25-022 Bijlage 2. Antwoordnota ontwerpbestemmingsplan en ontwerpomgverg DEF 24-12-2024
Tekst van het document
De bebouwing is precies zo ingetekend dat het uitzicht vrijwel geheel wordt weggenomen en zou worden gedomineerd door het zicht op een zijgevel met een lengte van 15 meter op korte afstand. Betrokkenen wijzen er voorts op dat de te bouwen woningen zullen verspringen zodat het totaal van de bebouwing dieper wordt en daarmee nadeliger voor omliggende percelen. Zij zijn van mening dat een dergelijke ruimtelijke keuze niet noodzakelijk is voor het realiseren van woningen en ook niet ten koste moet gaan van het woongenot en de gebruiksmogelijkheden van de omliggende woningen. Het plan wordt verder op geen enkele wijze ruimtelijk ingepast. Betrokkenen zien in dat het bouwplan voorziet in een woningbehoefte, maar naar hun mening wordt deze - gezien de geringe afstand tot hun perceel en de hoogte van de gevel - onevenredig afgewenteld op het bestaande woon- en leefklimaat. Betrokkenen merken aanvullend op dat de bouwvlakken, afgaande op de ter inzage gelegde omgevingsvergunning, te ruim zijn ingetekend. Zij zijn van mening dat de bouwvlakken zoals deze in het vigerende bestemmingsplan zijn opgenomen een veel evenwichtigere verdeling van bebouwing laten zien welke zich verhoudt tot de omliggende omgeving. Zij zouden dan ook graag zien dat de bestaande bouwvlakken worden benut.
Beantwoording Zoals betrokkenen terecht opmerken, biedt het thans voorliggende bestemmingsplan de mogelijkheid tot het bouwen van woningen met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 9,5 meter. De initiatiefnemer heeft gekozen voor eigentijdse woningen met daarbij passende maatvoering. Uiteindelijk is het idee van lintbebouwing haaks op de Noordweg een eigentijds koppelstuk geworden tussen de bebouwing aan de Noordweg en de Willem Arondeusstraat (woningen met kap). Er is gezocht naar woningen van 2,5 bouwlaag met kap en dat heeft geresulteerd in woningen met een goot- en bouwhoogte zoals aangegeven op de bij de omgevingsvergunning behorende tekeningen. Men is voornemens om compact te bouwen in lintvorm en dat heeft gevolgen voor de hoogte van de woningen. Betrokkenen merken op dat bijna de volledige breedte van het plangebied tot bouwvlak wordt gemaakt. Wij volgen hen in de redenering dat het voorliggende bouwplan afwijkt van de bebouwingsmogelijkheden op grond van het thans vigerende bestemmingsplan “Noordweg”. Er is echter tot op heden nooit een concreet bouwplan ingediend dat invulling geeft aan de bouwmogelijkheden van het thans geldende bestemmingsplan. Hoewel het voorliggende bouwplan afwijkt van de huidige bebouwingsmogelijkheden op het perceel, zijn wij van mening dat onderhavig plan beter aansluit bij de omgeving.
Er blijft namelijk meer open ruimte in de kern en de bebouwing vindt meer aansluiting op de bestaande infrastructuur. Voorts bevinden zich diverse woningen in de directe omgeving van het plangebied met een vergelijkbare goot- en bouwhoogte. De gehanteerde goot- en bouwhoogte van de beoogde woningen is aldus niet ongebruikelijk in deze buurt en daarmee is het bouwplan passend in de omgeving. Met betrokkenen zijn wij eens dat het bouwplan in enige mate tot een verandering van het woon- en leefklimaat van betrokkenen zal leiden. Van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat is echter geen sprake. Indien uitvoering zou worden gegeven aan de bouwmogelijkheden op grond van het thans vigerende bestemmingsplan “Noordweg” zouden de vrijstaande woningen op een grotere afstand van het perceel van betrokkenen worden gerealiseerd dan de voorziene woningen aan de oostzijde van
40
het perceel. De garageboxen zouden echter op een kortere afstand van het perceel van betrokkenen kunnen worden gerealiseerd dan de voorziene meest oostelijk gelegen woning. Wij realiseren ons dat betrokkenen thans een onbelemmerd zicht hebben op het perceel en de hoogte van de voorziene woningen hoger is dan de maximale bouwhoogte van de op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane garageboxen. In die zin zullen zij als gevolg van de realisatie van de beoogde woningen in enige mate aan uitzicht inboeten. Wij zijn echter van mening dat het bouwplan geen onevenredige nadelige gevolgen heeft voor wat betreft het uitzicht van betrokkenen. Ten eerste wijzen wij op het gegeven dat uit de bij de omgevingsvergunning behorende tekeningen blijkt dat de drie woningen in het tweede blok een feitelijke bouwhoogte zullen krijgen van 9,2 meter. Anders dan betrokkenen veronderstellen, bedraagt de lengte van de zijgevel van de meest oostelijk gelegen woning iets meer dan 11 meter in plaats van 15 meter. Betrokkenen merken terecht op dat de oostelijk deel van het bouwvlak gelegen is op een afstand van circa 6 meter van hun perceelsgrens. De kortste afstand van de perceelsgrens van betrokkenen tot het bouwvlak bedraagt echter circa 8 meter, gerekend vanaf het deel van het erf met woonbestemming.
De afstand van de achtergevel van de woning van betrokkenen tot het bouwvlak bedraagt meer dan 20 meter. Onzes inziens zijn voornoemde afstanden niet ongebruikelijk dan wel onredelijk in een stedelijk gebied. Voorts is enig verlies van uitzicht in een stedelijk gebied niet volledig uit te sluiten. Overigens bestaat ook geen recht op een blijvend vrij uitzicht. Het enkele feit dat betrokkenen in zekere mate aan uitzicht inboeten, maakt niet dat het plan geen doorgang kan vinden. Na afweging van alle belangen concluderen wij dat de belangen die gediend zijn met de beoogde ontwikkeling zwaarder wegen dan de belangen van betrokkenen. Betrokkenen wijzen ons erop dat het bouwvlak, gelet op de ter inzage gelegde omgevingsvergunning met de daarbij behorende stukken, te ruim is ingetekend. Deze opmerking is voor ons aanleiding om het bouwvlak aan te passen in die zin dat de contouren van de feitelijke bebouwing worden gevolgd.
Volledigheidshalve verwijzen wij - in aanvulling op het vorenstaande - nog naar onze reacties op zienswijze 1 (kopje beantwoording), zienswijze 2 (kopje beantwoording - hoogte te bebouwen gronden, zienswijze 4 (kopje beantwoording - toelaatbaarheid zeven woningen en toetsing omgevingsvergunning), zienswijze 6 (kopje beantwoording - aansluiting bouwplan bij bestaande bebouwing in omgeving) en zienswijze 8 (kopjes beantwoording in reactie op de onderdelen ‘samenvatting aanvraag’ en ‘samenvatting afwijkingen huidig bestemmingsplan’). Samenvatting overmatige bebouwing A. Het bouwvlak voor de woningen - geen aansluiting bij lintbebouwing Noordweg Betrokkenen geven aan dat in paragraaf 4.1.1 van de toelichting op het bestemmingsplan het volgende wordt overwogen: “Waarborging van de herkenbaarheid van de lintstructuur is gewenst. De voorgenomen woningbouw vormt een afronding van de Willem Arondeusstraat die dwars op het bebouwingslint van de Noordweg ligt. Hierdoor blijft het bebouwingslint van de Noordweg goed herkenbaar. Met het ontwerp van de woningen is rekening gehouden met de kenmerken en bouwhoogte van de bebouwing langs de Noordweg.” Voornoemde stellingen zijn volgens hen onjuist. De woningen aan de Noordweg die direct ten westen van het bouwvlak in het plangebied zijn gesitueerd hebben namelijk een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 8 meter.
