een natuurbestemming geprojecteerd. In de Toelichting van het bestemmingsplan is hoofdstuk 2 volledig gewijd aan de beschrijving van de milieueffectrapportage. Ook het aspect geluid komt in dat hoofdstuk ruimschoots aan de orde. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (117) Uit het akoestisch onderzoek van 16 september 2020 blijkt dat ter plaatse van de woning van de cliënt een te hoge geluidbelasting plaatsvindt (waarbij overigens opvalt dat niet tevens op een hoogte van 1,5 meter is gerekend). Daar wordt vervolgens in het geheel niets meer over gezegd. Nu wordt geconcludeerd dat de voorkeursgrenswaarde op de woning van cliënten wordt overschreden, is het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Beantwoording Het akoestisch onderzoek van 16 september 2020 is uitsluitend opgesteld omdat het bestemmingsplan de projectie van nieuwe bedrijfswoningen toestaat. Omdat deze bedrijfswoningen ook toegestaan worden binnen de zone van een in de Wet geluidhinder vastgesteld zone noodzaakt tot een uitvoering van een akoestisch onderzoek.

Omdat op dit moment nog niet vaststaat waar deze bedrijfswoningen worden gebouwd zijn geluidscontouren langs de relevante wegen berekend op de maatgevende waarneemhoogte van 7,5 meter. Op deze manier kan worden beoordeeld of het noodzakelijk is dat voor deze nieuwe bedrijfswoningen de vaststelling van een hogere waarde noodzakelijk is. Dit onderzoek heeft niet tot doel gehad om de geluidsbelasting ter plaatse van de woning Muidenweg 11 te bepalen. Er is gerekend op een hoogte van 7,5 meter omdat dat voor de geluidsberekening in deze situatie de maatgevende beoordelingshoogte is. Een beoordelingshoogte van 1,5 meter kan alleen maatgevend zijn, in een stedelijk situatie waar direct langs de weg, binnen een afstand van enkele meters van de weg de geluidsbelasting wordt berekend. Dat is hier niet het geval. Daarnaast blijft aan de orde dat dit onderzoek niet tot doel heeft de geluidsbelasting op de woning Muidenweg 11 te berekenen. Dat de geluidsbelasting bij de woning Muidenweg 11 de voorkeursgrenswaarde overschrijdt wordt niet ontkend. Deze woning staat immers op relatief kleine afstand van de Muidenweg waardoor de geluidsbelasting de voorkeursgrenswaarde overschrijdt. Uit 53

het geluidsonderzoek van het MER blijkt echter dat geen nadelige akoestische effecten zijn te verwachten. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (118) Ontwikkeling van het waterpark vereist rotatie van de start-/landingsbaan van het vliegveld. Dit vergt wijziging van het Luchthavenbesluit en van zes bestemmingsplannen of vaststelling van een inpassingsplan. Zolang deze besluiten niet onherroepelijk zijn en de voor de baanrotatie benodigde grond niet is verworven, kan het bestemmingsplan niet worden vastgesteld. Beantwoording Het bestemmingsplan wordt gewijzigd vastgesteld, zodanig dat de baanrotatie niet voorwaardelijk is. De luchtvaartverkeerszones zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan, worden ook opgenomen in het nu vast te stellen bestemmingsplan Hiermee blijft de situatie voor de aanvliegroute vooralsnog ongewijzigd. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en gegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (119-120) Er is geen volledig onderzoek luchtkwaliteit uitgevoerd, maar alleen ten behoeve van het milieueffectrapport, zoals is vermeld in het MER (rapport van Tauw, 25-11-2020).

