Bijlage 1. A&A joodse-onteigeningen Middelburg
Tekst van het document
JOODSE BURGERS IN MIDDELBURG: ONTEIGENING EN RECHTSHERSTEL Onderzoek in opdracht van gemeente Middelburg
Charlotte Dommerholt MA Xia van Beuningen MA Lieke Speerstra MA Prof. dr. Wim van Meurs Dr. Marieke Oprel Nijmegen, juni 2025
Joodse burgers in Middelburg: onteigening en rechtsherstel Onderzoek in opdracht van gemeente Middelburg
Dit onderzoek is uitgevoerd door Advies & Actualiteit, een onderzoeksteam dat zich bezighoudt met actuele vraagstukken van maatschappelijke en (semi)overheidsorganisaties. Het team is verbonden aan de expertisegroep Politieke Geschiedenis van de Radboud Universiteit. Projectleiders: Wim van Meurs, Marieke Oprel Onderzoekers: Charlotte Dommerholt, Xia van Beuningen en Lieke Speerstra Redactie: Susanne Geuze Vormgeving: Joyce Dekker Bij voorkeur citeren als: Charlotte Dommerholt, Xia van Beuningen, Lieke Speerstra, Wim van Meurs, Marieke Oprel, ‘Joodse burgers in Middelburg: onteigening en rechtsherstel’ (Nijmegen: Radboud Universiteit, Advies & Actualiteit, juni 2025). Het auteursrecht van deze publicatie berust bij de opdrachtgevers: gemeente Middelburg Afbeelding omslag Puin voor het stadhuis aan de Markt te Middelburg, na de brand van 17 mei 1940. © Zeeuws Archief, Historisch-Topografische Atlas Middelburg (HTAM), nr A-2125B
4
Inhoudsopgave 1.
Inleiding Over dit onderzoek Oorlogsverleden en Jodenvervolging Dankwoord Het onderzoeksteam
2.
Opdracht en conclusies Drie hoofdvragen Conclusies over de onteigeningen Conclusies over het rechtsherstel Conclusies over de bejegening Vervolg
3.
Verantwoording Woordkeuze Gebruikte archieven Onze methode Grootboek voor de Wederopbouw
4.
Onteigeningen Registratie, onteigening en roof De Verkaufsbücher
5.
Rechtsherstel Kadaster Gemeentebelastingen Teruggaaf van wooneigendom en belastingheffing
6.
Bejegening De ‘vooroorlogse’ burgemeester De NSB-burgemeester Sint Laurens De Commissaris der Provincie
7.
Bijlagen Tabel 1: Grootboek voor de Wederopbouw Tabel 2: Onteigening en rechtsherstel Middelburg Literatuur Archieven Websites en kranten
5
7 9 10 14 15 17 17 19 19 19 21 25 25 27 30 34 39 41 42 47 48 50 50 53 53 54 55 55 57 57 58 61 64 65
6
1. Inleiding In 1942 nam de Duitse bezetter panden van Joodse eigenaren in beheer. Drie daarvan waren ondergebracht in de firma M.H. Boasson en Zonen van de firmanten Marc Herman Boasson en zijn neef Izaak Marcus Boasson: Park de Griffioen 2, Lange Noordstraat 21 en Noordsingel 174. De bezetter verkocht alle drie de panden in 1943 aan Frederikus Hendrikus Klinkhamer, een koopman uit Amsterdam. Marc Herman Boasson was een bekende figuur in Middelburg. Van 1932 tot 1940 was hij wethouder. Na de grote stadsbrand van 17 mei 1940 trad hij af, om zijn manufacturenzaak aan de Markt weer op te bouwen. Die runde hij samen met Izaak Marcus. Marc Herman Boasson en zijn vrouw Bella Sanders overleefden de oorlog niet. Ze werden eerst gedwongen naar Amsterdam te verhuizen. Van daaruit moesten ze eerst naar Westerbork, waarna ze in september 1942 werden gedeporteerd naar concentratiekamp Auschwitz. Bella werd daar vermoord. Marc Herman werd samen met tweehonderd andere mannen en jongens op zestig kilometer van Auschwitz uit de trein gehaald, om tewerkgesteld te worden in verschillende kampen. Hij kwam in augustus 1943 om het leven in het werkkamp Gröditz, dat in het oosten van Duitsland ligt. Zijn neef Izaak Marcus overleefde de oorlog wel, maar stierf in 1946 na een noodlottig ongeval.1 Meer dan honderdduizend Nederlandse Joden werden door het naziregime gedeporteerd tijdens de bezetting.
Via Kamp Westerbork werden deze mensen afgevoerd naar de concentratiekampen van Auschwitz en Sobibor. Slechts weinigen van hen overleefden de Holocaust. Vaak al voor deportatie werden hun bezittingen geroofd: van kunstwerken, hypotheken en effecten portefeuilles tot woninginboedels, landbezit en vastgoed. Vele duizenden panden van Joodse eigenaren werden onteigend en een deel daarvan werd doorverkocht. De meeste Joodse burgers uit Middelburg werden gedeporteerd. Hun huurwoningen werden ontruimd, hun koopwoningen werd geroofd en hun inboedels werden in beslag genomen. Sara Polak-Braasem woonde aan de Langevielesingel 66. Haar echtgenoot Lion Polak was al in 1937 overleden. Samen hadden ze vier kinderen. Sara Polak had 15 panden, die na het overlijden van haar man op haar naam waren komen te staan. Daarvan onteigende de gemeente er 7 na de grote stadsbrand, zodat men de schade kon herstellen. In 1942 nam de Duitse bezetter de 8 andere panden in beheer. 2 panden werden in 1943 verkocht: Langevielestraat 66, het woonhuis van de familie Polak, ging naar Jacoba Adriana de Lange. Voor dit pand vond in 1947 rechts herstel plaats. Het kwam toen in bezit van de nabestaanden van Sara Polak.
7
In dit onderzoek hebben we ook gezocht naar Joods vastgoed in een aantal vroegere gemeenten, die tegen woordig bij Middelburg horen: Nieuw- en Sint Joosland, Sint Laurens en Arnemuiden. Alleen in Middelburg en Sint Laurens vonden we Joods vastgoed. Daarom hebben we de andere gemeenten verder niet meegenomen in dit onderzoek.
Een van Sara’s andere onteigende panden was een werkplaats aan de Herenstraat 25. Tijdens de oorlog kocht N.V. Zeeuwsche Dameshandwerken fabriek dat pand. Hiervoor vond pas in 1953 rechtsherstel plaats, waarna ook de werkplaats naar de nabestaanden ging. Uit het bovenstaande blijkt al dat Sara de oorlog zelf niet overleefde: ze werd in februari 1943 vermoord in concentratiekamp Auschwitz. Ook twee van haar kinderen overleefden de oorlog niet.2 Joodse burgers die de kampen overleefd hadden of na de bevrijding hun onder duik konden verlaten, keerden vaak terug naar hun vroegere woonplaats. Bij terugkeer moesten zij of, in veel meer gevallen, hun overlevende familieleden en nabestaanden, vaststellen dat veel panden door de bezetter doorverkocht waren of in ieder geval nieuwe bewoners hadden. De teruggaaf van Joodse eigendommen werd geregeld door de Raad voor het Rechtsherstel in Den Haag. In principe werden de onteigeningen en de oorlogskopen nietig verklaard. Daarvoor moest de ontrechte Joodse burger wel een verzoek om teruggaaf indienen. De oude-nieuwe eigenaar kreeg dan vaak te maken met onverwachte kosten: belastingen of erfpacht over de jaren van zijn ‘afwezigheid’. Reconstructies laten zien dat berooide Joodse eigenaren hun vastgoed soms direct weer moesten verkopen om deze rekeningen te kunnen voldoen.
