CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. A&A joodse-onteigeningen Middelburg

Commissie Algemeen Bestuur 9 december 2025, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Actieve informatieplicht22.145 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De in augustus 1945 opgerichte Raad voor het Rechts­herstel was de coördinerende instantie voor het ongedaan maken van de ontrechting van personen en instellingen en het herstel van rechtsverhoudingen.

Rechtbankdossiers Ook rechtbankdossiers spelen een rol in dit onderzoek. Zowel in de ont­ eigenings­­vraag als bij de rechts­herstelvraag, maar beide op een heel verschillende manier. Veel NSB-burgemeesters – en andere functionarissen zoals wethouders, gemeente­secretarissen en politiecommissarissen – moesten na de bevrijding verantwoording afleggen voor een rechtbank van de zogenaamde ‘bijzondere rechtspleging’.7 Deze CABR-dossiers vormen de archivale neerslag van deze processen en vonnissen. De ervaring van eerdere onderzoeken leert echter dat koop of huur van Joodse panden door

29

Het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging in het Nationaal Archief bevat de proces­stukken van deze zuiverings­ tribunalen op regionaal niveau.

functionarissen zelden of nooit een centrale plaats innam in hun proces. Deze bewerkelijke en beperkt toegankelijke dossiers hebben we daarom alleen als aanvullend bewijsmateriaal gebruikt. CABR-dossiers kunnen op persoonsnaam worden opgevraagd. De Raad voor het Rechts­herstel heeft verschillende administratieve ingangen. Dossiers van de afdeling Onroerende Goederen zijn geordend op plaatsnaam, waardoor het eenvoudig is om onteigend Joods bezit per gemeente terug te vinden. In de dossiers zitten de aangifteformulieren van het onroerend goed met de opeenvolgende eigenaars, de verkoopprijzen en eventuele hypotheken. De rechts­herstelvraag is met deze dossiers vrijwel altijd te beantwoorden. Omdat het vaak alleen de kale weerslag van het uiteindelijke resultaat betreft, vertellen de dossiers nauwelijks iets over de procedure die eraan is voorafgegaan. Om daar meer zicht op te krijgen, hebben we ook de registers van de afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechts­herstel meegenomen in het onderzoek. Hierin staan alle zaken van met name Joodse ontrechten die niet door een minnelijke schikking opgelost konden worden. In deze registers zitten ook zaken van NSB’ers en zogenaamde ‘vijandige onderdanen’.

Particuliere archieven en kranten Notariële archieven die ouder zijn dan 75 jaar, zijn te vinden bij een openbare archiefdienst. De notariële archieven die jonger zijn dan 75 jaar worden bewaard bij de rechtbanken of bij de notaris zelf. De archieven worden elke keer overgebracht in perioden van 10 jaar. Voor het laatst zijn de archieven uit de periode tot en met 1935 overgebracht. Voor alle akten geldt dat ze na 75 jaar openbaar worden, met uitzondering van testamenten en codicillen, die pas na 100 jaar openbaar worden. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat we geen verzoek hebben gedaan om inzage. In de archieven van gemeenten en burge­ meesters werd sowieso al de ene zijde van correspondentie en onder­hande­ lingen met deze kantoren zichtbaar, die zeker goed verdienden aan de onteige­ ningen, de (door)verkoop en het beheer van de panden.8 Ook in de rapporten voor andere gemeenten keert deze potentieel belangrijke bron niet terug.

Onze methode In dit onderzoek wilden we betrouwbare antwoorden formuleren op de twee hoofd­vragen: heeft gemeente Middelburg panden aangekocht van Joodse eigenaren, en zijn naheffingen van gemeente­belastingen opgelegd in het proces van rechts­herstel? Daarnaast leverden systematische zoektochten in de archief­collecties een impressie op van hoe de gemeente Joodse burgers bejegende, tijdens de bezetting en na de bevrijding. Zijn er aanwijzingen dat de gemeente naar vermogen probeerde om de impact van anti-Joodse maatregelen te vertragen of te beperken? Of is de indruk eerder dat men hoopte, door mee te werken aan deze anti-Joodse maatregelen, een zekere welwillendheid te bereiken van de bezetter tegenover andere burgers? Besteedde de gemeente na de bevrijding

30

speciale aandacht aan Joodse slachtoffers en nabestaanden, bij­voor­beeld door belastingen of boetes kwijt te schelden?

Onteigeningsvraag Op het eerste gezicht lijken de Verkaufs­bücher een duidelijk antwoord te geven op de onteigeningsvraag. Daarin staan alle onteigende Joodse panden die door de bezetter waren doorverkocht – kleine administratieve slordigheden en het ontbrekende eerste register daargelaten. Daaruit blijkt dat gemeente Amsterdam een flink aantal panden direct van de ANBO kocht. Amsterdam was echter de grote uitzondering. De andere gemeenten die in de Verkaufs­bücher als koper te boek staan, kochten slechts één of enkele van tientallen of honderden doorverkochte panden. De onder­ zoeks­rapporten van andere gemeenten laten bovendien zien dat aankoop door de gemeente via een tussenhandelaar ook naar verhouding zelden voorkwam.

Drie stappen Daarom kozen we voor een alternatieve aanpak. Door vanuit verschillende bronnencollecties dezelfde hoofdvraag te benaderen, ontstaat een betrouwbaarder beeld. Onze aanpak bestond uit drie stappen, die elkaar aanvullen en controleren: 1. De reconstructie van politieke besluitvorming over de eventuele aankoop van onteigende panden. De belangrijkste bronnen zijn hier de archieven van gemeente- en provinciebestuur. 2. Een reconstructie van de transacties die vermeld worden in de Verkaufs­ bücher, aangevuld met kadasteronderzoek. 3. Onderzoek naar berichtgeving over oorlogsaankopen en teruggaaf­ problemen in lokale kranten na de oorlog. Zowel voor, tijdens als na de bezettingsjaren vereiste de aankoop van vastgoed een besluit van de gemeenteraad – of ten minste van het college van B en W, toen de bezetter de gemeenteraden ontbonden had. De formele werk­wijze van nationale en decentrale overheden in dit vraagstuk is voor dit onder­ zoek een voordeel. De eerste stap was dus om naar verwijzingen over koop­ (onderhandelingen) te zoeken in de notulen en besluiten van raad en college en in jaarverslagen van de oorlogsjaren. Een soortgelijke zoektocht deden we in dezelfde omvangrijke bronnen voor de eerste drie jaar na de bevrijding, omdat ook teruggaaf op de agenda kan hebben gestaan.

Uit onderzoeksrapporten voor andere steden is bekend dat het gemeente­bestuur de toestemming van de Commissaris der Provincie nodig had voor zulke aankopen. Daarom hebben we ook het archief van de Commissaris bestudeerd. Als tweede stap bestudeerden we de gegevens uit de Verkaufs­bücher. Daarbij waren we extra alert op ‘verdachte’ panden: transacties met professionele tussen­handelaren, aankopen met een hoge kostprijs en notariële afhandeling uit de ambtstijd van een NSB-burgemeester. Uitgangspunt is de aanname dat de gemeente hechtte aan een formele verwerving van vastgoedeigendom. De kans

31

is dus groot dat panden die een gemeente heeft aangekocht, voorkomen in de Verkaufs­bücher. Buiten Amsterdam zijn echter maar een paar gevallen bekend waarbij de gemeente zelf in de Verkaufs­bücher voorkomt als eerste koper.9 Particuliere geïnteresseerden schakelden vaker een tussenkoper in, om te verhullen dat men profiteerde van het lot van Joodse medeburgers. Het is aannemelijk dat ook gemeenten deze oplossing kozen. In principe kan elke eerste koper zo’n tussenhandelaar zijn geweest. Ons onderzoek beschouwde makelaars, notarissen en iedereen wiens naam bij meer dan één transactie in de Verkaufs­ bücher als koper vermeld werd als mogelijke professionele tussen­handelaar. De resultaten voor andere steden laten zien dat gemeenten twee motieven hadden voor de aankoop van Joods vastgoed. Als het om stadsvernieuwing ging, vond de aankoop relatief vroeg plaats. Zo’n aankoop gebeurde vaker zonder tussenhandelaar en werd ook besproken in de bestuurlijke notulen. Juist bij gewraakte aankopen (of pogingen daartoe) waar het om luxueuze woonruimte voor een NSB-burgemeester en andere gemeentefunctionarissen ging, werden verschillende methoden toegepast om de koop te verheimelijken. Tussenhandelaren werden ingeschakeld of niet de gemeente, maar de burgemeester of functionaris zelf trad als koper op. Zulke kopen bleven ook vaker buiten de bestuurlijke akten.