In de Toelichting en in het rapport van Tauw wordt alleen ingegaan op de NO2 bijdrage van woningen en recreatieve voorzieningen in het Waterpark Veerse Meer en - ten onrechte - niet op de bijdrage van verkeer. Ook is ten onrechte niet getoetst aan de grenswaarden PM10 en PM2.5. Er is dus geen onderbouwing voor de conclusie in de Toelichting op het bestemmingsplan dat dit aspect niet leidt tot belemmeringen voor het plan. Beantwoording Goudappel heeft onderzoek gedaan naar de uitstoot fijnstof van het verkeer (onderzoek emissie van verkeer op NO2, PM10 en PM2.5). Goudappel concludeert: "Bijdrage van het verkeer is voor dit project in niet betekenende mate voor NO2 en fijn stof (PM)". Tauw heeft onderzoek gedaan naar de emissie van recreatiewoningen en andere gebouwen (alleen NO2). Tauw concludeert: "Bijdrage van emissie van de huisjes is niet in betekenende mate voor NO2". Daarnaast heeft Tauw ook gekeken naar de totale projectbijdrage. Als de berekende NO2emissie van verkeer (Goudappel) bij de berekende NO2-emissie van de bebouwing (Tauw) bij elkaar wordt opgeteld, resulteert de totale projectbijdrage aan de NO2-concentratie. In het luchtkwaliteitsonderzoek van Tauw is beredeneerd dat de uitkomst dan nog steeds een toename is van niet in betekenende mate. Met deze twee onderzoeken is er een compleet onderzoek naar de luchtkwaliteit uitgevoerd.

Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (121-127 en 55-57) In de Toelichting is ingegaan op de Omgevingsverordening en de VNG-brochure bedrijven en milieuzonering. Voor de Omgevingsverordening is getoetst aan art. 2.17. Dat bepaalt dat een nieuwe 54

verblijfsrecreatieve bestemming enkel wordt toegestaan binnen een afstand van 100 meter van gronden waarop agrarische gebouwen zijn toegelaten als hierdoor geen of nagenoeg geen hinder optreedt bij woon- en verblijfsrecreatieve functies en de kleinere afstand niet leidt tot onevenredige beperkingen in de bedrijfsvoering van de betrokken agrarische bedrijven. Het is volgens reclamant evident dat niet wordt aan die voorwaarden wordt voldaan. Dat (nagenoeg) geen hinder zal optreden bij cliënten is in de Toelichting niet gemotiveerd; volstaan is met de opmerking dat kan worden gesteld dat nagenoeg geen hinder optreedt bij de woonfunctie op het agrarische perceel en dat geen onevenredige beperking plaatsvindt in de bedrijfsvoering. Dit is onbegrijpelijk aangezien deelgebied 2 vrijwel volledig is gesitueerd op de gronden die behoren tot de agrarische bedrijfsvoering van cliënten. Ook is geen/onvoldoende rekening gehouden met de woning van cliënten wat betreft milieuaspecten en woon- en leefklimaat. Beantwoording In de paragraaf 'Bedrijven en milieuzonering' is het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van de reclamant gemotiveerd. Hierin worden de VNG-richtafstanden van functies in de omgeving beschouwd. Op basis van deze richtafstand zijn rond het perceel Muidenweg 11 tot op een afstand van 50 meter groenbestemmingen vastgelegd op de verbeelding van het plan.

Op (ieder van) deze groenbestemmingen wordt een aardewal van 4 meter hoog gerealiseerd. Hiertoe is tevens een aanduiding opgenomen op de verbeelding. De recreatieve bestemming, waar het recreatiepark mag worden gevestigd, ligt op grotere afstand dan 50 meter. De afstand van de recreatieve bestemming tot de woning is nog ruim 8 meter groter. Ook worden enkele specifieke functies uitgesloten, zoals extensieve dagrecreatie, sport- en speelterreinen, nutsvoorzieningen en aan het recreatiepark ondergeschikte duurzame energievoorzieningen binnen de contour van 50 meter van het perceel uitgesloten. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat voldoende onderbouwd. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (126) Uit de Toelichting blijkt niet dat de Veiligheidsregio is verzocht om advies uit te brengen over hulpverlening en zelfredzaamheid als er sprake is van invloedsgebieden van risicobronnen die op een grotere afstand dan 1.500 meter aanwezig zijn en zich binnen het plangebied nieuwe of bestaande objecten of functies van meer dan 250 personen bevinden. De externe veiligheid is dan ook onvoldoende beoordeeld. Beantwoording De Veiligheidsregio is zoals gebruikelijk al in vroegtijdig stadium gevraagd te adviseren.