In veel gevallen was het een moeizaam en lang proces om aan de vereisten van het rechtsherstel te voldoen en met de nieuwe eigenaar tot een ‘minnelijke schikking’ te komen. De onteigenden (of hun nabestaanden) konden vaak pas jaren later weer over hun huis beschikken. Dit gold ook voor de nabestaanden van Marc Herman en Izaak Marcus Boasson, en die van Sara Polak-Braasem. In het Nederlandse verhaal over de oorlog werden de antisemitische maat regelen, deportaties van Joden en onteigeningen van hun vastgoed vooral geassocieerd met de nazi’s en hun bezettingsregime. Pas sinds het einde van de 20e eeuw zijn ze stap voor stap deel geworden van de eigen geschiedenis, als zwarte bladzijde van onrecht en ontrechting. Afgelopen jaren werd ook steeds nadrukkelijker de vraag gesteld, welke al dan niet verwijtbare rol Nederlandse gemeenten gespeeld hebben bij de onteigeningen en bij het rechtsherstel. Nabestaanden, Joodse organisaties, onderzoeksjournalisten en historische verenigingen agendeerden dit thema in de gemeentepolitiek. De uitgangssituatie en bestuurlijke keuzes tijdens de bezetting en bevrijding verschilden per stad. Daarom is systematisch archiefonderzoek nodig om de historische feiten te reconstrueren. Met de grote steden in de Randstad voorop hebben inmiddels tientallen steden deskundige historici opdracht gegeven om de rol van hun gemeente in beeld te brengen.3
8
Over dit onderzoek Historisch geïnteresseerden en betrokkenen in Middelburg doen al jaren onderzoek naar gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog. Zo proberen zij de slachtoffers van de bezetting en de Jodenvervolging een gezicht en een levensverhaal (terug) te geven en het onrecht tastbaar te maken. Ons onderzoek is nadrukkelijk geen poging om dit omvangrijke en gedetailleerde werk over te doen of te controleren. We zijn ons er bovendien van bewust dat vormen van ontrechting en onrecht in dit onderzoek buiten beschouwing moeten blijven. Vormen die niet gaan over onteigening van Joods vastgoed. We beseffen ook dat het proces van rechtsherstel, met al zijn tekortkomingen, veelomvattender was dan de vragen die wij beantwoorden. Ons onderzoek had een korte looptijd en bestond uit gerichte vragen naar de rol van gemeente Middelburg in onteigening en rechtsherstel. Deze opdracht was in die zin beperkt. De meerwaarde van deze opdracht ligt juist in de systematische methodiek en transparante keuzes van het archiefonderzoek. Tussen 2021 en 2024 voerden we in Gelderland, Overijssel, Noord-Holland en Zuid-Holland nog zo’n twintig soortgelijke onderzoeksprojecten uit voor circa veertig gemeenten. Deze serie projecten maakt het mogelijk om onze metho diek en de keuze van archiefbronnen verder te verbeteren.
De inzichten die we vergaren, kunnen we in een breder perspectief plaatsen, zonder daarbij de eigen heid van de oorlogsgeschiedenis van elke gemeente uit het oog te verliezen. In onze onderzoeksopdracht is het geen doel op zich om een volledige reconstructie te maken voor individuele ontrechte personen en onteigende panden. We hebben het dossier van een aanzienlijk aantal personen en panden gereconstrueerd. Deze dossiers hebben we niet in verhalende of gestandaardiseerde vorm opgenomen in het rapport. Aan de hand van representatieve voorbeelden laten we zien hoe de procedures van onteigening en rechtsherstel werkten. We laten met voorbeelden ook zien welke informatie en ingangen de archieven bieden voor de vragen van de gemeente.
Oordelen toen en nu De historische reconstructie en analyse van het bestuurlijke (niet) handelen tijdens de bezetting en na de bevrijding staan los van een moreel oordeel. Vanuit ons huidige perspectief driekwart eeuw later moeten we voorzichtig zijn met zo’n oordeel. In enkele gevallen biedt het historische bronmateriaal aanknopingspunten dat werd gehandeld in strijd met maatschappelijke verwachtingen of bestuurlijke normen van die tijd. De onderzoeksopdracht naar ontrechting en rechtsherstel is de opmaat voor een moreel oordeel over het handelen van de gemeente. Tegelijk is het noodzakelijk om historische gebeurtenissen in hun context te plaatsen. Beide uitersten bieden geen soelaas. Alleen uitgaan van de destijds geldende regels zou in lijn zijn met de ‘kille, formalistische’ aanpak bij het naoorlogse rechts herstel. Juist op die aanpak is nu van alle kanten kritiek.
9
Tegelijkertijd moeten we ons ervan bewust zijn dat normen en verwach tingen tijdgebonden zijn. Elke generatie stelt weer andere vragen aan de geschiedenis. Het zou te ver gaan om zomaar vanuit het heden te oordelen over hoe mensen in een andere tijd handelden, terwijl hun omstandigheden en beperkingen ons (gelukkig) vreemd zijn. Dit rapport omvat na deze inleiding en een samenvatting (hoofdstuk 1 en 2) nog vier hoofdstukken. Het derde hoofdstuk presenteert de verantwoording van de door ons gekozen onderzoeksmethodiek en archiefkeuzes bij de onderzoeksopdracht. In de beide daaropvolgende hoofdstukken worden de processen van onteigening en rechtsherstel en de rol van de gemeente daarin gereconstrueerd aan de hand van het archiefmateriaal. De bijlagen (hoofdstuk 7) bieden in tabelvorm een overzicht van onteigening en rechtsherstel. Ook geven ze een overzicht van geraadpleegde literatuur en gebruikte archiefcollecties.
Oorlogsverleden en Jodenvervolging De Tweede Wereldoorlog houdt veel mensen in Nederland nog altijd bezig. Hoe gaan we om met dit verleden van oorlog, bezetting, Jodenvervolging, collaboratie en verzet? Die vraag speelt nog net zozeer een rol als in de periode vlak na de bevrijding. In die driekwart eeuw zijn de vragen en inzichten in de wetenschappelijke literatuur sterk veranderd. Ook in de maatschappij kijken mensen nu anders naar de bezetting en de Jodenvervolging, en naar de rol van Nederlandse overheden daarin. Achteraf bezien heeft de overheid een belangrijke rol gespeeld in de omgang met dit verleden. Met name door hoe ze direct na de oorlog rechtsherstel en zuiveringen organiseerde, maar ook door de besluiten tot compensatiebetalingen aan de Joodse gemeenschap een halve eeuw later. Door ons in die tijd en haar denkkaders te verplaatsen, kunnen we begrijpen waarom deze politieke en juridische keuzes zo gemaakt werden. Zo wordt de omgang met het verleden ook zelf weer geschiedenis. Ook nu is het rechts herstel nog geen afgesloten hoofdstuk. En ook ons beeld van bezetting en Jodenvervolging blijft zich ontwikkelen.
Nederland en de buurlanden Als je Nederland na de bevrijding vergelijkt met andere Noordwest-Europese landen die bezet waren geweest door nazi-Duitsland, vallen een paar dingen op. De Nederlandse overheid liet zich sterk leiden door de prioriteit van het herstel van de eigendomsverhoudingen en het normaliseren van het economische verkeer. En dat terwijl de geschiedschrijving over de oorlog zo sterk en zo lang werd gekleurd door een goed/foutperspectief. Voor ons moeilijk voorstelbaar, maar de Jodenvervolging kreeg in Nederland pas in de jaren zestig haar centrale plaats in de herinnering aan de oorlogstijd, net als in de buurlanden.
10
Aan het eind van de vorige eeuw kwam moeizaam een debat op gang over nationale schuld (naast slachtofferschap). Ook wat dat betreft liep Nederland Europees gezien in de pas. In de publieke herinnering kwam steeds meer de nadruk te liggen op verantwoordelijkheid, verwerken en compensatie of excuses voor het (niet) handelen van overheidsinstellingen tijdens de bezetting. Vlak na de oorlog was het bestuurlijke en juridische proces van rechts herstel deel van de omgang met het recente verleden. Inmiddels is dat rechts herstel zélf onderwerp geworden van een kritische beoordeling. Ook dit is niet typisch Nederlands. We zien het ook gebeuren in Frankrijk, België en de Scandinavische landen.
Goed en fout Direct na de bevrijding streden verschillende uitdagingen om voorrang: wederopbouw en economisch herstel, bestraffing van landverraders en collaborateurs en rechtsherstel voor slachtoffers en ontrechten. De Nederlandse regering in ballingschap in Londen had zich voorgenomen om ‘snel, streng en rechtvaardig’ om te gaan met landgenoten die ‘fout’ waren geweest in oorlog en bezetting. Niet minder dan 150.000 mensen moesten zich voor regionale tribunalen verantwoorden. Onder hen waren politieagenten en NSB’ers, maar ook veel bestuurders die op hun post waren gebleven. Een klein aantal kopstukken werd streng gestraft, waaronder Anton Mussert en Hanns Albin Rauter. Zij werden als oorlogsmisdadigers gefusilleerd. In de praktijk verschoof de aandacht al snel naar maatschappelijk en economisch herstel. Straffen werden milder en het vroegere verzet kreeg steeds minder zeggenschap in de bestraffing van daders.4
Tijdelijke rechtbanken voor de bijzondere rechts pleging na de bevrijding. Regionale tribunalen bestonden uit een jurist en twee gerespecteerde personen uit de regio. De nationale overheid moest hun oordeel goedkeuren.