De bebouwingsmogelijkheden in het nieuwe bestemmingsplan wijken daar, zowel in hoogte als in diepte en vooral voor de hoekwoningen, van af. De bouwmogelijkheden passen nergens in de lintbebouwing. De bebouwing staat er pontificaal middenin en dwars op zowel de lintbebouwing aan de Noordweg als die aan de Willem Arondeusstraat. Feitelijk wordt áchter de lintbebouwing een tweede reeks bebouwing toegelaten die qua afmetingen zo groot is dat deze bebouwing detoneert en domineert. De lintstructuur wordt aangetast en blijft niet herkenbaar. Er is niet dragend onderbouwd hoe deze bebouwing in de bestaande lintstructuur ruimtelijk passend is. Beantwoording Allereerst wijzen wij erop dat de planlocatie geen deel uitmaakt van de lintbebouwing aan de Noordweg. Het plangebied betreft een locatie tussen bestaand bebouwd gebied waar overigens op grond van het op dit moment geldende bestemmingsplan reeds bebouwing mogelijk is in de vorm van onder andere drie vrijstaande woningen met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 10 meter. Zoals reeds is opgemerkt onder het kopje ‘beantwoording’ in reactie op het onderdeel ‘A. Het bouwvlak voor de woningen - bouwvlak onevenredig groot’, heeft de initiatiefnemer ervoor gekozen om compact te bouwen in de vorm van lintbebouwing haaks op de Noordweg. Er wordt geclusterd gebouwd en de woningen variëren in grootte.
Feitelijk is sprake van een eigentijds koppelstuk tussen de bebouwing aan de Noordweg en de Willem Arondeusstraat waarmee de herkenbaarheid van de lintstructuur van de Noordweg wordt gewaarborgd.
41
Betrokkenen merken terecht op dat de woningen aan de Noordweg, direct ten westen van het bouwvlak in het plangebied, op grond van het thans geldende bestemmingsplan “Noordweg” een maximale gooten bouwhoogte hebben van respectievelijk 4 en 8 meter. De voorziene woningen zullen inderdaad hoger worden dan de woningen aan de Noordweg 132 tot en met 156. Anders dan betrokkenen wellicht veronderstellen, is het geen vereiste dat de te realiseren woningen qua hoogte overeenstemmen met de woningen aan de Noordweg 132 tot en met 156. Van belang is dat de beoogde woningen passend zijn in de omgeving. In de directe nabijheid van de planlocatie bevinden zich meerdere woningen met een hogere goot- en bouwhoogte. De maximale goot- en bouwhoogte van de woningen aan de Willem Arondeusstraat 15 tot en met 53 en 2 tot en met 38 bedraagt bijvoorbeeld respectievelijk 6 en 10 meter. De maximale goot- en bouwhoogte van de woningen aan de Noordweg 116 tot en met 126 en 160 tot en met 166 bedraagt eveneens respectievelijk 6 en 10 meter. Het perceel Noordweg 128 ligt ingeklemd tussen de Noordweg en de Willem Arondeusstraat. Deze straten kennen verschillende woningtypen en bouwvormen.
Hoewel de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte van de zeven te realiseren woningen hoger is dan de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte van de naastgelegen rij woningen aan de Noordweg (132 tot en met 156), betekent dit niet dat de woningen qua hoogte niet aansluiten bij de bestaande bebouwing aan de Noordweg. Aan de Noordweg zijn immers meerdere woningen met een vergelijkbare goot- en bouwhoogte gelegen. Zoals eveneens al is aangegeven onder het kopje ‘beantwoording’ in reactie op het onderdeel ‘A. Het bouwvlak voor de woningen - bouwvlak onevenredig groot’, zal het bouwvlak worden aangepast zodat de contouren van de feitelijke bebouwing worden gevolgd. Het bouwvlak sluit daarmee qua diepte nog beter aan bij de bouwvlakken van nabijgelegen percelen. In aanvulling op het vorenstaande verwijzen wij kortheidshalve nog naar hetgeen wij in reactie op zienswijze 3 (kopje ‘beantwoording’ in reactie op het onderdeel ‘samenvatting beschermd stads/dorpsgezicht’) hebben opgemerkt. Gelet op het hiervoor overwogene en hetgeen in paragraaf 4.1.1 van de plantoelichting bij het bestemmingsplan is vermeld, kan het betoog van betrokkenen dat de lintstructuur wordt aangetast niet worden gevolgd. Samenvatting overmatige bebouwing B.
Bouwen buiten het bouwvlak Op grond van artikel 5.2 van de planregels is het toegestaan om buiten het bouwvlak bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde, op te richten. Betrokkenen menen dat de bouw van die bouwwerken, evenals de oprichting van vergunningvrije bouwwerken, zorgt voor onwenselijke verstening van het gebied. Het plan zou daarom moeten voorzien in regels die het bouwen van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak verbieden en de wijziging van de bestemming buiten dat bouwvlak zodat het perceel buiten het bouwvlak geen erf is waardoor ook geen vergunningvrije bouwwerken kunnen worden opgericht. Het ontwerpplan staat de facto woningen toe in de tweede linie zonder dat scherp lijkt te zijn omkaderd wat daar precies aan bebouwing wenselijk is. Beantwoording Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening achten wij een inperking van de mogelijkheden tot vergunningvrij bouwen dan wel een inperking van de mogelijkheid tot het bouwen van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak niet gerechtvaardigd. Om deze reden komen wij dan ook niet tegemoet aan dit verzoek van betrokkenen. Van belang is dat dergelijke bouwwerken een beperkte hoogte van niet meer dan vijf meter mogen hebben en de oppervlakte van dergelijke bouwwerken in het bebouwingsgebied gelimiteerd is.
Door deze beperkingen wordt voorkomen dat het achtererf voor een te groot deel wordt bebouwd. Zoals wij reeds hebben opgemerkt, zien wij evenmin aanleiding om het bouwen van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak te verbieden. Gelet op het bepaalde in artikel 5.2.3 van de planregels mogen bijbehorende bouwwerken met een beperkte hoogte van niet meer dan 4,5 meter worden opgericht. Ook is de gezamenlijke oppervlakte van dergelijke bouwwerken gelimiteerd. In artikel 5.2.2, sub g, van de planregels is namelijk bepaald dat op een bouwperceel de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per woning ten hoogste 40 m² mag bedragen en ten hoogste 40% van de oppervlakte van de gronden buiten het bouwvlak van het betreffende bouwperceel. Voorts wijzen wij erop dat aan een aanzienlijk deel van het perceel een tuinbestemming is toegekend. Op deze manier is evenwichtige verdeling tussen bebouwing en groen geborgd, hetgeen een belangrijk punt van voorliggend bestemmingsplan is. Volledigheidshalve verwijzen wij nog naar onze reactie op onderdeel 7 van deze zienswijze (kopje ‘beantwoording’ in reactie op het onderdeel ‘samenvatting perceel betrokkenen’).
42
Samenvatting overmatige bebouwing C. (Het bouwvlak voor) de gezamenlijke berging Betrokkenen zijn van mening dat het onwenselijk is om achter op het perceel een berging met een dergelijke bouwhoogte toe te staan. Dergelijke hoge bebouwing welke overeenkomt met een kleine woning tast het uitzicht onnodig aan. Beantwoording Voorliggend bestemmingsplan staat een gezamenlijke berging toe met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 en 6 meter. Anders dan betrokkenen menen is deze maximale maatvoering niet onevenredig hoog. Van belang is dat het bouwvlak voor de schuur op een aanzienlijke afstand (meer dan 30 meter) van de perceelsgrens van betrokkenen is gesitueerd. Op grond van het thans vigerende bestemmingsplan “Noordweg” kan ten noordwesten van de woning van betrokkenen een vrijstaande woning met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 10 meter worden opgericht. Het bouwvlak van deze vrijstaande woning ligt op een kortere afstand (minder dan 30 meter) van het perceel van betrokkenen dan het bouwvlak van de beoogde berging. Aldus zou op kortere afstand een hoger bouwwerk kunnen verrijzen. Voorts is onzes inziens, net als in het huidige bestemmingsplan “Noordweg”, sprake van een evenwichtige verdeling tussen groen-, verkeers- en bebouwingsmogelijkheden.