Dit blijkt ook uit de zienswijze van de Veiligheidsregio waarin zij haar waardering hiervoor uitspreekt. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (127) Het uitgevoerde vooronderzoek naar niet gesprongen explosieven adviseert gedeeltelijk aanvullend onderzoek. Uitvoering hiervan is niet geborgd. De gemeente is geen eigenaar van de gronden en van de initiatiefnemer is niet bekend of deze beschikt over voldoende financiële middelen. In het plan is in de Regels niet middels een aanduiding (bijv. veiligheidszone - nge) geborgd dat nader onderzoek dient te worden uitgevoerd.

55

Beantwoording De initiatiefnemer is bekend met de mogelijke aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven en houd daar rekening mee bij de realisatie van het recreatiepark. Het ruimen van de explosieven gebeurt door de EOD en hieraan zijn geen kosten verbonden. De kosten voor het opsporen en bereikbaar maken van de niet-gesprongen explosieven zijn voor rekening van de initiatiefnemer, maar zijn ook voor 68% subsidiabel. De gemeente en de initiatiefnemer maken tijdig afspraken over de indiening van een subsidieaanvraag. Het risico op aanwezigheid van explosieven in het plangebied is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. Dit is - op basis van vooronderzoek toegelicht in paragraaf 9.10 van de plantoelichting. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (131-132 en 188-191) Het opgestelde duisternis- en verlichtingsplan biedt onvoldoende zekerheid dat er geen lichthinder bij cliënten zal optreden. De planregels verzekeren niet de realisatie van de grondwal en daarop te realiseren groen van bepaalde hoogte. Bij de berekening is uitgegaan van bepaalde armaturen, maar initiatiefnemer kan ervoor kiezen andere armaturen te realiseren die een andere en mogelijk grotere lichttuitstraling hebben.

Beantwoording De aanleg van de grondwal is verzekerd middels het aan de Regels gekoppelde document inrichtingsvereisten. Daarnaast blijkt uit het duisternis- en verlichtingsplan dat er nauwelijks lichtuitstraling is, door het gebruik van led-verlichting. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (133-134 en 42-43) De planregels staan meer dan 100 m2 toe aan gebouwen en bouwwerken t.b.v. duurzame energie. Dit is in strijd met de Omgevingsverordening, die de oppervlakte beperkt tot 100 m². Ook is het opwekken van duurzame energie middels windmolens niet expliciet verboden in de planregels. Beantwoording In het bestemmingsplan is bepaald dat voorzieningen ten behoeve van het opwekken van duurzame energie uitsluitend zijn toegestaan als ondergeschikte functie bij het recreatiepark. Aanvullend is in artikel 9.3 een beperking in de omvang van deze voorzieningen opgenomen, te weten maximaal 100 m² aan gebouwen en bouwwerken. Dit betreft in het plan primair kleine bouwwerken voor onder meer WKO-voorzieningen en elektriciteit van bijvoorbeeld zonnepanelen.

Met "ondergeschikte" functie wordt bedoeld dat de duurzame energieopwekking zowel wat betreft het gebruik van de percelen en gebouwen als wat betreft ruimtelijke uitstraling niet de boventoon mag gaan voeren en het karakter van de hoofdbestemming niet mag gaan bepalen. Dit is als zodanig opgenomen in de begripsbepaling. Wat betreft windmolens: deze locatie is niet aangemerkt voor windenergie. Er is geen sprake van een grootschalige concentratielocatie zoals bedoeld in de Omgevingsverordening, er is hier uitsluitend sprake van ondergeschikte voorzieningen. Daarbij is de gemeente bevoegd gezag voor kleine turbines op gebouwen en met een tiphoogte van 20 meter. De maximum bouwhoogte voor voorzieningen ten behoeve van de opwekking van duurzame energie bedraagt in het plan maximaal 10 meter. Windturbines zijn dus niet realiseerbaar in het plan. Omdat er ook geen kleine windmolens in het plan zijn voorzien is dit niet nader toegelicht in het bestemmingsplan. De 56