Met deze tribunalen was wel de toon gezet. Men zag in het verleden een duidelijke tegenstelling tussen goed en fout, sterk gekoppeld aan de houding ten opzichte van het vaderland. Zeker in de eerste jaren na de bevrijding werd de beeldvorming over de bezettingstijd gedomineerd door verhalen over verzetsdaden en de vaderlands- en Oranjeliefde van de gewone Nederlander. Alleen een kleine groep NSB’ers, landverraders en opportunisten zou het naziregime hebben gesteund. Uit deze tijd stamt ook het Monument van de Joodse Erkentelijkheid voor de Amsterdammers die de Joodse bevolking hadden geholpen. Het feit dat in geen West-Europees land proportioneel zo weinig Joodse burgers de bezetting overleefd hadden als in Nederland, bleef zo op de achtergrond.5 Over een bijzonder slachtofferschap van de Joodse bevolking werd nauwelijks gesproken, ondanks de beelden en berichten van de bevrijding van Auschwitz en andere concentratiekampen.
Rauter was de hoogste vertegenwoordiger van de SS in Nederland. Hij was medeverantwoordelijk voor de deportatie van de Nederlandse Joden.
Na de bevrijding Eenmaal in Den Haag teruggekeerd, organiseerde de Nederlandse regering (ook op basis van Londense plannen) de teruggaaf van bezit dat door de bezetter en anderen onrechtmatig was toegeëigend. Ook moesten eigendoms rechten worden hersteld. Om dit proces in goede banen te leiden, werd al
11
De NationaalSocialistische Beweging in Nederland werd in 1931 opgericht door Anton Mussert. De NSB won bij de Provinciale Statenverkiezingen 1935 bijna 8 procent van de stemmen.
in augustus 1945 de Raad voor het Rechtsherstel opgericht. Daarbij hoorde ook het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Dat beheerde, in afwachting van definitieve regelingen, het bezit van zowel Duitse instellingen, landverraders en collaborateurs als van de ontrechten en vermisten uit de bezettingstijd. Uitgangspunt was dat de bezitsverhoudingen van vóór de onteigeningen hersteld moesten worden. De Nederlandse staat nam daarin een bemiddelende en afstandelijke positie in. Men wilde zo snel mogelijk terugkeren naar een ongehinderd economisch leven, zonder slepende eigendomsconflicten. Om ontwrichting van de wederopbouw te voorkomen, koos men voor verdelende in plaats van herstellende gerechtigheid. Dat betekende dat de ontrechten net zomin bevoordeeld mochten worden bij het rechtsherstel als de oorlogskopers benadeeld mochten worden. Rechtsherstel werd gezien als een eenmalige en vooral boekhoudkundige handeling: de onrechtmatige onteigeningen en eventuele doorverkoop werden ongedaan gemaakt, maar de gevolgen ervan bleven voor rekening van de oorspronkelijke eigenaar. Het is veelzeggend dat Joodse vertegenwoordigers geen stem kregen in de Raad. Rechtsherstel en teruggaaf betekenden meestal een minnelijke schikking tussen onteigende en oorlogskoper. Daarbij woog de ongunstige onderhandelings positie van de een net zo weinig mee als de vraag of de ander schuldig was.
De meeste Joodse burgers keerden immers berooid terug. En vrijwel elke koper wist (of had kunnen weten) dat ‘zijn’ vastgoed uit Joods bezit stamde.6
Jodenvervolging en collectieve schuld In de jaren zestig kreeg de Holocaust een centrale plaats in de oorlogs herinnering. Concentratiekampen werden toen ingericht als herdenkings centra. Deze perspectiefwisseling begon in de Bondsrepubliek Duitsland, vanuit een besef van nationale, collectieve schuld. In heel Europa verschoof de aandacht van de veldslagen, verzetshelden en oorlogsmisdadigers naar de slachtoffers. Het ging ook niet meer over de natie, maar over individuele burgers. Egodocumenten en historisch onderzoek gaven de Jodenvervolging en het bijzondere slachtofferschap van Joodse burgers door de vernietigings kampen een centrale plaats in de collectieve herinnering. Net als in andere landen groeide in Nederland het besef dat verwerking van de trauma’s van oorlog, vervolging en bezetting veel tijd zou vergen. Voor het eerst werd er ook gesproken over tweede- en derde-generatie slachtoffers. De Raad voor het Rechtsherstel werd pas in 1967 gesloten, en niet begin jaren vijftig zoals oorspronkelijk het plan was. Deze perspectiefwisseling ontstond doordat de langetermijngevolgen van de bezetting zichtbaar werden, maar ook doordat Nederlanders nieuwe verwach tingen kregen van de overheid.
De minimale opvatting van rechtsherstel als terug gaaf van eigendom paste goed bij de beperkte bestaansgaranties en verzorgings plicht als taakopvatting van de overheid in de eerste naoorlogse jaren. Door de uitbreiding van de verzorgingsstaat veranderde dat. De overheid zag het steeds meer als haar taak om slachtoffers en ontrechten naar vermogen te compenseren.
12
Het NBI was van 1945 tot 1967 belast met het opsporen, beheren en eventueel liquideren van vijandelijke vermogens en de vermogens van land verraders, maar ook van gedeporteerde of onder gedoken Joden. Het NBI kenden talrijke regionale vertegenwoordigingen en zelfs een aantal kantoren wereldwijd.
Excuses voor het rechtsherstel Eind jaren negentig liet de Nederlandse regering onderzoek doen naar het naoorlogse rechtsherstel. Dat gebeurde na internationale onthullingen over bijvoorbeeld roofkunst en Joodse tegoeden bij Zwitserse bankhuizen. Moge lijkerwijs hebben zelfs de verwerking van het communistische verleden in Oost-Europa en de omgang met de apartheid in Zuid-Afrika een rol gespeeld bij dit besluit. Op basis van de resultaten van verschillende Nederlandse commissie rapporten besloot het kabinet verontschuldigingen aan te bieden aan de Joodse slachtoffers en hun nabestaanden. De Joodse gemeenschap kreeg een finan ciële tegemoetkoming. De Nederlandse regering noemde deze stappen samen ‘finaal recht’. Toch besloot de gemeenteraad van Amsterdam in 2013 op basis van nieuw lokaal onderzoek om zijn verantwoordelijkheid te nemen. Uit het onderzoek bleek namelijk dat gemeente Amsterdam in de oorlog zelf onteigend Joods vastgoed had aangekocht. En dat de gemeente na de bevrijding gemeente belastingen en erfpachtcanon had geheven over de bezettingsjaren. In de jaren daarna volgde soortgelijk onderzoek in Rotterdam, Den Haag en Utrecht.
Het verleden opnieuw gewogen Ook het wetenschappelijk onderzoek veranderde. Naast het bekende politieke en militaire verhaal van de Tweede Wereldoorlog op nationaal en internationaal niveau, ontstond meer aandacht voor de dagelijkse ervaring van burgers en bestuurders tijdens de bezetting op regionaal en lokaal niveau. Juist daar werd duidelijk dat morele labels van goed en fout, zoals ‘collaboratie’ en ‘verzet’, slechts een klein deel van de historische werkelijkheid dekten. Het dilemma van de ‘burgemeester in oorlogstijd’ is hiervan slechts één voorbeeld. Deze nuancering van schuldvragen en meer oog voor dwang en keuzevrijheid droegen ertoe bij dat de medeverantwoordelijkheid van Nederlandse instanties opnieuw werd gewogen. Van het regeringsbeleid en de politie tot de NS of de Heidemij, maar ook van gemeentelijke overheden.7 Kortom, onze omgang met het oorlogsverleden is door de tijd sterk veranderd. Overheidsbeleid, publiek debat en wetenschappelijk onderzoek gaven elkaar daarbij steeds impulsen. In de eerste twee decennia na de oorlog gaf een nationaal gekleurd perspectief van goed en fout houvast in het verlangen naar normaliteit. Het resultaat was achteraf bezien eerder verdringing dan verwerking van de gebeurtenissen.