Gelet op het voorgaande zijn wij van mening dat de bouw van een berging op deze locatie geen onevenredige nadelige gevolgen voor het uitzicht van betrokkenen heeft. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze leidt tot aanpassing van het bestemmingsplan in die zin dat het bouwvlak op de verbeelding wordt verkleind. Het bouwvlak wordt zodanig aangepast dat het de contouren van het feitelijke bouwplan waarvoor vergunning is gevraagd volgt. Samenvatting bezonning – belangenafweging Betrokkenen merken op dat in het bezonningsonderzoek van de bezonningsingenieur van 21 oktober 2022 wordt geconcludeerd dat de bouwcontouren die het ontwerpplan mogelijk maakt een nadelig effect hebben op de bezonning. Geconcludeerd wordt evenwel dat er geen onevenredige toename van schaduw ter plaatse van de woningen aan de Willem Arondeusstraat 15, 17 en 19 ‘lijkt' te zijn. Zij betwisten de juistheid van die conclusie. De conclusie rust volgens hen, afgaande op de tekst van het onderzoek, alleen op hele grove constateringen. De nadelige invloed is echter fors. Betrokkenen noemen diverse data en daarbij merken zij op in hoeverre het ontwerpplan een negatieve invloed heeft op de bezonning.
Betrokkenen maken uit het onderzoek op dat de zon op de achtergevel in de periode rondom februari/maart en september/oktober wordt weggenomen vanaf de namiddag en vrijwel in elke periode van het jaar schaduwwerking bestaat op tenminste een deel van hun perceel. Zij achten deze achteruitgang onevenredig en verwijzen naar punt 1A van de zienswijze. De negatieve effecten op de bezonning zijn het direct gevolg van de ruimtelijke keuze om een voor de omgeving uitzonderlijk diep bouwvlak mogelijk te maken en deze op een minimale afstand van bestaande percelen te projecteren. Zij menen dat geen sprake is van een evenwichtige belangenafweging. Nogmaals benadrukken zij dat zij de noodzaak tot het bouwen van woningen erkennen. Uit niets blijkt echter waarom het bouwplan niet kleiner kan worden gerealiseerd. Beantwoording Betrokkenen refereren aan het bezonningsonderzoek van de bezonningsingenieur van 21 oktober 2022 dat als bijlage bij het participatieverslag (bijlage 1 bij onderhavige nota) is gevoegd. Deze bezonningsstudie brengt de veranderende bezonningssituatie ter plaatse van de Willem Arondeusstraat 15, 17 en 19 in kaart. Naar aanleiding van de ontvangen zienswijzen hebben wij het bezonningsonderzoek laten actualiseren.
In het bijgevoegde bezonningsonderzoek van 23 mei 2024, eveneens verricht door de bezonningsingenieur, zijn de gevolgen van de voorziene ontwikkeling voor wat betreft de bezonning ter plaatse van de direct aan het perceel Noordweg 128 grenzende percelen aan de Noordweg en Willem Arondeusstraat inzichtelijk gemaakt. In de rapportage wordt onder meer ingegaan op de gevolgen van de realisatie van het bouwplan voor de bezonning ter plaatse van de woning van betrokkenen. In hoofdstuk 5 van voornoemde rapportage zijn de resultaten van zowel de kwantitatieve als visuele uitwerking van de bezonning opgenomen. Voor de beoordeling van de gevolgen van de voorziene ontwikkeling voor de mate van bezonning en schaduwwerking op onder meer het perceel van betrokkenen is aansluiting gezocht bij de lichte TNO-bezonningsnorm. Een gebouw voldoet aan de lichte
43
TNO-norm wanneer er gedurende twee uren per etmaal bezonning mogelijk is in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. Blijkens de in hoofdstuk 6 opgenomen samenvatting en conclusie voldoet de woning van betrokkene in zowel de bestaande als de nieuwe situatie aan de lichte TNO-bezonningsnorm. De bezonningsduur blijft op de meetpunten in de nieuwe situatie ruim boven de twee uur (ten minste 5 uur). Ter plaatse van de woning van betrokkene is in de nieuwe situatie gedurende delen van de normperiode later in de middag enige invloed te verwachten. De norm blijft echter voldoen en op 5 van de 9 peildata valt geen dan wel nauwelijks invloed te verwachten op de gevelopeningen aan de achterzijde. Ter plaatse van de achtertuin is gedurende de peildata eveneens enige invloed te verwachten, maar er blijft een aanzienlijke hoeveelheid bezonningsuren over. Betrokkenen betwisten de juistheid van de in de rapportage opgenomen conclusie en menen dat de nadelige invloed van de voorziene ontwikkeling fors is. Het betoog van betrokkenen en de door hen getrokken conclusies voor wat betreft de schaduwwerking op de genoemde peildata onderschrijven wij niet. Het biedt ons geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de bezonningsstudie, de begrijpelijkheid van de in deze studie gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop.
Uit de in de rapportage opgenomen resultaten (kwantitatieve bevindingen en de in bijlage 1 bij het rapport opgenomen simulaties van schaduwwerking op verschillende momenten) blijkt dat het bouwplan enige gevolgen zal hebben voor wat betreft de bezonning op het perceel van betrokkenen. Dit gegeven wordt door ons ook niet betwist. Anders dan betrokkenen achten wij de schaduwwerking op hun perceel - gelet op de in de bezonningsstudie vermelde bevindingen - beperkt. De gevolgen van het plan voor de mate van bezonning en de schaduwwerking zijn dan ook niet onaanvaardbaar voor hun woon- en leefklimaat. Zoals wij reeds hebben opgemerkt onder de kopjes ‘beantwoording’ in reactie op het onderdeel ‘A – het bouwvlak voor de woningen’, vinden wij de voorziene woningen qua omvang en hoogte passend in de omgeving. De woningen met de huidige maatvoering hebben blijkens de bezonningsstudie geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van betrokkenen. Wij zien derhalve geen reden om geen medewerking te verlenen aan het thans voorliggende plan met de aangegeven maatvoering. Na afweging van alle belangen concluderen wij dat de belangen die gediend zijn met de beoogde ontwikkeling zwaarder wegen dan de belangen van betrokkenen. Aan de wens van betrokkenen om het bouwplan kleiner te realiseren komen wij dan ook niet tegemoet.
Zoals reeds is opgemerkt in reactie op het onderdeel ‘A – het bouwvlak voor de woningen’, zullen wij wel overgaan tot een aanpassing van het bouwvlak in die zin dat de contouren van de feitelijke bebouwing worden gevolgd. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting Nota Ruimtelijke Kwaliteit Op grond van artikel 3.3 van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit dient voor een bouwplan, anders dan een enkele woning, een beeldkwaliteitsplan te worden opgesteld. Daarin dient op grond van voornoemd artikel onder andere te worden onderzocht: - Stedenbouw: de kwaliteit van de gebouwde omgeving (o.a. parcellering, rooilijnen, nokrichting, gevelwanden, bouwmassa's, etc.). - Motivering van de ontwerpkeuzes die gemaakt zijn t.a.v. de inpassing van het plan in zijn omgeving. Volgens betrokkenen ontbreekt een onderbouwing van het plan zoals dat is neergelegd in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit. Er is onvoldoende aandacht besteed aan het creëren van bescheiden bouwvlakken met passende maximale goot- en bouwhoogtes. Er is in het geheel geen aandacht besteed aan ontwerpkeuzes die zijn gemaakt ten aanzien van de inpassing van het plan in de omgeving hetgeen in strijd is met de Nota. Beantwoording Allereerst wijzen wij erop dat de welstandscommissie (i.c. het WARK) niet over de ruimtelijke inpassing c.q. indeling van bouwplannen gaat.
