25-022 Bijlage 2. Antwoordnota ontwerpbestemmingsplan en ontwerpomgverg DEF 24-12-2024
Tekst van het document
Samenvatting milieu Burgemeester en wethouders hebben op grond van artikel 7.17 van de Wet milieubeheer besloten om geen milieueffectrapport op te stellen voor de ontwikkeling aan de Noordweg 128 te Middelburg. Betrokkenen merken op dat het perceel Noordweg 128 een rijksbeschermd stadsgezicht is (2 juni 2008). Op deze gronden valt het perceel in kolom 3 (plannen) van het Besluit milieueffectrapportage. Ook is Walcheren Belvedere-gebied. De Belvedere-gebieden zijn aangewezen als gevoelige gebieden en daardoor is er sprake van een MER-plicht. Er is dan ook onzorgvuldig en te kort door de bocht besloten om af te zien van een volledig MER onderzoek. Betrokkenen stellen dat een aantal observaties die zijn vastgelegd in het document "Quickscan Ecologie Noordweg 128” uit 2020 onjuist zijn. Zij merken onder meer op dat het door een ecoloog op 6 januari 2020 uitgevoerde veldonderzoek reeds drie jaar oud is en plaatsvond op een moment dat veel flora niet groeit en bloeit. Ook stellen zij dat er vogels zoals de fazant, de ooievaar en de bonte specht zijn waargenomen op het veld. Anders dan in de quickscan wordt geconcludeerd, is er in juli 2022 wel degelijk een rugstreeppad gesignaleerd in het veld. Hiervan is melding gemaakt. Ook is melding gemaakt van de aanwezigheid van de alpenwatersalamander.
Voorts wordt ten onrechte in de quickscan aangegeven dat het perceel Noordweg 128 geen foerageergebied van vleermuizen kan zijn. In de tuinen
15
direct grenzend aan het perceel worden namelijk geregeld vleermuizen gesignaleerd. De beoogde werkzaamheden zullen wel degelijk negatieve effecten hebben op beschermde soorten. Zeker ook omdat voor het toegankelijk maken van het perceel oude bomen rond het perceel gekapt zullen moeten worden. In de quickscan wordt het perceel Noordweg 128 een monotoon grasland genoemd. Als de veranderingen in kaart worden gebracht voor de koop van het perceel tot heden is te zien dat met de aanplant van bomen, het egaliseren van het terrein en het verwijderen van begroeiing dit monotone landschap in strijd met de regels van het beschermd stadsgezicht (artikel 14.4 van het bestemmingsplan “Noordweg”) is ontstaan. Er is niet handhavend opgetreden tegen deze egalisatie. Beantwoording Anders dan betrokkenen veronderstellen is in dit geval geen sprake van een mer-plicht. In onderdeel A, eerste lid, van de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit mer) is, voor zover hier van belang, bepaald wat onder een gevoelig gebied wordt verstaan: f. een Belvedere-gebied als bedoeld in de bijlage «Gebieden» bij de nota «Belvedere, beleidsnota over de relatie tussen cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting» (Kamerstukken II 1998/99, 26 663, nr.
2) voorzover dat is vastgelegd in een geldende structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening of geldend bestemmingsplan. Weliswaar is Walcheren in deze nota aangewezen als Belvedere-gebied maar dit is niet vastgelegd in een structuurvisie of bestemmingsplan. Voor zover dit wel zou zijn gebeurd, heeft dit geen consequenties voor de vraag of de ontwikkeling in onderdeel B van het Besluit mer is aangewezen als een mer- of mer-beoordelingsplichtige activiteit. De beoogde ontwikkeling is namelijk een stedelijk ontwikkelingsproject. Een dergelijk project is als mer-beoordelingsplichtig aangewezen in categorie D11.2 van onderdeel B van de bijlage bij het Besluit mer. Bij deze aanwijzing speelt de ligging in een gevoelig gebied geen enkele rol. Aangezien de ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van in kolom 2 genoemde drempelwaarde, is volstaan met een ‘vormvrije’ mer-beoordeling. Deze mer-beoordeling staat niet op zichzelf, maar is een hulpmiddel bij de besluitvorming over het bestemmingsplan (aangewezen in kolom 3 van categorie D11.2 van onderdeel B van de bijlage bij het Besluit mer). In de mer-beoordeling is geconcludeerd dat de ontwikkeling geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Er is dan ook geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapport.
Ook voor het aspect cultuurhistorie zijn geen belangrijke nadelige gevolgen te verwachten. Zoals toegelicht zijn in het plangebied geen monumenten gelegen. Wel is het plangebied in het geldende bestemmingsplan aangewezen als beschermd stadsgezicht. Hierop rust de dubbelbestemming ‘WaardeBeschermd Stadsgezicht’ in het bestemmingsplan dat een uitwerking is van het rijksbeschermde stadsgezicht Middelburg – Noordweg (2008). Beschermd stadsgezicht Noordweg omvat de lineaire structuur van de Noordweg van Middelburg tot Sint Laurens en de achterliggende groengebieden. De meest waardevolle hoofdkenmerken worden gevormd door de licht kronkelende lineaire structuur van deze oude uitvalsweg, de aan weerszijden daarvan aanwezige vrijwel aaneengesloten lintbebouwing met daarachter open gebieden en enkele veelal loodrecht op de Noordweg aansluitende zijpaden of -dreefjes. Van oorsprong bevinden zich achter de lintbebouwing boerderijen die de overgang vormen tussen het lint en het achterliggende open agrarische gebied. Ter plaatse van het plangebied is een genoemde overgangssituatie niet (meer) aanwezig en is er ook geen directe ruimtelijke relatie met of aansluiting op dergelijke nabije overgangsgebieden.
In de omgeving van en direct rondom de projectlocatie is nu sprake van nagenoeg gesloten bebouwingsstructuur: het plangebied ligt ingeklemd tussen het bebouwingslint Noordweg en het woongebied Klarenbeek. Waarborging van de herkenbaarheid van de lintstructuur is gewenst. De voorgenomen woningbouw vormt een afronding van de Willem Arondeusstraat die dwars op het bebouwingslint van de Noordweg ligt. Hierdoor blijft het bebouwingslint van de Noordweg goed herkenbaar. Met het ontwerp van de woningen is rekening gehouden met de kenmerken en bouwhoogte van de bebouwing langs de Noordweg. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen andere cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig waar de ontwikkeling van de beoogde woningen invloed op zou kunnen hebben. Gelet op het voorgaande is geconcludeerd dat de ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op cultuurhistorische waarden. Er is in zoverre geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapport. Voor wat betreft het onderdeel ecologie wijzen wij erop dat als gevolg van de doorlooptijd van het bestemmingsplantraject het inmiddels een tijd geleden is dat de “Quickscan Ecologie Noordweg 128” is uitgevoerd. Onderhavige zienswijze, alsmede het feit dat het onderzoek gedateerd is, is aanleiding geweest om een nieuwe quickscan ecologie uit te voeren. De recente waarnemingen in het plangebied
16
zijn hierin ook meegenomen. De nieuwe quickscan d.d.4 april 2024 is opgenomen als bijlage bij onderhavige nota. Uit de rapportage volgt dat nader onderzoek noodzakelijk is voor een aantal soorten. Het plangebied vervult namelijk mogelijk een functie voor de beschermde soorten rugstreeppad, haas, konijn, steenmarter en kleine marterachtigen, vleermuizen. In het plangebied is voldoende ruimte voor eventueel benodigde mitigerende maatregelen. De uitkomst van de m.e.r.-beoordeling, namelijk dat een volledige m.e.r.-procedure niet noodzakelijk is, wijzigt dan ook niet. Zoals reeds is opgemerkt dient wel nader onderzoek te worden uitgevoerd en dienen eventueel benodigde mitigerende maatregelen te worden getroffen. Het nader onderzoek is reeds gestart, maar nog niet afgerond.