Ook formele procedures en regels boden houvast in onzekere tijden, met een – in de ogen van Nederlanders in de 21e eeuw – hardvochtige beleidsuitvoering tot gevolg. Vanaf de jaren zestig kreeg de Holocaust de publieke en emotionele betekenis die voor Nederlanders van nu vanzelfsprekend is. Herbezinning op de (eigen) schuldvraag duurde in Nederland net als in andere bezette landen tientallen jaren, vanuit het gevestigde verhaal van verzet en eigen slachtofferschap. Onlangs heeft dat in de wetenschappelijke literatuur geleid tot een nuancering en contextualisering van schuldvragen. In het publieke debat leidde het juist tot een nadruk op morele schuldvragen.
13
De zogenaamde Maror‑gelden (Morele Aansprakelijkheid Roof en Rechtsherstel) van de nationale overheid voor de tekortkomingen van het naoorlogs rechts herstel. Ook banken, verzekeraars en het beurswezen droegen bij aan dit fonds.
De keuze tussen twee kwaden: medeplichtig worden door steeds verdergaande collaboratie, of ontslag riskeren en vervanging door een NSBburgemeester.
Dankwoord We bedanken onze opdrachtgever, burgemeester Yvonne van Mastrigt en haar voorganger Harald Bergmann, voor hun vertrouwen in ons team. Ook bedanken we beleidsmedewerker erfgoed Henk de Kunder als onze contactpersoon voor de prettige samenwerking, en als auteur van de eerdere interne studie. Daarnaast noemen we graag de leden van de klankbordgroep: Peter Sijnke, Jan Kouwen, Arjan van Dixhoorn, Maarten Steenbeek, Judith Bergen en Roos Majtlis. We bedanken de medewerkers van het Zeeuws Archief voor hun ondersteuning bij dit onderzoek. Door de coronacrisis kon archiefonderzoek voor de verschillende gemeenten pas in september 2021 echt beginnen. Dat bleek een voordeel; meer dan een dozijn historici en archivarissen zijn ons met een soortgelijke opdracht van andere gemeenten voorgegaan. We bedanken hen voor hun bereidheid om eigen ervaringen met ons te delen, onder andere tijdens de Nijmeegse en Groningse online-workshops op 23 juni en 9 december 2021. Bijzondere dank zijn we verschuldigd aan Maarten Duijvendak, Herman de Koning, Hinke Piersma, Wouter Veraart en Maarten-Jan Vos. De verantwoordelijkheid voor de gekozen opzet en uitvoering ligt vanzelfsprekend volledig bij de auteurs. Dankzij de inzichten van collega’s en hun archief-technische adviezen konden wij weloverwogen keuzes maken.
Zo kreeg de vergelijking als methode bij ons een centralere plaats dan in eerdere studies. Ook gaven we bewust een prominente plaats aan een reconstructie van de beleidsvorming en -uitvoering door de gemeente. Dit onderzoek is uitgevoerd aan de Radboud Universiteit, in het Radboud Institute for Culture & History (RICH), door de denktank Advies & Actualiteit van de expertisegroep Politieke Geschiedenis. Onze dank geldt niet in de laatste plaats het vaste team van Susanne Geuze en Joyce Dekker, die de eindredactie en vormgeving van deze schriftelijke presentatie van de onderzoeksresultaten verzorgden. Junior onderzoekers Charlotte Dommerholt, Xia van Beuningen en Lieke Speerstra voerden het onderzoek uit. Charlotte Dommerholt en Wim van Meurs schreven deze rapportage. Advies & Actualiteit slaat een brug tussen academische geschiedschrijving en maatschappelijke vraagstukken. Met andere woorden: tussen wetenschap en toegepast onderzoek. We bouwen en vertrouwen daarbij op de onderzoeks ervaring van gepromoveerde stafleden, maar net zo goed op het talent en de inzet van jonge afgestudeerden. Charlotte Dommerholt Wim van Meurs Marieke Oprel
14
Het onderzoeksteam Wim van Meurs, hoogleraar Politieke Geschiedenis aan de Radboud Universiteit, initiatiefnemer van denktank Advies & Actualiteit, projectleider ‘Lokaal besturen tussen bezetter en burger’ (Mondriaan Fonds, 2020-2023) Marieke Oprel, universitair docent aan de Radboud Universiteit, coördi nator en adviseur bij Advies & Actualiteit. In 2020 gepromoveerd aan de Vrije Universiteit Amsterdam op een studie over tot vijandelijke onder danen verklaarde Duitsers, op basis van de archieven van het Neder lands Beheersinstituut, projectleider ‘Vermogensonteigening na de Tweede Wereldoorlog’ (Mondriaan Fonds, 2020-2023) Charlotte Dommerholt, junior onderzoeker bij Advies & Actualiteit, afgestudeerd aan de masteropleiding Geschiedenis Vandaag, Rijksuniversiteit Groningen (2022) Xia van Beuningen, junior onderzoeker bij Advies & Actualiteit, afgestudeerd aan de masteropleiding Geschiedenis en Actualiteit, Radboud Universiteit Nijmegen (2022) Lieke Speerstra, junior onderzoeker bij Advies & Actualiteit, afgestudeerd aan de masteropleiding Global History, Vrije Universiteit Amsterdam (2023) Joyce Dekker, grafisch vormgever, Studio Joyce Dekker in Amersfoort Susanne Geuze, afgestudeerd aan de masteropleiding Politiek en Parlement, Radboud Universiteit (2014), werkt als zelfstandig tekstschrijver en redacteur
15
Noten 1
2
3
„Marc Herman Boasson“, Zeeuwse Ankers, via zeeuwseankers.nl; „Marc Boasson“, Westerborkportretten, via westerborkportretten.nl; Joods Monument, nr. 31188. Joods Monument nr. 28457; nr. 28471; nr. 137403. Hinke Piersma en Jeroen Kemperman, Open staande rekeningen: de gemeente Amsterdam en de gevolgen van roof en rechtsherstel, 1940‑1950 (Amsterdam: Boom, 2015); Hinke Piersma en Jeroen Kemperman, ‘De erfpachtkwestie in Amsterdam (1945‑1960)’ (Amsterdam: NIOD, 2014); Maili Blauw, ‘Verschil maken? Gemeente, belastingen en rechtsherstel in naoorlogs Utrecht’ (Utrecht, 2020); Robin te Slaa, ‘Daar dit een immorele aanslag is’: De houding van gemeente Den Haag tegenover Joodse eigenaren van onroerend goed 1940‑1955 (Voorburg: De Nieuwe Haagsche, 2017); Hinke Piersma en Marleen van den Berg, ‘Ontrechting en rechtsherstel. Het Rotterdamse gemeentebeleid inzake ontrechting en rechtsherstel van Joodse oorlogsslachtoffers 1940‑1955’ (Amsterdam: NIOD, 2020).
16
4
5
6
7
Nele Beyens, Overgangspolitiek. De strijd om de macht in Nederland en Frankrijk na de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2009); Peter Romijn, Snel, streng en recht vaardig: politiek beleid inzake de bestraffing en reclassering van ‘foute’ Nederlanders, 1940‑1945 (Houten: De Haan, 1989); Marieke Oprel, The Burden of Nationality. Dutch Citizenship Policies towards German Nationals in the Aftermath of the Second World War (1944‑1967) (Amsterdam: VU University Press, 2020). Marnix Croes en Peter Tammes, ‘Gif laten wij niet voortbestaan’: een onderzoek naar de overlevingskansen van joden in de Nederlandse gemeenten, 1940‑1945 (Amsterdam: Amsterdam University Press, 2006). Wouter Jan Veraart, Ontrechting en rechtsherstel in Nederland en Frankrijk in de jaren van bezet ting en wederopbouw (Deventer: Kluwer, 2005); Ido de Haan, ‘Het einde van de naoorlogse geschiedenis’, Krisis, nr. 2 (2008): 48-52. Peter Romijn, Burgemeesters in oorlogstijd: besturen tijdens de Duitse bezetting (Amsterdam: Balans, 2006); Guus Meershoek, Dienaren van het gezag: de Amsterdamse politie tijdens de bezetting (Amsterdam: Van Gennep, 1999).
