25-107 Bijlage 1. Ingekomen stukken commissie MZ
Tekst van het document
Zo is brede ondersteuning geen sociaal vangnet voor algemene inkomensaanvulling of inkomensondersteuning (onderdeel a), vallen behoeften die niet gericht zijn op de vijf leefgebieden of het behalen van de bijbehorende doelstellingen uit artikel 2, tweede lid buiten de brede ondersteuning (onderdeel b) en is het geen taak van de gemeenten om financieel herstel te bieden en dus schade vanuit het verleden te vergoeden (onderdeel c). Verder geldt voor sommige vergoedingen en kosten dat deze in beginsel geen onderdeel uitmaken van de brede ondersteuning, maar dat er een uitzondering mogelijk is als er sprake is van een bedreigende situatie (onderdeel d en e). In dat geval staan niet de vergoedingen en kosten zelf, maar het voorkomen van de gevolgen van een acute noodsituatie centraal. Niet het vergoeden van de schuld, maar het beëindigen van de acute noodsituatie en het voorkomen van erger staat in dat geval centraal. Het college stelt in die gevallen wel de voorwaarde dat er aanvullende voorzieningen zijn die herhaling van de bedreigende situatie voorkomen, bijvoorbeeld op het gebied van schuldhulpverlening. Verder is de vergoeding van kosten die zijn gemaakt voordat er een aanvraag is ingediend voor brede ondersteuning geen onderdeel van de brede ondersteuning (onderdeel e).
Tot slot zijn er over de inzet van advocaten, voor bijstand in het financiële herstelproces, door het Rijk afspraken gemaakt met de Nederlandse Orde van Advocaten (onderdeel f). Er is gratis hulp van een advocaat beschikbaar via herstel.toeslagen.nl. Dit is om die reden ook van de brede ondersteuning uitgezonderd. Artikel 4. Doelgroep brede ondersteuning De Wht regelt welke inwoners van de gemeente in aanmerking komen voor brede ondersteuning. In het eerste lid wordt daarnaar verwezen. In de wet wordt de inwoner genoemd die: -
een aanvrager van een kinderopvangtoeslag is en een aanvraag heeft ingediend tot toekenning van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht; een kind, een pleegkind of een voormalig pleegkind is dat in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.12 van de Wht; en ex-partner is die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, van de Wht, en aan wie deze is toegekend; een partner is die in aanmerking komt voor een compensatie of tegemoetkoming, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of overneming en betaling van
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
13/20
-
-
privaatrechtelijke schulden van de gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag als bedoeld in artikel 2.9a van de Wht; een kind is dat in aanmerking komt voor een compensatie of tegemoetkoming, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of overneming en betaling van privaatrechtelijke schulden van de gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag als bedoeld in artikel 2.9b van de Wht; hun gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, van de Participatiewet en het thuiswonende kind of pleegkind van 18 jaar of ouder van de personen, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, van de Wht, of van hun partner.
In aanvulling hierop is in de beleidsregels bepaald dat alleen brede ondersteuning wordt geboden aan inwoners die nog niet in staat zijn gesteld om vanuit de brede ondersteuning een nieuwe start te kunnen maken. Voor aanvragers van kinderopvangtoeslag die zich hebben aangemeld bij UHT kan de brede ondersteuning starten vanaf het moment van aanmelding bij de UHT, zoals in het algemene deel van deze toelichting toegelicht. Indien uit de integrale beoordeling blijkt dat een aanvrager van de kinderopvangtoeslag die zich bij UHT heeft gemeld niet als gedupeerde ouder wordt erkend, komt deze persoon niet langer in aanmerking voor brede ondersteuning, ook als deze persoon hiertegen in bezwaar gaat. Zodra de integrale beoordeling is afgerond wordt in dat geval de ondersteuning beëindigd. Op grond van de Wht wordt ook brede ondersteuning geboden aan het gezin van de inwoners die in de wet worden genoemd. Het tweede lid maakt duidelijk dat de samenstelling van het gezin op het moment van de aanvraag daarbij doorslaggevend is. Dit betekent dat ook dit maatwerk is. Het college beoordeelt per aanvrager welke personen tot het gezin kunnen worden gerekend. In bijzondere omstandigheden kan tot slot brede ondersteuning worden geboden aan aanvragers die geen inwoner zijn.
Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als een persoon die voorheen inwoner was (al dan niet tijdelijk) is verhuisd naar een andere gemeente, in detentie is geplaatst buiten de gemeente of een vertrouwensband heeft met een medewerker van de gemeente die betrokken is bij de uitvoering van brede ondersteuning (Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 101 en 102). Als brede ondersteuning wordt geboden aan een inwoner van een andere gemeente, dan wordt die aanvrager op grond van de beleidsregels gelijkgesteld met degene die wél inwoner is. Verder vindt er over de brede ondersteuning overleg met de andere gemeente plaats. Als een inwoner die brede ondersteuning ontvangt verhuist en de brede ondersteuning wordt overgedragen aan een andere gemeente of juist van een andere gemeente overgenomen, dan draagt het college zorg voor een warme overdracht naar de nieuwe of van de oude woongemeente. De nieuwe woongemeente kan bij de oude woongemeente de gegevens opvragen die zij nodig acht voor (het continueren van) de brede ondersteuning. Artikel 5. Brede ondersteuning voor een minderjarige Kinderen van gedupeerde ouders die aanspraak kunnen maken op de kindregeling, kunnen eveneens aanspraak maken op brede ondersteuning.
Dit artikel regelt tegen die achtergrond dat minderjarigen vanaf de leeftijd van zestien jaar zelfstandig brede ondersteuning kunnen aanvragen bij het college in de gemeente waar zij inwoner zijn. Minderjarigen die jonger zijn dan zestien jaar, kunnen hiervoor terecht bij het college in de gemeente waarvan degene die het ouderlijk gezag uitoefent inwoner is. Als beide ouders het gezag uitoefenen, maar geen inwoner van dezelfde gemeente zijn, dan kan de minderjarige brede ondersteuning aanvragen bij het college van de gemeente waar de ouder inwoner is bij wie de minderjarige feitelijk verblijft.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
14/20
Artikel 6. Aanvraag brede ondersteuning Een inwoner kan direct bij het college een aanvraag doen voor brede ondersteuning. [De aanvraag is vormvrij en kan [bij het stadsloket, de wijkteam of digitaal] zowel schriftelijk als telefonisch worden gedaan. OF De aanvraag wordt schriftelijk ingediend [bij het stadsloket of wijkteam. Dit kan ook digitaal].]. Een ouder kan ook via de UHT kenbaar maken dat deze in aanmerking wil komen voor een gemeentelijk hulpaanbod. Het college ontvangt dan de gegevens via het gegevensportaal van de belastingdienst. Het moment van ontvangst van de gegevens via het portaal wordt gelijkgesteld met het indienen van een aanvraag. Indien een inwoner zich direct bij het college meldt, verifieert het college of de inwoner in aanmerking komt voor brede ondersteuning bij het Serviceteam gemeenten bij de UHT. Artikel 7. Eerste gesprek en vaststelling hulpvraag Het college nodigt de aanvrager op grond van dit artikel binnen [(redelijke termijn noemen, bijvoorbeeld acht weken)] nadat de aanvraag is ontvangen uit voor een eerste gesprek. Tijdens dit eerste gesprek wordt aan de hand van de vijf doelstellingen uit artikel 2, tweede lid, de situatie van de aanvrager besproken en wordt samen met de aanvrager vastgesteld wat de hulpvraag is.