De eigendomsgeschiedenis van de op deze gronden verdachte verkooptransacties – bovengemiddelde prijs, NSB-periode en/of professionele tussenhandelaar – hebben we in kadaster en NBI-archief gereconstrueerd tot het einde van de bezetting. In bijna elke stad werd de burgemeester op enig moment tijdens de bezetting vervangen door een NSB’er. Hetzelfde gold voor de Commissaris der Provincie. Deze functionarissen werden na de oorlog berecht in het kader van de Bijzon­ dere Rechtspleging. Het is goed denkbaar dat twijfelachtige vastgoed­aankopen daarbij aan de orde kwamen. Voor een beperkt aantal personen per stad – met name burgemeester en wethouders – hebben we daarom ook de procesdossiers uit het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) onderzocht. We gingen op zoek naar uitzonderingen en handelingen die ook tijdens en vlak na de oorlog door velen als onoorbaar werden beschouwd. Daarom namen we als derde stap de pers mee in het onderzoek. In de tijd van naoorlogse zuiveringen lag het handelen van gemeenten en (NSB-)burgemeesters tijdens de bezetting onder een vergrootglas. Daarom namen we de krant door op verwijzingen naar onteigend Joods vastgoed en de opstelling van de gemeente daarin. We keken ook naar berichtgeving over aankoop, geplande transacties of huurcontracten als vormen van collaboratie en winstbejag.

In de huidige gemeente Middelburg vonden wij 22 transacties van panden en percelen die werden onteigend als anti-Joodse maatregel. 19 daarvan staan in de Verkaufs­bücher. Ondanks ons zorgvuldige onderzoek is het mogelijk dat we een transactie en daarmee een mogelijke aankoop door de gemeente of

32

koop­onder­handelingen hebben gemist. Door niet op één ingang te vertrouwen, maar verschillende benaderingen en archief­collecties in te zetten, verkleinden we dat risico.

Rechts­herstelvraag Tijdens de bezettingsjaren stuurde elke gemeente in Neder­land huiseigenaren aanslagen voor diverse gemeente­belastingen – net als in de jaren daarvoor. De belangrijkste daarvan, waarop wij ons concentreerden, was de zogenaamde straat- of weg(en)belasting. Hetzelfde gold voor de zogenaamde erfpachtcanon, hoewel die in sommige gemeenten gebruikelijk was en in andere niet of nauwelijks voorkwam.10 In het laatste oorlogsjaar namen de belastingschulden toe, doordat veel oorlogskopers, vaak NSB’ers of Duitsers, de stad verlieten. Ook verliepen de administratie en het bestuur steeds minder geordend. In de meeste gevallen werd deze belasting bij teruggave van het eigendom meegenomen in de eind­ afrekening tussen de oorspronkelijke eigenaar (of zijn nabestaanden) en de oorlogskoper. De kans op openstaande rekeningen, en dus op naheffingen en boetes, was vooral groot als het onteigende pand niet was verkocht, maar in handen was gebleven van de ANBO of een andere beheerder. Dat gebeurde terwijl zo’n gemeente wist dat de geadresseerde van deze naheffingsaanslag ondergedoken gezeten had of gedeporteerd was naar een concentratiekamp.

Drie stappen Omdat dit gaat over patronen in de (in)formele bestuurspraktijk – en niet om uitzonderlijke bestuurlijke besluiten zoals bij de aankoop van panden – was onze aanpak anders opgebouwd. De reconstructie van politieke besluitvorming was daarom pas de tweede stap, na het onderzoek naar de vraag of er formeel rechts­herstel had plaatsgevonden. Ook het onderzoek naar rechts­herstel gebeurde in drie stappen, met verschillende bronnen: 1. Het kadaster en de dossiers van de afdeling Onroerende Goederen van de Raad voor het Rechts­herstel combineerden we, om zo te achterhalen of rechts­herstel voor alle onteigende panden had plaatsgevonden. 2. De reconstructie van besluitvorming rondom gemeentelijke heffingen in notulen, jaarberichten en besluitenlijsten van de gemeenteraad. Voor de naoorlogse periode zochten we naar besluiten om naheffingen of boetes op te leggen bij rechts­herstel, of openstaande rekeningen juist kwijt te schelden voor bepaalde groepen burgers. 3. Onderzoek naar dossiers van de afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechts­herstel. In veel van deze procedures ging het (ook) om belastingheffingen. Daardoor was de gemeente eventueel partij in deze uiteenzettingen.

33

We doorzochten alle transacties in de Verkaufsbücher. Via de naam van de ontrechte Joodse eigenaar in de NBI-dossiers reconstrueerden we of bij deze panden sprake is geweest van gemeentelijke belastingen bij het rechts­herstel. Deze methode functioneerde slechts in een deel van de gevallen. Soms was het NBI-dossier niet vindbaar. Soms had de eigenaar, of hadden zijn nabestaanden geen verzoek om rechts­herstel ingediend. Niet zelden bevatte het dossier ook niet de gezochte informatie, omdat de zaak voor het NBI afgehandeld was met het akkoord tussen eigenaar en oorlogskoper. De exacte inhoud van het akkoord is lang niet altijd vastgelegd. Tijdens en na de Duitse bezetting werden percelen en panden onteigend om twee redenen. De gemeenteonderzoeken naar verkopen uit de Verkaufs­bücher gaan over onteigeningen door de bezetter. De Duitse bezetter onteigende Joodse panden uit financieel gewin en omdat ze Joodse burgers wilde verwijderen uit het economische leven. Daarom namen ze in 1941 het Joodse vastgoed in beheer. Strikt genomen was er pas sprake van ‘onteigening’, wanneer de roof­ instellingen erin slaagden om een pand te verkopen. Dan werd zo’n pand over­ geschreven op naam van de oorlogskoper. Zolang dat niet gelukt was, bleef het ‘beheerde’ pand in het kadaster op naam van de Joodse eigenaar staan. In de Verkaufs­bücher staan zo‘n 7.500 transacties met circa 10.000 percelen.

Het is moeilijk te schatten hoeveel percelen/panden de bezetter in totaal in beheer heeft genomen. Vermoedelijk zijn die getallen twee keer zo hoog, als de nietverkochte percelen meetellen.

Grootboek voor de Wederopbouw Een andere vorm van onteigeningen richtte zich niet tegen één bevolkings­groep, maar had te maken met de oorlogvoering en oorlogsschade. Wanneer hele straten of wijken zwaar beschadigd raakten, besloten gemeenten vaak om alle percelen te onteigenen en de grond opnieuw te verkavelen voor de weder­opbouw. Vanaf 1943 lagen alle bouwactiviteiten in Nederland stil, omdat de bezetter alle bouw­materialen en arbeidskrachten gebruikte voor verdedigingswerken. Van weder­opbouw was toen in de praktijk geen sprake meer. Ook na de bevrij­ ding duurde het vaak tot eind jaren veertig voordat wederopbouwplannen werden uitgevoerd. Deze andere vorm van onteigening gebeurde vooral aan het begin van de oorlog, bij de schade door de Duitse inval, en bij de bevrijding. En soms bij bombardementen tijdens de oorlog. Daarnaast liet de bezetter begin 1943 hele wijken onteigenen en slopen voor de bouw van de verdedigingswerken van de Atlantikwall. Dat gebeurde vooral langs de kust, in tientallen gemeenten. De eigenaren werden gecompenseerd voor de waarde van de gebouwen en inventaris. En het perceel werd onteigend. Als compensatie daarvoor kregen de eigenaren een rentedragende inschrijving in het Grootboek voor de Wederopbouw.11 Deze instelling werd meteen na de Duitse inval in mei

34

Verdedigingslinie die NaziDuitsland langs de kustlijn van West-Europa aanlegde tijdens de oorlog om een invasie van de geallieerden te voorkomen.