2. Opdracht en conclusies In 2019 digitaliseerde het Nationaal Archief de Verkaufsbücher, de vastgoed boeken van de Duitse bezetter. In die boeken had het naziregime doorverkocht Joods vastgoed geregistreerd. De Verkaufsbücher geven dus een goed overzicht van wat er tijdens de Tweede Wereldoorlog gebeurde met Joods vastgoed. Wel bevatten ze alleen informatie over onteigende panden die doorverkocht waren. De informatie in de Verkaufsbücher werd bij de digitalisering gekoppeld aan kadastergegevens. Op 27 mei 2020 berichtten onderzoeksjournalisten van het televisie programma Pointer (KRO-NCRV) over de 7.500 geregistreerde transacties van deze systematische onteigening van Joodse burgers en de rol van Nederlandse gemeenten.1 De journalisten benaderden de gemeenten die in de Verkaufs bücher voorkwamen met een verzoek om stellingname, waaronder gemeente Middelburg.
Drie hoofdvragen Het gemeentebestuur van Middelburg heeft toen vastgesteld dat het geen goed beeld had van de rol die de gemeente destijds speelde bij onteigening en rechtsherstel van Joodse inwoners. Ook de archieven geven geen eenvoudig antwoord op zulke vragen. Gegevens uit de collecties van met name het Nationaal Archief in Den Haag en het Zeeuws Archief in Middelburg moesten hiervoor met elkaar verbonden worden. De gemeente besloot dat vervolg stappen alleen betekenisvol zijn als we de historische feiten kennen. Daarop is een onderzoeksopdracht geformuleerd met twee hoofdvragen en een derde, achterliggende vraag.
Vraag 1: ontrechting De eerste vraag gaat over de ontrechting van Joodse vastgoedeigenaren door de Duitse bezetter. We weten dat gemeenten in praktische zin meegewerkt hebben aan de onteigening – van transport en opslag van inboedels tot betrokkenheid bij de verhuur van leegstaande panden. Van een aantal steden is bekend dat de gemeente een of meerdere Joodse panden gekocht heeft, direct of via een tussen handelaar. Heeft gemeente Middelburg gebruikgemaakt van de ontrechting van hun Joodse burgers door onteigend vastgoed te verwerven, wel wetend waarom deze panden tegen een vaak lage prijs te koop aangeboden werden?
Vraag 2: rechtsherstel De tweede hoofdvraag gaat over het rechtsherstel na de bevrijding. We weten dat onteigende panden meestal zijn teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar. Van Amsterdam en Den Haag is bekend dat ze na de oorlog naheffingen en boetes voor gemeentelijke belastingen op vastgoed of een erfpachtcanon
17
Elke registratie van een verkooptransactie vermeldt o.a. het adres van het verkochte pand of panden, de ‘verkoper’ en de koper (beiden met adres). Daarnaast wordt de beheerder genoemd, de notaris, de verkoopdatum en de koopprijs.
vorderden voor de tijd tussen het moment van onteigening en het herstel van het eigenaarschap, zonder enig respect voor het bijzondere slachtofferschap. Heeft gemeente Middelburg naheffingen en eventuele boetes opgelegd aan Joodse huiseigenaren of hun nabestaanden, met name voor straatbelasting?
Vraag 3: bejegening Deze twee vragen zijn beide concrete en formele vragen naar bestuurlijke keuzes. De handelingsruimte van de gemeente was zowel binnen het ont eigeningsbeleid van de bezetter als binnen het nationale beleid voor het rechtsherstel na de bevrijding beperkt. Minder concreet, maar niet minder wezenlijk is de derde vraag, die naar de bejegening van de Joodse bewoners door gemeente Middelburg. En hoe de gemeente zich rekenschap gaf van hun bijzondere slachtofferschap. Gemeente Middelburg heeft als eerste stap een eigen, intern onderzoek laten uitvoeren naar bovenstaande drie vragen. Daarover verscheen in maart 2023 een degelijk rapport.2 Dit rapport gaf veel antwoorden, en riep ook vervolgvragen op die een verdere uitwerking of onderzoek noodzakelijk maakten. Gemeente Middelburg heeft ons gevraagd om deze onderzoeksopdracht uit te voeren. Deze combinatie van intern onderzoek, aanvullende vragen en extern opdrachtonderzoek vraagt om een toelichting. Ook andere gemeenten vroegen ons om – als onafhankelijke universitaire onderzoekers – onze goedkeuring te geven aan intern onderzoek dat al uitgevoerd was. Die verzoeken hebben we steeds afgewezen. In opdracht van gemeente Middelburg hebben we, volgens onze beproefde methodiek, het onderzoek uitgevoerd zoals we dat zouden hebben gedaan zónder voorkennis van dit eerdere onderzoek.
We hebben er daarom bewust voor gekozen ons archiefmateriaal, en de conclusies daaruit, niet stap voor stap naast het eerdere rapport te leggen. Dat is aan de lezer. Wel kunnen we zeggen: op de belangrijke punten is er geen verschil tussen onze reconstructie en die van het eerdere rapport. We hebben de aanvullende en verdiepende vragen van de gemeente nadrukkelijk meegenomen. Die gingen over naheffingen op gemeente belastingen, en over rechtsherstel via het Grootboek voor de Wederopbouw. Heeft gemeente Middelburg structureel en actief naheffingen laten uitgaan bij rechtsherstel, of gebeurde dat alleen bij uitzondering? De eerste vraag hebben we vooral beantwoord door Middelburg te vergelijken met andere gemeenten die wij hebben onderzocht. Zijn ontrechten (of hun nabestaanden) niet in hun rechten hersteld, wanneer rechtsherstel moest plaatsvinden via het Grootboek? De tweede vraag vereiste verder onderzoek in het Nationaal Archief en het gemeentearchief, zoals we dat eerder voor Den Helder deden.3 In Nederland is het Grootboek nog weinig op die manier onderzocht. De antwoorden op beide vragen staan in hoofdstuk 5.
18
Een financieel register dat de Nederlandse overheid al in 1940 oprichtte om burgers tegemoet te komen voor geleden oorlogsschade.
Conclusies over de onteigeningen 1. In de huidige gemeente Middelburg nam de bezetter in totaal 51 panden en bijbehorende percelen in beheer. Daarvan werden 22 panden en bijbehorende percelen verkocht. 2. Panden en percelen van de Joodse gemeente in Middelburg – de synagoge met bijgebouwen, een woning, de begraafplaats, het kerkhof – werden niet in beheer genomen en niet verkocht. 3. Gemeente Middelburg kocht tijdens de bezetting geen Joods vastgoed aan.
Conclusies over het rechtsherstel 1. Voor alle 22 verkochte panden en percelen vond rechtsherstel plaats. Dat gebeurde tussen 1947 en 1954. 2. In Middelburg waren in de meidagen van 1940 ook Joodse panden verwoest. Alle verwoeste percelen werden in december 1940 onteigend op last van de Algemeen Gemachtigde voor den Wederopbouw. Ten tijde van de onteigening werden ook voor Joodse eigenaren inschrijvingen in het Grootboek voor de Wederopbouw gedaan. Bij de inbeheername van Joods vastgoed en kapitaal een jaar later verloren de Joodse gedupeerden van de mei 1940 hun claim op het Grootboek – niet hun huis dat al verwoest was. Rechtsherstel betekende voor hen teruggave van deze claim, die geld waard was. De compensatie vanwege oorlogsschade waarbij Joodse en niet-Joodse burgers voor het Grootboek gelijk behandeld werden, werd zo een jaar later door een nieuwe onteigening als anti-Joodse maatregel tenietgedaan. 3. De weinige overgebleven archieven leveren geen aanwijzingen op dat gemeente Middelburg systematisch naheffingen en boetes verstuurde voor gemeentebelastingen over de bezettingsjaren.