Het WARK toetst het bouwplan aan de hand van de criteria in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit gemeente Middelburg 2016 (hierna: NRK) aan redelijke eisen van welstand en heeft zich daarbij in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt, dan wel, indien het bouwplan daarvan afwijkt, die waaraan het college planologische medewerking wenst te verlenen. Gelet op de bereidheid van het college om medewerking te verlenen aan onderhavig bouwplan voor zeven woningen, met de gekozen situering en maatvoering, dienen deze situering en maatvoering bij de welstandstoets te worden gerespecteerd. Het aantal woningen, de hoogte en massaliteit hiervan vormen met andere woorden voor het WARK randvoorwaarden waarbinnen het plan
44
moet worden beoordeeld. Voor wat betreft een nadere motivering van de stedenbouwkundige afweging die in dit geval is gemaakt verwijzen wij kortheidshalve naar onze reactie onder de kopjes ‘beantwoording’ in reactie op het onderdeel ‘samenvatting overmatige bebouwing’ van onderhavige zienswijze. Voor onderhavig bouwplan is geen beeldkwaliteitsplan (hierna: BKP) opgesteld. Het WARK heeft hiermee ingestemd omdat een BKP in dit specifieke geval en op dat moment geen toegevoegde waarde had. Nu er geen BKP is, wordt het bouwplan niet getoetst aan de in paragraaf 3.3 van de NRK vermelde criteria. Bij de beoordeling van het bouwplan heeft het WARK rekening gehouden met de in de NRK vermelde vaste criteria en het gebiedscriterium ‘Oranje: Middelburgs profiel’. Het WARK heeft geoordeeld dat het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria van de NRK. In hetgeen betrokkenen naar voren brengen zien wij geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het welstandsadvies inzake onderhavige ontwikkeling. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan dan wel de omgevingsvergunning. Samenvatting water 1.
Gebiedsinventarisatie Ten aanzien van de Notitie 'Verharding en watertoets Noordweg 128' van Sweco (hierna: de notitie), die ten grondslag ligt aan het ontwerpplan, wijzen betrokkenen erop dat bij de gebiedsinventarisatie is erkend dat het plangebied in oostelijke richting afloopt. Niet erkend is echter dat er sprake is van bestaande wateroverlast die bij de gemeente gemeld en bekend is. Zelfs in de huidige staat, zonder bebouwing, levert dit problemen op. Bij hevige regenval komt het parkeerterrein dicht bij de geplande bebouwing van perceel Noordweg 128 geheel onder water te staan. Ook staat de brandgang achter de woningen bij hevige regenval langdurig onder water zodat helder is dat het terrein al zonder verharding geen goede waterhuishouding heeft. Evenmin is de bestaande problematiek met de riolering in de gebiedsinventarisatie onderkend. Volgens betrokkenen is er dan ook geen gericht onderzoek gedaan naar de houdbaarheid van de in het ontwerpplan neergelegde ontwikkelingsmogelijkheden afgezet tegen die problematiek. De povere staat van de bestaande waterhuishouding en riolering is relevant voor de afweging van de waterhuishouding in het plangebied en dient daarom tenminste in de gebiedsinventarisatie maar ook bij de latere overwegingen te worden betrokken.
Betrokkenen zijn gelet op het voorgaande van mening dat het onderzoek de bestaande overlast alsnog dient mee te wegen. Beantwoording In de door betrokkene aangehaalde notitie ‘Verharding en watertoets Noordweg128’ wordt de huidige wateroverlast misschien niet met zoveel woorden genoemd, maar deze ligt wel degelijk ten grondslag aan de uitgewerkte maatregelen, zoals het vergroten van de capaciteit van het huidige riool (paragrafen 3.5 en 6.3.3) en de aanleg van een wadi op het perceel met daarin een waterberging ter grootte van 75mm ten opzichte van het aan te leggen verhard oppervlak (paragrafen 5.3 en 6.3.1). In hoofdstuk 4 van voornoemde notitie wordt verwezen naar het overleg met het waterschap Scheldestromen dat op 4 augustus 2022 plaatsvond. Tijdens dit overleg is onder andere gesproken over het uitgebreide informatie- en participatietraject, de nu reeds ervaren wateroverlast, de huidige en toekomstige waterhuishouding en het uitkomen op een robuuste en doelmatige waterhuishouding. Ook de huidige overlast aan de zuid- en oostzijde van het project wordt met name genoemd. Wij verwijzen kortheidshalve naar het verslag van dit overleg dat als bijlage bij het participatieverslag (bijlage 1 bij onderhavige nota) is gevoegd. Samenvatting water 2. Uitgangspunten Notitie Betrokkenen wijzen erop dat bij de uitgangspunten in de notitie (pag.
10/25) wordt aangegeven dat per perceel maximaal 150 m2 verhard oppervlak mag worden aangelegd. Uit de inventarisatie in hoofdstuk 5 blijkt vervolgens dat de maximale verharding ruimschoots wordt overschreden. Voorts wordt de verharding in de tuinen geschat op 50% terwijl de planregels volledige verharding niet verbieden. Beantwoording
45
De in hoofdstuk 4 van de notitie vermelde norm van maximaal 150 m² verhard oppervlak per perceel is afkomstig uit de “Nota Riolering 1.2 (2014)” van het Waterschap Scheldestromen. Hierin staat het volgende: “D.1.2 : • De pompovercapaciteit voor bestaande gemengd gerioleerde woongebieden is 0,7 mm/h over het totale verharde oppervlak met een maximum van 150 m² verhard oppervlak per woning. • De pompovercapaciteit voor bestaande woongebieden met een verbeterd gescheiden stelsel is 0,3 mm/h over het totale verharde oppervlak met een maximum van 150 m² per woning.” De norm van 150 m² verhard oppervlak per perceel geldt voor aansluitingen op gemengde stelsels en het vuilwaterdeel van verbeterd gescheiden stelsels. Deze norm is ingesteld om de maximaal te hanteren pompovercapaciteit te bepalen waarmee emissies uit overstorten te berekenen zijn. In het geval van de ontwikkeling aan de Noordweg 128 wordt alle verhard oppervlak aangesloten op de wadi (berging van 75 mm), met een overloop op het hemelwaterstelsel, dus niet op de gemengde riolering of het vuilwaterdeel van verbeterd gescheiden riolering. Deze norm is hier derhalve niet van toepassing. Netto wordt er nul m² op genoemde stelsels aangesloten. Samenvatting water 3. Wadi Betrokkenen merken op dat blijkens hoofdstuk 6 van de notitie op het terrein een wadi wordt ingericht om te voldoen aan de waterbergingsnorm.
De wadi is echter nergens in het plangebied ingetekend en deze wordt ook niet in de planregels genoemd. De notitie bevat een gedetailleerde beschrijving van de ligging en voorwaarden van de wadi maar niets daarvan is in de planregels terecht gekomen. Aangezien de wadi noodzakelijk is voor de goede waterhuishouding maar het plan voor de aanleg daarvan geen regels bevat, is er geen borging van de goede waterhuishouding in het plan. De waterhuishouding dient gelet op het voorgaande eerst deugdelijk te worden onderzocht en pas indien aangetoond is dat het plan kan worden uitgevoerd, dient de waterhuishouding daarna door middel van een voorwaardelijke verplichting in het plan te worden vastgelegd. Beantwoording Allereerst wordt opgemerkt dat, anders dan betrokkenen kennelijk veronderstellen, reeds een deugdelijk onderzoek heeft plaatsgevonden naar de waterhuishouding in het plangebied. Zoals wij reeds hebben aangegeven onder het kopje ‘1 gebiedsinventarisatie’, ligt de huidige wateroverlast in het plangebied ten grondslag aan de genoemde uitgewerkte maatregelen. De aanleg van de wadi is één van de maatregelen waarmee een goede waterhuishouding wordt geborgd. Betrokkenen merken terecht op dat in hoofdstuk 6 van de notitie wordt aangegeven dat op het perceel een wadi wordt ingericht.