1940 ingericht, vanwege de oorlogsschade in Rotterdam en Middelburg. Na de bevrijding bleef de overheid het Grootboek gebruiken. Feitelijk gaven huiseigenaren de Nederlandse staat een lening voor de wederopbouw. Ze kregen rente tot er een nieuwe woning stond, die de middelen opleverde om de voormalige eigenaren te compenseren. Door de oorlogsschade en onteigening bestond het pand of perceel niet meer: alleen de geldwaarde van een Grootboek-inschrijving bleef over. Het Grootboek behandelde Joodse en niet-Joodse onteigenden in principe hetzelfde. Soms werd een reconstructie ingewikkeld. Bijvoorbeeld als een perceel en pand op twee manieren werd onteigend. In een aantal gemeenten ontstond bij de Duitse inval zulke grote schade aan gebouwen, dat panden opnieuw moesten worden opgebouwd. Dan vond de wederopbouw-onteigening veel eerder plaats dan de maatregelen tegen Joods bezit. Joodse eigenaren werden niet beroofd van hun vastgoed, maar van hun Grootboekinschrijving en de geldwaarde die dat vertegenwoordigde. Rechtsherstel na de bevrijding bestond dan uit overschrijving van de Grootboekinschrijving. Of – in het zeldzame geval dat een pand al was herbouwd – uit betaling van de schadeloosstelling. Ook tijdens de bevrijding in 1944 of 1945 ontstond soms grote schade aan gebouwen, bijvoorbeeld in Arnhem. De Nederlandse staat nam daarna de wederopbouw over.

Joods vastgoed was al veel eerder in beheer genomen – of eventueel onteigend – en doorverkocht. Was een pand alleen in beheer genomen, dan stond het nog op naam van de Joodse eigenaar en kwam de inschrijving op diens naam. Als een pand doorverkocht was, hield rechtsherstel in dat de inschrijving en de opbrengsten daarvan werden overgedragen. Het maakte dus niet uit of rechtsherstel gebeurde vóór of na de onteigening voor wederopbouw. Theoretisch kan er ook een minnelijke schikking hebben plaatsgevonden voor de kosten en opbrengsten van het vastgoedbezit, over de periode tussen oorlogskoop en verwoesting door oorlogsgeweld. Maar in de NBI-dossiers zijn we dit niet tegengekomen. In Middelburg ontstond de meeste oorlogsschade bij de Duitse inval, in mei 1940. Daarna kreeg de burgemeester aanzegging van de Algemeen Gemachtigde van de Wederopbouw om over te gaan tot onteigening van de beschadigde panden. De landelijke overheid compenseerde eigenaren via het nieuw ingerichte Grootboek voor de Wederopbouw. Mogelijk zijn een paar panden al opnieuw opgebouwd voordat de bezetter het Joodse vastgoedbezit in beheer nam. Alleen was dit in Middelburg in de getroffen delen van de stad geen vastgoed meer, maar een Grootboekinschrijving.

Zelfs wanneer de Joodse eigenaar zijn vergoeding na nieuwbouw al had gekregen, ging het bij naoorlogs rechtsherstel alleen nog om teruggave van de Grootboekopbrengsten die de Duitse roof­instellingen in beslag hadden genomen. Niet anders dus dan de – waarschijnlijkere – situatie dat nog geen nieuwbouw had plaatsgevonden en de Grootboekinschrijving nog niet afgelost was.

35

In het Grootboek voor de Wederopbouw staan 19 panden uit Middelburg. Slechts 1 daarvan staat ook in de Verkaufs­bücher: Noordbolwerk 15, eigendom van Isedore Philip Joël (ook wel Izaac Philip Joël) de Groot. In 1943 kocht de prominente NSB-er Jan Dekker dit pand. In november 1944 werd schade gemeld, en werd het pand ingeschreven in het Grootboek. Deze inschrijving is opvallend, want er zijn geen tekenen dat het huis zó beschadigd raakte, dat het opnieuw moest worden gebouwd. In 1948 vond rechtsherstel plaats voor de woning. Daarna ging het gebouw naar de nabestaanden van Isedore P.J. de Groot. Ook in de akte van rechtsherstel staat niets over een inschrijving in het Grootboek. De andere Middelburgse percelen uit het Grootboek zijn gesloopt in 1940 of 1941. Deze panden lagen dicht bij elkaar. Ze raakten beschadigd tijdens de Duitse inval. Deze percelen zijn tijdens de oorlog niet verkocht. Een voorbeeld van zo’n pand is Markt 24, dat van de familie M.H. Boasson was. Markt 24 kreeg – net als de nummers 25, 26, 27 en 28 – een inschrijving in het Grootboek. Ook werden de percelen geregistreerd bij de Schade Enquête Commissie (SEC). Voor Markt 24 kregen de nabestaanden van M.H. Boasson 5.000 gulden als onteigeningsvergoeding. Daarnaast kregen ze bijna 15.000 gulden van het Rijk, wanneer ze het pand zouden herstellen.

In november 1952 schreef men in het Grootboek dat de erven Boasson aan de herbouwplicht van Markt 24 hadden voldaan. Ze kregen daarop hun 15.000 gulden uitbetaald.12 In Nederland vond uiteindelijk voor meer dan 90 procent van de Joodse vastgoedeigendommen rechtsherstel plaats (ofwel: teruggaaf van het vastgoed), via het NBI en de Raad voor het Rechtsherstel. Wel verschilt dit percentage flink per gemeente. Dat komt doordat het in veel gemeenten maar om een paar panden ging: 1 pand zonder rechtsherstel is dan al snel een hoog percentage. In Middelburg onderzochten we of ook Joodse eigenaren of nabestaanden wier percelen voor de wederopbouw onteigend waren, rechtsherstel kregen. En zo ja, of die procedure tot vergelijkbare percentages leidde. Ook in Middelburg gingen bij de zware gevechten tussen Duitse en Franse eenheden om de Sloedam op 17 mei 1940 tientallen Joodse panden verloren. Daarom heeft het weinig zin om het ‘rechtsherstel’-percentage te vergelijken met het landelijk gemiddelde. We kunnen beter kijken naar dit percentage voor Joods vastgoed buiten de onteigeningen van 1940. Maar omdat Middelburg relatief weinig Joodse panden telde, is ook dat antwoord niet sterk. Soms vonden we panden die niet in de Verkaufsbücher stonden.

Zulke panden buiten de Verkaufs­bücher vonden we in het kadaster als ander vastgoedbezit van oorspronkelijke eigenaren van een pand uit de Verkaufs­bücher of uit de adressen in het Joods Monument (al waren dat meestal huurpanden). Of uit lijsten met onteigende Joodse panden die sommige gemeenten opstelden in de oorlog en soortgelijke overzichten van de Raad voor het Rechts­herstel.

36

De Schade Enquête Commissie was belast met de registratie, het onderzoek en de taxatie van oorlogsschade.

Als tweede stap bestudeerden we de verslagen van de gemeenteraad en het college van B en W van de eerste jaren na de bevrijding. Begrotingen van de gemeente lieten zien welke vastgoedgerelateerde belastingen in de gemeente geheven werden in die tijd. Gebruikelijk waren zogenaamde straat- of weg(en) belasting, soms apart rioolbelasting en een verzekeringspremie voor brand en molest. De aanname was dat deze verslagen informatie bevatten over de praktijk van de belastingheffing en eventueel besluiten om die wel of niet door te zetten. Voorwaarde is dan wel dat deze naheffingen politiek of publiek omstreden waren. Een factor van onzekerheid bij deze aanpak was dat het opleggen van heffingen conform de geldende regels geen weerslag hoefde te vinden in de notulen van de raad. Er werd immers geen politiek besluit genomen. Omgekeerd kan men in de praktijk zijn afgeweken van de regels. Naast NBI-dossiers bevat het Nationaal Archief nog een relevante bron. In gevallen waarin geen minnelijke schikking tot stand kwam tussen onteigende en oorlogskoper, werd de kwestie voorgelegd aan de afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechts­herstel. Deze conflicten gingen (ook) om openstaande belastingaanslagen of boetes. Voor gemeente Middelburg, was de trefkans in deze dossiers niet hoog. Wel waren de resultaten mogelijk betekenisvol voor de houding van de gemeente.

Uitvoerende archieven van de gemeentelijke diensten van destijds en de belastinginning zouden kunnen dienen als aanvullende bron en vervolgstap, met aanslagen per huiseigenaar. Deze stap is bewerkelijk en geeft in het beste geval de gemeentelijke kant weer van de NBI-archieven, inclusief eventuele correspondentie over naheffingen bij rechts­herstel. Deze administraties zijn omvangrijk, niet gericht op onze vraag of door opschoning van archieven niet meer beschikbaar. Deze methode met drie stappen en verschillende bronnen garandeert betrouwbare resultaten. Toch kan het gebeuren dat we een uitzondering hebben gemist. Onderhandse regelingen bij­voor­beeld, hebben per definitie geen sporen nagelaten in de archieven. Omdat onze onderzoeksvraag vooral gaat over het gemeentelijke beleid rondom naheffingen, zijn deze onregelmatigheden van ondergeschikt belang, tenzij uit het onderzoek zou blijken dat van enig beleid geen sprake was. Volledige zekerheid – binnen de beperkingen van het overgeleverde historische materiaal – is alleen te verkrijgen door van alle Joodse inwoners hun woon­ situatie na te gaan en voor alle onteigende panden de volledige rechts­herstel­ procedure te reconstrueren.