Hierbij wordt op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde de indiening van de aanvraag onderzocht wat er op elk van de vijf leefgebieden voor de aanvrager nodig is om de doelstellingen te kunnen bereiken. Om ervoor te zorgen dat het juiste maatwerk geleverd wordt én bij te dragen aan het herstel van vertrouwen van de aanvrager in de overheid, is het van belang dat de aanvrager de mogelijkheid heeft om tijdens het eerste gesprek de regie te voeren. Om die reden is in de beleidsregels vastgelegd dat de hulpvraag samen met de aanvrager wordt bepaald. Verder krijgt de aanvrager, wanneer die wordt uitgenodigd voor het eerste gesprek, ook de mogelijkheid om te bepalen waar dit gesprek plaatsvindt. Dit kan op locatie zijn of bij de aanvrager thuis. Artikel 8. Besluit op de aanvraag Het college beslist [(redelijke termijn noemen, maximaal acht weken)] na het eerste gesprek over de toegang tot de brede ondersteuning. De aanvrager krijgt een toekennings- of een afwijzingsbeschikking. In de toekenningsbeschikking is een plan van aanpak opgenomen. In dit plan van aanpak is samen met de aanvrager vastgelegd wat de doelstellingen van de brede ondersteuning zijn en, indien passend, welke voorzieningen daarbij worden toegekend.
Omdat het lastig kan zijn om binnen een aantal weken volledig zicht te hebben op de doelstellingen en ondersteuningsbehoeften, kan het plan van aanpak ook eerst op hoofdlijnen worden vastgesteld. Deze is dan ook onderdeel van de toekenningsbeschikking en bevat ten minste een vastgestelde hulpvraag. Een plan van aanpak dat op hoofdlijnen is vastgesteld, kan vervolgens samen met de aanvrager worden aangevuld. In de afwijzingsbeschikking is gemotiveerd aangegeven waarom er geen toegang tot brede ondersteuning is. Naast de mogelijkheid van een voorlopig plan van aanpak, biedt het tweede lid ook de mogelijkheid de termijn voor het opstellen van het plan van aanpak te verlengen. De aanvrager wordt hiervan op de hoogte gesteld. Tegen elke beschikking staat bezwaar en beroep open. Dit wordt schriftelijk kenbaar gemaakt.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
15/20
Artikel 9. Het opstellen van het plan van aanpak In het plan van aanpak staan de hulpvragen van de aanvrager centraal. Vanuit de situatie van de aanvrager op het moment waarop de aanvraag is ingediend, is uitgewerkt hoe stapsgewijs en op een samenhangende manier de doelstellingen uit artikel 2, tweede lid, van de aanvrager worden bereikt. Verder staat ook in het plan van aanpak welke voorzieningen het college aan de aanvrager toekent om dit op een adequate en duurzame manier te doen. De aanvrager wordt hiermee in staat gesteld om een nieuwe start te kunnen maken. In het plan van aanpak wordt dus ook gemotiveerd op welke wijze de toekenning van de voorziening bijdraagt aan het bereiken van een nieuwe start. Artikel 10. Aanvullende schuldhulpverleningsaanbod jongeren Binnen de brede ondersteuning is er bijzondere aandacht voor jongeren met problematische schulden. Doordat het voor deze groep moeilijker is om een nieuwe start te maken, is er een aanvullend schuldhulpverleningsaanbod mogelijk. Het aanvullend aanbod bestaat uit twee (cumulatieve) onderdelen. Beide onderdelen samen vormen het aanbod: 1. een plan van aanpak; 2. het oplossen van saneerbare schulden. Het eerste lid maakt dat expliciet en bevat de voorwaarden waarbij het college dit aanbod in elk geval doet. Het college beoordeelt of de schulden als problematisch worden gekwalificeerd.
Het gaat dan in ieder geval om een situatie waarin niet binnen 36 maanden alle opeisbare vorderingen zijn af te lossen. Ook andere objectieve criteria, zoals beslag, registratie bij het CAK en de benodigde voorzieningen vanuit de brede ondersteuning worden meegewogen. Als een schuld niet als problematisch gekwalificeerd wordt, wordt de aanvrager op andere wijze geholpen bij het in balans krijgen van inkomsten en uitgaven. Verder is het uitgangspunt dat de aanvrager zich binnen de termijn, zoals genoemd in artikel 3, vierde lid, Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021, moet melden. Als in het eerste gesprek blijkt dat er een financiële hulpvraag is, dan wordt de financiële situatie van de aanvrager in kaart gebracht. Op grond van het tweede lid helpt het college de aanvrager daarbij. Om vast te kunnen stellen of een aanvullend schuldhulpverleningsaanbod nodig is en waaruit dit moet bestaan, wordt de werkwijze uit de reguliere schuldhulpverlening gebruikt. De voorzieningen uit de reguliere schuldhulpverlening worden vervolgens ook ingezet om deze jongeren op maat te helpen. Artikel 11. Wijzigen plan van aanpak Het plan van aanpak kan worden gewijzigd als dit nodig is om de doelstellingen uit artikel 2, tweede lid te bereiken.
Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer er gefaseerd naar een doelstelling wordt toegewerkt binnen één leefgebied of wanneer er omstandigheden zijn waardoor de toegekende ondersteuning niet langer passend is. Hiernaast is het mogelijk dat er situaties zijn waardoor aanvullende ondersteuning op een van de leefgebieden nodig is, bijvoorbeeld wanneer een aanvrager tussentijds diens werk kwijtraakt en op het leefgebied ‘werk’ geholpen wil worden. Het college kan in samenspraak met de aanvrager tot twee jaar na het eerste gesprek het plan van aanpak wijzigen en daarbij nieuwe of andere voorzieningen toekennen. Bij materiële voorzieningen is deze termijn beperkt tot zes maanden na het eerste gesprek. Deze termijnen brengen tot uitdrukking dat er in de brede ondersteuning een zekere fasering zit. In de eerste fase wordt bezien wat de aanvrager in de weg staat om de doelstellingen uit het plan van aanpak te bereiken. Om deze direct weg te kunnen nemen, kunnen er materiële
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
16/20
voorzieningen worden toegekend en verstrekt. Vervolgens kan met de inzet van immateriële voorzieningen verder worden toegewerkt naar het bereiken van de doelstellingen. Het college kan het plan van aanpak in samenspraak met de aanvrager wijzigen, maar de aanvrager kan op grond van het tweede lid ook een aanvraag tot wijziging van het plan van aanpak indienen. Daarbij gaat het dan met name om het toekennen van nieuwe of andere voorzieningen. Het college kan een verzoek tot wijziging van een plan van aanpak bij beschikking goedkeuren of weigeren. Het college kan een verzoek ook gedeeltelijk goedkeuren. Bij een goedkeuring of een gedeeltelijke goedkeuring is het gewijzigde plan van aanpak onderdeel van de beschikking. Tegen elke beschikking staat bezwaar en beroep open. Dit wordt schriftelijk kenbaar gemaakt. De in het plan van aanpak opgenomen doelstellingen waarnaar stapsgewijs en integraal wordt toegewerkt, wordt op grond van het vierde lid alleen gewijzigd als nieuwe feiten en omstandigheden dit noodzakelijk maken. Bij een wijziging gaat het dus in beginsel alleen om andere onderdelen uit het plan en dus met name de voorzieningen. Alleen als zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen wijzigen ook de doelstellingen en de stappen daarnaartoe. Artikel 12. Voorzieningen De brede ondersteuning is gericht op het maken van een nieuwe start.
De brede ondersteuning moet de aanvrager in staat stellen om in de toekomst zo zelfstandig en zelfredzaam mogelijk op elk van de vijf leefgebieden zijn leven te kunnen leiden. De doelstellingen voor de vijf leefgebieden in het plan van aanpak vormen dus de kern. Om deze doelstellingen te bereiken worden er aan de aanvrager voorzieningen toegekend en verstrekt. Dit kunnen zowel materiële als immateriële voorzieningen zijn. Een belangrijke voorwaarde is wel dat het gaat om voorzieningen die zijn toegekend in het plan van aanpak. In het tweede lid zijn de factoren benoemd die bij het toekennen van die voorzieningen een rol spelen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om de financiële draagkracht en armslag van de aanvrager, maar ook het duurzame karakter van de voorziening is van belang. Bij het toekennen van voorzieningen komt aan het college een hoge mate van beoordelings- en beleidsvrijheid toe. Het is aan het college om in overleg met de aanvrager per geval een afweging te maken en die afweging ook te onderbouwen. Bij de onderbouwing moet de geschiktheid (is de voorziening geschikt om de doelstelling te bereiken?), de noodzakelijkheid (is de voorziening noodzakelijk of nodig of kan het ook op een andere manier?) en de evenredigheid (staat de voorziening in verhouding tot het doel?) aan de orde komen. Artikel 13.
