CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

25-162 Bijlage 2. Bestemmingsplan bouwvlak vliegveld Midden-Zeeland

Gemeenteraad 18 december 2025, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan bouwvlakvergroting vliegveld Midden-Zeeland (25-162 AB)25.117 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De contouren van de beperkingsgebieden zijn overgenomen op de verbeelding en in de regels van dit bestemmingsplan. Bovendien is de Verordening Luchthavenbesluit Midden-Zeeland leidend. Daarmee vormen de beperkingsgebieden geen belemmering voor voorliggend plan. Tevens heeft de exploitant van het Vliegveld Midden-Zeeland bij de provincie Zeeland in mei 2020 een verzoek ingediend om de start- en landingsbaan van het vliegveld 22 graden tegen de klok in te roteren en 200 meter naar het oosten te verplaatsen. Ten behoeve hiervan dient de

provincie het luchthavenbesluit te wijzigen. Daarnaast heeft de baanrotatie gevolgen voor de planologische bepalingen. Dit betekent hoofdzakelijk dat ter hoogte van het bouwvlak de beperkingen worden versoepeld, doordat de nieuwe start- en landingsbaan verder van het bouwvlak komt te liggen. Er geldt op dat moment een maximale bouwhoogte van 45 meter op grond van het toekomstige luchthavenbesluit. Dit bestemmingsplan is reeds meer beperkt voor wat betreft maximale bouwhoogtes. Hiermee vormt het bestemmingsplan geen hinder voor de beoogde baanrotatie. Rotatie van de start- en landingsbaan betekent dat in de gemeenten Goes en Middelburg de geluid- en veiligheidscontouren moeten worden aangepast aan de nieuwe ligging van de start/landingsbaan. Ook zullen de contouren van de hoogtebeperkingen van de bestemmingsplannen in de gemeenten Borsele, Goes, Middelburg, Noord-Beveland, Vlissingen en Veere aangepast moeten worden. De betrokken gemeenten hebben aan de provincie gevraagd om in plaats hiervan een inpassingsplan vast te stellen. Deze procedure is in 2023 gestart en heeft geleid tot vaststelling van een inpassingsplan door Provinciale Staten op 27 september 2024. Hiertegen is door twee appellanten beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De procedure voor dit inpassingsplan zal afzonderlijk van de procedure voor het voorliggende bestemmingsplan worden doorlopen, zie ook paragraaf 1.4. Milieuprogramma Provincie Zeeland 2018 - 2022 Het Milieuprogramma is uitvoeringsbeleid van de Provincie Zeeland en heeft als doel het beschermen en het versterken van de milieukwaliteit van de (Zeeuwse) fysieke leefomgeving. Het milieuprogramma bestaat uit de wettelijke taken die de Provincie Zeeland heeft vanuit de Rijksoverheid en daarnaast ook uit de opgaven die gedefinieerd zijn in het Omgevingsplan Zeeland 2018. Het Milieuprogramma is op 26 oktober 2018 door Provinciale Staten vastgesteld. Toekomstbestendige, bereikbare woon-, werk- en verblijfsomgeving Bij het groenblauwe en landelijke karakter van de provincie Zeeland past vanzelfsprekend een adequate milieukwaliteit. De aantrekkelijkheid van Zeeland als woongebied en voor toeristen en recreanten wordt hierdoor versterkt. De provincie voorkomt waar dat noodzakelijk is en technisch en financieel haalbaar, geluid-, geur en lichthinder afkomstig van provinciale wegen en de bedrijven waarvoor zij bevoegd gezag zijn op basis van de Wet milieubeheer. Nieuwe situaties met overlast worden voorkomen. De wettelijke normen worden strikt gehanteerd en waar mogelijk doet zij een stapje extra.

Voor de invulling van het acceptabel hinderniveau en voor een goede afstemming met het ruimtelijk beleid wordt een toetsingskader gehanteerd waarbij de hinderlijkheid, de tijd en aard van de bestemming worden meegewogen. Doorwerking in het plangebied In hoofdstuk 5 worden diverse milieuaspecten afgewogen. Er is geen sprake van milieukundige belemmeringen om de voorgenomen ontwikkelingen mogelijk te maken. Voorliggend plan is in lijn met het Milieuprogramma van de Provincie Zeeland.

3.1.3 Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Middelburg 2050 In de omgevingsvisiezijn de strategische hoofdkeuzes van beleid, gericht op de fysieke leefomgeving, voor de langere termijn opgenomen. De omgevingsvisie is geen blauwdruk voor de toekomst, maar bepaalt wel de koers. Hiermee stelt de gemeente kaders voor toekomstige ontwikkelingen. Voor de gemeente Middelburg liggen de grootste opgaven op het gebied van welzijn, wonen, beroepsbevolking, energietransitie en meer algemeen circulariteit en klimaatadaptatie en biodiversiteit. De komende decennia wil de gemeente Middelburg haar kernwaarden, zoals het landschap, erfgoed, cultuur en infrastructuur, koesteren en versterken. Daarnaast zal Middelburg groeien: tot 2039 moeten nog ruim duizend extra woningen worden gebouwd om aan de woningbehoefte te kunnen voldoen en moet fors worden geïnvesteerd in mobiliteit en economie. De gemeente hanteert drie principes om deze groei op een juiste en evenwichtige manier te sturen: Centraal in de visie staan drie leidende principes: 1. Gezonde stad (en dorpen) De nadruk ligt op het bevorderen van gezondheid, leefbaarheid en veerkracht. Dat betekent onder meer zorgen voor een klimaatadaptieve omgeving, natuurinclusieve opgaven, goede luchtkwaliteit, en een wijkgerichte aanpak waarbij bewoners betrokken worden. 2.

Compacte stad (en dorpen) Groei en ontwikkeling moeten op zo’n manier worden vormgegeven dat ruimte efficiënt wordt benut: binnenstedelijke verdichting, benutten van bestaande ruimte, en het beperken van uitbreiding in het open landschap. 3. Circulaire en groene stad (en dorpen) Middelburg wil zich ontwikkelen tot een stad die circulair werkt, met hergebruik van materialen, sluitende grondstoffenkringlopen en een sterke groene drager — groen, water en biodiversiteit zijn integraal onderdeel van de ontwikkeling. Een gezonde stad is een stad waarin veel plek is voor ontmoeting, waarin de groene longen een hogere belevingswaarde, gebruikswaarde en ecologische waarde hebben gekregen. Het buitengebied blijft een open ruimte waar je diep het landschap in kan kijken. In een compacte stad wordt de ruimte multifunctioneel gebruikt en zijn er voldoende mensen per vierkante kilometer om voorzieningen en openbaar vervoer rendabel te maken. De derde hoofdkeuze bij ‘evenwichtige groei’, is toewerken naar een circulaire en groene stad. In 2050 is Middelburg voor 95% CO2-neutraal. Doorwerking in het plangebied De omgevingsvisie doet geen specifieke uitspraken met betrekking tot vliegveld Midden-Zeeland of luchtvaart in het algemeen. Met de ontwikkeling wordt het bouwvlak weliswaar uitgebreid, maar dat gebeurt binnen de contouren van het bestaande vliegveldterrein.