Om te borgen dat met de werkzaamheden niet wordt aangevangen zonder dat is onderzocht of realisatie van de bestemming leidt tot verstoring en/of vernietiging/doding van door de milieuwet- en regelgeving beschermde plantenen diersoorten en, indien het laatste het geval is, of er ten behoeve van dit plan voor deze handeling een ontheffing/vergunning op grond van de milieuwet- en regelgeving is en deze kan worden verleend, wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels inhoudende dat niet eerder met werkzaamheden in het plangebied mag worden aangevangen dan nadat het nader ecologisch onderzoek is afgerond en indien eventuele maatregelen dan wel vergunningen nodig blijken, deze zijn uitgevoerd c.q. verleend. Ten aanzien van de opmerkingen van betrokkenen over het egaliseren van het terrein wijzen wij erop dat het ons niet bekend is of en zo ja er (aanleg)vergunningplichtige werkzaamheden zijn uitgevoerd. Voor zover daarvan sprake zou zijn geweest en hiervoor geen omgevingsvergunning is verleend, is dit een kwestie van handhaving. Indien niet handhavend is opgetreden, staat dit feit niet in de weg aan realisatie van de beoogde ontwikkeling. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze leidt tot aanpassing van het bestemmingsplan in die zin dat de recent uitgevoerde quickscan ecologie d.d.
4 april 2024 wordt toegevoegd aan de bijlagen bij de toelichting op het bestemmingsplan en in de planregels een voorwaardelijke verplichting wordt opgenomen. Samenvatting wateroverlast Het perceel Noordweg 128 watert volgens betrokkenen af op de Willem Arondeusstraat. Zelfs in de huidige situatie, zonder bebouwing, levert dit problemen op. Bij hevige regenval komt het parkeerterrein dicht bij de geplande bebouwing namelijk geheel onder water te staan. De afwatering van het grijze riool van perceel Noordweg 128 zal via het nu reeds overbelaste riool ter plaatse van de Willem Arondeusstraat plaatsvinden. Volgens planning zal het HWA-riool in de Willem Arondeusstraat in 2028 worden aangepast. Aangezien deze planning volgens betrokkenen niet vaststaat, is het goed mogelijk dat de aanpassingen van het riool op een later moment zullen plaatsvinden. Over de planning van de aanpassing van het DWA-riool is niets vermeld. Om te voorkomen dat de straat meerdere keren opengebroken moet worden en om te voorkomen dat het riool pas veel later wordt aangepast, vinden betrokkenen het wenselijk dat de aanleg van het DWA- en HWA-riool en de bouwwerkzaamheden parallel plaatsvinden. Om verdere wateroverlast te voorkomen dienen de rioleringen bij voorkeur eerst te worden aangepast voordat de nieuwe bebouwing hierop wordt aangesloten.
Betrokkenen verwijzen naar de uitgangspunten die in hoofdstuk 4 van de notitie ‘verharding en watertoets Noordweg 128’ worden opgesomd. Volgens hen wordt niet voldaan aan de door de gemeente Middelburg en het Waterschap Scheldestromen gestelde eis dat per perceel niet meer dan maximaal 150 m² verhard oppervlak wordt aangelegd. In hoofdstuk 5 wordt namelijk aangegeven dat er een verhard oppervlak zal worden gerealiseerd van 2314 m² + 1210 m² en hierbij zijn de 20 parkeerplaatsen die ook deels verhard zijn niet meegerekend. Voor zeven woningen komt dit neer op een verhard oppervlak van 350 m² per perceel. Hiermee wordt niet voldaan aan de in hoofdstuk 4 gestelde eis. Betrokkenen merken op dat er geen duidelijke oplossing voor dit probleem wordt aangedragen. Er wordt enkel aangegeven dat er een wadi in het noordoosten van het plangebied zal worden aangelegd terwijl hierover juist is opgemerkt dat dit geen goede oplossing is omdat de ondergrond (klei) hier niet goed geschikt voor is. De voorgestelde oplossing, een wadi in het noordoosten van het plangebied, is in tegenspraak met de door de gemeente Middelburg en het Waterschap Scheldestromen gestelde eisen. Beantwoording Voor wat betreft de wateroverlast in de huidige situatie wijzen wij erop dat door de volledig gescheiden riolering van de nieuwbouw de capaciteit van het rioolstelsel netto toe zal nemen.
Er wordt extra riolering aangelegd waarop geen verhard oppervlak wordt aangesloten. De bergingscapaciteit in het stelsel zal daardoor minimaal met 42 procent toenemen.
17
De vervanging van de hemelwaterriolering staat nu autonoom (enkel vanuit beheersoogpunt) gepland in 2028. Door de ontwikkelingen zullen de werkzaamheden echter in de tijd naar voren worden geschoven. Uitvoering zal plaats moeten vinden voorafgaand aan de nieuwbouw, zoals ook in paragraaf 6.3.3. van de notitie ‘Verharding en watertoets Noordweg 128’ is verwoord. Tijdens de vervanging zal ook capaciteitsvergroting plaatsvinden. De capaciteit van het HWA-stelsel zal, ondanks de nieuwbouwplannen, door vergroting van diameters en uitbreiding in lengte toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Afhankelijk van de daadwerkelijk toegepaste diameter kan deze capaciteitsvergroting oplopen tot 242 procent. Vervanging van het DWA-riool is gepland in de periode 2037-2042. Indien het riool nu reeds zou worden vervangen, zou dit een enorme kapitaalvernietiging betekenen. Om deze reden kunnen en zullen wij de vervanging dan ook niet naar voren halen in de tijd. De in hoofdstuk 4 van de notitie ‘Verharding en watertoets Noordweg128’ vermelde norm van maximaal 150 m² verhard oppervlak per perceel is afkomstig uit de “Nota Riolering 1.2 (2014)” van het Waterschap Scheldestromen. Hierin staat het volgende: “D.1.2 : • De pompovercapaciteit voor bestaande gemengd gerioleerde woongebieden is 0,7 mm/h over het totale verharde oppervlak met een maximum van 150 m² verhard oppervlak per woning.
• De pompovercapaciteit voor bestaande woongebieden met een verbeterd gescheiden stelsel is 0,3 mm/h over het totale verharde oppervlak met een maximum van 150 m² per woning.” De norm van 150 m² verhard oppervlak per perceel geldt voor aansluitingen op gemengde stelsels en het vuilwaterdeel van verbeterd gescheiden stelsels. Deze norm is ingesteld om de maximaal te hanteren pompovercapaciteit te bepalen waarmee emissies uit overstorten te berekenen zijn. In het geval van de ontwikkeling aan de Noordweg 128 wordt alle verhard oppervlak aangesloten op de wadi (berging van 75 mm), met een overloop op het hemelwaterstelsel, dus niet op de gemengde riolering of het vuilwaterdeel van verbeterd gescheiden riolering. Deze norm is hier derhalve niet van toepassing. Netto wordt er nul m² op genoemde stelsels aangesloten en aldus niet de oppervlakte die genoemd wordt in dit onderdeel van de zienswijze. De wadi in het noordoostelijk deel van het plangebied heeft meerdere functies. Allereerst wordt met de aanleg van de wadi voldaan aan de gestelde waterbergingsopgave. De toename van het verhard oppervlak moet gecompenseerd worden met aanvullende waterberging van 75mm. Met de aanleg van de wadi wordt hier in voorzien.