Materiële voorzieningen Een materiële voorziening kan worden toegekend als deze direct noodzakelijk is voor het bereiken van een in het plan van aanpak opgenomen doelstelling. Een materiële voorziening is noodzakelijk als het direct een belemmering wegneemt of beperkt, die de betrokkene bij het bereiken van een doelstelling ervaart. Het gaat dan veelal om een voorziening die onmiddellijk noodzakelijk is om de hulpverlening te kunnen starten en de immateriële voorzieningen te kunnen inzetten, het bieden van perspectief voor de toekomst staat dus ook hier voorop. Het toekennen van een materiële voorziening is maatwerk. Wat er noodzakelijk is, hangt af van situatie van de aanvrager, de doelstellingen en andere voorzieningen in het plan van aanpak. Verder is er ook aandacht voor de achterliggende ondersteuningsbehoefte. Dit betekent dat in veel gevallen de financiële zelfredzaamheid aandacht vraagt. Wat is er nodig om inkomsten en uitgaven in balans te krijgen en te houden en ervoor te zorgen dat een materiële voorziening nu of in de toekomst niet meer nodig is en de aanvrager daar zelf in kan voorzien?
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
17/20
Materiële voorzieningen zijn zaken als bedoeld in artikel 3:2 van het Burgerlijk Wetboek. Gedacht kan worden aan een wasmachine die noodzakelijk is om een huishouding te voeren binnen een gezin of een laptop die noodzakelijk is voor het volgen van een opleiding. Wat er precies vereist is, is maatwerk. Dit hangt van de situatie van de aanvrager, de doelstellingen en andere voorzieningen in het plan van aanpak af. De noodzakelijkheid van de materiële voorziening wordt ook onderbouwd in het plan van aanpak. Toegelicht wordt waarom de verstrekking noodzakelijk is voor het wegnemen of beperken van een belemmering en hoe de verstrekking een bijdrage levert aan een of meer van de doelstellingen die in het plan van aanpak zijn vastgelegd. Benadrukt wordt dat materiële voorzieningen tot zes maanden na het eerste gesprek in het plan van aanpak kunnen worden toegekend. Dit vloeit voort uit artikel 2.21, lid 4a, van de Wht. Die periode vormt echter geen belemmering voor het verstrekken van de voorziening. De verstrekking kan ook na die periode plaatsvinden. Artikel 14. Immateriële voorzieningen Bij het toekennen van een immateriële voorziening is niet de striktere eis van noodzakelijkheid aan de orde die wel voor materiële voorzieningen geldt. Bij de immateriële voorzieningen draait het om de vraag of een voorziening nodig en passend is.
Dit betekent dat een voorziening adequaat en duurzaam moet zijn en dus niet alleen voldoende geschikt, maar ook op de langere termijn geschikt moet zijn om een doelstelling uit het plan van aanpak te bereiken. Verder gaat het bij immateriële voorzieningen om het ontwikkelen van kennis, kunde, vaardigheden of andere competenties door de aanvrager. De persoonlijke ontwikkeling van de aanvrager staat dus centraal. Het gaat om diens zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Bij immateriële voorzieningen kan onder andere worden gedacht aan hulpverlening of begeleiding, maar ook aan een opleiding of cursus. Ook voor de immateriële voorzieningen geldt dat de toekenning maatwerk is en dat dit van de situatie van de aanvrager, de doelstellingen en andere voorzieningen in het plan van aanpak afhangt. Verder moet de toekenning van een immateriële voorziening eveneens in het plan van aanpak worden onderbouwd. Waarom is deze voorziening nodig en passend en hoe levert deze een bijdrage aan een of meer van de doelstellingen die in het plan van aanpak zijn vastgelegd? Benadrukt wordt dat immateriële voorzieningen tot twee jaar na het eerste gesprek in het plan van aanpak kunnen worden toegekend. Die periode vormt echter ook hier geen belemmering voor het verstrekken van de voorziening. De verstrekking kan langer doorlopen dan twee jaar. Artikel 15.
Medewerking aanvrager Om te kunnen beoordelen of een voorziening noodzakelijk of nodig en passend is en hierover dus een zorgvuldig besluit te nemen, kan het college de aanvrager om medewerking verzoeken. Het gaat dan met name om medewerking om een beeld te krijgen van de situatie van de aanvrager op de vijf leefgebieden. Te denken valt aan een huisbezoek om te beoordelen of, en zo ja welke, materiele voorzieningen nodig zijn om een woning in een veilige staat te brengen of het geven van informatie over vooropleidingen bij immateriële voorzieningen voor een opleiding als de aanvrager niet beschikt over een startkwalificatie. Verder geldt ook hier dat het om informatie over de financiële situatie kan gaan. Met name om bespreekbaar te maken hoe een aanvrager meer zelfstandig en zelfredzaam kan worden en hier op langere termijn zelf in kan voorzien. In de beleidsregels staat voorop dat het college de aanvrager om medewerking vraagt. Dit veronderstelt dat het college met de aanvrager in gesprek gaat. Waar ziet de medewerking precies op en wat kan de aanvrager daarin bieden? Dit is in lijn met het uitgangspunt dat een aanvrager zelf regie moet kunnen voeren en de brede ondersteuning ruimhartig is en geen
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
18/20
onnodige drempels opwerpt. In het verlengde daarvan is het ook niet de bedoeling in een harde bewijslast te voorzien. Het moet voor het college aannemelijk zijn dat een voorziening noodzakelijk of nodig en passend is. Voor het inzicht in de financiële draagkracht hoeft het overleggen van salarisspecificaties of bankafschriften van de afgelopen maanden bijvoorbeeld niet nodig te zijn, gedacht kan ook worden aan een gesprek over de inkomsten en uitgaven. Als de aanvrager niet op het verzoek van het college ingaat, dan is het aan het college om te beoordelen of dit betekent dat er onvoldoende informatie voorhanden is om te bepalen of een voorziening noodzakelijk of nodig en passend is. Als dat zo is, dan kan het college besluiten een voorziening niet toe te kennen. Zie de weigeringsgronden in artikel 16. Artikel 16. Weigeren voorzieningen Het college kan besluiten een door de aanvrager gevraagde voorziening te weigeren. Bijvoorbeeld als het om een voorziening met terugwerkende kracht gaat of de voorziening niet aan de vereisten voldoet. Het college onderbouwt de weigering in een beschikking. Tegen die beschikking staat bezwaar en beroep open. Artikel 17. Beëindiging van de brede ondersteuning De brede ondersteuning wordt in de eerste plaats op grond van artikel 2.21, lid 4b, van de Wht beëindigd als de aanvrager een nieuwe start heeft kunnen maken.
Verder eindigt de brede ondersteuning op grond van diezelfde bepaling uiterlijk twee jaar nadat het eerste gesprek is gevoerd. Benadrukt wordt dat dit niet betekent dat de brede ondersteuning automatisch na twee jaar stopt. Binnen de periode van twee jaar wordt wel een volledig plan van aanpak opgesteld en worden alle voorzieningen toegekend, maar toegekende voorzieningen kunnen na de deze periode nog wel worden verstrekt en dus ook na de periode van twee jaar doorlopen. Daarnaast eindigt de brede ondersteuning op grond van artikel 2.21, zesde lid, van de Wht als de aanvraag tot toekenning van een herstelmaatregel wordt afgewezen. Dit binnen een termijn van 30 dagen nadat de Dienst Toeslagen het college heeft geïnformeerd dat een afwijzende beschikking is gegeven. Het indienen van bezwaar bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) tegen de afwijzende beschikking schort de beëindiging van de brede ondersteuning niet op. In aanvulling hierop heeft de aanvrager op grond van de beleidsregels de mogelijkheid om de brede ondersteuning zelf te beëindigen. De aanvrager kan het college daarom verzoeken. Tot slot kan de brede ondersteuning in uitzonderlijke gevallen eindigen als de aanvrager daar niet binnen een redelijke termijn gebruik van heeft gemaakt en ook niet heeft gereageerd op een oproep van het college om dit alsnog te doen.