Hierdoor is geen sprake van nieuw ruimtebeslag. Bovendien draagt de ontwikkeling bij aan de toekomstbestendigheid van het vliegveld en daarmee ook de lokale en regionale economie. Zodoende is het plan niet in strijd met de Omgevingsvisie Middelburg.

Kwaliteitsatlas 2030 In 1998 heeft de gemeenteraad van Middelburg de Kwaliteitsatlas 2030 vastgesteld, die is herzien in 2010. Deze kwaliteitsatlas schetst een integraal toekomstbeeld van Middelburg tot 2030, met daarbij de ontwikkelingen per sector (wonen, sociale structuur, milieu en water, mobiliteit, werken, natuur en landschap, recreatie en toerisme, kunst en cultuur, financiën), die nodig zijn om dit beeld te bereiken. De atlas geeft richtlijnen voor ‘een goede ordening’, die er op hoofdlijnen voor zorgt dat diverse functies en activiteiten op logische wijze in elkaar grijpen. Functies die elkaar versterken of elkaar positief beïnvloeden kunnen worden geclusterd, terwijl functies die elkaar hinderen zo veel mogelijk uit elkaar geplaatst worden. Dit beperkt onnodige mobiliteit, voorkomt onnodige hinderwerende maatregelen en bevordert het welzijn van de Middelburgers. Ter plaatse van het Veerse Meer en het vliegveld is de ‘goede ordening’ beschreven als het zorgen voor ruimte voor luchtvaart en recreatie naast elkaar. Daarbij is het maken van heldere afspraken over de verdeling van de beschikbare ruimte (contouren) van belang. In het document staat vermeld dat Middelburg meewerkt aan het verkrijgen van een harde baan. Deze (uiteindelijk halfverharde) baan is inmiddels gerealiseerd.

Verder is het beleid er op gericht het vliegveld qua gebruik minimaal in de huidige omvang in stand te houden. De kwaliteitsatlas is formeel gezien vigerend beleid, maar op een aantal punten inmiddels achterhaald. De gemeente is daarom bezig om een nieuwe visie op te stellen. Onder de noemer Middelburg2050 maakt de gemeente Middelburg samen met inwoners, ondernemers en andere overheden een gemeentelijke Omgevingsvisie, zoals bedoeld onder de Omgevingswet. Doorwerking in het plangebied De wijziging van het bouwvlak voorziet in een behoefte aan stallingsruimte voor het vliegveld. Hiermee wordt bijgedragen aan de instandhouding van het vliegveld in de huidige omvang. Het plan past binnen de kaders van de Kwaliteitsatlas. 3.2

Conclusie Voorliggend plan is in lijn met het ruimtelijk beleid van het Rijk, de provincie Zeeland en de gemeente Middelburg. Ten aanzien van het voorliggende bestemmingsplan worden vanuit het geldende Rijksbeleid geen specifieke uitspraken gedaan. Er wordt voldaan aan het provinciale beleid en de ontwikkeling is mogelijk op grond van de provinciale Omgevingsplan en de bijbehorende Omgevingsverordening. De veiligheidscontouren van het vliegveld blijven onverminderd van kracht en zijn opgenomen op de verbeelding van het bestemmingsplan. Tot slot past de planvorming uit dit bestemmingsplan binnen de gemeentelijke beleidskaders.

4

Mobiliteit

4.1

Kader

4.1.1 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervangt onder andere de Nota Mobiliteit en vormt de visie van het Rijk op het gebied van mobiliteit, bereikbaarheid, ruimte, milieu en leefbaarheid tot 2040. De SVIR voorziet een groei in de mobiliteitsbehoefte tot 2030. Deze groei is het grootst in de Randstad en Brabant. Om de concurrentiekracht van Nederland te versterken, is een netwerk van hoogwaardige internationale verbindingen nodig, net als een goede nationale bereikbaarheid van onze belangrijkste economische regio’s. 4.1.2 Gemeentelijk beleid Wegbeheer Gemeente Middelburg 2017-2021 In de notitie ‘Wegbeheer Gemeente Middelburg 2017–2021’ zijn de beleidsdoelstellingen op het gebied van verkeer opgenomen. De functie van het gemeentelijke openbare wegennet is het veilig, vlot en comfortabel verwerken van het verkeer. Wegen hebben daarmee een belangrijke economische en sociale taak in de samenleving. Daarnaast worden onderdelen van wegen steeds meer gebruikt als verblijfsgebied (wonen, winkelen, activiteiten, spelen) of als parkeermogelijkheid (van auto’s, fietsen en dergelijke). Bij het ontwerp en de inrichting van de wegen wordt ook rekening gehouden met deze verkeersaspecten en worden verbeteringen aangebracht. 4.2

Onderzoek Verkeersgeneratie De uitbreiding van het bouwvlak aan de westzijde van het vliegveld zorgt planologisch gezien niet voor extra verkeersbewegingen van- en naar het vliegveld. De maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing wijzigt namelijk niet ten opzichte van het voorgaande plan: deze oppervlakte aan bebouwing, en daarmee de verkeersbewegingen, kan op grond van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (2009) al worden gerealiseerd. De bebouwing wordt via een nieuwe inrit aangesloten op de Calandweg, net als bij de bestaande bedrijvigheid het geval is. De vliegtuigen die worden gestald, zullen direct over het gras richting de start- en landingsbaan worden getaxied. De twee gebouwen aan de oostzijde van de bebouwingsstrook aan de Calandweg (huisnummers 62 en 64) worden met dit bestemmingsplan voorzien van een bouwvlak. De gebouwen hebben een gezamenlijk oppervlak van ca. 914 m2. De bebouwing is momenteel in gebruik als stallingsplaats voor de vliegtuigen van twee vliegscholen/rondvluchtbedrijven. De huidige inritten blijven

in tact en het aantal verkeersbewegingen neemt niet toe ten opzichte van de verkeersaantrekkende werking van het huidige vliegveld. Ook de vliegbewegingen wijzigen niet significant en moeten binnen de bestaande normen uit het geldende luchthavenbesluit blijven. Parkeren De parkeervraag van het plan neemt als gevolg van voorliggend plan niet toe ten opzichte van de huidige situatie. De bebouwingsmogelijkheden nemen niet toe ten opzichte van het voorgaande plan. De nieuwe bedrijfsgebouwen zijn primair bedoeld voor opslag van vliegtuigen, onderhoud en reparatie en parkeren vindt plaats op eigen terrein. De twee gebouwen aan de oostzijde van de bebouwingsstrook aan de Calandweg (huisnummers 62 en 64) worden met dit bestemmingsplan voorzien van een bouwvlak. Deze bedrijven zijn momenteel al aanwezig en in gebruik, waarbij op de kadastrale percelen parkeerplaatsen in gebruik zijn. 4.3

Conclusie De verkeersstructuur rondom het vliegveld wijzigt niet. De wegcapaciteit is toereikend voor het afwikkelen van de zeer beperkte toename aan verkeersstromen. Het plan leidt niet tot extra verkeersbewegingen. Op het vliegveldterrein zijn voldoende parkeerplaatsen aanwezig.