Zoals volgt uit voornoemde notitie zal deze worden gerealiseerd in het noordoostelijk deel van het plangebied. De wadi op deze locatie heeft meerdere functies. Allereerst wordt met de aanleg van de wadi voldaan aan de gestelde waterbergingsopgave. De toename van het verhard oppervlak moet gecompenseerd worden met aanvullende waterberging van 75mm. Met de aanleg van de wadi wordt hier in voorzien. Tevens zal de wadi, met aan de oostzijde een verhoogde zijde, voorkomen dat hemelwater wordt afgewenteld op de achtertuinen en brandgangen achter de woningen aan de Willem Arondeusstraat 15-53, zoals in de huidige situatie. Volgens betrokkene wordt in hoofdstuk 6 van de notitie gedetailleerd beschreven waar de wadi komt te liggen en aan welke voorwaarden deze moet voldoen terwijl de planregels hierover niets bepalen. Anders dan betrokkene meent is de aanleg van de wadi wel degelijk geborgd in de planregels. In artikel 10.1 van de planregels is namelijk een voorwaardelijke verplichting opgenomen welke als volgt luidt: “Het gebruik van de gronden en bouwwerken overeenkomstig de in Hoofdstuk 2 omschreven bestemmingen Wonen, Tuin en Verkeer is slechts toegestaan, indien een waterberging wordt aangelegd, beheerd en instandgehouden met een omvang, die voorziet in een bergingsvolume van minimaal 75 liter per m2 verhard oppervlak”.
Met betrokkene zijn wij echter eens dat de exacte locatie van de wadi niet in het plan is geborgd. Hoewel vastlegging van de exacte locatie van de wadi niet relevant is voor de waterbergingsfunctie, is dit wel van belang voor het voorkomen van wateroverlast (en het oplossen van de huidige overlast) aan de oostzijde van het perceel. Om deze reden zullen wij de exacte ligging van de wadi en de daarvoor geldende voorwaarden - overeenkomstig hetgeen hierover in voormelde notitie is vermeld - alsnog borgen in het plan. De locatie van de wadi in het noordoostelijk deel van het plangebied zal concreet worden aangegeven door middel van toekenning van een functieaanduiding op de verbeelding en een vertaling daarvan in de planregels. Voorts zullen de planregels die betrekking hebben op de voorwaardelijke verplichting worden aangevuld met de voorwaarden die gelden voor de wadi. Gelet op het reeds uitgevoerde onderzoek naar de waterhuishouding in het plangebied en de aanvulling van het plan voor wat betreft de vastlegging van de locatie van de wadi en voorwaarden kan
46
worden geconcludeerd dat afdoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar de gevolgen voor de waterhuishouding en het plan op dit punt uitvoerbaar is. Samenvatting water 4. Aanvullende maatregelen Betrokkenen merken op dat in paragraaf 5.4 van de notitie wordt overwogen dat de ondergrond binnen het plangebied beperkt geschikt is voor infiltratie door de aanwezigheid van een minder goed doorlatende deklaag van klei. Daarvoor zijn volgens de notitie aanvullende maatregelen noodzakelijk. Volgens betrokkenen is het duidelijk dat de waterhuishouding niet in orde is aangezien de benodigde maatregelen niet nader zijn omschreven. Onze raad had hierin aanleiding moeten zien om nader onderzoek te verlangen of het plan te weigeren. Beantwoording Betrokkenen merken terecht op dat de aanvullende maatregelen niet zijn omschreven in paragraaf 5.4 van de notitie. Naar aanleiding van onderhavige zienswijze hebben wij Sweco verzocht om een nadere beschouwing te geven ten aanzien van de mogelijkheden om een wadi op deze locatie kans van slagen te geven. Sweco overweegt het volgende: Uitgangspunten Conform de notitie varieert het maaiveldniveau van -0.70m NAP tot +1.20m NAP. Het gemeten grondwaterniveau zit op ca. 1.16-2.00m onder maaiveld (momentopname in de zomer, in de winter mogelijk hoger). Streefpeil oppervlaktewater -1.85m NAP. Waterdiepte wadi max. 0.30m.
Mogelijkheden De infiltratiecapaciteit van de bestaande bodem kan worden vergroot door toepassen van bodemverbetering ter plaatse van de wadi. Advies is om bijvoorbeeld minimaal 500mm bodemverbetering toe te passen, bestaande uit teelaarde en drainagezand verhouding 2:3. Om te voorkomen dat het geïnfiltreerde water hier ‘opgesloten’ zit in een kleipakket, is het goed om wat drainage aan te brengen in de bodemverbetering, met een aansluiting op het HWA. Na een neerslagintensiteit kan het water dan altijd weer vertraagd afvoeren. Ten noorden van het plangebied zijn ook zandlagen aangetroffen. Hier liggen mogelijkheden voor infiltratie naar de ondergrond. Dit kan bijvoorbeeld door het aanbrengen van een grindkoffer of grindpalen op dit lager gelegen deel van het plangebied. Om een goede waterhuishouding te borgen, worden voornoemde aanvullende randvoorwaarden voor de wadi juridisch bindend vastgelegd in de planregel met betrekking tot de voorwaardelijke verplichting waterberging (artikel 10.1). De dimensies en uitgangspunten welke zijn opgenomen in paragraaf 6.3.1 van de notitie worden eveneens bindend vastgelegd in de betreffende planregel. In aanvulling op onze reactie op voornoemde vier onderdelen verwijzen wij nog naar hetgeen wij in reactie op de zienswijzen 2, 3, 5, 6 en 8 hebben opgemerkt over water(overlast), waterafvoer, afwatering en riolering.
Conclusie Dit deel van de zienswijze leidt tot aanpassing van het bestemmingsplan in die zin dat de exacte locatie van de wadi door middel van een specifieke functieaanduiding op de verbeelding zal worden vastgelegd. Deze aanduiding wordt doorvertaald in de planregel met betrekking tot de voorwaardelijke verplichting waterberging (artikel 10.1). Voorts zullen de voorwaarden voor de wadi in deze planregel worden opgenomen. De geactualiseerde notitie ‘Verharding en watertoets Noordweg 128’ wordt toegevoegd aan de bijlagen bij de toelichting op het bestemmingsplan. Samenvatting ecologie Betrokkenen zijn van mening dat het onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) wat betreft de soortenbescherming onvoldoende is en de ontwikkeling van het gebied niet kan dragen. Het ontwerpplan steunt op een quickscan Ecologie die als bijlage 1 bij de toelichting op het plan is gevoegd. In paragraaf 3.2 van de quickscan wordt onder meer overwogen dat het gebied in de huidige situatie niet geschikt is voor de rugstreeppad en er tevens geen waarnemingen zijn van de soort. Betrokkenen hebben echter via de website waarneming.nl een waarneming van een rugstreeppad in het plangebied gemeld. Deze melding is gevalideerd door de heer E. Goverse, Reptielen- en amfibieënvalidator, en heeft op voornoemde website de status 'goedgekeurd (met bewijs)'.
Betrokkenen menen dan ook dat voor de toetsing aan de soortenbescherming in het kader van de Wnb niet kon worden
47
volstaan met een quickscan en dat tenminste de voornoemde meldingen en eventuele andere meldingen dienden te worden overwogen. Volgens betrokkenen heeft de raad een oordeel over de soortenbescherming van de Wnb niet kunnen baseren op de bij het plan gevoegde quickscan van 18 februari 2020. Met verwijzing naar het Besluit ruimtelijke ordening en de Wet milieubeheer wijzen zij erop dat het bevoegd gezag zich mag baseren op gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar. Die termijn is ruim overschreden waardoor de raad in dit geval niet conform artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen heeft vergaard. Dat wordt onderstreept door het ontbreken van raadpleging van het meldingssysteem als voornoemd maar ook afgezien van de soortenbescherming had moeten worden onderzocht wat de actuele status van flora en fauna in het plangebied is. Betrokkenen menen dat voor zover het besluit vormvrije m.e.r.-beoordeling (mede) rust op voornoemde quickscan, ook dit besluit niet voldoende is onderbouwd. Beantwoording Als gevolg van de doorlooptijd van het bestemmingsplantraject is het inmiddels een tijd geleden dat de “Quickscan Ecologie Noordweg 128” is uitgevoerd. Onderhavige zienswijze, alsmede het feit dat het onderzoek gedateerd is, is aanleiding geweest om een nieuwe quickscan ecologie uit te voeren.