Voordat het college een beëindigingsbeschikking stuurt, bespreekt het college de actuele situatie van de aanvrager op de vijf leefgebieden om te zien wat de effecten van de brede ondersteuning zijn en of aanvullende reguliere ondersteuning nodig is waar het plan van aanpak niet in voorziet. Artikel 18. Overdracht van hulpverlening naar regulier Het is mogelijk dat, ondanks de brede ondersteuning, de persoonlijke doelstellingen uit het plan van aanpak niet zijn bereikt en de aanvrager na beëindiging van de brede ondersteuning binnen de vijf leefgebieden nog steeds problemen ervaart terwijl het plan van aanpak niet in een overgang naar reguliere ondersteuning voorziet. Te denken valt aan ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Jeugdwet of de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. In dat geval is in dit artikel vastgelegd dat het college zorgt voor een warme overdracht naar deze reguliere ondersteuning. Een warme overdracht betekent dat er vanuit de brede ondersteuning direct contact wordt gelegd met de afdeling of organisatie die de benodigde (reguliere) ondersteuning biedt, dat de situatie wordt uitgelegd en dat de hulpvraag wordt toegelicht.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
19/20
Artikel 19. Hardheidsclausule Artikel 9.1, tweede lid, onder d, van de Wht bepaalt dat het college, ook wanneer er sprake is van brede ondersteuning, gebruik kan maken van een hardheidsclausule. Dit houdt in dat het college de bevoegdheid heeft om in uitzonderlijke situaties af te wijken van de regels die op grond de Wht gelden. Zo’n afwijking is toegestaan wanneer toepassing van de regels, gelet op de belangen die de regels beogen te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Deze mogelijkheid geldt ook voor de toepassing van de beleidsregels. Indien het college gebruik maakt van de hardheidsclausule, motiveert het college de afwijking, zodat inzichtelijk is waarom van het geldende beleid of de beleidsregel is afgeweken.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
20/20
Implementatiehandleiding Model beleidsregels brede ondersteuning
Programma hersteloperatie toeslagen
Thema of datum
Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 2514 JS Den Haag +31 70 373 83 93 Juni, 2025 Versiebeheer
Doorgevoerde wijzigingen
Versie 1, juni 2025
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
1/10
Voorwoord Bij een zeer groot aantal ouders is tussen 2005 en 2019 onterecht de kinderopvangtoeslag stopgezet door de Belastingdienst. Deze ouders, hun gezinnen, hun ex-toeslagpartners en nabestaanden is ernstig onrecht aangedaan. De Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) werkt aan het financieel herstel van dit onrecht. Dit bestaat uit financiële compensatie (Catshuisregeling), een schuldenaanpak, en eventuele aanvullende schadecompensatie. Daarnaast is er bij deze ouders, hun kinderen, ex-partners en nabestaanden behoefte aan emotioneel herstel. Het emotioneel herstel is nodig omdat gedupeerde ouders, hun kinderen, expartners en nabestaanden nog dagelijks de emotionele gevolgen ondervinden van de manier waarop de terugvordering van de kinderopvangtoeslag plaatsvond. Zij hebben recht op begrip, erkenning en ondersteuning. Vanuit het emotioneel herstel helpen gemeenten bij het kunnen maken van een nieuwe start. Brede ondersteuning gemeenten Binnen het emotioneel herstel bieden gemeenten brede ondersteuning (hulp) op vijf leefgebieden aan getroffen ouders, hun kinderen, ex-partners en nabestaanden aan. De hulp vindt plaats op de vijf leefgebieden: financiën, wonen, zorg, gezin en werk. Landelijk programma herstel toeslagen Deze handreiking maakt onderdeel uit van de documentatie van het landelijk programma herstel toeslagen voor gemeenten.
Alle documentatie van het landelijk programma vindt u op vng.nl. Voor vragen kunt u terecht op VNG-forum voor de hersteloperatie.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/10
Inhoud Voorwoord .......................................................................................................................................... 2 1. Inleiding .................................................................................................................................... 4 2. Beleidsregels............................................................................................................................ 5 2.1. 2.2. 3.
Achtergrond ................................................................................................................... 5 Doel ............................................................................................................................... 5
Lokale keuzes - artikelsgewijze toelichting .............................................................................. 7 Artikel 6. Aanvraag brede ondersteuning ................................................................................ 7 Artikel 7. Eerste gesprek en vaststelling hulpvraag ................................................................. 7 Artikel 8. Besluit op de aanvraag ............................................................................................. 7 Artikel 11. Het wijzigen van het plan van aanpak .................................................................... 7 Artikel 20. Klachten .................................................................................................................. 7 Artikel 22. Inwerkingtreding...................................................................................................... 8
4.
Format beslisnota .................................................................................................................... 9
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
3/10
1. Inleiding Tijdens de hersteloperatie kinderopvangtoeslag heeft de VNG meerdere handreikingen en formats ontwikkeld om gemeenten bij te staan bij de organisatie, opstart en uitvoering van de brede ondersteuning. In deze handreikingen brengen we al deze documentatie die te maken heeft met het organiseren, aanbieden en afronden van de brede ondersteuning in één handreiking bij elkaar. In deze handreiking vindt u informatie over: • Het Model beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen; • De achtergrond en de noodzaak van het vaststellen van het model beleidsregels; • Een toelichting bij de invulvelden en de keuzes die u aan de hand van de lokale situatie kunt maken. Daarnaast ontsluiten we via deze handreiking onder meer: • Een format collegevoorstel; • Een format oplegger Naast deze implementatiehandleiding Model beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen, zijn er per 1 januari 2025 voor de gemeentelijke rol in de hersteloperatie toeslagen nog zes handreikingen1 beschikbaar:
1. Handreiking brede ondersteuning – met alle informatie over het bieden van brede ondersteuning aan ouders, kinderen, ex-toeslagpartners en hun gezin;
2. Handreiking niet-gemeentelijke ondersteuning – met onder andere informatie over de werkwijze van het Ondersteuningsteam Buitenland;
3. Handreiking hulp bij schulden – met alle uitvoeringsinformatie over publieke- en private schulden, schuldsaneringsregelingen en het heropstarten van invorderingen;
4. Handreikingen Specifieke uitkeringen – met alle informatie over de opzet van de financiële verantwoording voor gemeenten;
5. Handreiking aanvullend schuldhulpverleningsaanbod – met informatie over het aanvullend schuldhulpverleningsaanbod als onderdeel van de kindregeling;
6. Handreiking werken met ervaring als bron van kennis – met informatie over de inzet van ouders met ervaring in uw lokale hersteloperatie;
7. Handreiking serviceteam gemeenten – Over hoe u als gemeente via het serviceteam gemeenten van UHT in contact kunt treden met vragen. Deze handreiking is op aanvraag beschikbaar via het VNG Forum.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
4/10
2. Beleidsregels Gemeenten bieden sinds 2020 brede ondersteuning aan (mogelijk) gedupeerde ouders en hun gezin. Na verloop van tijd werden ook de kinderen vallend onder de kindregeling, erkend ex-toeslagpartners en nabestaanden van overleden aanvragers aan de doelgroep voor brede ondersteuning toegevoegd. De omvang van de doelgroep loopt per gemeente zeer uiteen. In sommige gemeenten wonen slechts een paar ouders binnen de gemeentegrenzen, terwijl andere gemeenten duizenden ouders en kinderen huisvesten.
