24-105 Bijlage 1a. Gewijzigd vast te stellen bestemmingsplan
Tekst van het document
24
Toelichting bestemmingsplan ‘Schotelweg 2,6, 8 en ongenummerd te Middelburg’
Groepsrisico Het invloedsgebied is berekend door middel van een QRA. Deze afstand is berekend voor de worst case (meest giftige stof, maximale hoeveelheid aanwezig en het weertype F1,5). Aangenomen kan worden dat mogelijke wijzigingen in de rand van het invloedsgebied (op een grotere afstand dan 1.500 meter) geen noemenswaardige veranderingen in het groepsrisico veroorzaken. In de Nota van Toelichting bij de Beleidsvisie Externe Veiligheid is door de provincie Zeeland aangesloten bij het beleid van de provincie Zuid-Holland. Hierin staat beschreven dat de populatie op grote afstand van de bron nauwelijks invloed heeft op de grootte van het groepsrisico. Het bevoegd gezag wordt geadviseerd om de Veiligheidsregio Zeeland in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over hulpverlening en zelfredzaamheid indien er sprake is van invloedsgebieden van risicobronnen die op een grotere afstand dan 1.500 meter aanwezig zijn en er binnen het plangebied nieuwe of bestaande objecten of functies van meer dan 250 personen bevinden. Het plangebied ligt op een veel grotere afstand dan 1.500 meter van bovengenoemd bedrijf.
Deze ontwikkeling gelegen in een stedelijke reeds druk bewoonde woonomgeving, waarbij de gronden reeds voor bedrijfsmatige doeleinden zijn bestemd, zal in combinatie met de zodanig grote afstand tot de risicobron- niet zorgen voor een significante toename van het groepsrisico. N57 Het plangebied ligt op circa 1,2 kilometer van de N57. Het plangebied is daarmee alleen binnen het invloedsgebied voor toxische stoffen is gelegen. Er is derhalve een beperkte groepsrisicoverantwoording voor een scenario met toxische stoffen vereist. Plaatsgebonden risico Uit de risicokaart blijkt dat dit een basisnet wegtraject is zonder PAG-indicatie. Het plaatsgebonden risicoplafond is vastgesteld op 0 meter en het groepsrisico plafond op 73 meter. Groepsrisico Een toxisch incident met giftige gassen treedt op wanneer als gevolg van een brand toxische dampen vrijkomen. De toxische stoffen worden meegevoerd door de wind. Wanneer als gevolg van een incident op de N57 toxische vloeistoffen in een korte tijd uit een tankwagen stromen, vormt deze een plas. Ook dan worden toxische dampen meegevoerd door de wind. In principe speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk bij een toxisch scenario geen rol. De bestrijding van het incident vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied.
De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. Het beste advies voor zelfredzaamheid bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de N57 is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safehaven-principe). Indien een ruimte of gebouw niet als safe-haven kan worden ingericht, dient haaks op de wolk gevlucht te worden. Maatregelen die de zelfredzaamheid hierin verder kunnen vergroten zijn: • Risicocommunicatie om risicobewustzijn te vergroten; • Het opstellen van een bedrijfsnoodplan, met aandacht voor het toxisch scenario.
25
Toelichting bestemmingsplan ‘Schotelweg 2,6, 8 en ongenummerd te Middelburg’
4.4.3
Conclusie Gelet op het voorgaande levert het aspect externe veiligheid geen belemmering op voor het bestemmingsplan.
4.5
Bedrijven en milieuzonering
4.5.1
Wettelijk kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering In de brochure Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009) wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala van bedrijfsactiviteiten. In deze handreiking worden bedrijven ingedeeld in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid.
Ook maakt de handreiking onderscheid in verschillende gebiedstypen zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied. Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en eventueel onder welke voorwaarden, een bedrijf inpasbaar is in de omgeving.