37

Schade ontstaan door moed­wil van derden, in dit geval: oorlogs­ handelingen.

Noten 1

2

3

4 5

6

Aalders, Roof; Veraart, Ontrechting en rechts­herstel. Van der Werf, ‘De oorlogsjaren en de wederopbouwperiode’. Veraart, Ontrechting en rechts­herstel; De Haan, ‘Het einde van de naoorlogse geschiedenis’. Informatie van Peter Donker. NA, 2.09.16 Inventaris van het dossierarchief van het Neder­landse Beheersinstituut (NBI), en van de in beslag genomen administraties, 1945‑1967, 532.1- 532.7, 536.1-536.9 Verkaufsbücher van de Niederlandische Grundstücksverwaltung. Vos en Ter Braake, Rechts­herstel na de Tweede Wereldoorlog; NA, 2.11.08.01 Inventaris van het archief van de Directie van de Landbouw: Afdeling Grond- en Pachtzaken, (1906) 1935‑1964; Joods Cultureel Kwartier, ‘Database Joodse landbouwgronden’, data.jck.nl/page/ aggregation/jhm-literatuur/20110474.

38

7

8 9

10 11

12

NA, 2.09.09 Inventaris van het archief van het Ministerie van Justitie: Centraal Archief van de Bijzondere Rechtspleging (CABR), 1945‑1952 (1983); Romijn, Snel, streng en rechtvaardig. Schütz, Kille mist. Blauw, ‘Verschil maken?’; ‘Nader onderzoek naar de aankoop van onteigend (Joods) vastgoed in de Tweede Wereldoorlog door de voormalige Zaangemeenten’. (Zaanstad: Gemeente Zaanstad, 2020). Broese van Groenou, Erfpacht. NA, 2.08.65 Inventaris van het archief van het Grootboek Wederopbouw en het Grootboek Rijn- en Binnenvloot van het Ministerie van Financiën, 1940‑1960. NA, 2.08.65, Inventaris van het archief van het Grootboek Wederopbouw en het Grootboek Rijn- en Binnenvloot van het Ministerie van Financiën, 1940‑1960 (1983).

4. Onteigeningen Zeeland werd zwaar getroffen door de oorlog. Op 15 mei gaven de andere Nederlandse provincies zich over – maar Zeeland nog niet. Op grond van voor­ oorlogse verdragen waren Franse troepen Nederland na de Duitse inval te hulp geschoten. Twee dagen later gaf ook Zeeland zich over, met uitzondering van Zeeuws-Vlaanderen. Daar zaten nog geallieerde troepen. Om zeker te weten dat zij veilig weg konden komen uit het gebied, capituleerde Zeeuws-Vlaanderen pas op 21 mei.1 De Franse en Nederlandse troepen werden door de Duitse invallers terug­ gedreven naar Walcheren. Daarbij werd Middelburg beschoten. Naast Duitse granaten vielen ook enkele Duitse vliegtuigbommen op Middelburg. De inwoners van Middelburg hadden de stad, op advies van de burgemeester groten­deels verlaten. Daarbij raakten ze Middelburg. De bevolking was grotendeels geëvacueerd, om haar in veiligheid te brengen. Daardoor waren in de stad niet genoeg mensen om de beginnende brand te blussen. Het vuur sloeg snel om zich heen, waardoor een deel van Middelburg – inclusief een groot gedeelte van de historische binnenstad – ten prooi viel aan de vlammen. Honderden panden werden verwoest, waaronder (het inpandige van) het stadhuis en het beeldbepalende Oost-Indisch Huis waarin kadastrale archieven waren opgeslagen.

De materiële schade was enorm, maar er waren relatief weinig slachtoffers omdat de meeste inwoners de stad ontvlucht waren. Er vielen ten minste 22 doden en een onbekend aantal gewonden.2 Al snel begon de wederopbouw. De gemeente onteigende honderden zwaar beschadigde percelen, om ruimte te maken voor nieuwbouw. Net als in andere gemeenten voerde de bezetter in Middelburg in de zomer van 1941 het Leidersbeginsel in. De gemeenteraad werd ontbonden en de burgemeester bestuurde de stad zelf, met de wethouders als adviseurs. Daarnaast voegde men een aangrenzend deel van de toenmalige gemeente Koudekerke bij Middelburg. Nog tijdens de oorlog startte men met de bouw van de nieuwe wijk ’t Zand, om de Middelburgers te huisvesten die eerder in het centrum woonden. In 1943 stelde de bezetter een landelijke bouwstop in, omdat ze alle beschikbare materialen zelf wilde gebruiken. Daardoor stopte de wederopbouw van Middelburg.3 In oktober 1944 zetten de geallieerden Walcheren onder water: In Middelburg bleef alleen het centrum gespaard. Met deze ‘inundatie van Walcheren’ wilde men de positie van de Duitsers verzwakken. Burgers die in het gebied woonden, werden geëvacueerd. In de eerste week van november namen de geallieerden Middelburg onder vuur. De stad raakte daardoor verder beschadigd; onder meer de synagoge werd toen verwoest. Middelburg werd bevrijd op 6 november 1944.4

39

Ook wel 'Führerprinzip'. De nazi's gingen uit van politiek zonder controle door een demo­cratisch gekozen parle­ment. Op lokaal niveau gaf dit principe alle politieke macht aan de burge­meester, zonder gemeente­raad.

De Joodse gemeenschap in Middelburg was tot de negentiende eeuw niet groot, ze bestond uit een paar families. Daarna groeide de gemeenschap flink: In 1815 telde Middelburg 247 Joodse inwoners. In 1857 waren dat er 333. Aan het begin van de achttiende eeuw werd een synagoge de Herenstraat in gebruik genomen. Ook kregen Joodse burgers een eigen begraafplaats aan het Seisbolwerk. Dit was een Hoogduitse of Asjkenazische begraafplaats. Een oudere Sefardische of Portugees-Joodse begraafplaats was (en is) gelegen aan de Jodengang. Veel van deze nieuwe Joodse burgers in de stad waren arm. En dus had het kerkbestuur – dat ook de zorg voor armen op zich nam – het druk. Doordat er steeds meer Joodse burgers in en rondom Middelburg woonden, opende hier ook een Joodse school. Daarnaast richtte men verschillende Joodse verenigingen op, zoals een begrafenisgenootschap, en organisaties voor ziekenzorg en onderhoud van de synagoge. Aan het begin van de twintigste eeuw liep het aantal Joodse inwoners terug. Een deel van hen trok naar de grote steden, waar grotere Joodse gemeenschappen waren. Dat verklaart ook waarom in de jaren dertig maar weinig Joodse vluchtelingen vanuit Duitsland naar Middelburg kwamen.5 In 1940 waren er nog zo’n 90 Joodse inwoners.

Wel telde de stad toen twee Joodse gemeenteraadsleden: Rachel Weijl-Snuijf en Marc Herman Boasson.6 Rachel haalde in 1905 haar artsendiploma en specialiseerde zich in kindergeneeskunde. Haar echtgenoot Louis Weijl was ook arts. Daarnaast was hij de Middelburgse vertegenwoordiger van de Joodse Raad.7 Louis en Rachel Weijl werden gedeporteerd naar concentratiekamp Theresienstadt, in Tsjechië. Ze overleefden de oorlog, maar keerden niet terug naar Middelburg. Ze vestigen zich in Amsterdam.8 Over Marc Herman Boasson schreven we al in de inleiding van dit rapport. Naast zijn wethouder- en locoburgemeesterschap was hij textielhandelaar: samen met zijn neef runde hij een manufacturenzaak. Hij overleefde de oorlog niet. In 1940 plunderden NSB’ers de synagoge. Slechts een aantal objecten konden op tijd in veiligheid worden gebracht en zijn bewaard gebleven. Na de oorlog zijn deze voorwerpen geschonken aan de synagoge van Oss. Ook het Joods Historisch Museum in Amsterdam heeft een paar textielvoorwerpen uit Middelburg in haar bezit. De synagoge werd tijdens de bevrijding geraakt door een granaatinslag en werd daardoor vrijwel helemaal verwoest. De bezetter droeg alle Joodse burgers in Zeeland op om vóór 24 maart naar Amsterdam te vertrekken.9 De gemeentepolitie zorgde ervoor dat de verordening werd uitgevoerd. In Amsterdam moesten Joodse burgers in bepaalde wijken wonen.