2.1.
Achtergrond
Sinds september 2020 ondersteunen gemeenten mogelijk gedupeerde ouders via de brede ondersteuning. Gemeenten zagen zich sindsdien geconfronteerd met een forse toename van het aantal aangemelde ouders (van 8.500 naar ruim 69.000), met nieuwe doelgroepen, met een zeer lange looptijd van de beoordeling en het financieel herstel door UHT en een veranderde, steeds complexere en terugkerende vraag van ouders. Om die reden heeft de VNG samen met gemeenten, ouders en ketenpartners, in het voorjaar van 2024 een verkenning uitgevoerd om de brede ondersteuning toekomstbestendig in te richten. De verkenning heeft geresulteerd in een viertal verbetermaatregelen, waaronder het harmoniseren van het hulpproces, de duur en de looptijd van de brede ondersteuning. Deze verbetermaatregelen zijn per 1 januari 2025 verankerd in de Wet hersteloperatie toeslagen. Adviescommissie van Dam Gelijktijdig met de invoering va de wetswijziging heeft de spoedadviescommissie van Dam onderzocht en geadviseerd op welke wijze de hersteloperatie toeslagen verder verbeterd en versneld kan worden. Eén van de adviezen ziet toe op de brede ondersteuning. De adviescommissie constateert dat de verschillen in de brede ondersteuning tussen gemeenten wringen met het gelijkheidsbeginsel en zorgen voor veel frustratie bij ouders.
Daarom adviseert de commissie om het kader waarbinnen gemeenten toeslagenouders helpen te harmoniseren en vast te leggen. En om de circa 35 gemeenten met relatief veel toeslagouders het voortouw te laten nemen in deze gesprekken met de rijksoverheid. In reactie op het advies hebben gemeenten onder meer aangegeven zelf het initiatief te willen nemen ten aanzien van de aanbeveling om de brede ondersteuning te harmoniseren. Het voorliggende model beleidsregels is hiervan één van de resultaten. Proces totstandkoming Om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van de brede ondersteuning, is – op verzoek van gemeenten en in samenwerking met een klankbordgroep van gemeenten – dit model opgesteld. De in het model opgenomen uitgangspunten en het afwegingskader zijn daarnaast afgestemd en getoetst met een vertegenwoordiging van ouders.
2.2.
Doel
De beleidsregels bieden kaders voor de gemeentelijke uitvoering en bieden meer duidelijkheid aan zowel ouders en kinderen die recht hebben op hulp van uw gemeente als aan de ambtelijke organisatie. Het format biedt vanzelfsprekend ook ruimte voor invulling vanuit de lokale situatie. Het model beleidsregels draagt bij aan een geharmoniseerd afwegingskader tussen gemeenten onderling om tot het toewijzen van materiële of immateriële voorzieningen te komen. Ook wordt het proces van aanvraag tot beëindiging van de brede ondersteuning verduidelijkt.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
5/10
De mogelijkheid om maatwerk te bieden, zodat recht wordt gedaan aan de individuele situatie en behoeften van ouders, blijft behouden. Het belang hiervan is nadrukkelijk onderstreept door zowel ouders als gemeenten. De beleidsregels zorgen voor een gelijke afweging wanneer welke hulp wordt ingezet. Hoewel dit niet betekent dat alle ouders precies dezelfde ondersteuning ontvangen – verschillen in hulpverlening blijven bestaan vanwege uiteenlopende persoonlijke omstandigheden – wordt de manier waarop tot die hulp wordt gekomen wél gelijk. De factoren die meewegen bij het bepalen van de ondersteuning zijn in het model beleidsregels vastgelegd, waardoor de besluitvorming transparanter en consistenter wordt.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
6/10
3. Lokale keuzes - artikelsgewijze toelichting Dit hoofdstuk gaat in op de keuzes die gemeenten bij het implementeren van de model beleidsregels kunnen maken. Enkel die bepalingen die bij de implementatie verdere toelichting behoeven, worden hieronder toegelicht.
Artikel 6. Aanvraag brede ondersteuning Afhankelijk van de gewenste laagdrempeligheid voor het doen van een aanvraag voor brede ondersteuning moet in dit artikel een keuze worden gemaakt over de wijze waarop de aanvraag kan worden ingediend. Hierbij is er de keuze om een aanvraag zowel schriftelijk als mondeling mogelijk te maken of te bepalen dat een aanvraag schriftelijk moet worden ingediend. Verder kan in dit artikel kenbaar worden gemaakt waar de aanvraag kan worden gedaan.
Artikel 7. Eerste gesprek en vaststelling hulpvraag In het eerste lid moet een redelijke termijn worden opgenomen voor de uitnodiging voor een eerste gesprek, deze termijn kan worden bepaald aan de hand van het verwachte aantal aanvragen, de ambtelijke capaciteit en gewenste doorlooptijd. Als suggestie is voor de termijn acht weken genoemd. Dit is gelijk aan de termijn uit de Algemene wet bestuursrecht voor het geven van een beschikking op een aanvraag. Desgewenst kan in het tweede lid worden opgenomen dat in de uitnodiging staat dat de aanvrager een voorkeur voor de locatie van het eerste gesprek kenbaar kan maken.
Artikel 8. Besluit op de aanvraag In het eerste lid moet een termijn worden opgenomen voor het geven van een beschikking op een aanvraag. Deze termijn kan eveneens worden bepaald aan de hand van het verwachte aantal aanvragen en de ambtelijke capaciteit. Daarbij is als maximum een termijn van acht weken genoemd. Deze termijn van acht weken is vastgelegd in artikel 2.21, vierde lid, van de Wht, waaruit volgt dat het plan van aanpak binnen acht weken na het gesprek moet worden opgesteld. In het tweede lid moet worden voorzien in een termijn voor het verlengen van de periode voor het opstellen van het plan van aanpak. Hier is een maximum van vier weken opgenomen.
Artikel 11. Het wijzigen van het plan van aanpak Op grond van de beleidsregels kunnen inwoners vragen om een wijziging van het plan van aanpak. In het tweede lid kan daarbij kenbaar worden gemaakt hoe die aanvraag kan worden ingediend. Het ligt voor de hand om bij het invullen daarvan zoveel mogelijk aan te sluiten bij de keuzes die in artikel 8 voor het indienen van de aanvraag om brede ondersteuning zijn gemaakt.
Artikel 20. Klachten Dit is een facultatief artikel dat de ruimte biedt om duidelijk te maken waar inwoners met klachten over de brede ondersteuning terecht kunnen. Ook als dit artikel niet wordt opgenomen kunnen inwoners hier vanzelfsprekend een klacht over indienen, de Algemene wet bestuursrecht biedt daar een algemene grondslag voor, maar het kan aanbeveling verdienen dat in de beleidsregels toch expliciet te maken. Bijvoorbeeld vanwege de wens een bijdrage te leveren aan het herstel van vertrouwen van de gedupeerden in de overheid.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
7/10
Artikel 22. Inwerkingtreding In dit artikel kan een keuze worden gemaakt tussen inwerkingtreding na bekendmaking of inwerkingtreding op een bepaalde datum. Met name als er op dit moment al beleidsregels gelden, kan een bepaalde datum wenselijk zijn. Er is dan meer duidelijkheid over welke beleidsregels op welk moment gelden. Het kan dan overigens ook aanbeveling verdienen om overgangsrecht toe te voegen. Bijvoorbeeld door te bepalen dat de oude beleidsregels blijven gelden voor aanvragen waar vóór inwerkingtreding van deze beleidsregels op is beslist. Als geen overgangsrecht wordt opgenomen dan hebben de beleidsregels onmiddellijke werking en gelden ze voor alle aanvragen die voor brede ondersteuning zijn gedaan.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
8/10
4. Format beslisnota Ontwerp besluit Het college besluit: De beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen voor de gemeente [naam gemeente] vast te stellen. Inleiding Sinds september 2020 ondersteunen gemeenten mogelijk gedupeerde ouders via de brede ondersteuning. Gemeenten zagen zich sindsdien geconfronteerd met een forse toename van het aantal aangemelde ouders (van 8.500 naar ruim 68.000), met nieuwe doelgroepen, met een zeer lange looptijd van de beoordeling en het financieel herstel door UHT en een veranderde, steeds complexere en terugkerende vraag van ouders. Om die reden heeft de VNG samen met gemeenten, ouders en ketenpartners, in het voorjaar van 2024 een verkenning uitgevoerd om de brede ondersteuning toekomstbestendig in te richten. De verkenning heeft geresulteerd in een viertal verbetermaatregelen, waaronder het harmoniseren van het hulpproces, de duur en de looptijd van de brede ondersteuning. Deze verbetermaatregelen zijn per 1 januari 2025 verankerd in de Wet hersteloperatie toeslagen. Gelijktijdig met de invoering va de wetswijziging heeft de spoedadviescommissie van Dam onderzocht en geadviseerd op welke wijze de hersteloperatie toeslagen verder verbeterd en versneld kan worden. Eén van de adviezen ziet toe op de brede ondersteuning.