voorzieningen t.a.v. duurzame energie zijn voldoende beperkt in de Regels en de oppervlaktebeperking wordt in het vast te stellen bestemmingsplan algemeen geregeld. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (135-136) Volstaan is in de Toelichting met de opmerking dat afspraken zijn gemaakt met de initiatiefnemer in een anterieure overeenkomst. Dit is volgens vaste rechtspraak onvoldoende; in de Toelichting moet ook inzicht in de uitvoerbaarheid van het worden opgenomen. Het plan voldoet niet aan art. 3.1.6 sub f. Besluit ruimtelijke ordening. Beantwoording In de anterieure overeenkomst zijn tevens afspraken gemaakt over verwerving van gronden, in het geval het niet lukt deze door de ondernemer te verwerven. In verband daarmee is inmiddels een gemeentelijk voorkeursrecht gevestigd. De gemeente verwacht tot minnelijke verwerving van alle gronden te kunnen komen. Indien dit niet lukt dan zal de gemeente het onteigeningsinstrument moeten inzetten. In bijlage 1 van het bestemmingsplan wordt verder uitgebreid aandacht besteed aan de haalbaarheid en behoefte aan de ontwikkeling, en in de hoofdstukken 4 t/m 9 wordt getoetst aan diverse milieuaspecten. Daarmee wordt de uitvoerbaarheid van het plan aangetoond.

Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (137) De gronden in deelgebied 2 zijn geen eigendom van initiatiefnemer. Uitvoering van het plan binnen 10 jaar is hiermee onzeker. De Toelichting van het plan gaat daarop niet in. Er is geen behoefte aan de ontwikkeling, de vraag stijgt minder hard dan het aanbod en de bezetting van bestaande recreatie op, provinciaal niveau was slechts 45%, terwijl een park dat zich volledig richt op toeristische verhuur een bezetting van circa 60% vereist voor een gezonde exploitatie. Ook is er waardedaling van de onroerende zaken van cliënten. Beantwoording Zie het antwoord op het vorige zienswijze-onderdeel. Indien en voor zover de onroerende zaken van cliënten als gevolg van het bestemmingsplan in waarde zou dalen kan een beroep worden gedaan op planschade. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (138) Volgens de Nota Inspraakreacties wordt er met cliënten gesproken, op een kennismakingsgesprek na is dit echter niet aan de orde, terwijl vrijwel geheel deelgebied 2 tot hun bedrijfsvoering behoort. Het plan is niet maatschappelijk uitvoerbaar.

Beantwoording Zie het antwoord op een eerdere zienswijze onderdeel hierover.

57

Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (140) Volgens de Toelichting worden eventuele spuitzones opgeheven. Aan de overzijde van de Muidenweg blijven echter gronden agrarisch in gebruik. Een eventuele grondwal doet daaraan niet af. Beantwoording In het MER wordt uitgebreid ingegaan op de aangevoerde argumenten. Wat betreft de spuitzone wordt opgemerkt dat niet alleen geen sprake is van woonbestemmingen maar dat ook geen gevoelige bestemmingen binnen een afstand van 50 meter van agrarische percelen liggen. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (141) Uit de Toelichting blijkt niet dat overleg als bedoeld in art. 3.1.1 met de provincie heeft plaatsgevonden. Beantwoording In paragraaf 11.1 van de Toelichting is aangegeven dat het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1. Bro heeft plaatsgevonden. In de ‘Nota inspraak en overleg’ die als bijlage 21 bij de Toelichting is gevoegd, is de beantwoording van de vooroverlegreactie van de provincie te lezen. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan.

Samenvatting (142 en 146-149, zie ook 171) Een bedrijfswoning is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting gelet op de bestemming noodzakelijk is. In de Toelichting is niet gemotiveerd waarom er 8 bedrijfswoningen nodig zijn. Beantwoording Op een recreatiepark met de omvang van Waterpark Veerse Meer zijn permanent 2 beheerders aanwezig. Voorts zijn altijd stagiaires in dienst. Zij komen uit binnen- en buitenland en sommigen zullen daarom op het park moeten verblijven. De ervaring in het vergelijkbare recreatiepark Hof van Saksen leert dat hiervoor 6 woningen benodigd zijn. Dit brengt het totaal op 8. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (143) Gezien alles wat is aangevoerd, is er strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur waaronder het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Omdat de gemeente een groot financieel belang heeft bij doorgang van het plan, is zij vooringenomen. Dat de initiatiefnemer miljoenen euro´s voorschiet om investeringen in de buurt mogelijk te maken, onderstreept dit. 58