De recente waarnemingen in het plangebied zijn hierin ook meegenomen. De nieuwe quickscan d.d. 4 april 2024 is opgenomen als bijlage bij onderhavige nota. Uit de rapportage volgt dat nader onderzoek noodzakelijk is voor een aantal soorten. Het plangebied vervult namelijk mogelijk een functie voor de beschermde soorten rugstreeppad, haas, konijn, steenmarter en kleine marterachtigen, vleermuizen. In het plangebied is voldoende ruimte voor eventueel benodigde mitigerende maatregelen. De uitkomst van de m.e.r.-beoordeling, namelijk dat een volledige m.e.r.-procedure niet noodzakelijk is, wijzigt dan ook niet. Zoals reeds is opgemerkt dient wel nader onderzoek te worden uitgevoerd en dienen eventueel benodigde mitigerende maatregelen te worden getroffen. Het nader onderzoek is reeds gestart, maar nog niet afgerond.
Om te borgen dat met de werkzaamheden niet wordt aangevangen zonder dat is onderzocht of realisatie van de bestemming leidt tot verstoring en/of vernietiging/doding van door de milieuwet- en regelgeving beschermde planten- en diersoorten en, indien het laatste het geval is, of er ten behoeve van dit plan voor deze handeling een ontheffing/vergunning op grond van de milieuwet- en regelgeving is en deze kan worden verleend, wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels inhoudende dat niet eerder met werkzaamheden in het plangebied mag worden aangevangen dan nadat het nader ecologisch onderzoek is afgerond en indien eventuele maatregelen dan wel vergunningen nodig blijken, deze zijn uitgevoerd c.q. verleend. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze leidt tot aanpassing van het bestemmingsplan in die zin dat de recent uitgevoerde quickscan ecologie d.d. 4 april 2024 wordt toegevoegd aan de bijlagen bij de toelichting op het bestemmingsplan en in de planregels een voorwaardelijke verplichting wordt opgenomen. Samenvatting verkeersveiligheid Betrokkenen merken op dat in het ontwerpplan slechts summier wordt ingegaan op de effecten van de beoogde ontwikkeling op de verkeersveiligheid. In de toelichting zijn overwegingen opgenomen maar er is geen verkeersonderzoek verricht.
Bovendien is in de toelichting op het plan niet onderkend dat in de (directe) omgeving van het plangebied meerdere scholen zijn gelegen. Betrokkenen menen dan ook dat onderkend had moeten worden dat er kwetsbaar verkeer (fietsende kinderen) door of langs het plangebied gaat en dat ongeacht de geringe toename van woningen deugdelijk dient te worden onderzocht of de verkeersstromen zich op verantwoorde wijze tot elkaar verhouden. Beantwoording Uit het betoog van betrokkenen leiden wij af dat zij van mening zijn dat er geen deugdelijk onderzoek is verricht naar de effecten van de beoogde ontwikkeling op de verkeersveiligheid. Deze stelling onderschrijven wij niet. Allereerst wijzen wij op het feit dat het thans geldende bestemmingsplan “Noordweg” de bouw van drie vrijstaande woningen rechtstreeks toestaat. De planwetgever heeft bij vaststelling van voornoemd plan geoordeeld dat het plan, ook op het gebied van verkeersveiligheid, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Voorliggend plan maakt de realisatie van zeven woningen mogelijk. Feitelijk kunnen ten opzichte van het thans vigerende bestemmingsplan vier extra woningen worden gerealiseerd. Er is daarmee sprake van een geringe toename van het aantal woningen.
Ten behoeve van de woningbouwontwikkeling is de verkeersgeneratie van het plan inzichtelijk gemaakt in paragraaf 4.5 van de toelichting op het bestemmingsplan. In deze paragraaf is de toename van het autoverkeer als gevolg van het bouwplan opgenomen, namelijk 50 motorvoertuigen per etmaal. Zowel de Willem Arondeusstraat als de Brigdamseweg worden gecategoriseerd als een woonstraat. Deze straten hebben een lage verkeersintensiteit. De gemeente hanteert voor dit type straten een maximale
48
verkeersintensiteit van 2500 motorvoertuigen per etmaal. Zowel de Willem Arondeusstraat als de Brigdamseweg blijven qua verkeersintensiteit ruimschoots onder de 2500 motorvoertuigen per etmaal. De verkeersgeneratie van dit bouwplan is - gelet op voornoemde toename van het aantal motorvoertuigbewegingen - marginaal en de omliggende wegen kunnen deze toename verwerken. Gezien het marginale karakter van het plan op het gebied van verkeer, is het houden van een verkeersonderzoek niet aan de orde. De Willem Arondeusstraat betreft een 30 km/u-straat die als uitgangspunt heeft menging van allerlei verkeerssoorten. Gelet op het voorgaande heeft de beoogde ontwikkeling dan ook geen onevenredige nadelige gevolgen voor de verkeersveiligheid ter plaatse. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting perceel betrokkenen Betrokkenen wijzen erop dat het achterste deel van hun achtertuin deel uitmaakt van het plangebied en de bestemming `Tuin' heeft gekregen. Het betreft kadastraal perceel 2796. Zij verzoeken de bestemming van hun strook tuin te wijzigen in `Wonen' dan wel de plangrenzen opnieuw te trekken waarbij hun grond buiten het plangebied wordt gelaten. Beantwoording Aan het verzoek van betrokkenen komen wij niet tegemoet.
Eén van de uitgangspunten van onderhavig plan is het behoud van open ruimte in de kern waarbij de bebouwing meer aansluiting vindt op de bestaande infrastructuur. Wij vinden het van belang dat de planlocatie - behoudens het deel van het perceel waaraan een woonbestemming is toegekend - een zoveel mogelijk groene uitstraling behoudt. Om deze reden is dan ook een tuinbestemming aan de betreffende gronden toegekend. In vergelijking met het thans geldende bestemmingsplan “Noordweg” is het aantal vierkante meters aan bebouwingsmogelijkheden in onderhavig plan kleiner. Hierbij is al rekening gehouden met de verkleining van het bouwvlak welke als gevolg van onderhavige zienswijze zal worden doorgevoerd. Het aantal vierkante meters aan tuinbestemming is in vergelijking met het thans geldende bestemmingsplan “Noordweg” groter. In vergelijking met het geldende bestemmingsplan doet onderhavig bestemmingsplan dan ook beter recht aan een evenwichtige verdeling van groen-, verkeers- en bebouwingsmogelijkheden en het uitgangspunt van een zoveel mogelijk groene uitstraling van het perceel. Wij vinden het van belang om dit uitgangspunt te handhaven zodat in vergelijking met het thans geldende bestemmingsplan procentueel gezien geen extra bebouwing wordt toegestaan.