5

Ecologie

5.1

Kader Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Soortenbescherming Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Gebiedsbescherming Natura 2000 De Wnb ziet ook op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt.

De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag.

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. In paragraaf 3.1.2. is het provinciaal beleid uitgebreider toegelicht. 5.2

Onderzoek In februari 2023 is door GRAS Advies een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Aanleiding van dit onderzoek was de voorgenomen baanrotatie voor vliegveld Midden-Zeeland. Het onderzoeksgebied van dit rapport omvat echter ook de gronden waar de voorgenomen uitbreiding van het bouwvlak plaatsvindt. De belangrijkste conclusies uit het rapport zijn hieronder opgenomen, de volledige rapportage is als bijlage 1 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Soortenbescherming Flora Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Gezien de huidige inrichting van het projectgebied en het regelmatige onderhoud van grasveld en bermen, is het niet aannemelijk dat beschermde plantensoorten in het projectgebied voorkomen. Zoogdieren Op enkele plaatsen zijn molshopen waargenomen. Ook kunnen soorten egel en algemene muizensoorten worden verwacht. Deze soorten zijn beschermd conform de Wet natuurbescherming ‘andere soorten’, maar staan ook in de categorie ‘vrijgestelde soorten’. Dit houdt in dat bij uitvoering van de werkzaamheden een vrijstelling geldt voor deze soorten. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Haas en Konijn Het projectgebied is geschikt als foerageer en leefgebied voor hazen en konijnen. Geadviseerd om nader onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van hazen en konijnen in het projectgebied.

Dit onderzoek is uitgevoerd door GRAS Advies en komt verderop in deze paragraaf aan bod. Kleine marterachtigen Het projectgebied is matig geschikt als leefgebied voor kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn). Sinds 2019 en 2020 staan bunzing, wezel en hermelijn niet meer op de vrijstellingslijst in de provincie Zeeland. Aangezien er weinig schuilmogelijkheden zijn in de vorm van struiken en bosschages, is de aanwezigheid van deze soorten vermoedelijk beperkt tot enkele passerende of kort foeragerende exemplaren. Een nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Het opstellen van een werkprotocol is geadviseerd om de juiste werkwijze te hanteren tijdens de werkzaamheden.

Vleermuizen In het gebied zijn geen bomen met holtes of scheuren aangetroffen die groot genoeg en geschikt zijn als habitat voor vleermuizen. Het projectgebied is gezien de ligging in nabijheid van open water, bossen, gebouwen en open veld geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Gelet op het open karakter van het projectgebied is een eventuele functie als vliegroute voor vleermuizen niet aannemelijk. Een nader onderzoek naar beschermde vleermuizen en/of een ontheffingsaanvraag is niet benodigd. Jaarrond beschermde vogels Tijdens het veldbezoek zijn bomen gecontroleerd en hierin zijn geen nesten aangetroffen van jaarrond beschermde soorten. De aanwezigheid van jaarrond beschermde vogels is niet aannemelijk. Broedvogels De bomen en bosschages zijn gecontroleerd en beoordeeld op aanwezige vogelnesten. Er zijn geen nesten aangetroffen. Het bramenstruweel is wel geschikt als broedbiotoop voor zangvogels. Daarnaast zijn de rietkragen geschikt als broedbiotoop voor riet- en watervogels en zijn tijdens het locatiebezoek waarnemingen gedaan van overvliegende en foeragerende vogels, waaronder gewone mantelmeeuw, zwarte kraai, grauwe gans, torenvalk, en blauwe reiger. Ook gebruiken diverse soorten zang-, riet- en watervogels het projectgebied als broedlocatie.

Gedurende het broedseizoen mogen daarom geen werkzaamheden worden uitgevoerd die leiden tot een verstoring of vernietiging van de dieren en/of nesten van deze soortgroepen. Het broedseizoen ligt globaal tussen 15 maart en 15 juli, afhankelijk van de weersomstandigheden. Eerdere, maar ook latere broedgevallen zijn mogelijk. Deze ‘broedgevallen buiten het broedseizoen om’ zijn ook beschermd conform de Wet natuurbescherming. Een nader onderzoek naar beschermde vogels en/of een ontheffingsaanvraag is niet benodigd. Reptielen In het projectgebied zijn geen reptielen aangetroffen. Er zijn ook geen biotopen aangetroffen die geschikt zijn voor reptielen. Een nader onderzoek naar reptielen en/of een ontheffingsaanvraag is niet benodigd. Vissen en Amfibieën De watergangen langs de randen van het projectgebied zijn geschikt als biotoop voor vissen. Het is aannemelijk dat vissen in deze watergangen leven. Ook zijn deze watergangen geschikt als leef- en voortplantingsbiotoop voor amfibieën. Het is mogelijk dat enkele algemene soorten amfibieën het projectgebied gebruiken als leefomgeving en de watergangen gebruiken als broedbiotoop. Deze soorten zijn beschermd conform de Wet natuurbescherming ‘Andere soorten’, maar voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht voor de uitvoerende partij.

De watergangen blijven behouden en vallen buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Een negatief effect van de voorgenomen werkzaamheden kan daarom uitgesloten worden, indien de zorgplicht in acht wordt genomen. Een nader onderzoek naar beschermde vissen en amfibieën en/of een ontheffingsaanvraag is niet benodigd.

Ongewervelden Tijdens het veldbezoek zijn geen ongewervelden waargenomen. De kans op waarnemingen is gedurende de wintermaanden klein. Vanwege het ontbreken van de voor beschermde insecten benodigde specifieke habitats, is het niet aannemelijk dat dergelijke beschermde insecten in het projectgebied aanwezig zijn. Een nader onderzoek naar ongewervelden en/of een ontheffingsaanvraag is niet benodigd. Ten slotte geldt te allen tijde de zorgplicht. Nader onderzoek haas en konijn Omdat het projectgebied bestaat uit agrarische percelen en grasland, en dit leefgebied is van haas en konijn moet er aanvullend onderzoek verricht worden naar de aanwezigheid van haas en konijn op deze percelen. Het aanvullend onderzoek is opgenomen als bijlage 3. De resultaten zijn hieronder beknopt toegelicht. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van het door GRAS Advies opgestelde Toetsingskader Haas en Toetsingskader Konijn. Haas Het projectgebied en de directe omgeving is foerageer en leefgebied voor de haas. Er wordt aangenomen dat er in het leefgebied ook meerdere legers aanwezig zijn. Zodoende geldt het gehele leefgebied als zijnde leefgebied met vaste rust- of verblijfplaatsen. Het gaat hier niet om een essentieel leefgebied, aangezien er voldoende alternatieven aanwezig zijn in de directe omgeving.