De adviescommissie constateert dat de verschillen in de brede ondersteuning tussen gemeenten wringen met het gelijkheidsbeginsel en zorgen voor veel frustratie bij ouders. Daarom adviseert de commissie om het kader waarbinnen gemeenten toeslagenouders helpen te harmoniseren en vast te leggen. In reactie op het advies hebben gemeenten onder meer aangegeven zelf het initiatief te willen nemen ten aanzien van de aanbeveling om de brede ondersteuning te harmoniseren. Het voorliggende model beleidsregels is hiervan één van de resultaten. De VNG-commissie heeft op 15 mei jl. ingestemd met het advies aan alle gemeenten om de model-beleidsregels zo spoedig mogelijk te incorporeren in hun eigen beleid. De modelbeleidsregels zijn een belangrijke stap op weg naar een eenduidige uitvoering van de brede ondersteuning door gemeenten. Gemeenten verwachten daardoor minder onduidelijkheid en onrust in de gemeentelijke spreekkamers. Beoogd effect Het college van de gemeente [naam gemeente] is, van mening •
Dat het onwenselijk is dat ouders, kinderen en hun gezinnen onduidelijkheid of onrust ervaren wanneer zij brede ondersteuning ontvangen;
•
Dat de beleidsregels bijdragen aan uniformiteit en rechtsgelijkheid;
•
Dat de beleidsregels bijdragen aan transparantie en duidelijkheid, waardoor ouders beter weten waar ze aan toe zijn;
•
Dat het vaststellen van beleidsregels bijdraagt aan consistente besluitvorming en daarmee aan het vertrouwen in de overheid;
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
9/10
•
Dat de beleidsregels voldoende ruimte over laten voor het bieden van maatwerk, zodat recht wordt gedaan aan de individuele behoeften en situatie.
•
Dat de beleidsregels invulling geven aan het advies van de commissie van Dam om de brede ondersteuning tussen gemeenten te harmoniseren.
Risico’s De risico’s die kunnen ontstaan is dat wanneer andere gemeenten in de regio deze beleidsregels niet vaststellen, er nog steeds verschil in afweging tussen gemeenten onderling zal zijn. Financiën Het vaststellen van de beleidsregels heeft geen financieel gevolg. Gemeenten worden volledig financieel gecompenseerd vanuit het rijk voor de uitvoering van de brede ondersteuning. Communicatie Na het vaststellen van de beleidsregels zullen deze met de betrokken uitvoerders worden besproken.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
10/10
Aan: de Gemeenteraad Betreft: Leveren van maatwerk voor Q-koortspatiënten ’s-Hertogenbosch, 26 mei 2025
Geachte leden van de Gemeenteraad, Vorig jaar heeft de Nationale Ombudsman voor de derde keer onderzoek gedaan naar de gevolgen van Q-koorts. Hij constateerde een groot verschil in de ondersteuning die gemeenten Q-koortspatiënten bieden. De ene gemeente vergoedt bepaalde hulp, terwijl een andere gemeente dat niet doet. De Ombudsman roept gemeenten daarom op om Q-koortspatiënten gemakkelijker aanspraak op voorzieningen te laten maken. Nazorgorganisatie Q-support sluit zich hierbij aan en biedt hulp om dit in uw gemeente te realiseren. Wij hebben het college van B&W in april benaderd met het verzoek om het onderwerp te agenderen en de betreffende afdeling opdracht te geven om met dit onderwerp aan de slag te gaan. Graag willen we u als gemeenteraad eveneens informeren en u vragen dit onderwerp te adresseren. Q-koorts In Nederland brak tussen 2007 en 2010 de grootste Q-koortsepidemie ter wereld uit. Tussen de 50.000 en 100.000 mensen raakten besmet. Duizenden mensen werden ziek (acute Q-koorts) en meer dan honderd stierven. Van de acute Q-koortspatiënten hield zo’n 20% langdurige klachten. Zij kregen het Q-koortsvermoeidheidssyndroom (QVS). Daarnaast kreeg zo’n 2% chronische Q-koorts. Zij blijven de levende bacterie bij zich dragen wat gevaar oplevert voor hart en vaten. Nog dagelijks ervaren patiënten ernstige gevolgen van de besmetting met Q-koorts.
Hun gezondheidsklachten zijn groot en hebben enorme invloed op hun kwaliteit van leven. Velen hebben hun baan verloren en zijn moeilijk in staat te participeren. Armoede en eenzaamheid liggen op de loer. Wist u dat er elk jaar nog nieuwe Q-koortspatiënten bij komen? Vanwege een nieuwe besmetting of omdat de relatief onbekende ziekte pas laat wordt ontdekt. Onlangs zijn er bij een regionaal bevolkingsonderzoek nog 55 verdenkingen van chronische Q-koorts opgespoord. Wat kunt u als gemeente doen? Q-koortspatiënten ervaren al vele jaren klachten als ernstige vermoeidheid, spier- en gewrichtspijn, PEM (verergering van klachten na inspanning), hoofdpijn, duizeligheid, wazig zien, concentratieverlies, slaapproblemen, et cetera. Hierdoor kunnen zij vaak het huishouden onvoldoende zelf doen, is de afstand van de parkeerplaats naar winkels te lang, is er behoefte aan beweging binnen hun fysieke grenzen en aan zinvolle dagbesteding. Vaak heeft ook de mantelzorger na al die jaren behoefte aan een steuntje in de rug. Voor patiënten met de geschetste problematiek is het aanvragen van voorzieningen een uitdaging. Steeds opnieuw uitleg geven over hun (vaak onzichtbare) beperkingen,
gemeentelijk beleid doorgronden en ambtelijke taal begrijpen is voor hen niet of nauwelijks op te brengen. En vaak moet het elk jaar weer opnieuw. Deze situatie kunt u veranderen. Aanbod Q-support Door jarenlange ervaring met Q-koortspatiënten staat Q-support u graag met raad en daad bij: - individueel advies aan uw beleidsadviseur voor aanpassingen WMO; - informatiebijeenkomst voor Q-koortspatiënten in uw gemeente; - scholing over Q-koorts en andere postinfectieuze aandoeningen waaronder postCOVID zodat uw ambtenaren meer inzicht krijgen in de beperkingen en benodigde voorzieningen. Post-COVID In 2020 werd de wereld opgeschrikt door de coronapandemie. Ook de gevolgen hiervan zijn voor velen nog niet voorbij. Naar schatting 450.000 mensen hebben post-COVID, waarvan 90.000 kampen met zeer ernstige gezondheidsklachten, vergelijkbaar met die van Q-koortspatiënten. Beide ziektebeelden vertonen veel overeenkomsten en worden net als de ziekte van Lyme postinfectieuze aandoeningen of Post Acuut Infectie Syndroom (PAIS) genoemd. Handreiking Aanpassingen die u voor Q-koortspatiënten kunt doorvoeren, zijn ook voor deze groepen patiënten relevant. Q-support werkt om deze reden in afstemming met de VNG en het ministerie van VWS aan een handreiking voor gemeenten met daarin ondersteuningsmogelijkheden en procesaanpassingen. De verwachting is dat de handreiking voor de zomer gereed is.