Tevens zal de wadi, met aan de oostzijde een verhoogde zijde, voorkomen dat hemelwater wordt afgewenteld op de achtertuinen en brandgangen achter de woningen aan de Willem Arondeusstraat 15-53. Alle verhardingen zullen oppervlakkig afwateren op de wadi. Door de oppervlakkige afstroming is de locatie van de wadi voor de werking ervan niet relevant. Door deze in het noordoosten van het perceel aan te leggen kan deze echter wel de tweede functie vervullen. Pas met buien van meer dan 75mm zal een overloop in werking treden. Door de kleiige bodem vindt geen optimale infiltratie plaats, maar infiltratie is er wel degelijk. In aanvulling op het vorenstaande verwijzen wij nog naar hetgeen wij in reactie op de zienswijzen 2, 5, 6, 8 en 9 hebben opgemerkt over water(overlast), waterafvoer, afwatering en riolering. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze leidt tot aanpassing van het bestemmingsplan in die zin dat de exacte locatie van de wadi door middel van een specifieke functieaanduiding op de verbeelding zal worden vastgelegd. Deze aanduiding wordt doorvertaald in de planregels. Voorts zullen de voorwaarden voor de wadi in de planregels worden opgenomen. Samenvatting overlast geluid Betrokken merken op dat uit het document ‘Algemene gegevens Noordweg 128’ van de Architecten Alliantie blijkt dat de zeven woningen voorzien zullen worden van elektrische warmtepompen.
De geluidsoverlast van zeven op een rij geplaatste warmtepompen concentreert zich in het zuiden van het perceel en is groter dan de geluidsoverlast van warmtepompen die - in de oude plannen - over drie locaties zijn verdeeld. In de stukken is geen berekening opgenomen waaruit blijkt welke geluidshinder de pompen op zullen leveren. Volgens betrokkenen veroorzaken zeven warmtepompen een geluidsniveau van ongeveer 59 dB(A). Dit geluidsniveau is niet in overeenstemming met de eisen uit het Bouwbesluit. Volgens het Bouwbesluit bedraagt het geluidsniveau van een warmtepomp in de nacht maximaal 40 dB(A). Betrokkenen betogen dat het geluid van een buitenunit van een warmtepomp (of airco) bij uitstek een soort geluid is dat hinder veroorzaakt. Zeker in het geval dat de unit nabij de erfgrens met de buren staat. Zij menen daarom dat het noodzakelijk is om eisen te stellen aan het plaatsen van de pompen. De
18
pompen zouden bij voorkeur binnen geplaatst moeten worden of in ieder geval in een geluiddempende omkasting. Ook zouden er geluidsmetingen uitgevoerd moeten worden voorafgaand aan de bouw, na plaatsing en ook in de jaren daarna om het effect van eventueel slecht onderhoud mee te nemen. Deze onderzoeken dienen uitgevoerd te worden door een onafhankelijke partij in de winter (overdag op dagen met de meeste koude) en gedeeld te worden met de omwonenden. Beantwoording Het ontwerpbestemmingsplan “Noordweg 128 Middelburg” heeft samen met de ontwerpomgevingsvergunning en de daarbij behorende stukken gedurende zes weken ter inzage gelegen. Uit de bij de ontwerp-omgevingsvergunning behorende stukken blijkt dat er werd uitgegaan van de plaatsing van een bodemwarmtepomp bij de bouwnummers 1 tot en met 7. De aanvrager heeft er echter voor gekozen om bij de woningen 2, 3, 4, 5 en 6 een lucht-lucht warmtepomp te plaatsen. Bij de woningen 1 en 7 zal een bodemwarmtepomp worden geplaatst. Uit de overgelegde tekeningen van blok 1 en 2 (tekeningen plattegronden, gevels en doorsneden) volgt dat de buitenunits van de lucht-lucht warmtepomp aan de achterzijde van de woningen 2 tot en met 6 zullen worden geplaatst. Voor geluid als gevolg van warmtepompen is relevant dat het Bouwbesluit 2012 hierover voorschriften bevat (artikel 3.8, tweede lid en artikel 3.9, derde lid, Bouwbesluit 2012).
Zeer kort samengevat geldt voor warmtepompen een waarde van 40 dB(A) op de grens met een ander woonperceel of ter plaatse van een te openen raam of deur van een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied. (zie). Deze norm heeft betrekking op één enkele warmtepomp. Voorts is in artikel 3.11, tweede lid, van de Regeling Bouwbesluit 2012 bepaald dat bij toepassing van het eerste lid wordt voldaan aan de in bijlage VIII van deze regeling opgenomen nadere voorschriften. In bijlage VIII, sub c, van deze regeling is bepaald dat indien een installatie een afzonderlijke instelling heeft voor de avond- en nachtperiode (19:00 - 7:00 uur), dan wordt het gemeten geluidsniveau in de dagperiode (7:00 - 19:00 uur) gecorrigeerd met -5 dB. Dit komt feitelijk neer op een geluidsniveau van 45dB op de erfgrens tussen 7:00 en 19:00 uur. De grenswaarde van 40/45 dB wordt getoetst op de erfgrens van de dichtstbijzijnde woonfunctie. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van de zeven woningen is getoetst of aan de grenswaarde kan worden voldaan. Uit de overgelegde (geluids)berekeningen volgt dat er op deze nabijgelegen erfgrens geen overschrijding plaatsvindt. Dit betekent dat ook op verder gelegen erfgrenzen geen overschrijding van de geluidsnormen zal plaatsvinden.
Nu wordt voldaan aan de enkelvoudige norm in het Bouwbesluit 2012 gaan wij ervan uit dat zich geen onaanvaardbare cumulatieve geluidhinder van warmtepompen zal voordoen. Er is voor ons geen reden om aan te nemen dat de gecumuleerde geluidswaarden op omliggende woningen zo hoog zijn dat het binnenklimaat wordt verstoord. Aan het verzoek van betrokkenen om aanvullende eisen te stellen aan de (plaatsing van de) warmtepompen komen wij gelet op het voorgaande niet tegemoet. Indien betrokkenen na plaatsing van de warmtepompen menen dat de geluidsnorm wordt overschreden, dan staat het hun vrij om een verzoek tot handhaving in te dienen. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. De ontwerp-omgevingsvergunning wordt gewijzigd in die zin dat de bij de vergunning behorende tekeningen en technische specificaties met betrekking tot de warmtepompen worden gewijzigd. Er zijn gewijzigde tekeningen overgelegd van de plattegronden, gevels en doorsneden van blok 1 en 2. Op deze tekeningen wordt de positie van de buitenunit van de warmtepompen bij de woningen 2 tot en met 6 weergegeven. Voorts worden de geluidsberekeningen van de warmtepompen en de technische specificaties toegevoegd aan de (bijlagen bij de) omgevingsvergunning.
Samenvatting trillingen Betrokkenen wijzen erop dat aan de Noordweg, ter hoogte van het voorgenomen bouwplan, arbeidershuisjes staan die rond 1900 zijn gebouwd. Deze staan op poertjes en hebben onder water gestaan waardoor veel voeg- of stucwerk slecht is. De huizen zijn vaak 1-steens. Trillingen veroorzaken in dit soort woningen snel schade in de vorm van scheuren of verzakkingen. Gelet op de samenstelling van de ondergrond onder de Noordweg en het perceel Noordweg 128 zullen hei- en grondverzetwerkzaamheden of het gebruik van zware machines direct trillingen en daarmee schade veroorzaken aan omliggende woningen. Betrokkenen vinden het daarom noodzakelijk dat het gebruik van zwaar trillend materieel en heiwerkzaamheden worden verboden. Voorts zou een onafhankelijk bedrijf voorafgaand aan het uitvoeren van werkzaamheden een nulmeting moeten uitvoeren naar schade aan de gevel bij alle woningen in de directe omgeving. Dergelijke metingen dienen gedurende de bouw te worden herhaald en schade aan of waardeverlies van de woning dient gecompenseerd te worden door de eigenaar van het perceel. Het dient eveneens verboden te worden dat bouwverkeer via de Noordweg het perceel betreedt. Deze doorgang is namelijk te smal is en het langs deze weg betreden van het perceel zal direct schade aan omliggende woningen en de bestrating veroorzaken.