Omdat er wel vaste rust- en verblijfplaatsen van hazen worden vernietigd, is een ontheffing op de Wet natuurbescherming en het werken volgens een ecologisch werkprotocol nodig. In het protocol staat aangegeven op welke manier en binnen welke kaders gewerkt moet worden. Een van deze kaders is het werken buiten de kwetsbare periode van de haas. Konijn Er zijn geen konijnen waargenomen in het projectgebied en het onderzoeksgebied. De aanwezigheid van konijnen binnen het projectgebied zal beperkt zijn tot enkele passerende exemplaren. Negatieve effecten op konijnen als gevolg van de werkzaamheden zijn daarom niet aannemelijk. Negatieve effecten op het konijn kunnen voorkomen worden door te werken volgens een werkprotocol. In dit protocol staat aangegeven op welke manier en binnen welke kaders gewerkt moet worden. Conclusie en advies Gewezen wordt op het inzicht dat tijdens de uitvoering van de werkzaamheden rekening moet worden gehouden met de eventuele aanwezigheid van hazen en konijnen. Voor de haas houdt dat in dat een ontheffing op de Wet natuurbescherming dient te worden aangevraagd indien sprake is van eventuele vernietiging van vaste rust- en verblijfplaatsen. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het Veerse Meer op ca.

800 m afstand van het projectgebied. Het projectgebied wordt van dit Natura 2000-gebied gescheiden door agrarisch gebied, waarvoor het

bestemmingsplan ‘Waterpark Veerse Meer’ is vastgesteld. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (> 7 km) van het projectgebied. Het projectgebied is niet direct zichtbaar vanuit omliggende Natura 2000-gebieden. Van optische verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden is derhalve geen sprake. Gelet op de ligging van het projectgebied en de beperkte impact van de ingreep, kan verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden door licht en geluid op voorhand worden uitgesloten. Een substantieel, negatief effect van de voorgenomen ontwikkelingen op de stikstofemissie en daarmee op Natura 2000gebieden is niet op voorhand uit te sluiten en is daarom nader onderzocht middels een AERIUS berekening. De rapportage is als bijlage 2 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Resultaten stikstofberekening Om de stikstofdepositie van het project te berekenen is de meest recente versie van de rekentool Aerius gebruikt. In dit onderzoek is beoordeeld of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. In bijlage 2 is het onderzoek opgenomen. De berekeningen zijn in 2025 geactualiseerd. In bijlage 5 zijn de geactualiseerde AERIUS berekeningen opgenomen. De uitgangspunten zijn in basis ongewijzigd.

Omdat sinds 2024 de zogenaamde 'koude start' in de berekeningen moet worden meegenomen is deze toegevoegd, waarbij worstcase is uitgegaan dat bij alle vertrekkende bewegingen sprake is van een koude start. Uit het onderzoek blijkt dat geen sprake is van een significante toename. Het aspect stikstof vormt derhalve geen belemmering Uit de berekening wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden als gevolg van voorliggend plan. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit project. Voor de bestemmingsplanprocedure gelden zodoende geen belemmeringen. Natuurnetwerk Zeeland Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde gebied behorende tot het Natuurnetwerk Nederland betreft de kreek direct grenzend ten zuidwesten en zuiden van het projectgebied. De betreffende watergang blijft behouden. Tussen de watergang en het plangebied is een natuurbestemming voorzien van circa 20 meter breed. Deze fungeert als ruimtelijke en landschappelijke buffer tussen de oevers van het water en het beoogde bouwvlak. In paragraaf 3.1.2.

is het provinciaal beleid uitgebreider behandeld en getoetst, waarbij specifiek is ingegaan op eventuele gevolgen ten aanzien van beweging, geluid en licht. Kortheidshalve wordt hier verwezen naar die paragraaf. Gezien de aard van de voorgenomen ruimtelijke ingrepen en het feit dat de watergang behouden blijft, is een direct, nadelig effect op de in dit gebied aanwezige beschermde soorten niet aannemelijk. Geconcludeerd wordt dat voorliggend bestemmingsplan niet leidt tot een onevenredige (significante) aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Zeeland.

5.3

Conclusie Voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkelingen is een ontheffing op de Wet natuurbescherming benodigd voor hazen en konijnen. Deze ontheffing wordt aangevraagd volgens de door GRAS Advies opgestelde toetsingskaders, die de provincie hanteert. Voor de riet- en watervogels geldt dat wanneer de werkzaamheden buiten de kwetsbare periode (15 maart t/m 15 juli, afhankelijk van de weersomstandigheden) plaatsvinden, een ontheffing op de Wet natuurbescherming voor uitvoering van de werkzaamheden niet is benodigd. Voor de overige soorten is geen ontheffing nodig. Wel wordt conform advies een werkprotocol opgesteld om verstoring van kleine marterachtigen te voorkomen. Effecten door stikstofdepositie zijn uitgesloten en er vindt geen onevenredige aantasting plaats op het Natuurnetwerk Zeeland.

6

Water

6.1

Wettelijk kader Kaderrichtlijn Water (KRW) De Kaderrichtlijn Water is een Europese richtlijn die tot doel heeft de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater te waarborgen en te verbeteren. Voor grote wateren of watersystemen, de zogenaamde KRW-waterlichamen, zijn hiertoe doelen opgesteld. De (bindende) maatregelen om de doelen te bereiken zijn vastgelegd in de stroomgebiedsplannen. Voor de overige wateren geldt minimaal het stand-still principe. Waterbeheerders mogen hiervoor zelf aanvullende doelen opstellen. Nationaal Bestuursakkoord Water In 2003 sloten Rijk, Interprovinciaal Overleg, Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en in 2008 is het akkoord geactualiseerd (NBW-actueel). Dit akkoord is te beschouwen als het bestuurlijke antwoord op het rapport WB21 (Waterbeheer 21e eeuw). In het akkoord zijn maatregelen afgesproken met als doel het watersysteem in 2015 'op orde' te hebben. In het bestuursakkoord zijn taakstellende afspraken opgenomen over veiligheid en wateroverlast. In het akkoord wordt wateroverlast aangepakt volgens het principe vasthouden, bergen en afvoeren. Nationaal Waterplan In 2015 is het Nationaal Waterplan vastgesteld. Het plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer.

Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Belangrijke punten uit het nationaal waterplan zijn: − Eerst vasthouden, dan bergen en dan pas afvoeren; − Hemelwater zo veel mogelijk afkoppelen, mits schoon (anders eerst zuiveren); − Uitbreiding van verhard oppervlak zo veel mogelijk compenseren met hectares oppervlaktewater. Met deze punten zal rekening gehouden worden bij de uitvoering van de plannen. Waterwet Met het Nationaal Waterplan is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet voegt acht bestaande waterbeheerwetten samen en regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het nationale beleid betreffende bodem en grondwater is erop gericht bestaande verontreinigen te voorkomen en de verontreiniging als gevolg van diffuse bronnen (bijvoorbeeld afstromend wegwater of bestrijdingsmiddelen in de landbouw) terug te dringen. De Wet gemeentelijke watertaken is onderdeel van de Waterwet. In deze Wet heeft de gemeente de zorgplicht gekregen voor: − Het doelmatig inzamelen en verwerken van overtollig afvloeiend hemelwater; − Het nemen van maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

In de Wet milieubeheer is de derde zorgplicht voor de gemeente opgenomen. De gemeente dient zorg te dragen voor het inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater.

Watertoets Het watertoetsproces is verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (2003). Met de invoering van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 is de wettelijk verplichte werkingsfeer van het watertoetsproces beperkt tot bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en buitentoepassingsverklaringen. De watertoets is een belangrijk instrument om te toetsen of water voldoende aandacht heeft bij de inrichtingsplannen. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig infomeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen. Initiatiefnemers van ruimtelijke plannen hebben de verplichting om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop is omgegaan met de inbreng van de waterbeheer. Dit laatste gebeurt in de waterparagraaf. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.

Omgevingsplan Zeeland 2018 Een goede kwaliteit en kwantiteit van oppervlaktewater en grondwater is voor alle inwoners en toeristen, en daarnaast ook voor de landbouw en de natuur van groot belang. Schoon water ontstaat niet vanzelf. De provincie beoogt een goede kwaliteit van het oppervlaktewater en waterbodems, een peilbeheer en een aanvaardbaar risico op wateroverlast dat is afgestemd op bestaande en toekomstige functies. Alle regionale binnenwateren voldoen uiterlijk in 2027 aan de gestelde waterkwaliteitseisen en de ecologische doelen zijn gericht op het bereiken van een bepaalde samenstelling van (oever)planten en dieren in het water, de bijbehorende milieukwaliteit en de inrichting en het beheer. Een goed en efficiënt functionerende afvalwaterketen is essentieel voor het behalen van de waterkwaliteitsdoelstellingen. De provincie heeft de taak om dit te bewaken en toe te zien op correcte uitvoering van het waterbeheer door het waterschap. Waterschap Scheldestromen: Waterschapsprogramma 2019-2023 Het waterschap Scheldestromen heeft in haar Waterschapsprogramma 2019-2023 de doelen voor de komende jaren beschreven. Het plan heeft deels een beschrijvende aard en geeft aan wat er is veranderd of gaat veranderen in de waterkeringszorg voor de periode 2016 tot en met 2020. Daarnaast functioneert dit plan ook als visiedocument voor het waterschap.

Het grondwaterbeheer door waterschap Scheldestromen is gericht op duurzaam voorraadbeheer van het zoete grondwater, het zoveel mogelijk voorkomen van verdroging en het tegengaan van verzilting waarbij de kaders afhankelijk zijn van de functies van het water, de aard en de duur van de onttrekking dan wel infiltratie als de locatie daarvan.

Waterschap Scheldestromen: Waterschapsbeheerprogramma 2022-2027 (ontwerp) Het waterschapsbeheerprogramma heeft de titel “Zeeuwse waterkeringen, wegen en watersystemen klaar voor de toekomst”. Het beschrijft wat het waterschap van 2022 tot en met 2027 wil bereiken, hoe ze dat willen doen en waarom. Steeds meer doelen kunnen alleen gerealiseerd

worden door goed samen te werken. Met andere partijen, maar ook binnen de organisatie. Daarbij past één nieuw Waterschapsbeheerprogramma, dat gaat over alle primaire programma’s van het waterschap en de nadruk legt op datgene wat de programma's met elkaar verbindt. Daarbij past ook een document dat de omgeving centraal zet. Met specifiek aandacht voor thema’s als duurzaamheid, innovatie, klimaatadaptatie en de Zeeuwse leefomgeving. Het waterschap wil een andere koers inslaan. Dat is nodig om klaar te zijn voor de toekomst; voor de extra opgaven die op ons af komen, maar die wel ‘haalbaar en betaalbaar’ moeten zijn. Keur watersysteem Waterschap Scheldestromen 2012 De Keur (2012) is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor waterkeringen (o.a. dijken en kaden), watergangen (o.a. kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen, wegen en gemalen). De keur maakt het mogelijk dat het waterschap haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren en initiatieven van derden kan toetsen. 6.2

Onderzoek Huidige situatie Het vliegveldterrein ligt buitendijks en is gelegen in afvoerpeilgebied GPG54. Voor dit peilgebied is het streefpeil -0,30 m NAP in de winter en +0,00 NAP in de zomer. De hoogte van het huidig maaiveld bevindt zich tussen de circa +1,05 m à +1,54 m NAP. Het vliegveld is gelegen nabij het Veerse Meer. Het Veerse Meer is een brakwatermeer tussen de Oosterschelde en de Noordzee. Het scheidt Noord-Beveland van Zuid-Beveland en Walcheren. Het Veerse Meer kent een diepte die varieert van -17,30 tot -2,50 MP (Maalpeil). Overtollig grondwater voert via de kreken af op het Veerse Meer. In en rond het vliegveld zijn diverse watergangen en kreken aanwezig (afbeelding 6.1). Het betreft primaire en secundaire watergangen aan de randen van het gebied, langs de Calandweg en de Lemmerkreek. De waterbeheerder is het waterschap Scheldestromen. Deze instantie is verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer binnen het plangebied en de omgeving daarvan.

Afbeelding 6.1.: uitsnede legger oppervlaktewater Waterschap Scheldestromen ter hoogte van het vliegveld

Toekomstige situatie Het oppervlakte aan bebouwing dat binnen de grenzen van het vliegveldterrein mogelijk is, wordt niet gewijzigd. De vergroting van het bouwvlak aan de westzijde van het vliegveld heeft alleen als gevolg dat deze bebouwing ook op deze gronden kan worden geplaatst. De uitbreiding van het bouwvlak heeft niet als gevolg dat er wateren aangepast moeten worden en bij de realisatie van de bebouwing wordt niet op een dergelijke diepte gegraven te worden dat het grondwater aangetast wordt. De bebouwing aan de oostzijde van het vliegveldterrein is feitelijk al aanwezig. Hier zijn geen aanpassingen voorzien. Er is dan ook geen significant effect op het (grond)water ter plaatse. Conform de Waterschapsverordening wordt in het plan rekening gehouden met een onderhoudsvrije strook van 7 meter vanaf de watergang aan de zuidwestzijde van het vliegveld. Peil Het polderpeil blijft onveranderd op een winterpeil van NAP -0,3 m en een zomerpeil van +0,0 m. Waterhuishouding, regenwater opvang en afvoer Het regenwater dat valt op de daken van de bebouwing zal in eerste instantie worden afgevoerd en geïnfiltreerd in de bodem. Overtollig regenwater zal afgevoerd worden via de kreken naar het Veerse Meer. Waterveiligheid Op basis van de risicokaart Zeeland blijkt dat het plangebied niet zal onderlopen als gevolg van een overstroming (zie afbeelding 6.2).