Conclusies over de bejegening 1. Jan Walré de Bordes was van 1939 tot 1942 burgemeester van Middelburg. In het naoorlogse onderzoek naar hem beschrijven ambtenaren zijn beleid als ‘onevenwichtig’. Zijn omgang met de bezetter wordt gezien als ‘te vriendelijk’, maar tegelijkertijd waarschuwde hij de Joodse wethouder Boasson voor het dreigende gevaar. Na onderzoek naar zijn handelen in de oorlogsjaren kreeg Walré de Bordes in 1946 (ongevraagd) eervol ontslag. 2. NSB’er Adriaan Meerkamp van Embden was burgemeester tussen 1942 en de bevrijding in november 1944. Hij voerde geen actief nationaal socialistisch beleid. Ambtenaren vonden zijn beleid niet sterk en niet daad krachtig. Hij mocht na de oorlog geen openbare ambten meer bekleden en verloor zijn actieve en passieve kiesrecht, maar kreeg geen gevangenisstraf. 3. Gemeente Middelburg werkte niet proactief mee aan de deportaties tijdens de bezetting, maar volgde wel de verordeningen van de Duitse bezetter op. Ook had de gemeente na de bevrijding geen speciale regelingen of coulance voor teruggekeerden.
19
Bovenstaande conclusies laten zien dat de vraag wie nu ‘de gemeente’ was, niet zo duidelijk is als op het eerste gezicht lijkt. We moeten onderscheid maken tussen hoe gekozen en benoemde bestuurders in de eerste fase van de bezetting handelden en hoe ze te werk gingen in de tijd toen er een NSB-burge meester was. Die NSB-burgemeester bestuurde zonder gemeenteraad. En de wethouders en andere functionarissen waarmee hij samenwerkte, waren ook door de bezetter benoemd. Het uitvoerende werk van bijvoorbeeld de gemeentepolitie of gemeente diensten is een kwestie op zich. De vraag hoe zulke diensten hun werk deden en in welke vorm en mate ze collaboreerden bij de Jodenvervolging, valt buiten ons onderzoek. Dat geldt ook voor de bemoeienis van de gemeente bij vordering van woningen door de Wehrmacht. De burgemeester had volgens de Nederlandse wet het recht om panden te ‘vorderen’. Hij maakte van dit recht gebruik op bevel van de Wehrmacht, toen de bezetter nog probeerde om de schijn van goed bestuur en continuïteit op te houden. De Wehrmacht betaalde zo ook enkele jaren compensatie aan de eigenaren van de panden. Die betalingen stopten zodra de bezetter de schijn van rechtstaat liet vallen, of al eerder als duidelijk werd dat het om een Joodse eigenaar ging.
Over het algemeen werkten gemeenten het vorderingsbeleid niet tegen en leverden ze hulp waar gevraagd, net zoals bij de onteigening en deportatie van Joodse inwoners. Wel laat dit onderzoek zien dat de rol en speelruimte van de gemeente beperkt was. Zeker tijdens de oorlogsjaren, toen de bezetter maatregelen dicteerde. Het naoorlogse proces van rechtsherstel verliep grotendeels buiten gemeentebestuurders om. Met onze 21e-eeuwse blik op de Tweede Wereldoorlog vinden we het bijzondere slachtofferschap van de Joodse bevolking vanzelfsprekend. De conclusies van dit rapport, en ook de bredere vakliteratuur, laten zien dat Nederlandse bestuurders daar tijdens en vlak na de oorlog anders naar keken. Het besef dat Joodse burgers in bijzondere mate slachtoffers waren, leefde nauwelijks. Sterker nog: een van de leidende principes was juist dat niemand bevoordeeld of benadeeld mocht worden door het rechtsherstel. In de praktijk betekende dat voor Joodse burgers indirect nog meer onrecht en benadeling. Eigenaren van panden die voor de Wehrmacht waren gevorderd, kregen een kleine vergoeding via de gemeente. Voor Joden van wie het vastgoed onder beheer geplaatst was, ging deze vergoeding naar de roof instellingen of bleef achter in de gemeentekas. In een aantal gevallen was een Joods pand in de oorlog niet verkocht, maar verhuurd door de ANBO. Soms had de oorlogskoper het pand verhuurd.
Pas als de oorspronkelijke eigenaar zijn pand terugkreeg, kon hij de huur opzeggen. Zijn eigenaarschap kreeg dus geen voorrang op de huurbescherming. Of de gemeente vorderde een teruggegeven Joodse woning vanwege de nijpende woningnood. Sommige nabestaanden emigreerden na de oorlog uit Nederland en Europa. Zij waren vaak niet in de positie om een claim in te dienen bij het NBI, of hadden daar geen interesse in. Zo bleven talrijke oorlogskopers in het bezit van Joods eigendom. De inboedels kwamen zelden of nooit terug, of ze
20
Algemeen Neder landse Beheer van Onroerende Goederen. Deze organisatie werd opgericht om huisbezit van Joden na hun deportatie te verkopen voor de NGV.
nu waardevol of eenvoudig waren. NSB’ers huurden onteigende panden voor een vriendenprijs, maar die vormde wel de basis voor de minnelijke schikking na de oorlog. Dit zijn slechts een paar voorbeelden. Indirect onrecht kwam structureel voor.
Vervolg Met deze eindrapportage is het archiefonderzoek naar de drie hoofdvragen van de opdracht volgens ons afgerond. Het kleine restrisico dat andere archieven de resultaten in detail nog corrigeren of aanvullen, staat in geen verhouding tot de onderzoeksinspanning die daartoe nodig zou zijn.
Vervolgonderzoek In de loop van 2023 zijn de onderzoeken met vergelijkbare vraagstellingen afgerond voor tientallen gemeenten in het hele land. Daarmee ontstaat een representatief beeld rondom onteigening en ontrechting, met patronen en uitzonderingen op lokaal niveau. De goede samenwerking tussen de uitvoerders van deze onderzoeken kan als basis dienen voor een afsluitende conferentie en/of enkele tijdschriftartikelen voor Nederlandse vakgenoten. Uit dit project en andere gemeentelijke onderzoeksprojecten komen drie mogelijke wetenschappelijke vervolgonderzoeken naar voren. Het eerste is een nationaal onderzoek naar de rol van makelaarskantoren in de processen van onteigening, ontrechting en rechtsherstel, op basis van nog beschikbare firma- archieven. Het tweede is een systematisch onderzoek vanuit het perspectief van de provinciale overheid. Provincies kregen alle aankoopplannen van Joods vastgoed door gemeenten voorgelegd, of zo’n gemeente nou wel of geen NSBburgemeester had. Het derde is een groot project om de cruciale archieven van het Nederlands Beheersinstituut (NBI) en de Raad voor het Rechtsherstel beter toegankelijk te maken en digitaal te ontsluiten. Op termijn geldt dat ook voor de archieven van het Grootboek voor de Wederopbouw die nu nog beperkt openbaar zijn. Het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) kan hier als voorbeeld dienen.
Voor vervolgonderzoek om ons beeld van de Joodse geschiedenis onder het naziregime volledig te maken, zijn verschillende richtingen denkbaar. De belangrijkste is waarschijnlijk de verdere reconstructie van levensverhalen door arbeidsintensief archiefonderzoek in collecties en met ingangen die tot nu toe minder gebruikt zijn. De nu al indrukwekkende verzameling van bijvoorbeeld het Joods Monument zou hiermee verrijkt kunnen worden.
Expositie Onze aanbeveling wat betreft de publieke herinnering aan deze historische gebeurtenissen richt zich tot alle betrokken gemeenten samen. Vervolg onderzoek levert ongetwijfeld nieuwe, waardevolle inzichten op voor steden en regio’s. De tientallen vergelijkbare onderzoeksprojecten van dit moment bieden de eenmalige kans om een digitale of rondtrekkende expositie in te richten.
21
Zo’n expositie zou het meest sprekende materiaal uit verschillende projecten en gemeenten bijeenbrengen.
Serie rapporten Tegelijk met dit onderzoek in gemeente Middelburg voert het onderzoeksteam van Advies & Actualiteit van de Radboud Universiteit ongeveer twintig vergelijk bare projecten uit. Die onderzoeken zijn voor zo’n veertig gemeenten in Gelder land, Overijssel, Noord- en Zuid-Holland en voor Vlissingen als enige andere Zeeuwse gemeente. In al deze projecten hanteren we dezelfde methodiek.4 De hoofdstukken Inleiding en Verantwoording (hoofdstuk 1 en 3) van de eindrapportages zijn daarom grotendeels gelijkluidend. Dat geldt vooral voor de uiteenzetting van de methodiek met de archiefbronnen, de nationale juridisch-institutionele kaders van ontrechting en rechtsherstel en de vergelijking met andere steden en onderzoeksprojecten.