19
Beantwoording Het bestemmingsplan betreft de vaststelling van een ruimtelijke keuze. Hetgeen betrokkenen hebben aangevoerd over (de kans op) trillingen indien wordt gekozen voor de funderingsmethode heien en de inzet van zwaar bouwmaterieel gedurende de bouw heeft geen betrekking op het bestemmingsplan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten maken geen onderdeel uit van het besluitvormingsproces over de ruimtelijke keuze en hoeven daarom niet door onze raad te worden betrokken bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Op onze raad rust echter wel de verplichting om te bezien of het plan kan worden uitgevoerd zonder een onaanvaardbaar risico voor het perceel en de woning van betrokkenen. Gelet op de volgende overwegingen zijn wij van mening dat geen sprake is van een onaanvaardbaar risico voor het perceel en de woning van betrokkenen. Het plan is in dit opzicht dan ook uitvoerbaar. Uitvoeringsaspecten worden niet betrokken bij de vaststelling van het bestemmingsplan. In onderhavig geval is echter sprake van een gecoördineerde voorbereiding van het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning voor de bouw van de zeven woningen. De wijze waarop gebouwd zal worden wordt derhalve door het college betrokken bij de beoordeling van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’.
Op voorhand merken wij op dat het onmogelijk is om de kans op het ontstaan van schade als gevolg van de bouwwerkzaamheden voor de beoogde woningen volledig uit te sluiten. De omgevingsvergunning is echter met voldoende waarborgen omkleed zodat onveilige situaties zoveel mogelijk worden voorkomen. Aan de omgevingsvergunning zijn onder meer voorschriften verbonden ten aanzien van bouwveiligheid. Conform het bepaalde in artikel 8.1 van het Bouwbesluit 2012 is in de voorschriften onder andere bepaald dat de uitvoering van bouw- en sloopwerkzaamheden zodanig is dat voor de omgeving een onveilige situatie of voor de gezondheid of bruikbaarheid nadelige hinder zoveel mogelijk wordt voorkomen. Ook is in de voorschriften - kort samengevat - bepaald dat er maatregelen moeten worden getroffen om letsel van personen of beschadiging van al dan niet roerende zaken te voorkomen. In de omgevingsvergunning is verder opgenomen dat constructieve berekeningen en tekeningen vier weken voor de start van de werkzaamheden moeten worden aangeleverd en gecontroleerd en akkoord moeten zijn bevonden. In de omgevingsvergunning staat uitdrukkelijk dat met de bouw niet eerder mag worden begonnen alvorens een goedgekeurd V&G-plan (Veiligheids- en Gezondheidsplan) en BLVC-plan (Bereikbaarheid, Leefbaarheid, Veiligheid en Communicatie) wordt overgelegd.
De toe te passen funderingsmethode is ter keuze van de initiatiefnemer. Anders dan betrokkenen menen, kunnen wij niet verbieden de woningen te funderen met behulp van heipalen. Eveneens kan de inzet van zwaar bouwmaterieel niet door ons worden verboden. De initiatiefnemer heeft overigens aangegeven dat geen gebruik zal worden gemaakt van prefab heipalen maar van in de grond gevormde betonnen palen. Een dergelijke wijze van funderen veroorzaakt minder trillingen. De toe te passen funderingsmethode zal op basis van de nog te overleggen constructieve berekeningen en tekeningen door de gemeentelijk constructeur worden beoordeeld. Voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden wordt zowel door de gemeentelijk constructeur als de aannemer een risicoanalyse gemaakt. Indien wordt geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat de toe te passen funderingsmethode zal leiden tot schade aan woningen, zijn er in die zin geen beletselen om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Met het verbinden van onder meer voornoemde voorschriften aan de omgevingsvergunning hebben wij afdoende getracht te voorkomen dat schade zal worden veroorzaakt door de werkzaamheden. Onzes inziens is niet aannemelijk dat onaanvaardbare schade zal optreden indien de aanvrager de werkzaamheden conform de in de vergunning opgenomen voorschriften zal uitvoeren.
Ten aanzien van de opmerking van betrokkenen over de compensatie van eventuele schade merken wij op dat de aannemer, die de bouwwerkzaamheden uitvoert, in eerste instantie verantwoordelijk is voor eventuele schade als gevolg van de bouwwerkzaamheden. Daarvoor is een aannemer ook verplicht verzekerd. Volgens betrokkenen zou voorafgaand aan de start van de werkzaamheden een zogenoemde nulmeting moeten worden uitgevoerd naar schade aan de gevel. Een dergelijke nulmeting kan door ons college niet worden verplicht maar wij zullen de aanvrager wel adviseren om dit te doen. In de definitieve omgevingsvergunning zal dan ook het advies worden opgenomen om voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden een nulmeting bij aan het plangebied grenzende woningen uit te voeren. Overigens heeft de initiatiefnemer reeds aangegeven dat er voorafgaand aan de start van de werkzaamheden een zogenoemde vooropname zal worden uitgevoerd bij aan het plangebied grenzende woningen. Met een bouwkundige vooropname wordt de staat van de panden en de bebouwing vastgelegd voordat de bouwwerkzaamheden beginnen. Aan de hand van deze bouwkundige vooropname wordt een rapport opgesteld waarmee kan worden aangetoond dat schade voor aanvang van de werkzaamheden wel of niet aanwezig was. Voorts zal de aannemer gebruikmaken van
20
monitoring tijdens de bouwwerkzaamheden zodat tijdig geanticipeerd kan worden om schade en hinder te voorkomen. De initiatiefnemer heeft aangegeven dat het bouwverkeer de bouwlocatie zal bereiken via de Willem Arondeusstraat. Het bouwverkeer zal derhalve geen gebruikmaken van de doorgang bij de Noordweg. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan dan wel de omgevingsvergunning. Samenvatting uitzicht en licht Volgens betrokkenen zal de bouw van zeven woningen met een hoogte van tien meter een enorme toename van licht en geluid tot gevolg hebben. Ook zullen de woningen het vrije uitzicht dat zij hebben blokkeren. De bouwplannen leiden tot een verslechtering voor de rust, stilte, het uitzicht en het donker. De afgelopen 23 jaar zijn er geen aanwijzingen of plannen geweest die de situatie zodanig verslechterden op deze gebieden. Volgens betrokkenen is het lager maken van de geplande woningen en een verspreiding over het perceel de enige goede oplossing. De bouw van zeven woningen levert schade op voor alle omwonenden en daarom dient een plan opgesteld te worden voor compensatie van eenieder. Beantwoording Betrokkenen merken terecht op dat zij in de huidige situatie een vrij uitzicht hebben over het perceel Noordweg 128. Het perceel is momenteel namelijk niet bebouwd.
De voorgenomen woningbouwontwikkeling voorziet, gelet op het woningtekort in Nederland, in een maatschappelijke behoefte. Met de bouw van de woningen wordt de bestaande woningvoorraad in de wijk aangevuld en hiermee ontstaan tevens doorstromingskansen voor andere woningzoekenden. Het nieuwe bestemmingsplan “Noordweg 128 Middelburg” staat woningen met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 9,5 meter toe. In onderhavig geval is sprake van een gecoördineerde voorbereiding van het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen. Uit de aanvraag omgevingsvergunning en de daarbij behorende stukken blijkt dat het bouwplan concreet ziet op twee blokken woningen; één blok van vier woningen en één blok van drie woningen. De woningen in het eerste blok hebben een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4,9 en 7,9 meter. De woningen in het tweede blok hebben een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 5,4 en 9,2 meter. Gelet op de situering van het bouwvlak en het aantal woningen dat hierin mag worden gebouwd zijn wij met betrokkenen eens dat het bouwplan tot enige verandering zal leiden voor wat betreft het uitzicht over het perceel. Het belang van realisatie van de woningontwikkeling is door ons afgewogen tegen het belang van betrokkenen bij behoud van het (huidige) uitzicht.