Q-support doet een beroep op u als gemeenteraad om het leveren van maatwerk voor Qkoortspatiënten prioriteit te geven binnen uw gemeente. Een groep die al 15 jaar wacht op erkenning van hun problematiek. We hopen dat u de betreffende afdeling aanzet contact op te nemen met Q-support. Wij helpen uw gemeente graag kosteloos verder: via e-mail info@q-support.nu of telefonisch: 073 – 610 00 10. Met vriendelijke groet,
Annemieke de Groot, Bestuurder Q-support www.q-support.nu Bijlage: Oproep van de Nationale Ombudsman en voorbeelden uit de praktijk van de gemeente Meijerijstad en de gemeente Den Bosch.
Oproep van de Nationale Ombudsman en voorbeelden uit de praktijk van de gemeente Meijerijstad en de gemeente Den Bosch.
Ombudsman Renier van Zutphen: "Het is nu echt tijd dat de overheid zijn verantwoordelijkheid pakt en niet dezelfde fouten maakt als in het verleden. Het is tijd dat we Q-koortspatiënten weer een toekomstperspectief geven. Er zijn parallellen te trekken tussen Q-koorts en post-COVID. Neem dit ook mee in de huidige onderzoeken die worden gedaan. Leer van deze uitbraken, deel ervaringen en vergeet de Q-koortspatiënt niet.” Rapport Ombudsman
Wethouder Pieter Paul Slikker van de gemeente Den Bosch:
Corry van Noort- Meesters, regisseur van sociaal team Veghel:
“Als gemeente Den Bosch proberen we het goede te doen voor inwoners getroffen door Q-koorts. Een bewegingsprogramma op maat, of het nu zwemmen, fysio of yoga is. Medewerkers scholen over Q-koorts zodat ze weten hoe groot de impact is. Een steuntje in de rug bieden met hulp uit de WMO. Jaarlijks om tafel met alle inwoners met Q-koorts om onze ondersteuning te verbeteren.”
“De gemeente Meierijstad ondersteunt lotgenotenbijeenkomsten van harte. Dat gaat verder dan de ruimte en koffie en thee. Ook als er andere zaken nodig zijn, kunnen ze bij ons aankloppen. En als het nodig is, schuift één van onze WMO-consulenten aan. Bijzonder is ook dat Meierijstad nog altijd het beweeg-programma voor Qkoortspatiënten financiert. Wij hebben QVS als ziekte erkend en daar handelen we ook naar.”
Brabants Dagblad
Website Q-support
Taalhuis Walcheren Jaaroverzicht 2024
Inleiding In Nederland hebben 3,3 miljoen mensen van 16 jaar en ouder moeite met lezen, schrijven en/of rekenen. Dat is ongeveer een op de vijf mensen! Je bent als volwassene laaggeletterd, als je moeite hebt met lezen, schrijven en/of rekenen. Vaak heb je dan ook beperkte digitale vaardigheden. Dan vind je bijvoorbeeld het omgaan met een computer of een smartphone lastig. Niet goed kunnen lezen, schrijven en/of rekenen heeft gevolgen. Je vindt mogelijk minder snel een baan of hebt minder grip op je geldzaken. Een volwassene die laaggeletterd is, is geen analfabeet. Een laaggeletterde kan wel lezen en schrijven, alleen niet goed genoeg om helemaal mee te doen in de samenleving. Nieuwe taalleerders worden uitsluitend aangemerkt als laaggeletterd als zij hun eigen of andere taal ook niet goed beheersen. Nederlands leren wordt dan een nog grotere uitdaging. Het niet goed beheersen van de taal die in je omgeving wordt gesproken, heeft een grote psychische impact. Het is moeilijk om de wereld waarin je leeft te begrijpen: de inhoud van een gesprek, een grapje (of was het geen grap?), de brief met een betalingsachterstand, de veiligheidsvoorschriften op je werk. Het geeft een gevoel van ‘niet echt meedoen’, van ‘er niet toe doen’, van onmacht. Vanuit dat gevoel van achterstand is het extra moeilijk om hulp te vragen bij het beter leren van de taal.
Daarom heeft Taalhuis Walcheren zich ook in 2024 weer ingezet om bekendheid te geven aan de mogelijkheden van ‘leuk leren’. In 2024 heeft Taalhuis Walcheren de projecten en activiteiten verder verdiept en uitgewerkt. In dit verslag zijn onder andere de bezoekersaantallen opgenomen die alweer een stijging laten zien ten opzichte van vorig jaar. Het is prachtig dat we zoveel mensen weten te bereiken. Ook stelt dat ons keer op keer voor uitdagingen. In dit verslag lees je hierover meer. Leren mag leuk zijn!
Inhoudsopgave Activiteiten..................................................................................4 Aantal bezoeken. .........................................................................6 Doorverwijzingen naar Taalhuis......................................................7 Personeel....................................................................................8 Wat hebben we gerealiseerd..........................................................9 Nieuw....................................................................................... 12 Samenwerkingen. ...................................................................... 15 Uitdagingen............................................................................... 16 Trots. ....................................................................................... 16 Cursist Saqr aan het woord. ........................................................ 17 Vooruitblik 2025......................................................................... 18
3
Activiteiten
Vlissingen
Maandag
Dinsdag
Woensdag
Donderdag
Vrijdag
Taalloket Vlissingen
Computerles Vlissingen
Taalloket Vlissingen
Computerles Vlissingen
Computerles Vlissingen
Leesclub niveau 1 Vlissingen
Taalcafé Vlissingen
Oefenuren Vlissingen
Leesclub Niveau 2 Vlissingen
Oefenuren Vlissingen
Oefenuren Vlissingen Veere
Taalloket ZBBUZZ Veere
Taalloket ZBBUZZ Veere Computerles Dorpshuis Grijpskerke
Middelburg
Taalloket Middelburg
Taalloket Middelburg
Computerles Middelburg
Oefenuren Middelburg
Taalcafé Middelburg
Avondles Middelburg Taalatelier Pennywafelhuis
Individuele Taalgroep taalbegeleiding
2 Taalgroepen: 2 Taalgroepen, Taalgroep met kortgeschoold waaronder 1 Oekraïners (A0/A1) vrouwengroep A2-groep (o.a. kortgeschoolde oudkomers)
’s Middags ’s Middags individuele individuele taalbegeleiding taalbegeleiding
4
Individuele taalbegeleiding
Toelichting: De Taalloketten zijn de basis van het Taalhuis en de start van alle trajecten, intern of extern. Iedereen met een vraag over taal is welkom aan het loket, mensen die Nederlands (beter) willen leren en mensen die zich willen inzetten als taalvrijwilliger. Tijdens een kennismakingsgesprek wordt vastgesteld wat iemand wil (of soms moet), welk niveau de taalvrager heeft en welke activiteit hierbij aansluit. De bezoeker kan ingedeeld worden in een activiteit van het Taalhuis zelf, of doorgeleid worden naar een externe partij zoals Scalda, Dunya en Gilde Samenspraak. Ook een combinatie van activiteiten is mogelijk. Regelmatig krijgen we de vraag van deelnemers om zowel in Vlissingen als in Middelburg deel te nemen aan activiteiten. Dat enthousiasme moeten we helaas temperen, omdat we zoveel mogelijk mensen willen laten deelnemen aan de activiteiten. Verder laat het overzicht zien dat er in Vlissingen bepaalde activiteiten vaker worden aangeboden dan in Middelburg. Het aantal bezoeken neemt echter niet altijd evenredig toe bij deze vaker aangeboden activiteiten. De verklaring hiervoor ligt in de beschikbare en werkbare ruimte. Helaas is de ruimte in Vlissingen beperkt. In Middelburg is meer ruimte beschikbaar. Hierdoor kunnen activiteiten praktischer ingericht worden en meer personen op hetzelfde moment deelnemen aan activiteiten.