Zelfs bij het scenario van een buitengewone gebeurtenis rijkt de omvang van de overstroming niet tot het plangebied.

Afbeelding 6.2.: Overstromingsdiepte bij overstroming (middelgrote kans = is kans van overstroming 1/100 jaar. Ook een kleine en grote overstromingskans én bij een buitengewoon scenario blijft het plangebied droog). Bron: risicokaart, geraadpleegd op 24-07-2021

Zoetwaterbel Ter hoogte van het vliegveld is een zoetwaterreservoir gelegen met een beschermde status (afbeelding 6.3). Deze zoetwatervoorraad wordt gebruikt voor de besproeiing van omliggende landbouwgronden. De beoogde uitbreiding van het bouwvlak valt volledig buiten de zoetwaterbel. De toename aan verharding heeft daarom geen effect op de bodem. De zoetwaterbel zal niet worden aangetast.

Afbeelding 6.3.: Kwetsbare gebieden (https://scheldestromen.nl/interactieve-kaarten)

Watertoets Om na te gaan of het voorliggend plan niet in strijd is met duurzaam waterbeheer en voldoet aan de waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen, wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de criteria uit de Zeeuwse Handreiking Watertoets. Deze criteria uit de Keur zijn bijeengezet in de watertoetstabel die door het Waterschap wordt gehanteerd. Met de watertoets wordt beoogd dat bij de (her)inrichting van de ruimte rekening wordt gehouden met de randvoorwaarden die het watersysteem stelt. Daarbij valt te denken aan voldoende ruimte voor water (berging, infiltratie, aan- en afvoer), voldoende aandacht voor effecten op de waterkwaliteit en het garanderen van de veiligheid (overstroming, wateroverlast), maar ook aan het ontwikkelen van natte natuur en het tegengaan van verdroging. De watertoetstabel ondersteunt doorgaans de onderbouwing van de wateraspecten in een ruimtelijk plan en is inhoudelijk gelijk aan de, wettelijk verplichte, waterparagraaf van het ruimtelijk plan. Omdat in voorliggend plan geen grootschalige wijzigingen zijn voorzien in het watersysteem, is besloten om de watertoetstabel achterwege te laten. De waterparagraaf is aan het waterschap Scheldestromen voorgelegd ter beoordeling. 6.3

Conclusie Het bestemmingsplan is, conform het gestelde in ex artikel 3.1.1. van het Bro, aan waterschap Scheldestromen voorgelegd. Wijzigingen naar aanleiding van de vooroverlegreactie van het waterschap Scheldestromen is verwerkt in het bestemmingsplan. Het aspect ‘Water’ vormt geen belemmering voor voorliggend plan.

7

Milieu In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden inzichtelijk gemaakt. Voor diverse milieukundige aspecten wordt het wettelijk kader op nationaal-, regionaal-, provinciaal-, en/of gemeentelijk niveau samengevat. Vervolgens worden deze kaders tegen het licht van de ontwikkeling gehouden. Elke paragraaf eindigt met een conclusie, die toeziet op de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. Waar nodig dient een vertaling plaats te vinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.

7.1

Archeologie en cultuurhistorie

7.1.1 Archeologie 7.1.2 Wettelijk kader Erfgoedwet In de Erfgoedwet d.d. 1 juli 2016 is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, zijn overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2024 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2024. Het gaat daarbij om de volgende zaken: • Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten • Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie • Bescherming van stads- en dorpsgezichten. Archeologiebeleid provincie Zeeland In het kader van de voortgaande decentralisatie vanuit het Rijk ligt de dagelijkse uitvoering van het archeologiebeleid tegenwoordig op gemeentelijk niveau. Voor de bescherming van de archeologische waarden richt de provincie zich specifiek op het behoud van terreinen van bekende archeologische waarde en wordt een Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland (POAZ) gehanteerd, waarmee aandacht wordt gevraagd en gericht op voor Zeeland specifiek archeologische erfgoed.

De provincie stimuleert de gemeenten om het gemeentelijk archeologiebeleid uit te werken in archeologische verwachtingskaarten en archeologische beleidskaarten. De kaarten zijn digitaal beschikbaar gesteld in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zeeland. De Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) zet karakteristieke landschappelijke kenmerken ‘op de kaart’. Het bevordert de beleving door aan te geven waar cultuurhistorische waardevolle aspecten van het landschap gevonden kunnen worden.

Nota Archeologische monumentenzorg Walcheren 2016-2022 In 2006 hebben de raden van de Walcherse gemeenten Middelburg, Veere en Vlissingen een Walchers archeologiebeleid in de Nota archeologische monumentenzorg Walcheren vastgesteld en besloten tot de oprichting van de Walcherse Archeologische Dienst (WAD). In 2008 en 2016 werd het beleid geëvalueerd. De daaruit volgende nota's vormen niet alleen een actualisering van de nota uit 2006, maar tevens een evaluatie van het Walcherse archeologiebeleid. De Walcherse gemeenten hebben besloten dat archeologie een werkbaar en doelmatig onderdeel moet worden van de ruimtelijke ordening. Daarom is een archeologiebeleid geformuleerd, waarin de ruimte ontstaat om prioriteiten te stellen en beargumenteerde keuzes te maken op het gebied van archeologie. En verder door een selectiebeleid toe te passen op de archeologische onderwerpen en gebieden die de gemeenten wel en niet wensen te onderzoeken. Zo ontstaat er aan de ene kant een voor alle betrokkenen acceptabele en redelijke regelgeving en aan de andere kant wordt recht gedaan aan het belang van de archeologie. De verschillende verwachtingszones zijn ingetekend op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van Walcheren. 7.1.3 Onderzoek Archeologische waarden worden bij voorkeur in situ (in de grond waar zij zich bevinden en zonder aantasting) behouden.

Op de archeologische beleidskaart van de Walcherse Archeologische Dienst (WAD) en de gemeente Middelburg heeft het plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde (afbeelding 7.1). Omdat in de nabijheid van het plangebied geen bekende vindplaatsen of AMK-terreinen bekend zijn, kan worden gesteld dat er naar verwachting geen belangwekkende archeologische resten in het plangebied zijn gelegen. In de voorgaande bestemmingsplannen zijn ook geen verdere verplichtingen door middel van een dubbelbestemming opgenomen. Naar aanleiding hiervan is besloten dat aanvullend archeologisch onderzoek in het kader van voorliggend inpassingsplan niet nodig is.

Afbeelding 7.1.: Uitsnede Archeologische verwachtings- en waardenkaart Walcheren 2016

7.1.4 Conclusie Het aspect ‘Archeologie’ vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan. 7.2.1 Cultuurhistorie 7.2.2 Kader Visie erfgoed en ruimte ‘Kiezen voor karakter’ (juni 2011) In de Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de Visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel.

Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Cultuurhistorische Waardenkaart Zeeland De provincie Zeeland heeft een cultuurhistorische waardenkaart waarin de belangrijke archeologische en cultuurhistorische objecten en structuren van de provincie zijn weergegeven. Het streven naar een zo optimaal mogelijke beleefbaarheid van het Zeeuwse landschap, is één van de uitgangspunten van het provinciale natuur- en cultuurbeleid. De provincie ziet het Zeeuws erfgoed als belangrijk onderdeel van haar identiteit en wenst dit erfgoed te behouden, benutten, ontsluiten, beleefbaar en toegankelijk maken. Daarom is het ruimtelijk erfgoed opgenomen in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS). Hoofddoel van de CHS is de toepassing bij ruimtelijke ontwikkelingen, zodat erfgoed een bouwsteen kan vormen om de identiteit van een gebied te behouden en te versterken. 7.2.3 Onderzoek Op of in de directe omgeving van het vliegveld komen geen beschermde monumenten voor. Het plangebied is ook geen onderdeel van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Op de Cultuur Historische Waardenkaart Zeeland zijn binnen het vliegveldterrein geen cultuurhistorische waarden aangegeven (afbeelding 7.3).

Afbeelding 7.2.: uitsnede uit de CHS, kaart aardkundig waardevolle gebieden (bron: provincie Zeeland)

Verder is er in de omgeving beperkt sprake van historische stedenbouw (afbeelding 7.3). Aan de overzijde van de Calandweg, huisnummers 1 en 3, liggen twee agrarische percelen met historische boerderijen. Behalve deze twee historische boerderijen zijn er geen andere cultuurhistorisch waardevolle gebouwen in de omgeving van het vliegveld aanwezig. Er worden met dit plan geen aanpassingen gedaan aan de bebouwingsstructuur in de omgeving van het vliegveld. De bouwvlakaanpassing vormt geen belemmering voor cultuurhistorische waarden ter plaatse.

Afbeelding 7.3.: Historische stedenbouw (bron: provincie Zeeland)

7.2.4 Conclusie Omdat binnen het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle structuren en / of bouwwerken aanwezig zijn en de in de nabijheid van het vliegveld gelegen historische boerderijen niet worden ‘geraakt’ door de planwijziging, is een beschermende regeling niet noodzakelijk. Er wordt geen afbreuk gedaan aan cultuurhistorische bodemtypen in het gebied. Het aspect ‘cultuurhistorie’ belemmert de planvorming niet.

7.2

Bodemkwaliteit

7.2.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. 7.2.2 Onderzoek Bodemkwaliteit Het vliegveldterrein is op de bodemkwaliteitskaart zowel in de ondergrond als de bovengrond aangemerkt als locatie met achtergrondwaarde (afbeelding 7.4).

In het Besluit bodemkwaliteit en bijbehorende Regeling bodemkwaliteit is gekozen voor een ‘altijd-’ en een ‘nooit-grens’. De ‘altijdgrens’ zijn de Achtergrondwaarden. Deze zijn vastgesteld op basis van de gehalten aan stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. Partijen grond of baggerspecie die voldoen aan de Achtergrondwaarden zijn altijd vrij toepasbaar (voor wat betreft de chemische kwaliteit). Het Besluit stelt hieraan geen aanvullende toepassingsvoorwaarden.

De gronden die behoren bij het plangebied van voorliggend bestemmingsplan zijn in het voorgaande plan reeds bestemd voor luchtvaartverkeer en -vervoer, luchtvaartgerelateerde bedrijven en bij deze bestemming behorende voorzieningen. Daarmee kan worden aangenomen dat de bodem in milieu-hygiënisch opzicht geschikt is voor de voorgenomen ontwikkelingen. Indien nieuwe bouwaanvragen plaatsvinden waarbij grondroerende werkzaamheden aan de orde zijn, zal uit een (actualiserend) bodemonderzoek moeten blijken dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. Hiervoor is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

Afbeelding 7.4.: Bodemkwaliteitskaart Zeeuws bodemvenster (bron: provincie Zeeland)

7.2.3 Conclusie In de regels van het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarin is bepaald dat een omgevingsvergunning voor de bouw van gebouwen en bouwwerken pas wordt verleend indien uit (nader) onderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. Het aspect bodem leidt zodoende niet tot belemmeringen. 7.3

Wegverkeerslawaai

7.3.1 Kader De bescherming tegen geluid van wegverkeerslawaai is neergelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). In deze wet zijn grenswaarden vastgelegd die onder andere betrekking hebben op het aspect wegverkeerslawaai. De grenswaarden in de Wet geluidhinder zijn van toepassing op geluidsgevoelige functies zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven. Bij nieuwbouw van dergelijke functies of bij de aanleg of een reconstructie van een bestaande weg waarlangs een dergelijke functie is gelegen moet onderzoek worden uitgevoerd.

7.3.2 Onderzoek Het vliegveld is geen geluidsgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder. Met de voorgenomen ontwikkeling verandert het aantal luchtvaartuigbewegingen ook niet ten opzichte van de huidige situatie, waardoor er niet meer verkeer wordt verwacht. Er zijn ook geen infrastructurele aanpassingen nodig voor de wegen rond de luchthaven. De bedrijfsgebouwen aan de oostzijde van het plangebied genereren planologisch gezien zeer beperkte extra verkeersbewegingen (12 stuks per weekdag). Deze bewegingen leiden niet tot een significante toename van geluid ten opzichte van het totale geluid in de omgeving. Zodoende zullen de luchthaven en omgeving geen additionele negatieve effecten ondervinden van de baanrotatie. 7.3.3 Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai leidt niet tot belemmeringen voor dit bestemmingsplan. 7.4

Industrielawaai

7.4.1 Kader Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Met behulp van de geluidzonering in het bestemmingsplan biedt de gemeente Middelburg rechtszekerheid aan zowel bedrijven als aan eigenaren/bewoners van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van de akoestische werkruimte van bedrijven, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken. Bij bedrijventerreinen waar de vestiging van 'grote lawaaimakers' is toegestaan, is het wettelijk verplicht een geluidzone vast te leggen in het bestemmingsplan. Indien geluidgevoelige objecten/bestemmingen binnen de geluidzone liggen, dan moet het bevoegd gezag borgen dat de geluidbelasting de 50 dB(A) niet overstijgt of dat zij een zogenaamde hogere waarde (ingevolge de Wet geluidhinder) vaststellen. Aan geluidgevoelige objecten/bestemmingen gelegen op het gezoneerde industrieterrein zélf wordt geen akoestische bescherming geboden.