Indien wij een woonbestemming toekennen aan het perceel van betrokkenen, zouden de bebouwingsmogelijkheden op dit kadastrale perceel worden verruimd. Op gronden met de bestemming ‘Wonen’ welke gelegen zijn buiten het bouwvlak mogen namelijk - anders dan op gronden met een tuinbestemming - bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. Om de overige bewoners van de Willem Arondeusstraat gelijke bouwmogelijkheden te bieden, zouden wij het achterste deel van hun achtertuin dan ook een woonbestemming moeten toekennen. Wij vinden dit, gelet op het uitgangspunt van een evenwichtige verdeling tussen groen-, verkeers- en bebouwingsmogelijkheden, niet wenselijk. Wij zijn evenmin bereid om de plangrens opnieuw te trekken zodat de betreffende grond van betrokkenen buiten het plangebied wordt gelaten. In dat geval zou de grond opnieuw deel uitmaken van het thans geldende bestemmingsplan “Noordweg” en zowel een woonbestemming met functieaanduiding ‘garages’ als een verkeersbestemming hebben met de daarbij behorende bouwmogelijkheden. Gelet op voornoemde overwegingen is dit niet wenselijk. Ook zijn de nu geldende bestemmingen ter plaatse van het achterste deel van hun achtertuin niet meer actueel. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
Samenvatting verzoek Betrokkenen zijn om vorenstaande redenen van mening dat van een goede ruimtelijke ordening geen sprake is. Zij verzoeken primair het plan alsnog te weigeren. Met initiatiefnemer kan worden gesproken over de ontwikkeling van de bestaande bouwvlakken, bijvoorbeeld door zes woningen te bouwen in die bestaande bouwvlakken. Indien de raad het plan niet geheel afwijst wordt subsidiair verzocht de volgende aanpassingen te verrichten dan wel de volgende onderzoeken te verlangen alvorens het plan definitief kan worden vastgesteld: •
Het bouwvlak voor de meest oostelijke (hoek)woning schrappen aangezien dat bouwvlak onevenredig dicht op de bestaande percelen staat, een woning mogelijk maakt die haaks staat op de bestaande zichtlijnen vanuit die woningen en bovendien een veel dieper bouwvlak kent dan dat van de omliggende bebouwing.
49
• •
• • •
Borgen dat de toegangsweg naar de achtergelegen gemeenschappelijke berging mee wordt verplaatst zodat deze direct aansluit op de resterende meest oostelijk gelegen woning. Verlangen van een deugdelijke inpassing, geborgd door een voorwaardelijke verplichting overwegende dat het voorliggende initiatief op geen enkele wijze past in de lintstructuur en feitelijk bebouwing in de tweede linie mogelijk maakt zodat aan bestaand woongenot en gebruiksmogelijkheden belangrijke waarde moet worden gehecht. De bouwmogelijkheden aan laten sluiten op het lint aan de Noordweg; een maximale goothoogte van 4 meter, een bouwhoogte van 8 meter en een bouwvlak dat geen verspringing kent en qua breedte en diepte aansluit op het bestaande lint. Onderzoek/nader onderzoek verlangen voor de waterhuishouding en riolering, de bezonning, de verkeersveiligheid en flora en fauna. De waterhuishouding concreet en juridisch bindend in de planregels vastleggen door middel van een voorwaardelijke verplichting.
Beantwoording Aan het primaire verzoek van betrokkenen komen wij niet tegemoet. Aan het bestemmingsplan ligt een zorgvuldig onderzoek en een deugdelijke belangenafweging ten grondslag. Uit dit onderzoek en deze belangenafweging blijkt dat het plan geen onevenredige inbreuk maakt op de belangen van betrokkenen. Wij erkennen dat de beoogde ontwikkeling tot enige verandering van het woon- en leefklimaat van betrokkenen kan leiden. Zoals zij zelf hebben opgemerkt in de zienswijze, zal wellicht sprake zijn van een verminderd woongenot. Wij zijn echter van mening dat de gevolgen voor betrokkenen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Het plan voorziet onder meer in de grote behoefte aan woningen. Nu geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat van betrokkenen concluderen wij - na afweging van alle belangen - dat de belangen die gediend zijn met de beoogde ontwikkeling zwaarder wegen dan de belangen van betrokkenen. Betrokkenen hebben subsidiair verzocht om een aantal aanpassingen te verrichten dan wel een aantal aanvullende onderzoeken te verlangen alvorens het plan definitief wordt vastgesteld. Aan de eerste vier verzoeken tot aanpassing van het plan komen wij, behoudens een aanpassing van het bouwvlak, niet tegemoet.
Zoals wij reeds hebben aangegeven, heeft het plan geen onaanvaardbare gevolgen voor het woon- en leefklimaat van betrokkenen. Voorts verwijzen wij kortheidshalve naar hetgeen wij hebben opgemerkt in reactie op het onderdeel ‘overmatige bebouwing’ van onderhavige zienswijze. Zoals wij hebben opgemerkt in reactie op het onderdeel ‘samenvatting water’, heeft Sweco een aanvullende beschouwing gegeven ten aanzien van de mogelijkheden om een wadi op deze locatie kans van slagen te geven. Teneinde een goede waterhuishouding te borgen, zijn er diverse voorwaarden gekoppeld aan de voorwaardelijke verplichting die ziet op de realisatie van een waterberging. Voorts is nader ingegaan op de geschetste problematiek ten aanzien van riolering. De waterhuishouding is – voornoemd aanvullend onderzoek daarbij mede in ogenschouw genomen - onzes inziens afdoende onderzocht. In het plan is afdoende rekening gehouden met de gevolgen voor waterhuishouding. In reactie op het onderdeel ‘samenvatting bezonning – belangenafweging’ hebben wij aangegeven dat wij naar aanleiding van de ontvangen zienswijzen een bezonningsonderzoek voor het plangebied hebben laten uitvoeren. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in het rapport van 23 mei 2024 dat als bijlage bij de toelichting op het bestemmingsplan wordt opgenomen.
Zoals wij reeds hebben opgemerkt in reactie op het onderdeel ‘samenvatting verkeersveiligheid’ gaan wij - gezien het marginale karakter van het plan op het gebied van verkeer – niet over tot het houden van een verkeersonderzoek. Uit de toelichting op het plan en onze reactie op dit onderdeel van de zienswijze blijkt genoegzaam dat het plan geen onevenredige nadelige gevolgen voor de verkeersveiligheid ter plaatse heeft. Onlangs is een nieuwe quickscan ecologie uitgevoerd. De rapportage quickscan ecologie d.d. 4 april 2024 wordt toegevoegd aan de bijlagen bij het bestemmingsplan. Aan het laatste verzoek tot het concreet en juridisch bindend in de planregels vastleggen van de waterhuishouding komen wij tegemoet. Zoals wij reeds hebben opgemerkt onder het kopje ‘conclusie’ in reactie op het onderdeel ‘water’ van deze zienswijze zal de exacte locatie van de wadi en de voorwaarden voor deze waterberging door middel van een specifieke functieaanduiding worden toegevoegd aan de verbeelding en de planregels van het bestemmingsplan. Beantwoording zienswijze ARAG SE namens cliënten
50
Zienswijze 3 is op pagina’s 7 tot en met 24 van voorliggende nota samengevat. Voor de samenvatting van deze zienswijze verwijzen wij dan ook naar hetgeen is opgenomen onder ‘zienswijze 3’, onder de kopjes ‘samenvatting’. Voor een inhoudelijke reactie en de conclusies verwijzen wij naar hetgeen is overwogen onder ‘zienswijze 3, onder de kopjes ‘beantwoording’ en ‘conclusie’. Hieronder volgt voor het in zienswijze 3 genoemde aspect ‘uitzicht en licht’ een aanvullende reactie die is toegesneden op de locatie van de woningen van betrokkenen. Aanvullende reactie uitzicht en licht woning Het belang van realisatie van de woningontwikkeling is door ons afgewogen tegen het belang van betrokkenen bij behoud van het (huidige) uitzicht. Hoewel het uitzicht als gevolg van de realisatie van de zeven woningen in enige mate zal wijzigen, is er onzes inziens echter geen sprake van een onevenredige aantasting van het uitzicht van betrokkenen. In de huidige situatie hebben zij reeds uitzicht op nabijgelegen woningen en tuinen. In de nieuwe situatie bedraagt de kortste afstand van de perceelsgrens van betrokkenen tot het bouwvlak circa 5,5 meter, gerekend vanaf het deel van het erf met tuinbestemming. De kortste afstand vanaf het deel van het perceel van betrokkenen met een woonbestemming tot de grens van het bouwvlak bedraagt circa 8 meter.