De toekomstige verhuizing van ZB Vlissingen naar de Machinefabriek, biedt ook Taalhuis Walcheren bredere opties ten aanzien van de indeling van activiteiten.
5
Aantal bezoeken Cursisten
Middelburg
Vlissingen
Veere
Taalloket
269
272
Taalcafé
447 (39X)
435 (39X)
Oefenuren
810 (38x)
1174 (85x)
Leesclub
106
364 (85X)
Avondles
186
Digitaal
726
722
96 (7x)
61 (3x)
Taalhuis-gerelateerde rondleidingen door de Bibliotheek Taalatelier + oefenuren Pennywafelhuis Mama & kind-Atelier Pennywafelhuis
195
920 (41x) 190 (38x)
Nieuwe taalvrijwilligers Middelburg
Vlissingen
Veere
26
2
40
30
20
10
0
11
32 is
u alh
f wa y nn
Ta 6
Pe
is
u elh
is
Ta
u alh
is
Ta
u alh
Doorverwijzingen naar Taalhuis Walcheren Cursisten weten niet altijd uit zichzelf de weg naar het Taalhuis te vinden. Regelmatig worden zij door hun omgeving gewezen op de mogelijkheden of door een andere organisatie of instantie doorverwezen. Het blijft daarom belangrijk en noodzakelijk om het Taalhuis onder de aandacht te brengen, zodat niet alleen de cursisten hier direct van het aanbod van Taalhuis Walcheren op de hoogte worden gebracht, maar ook de doorverwijzers. In 2024 werd het hoogste percentage van de doorverwijzingen gedaan door het AZC, vrienden en familie en Scalda, namelijk 50%. Van de doorverwijzingen kwam 17% door een bezoek aan de Bibliotheek of de website van Taalhuis Walcheren en 33% van doorverwijzingen kwam via Orionis, Startpunt ik wil leren, Inburgeringsregisseurs Gemeente Vlissingen, Werkgevers, Blijf van mijn lijf-huis, VoorleesExpress of via andere cursisten of taalactiviteiten.
7
Personeel 44 Vrijwilligers o.a. Taalcafés, Leesclubs, oefenen taal en rekenen in Middelburg. 3 Coördinatoren Jacolien Boogaard, Ricardo Maas, Henk Kosters: houden zich bezig met alle praktijkgerichte zaken. Dit kan de begeleiding van vrijwilligers zijn, intakegesprekken met taalvragers, maar het kan ook over de actualisering van het cursusaanbod en het cursusmateriaal gaan. Specialist basisvaardigheden Jessica van der Heijden: versterkt en professionaliseert het Taalloket en de Taalactiviteiten. 2 Inhoudelijke deskundigen via Scalda Annemarike Ruitenbeek, Ginny Tevel: begeleiden o.a. de NT1-taalvragers, begeleiden bij het oefenen Taal en Rekenen en organiseren samen met de projectleider netwerkdagen waar herkennen, adviseren en samenwerken speerpunten zijn. Totaal 12 uur per week. Coördinator Taalatelier Pennywafelhuis Maria van Zweden, Taaldocent. Zzp Taaldocent Inge Lefèvre: oefenen taal rekenen in Vlissingen. Coordinator Mama & kind-Atelier Jenifer Aravena Torres (gefinancierd door coalitie Kansrijke Start Middelburg) Inzet ZB Marianne Goedhart, Administratief werk, afdeling Communicatie (tekstredactie en lay-out) en HR. Projectleider Carla van Goudswaard: werkt overkoepelend en concentreert zich met name op het netwerk en projecten.
8
Wat hebben we gerealiseerd Professionalisering van het Taalloket Voor de professionalisering en continuering van het Taalloket en taalactiviteiten in Vlissingen hebben we een fijne, nieuwe collega gevonden: Jessica van der Heijden. Voorheen werden alle spreekuren aan het Taalloket door vrijwilligers gedaan. Het bleek steeds lastiger om deze uren te bemensen. Dat is niet voor niets. Degene die deze functie vervult moet over veel kennis en vaardigheden beschikken. De communicatie is vaak een uitdaging: sommige bezoekers spreken geen enkel woord Nederlands of Engels. In het land van herkomst worden opleidingen anders genoemd: zo wordt het voortgezet onderwijs aangeduid als de Universiteit. Om met beperkte communicatieve middelen dan het niveau te bepalen is al best lastig. En daarnaast is het zeer wenselijk dat het actuele taalaanbod bekend is. Naast de zeer kundige en gedreven vrijwilligers is de invulling van het Taalloket nu beter geborgd. Netwerkbijeenkomsten Er was en er is nog steeds veel belangstelling voor onze in 2024 gestarte netwerkbijeenkomsten. Wat een meerwaarde heeft het om mensen met verschillende professionele achtergronden samen te voegen! De netwerkbijeenkomsten werden bezocht door o.a. loketmedewerkers, mensen uit de buurtteams, Vizita, gemeenten, bewindvoerders, GGDmedewerkers en Orionis.
Opvallend was dat een groot deel van de deelnemers niet wist wat het Taalhuis doet. Dit is een belangrijke eerste stap in het proces van herkennen van een taalbehoefte naar het doorgeleiden naar het Taalloket.
9
Wat hebben we gerealiseerd GGD Heinkenszand Workshop Gezinsaanpak: talige interactie Wordt er in een gezin aandacht besteed aan taal? Het maakt niet veel uit of dit Nederlands is of een andere taal. Kinderen leren door communicatie: praten, benoemen, voorlezen. Zijn ouders wel voldoende toegerust om hier invulling aan te geven in het gezin? In de workshop van de ZB en Taalhuis Walcheren is aandacht gegeven aan deze vragen. Richtlijnen hoe je als consulent dit ter sprake kan brengen en kan verwijzen naar onder andere het Taalhuis. Aandacht voor geletterdheid in de Week van Lezen en Schrijven Geletterd zijn is fijn! Hoe groter de woordenschat, des te meer mogelijkheden je hebt om uit te leggen wat je bedoelt. Daardoor wordt er beter naar je geluisterd. Wie wil dat nu niet? In sommige situaties kan dit zelfs van levensbelang zijn. Stel je maar eens voor dat je bij de huisarts komt en geen woorden hebt om je klachten uit te leggen. Of medicatie voorgeschreven krijgt, maar je de bijsluiter niet kunt lezen en niet begrijpt hoe je de medicijnen moet gebruiken. In de Week van Lezen en Schrijven hebben we op ludieke wijze aandacht gevraagd voor het leuke en het verbindende van woorden. Op een letterbord in ZB Vlissingen en ZB Middelburg, konden bezoekers hun woorden laten aansluiten op de al gevormde woorden. Aan het einde van de week was er een grote woordenwolk zichtbaar.
10
Cultuursensitief Mensen uit andere landen, met andere culturen en omgangsvormen, reageren soms heel anders dan in Nederland. Dat kan voor verwarring zorgen in een gesprek. In bepaalde landen is het uitermate onbeleefd om ‘nee’ te zeggen. Mensen uit die landen zullen vragen vaak met ‘ja’ beantwoorden. ‘Begrijp je wat ik zeg?’ ‘We spreken om 9.00 uur af. Zul je er zijn?’ ‘Gaat het goed met je?’. Wanneer je iemand begeleidt met een andere culturele achtergrond, is het erg fijn om te weten waarom mensen reageren zoals ze doen. In het mooiste geval kun je er samen om lachen en er een weg in vinden.