Van hieruit werden ze gedeporteerd naar de concentratiekampen. Een enkeling wist onder te duiken, slechts weinigen keerden terug.10 Na de oorlog keerden een paar Joodse burgers terug naar Middelburg. Van een Joodse gemeenschap, zoals deze voor de oorlog bestond, was geen sprake meer. De teruggekeerde Joodse burgers probeerden hun leven weer vorm te

40

De Duitse bezetter stelde de Joodse Raad – een orgaan van Joodse burgers – om de Joodse gemeen­schap te organiseren en te besturen. De bezetter gaf hun maat­regelen door die de Joodse Raad moest uitvoeren.

geven. Omdat de synagoge was verwoest, kwamen zij bij elkaar thuis samen. Halverwege de jaren 80 nam Aad Vos het initiatief om de zwaar beschadigde synagoge, waarvan nog een klein deel stond, weer op te bouwen. In 1994 werd de synagoge opnieuw ingewijd en sindsdien worden er weer samenkomsten belegd. Tegenwoordig heeft de stad geen eigen Joodse gemeente meer: die is opgegaan in de Joodse Gemeente Zeeland. Sinds 1954 staat op de Joodse begraafplaats vlak bij de Walensingel een monument, om de gedeporteerde en vermoorde Zeeuwse Joodse burgers te gedenken. De stad Middelburg draagt in overleg met de Joodse gemeente zorg voor de twee Joodse begraafplaatsen in de stad.11

Registratie, onteigening en roof Na de sociale beperkingen volgden maatregelen van economische ontrechting. Alle Joodse bedrijven waren al in oktober 1940 geregistreerd door de bezetter. Winkels en kleinere ondernemingen moesten worden opgedoekt, grotere bedrijven werden doorverkocht. Joodse landeigenaren werden verplicht om hun bezit te laten registreren bij regionale pachtbureaus. Vervolgens moesten ze hun percelen voor 1 september 1941 verkopen aan niet-Joodse gegadigden (Verordening 102/1941). De opbrengsten gingen eerst naar de Bank voor Nederlandschen Arbeid en, als de liquidatie was afgerond, naar een van de roofbanken – Liro of de Vermögensverwaltungs- und Renteanstalt (VVRA). Op dezelfde manier ging de bezetter te werk bij het Joodse vastgoedbezit. Joodse burgers moesten per Verordening 154/1941 (augustus 1941) hun onroerend goed en privé aan derden verstrekte hypotheken laten registreren door de Niederländische Grundstücksverwaltung (NGV). Voor dat omvangrijke vastgoed stelde de NGV beheerders aan. Meestal waren dat grotere organisaties, die de opdracht kregen om deze panden te verkopen. De belangrijkste waren ANBO, Nobiscum en Everout. Deze organisaties benoemden per pand ook weer een beheerder. Die inde de huur, zorgde voor de instandhouding van het pand en regelde andere praktische zaken. De beheerder legde rekenschap af aan de NGV.

Hij had ook het recht om het ont­eigende pand te verkopen. De verkoopprijs of de opbrengst van de verhuur ging naar de roofbanken. Ondertussen betaalde de NGV de ontrechte eigenaar een mini­maal maandelijks handgeld om in zijn eerste levensbehoeften te voorzien. Zodra Joodse eigenaren in 1942 of 1943 waren gedeporteerd, probeerde de bezetter hun panden te verkopen. Soms gebeurde dat zelfs al eerder. In een aantal gevallen bleek het pand onverkoopbaar, vanwege achterstallig onderhoud of oorlogsschade. Naarmate de oorlog vorderde, waren kopers en hypotheekverstrekkers minder geneigd om hun vingers te branden aan onteigend Joods vastgoed. De NGV registreerde elke afgeronde transactie in de Verkaufsbücher. In elke stad werden de panden verkocht door beheerders, met medewerking van

41

De Liro deed dienst als bewaardepot en verkoop­ kantoor van geroofd Joods eigendom.

lokale taxateurs, accountants, makelaarskantoren en notarissen. Vaak hadden beheerders meerdere panden in hun portefeuille.

De Verkaufsbücher In het digitale Joods Monument staat van de meeste van de ruim 100.000 Joodse Nederlanders hun laatste woonadres voor deportatie. Het monument noemt 51 namen van Joodse slachtoffers met een laatste woonadres in Middelburg, terwijl 145 slachtoffers in Middelburg geboren zijn. Maar een handvol van de 27 unieke Middelburgse adressen (van deze 51 inwoners) staat ook in de Verkaufs­bücher, waarin de bezetter bijhield welke panden onteigend en doorverkocht waren. Uit eerder onderzoek weten we dat de Verkaufs­bücher zeker voor 1942 en 1943 behoorlijk betrouwbaar zijn. Conclusie: de meeste adressen in het Joods Monument waren huurwoningen. Omgekeerd is het ook mogelijk dat er Joods vastgoed was, waar de eigenaar niet zelf woonde. Op verschillende andere manieren – zoals de administratie van de Raad voor het Rechtsherstel, het kadaster en de registratielijsten van Joodse inwoners van Middelburg – hebben we geprobeerd om onteigende panden te vinden die niet in de Verkaufs­bücher staan. Zo vonden we nog 3 panden. Ook vonden we 12 panden en percelen van Joodse eigenaren die niet in beheer zijn genomen. 4 van deze panden en percelen waren van de Joodse gemeente. We zien vaak dat vastgoed van percelen, zoals begraafplaatsen van Joodse gemeenten, niet in beheer werden genomen of verkocht. Ook vonden we 8 panden en percelen van N.V. Lompen en Metaalhandel M.L.

Polak en Zn, die niet in beheer zijn genomen omdat het bedrijfspanden waren. Ditzelfde gold ook voor de panden van het bedrijf M.H. Boasson en Zonen. Een van de panden van M.L. Polak en Zn, werd wel verkocht. Deze weergave klopt grotendeels met de 19 Middelburgse panden (waarvan één in Sint Laurens) in de Verkaufs­bücher. De transacties gaan soms over een rij huizen, en soms over meerdere percelen. Zo ging aan de Nieuwe Vlissingseweg een rij van minstens 4 panden naar dezelfde oorlogskoper – wat de hoge prijs van 18.000 gulden voor deze transactie verklaart. In vergelijking met andere Nederlandse gemeenten is Middelburg in een paar opzichten opvallend. De Joodse bevolking van de stad was naar verhouding niet groot. En in tegenstelling tot andere gemeenten kwamen er in de jaren dertig nauwelijks vluchtelingen uit nazi-Duitsland wonen. Het aantal Joodse panden klinkt aannemelijk, in verhouding tot het aantal Joodse inwoners voor de oorlog, en wijst op een Joodse bevolking die hier al langer gevestigd was. Opvallend is ook dat de meeste panden in bezit waren van twee families. De Groot was slachtoffer in 5 Verkaufs­bücher-transacties, en Boasson – in de boeken of door digitalisering verhaspeld tot Boosson of Baassen – in 6 transacties.

42

Bij de kopers troffen we juist veel verschillende namen aan. In Middelburg waren duidelijk geen professionele opkopers aan het werk die probeerden Joods vastgoed met winst door te verkopen. In bijna alle gevallen woonde de oorlogskoper zelf in Middelburg, Sint Laurens of in Goes. Tenminste in 1 geval kocht een bekende van de Joodse eigenaar het pand: Pieter Stephanus van den Berg kocht in 1942 een pakhuis van NV Lompen- en Metaalhandel M.L. Polak en zoon. In 1947 ging dit pakhuis terug naar Polak, die de oorlog overleefde door onder te duiken.12 Waarschijnlijk regelden deze partijen een onderhandse schikking, die al bij de koop was afgesproken. De panden van Polak zijn tijdens de oorlog niet in beheer genomen en alleen het pakhuis aan de Beenhouwerssingel werd verkocht. Van den Berg werkte binnen het bedrijf en bleef dat ook na de oorlog doen. Dat hij op goede voet stond met zijn bazen, bleek wel toen de familie Polak bij zijn overlijden in 1972 een advertentie liet plaatsen in de Provinciale Zeeuwse Courant. Daarin stond: ‘Het grootste deel van zijn arbeidzaam leven was gewijd aan trouw aan onze familie en ons bedrijf.’13 Kijken we goed naar de transacties, dan zien we nog een paar bijzonderheden. Een aantal namen van notarissen die de verkooptransacties passeerden, komt vaker voor – dat is op zich niet verrassend in een middelgrote stad als Middelburg.