Hoewel het uitzicht als gevolg van de realisatie van de zeven woningen in enige mate zal wijzigen, is er onzes inziens echter geen sprake van een onevenredige aantasting van het uitzicht van betrokkenen. In de huidige situatie hebben zij reeds uitzicht op nabijgelegen woningen en (achter)tuinen. De afstand van de perceelsgrens van betrokkenen tot het bouwvlak bedraagt circa 24 meter. De afstand van de achtergevel van de woning van betrokkenen tot het bouwvlak bedraagt meer dan 40 meter. Op grond van het op dit moment geldende bestemmingsplan “Noordweg”, vastgesteld op 21 februari 2011, kunnen 3 vrijstaande woningen met een maximale gooten bouwhoogte van respectievelijk 4 en 10 meter en bijgebouwen met een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 en 4,5 meter worden gebouwd. Indien in de zuidhoek van het perceel uitvoering zou worden gegeven aan deze planologische mogelijkheden, dan zouden betrokkenen zijdelings uitzicht hebben op een vrijstaande woning en een bijgebouw en een rechtstreeks uitzicht op gronden met een tuinbestemming en de daarachter gelegen achtertuinen van de woningen aan de Willem Arondeusstraat.
Indien uitvoering wordt gegeven aan het thans voorliggende bouwplan, dan hebben zij een zijdelings uitzicht op zeven woningen en een rechtstreeks uitzicht op gronden met een tuinbestemming en de daarachter gelegen achtertuinen van de woningen aan de Willem Arondeusstraat. Aangezien onderhavig perceel is gelegen in een stedelijk gebied - feitelijk op een inbreidingslocatie - zijn wij van mening dat rekening dient te worden gehouden met de mogelijkheid van een woningbouwontwikkeling. Woningen met een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 9,5 meter zijn overigens ook niet ongebruikelijk gelet op de goot- en bouwhoogten van woningen in de directe omgeving. Voorts is enig verlies van uitzicht in een stedelijk gebied niet volledig uit te sluiten. Overigens bestaat ook geen recht op een blijvend vrij uitzicht. Het enkele feit dat betrokkenen in zekere mate aan uitzicht inboeten, maakt dus niet dat het plan geen doorgang kan vinden. Na afweging van alle belangen concluderen wij dat de belangen die gediend zijn met de beoogde ontwikkeling zwaarder wegen dan de belangen van betrokkenen.
21
Wij volgen betrokkenen in hun redenering dat de beoogde ontwikkeling enige lichtuitstraling tot gevolg zal hebben. Gelet op de afstand van de perceelsgrens van betrokkenen tot de te realiseren woningen, de huidige planologische bouwmogelijkheden voor het perceel en de ligging in bestaand bebouwd gebied, is de mogelijke lichtuitstraling van de ontwikkeling echter niet zodanig dat deze onevenredig nadeel oplevert voor betrokkenen. Een zekere mate van lichtuitstraling vanuit woningen en/of vanaf percelen in een stedelijke omgeving is niet ongebruikelijk. Dit geldt tevens voor een mogelijke toename van geluid. De woning van betrokkenen is direct grenzend aan naastgelegen woningen. Deze woningen, met bijbehorende tuin, bevinden zich op kortere afstand dan de zeven te bouwen woningen. De nabijgelegen woningen zorgen derhalve dan ook voor een hogere geluidsproductie. Betrokkenen merken op dat de realisatie van zeven woningen tot schade leidt en er daarom rekening zal moeten worden gehouden met compensatie. Indien betrokkenen menen dat hun onroerende zaak minder waard wordt als gevolg van de planologische wijziging, dan kunnen zij ingevolge artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening een verzoek tot een tegemoetkoming in planschade indienen bij het college van burgemeester en wethouders.
Een dergelijke aanvraag moet worden ingediend binnen vijf jaar na het moment waarop het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden. De planschadeprocedure is een afzonderlijke procedure die losstaat van de bestemmingsplanprocedure. Alle belangen afwegende wordt eventuele planschade niet zodanig geacht dat dit ertoe moet leiden dat het project niet kan worden uitgevoerd. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan dan wel de omgevingsvergunning. Samenvatting verkeersveiligheid Betrokkenen wonen aan de Noordweg en het perceel Noordweg 128 zal worden ontsloten via de Willem Arondeusstraat. Parkeren is zowel op de Noordweg als in de Willem Arondeusstraat een probleem en dit probleem zal alleen maar groter worden in de toekomst indien er meer oplaadvoorzieningen voor elektrische auto’s nodig zijn. Volgens betrokkenen had het perceel Noordweg 128 een bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van (toekomstige) problemen op het gebied van parkeren en oplaadvoorzieningen. De onderwerpen parkeren en elektrisch laden van auto's hadden op dit perceel uitgewerkt kunnen worden om toekomstige problemen op deze gebieden op te lossen. Gelet op de aanwezigheid van meerdere scholen in de nabije omgeving is de verkeersdruk op schooldagen op verschillende momenten al erg groot.
Betrokkenen merken op dat de verkeerssituatie momenteel al niet veilig is en zij vrezen dat de verkeersveiligheid verder achteruit zal gaan als gevolg van de voorziene ontwikkeling. Zij vragen zich verder af hoe het bouwverkeer gecombineerd zal worden met het overige verkeer in de ochtend. Volgens hen ontbreekt een duidelijk plan voor deze problematiek. Beantwoording Uit het betoog van betrokkenen leiden wij af dat zij graag zouden zien dat het perceel Noordweg 128 wordt aangewend voor het parkeren en elektrisch laden van motorvoertuigen. Voor een dergelijke invulling van het perceel is echter niet gekozen. Zoals wij reeds hebben opgemerkt in reactie op het onderdeel ‘communicatie gemeente Middelburg’ van onderhavige zienswijze, hebben initiatiefnemers de gemeente verzocht om medewerking te verlenen aan woningbouw op het perceel Noordweg 128. Gelet op dit verzoek en het feit dat er een grote behoefte aan woningen bestaat, is besloten om medewerking te verlenen aan woningbouwontwikkeling op voornoemde locatie. Het beleid met betrekking tot elektrisch parkeren/laadpalen staat los van dit bouwplan. Overigens leidt onderhavig bouwplan niet tot een toename van de parkeerdruk in de omgeving van de Noordweg en de Willem Arondeusstraat. Ten behoeve van de woningbouwontwikkeling wordt in meer dan voldoende parkeerplaatsen voorzien.
Wij verwijzen kortheidshalve naar hetgeen is overwogen in paragraaf 4.5 van de toelichting bij het bestemmingsplan. Volledigheidshalve wijzen wij erop dat het plan moet voorzien in de parkeerbehoefte van de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. Het plan hoeft - voor zover daarvan sprake zou zijn geen bijdrage te leveren aan het oplossen van een eventueel bestaand parkeertekort. Betrokkenen vrezen voor een toename van de verkeersdruk in onder andere de Willem Arondeusstraat als gevolg van de te realiseren woningen op het kavel Noordweg 128. Ten behoeve van de woningbouwontwikkeling is de verkeersgeneratie van het plan inzichtelijk gemaakt in paragraaf 4.5 van de toelichting op het bestemmingsplan. In deze paragraaf is de toename van het autoverkeer als gevolg van het bouwplan in de Willem Arrondeusstraat opgenomen, namelijk 50 motorvoertuigen per etmaal. Zowel de Willem Arondeusstraat als de Brigdamseweg worden gecategoriseerd als een woonstraat. Deze straten hebben een lage verkeersintensiteit. De gemeente hanteert voor dit type straten een maximale verkeersintensiteit van 2500 motorvoertuigen per etmaal. Zowel de Willem Arondeusstraat als
22
de Brigdamseweg blijven qua verkeersintensiteit ruimschoots onder de 2500 motorvoertuigen per etmaal. De verkeersgeneratie van dit bouwplan is - gelet op voornoemde toename van het aantal motorvoertuigbewegingen - marginaal en de omliggende wegen kunnen deze toename verwerken. Betrokkenen zijn eveneens bezorgd over de verkeersveiligheid rondom de Vrije School als gevolg van de aanwezigheid van bouwverkeer tijdens de ochtenduren. De (verkeers)veiligheid gedurende de bouw van de woningen wordt echter afdoende geborgd. De aannemer zal namelijk een bouwveiligheidsplan op moeten stellen waarin onder andere de inrichting van het bouwterrein is opgenomen. In dit plan wordt tevens aangegeven hoe de bouwverkeerroutes lopen en op welke tijden het bouwverkeer actief is. Het opstellen van een bouwveiligheidsplan is concreet geborgd door middel van een voorschrift dat aan de omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen is verbonden. In bijlage 1, onder 2, bij de omgevingsvergunning zijn de voorschriften voor het onderdeel (ver)bouwen van een bouwwerk opgenomen. In de algemene voorschriften is onder sub a en b bepaald dat met het bouwen niet eerder mag worden begonnen alvorens een goedgekeurd V&G-plan en BLVC-plan wordt overgelegd. Deze aanvullende gegevens dienen drie weken voor aanvang van de betreffende werkzaamheden te worden ingediend.
Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan dan wel de omgevingsvergunning. Samenvatting schets historie plan Noordweg 128 Betrokkenen refereren aan het herziene besluit tot aanwijzing van het beschermde stadsgezicht Noordweg, gemeente Middelburg (Zeeland) ex artikel 35 Monumentenwet 1988 d.d. 26 juni 2008 en schetsen de historie van de aanloop naar het voorgenomen bouwplan op het perceel Noordweg 128. Nadat betrokkenen met Pasen in 2021 op de hoogte zijn geraakt van het bouwplan van de projectontwikkelaar, hebben zij op meerdere momenten telefonisch of schriftelijk contact gehad met het WARK en medewerkers van de gemeente. Zij hebben een mailwisseling die in april 2021 plaatsvond met een medewerker van de gemeente bijgevoegd en daarbij aan- of opmerkingen genoteerd. Volgens hen lijkt het erop dat de betrokken ambtenaren er alles aan gelegen is om het bouwplan doorgang te laten vinden. Betrokkenen zet de feiten nog eenmaal op een rij. Zij merken het volgende op: • • • •
In 2008 is het perceel Noordweg 128 aangewezen als hoogwaardig open gebied in het lint Noordweg. ln de MlP lijst wordt het lint Noordweg 120 t/m 150 nadrukkelijk genoemd als te beschermen waarde. Het bouwen van zeven rijwoningen met bijgebouwen en grote schuur is geen herstel en/of verbetering van hoogwaardige open ruimte. ln tegenstelling tot wat het college van burgemeester en wethouders beweert heeft er geen verandering in de cultuurhistorische waarde plaatsgevonden tussen de aanwijzing in 2008 en de huidige situatie. De bewering dat de meest waardevolle hoofdkenmerken worden gevormd door de licht kronkelende lineaire structuur van deze oude uitvalsweg, de aan weerszijden daarvan aanwezige vrijwel aaneengesloten lintbebouwing met daarachter open gebieden niet meer aanwezig zouden zijn, is dus ook onwaar.
Het is volgens betrokkenen zeer opmerkelijk dat de gemeente voor onderhavige planlocatie wil afwijken van de richtlijnen die zijn opgenomen in het bestemmingplan, de Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2016 en de nieuwe nota Ruimtelijke Kwaliteit die op dit moment ter inzage ligt. Zij komen tot de slotsom dat de enige reden om ter plaatse woningen toe te staan is dat het de gemeente behaagt om een projectontwikkelaar twee miljoen euro te laten verdienen ten koste van een stuk cultuurhistorische waarde en het woongenot van circa 65 bewoners. Beantwoording Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze verwijzen wij kortheidshalve naar hetgeen wij onder het kopje ‘beantwoording’ in reactie op de onderdelen ‘inbreiding’ en ‘samenvatting beschermd stads-/dorpsgezicht’ hebben overwogen. In aanvulling hierop merken wij op dat wij de opmerking van betrokkenen over het behagen van een projectontwikkelaar voor kennisgeving aannemen. In onderhavig geval is naar aanleiding van de indiening van een concreet verzoek en gelet op de grote behoefte aan woningen, besloten om medewerking te verlenen aan woningbouwontwikkeling op de planlocatie. Aan voorliggend bestemmingsplan ligt een zorgvuldig onderzoek en een deugdelijke belangenafweging ten grondslag.
Uit dit onderzoek en deze belangenafweging blijkt dat het plan geen onevenredige inbreuk maakt op de belangen van betrokkenen en (direct) omwonenden. Bij de beoordeling van de planologische aanvaardbaarheid van de beoogde ontwikkeling is, naast de mogelijkheden van het
23
huidige bestemmingsplan, tevens rekening gehouden met de bestaande situatie en de belangen van omwonenden van het perceel Noordweg 128. Hoewel het plan in enige mate tot een verandering van het woon- en leefklimaat van betrokkenen en (direct) omwonenden leidt, is geen sprake van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. Na afweging van alle belangen concluderen wij dat de belangen die gediend zijn met de beoogde ontwikkeling zwaarder wegen dan de belangen van betrokkenen. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Zienswijze 4, Stichting Achmea Rechtsbijstand namens cliënten De zienswijze heeft betrekking op de aspecten beschermd stads-/dorpsgezicht, toelaatbaarheid van zeven woningen, toetsing van de omgevingsvergunning, precedentwerking en rechtsongelijkheid en aanpassing van het plan. Deze aspecten worden hieronder separaat samengevat en van een reactie voorzien Samenvatting beschermd stads-/dorpsgezicht Volgens betrokkene valt een groot deel van de Noordweg onder het beschermd stads-/dorpsgezicht. Het adres waar zij woont en de locatie waarop het bouwplan ziet vallen hier ook beide onder. Het betreft de lintbebouwing aan de Noordweg. Bij de eerdere plannen voor de ontwikkeling van het perceel Noordweg 128 is daarom een maximum van drie woningen op het perceel aangegeven.
Het open karakter zou daarmee meer worden behouden. Een medewerker van de gemeente heeft betrokkene schriftelijk bevestigd dat het in dit geval inderdaad om een beschermd stads-/dorpsgezicht gaat. Er wordt gesteld dat zeven woningen geen intensieve gebiedsinvulling is. Betrokkene betwist dit echter ten zeerste en zij is van mening dat er niet meer dan drie woningen zouden moeten worden toegestaan. Het gegeven dat de woningen nu als het ware haaks op de Noordweg zijn geprojecteerd doet hier niets aan af. Betrokkene zal tegen de zijkant van de woningen aankijken. Het feit dat de woningen met de voordeur aan een andere straat grenzen wil nog niet zeggen dat er geen sprake meer hoeft te zijn van een beschermd dorps-/stadsgezicht. Deze keuze is immers ooit weloverwogen gemaakt. Beantwoording Betrokkene merkt terecht op dat zowel het adres waar zij woont als de planlocatie zijn gelegen binnen het beschermd stadsgezicht ‘Noordweg’. Uit de zienswijze leiden wij af dat zij veronderstelt dat het bouwplan voor zeven woningen afbreuk zal doen aan het beschermde gezicht. Onzes inziens leidt de beoogde ontwikkeling echter niet tot een onevenredige aantasting van cultuurhistorische en met de aanwijzing als beschermd stadsgezicht genoemde waarden. Bij het beschermde gezicht ‘Noordweg’ zijn naast het bebouwingslint ook omliggende agrarische gebieden in de begrenzing opgenomen.