7.4.2 Onderzoek Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Het bestemmingsplan maakt geen bedrijventerrein mogelijk. Vanuit het aspect industrielawaai gelden geen beperkingen voor dit bestemmingsplan. 7.4.3 Conclusie Het aspect industrielawaai leidt niet tot belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

7.5

Luchtvaartverkeer

7.5.1 Kader De Verordening Luchthavenbesluit Midden-Zeeland (zie paragraaf 3.1.2 voor een toelichting) bevat regels ten behoeve van het vaststellen of wijzigen van een luchthavenbesluit voor een luchthaven gelegen in de provincie Zeeland. Voor het vliegveld Midden-Zeeland is de Verordening Luchthavenbesluit Midden-Zeeland (zie eveneens paragraaf 3.1.2) van toepassing. 7.5.2 Onderzoek Bestaande en nieuwe situatie Voor vliegveld Midden-Zeeland zijn in de verordening Luchthavenbesluit Midden-Zeeland diverse beperkingengebieden voor geluid, externe veiligheid en hoogtebeperkingen vastgesteld. Het totale beperkingengebied wordt gevormd door de buitenste contouren. De verordening luchthavenbesluit die Provinciale Staten op 27 september 2024 vaststelden, is op het moment van vaststelling van dit bestemmingsplan nog niet onherroepelijk. Dit betekent dat op het moment dat het bestemmingsplan wordt vastgesteld, nog de uit het luchthavenbesluit van 10 juli 2020 voortvloeiende contouren gelden: de 48 dB(A) Lden contour (rode contour in afbeelding 7.5) en het aanvullend beperkingengebied (groene contour in afbeelding 7.5) tezamen. Het aanvullend beperkingengebied is een additioneel afwegingskader. Dit kader is met het besluit van Provinciale Staten tot vaststelling van het gewijzigd luchthavenbesluit van 27 september 2024 komen te vervallen.

Afbeelding 7.5.: Beperkingengebieden van de luchthaven Midden-Zeeland (Bron: Luchthavenbesluit Midden-Zeeland van de provincie Zeeland, 25-11-2021)

Geluid De grootse geluidscontour omvat de 48 dB(A) Lden (rode lijn in afbeelding 7.5). Binnen deze contour gelden geen ruimtelijke beperkingen, maar moet het bevoegd gezag de ruimtelijke ontwikkeling afwegen in relatie tot het gebruik van de luchthaven. De 56 dB(A) contour (paarse lijn in afbeelding 7.5) geeft weer waarbinnen geen nieuwbouw van woningen mag plaatsvinden. Binnen de 70 dB(A) contour (afbeelding 7.6) moeten woningen aan hun woonfunctie onttrokken (gesloopt) worden. Met dit bestemmingsplan zijn geen wijzigingen voorzien in de geluidscontouren van het vliegveld. De actuele contouren op basis van het luchthavenbesluit van 10 juli 2020 worden één op één overgenomen in voorliggend plan. Ook worden geen woningen mogelijk gemaakt. PR-contouren De PR-contouren zien toe op de veiligheid in het gebied. De 10-5 PR-contour heeft als beperking dat eventueel aanwezige woningen binnen deze contour aan de woonfunctie onttrokken moeten worden, ofwel gesloopt moeten worden. Binnen de 10-6 PR-contour is nieuwbouw van woningen niet toegestaan, met uitzondering van bedrijfswoningen of situaties waarbij een verklaring van geen bezwaar is afgegeven door de hiertoe bevoegde Minister. In paragraaf 7.8 Externe veiligheid wordt nader ingegaan op de PR-contouren. Er liggen geen bestaande woningen binnen de 10-5 en 10-6 PR-contouren van het vliegveld.

Deze worden met voorliggend plan ook niet mogelijk gemaakt. De actuele contouren op basis van het luchthavenbesluit worden één op één overgenomen in voorliggend plan. Vliegveiligheid Naast de beperkingen ten aanzien van geluid en externe veiligheid zijn ook hoogtebeperkingen van toepassing. In het luchthavenbesluit zijn maximale hoogtes van objecten in, op en boven de grond geregeld. Dit gebeurt aan de hand van hoogtebeperkingen conform de internationale eisen uit het ICAO Annex 14 chapter 4 ‘obstacle restriction and removal’. Op deze wijze wordt ervoor gezorgd dat er geen (te hoge) obstakels geplaatst worden rondom de luchthaven, waardoor de vliegveiligheid in gevaar kan komen. De actuele hoogtebeperkingen zijn één op één overgenomen uit het vastgestelde luchthavenbesluit van 10 juli 2020. Deze gelden onverminderd de opgenomen bouwhoogtes op de verbeelding van het bestemmingsplan. Zodra het luchthavenbesluit zoals dit is vastgesteld op 27 september 2024 onherroepelijk is geworden, gelden de uit dit besluit voorvloeiende hoogtebeperkingen. Deze zijn ook opgenomen in het provinciale inpassingsplan. Relevante ontwikkelingen In de directe omgeving van het plangebied is één relevante ontwikkeling gaande die in ogenschouw moeten worden genomen bij de voorgenomen ontwikkelingen op Vliegveld MiddenZeeland.

Baanrotatie Vliegveld Midden-Zeeland De exploitant van het Vliegveld Midden-Zeeland heeft bij de provincie Zeeland in mei 2020 een verzoek ingediend om de start- en landingsbaan van het vliegveld 22 graden tegen de klok in te roteren en 200 meter naar het oosten te verplaatsen. Ten behoeve van deze rotatie dient de provincie het luchthavenbesluit te wijzigen. Daarnaast heeft de baanrotatie gevolgen voor de planologische bepalingen. In de gemeenten Goes en Middelburg moeten de geluid- en veiligheidscontouren worden aangepast aan de nieuwe ligging van de start-/landingsbaan. Ook zullen de contouren van de hoogtebeperkingen van de bestemmingsplannen in de gemeenten Borsele,

Goes, Middelburg, Noord-Beveland, Vlissingen en Veere aangepast moeten worden. De betrokken gemeenten hebben aan de provincie gevraagd om in plaats hiervan een inpassingsplan vast te stellen. Deze procedure is in 2023 gestart en heeft geleid tot vaststelling van een inpassingsplan door Provinciale Staten op 27 september 2024. Hiertegen is door twee appellanten beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De geluid- en veiligheidscontouren en hoogtebeperkingen die op grond van het vigerende plan gelden vanwege het vliegveld zijn in het voorliggende plan overgenomen. Wanneer het provinciale inpassingsplan in werking treedt, gelden de nieuwe contouren geluid- en veiligheidscontouren en hoogtebeperkingen (afbeelding 1.5). Het inpassingsplan heeft een directe doorwerking. Binnen het plangebied geldt op dat moment een maximale bouwhoogte van 45 meter. Nieuwe bebouwing in het plangebied dient in beide situaties aan deze hoogtebeperkingen te voldoen (voor zover de bouwmogelijkheden in het onderliggende bestemmingsplan niet reeds beperkender zijn). Hiermee vormt het bestemmingsplan geen hinder voor de beoogde baanrotatie. Gevolg van het voor de baanrotatie van luchthaven Midden-Zeeland benodigde luchthavenbesluit is dat de beperkingengebieden rond het vliegveld worden aangepast.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16251328/1