Ook dat het ANBO-kantoor in Rotterdam bijna alle panden voor de bezetter beheerde (en verkocht), is logisch. En de koopprijs was gemiddeld zeker niet hoog, met minder dan 6.000 gulden per pand. Maar we zien wel een sterk toenemende interesse in de Joodse panden: de meeste kopers meldden zich tussen januari en september 1943. De transacties werden meestal verrassend snel, nog in hetzelfde jaar, afgesloten. En de NGV haalde de panden al in de zomer uit de boeken. In meerdere gemeenten die we onderzochten, raakten woningen flink beschadigd door de oorlog of werden hele straten gesloopt voor verdedigings­ werken. Vaak gebeurde dat tijdens de bezettingsjaren of bij de bevrijding. Maar in Rotterdam en Middelburg ontstond de grootste schade in mei 1940, bij de Duitse inval. Terwijl de verkoop van Joods vastgoed in veel andere plaatsen gebeurde vóór de onteigening voor wederopbouw, was dat in Middelburg andersom. Onder de verwoeste en zwaar beschadigde panden in de binnenstad waren ook Joodse huizen. Voor deze huiseigenaren betekende de onteigening door de bezetter niet dat ze hun huis verloren: ze verloren hun claim op het Grootboek voor de Wederopbouw. Na de oorlog betekende rechtsherstel dus ook niet de teruggaaf van een huis, maar van een claim met geldwaarde. Hoe dit tijdens de bezetting in z’n werk ging, konden we – als voorbeeld – reconstrueren met een naoorlogs NBI-dossier.

De toen ‘afwezige’ weduwe Heintje Duveen was voor de helft eigenaar van het pand aan de Rotterdamse Kaai 15, nadat haar niet-Joodse echtgenoot Johan Brokmeier in 1936 overleed. Johan Brokmeier was mede-eigenaar geweest van de Zeeuwse Confectiefabriek aan Molenwater/Branderijmolengang.14 Later bleek dat de weduwe in 1943 in Auschwitz is vermoord.

43

Haar laatste woonadres in Middelburg was Molenwater 83, waar ze sinds de brand woonde. Ze werd in Almelo als onderduikster opgepakt en via Westerbork gedeporteerd. Haar zoon bezat de andere helft van het pand aan de Rotterdamse Kaai. Die woning was in mei 1940 verwoest; beide eigenaren kregen in 1942 een Grootboek-claim van 6.000 gulden. In 1948 vroegen de zoon en een tweede bewindvoerder voor zijn moeder toestemming om die claim voor hetzelfde bedrag te verkopen aan een aannemer die het pand kon herbouwen. Het NBI gaf meteen toestemming.15

Gemeente Middelburg en Joods vastgoed Van alle Joodse panden in Middelburg en Sint Laurens hebben we de eigendomsgeschiedenis tot ver na de oorlog uitgezocht. Daaruit blijkt dat gemeente Middelburg bij geen van deze oorlogskopen betrokken was. Een klein deel van de ongeveer 10.000 onteigende Joodse panden was elders in Nederland (vooral in Den Haag en Amsterdam) door de gemeente gekocht. Gemeente Middelburg hoort hier niet bij. Net als Nijmegen is Middelburg wel een gemeente die bijna Joods vastgoed heeft gekocht.16 De gemeente kreeg van het Commissariaat voor NietCommerciële Verenigingen en Stichtingen (CNCV) de Joodse begraafplaats aangeboden en wilde een huisje, een grondstuk en een groter pand kopen om ze te slopen, nieuwe woningen te bouwen en zo de omgeving SeisstraatSeisbrug beter in te richten. Voor de aankoop, onder NSB-burgemeester Meerkamp van Embden, had gemeente Middelburg in 1943 goedkeuring nodig van de landelijke overheid. De ministeries van Financiën en Binnenlandse Zaken hadden dat verzoek meerdere keren afgewezen, ondanks een pleidooi van Petrus Dieleman, Commissaris der Provincie in Zeeland. Zelfs in augustus 1944 bepleitte Dieleman de zaak nog per brief bij Binnenlandse Zaken. Hij was graag bereid om voor een gesprek naar Apeldoorn te reizen, waar het ministerie toen deels was ondergebracht.

Het argument vóór de koop ging over noodzakelijke verkeerstechnische verbeteringen. Dat de ministeries ‘nee’ zeiden, was alleen omdat de gemeente Middelburg er financieel slecht voor stond, niet omdat de panden en percelen Joods bezit waren geweest.17 In Middelburg heerste woningnood, net als op veel andere plekken in Nederland. Het is daarom aannemelijk dat de ANBO leegstaande panden in haar beheer verhuurde, wanneer dat kon: zodat de roof­instellingen daar geld mee konden verdienen, of als vriendendienst onder nationaalsocialisten.

44

De bevoegdheden van de CNCV waren gebaseerd op Verordening no. 41/1941 van de Rijkscommissaris: “ten­einde te komen tot een her­ordening op het gebied van de nietcommercieele Vereenig­ ingen en Stichtingen”. Maar richtte zich vooral tegen onwel­gevallige maat­schap­pelijke organisaties waartoe de bezetter ook Joodse gemeenten rekende.

Noten 1

2

3 4 5

6

7 8

Robbert Jan Swiers, Zeeland in bezettingstijd: Het gewone leven – Jodenvervolging – Atlantik­ wall – Verzet – Geallieerde luchtaanvallen, 1940‑1944 (Soesterberg, 2018). Peter Sijnke (red.), Middelburg 17 mei 1940. Het vergeten bombardement (Vlissingen, 2010), 177-183; Tobias van Gent en Hans Sakkers, In Zeeland werd doorgevochten: de slag om de Schelde 1940. Goes: Uitgeverij Het Paard van Troje, 2025. Swiers, Zeeland in bezettingstijd. Swiers, Zeeland in bezettingstijd. “Middelburg,” JCK.nl; Jozeph Michman, Hartog Beem en Dan Michman, Pinkas. Geschiedenis van de Joodse gemeenschap in Nederland (Amsterdam, 1985) 476-48. P.W. Sijnke (red.), De sjoel van Zeeland. Een bundel studies uitgegeven ter gelegenheid van de herinwijding van de Middelburgse synagoge (Middelburg 1994). Swiers, Zeeland in oorlogstijd. J.Z.S. Pel, Chirurgijns, doctoren, heelmeesters en artsen op het eiland Walcheren 1700-2000 (Middelburg, 2006), via kzgw.nl/wp-content/ uploads/2015/09/Medici_on_line.pdf.

45

9

10 11

12

13 14

15

16

17

Klaas Smelik en Arjan van Dixhoorn, Middel­ burg en de Mediene: Joods leven in Zeeland door de eeuwen heen (Antwerpen, 2017). “Middelburg“, JCK.nl. “Middelburg”, JCK.nl; Michman, Beem en Michman, Pinkas. ‚Mozes Polak‘, Database Joods Biografisch Woordenboek, joodsbw.nl/cgi/b/bib/bib-idx?la ng=nl;c=jbw;rgn1=geboortejaar;type=boolean ;q1=1898;cc=jbw;view=reslist;sort=naam;fmt= long;page=reslist;size=1;start=48. Provinciale Zeeuwse Courant, 11-3-1972. „Molenwater 8 – Heintje Brokmeier-Duveen”, Etty Hillesum Huis, via ettyhillesumhuis.nl. Joods Monument, nr. 28453; NA, NBI, 2.09.16.02, inv. 5283, Brokmeijer-Duveen, H. Wim van Meurs, Martijn Lak en Marieke Oprel, ‘Joodse burgers in Nijmegen: onteigening en rechtsherstel’ (Nijmegen: Radboud Universiteit, Advies & Actualiteit, maart 2022). NA, 2.04.57, Ministerie van Binnenlandse Zaken: Afdeling Binnenlands Bestuur, inv.nr. 2380.