Beantwoording Daar waar het ontwerpbestemmingsplan onvolledig is, worden aanpassingen/aanvullingen doorgevoerd in het door de gemeenteraad vast te stellen plan. Waar nodig wordt de motivering aangevuld of redactioneel aangepast. In artikel 4.5 van de overeenkomst is opgenomen dat de gemeente haar volledige publiekrechtelijke verantwoordelijkheid behoudt en dat zij, als deze verantwoordelijkheid dat vereist, besluiten kan en moet nemen die ten nadele kunnen zijn van dit plan. Op 28 januari 2021 heeft de gemeenteraad besloten geen wensen en bedenkingen in te brengen op een voorstel tot aanpassing van de anterieure overeenkomst. De aanpassingen hebben onder andere betrekking op deze voorfinanciering en deze is niet meer van toepassing. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (146-149) De definitie van het begrip 'bedrijfswoning' is onjuist en in strijd met de gebruikelijke definitie, zoals de gemeente Middelburg deze normaliter ook hanteert. Reclamant verwijst hierbij naar een aantal bestemmingsplannen. Hij vermoedt dat de definitie bewust is aangepast om meer bedrijfswoningen te kunnen toestaan. De definitie dient te worden aangepast.

Beantwoording Inderdaad is de begripsbepaling van 'bedrijfswoning' niet gelijkluidend aan die in het thans vigerende bestemmingsplan. Dit is echter ook niet vereist en bovendien valt niet in te zien waarom de ene begripsbepaling meer bedrijfswoningen zou toelaten dan de andere. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (150-153, 155-157 en 172) De definitie van het begrippen 'bouwwerk' en 'nutsvoorzieningen' wijken af van wat gebruikelijk is in bestemmingsplannen van gemeente Middelburg, waar het begrip 'bouwwerk' overigens ook meer aansluit bij de Modelbouwverordening. Onduidelijk is waarom hiervoor wordt gekozen. Bovendien zijn voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie ten onrechte onder de definitie van nutsvoorzieningen gebracht. Zij vergen een expliciete beoordeling, ook op grond van de Omgevingsverordening. Verzocht wordt dit aan te passen. Beantwoording Het staat de gemeenteraad vrij om in bestemmingsplannen die begripsbepalingen op te nemen die passend worden geacht. Voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie zijn uitsluitend ondergeschikt mogelijk binnen alle bestemmingen, behoudens het natuurgebied. Daarbij zijn maximale oppervlaktes en hoogtes geborgd in de regels.

In het provinciaal beleid wordt op het punt 'duurzame energie' aan de verordening getoetst. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (154 en 158) Permanente bewoning is ten onrechte niet uitgesloten in de begrippen 'chalet', 'kampeermiddelen', recreatie-eenheid', recreatiepark' en 'verblijfsrecreatie'. 59

Beantwoording Middels een specifieke gebruiksregel in artikel 5.3.1 is permanente bewoning uitgesloten bij grondgebonden recreatiewoningen, chalets en recreatie-appartementen. Aan dit artikel worden 'kampeermiddelen' toegevoegd. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en gegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt tot wijziging van het bestemmingsplan, in die zin dat de Regels worden aangepast. Samenvatting (160) De bestemming 'Groen' is mede bestemd voor opwekken van duurzame energie. Dit is in strijd met de Omgevingsverordening, welke een specifieke beoordeling vereist en dit heeft niet plaatsgevonden. Voorkomen moet worden dat de voor 'groen' aangewezen gronden worden gebruikt voor (bijv.) zonnepanelen. Ook dient dit expliciet rondom bedrijf en woning van cliënten te worden uitgesloten. De toegestane bouwhoogte van 10 meter is te hoog. Beantwoording Duurzame energievoorzieningen zijn uitsluitend ondergeschikt aan de bestemming Groen mogelijk: In het artikel is hier expliciet benoemd: "met de daarbij behorende". Dit is niet in strijd met de Omgevingsverordening. Wat betreft het uitsluiten van deze voorzieningen rond de woning aan de Muidenweg 11 kunnen wij ons vinden in de beredenering dat dit ongewenst is. In een zone van 50 meter rond de woning zullen voorzieningen ten behoeve van duurzame energie worden uitgesloten.