22
Noten 1
2
KRO-NCRV, Pointer, pointer.kro-ncrv.nl/ vastgoedboeken-van-de-duitse-bezetter. Henk de Kunder, ‘Het Joods vastgoed in de gemeente Middelburg tijdens de Tweede Wereldoorlog’ (Middelburg: Gemeente Middelburg, maart 2023).
23
3
4
Ingrid van der Vlis e.a., ‘Joodse burgers in Den Helder: onteigening en rechtsherstel’ (Nijmegen: Radboud Universiteit, november 2022). Radboud Universiteit, Advies & Actualiteit, www.ru.nl/rich/rich-society/advies-actualiteitonderzoek-opdracht/vm/onteigening-vanjoods-vastgoed-in-wo2-en.
24
3. Verantwoording Gemeente Middelburg heeft deze onderzoeksopdracht gegund aan universitaire onderzoekers. Daarmee verwacht zij een wetenschappelijke bekrachtiging van het omvangrijke bestaande onderzoek over dit thema. Dat begint met een doordachte verantwoording van de gekozen onderzoeks methoden, begrippen en concepten die we gebruiken. De bronnen die we kiezen, moeten relevant en doelmatig zijn. Elke soort bronnen kent beper kingen. Aan de hand van eigen vooronderzoek en dat van anderen hebben we bepaald welk type bronnen we gebruiken – en welke bronnen juist niet.
Woordkeuze Nog voordat in de zomer van 1942 de deportatie van de Joodse bevolking van Nederland begon, was de uitsluiting van Joodse burgers uit het economische leven een centrale doelstelling van het naziregime. Joodse bedrijven werden gesloten of aan 'Arische' gegadigden verkocht. Vastgoed, hypotheken en huur inkomsten van Joodse Nederlanders werden in beheer genomen. De inkomsten die deze transacties opleverden, waren voor de bezetter uiteindelijk bijzaak, al werden het geroofde geld en bezit ingezet om de kosten van deportatie transporten en de bouw en het onderhoud van kampen als Westerbork te dekken.
Roof, onteigening of vordering Het begrip ‘roof’ (of formeler, ‘ontvreemding’) werd na de bevrijding gekozen om dit criminele handelen van de Duitse instanties te benoemen. De term ‘roof’ laat de morele veroordeling van het handelen van de bezettingsmacht treffend zien. Toch schiet het woord voor de doelstellingen van dit onderzoek tekort. We moeten ons namelijk verdiepen in de instituties en rechtsregels die werden ingericht om deze roof uit te voeren. Bovendien was de toe-eigening van bezit voor eigen gewin niet het hoofddoel. Het begrip ‘ontrechting’ treft wél precies deze doelstelling. Namelijk: burgers hun (economische) rechten ontnemen en uit de maatschappij verwijderen. In dit rapport hanteren we daarom het begrip ‘ontrechting’ als het om de slachtoffers gaat. Gezien de moord op zes miljoen Joden door het naziregime schiet ook die term tekort. Maar in elk geval past de term ‘ontrechting’ bij de vragen over bestuurlijke procedures en keuzes waar dit onderzoek over gaat.1
Vervreemding of onteigening Voor het vastgoed zelf ontbreken de juiste woorden. Juridische termen zijn immers niet bedoeld om het handelen van een misdadige overheid in woorden te vatten. De neutrale term ‘vervreemding’ zegt juridisch niet meer dan de overdracht van eigendomsrechten, bijvoorbeeld door verkoop of schenking. ‘Onteigening’ (of ‘gedwongen verkoop’) betekent dat een overheid vanuit een
25
algemeen belang – en terughoudend – een burger dwingt om zijn eigendom aan de staat over te dragen tegen een passende compensatie. Elke democratie kent zulke procedures. Bijvoorbeeld voor de uitbouw van infrastructuur en stadsvernieuwing, of bij een noodsituatie zoals na de bombardementen op Rotterdam en Nijmegen.2 Van zo’n onteigening in het algemeen belang was tijdens de bezetting geen sprake. Ontrechting van de burger was immers het doel. Ook was geen sprake van proportionele en gerechte compensatie. Streng genomen werd de zeggenschap over een pand onteigend, maar het stond de beheerder vrij om dat pand te verkopen. Na deportatie van de ontrechten bleef de verkoopsom bij een roofinstelling. Het slachtoffer kreeg geen financiële compensatie voor zijn eigendomsverlies, maar alleen een maandelijkse toelage uit zijn claim op de Niederländische Grundstücksverwaltung (NGV), om in een minimaal levensonderhoud te voorzien. In het rapport onderscheiden we Duitse onteigeningen (op basis van de verschillende anti-Joodse Verordnungen) en Nederlandse onteigeningen. In uitzonderlijke situaties zoals overstromingen kon de Nederlandse overheid ook voor en na de bezetting land- en huizenbezit onteigenen in het belang van wederopbouw. In een aantal gemeenten gebeurde dit tijdens of na de oorlog na bombardementen. De term vordering of confiscatie verwijst naar een verdere complicatie.
De Duitse Wehrmacht vorderde huizen, scholen en bedrijfspanden om soldaten in te kwartieren of om oorlogsmaterieel op te slaan. De bezitter behield zijn eigendom, maar het gebruik ervan moest hij aan de bezetter laten. Dit gebeurde tegen een kleine periodieke compensatie. Of de eigenaar al dan niet Joods was speelde bij vordering geen rol. In enkele gemeenten werden huizen gevorderd om ze vervolgens te slopen, voor de bouw van verdedigingswerken of een vrij schootsveld. Het verschil met de ‘Duitse’ onteigeningen is dat het geen specifiek anti-Joodse maatregel was en dat er een compensatie tegenover stond.
Andere juridische begrippen Ook het gebruik van andere juridische begrippen krijgt in deze context een cynische ondertoon. Een ‘beheerder’ (Verwalter) of ‘bewindvoerder’ (Treuhänder) over het eigendom van een burger zou immers altijd naar eer en geweten de belangen van deze burger moeten dienen. In zekere zin werden de Joodse eigenaren inderdaad onder curatele geplaatst. Het stond de beheerder echter vrij om het vastgoedbezit te verkopen naar eigen goeddunken. Dat werd zelfs van hem verwacht. Toch kunnen we er niet omheen om deze termen te gebruiken om aan te tonen welke juridische constructies de bezetter gebruikte. Zonder deze kennis is namelijk ook het proces van rechtsherstel – met deels dezelfde termen als ‘beheer’ – niet goed te begrijpen. Daarbij kunnen de intenties van ontrechting (en uiteindelijke deportatie) door een onrecht-staat niet genoeg benadrukt worden. Met deze belangrijke kwalificatie hanteren we zo veel mogelijk het begrippenpaar ‘ontrechting’ en ‘onteigening’.
26
De NGV (ofwel: Neder landse Administratie van Onroerende Goederen) was de centrale instantie die het Joodse eigendom vanaf 1941 eerst regi streerde en vervolgens liet doorverkopen.
Rechtsregels en morele normen De spanning tussen morele oordelen en juridisch-institutionele kaders keert in dit onderzoek steeds terug. Voor de oorlog en tijdens haar ballingschap in Londen had de Nederlandse regering met deze spagaat te maken. Ze gaf haar ambtenarenapparaat de opdracht om het bestuur voort te zetten tijdens een (eventuele) bezetting – in het belang van de Nederlandse bevolking en zoals het oorlogsrecht dat voorzag. Tegelijk deed ze er met de geallieerden alles aan om Nederland te bevrijden en steun te bieden aan het verzet. Zo vormden de Verordnungen van de bezetter geldend recht, hoewel de bezetting illegaal was en de Verordnungen burgers onrecht aandeden. Ook bij het naoorlogse rechtsherstel konden de onteigeningen wel ‘nul en nietig’ verklaard worden, maar de Nederlandse instanties konden deels niet anders dan effecten van de Duitse regels als uitgangspunt nemen bij het reconstrueren en ongedaan maken van alle gevolgen. In veel gevallen waren de oorlogskopers van het vastgoed op de hoogte van het feit dat ze onteigende Joodse panden kochten – of ze hadden daarvan op de hoogte kunnen zijn. Desondanks werd hun eigendomsclaim na de oorlog door de uitvoerders van het rechtsherstel niet op die grond in twijfel getrokken. Het principe van de bescherming van privébezit kreeg prioriteit.