46

5. Rechts­herstel Een belangrijke vraag in de onderzoeksopdracht is of er rechts­herstel heeft plaatsgevonden in alle gevallen van onteigend Joods onroerend goed. Wanneer Joodse inwoners de oorlog overleefd hadden, konden zij er in Middelburg dan op rekenen dat ze hun panden terugkregen? En wat gebeurde er als er alleen maar nabestaanden waren – werd die mensen dan ook recht gedaan? Onderzoek naar tientallen andere gemeenten heeft inmiddels laten zien dat rechts­herstel vrijwel altijd plaatsvond, ook al kon dat soms jaren duren. Dat betekent dat Joodse burgers hun vastgoedeigendom terugkregen via de Raad voor het Rechts­herstel en het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Soms spraken een Joodse eigenaar en oorlogskoper af dat de koop niet ongedaan werd gemaakt. Omdat de onteigening – en alles wat daarop volgde – bij rechts­herstel nul en nietig werd verklaard, werden gemaakte kosten (belastingen, onderhoud, afgeloste hypotheek) en verdiende baten (huurinkomsten) vanaf het moment van verkoop tegen elkaar afgezet. De verschillende posten werden met bewijsstukken onderbouwd. Waren er geen bewijsstukken, dan moesten beide partijen het eens worden over een schatting. Zo’n reconstructie van kosten en baten volgde de logica van het rechts­herstel. Naar de maatstaven van nu komt dit administratieve rechts­herstel on­ persoon­lijk en oneerlijk over.

Maar het volgde de juridische kaders die de over­heid direct na de oorlog had opgesteld. De Joodse eigenaar – of zijn erf­ genaam – was in de praktijk vaak de benadeelde partij. Hij moest bijvoor­beeld een hypotheek terugbetalen die de oorlogskoper had afgelost. Erfgenamen kregen met erfbelasting te maken. En wie berooid en vaak dakloos uit de onder­duik kwam, had niet de luxe om lang te onderhandelen. Regelmatig moesten Joodse recht­hebbenden hun teruggekregen pand verkopen om zulke kosten te kunnen betalen. Rechts­herstel was een proces van lange adem. De over­heid hield vast aan de regels die ook onder normale omstandigheden golden. Joodse erfgenamen moesten bijvoor­beeld een overlijdensakte kunnen laten zien. Het Rode Kruis hielp bij de zoektocht naar bewijs van overlijden voor wie in een concentratie­ kamp was omgebracht of vermist was, maar dat kon jaren duren. Ook van alle nabestaanden en erfgenamen moest duidelijk zijn wat hun lot was. Hoewel de gemeente officieel geen rol speelde bij de rechts­herstel­procedure, tenzij ze zelf betrokken was bij een aankoop, konden ambtenaren soms wel het verschil maken. Door tussen de regels door te lezen, hebben we geprobeerd antwoorden te formuleren op de uiterst belangrijke, maar vaak ongrijpbare vraag naar de manier waarop Joodse overlevenden en hun nabestaanden in een bepaalde gemeente behandeld werden.

Bij het systematisch door­nemen van de gemeenteraads- en collegenotulen hebben we gelet op uitspraken daarover. Denk bijvoor­beeld aan

47

aandacht voor het uitzonderlijke slachtoffer­schap van Joodse inwoners, of aan minder strenge handhaving bij eventuele achterstallige betalingen.

Kadaster Het kadaster is de zekerste weg om rechts­herstel vast te stellen. De gedigita­ liseerde omschrijvingen van percelen (leggers) geven een goed beeld van de eigen­doms­­­geschiedenis. Ze vermelden duidelijk of er rechts­herstel plaats heeft gevonden, en hoe dat gebeurde: door het NBI of de Raad voor het Rechts­herstel. Naast eventueel een kanttekening over rechts­herstel, bevatten de kadaster­leggers vooral algemene informatie over kopers en verkopers. Soms staat er iets in over opvolging en erfgenamen. In Middelburg vond voor alle 22 verkochte panden en percelen rechtsherstel plaats. Meestal gebeurde dat met een minnelijke schikking. Een voorbeeld van zo’n Middelburgse schikking vonden we in het archief van de Raad voor het Rechtsherstel. Emma Cohen, weduwe van Jacques Boasson, tekende in 1948 samen met twee NBI-vertegenwoordigers een minnelijke schikking. Dat wil zeggen dat het rechtsherstel gebeurde bij de notaris, en niet voor de rechter. De ene NBI-medewerker trad op namens het instituut, de andere namens oorlogskoper Paulus Jan Abrahamse, volgens de akte een voormalige politierechercheur. En, omdat hij onder NBI-beheer stond, vermoedelijk een NSB’er of collaborateur. Noordweg 108 kwam hiermee weer in het bezit van de weduwe, die al vanaf oktober 1944 de huurinkomsten kreeg. Net zo’n akte werd opgesteld voor Nieuwe Vlissingseweg 302-308.

Oorlogskoper Jacobus Cornelis Dekker had die panden in 1943 gekocht. In het geval van Noordweg 108 was er onenigheid over de huurinkomsten van de oorlogskoop tot eind 1944, het moment waarop het NBI beheerder werd van de panden. Zo kreeg Emma Boasson vanaf 1 oktober 1944 wel de huuropbrengsten van haar pand, maar ze betaalde aan oorlogskoper Abrahamse voor Noordweg 108 nog wel de belastingen en assurantiepremies. De twee spraken af dat hij Emma de huuropbrengsten betaalde vanaf de koop in 1943 tot 1 oktober 1944, met aftrek van de belastingen en premies die hij tot 1948 had betaald.1 We vonden ook een aantal Middelburgse rechtshersteldossiers die het NBI niet afhandelde. Die werden pas afgerond met een rechtszaak. Het patroon was steeds hetzelfde: de ontrechte kreeg zijn of haar bezit terug, moest een nieuwe hypotheek nemen en de hypotheek van de oorlogskoper met rente en boete afbetalen. De oorlogskoper moest de koopsom terugvragen bij de Duitse ‘doorverkooporganisatie’ NGV (onder beheer van het NBI). Kosten en opbrengsten, zoals huur en onderhoud, werden teruggerekend alsof de koop nooit had plaatsgevonden. In veel gevallen biedt het NBI-dossier op naam van de onteigende of diens beheerder meer informatie over het onderhandelingsproces, de boekhoud­ kundige eindafrekening, de correspondentie en de formele beslissingen die aan de teruggaaf voorafgingen.

Als de oorlogskoper en de oorspronkelijke

48

eigenaar of zijn nabestaanden na de bevrijding niet tot een minnelijke schikking konden komen, belandde het dossier bij de rechtbank. De afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechts­herstel behandelde 30.000 rechts­zaken. Maar lang niet al die zaken gingen over vastgoed. Ze gingen bijvoor­beeld ook vaak over effecten, sieraden en kunstbezit. De klagende partij kon een Joodse ontrechte zijn, maar ook een Duitse Nederlander of een NSB’er.

Rechts­herstel in de praktijk Na het overlijden van haar echtgenoot Salomon erfde Eva Jesayes-Braasem zijn pand aan de Korte Geere 28. In 1942 nam de NGV dit pakhuis – met bovenwoning en erf – in beheer. Twee jaar later, in 1944, kocht Rijk Johan Zimmerman Korte Geere 28 voor slechts 1.300 gulden, in het bijzijn van notaris Van der Harst uit Middelburg. Er rustte een hypotheek van 5.000 gulden op het pand, waarvan de NGV op de dag van de verkoop 900 gulden afloste. Salomon Jesayes had die lening in 1930, toen hij de woning kocht, afgesloten bij Catharina Johanna van der Hell-Steenkamp. Na de bevrijding in november 1944 werd de oorlogskoop nietig verklaard. Eva Jesayes was in oktober 1942 vermoord in concentratiekamp Auschwitz. Haar familielid en erfgenaam Maurits Jesayes werd aangesteld als bewindvoerder over haar vermogen. Samen met Jesayes Jesayes, een ander familielid en erfgenaam, diende Maurits een verzoek tot rechtsherstel in. In februari 1948 werd dat afgerond met een minnelijke schikking. Bij die schikking, ook op het kantoor van notaris Van der Harst, waren verschillende partijen aanwezig: Maurits en Jesayes, de beheerder van het vermogen van Rijk Johan Zimmerman namens het NBI, en de vertegenwoordiger van het hoofd van het Bureau Bijzondere Beheren van het NBI.