De vrije ligging en de directe relatie van het bebouwingslint met de gebieden is namelijk één van de bijzondere ruimtelijke historische karakteristieken van het beschermde gezicht Noordweg. Bij het perceel Noordweg 128 is dat minder het geval, mede gelet op de situatie van jongere bebouwing direct achter de percelen voorbij nummer 126 en verder. Het gaat bij dat deel van het beschermd gezicht dus vooral nog om het ruimtelijke profiel en de structuur van de bebouwing aan de Noordweg, net zoals bij de rest van het bebouwingslint alleen zonder de ruimtelijke relatie met een open gebied erachter. Het perceel Noordweg 128 heeft reeds aan ruimtelijkheid ingeboet. Ter plaatse van de planlocatie is geen overgangssituatie (meer) aanwezig tussen de dichtere bebouwing en het landelijk gebied. Evenmin is sprake van een directe ruimtelijke relatie met of aansluiting op dergelijke nabije overgangsgebieden. Het is echter wel van belang om de herkenbaarheid van de lintstructuur te waarborgen. Een bebouwingsintensieve inbreiding ter plaatse van de planlocatie moet dan ook worden voorkomen. Anders dan betrokkene meent, kan met de realisatie van voorliggend bouwplan niet worden gesproken over een intensieve bebouwing op het perceel welke afbreuk doet aan het beschermde gezicht.
Voor een nadere motivering verwijzen wij kortheidshalve naar hetgeen wij in reactie op zienswijze 3 (kopje ‘beantwoording’ in reactie op het onderdeel ‘samenvatting beschermd stads-/dorpsgezicht’) hebben opgemerkt. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting toelaatbaarheid zeven woningen Betrokkene betoogt dat er niet is gekeken naar alternatieven, waaronder minder woningen, zodat de plannen minder belastend voor de omgeving zijn. Eerder werden drie woningen voldoende en acceptabel geacht. Er wordt niet gemotiveerd aangegeven waarom thans zeven woningen toelaatbaar zijn.
24
Beantwoording Het thans geldende bestemmingsplan “Noordweg” biedt de mogelijkheid om op de locatie Noordweg 128 in Middelburg drie woningen te bouwen. De gemeenteraad heeft ten tijde van de vaststelling van voornoemd bestemmingsplan geoordeeld dat de realisatie van drie woningen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Betrokkene merkt in zoverre terecht op dat drie woningen eerder acceptabel zijn bevonden. Er is echter nooit een concreet bouwplan ingediend dat uitvoering geeft aan het thans geldende bestemmingsplan. In onderhavig geval is niet gekeken naar alternatieve plannen omdat initiatiefnemers een verzoek bij de gemeente hebben ingediend voor de bouw van zeven woningen op de planlocatie. Het college heeft in de vergadering van 13 april 2021 besloten om, gelet op dit verzoek en het feit dat er een grote behoefte aan woningen bestaat, medewerking te verlenen en een bestemmingsplan voor te bereiden voor de bouw van zeven woningen op de planlocatie. Betrokkene vraagt zich af waarom zeven woningen toelaatbaar zijn. Kortheidshalve verwijzen wij voor de beantwoording van deze vraag naar de toelichting op het bestemmingsplan voor de beoogde ontwikkeling. In deze toelichting wordt nader gemotiveerd waarom het bouwplan ruimtelijk aanvaardbaar is.
In aanvulling op het vorenstaande merken wij op dat aan voorliggend bestemmingsplan een zorgvuldig onderzoek en een deugdelijke belangenafweging ten grondslag ligt. Uit dit onderzoek en deze belangenafweging blijkt dat het plan geen onevenredige inbreuk maakt op de belangen van betrokkene en (direct) omwonenden. Bij de beoordeling van de planologische aanvaardbaarheid van de beoogde ontwikkeling is, naast de mogelijkheden van het huidige plan, tevens rekening gehouden met de bestaande situatie en de belangen van omwonenden van het perceel Noordweg 128. Hoewel het plan in enige mate tot een verandering van het woon- en leefklimaat van betrokkene en (direct) omwonenden leidt, is geen sprake van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. Na afweging van alle belangen concluderen wij dat de belangen die gediend zijn met de beoogde ontwikkeling zwaarder wegen dan de belangen van betrokkene. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting toetsing omgevingsvergunning Volgens betrokkene wordt er simpelweg verwezen naar het bestemmingsplan dat gelijktijdig ter inzage ligt. Immers, als het bestemmingsplan is vastgesteld, dan is de omgevingsvergunning passend te noemen. Van een belangenafweging is geen sprake meer.
Beantwoording De beoogde ontwikkeling is in strijd met het thans geldende bestemmingsplan “Noordweg”, vastgesteld op 21 februari 2011. Om medewerking te kunnen verlenen aan het bouwplan is voorliggend bestemmingsplan “Noordweg 128 Middelburg” opgesteld. In onderhavig geval is toepassing gegeven aan de gemeentelijke coördinatieregeling als bedoeld in paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening. In dat kader zijn het ontwerpbestemmingsplan “Noordweg 128 Middelburg” en de ontwerpomgevingsvergunning voor de bouw van de zeven woningen gelijktijdig ter inzage gelegd. Betrokkene merkt terecht op dat indien de aanvraag omgevingsvergunning rechtstreeks in het voorliggende bestemmingsplan past, er geen nadere belangenafweging meer plaats mag vinden. De belangenafweging is echter reeds in voorliggend bestemmingsplan gemaakt. In de toelichting op het plan wordt nader uiteen gezet waarom de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan dan wel de omgevingsvergunning. Samenvatting precedentwerking en rechtsongelijkheid Betrokkene merkt op dat zij de gemeente eerder heeft verzocht om medewerking te verlenen aan de realisatie van een appartement in een bestaand bouwwerk op een aan haar toebehorend perceel.
Dit verzoek is uiteindelijk afgewezen omdat het ruimtelijk gezien niet wenselijk is om van de schuur/berging een woning te maken. Dit zou tot precedentwerking leiden. Een andere reden om geen medewerking te verlenen is het gegeven dat de Noordweg een beschermd stadsgezicht is en dat verdichting moet worden voorkomen. Een paar jaar later wordt andere initiatiefnemers wel toegestaan om zeven nieuwe woningen te realiseren, hetgeen evengoed afbreuk doet aan het beschermd stadsgezicht. Betrokkene is van mening dat er sprake is van rechtsongelijkheid. Zij vraagt zich af of zij nu ook een hernieuwd verzoek kan doen voor het aan haar toebehorende perceel. Precedentwerking is immers niet meer aan de orde.
25
Beantwoording Betrokkene merkt terecht op dat zij eerder een conceptaanvraag heeft ingediend voor de realisatie van een appartement in een bestaand bouwwerk (een berging/schuur). Dit verzoek is op 1 november 2019 ingediend en bij brief van 10 december 2019 is door het toenmalige college aangegeven dat er geen bereidheid is tot planologische medewerking. Betrokkene heeft vervolgens verzocht om deze beslissing te heroverwegen. Bij brief van 4 maart 2020 heeft het toenmalige college haar opnieuw bericht dat er geen bereidheid is tot medewerking aan de benodigde afwijking van het bestemmingsplan. In beide brieven is kort samengevat aangegeven dat het verlenen van medewerking een precedent zou scheppen voor kavelopsplitsing en omvorming van schuren/bergingen tot woningen. Het is niet uit te sluiten dat bij die woningen dan opnieuw bijgebouwen worden geplaatst. Deze kunnen dan ook weer worden opgesplitst. Het verlenen van medewerking aan bewoning van vrijstaande bijgebouwen kan eveneens tot een ongewenste precedentwerking leiden. Voorts is opgemerkt dat de Noordweg is gelegen binnen het beschermd stadsgezicht en verdichting moet worden voorkomen. Wij volgen betrokkene niet in haar redenering dat nu er medewerking wordt verleend aan de realisatie van zeven woningen op het perceel Noordweg 128, precedentwerking niet meer aan de orde is en sprake is van rechtsongelijkheid.