Zonder bewijs van het tegendeel werd in de praktijk aangenomen dat oorlogskopers te goeder trouw hadden gehandeld. Om zo snel mogelijk een normalisering van het economisch verkeer te bereiken, koos de Nederlandse staat na de oorlog voor een ‘verdelende’ in plaats van een ‘herstellende’ gerechtigheid. Het rechtsherstel mocht de oorlogskopers niet benadelen en de oorspronkelijke eigenaren niet bevoordelen. Zo moest men bepalen wat er gebeurd zou zijn als het vastgoed niet onteigend was geworden, met alle bijbehorende praktische haken en ogen en onrechtvaardigheden. Door dit uitgangspunt deelden twee eigenaren eigenlijk hetzelfde bezit. Van hen werd verwacht dat ze samen tot een redelijke en acceptabele oplossing zouden komen. Dat leidde tot langlopende conflicten over renovatiekosten, huurder ving, belastingheffingen en dergelijke, en uitgebreide verrekeningen daarvan. De Joodse ontrechten moesten hun herstelde eigendomsrechten feitelijk met anderen delen. Bij de onderhandelingen hadden zij vaak de zwakkere positie.3
Gebruikte archieven In ons eigen werk en de rapporten van anderen worden wel twintig verschil lende typen archieven gebruikt om de gestelde vragen te beantwoorden. Toch biedt geen daarvan een volledig en definitief antwoord. Daar komt nog bij dat sommige archieven of delen daarvan tijdens de oorlog verloren zijn gegaan, met opzet vernietigd, of na de oorlog gereorganiseerd of opgeschoond. We hebben geprobeerd om de betrouwbaarheid van onze antwoorden te verhogen door een combinatie van drie verschillende typen archieven. We onderscheiden hier als hoofdcategorieën politiek-bestuurlijke archieven, administratieve en justitiële archieven, en particuliere archieven en media.
27
Verordnungen waren besluiten van de Duitse Rijkscommissaris. Ze werden per jaar door genummerd; bijvoorbeeld Verordnung 154/1941 voor de registratie van vastgoed.
De inventarisatie van Joodse inwoners en vastgoed vormde de basis van dit onderzoek. We zijn daarbij enorm geholpen door vaak jarenlang gedetailleerd speurwerk van lokale Joodse organisaties, historische verenigingen en initia tieven voor het leggen van Stolpersteine of Herdenkingsstenen. Zij zetten zich nog steeds in om de talloze Joodse slachtoffers hun gezicht en verhaal terug te geven. Zulke lokale initiatieven dragen bij aan het nationale overzicht van het Joods Monument en omgekeerd. Deze inventarisaties zijn zo volledig mogelijk. Vanzelfsprekend gaan ze over de Joodse inwoners, maar ze vermelden – voor zover bekend – ook woon adressen, vaak het laatste adres voor deportatie. Vaak is dat een huurwoning, of het adres waar iemand als vluchteling onderdak heeft gevonden. In een kleiner deel van de gevallen gaat het om wooneigendom. Het percentage woning eigenaren varieert sterk per stad, afhankelijk van bijvoorbeeld de verhouding tussen gevestigde Joodse inwoners en nieuwkomers – zoals vluchtelingen uit het Derde Rijk. Bovendien was het in die tijd niet ongebruikelijk om eigenaar te zijn van een of meerdere (verhuurde) panden en zelf een huurwoning te betrekken.
Uit de ervaring van onderzoek voor andere gemeenten weten we dat het natrekken in het kadaster van alle unieke adressen uit het Joods Monument arbeidsintensief is en slechts in enkele gevallen een onbekend pand in Joods eigendom oplevert dat wel onteigend maar niet verkocht is.
Zogenaamde ‘struikel stenen’ in het trottoir voor het laatste woonhuis van gedeporteerde Joden, sinds 1992 in heel Europa geplaatst.
Een online monument voor alle slachtoffers van de Jodenvervolging, met beeldmateriaal en levens verhalen.
Archieven van politiek en bestuur De reconstructie van beleidskeuzes en besluiten door de gemeente vormt een belangrijk onderdeel van ons onderzoek – belangrijker dan in de meeste rapporten die andere onderzoeksteams maakten voor gemeenten. We deden systematisch onderzoek in de notulen, besluitenlijsten, jaarverslagen en correspondentie van de gemeenteraad en het college van B en W. De kwaliteit van deze bestuurlijke verslaglegging varieert voor de oorlogsjaren sterk van stad tot stad. De komst van een NSB-burgemeester had hier ook vaak grote invloed. Niet zelden zijn delen van deze archieven aan het einde van de bezettingstijd met opzet vernietigd. Ook soortgelijke archieven van de Commissaris der Provincie zijn relevant, vooral omdat die vastgoedaankopen door gemeenten moest goedkeuren.
Administratieve archieven In dit onderzoek maken we gebruik van drie soorten administratieve archiefbronnen: de administratie van de bezetter, die van reguliere Neder landse overheidsinstellingen (met name op gemeenteniveau) en de archieven van bijzondere instellingen voor het rechtsherstel. Nederlandse archiefvormende instellingen die systematisch informatie verzamelden, zijn bijvoorbeeld het kadaster en de uitvoerende diensten van gemeenten. Deze laatste bestanden bestaan vaak niet meer, bijvoorbeeld doordat archieven tientallen jaren later zijn opgeschoond. Waar ze nog wel bestaan, zijn ze voor dit onderzoek uit tijdsoverwegingen niet systematisch doorzocht. Ondanks digitale toegangen blijft het kadaster een bron die veel expertise en tijd vergt, onder andere door de herindeling en omnummering
28
In de zomer van 1941 ontbond de bezetter de gemeenteraden en de Provinciale Staten. De volledige bestuurlijke macht kwam in handen van de burgemeesters en de Commissarissen der Provincie.
Zo heette de Commissaris van de Koningin tijdens de bezetting.
van de grondstukken. Waar verdieping noodzakelijk was, zijn deze archieven doelgericht geraadpleegd. Daarbij mogen we niet vergeten dat de neerslag van bestuurlijke besluiten of ambtelijk handelen in de bijbehorende archieven altijd zakelijk-formeel of kil over zal komen. Het contrast met de tragiek van de Joodse levensverhalen is dan enorm. Deze formele akten verraden maar weinig over de ‘bejegening’ van de Joodse slachtoffers. Een gemeentefunctionaris die via een louche deal een Joods pand in handen kreeg, zal dat in de regel in de akten niet breed hebben uitgemeten. Omgekeerd zal een ambtenaar die zich onder de bezetting inzette voor Joodse burgers dat evenmin op schrift gezet hebben. Daarom zijn we terughoudend geweest om op basis van enkele impressies uit deze archieven algemene conclusies over ‘het gemeentebestuur’ of ‘de gemeentelijke diensten’ te formuleren. De administraties van de NGV en de ANBO zijn in delen ondergebracht bij het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust-, en Genocidestudies in Amsterdam. Delen van de omvangrijke registratie van onteigend vastgoed zijn echter ook op andere plaatsen teruggevonden, zoals in het Kadastermuseum in Arnhem.4 Het bekendste onderdeel van de NGV-administratie zijn de 18 Verkaufsbücher (waarvan er één verloren is gegaan).
Daarin werden in de bezettingsjaren ruim 7.500 verkooptransacties van onteigend Joods vastgoed geregistreerd.5 Waar het de gedwongen verkoop van landbouwgrond door Joodse eige naren (Verordnung 102/1941) betreft, zijn de archieven van het Bureau voor de Goedkeuring en Pachtbureaus/Grondkamers relevant. Die instanties hielden daarop toezicht.6 Een centrale rol in dit onderzoek speelt de administratie van de Raad voor het Rechtsherstel, zoals die na de oorlog is opgebouwd. Uitvoerende dienst van deze Raad was het Nederlands Beheersinstituut (NBI); met name dit archief is voor ons onderzoek relevant. Het is een van de meest omvangrijke collecties in het Nationaal Archief, maar is lang vergeten en verwaarloosd. Tijdens het proces van rechtsherstel zijn stukken uit de NGV- en ANBO-administraties tamelijk ongeorganiseerd overgeheveld naar het NBI. Ze dienden als bewijs stukken voor de dossiers op naam van beheerders, collaborateurs en ook ontrechten.