De partijen spraken af dat de koop nietig werd verklaard, waardoor het pand in weer in bezit kwam van de familie Jesayes. Ook de hypotheekaflossing door de NGV werd nietig verklaard. Maurits en Jesayes vergoedden 900 gulden aan Zimmerman, voor het stuk hypotheek dat de NGV in 1944 had afgelost. Zimmerman nam de ‘gedane vordingen‘ door de NGV op zich, waardoor de hypotheekaflossing op zijn naam kwam te staan. Ook vergoedden Maurits en Jesayes de rentes op de aflossing, en op de nog bestaande hypotheek. Dat was ruim 1.360 gulden, maar daar trok men de huuropbrengsten die de familie Jesayes van Zimmerman kreeg vanaf. Ze moesten dus ruim 1.220 gulden aan Zimmerman betalen. De hypotheek werd op verzoek van de hypotheekgever, Van der Hell-Steenkamp, hersteld naar het originele bedrag van 5.000 gulden. Jesayes verklaarde dat zij 900 gulden van haar hadden ontvangen, waardoor de hypotheekschuld weer 5.000 gulden was. Dit keer met een rentepercentage van 4 procent, in plaats van de 5 procent die Van der Hell-Steenkamp ooit met Salomon en Eva Jesayes had afgesproken. Nadat de aflossing van een deel van de hypotheek op naam van Rijk Johan Zimmerman stond, betaalde hij de kosten van het proces van het rechtsherstel.

De huur die Zimmerman had geïnd tussen 1 maart en 1 november 1944, betaalde hij aan de familie Jesayes – met aftrek van gemaakte kosten aan het pand, belasting en vaste lasten.2

49

Aandelen, obligaties en andere verhandelbare rechten.

Gemeentebelastingen De meeste belastingen werden in het midden van de 20e eeuw geheven door de Rijksover­heid, en niet door gemeenten. Deze directe belastingen blijven in ons onderzoek buiten beschouwing, omdat we ons richten op gemeenten. Gemeenten hieven straatbelasting en soms rioolbelasting. Dit stelsel van gemeentebelastingen veranderde niet tijdens de oorlog. Ook tijdens de bezettings­jaren betaalden huiseigenaren straatbelasting, volgens criteria en tarieven uit de jaren dertig. Soms betaalde men ook zogenaamde ‘opcenten’, een toeslag op de grondbelasting van het Rijk. Deze toeslag ging naar de gemeente.

Erfpachtcanon bestond, maar speelde voor zover uit ons onderzoek gebleken in Middelburg geen rol van betekenis, anders dan in Den Haag of Amsterdam.

Vanaf het moment dat een Joodse eigenaar de zeggenschap over zijn vastgoed verloor, ging ook de verplichting om gemeentebelastingen te betalen over op de beheerder, bijvoor­beeld de ANBO. Zeker in 1941 en 1942 voldeed de beheerder deze gemeentelijke belastingaanslagen over het algemeen trouw. In die eerste jaren betaalde de bezetter bijvoor­beeld ook de beloofde schadevergoeding aan eigenaren wiens huis gevorderd was om militairstrategische redenen of voor de inkwartiering van Wehrmacht-soldaten. Later nam de belastingmoraal sterk af. Naarmate de Duitsers er op het Europese strijdtoneel steeds minder goed voor stonden, liet de bezetter zijn pogingen varen om de Nederlandse bevolking en bestuurders voor de naziideologie te winnen. Na de verkoop van de meest lucratieve panden bleven voor de roofinstellingen bovendien alleen verhuurde en leegstaande panden over. Over het algemeen betaalde de bezetter in de laatste oorlogsjaren steeds minder belastingaanslagen. Het is mogelijk dat het ene regionale ANBOkantoor hier anders in stond dat het andere. Bij panden die doorverkocht waren, was het aan nieuwe eigenaren om de gemeentelijke belastingen te voldoen die bij hun bezit hoorden. Over het algemeen hadden zij er alle belang bij om deze aanslagen te betalen.

Na Dolle Dinsdag sloegen in heel Nederland veel NSB’ers, collaborateurs en lokale vertegenwoordigers van het naziregime op de vlucht. Ze lieten hun geroofde vastgoed vaak onbeheerd achter. Hun belastingaanslagen bleven daarom de laatste oorlogsmaanden onbetaald.

Teruggaaf van wooneigendom en belastingheffing Het meeste Joodse vastgoed in Middelburg ging na de bevrijding over naar een beheerder die door het NBI was aangesteld – net als elders in Nederland. Dat gold zeker voor panden die niet waren doorverkocht, en panden waarvan de oorlogskoper verdwenen was of zich voor een tribunaal moest verantwoorden. Deze nieuwe beheerders kregen bij de dossiers van de panden vaak ook belastingaanslagen als openstaande rekeningen, met name voor 1943 en 1944.

50

Dinsdag 5 september 1944, toen Nederlanders na de bevrijding van Antwerpen en Brussel een bevrijding van heel Nederland binnen enkele dagen verwachtten. Deze voorbarige feestvreugde had ook een duidelijk psychologisch effect op de bezetters en hun medeplichtigen

Soms komen we in NBI-dossiers afrekeningen tegen van belastingen of andere kosten die gemeente Middelburg maakte. In het dossier van P. van Dam staan bijvoorbeeld kosten voor de waterleiding. De bewindvoerder betaalde dit bedrag, en in 1947 werden de kosten verrekend in de minnelijke schikking.3 In dit geval zocht de gemeente niet actief naar openstaande belasting­ aanslagen. Daarom spreken we hier niet van naheffingen. Zulke na­heffingen – waarbij de gemeente actief achter openstaande rekeningen aanging – hebben we in Middelburg niet gevonden. Zoals in veel gemeenten in Nederland, zijn voor gemeente Middelburg de belastingkohieren niet bewaard gebleven. Het kadaster geeft geen uitsluitsel over hoe men omging met openstaande belastingaanslagen. Ook NBI-dossiers zijn hierover niet altijd informatief. Veel dossiers laten vooral de zoektocht zien naar duidelijkheid rondom het lot van de onteigende, of de zoektocht naar overlevende erfgenamen en nabestaanden. Ook de wisseling van beheerders, en de correspondentie met hen, zorgde voor veel papierwerk. Het NBI sloot een dossier zodra de partijen een minnelijke schikking bereikten. Lang niet altijd zijn de details van zo’n schikking terug te lezen in het dossier. Bij de afhandeling van rechts­herstel door het NBI was de kans dat we sporen vonden van openstaande belastingschulden overigens wel aanwezig.

Betaalde of onbetaalde belastingaanslagen over 1943 en 1944 werden – vaak jaren later – meegenomen in de boekhoudkundige eindafrekening bij teruggaaf aan de oorspronkelijke eigenaar. Ze werden dus uiteindelijk door de ontrechte of zijn of haar nabestaanden betaald, maar zonder dat de gemeente deze oude aanslagen actief invorderde.

51

Noten 1

2

NA, 2.09.48, Raad voor het Rechtsherstel, inv.nr. 806, dossier 2722; 2720. NA, 2.09.48, Raad voor het Rechtsherstel, inv.nr. 818, dossier 4619.

52

3

NA, NBI, 2.09.16.03, inv. 43966, Dam, P. van. Middelburg.

6. Bejegening Om zicht te krijgen op het handelen van gemeente Middelburg in de bezet­ tings­jaren en de eerste jaren na de bevrijding, bestudeerden we onder meer de notulen van B en W voor de jaren 1940 tot en met 1950. Tot en met 1942 was Jan van Walré de Bordes burgemeester van Middelburg. Hij werd in dat jaar opgevolgd door NSB-burgemeester Adriaan Meerkamp van Embden.

De ‘vooroorlogse’ burgemeester Op het moment dat Nazi-Duitsland Nederland binnenviel, was de partijloze Jan van Walré de Bordes pas een jaar burgemeester van Middelburg. Na twee jaar als burgemeester in oorlogstijd nam hij in oktober 1942 vrijwillig ontslag. In de Zeeuwse hoofdstad werd hij bewonderd om zijn moed, nadat hij tijdens het bombardement van 17 mei 1940 op zijn post was gebleven. Des te groter was de verontwaardiging toen de burgemeester ontslag nam.1 Van Walré de Bordes nam ontslag met ‘mentale overspannenheid’ als reden. Het burgemeesterschap in oorlogstijd eiste zijn tol. Na de oorlog onderzocht een commissie hoe Van Walré de Bordes had gehandeld. Die onderzoekscommissie concludeerde: ‘dat, hoewel de bovengenoemde burgemeester, mede naar het oordeel van genoemde Commissie, politiek betrouwbaar was en meermalen een goede houding heeft aangenomen, hij op bepaalde punten in ernstige mate is tekort geschoten in het betrachten van de juiste houding in verband met de bezetting, zoodat hij niet in zijn ambt kan worden gehandhaafd;’2 Volgens de commissie had Van Walré de Bordes een te vriendelijke omgang met de Duitse bezetter. Hij legde bijvoorbeeld een informeel bezoek af aan de Beauftragte – de Duitse vertegenwoordiger in de provincie. Ook stuurde hij de dochter van de Beauftragte bloemen toen ze ziek was.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16268340/1