Anders dan betrokkene veronderstelt is er geen sprake van rechtsongelijkheid. Het verzoek van betrokkene is namelijk niet vergelijkbaar met de beoogde woningbouwontwikkeling op het perceel Noordweg 128. In het geval van betrokkene is sprake van een bestaand bouwwerk dat in gebruik is als berging/schuur. Op de locatie Noordweg 128 zullen zeven nieuwe woningen worden gerealiseerd. Op dit perceel zijn planologisch gezien reeds drie woningen toegestaan. Voorts is het perceel waarop het verzoek van betrokkene zag gelegen in het lint. Het perceel Noordweg 128 is gelegen achter het lint. Reeds om deze redenen is geen sprake van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. De vraag van betrokkene of zij een hernieuwd verzoek kan of mag indienen beantwoorden wij bevestigend. Indien zij besluit om de conceptaanvraag uit 2019 opnieuw in te dienen, dan zullen wij dit verzoek (opnieuw) beoordelen. Wij hechten eraan te benadrukken dat bouwplannen die in strijd zijn met het bestemmingsplan individueel worden beoordeeld. Per geval wordt beoordeeld of het ruimtelijk gezien aanvaardbaar is om medewerking te verlenen. De ligging van een perceel binnen het beschermd stadsgezicht ‘Noordweg’ is één van de (ruimtelijke) aspecten die bij een dergelijke beoordeling wordt betrokken. Onderhavig bouwplan is door ons op zijn merites beoordeeld.
Zoals wij reeds hebben opgemerkt in reactie op zienswijze 3 (onder de kopjes ‘beantwoording’ in reactie op de samenvatting van de onderdelen ‘communicatie door de gemeente Middelburg’ en ‘participatie’), zijn wij van mening dat de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de Noordweg 128 ruimtelijk aanvaardbaar is. Van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van betrokkene en overige omwonenden is namelijk geen sprake. Hoewel sprake is van enige mate van verdichting op het perceel Noordweg 128 wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het beschermd stadsgezicht ‘ Noordweg’ . Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting aanpassing van het plan Betrokkene attendeert erop dat een goede ruimtelijke ordening vraagt dat het nadeel voor omwonenden zo klein mogelijk wordt gehouden. Planschade kan worden voorkomen door een aanpassing van het plan. Zij verzoekt ons om andere mogelijke locaties te zoeken waar geen of minder kans op planschade is. Voorts vraagt zij ons rekening te houden met onderhavige zienswijze en het plan aan te passen en de omgevingsvergunning niet te verlenen. Beantwoording Initiatiefnemers hebben een concreet verzoek voor de bouw van zeven woningen op onderhavige locatie ingediend.
Zoals wij reeds hebben aangegeven in reactie op de overige onderdelen van de zienswijze van betrokkene achten wij onderhavige ontwikkeling ruimtelijk aanvaardbaar. Gelet op het onderzoek dat heeft plaatsgevonden en de belangenafweging die ten grondslag ligt aan onderhavig plan zijn wij van mening dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat van betrokkene. Alle belangen afwegende wordt eventuele planschade niet zodanig geacht dat dit ertoe zou moeten leiden dat het plan niet kan worden uitgevoerd. Voor eventuele tegemoetkoming in planschade bestaat bovendien een afzonderlijke procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden. Indien betrokkene van mening is dat haar woning minder waard wordt als gevolg van de planologische wijziging, dan kan zij ingevolge artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening een verzoek tot een tegemoetkoming in planschade indienen. De planschadeprocedure staat los van de bestemmingsplanprocedure. Gelet op het vorenstaande zien wij geen reden om niet tot vaststelling van het bestemmingsplan en vervolgens tot verlening van de omgevingsvergunning over te gaan.
26
Conclusie Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Zienswijze 5, particulier (4 ondertekenaars) De zienswijze heeft betrekking op het bouwplan voor de schuur, bouwverkeer, schade en wateroverlast. Deze aspecten worden hieronder separaat samengevat en van een reactie voorzien. Samenvatting bouwplan schuur Betrokkenen hebben bezwaar tegen het bouwplan voor de schuur. Zij merken op dat dit bouwwerk met een omvang van 12 bij 12 meter en een hoogte van 6,25 meter nogal groot en hoog is. Omdat de percelen van betrokkenen een stuk lager liggen dan de Noordweg zal de schuur voor hen nog hoger zijn. De schuur lijkt meer op een woonhuis, er zit zelfs een grote hoekkeuken en toilet in. Betrokkenen zouden graag zien dat de schuur een stuk kleiner wordt en de verdieping wordt verwijderd. Ook stellen zij voor om het bouwwerk te verplaatsen naar een plek waar niemand er last van heeft. Zij kunnen hun uitzicht dan behouden en zij hoeven in dat geval geen slagschaduw van de schuur te ervaren. Betrokkenen staan ervoor open om samen naar een passende oplossing te zoeken zodat iedereen zijn of haar woongenot kan behouden. Beantwoording Voorliggend bestemmingsplan staat een schuur met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 en 6 meter en een oppervlakte van 144m2 toe.
Uit de bij de ontwerpomgevingsvergunning behorende tekeningen blijkt dat de schuur een goot- en bouwhoogte heeft van respectievelijk 3,5 en 6,2 meter. De maximaal toegestane maatvoering wordt aldus overschreden. De aanvrager heeft echter een gewijzigde tekening ingediend en uit deze tekening blijkt dat de goot- en bouwhoogte van de schuur respectievelijk 2,3 en 5,8 meter zal bedragen. De schuur voldoet daarmee aan de maximale maatvoering uit het vast te stellen bestemmingsplan. Uit de zienswijze van betrokkenen leiden wij af dat zij graag zien dat de schuur kleiner wordt en dat deze zonder verdieping wordt uitgevoerd of dat de schuur op andere plek wordt gerealiseerd. Het belang van realisatie van de aangevraagde schuur is door ons afgewogen tegen het belang van betrokkenen bij behoud van het (huidige) uitzicht. Hoewel het uitzicht als gevolg van de realisatie van de schuur in enige mate zal wijzigen, is er onzes inziens echter geen sprake van een onevenredige aantasting van het uitzicht van betrokkenen. In de huidige situatie hebben zij reeds uitzicht op nabijgelegen woningen en (achter)tuinen. Op grond van het op dit moment geldende bestemmingsplan “Noordweg”, vastgesteld op 21 februari 2011, kunnen onder andere 3 vrijstaande woningen met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 10 meter worden opgericht.
Indien uitvoering zou worden gegeven aan deze planologische mogelijkheden, dan zouden betrokkenen vanuit hun woning rechtstreeks dan wel zijdelings zicht hebben op onder meer een vrijstaande woning met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 10 meter. Een dergelijke woning kan, gelet op de toegestane bouwhoogte, ook met een verdieping worden uitgevoerd. De woning mag, gelet op de situering van het bouwvlak, op een afstand van circa 11 meter van hun perceelsgrens worden gebouwd. Indien uitvoering wordt gegeven aan onderhavig bouwplan, dan hebben betrokkenen rechtstreeks zicht op een schuur op een afstand van meer dan 15 meter van hun perceelsgrens. De maximale bouwhoogte van deze schuur bedraagt 6 meter. De ruimtelijke impact van de schuur is daarmee kleiner dan de impact van de vrijstaande woning die op grond van het geldende bestemmingsplan zou kunnen verrijzen. Onzes inziens heeft de beoogde schuur, gelet op de afmetingen daarvan, de afstand tot de perceelsgrenzen van betrokkenen en de huidige planologische mogelijkheden, geen onevenredige nadelige gevolgen voor het uitzicht van betrokkenen. Voorts is enig verlies van uitzicht in een stedelijk gebied niet volledig uit te sluiten. Overigens bestaat ook geen recht op een blijvend vrij uitzicht.