Voorts bedraagt de afstand van de achtergevel van de woning tot het bouwvlak meer dan 20 meter. Op grond van het op dit moment geldende bestemmingsplan “Noordweg” kunnen drie vrijstaande woningen met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 10 meter en bijgebouwen met een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 en 4,5 meter worden gebouwd. Grenzend aan de achtertuin van betrokkenen ligt een bouwvlak waarbinnen garages met een maximale bouwhoogte van 3 meter mogen worden gebouwd. Indien in de zuidhoek van het perceel uitvoering zou worden gegeven aan deze planologische mogelijkheden, dan zouden betrokkenen vanaf de achterzijde van hun woning uitzicht hebben op garages, een daarachter gelegen vrijstaande woning en een bijgebouw. Indien uitvoering wordt gegeven aan het thans voorliggende bouwplan, dan hebben zij vanaf de achterzijde van hun woning uitzicht op gronden met een tuinbestemming en de zijgevel van de meest oostelijk gelegen woning. Wij achten de verandering van het uitzicht van betrokkenen niet onevenredig, mede gelet op de afstand van de achtergevel van de woning van betrokkenen tot de (rechter)grens van het bouwvlak en de huidige planologische mogelijkheden.
Aangezien onderhavig perceel is gelegen in een stedelijk gebied - feitelijk op een inbreidingslocatie - zijn wij van mening dat rekening dient te worden gehouden met de mogelijkheid van een woningbouwontwikkeling op relatief korte afstand. Woningen met een bouwhoogte van 7,9 meter en 9,2 meter zijn overigens ook niet ongebruikelijk gelet op de goot- en bouwhoogten van woningen in de directe omgeving. Voorts is enig verlies van uitzicht in een stedelijk gebied niet volledig uit te sluiten. Er bestaat ook geen recht op een blijvend vrij uitzicht. Het enkele feit dat betrokkenen in zekere mate aan uitzicht inboeten, maakt dus niet dat het plan geen doorgang kan vinden. Na afweging van alle belangen concluderen wij dat de belangen die gediend zijn met de beoogde ontwikkeling zwaarder wegen dan de belangen van betrokkenen. Zienswijze 10, particulier De zienswijze heeft betrekking op de volgende aspecten: uitzicht achterzijde, beschermd stadsgezicht, aantal woningen en wijziging verkeerssituatie. Deze aspecten worden hieronder separaat samengevat en van een reactie voorzien. Samenvatting uitzicht achterzijde Betrokkenen merken op dat zij het belangrijk en prettig vinden dat (achter)buren geen direct zicht in hun woning en tuin hebben en andersom. Dit belemmert namelijk hun woongenot. Dit was één van de belangrijkste redenen om tot aankoop van hun huidige woning over te gaan.
De makelaar heeft hen destijds geïnformeerd over de bouwplannen voor het perceel achter hun woning welke zijn opgenomen in het bestemmingsplan “Noordweg” uit 2011. Volgens hem lagen deze plannen echter al langere tijd stil en ook al zouden deze ten uitvoer worden gebracht, dan was dit geen probleem voor betrokkenen aangezien de woningen dan één bouwlaag zouden krijgen. Hierdoor zou er geen inkijk in hun tuin of woning ontstaan en het uitzicht zou worden behouden. Als de huidige bouwplannen doorgang vinden, dan zal een rij woningen met een hoogte van 8,5 tot 9 meter worden gebouwd en hierdoor zal er sprake zijn van inkijk in hun achtertuin en woning. De privacy van betrokkenen zal hierdoor worden aangetast en hun woongenot zal sterk afnemen. Hun grootste zorg is dan ook dat de waarde van hun woning sterk zal afnemen door de realisatie van het bouwplan. Beantwoording Het belang van realisatie van de beoogde ontwikkeling is door ons afgewogen tegen het belang van betrokkenen bij behoud van het (huidige) uitzicht en privacy. Hoewel het uitzicht aan de achterzijde van hun woning als gevolg van de realisatie van de zeven woningen in enige mate zal wijzigen en hun privacy in enige mate zal worden aangetast, is er onzes inziens echter geen sprake van een
51
onevenredige aantasting van het uitzicht en de privacy van betrokkenen. In de huidige situatie hebben zij reeds uitzicht op de tegenovergelegen woningen met bijbehorende tuinen aan de Willem Arondeusstraat. De afstand van de grens van het perceel MDB T2766 tot de westelijke grens van het bouwvlak bedraagt meer dan 9 meter. De afstand van de achtergevel van de woning van betrokkenen tot aan de westelijke grens van het bouwvlak bedraagt circa 26 meter. Op grond van het op dit moment geldende bestemmingsplan “Noordweg” kunnen drie vrijstaande woningen met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 10 meter en bijgebouwen met een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 en 4,5 meter worden gebouwd. Indien in de zuidhoek van het perceel uitvoering zou worden gegeven aan deze planologische mogelijkheden, dan zouden betrokkenen vanaf de achterzijde van hun woning uitzicht hebben op een vrijstaande woning en een bijgebouw. Indien uitvoering wordt gegeven aan het thans voorliggende bouwplan, dan hebben zij vanaf de achterzijde van hun woning onder andere uitzicht op zeven woningen. Uit de bij de omgevingsvergunning behorende tekeningen blijkt dat de bouwhoogte van de woningen in het eerste blok niet meer dan 8 meter bedraagt. De bouwhoogte van de woningen in het tweede blok bedraagt circa 9,2 meter.
Gelet op de afstand van de woning van betrokkenen tot de westelijke grens van het bouwvlak en de huidige planologische mogelijkheden zijn wij van mening dat de verandering van het uitzicht van betrokkenen en de aantasting van hun privacy niet onevenredig is. Aangezien onderhavig perceel is gelegen in een stedelijk gebied - feitelijk op een inbreidingslocatie – dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid van een woningbouwontwikkeling op relatief korte afstand. Voorts is enig verlies van uitzicht in een stedelijk gebied niet volledig uit te sluiten. Overigens bestaat ook geen recht op een blijvend vrij uitzicht. Het enkele feit dat betrokkenen in zekere mate aan uitzicht en privacy inboeten, maakt dus niet dat het plan geen doorgang kan vinden. Na afweging van alle belangen concluderen wij dat de belangen die gediend zijn met de beoogde ontwikkeling zwaarder wegen dan de belangen van betrokkenen. Indien betrokkenen menen dat hun onroerende zaak minder waard wordt als gevolg van de planologische wijziging, dan kunnen zij ingevolge artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening een verzoek tot een tegemoetkoming in planschade indienen bij het college van burgemeester en wethouders. Een dergelijke aanvraag moet worden ingediend binnen vijf jaar na het moment waarop het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden.
De planschadeprocedure is een afzonderlijke procedure die losstaat van de bestemmingsplanprocedure. Alle belangen afwegende wordt eventuele planschade niet zodanig geacht dat dit ertoe moet leiden dat het project niet kan worden uitgevoerd. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting beschermd stadsgezicht Betrokkenen wijzen op de volgende passage in het nieuwe bestemmingsplan: “De voorgenomen woningbouw vormt een afronding van de Willem Arondeusstraat die dwars op het bebouwingslint van de Noordweg ligt”. Naar hun mening is echter geen sprake van een afronding van de Willem Arondeusstraat want de te realiseren woningen grenzen duidelijk aan de woningen aan de Noordweg en het perceel is notabene Noordweg 128. Het ontwerp van de woningen is naar de mening van betrokkenen niet in overeenstemming met de huidige bebouwing. Daarnaast doet het ontwerp volgens hen verder afbreuk aan de karakteristieke lintbebouwing van de Noordweg. Zij begrijpen dan ook niet dat het WARK akkoord is gegaan met het huidige plan. Voorts wijzen zij erop dat er veel zonnepanelen op de te realiseren bebouwing komen te liggen terwijl zij geen panelen op het dak van hun woning aan de Noordweg mogen leggen. Zij vinden dit onbegrijpelijk en zijn van mening dat er met twee maten wordt gemeten.