Hiermee is ook het door reclamant aangedragen punt van de bouwhoogte van 10 meter nabij zijn woning weggenomen. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en gegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt tot wijziging van het bestemmingsplan, in die zin dat de Regels en de Verbeelding worden aangepast. Samenvatting (161) Extensieve dagrecreatie en sport- en speelterreinen op voor 'groen' aangewezen gronden dienen rondom bedrijf en woning van cliënten te worden uitgesloten vanwege de daarmee gepaard gaande geluidbelasting. Er is geen beoordeling op geluidbelasting uitgevoerd. Beantwoording Inderdaad zijn de effecten vanwege extensieve dagrecreatie en sport- en speelterreinen op de woning van reclamant niet onderzocht. Daarom zullen genoemde functies middels een aanduiding op de Verbeelding worden uitgesloten. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en gegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt tot wijziging van het bestemmingsplan, in die zin dat de Verbeelding wordt aangepast. Samenvatting (162-163, zie ook 21) Gebouwen en bouwwerken naast en rondom bedrijf en woning van cliënten zijn niet uitgesloten (artikelen 3.2.1 en 3.2.3, en het beeldregieplan). Direct naast de woning is een groot gebouw gesitueerd zonder dat duidelijk is wat voor gebouw het betreft.

60

Beantwoording Gebouwen en bouwwerken zijn slechts in beperkte mate mogelijk binnen de bestemming Groen. Het betreft echter geen gebouwen met een recreatieve functie, zodat overlast voor reclamant niet te verwachten is. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (165-167) De bestemming 'Natuur-overgangszone' is mede bestemd voor extensieve dagrecreatie en staat bouwwerken toe. Dit is onterecht gezien het woon-en leefklimaat rondom de woning van cliënten en de natuurwaarden van natuurgebied De Piet. Beantwoording Binnen de bestemming Natuur-Overgangszone zijn enkel 'andere bouwwerken' toegestaan. Gezien de zeer beperkte toegestane omvang valt niet in te zien hoe het woon- en leefklimaat van reclamant hierdoor wordt geschaad. Bovendien wordt extensieve dagrecreatie in een zone van 50 meter rond het perceel aan de Muidenweg 11 uitgesloten. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvatting (168-169) Cliënten van reclamant kunnen zich niet verenigen met de planregels ten behoeve van de bestemming 'Recreatie-verblijfsrecreatie'. Het beeldregieplan is niet geborgd in het plan. Sommige voorzieningen, zoals bijv.

het indoorwaterpark en het logistiek centrum kunnen daardoor nabij de woning van cliënten worden gerealiseerd, in de meest noordoostelijke punt van de recreatiebestemming. Dit heeft invloed op milieuaspecten zoals geluid en op het woon-en leefklimaat en daarmee op een goede ruimtelijke ordening, maar dit is niet onderzocht. Dit betekent dat niet de maximale planologische mogelijkheden zijn onderzocht. Dat strijd met art. 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Beantwoording Het beeldregieplan is een richtinggevend document en legt niet exact vast waar de recreatiewoningen en de voorzieningen worden gesitueerd. Bij het uitvoeren van de milieuonderzoeken is uitgegaan van een representatieve inrichting van het waterpark, uitgaande van het op basis van het bestemmingsplan maximaal mogelijke programma, gebaseerd op het landschapsplan (november 2020) zoals dat door zowel de ontwikkelaar als de gemeente wordt voorzien. Hiermee zijn de planologische mogelijkheden in voldoende mate onderzocht. Geclusterde voorzieningen, zoals een zwembad of ontvangstruimte, zijn door beperkte bouwhoogtes redelijkerwijs niet wenselijk op korte afstand van de woning. Besluit Dit onderdeel van de zienswijze ontvankelijk en ongegrond te verklaren. De zienswijze leidt op dit punt niet tot wijziging van het bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10359108/1