4.5.2
Onderzoek In de huidige situatie zijn de gronden van het plangebied bedrijfsmatig bestemd. Als gevolg van de planontwikkeling worden ter plaatse van deze bestemming nu woningen gerealiseerd. De ontwikkeling vindt verder plaats in een gebied met voornamelijk woningbouw. Het plangebied grenst aan het buitengebied van de gemeente Middelburg. In de directe omgeving zijn enkele agrarische inrichtingen aanwezig die mogelijk hinder kunnen veroorzaken. Voor deze inrichtingen geldt, dat eventuele hinder veroorzaakt kan worden door de aspecten ‘geur’ en ‘geluid’. De provinciale verordening schrijft voor dat de minimale afstand tussen nieuwe woonbebouwing en bestaande agrarische bedrijven 100 meter moet zijn, tenzij aannemelijk kan worden gemaakt dat geen hinder optreedt voor de nieuwe woningen en de nieuwe woningen evenmin de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf beperken. Aangezien de meeste agrarische bouwvlakken en daarmee bedrijven op grotere afstand dan 100 meter van het plangebied zijn gelegen én het feit, dat op kortere afstand van deze agrarische bedrijven zich reeds burgerwoningen bevinden,
26
Toelichting bestemmingsplan ‘Schotelweg 2,6, 8 en ongenummerd te Middelburg’
leidt de beoogde planontwikkeling niet tot een belemmering voor de (bestaande) bedrijfsvoering van de omliggende agrarische bedrijven. Tot slot worden de direct aangrenzende gronden voornamelijk voor akkerbouw aangewend. Uit onderzoek blijkt, dat de veiligheidsafstand als gevolg van het bewerken van de akkerbouwgrondenbespuitingen met toxische stoffen en blootstelling hiervan op (nieuwe) woningen varieert van 5 tot >50 meter. De afstand is mede afhankelijk van de spuittechniek, de hoogte, het gebruikte gewasbeschermingsmiddel en de aanwezigheid van sloten en/of beplanting. Gelet op het feit, dat bij de bewerking van deze akkerbouwgronden reeds met de mogelijke aanwezigheid van bedrijfswoningen rekening dient te worden gehouden, reikt de veiligheidsafstand daarmee niet tot aan de voorziene woningen binnen dit deel van het plangebied. Verder zal, naast de woning, de invulling van het bijbehorende terrein integraal worden mee-ontworpen en daarmee dit aspect worden geborgd. 4.5.3
Conclusie Milieuhinder vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.6
Luchtkwaliteit
4.6.1
Wettelijk kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO 2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m 3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 vastgesteld op 11 juni 2011 voor PM10 en 1 januari 2015 voor NO2. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit.
Een plan draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als tenminste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: • de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; • de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; • de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden;
27
Toelichting bestemmingsplan ‘Schotelweg 2,6, 8 en ongenummerd te Middelburg’
• projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-plan is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 4.6.2
Onderzoek In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-plan kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. In de Regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie tot maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In voorliggend plan worden er maximaal 5 grondgebonden woningen toegevoegd. Op basis van deze getallen kan gesteld worden, dat het plan niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt. Het uitvoeren van een luchtkwaliteitsonderzoek is daarom niet noodzakelijk.
4.6.3
Conclusie De voorgestane ontwikkeling is gelet op de kleinschaligheid daarvan aan te merken als een plan, dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan (artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm).
4.7
Archeologie
4.7.1
Wettelijk kader In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. De zorgplicht voor het archeologisch erfgoed was tot enige tijd geleden vastgelegd in de Monumentenwet uit 1988, met een nadere uitwerking in de Wet op de Archeologische MonumentenZorg (Wamz) uit 2007. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden waarmee de Monumentenwet 1988 is vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2024 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het betreft: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten;
28
Toelichting bestemmingsplan ‘Schotelweg 2,6, 8 en ongenummerd te Middelburg’
• •
verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; bescherming van stads- en dorpsgezichten.
Belangrijke uitgangspunten uit de Monumentenwet 1988, zoals de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem en het inpassen van archeologisch erfgoed in de ruimtelijke ordening en de financiering van onderzoek (‘de verstoorder betaalt’), blijven dus onverminderd van kracht. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen gronden moet dan ook rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. Daarom is het voor het opstellen van een bestemmingsplan noodzakelijk te onderzoeken in hoeverre in betreffende gronden archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Gebieden waar resten aanwezig zijn, kunnen door middel van een dubbelbestemming voor archeologie door het bestemmingsplan worden beschermd. Voorafgaand aan werkzaamheden waarbij bodemingrepen plaatsvinden, dient dan in bepaalde gevallen nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. 4.7.2
Onderzoek Binnen het huidig plangebied geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 500 m2 én dieper reiken dan 0,40 m -mv. Naar verwachting wordt de bebouwde oppervlakte per kavel niet overschreden en is archeologisch onderzoek daarmee niet vereist. Dit laat onverlet, dat de dubbelbestemming op de gronden zal blijven rusten en daarmee de archeologische waarden blijven geborgd.
4.7.3
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor onderhavige planvorming. Verder blijven de archeologische waarden beschermd en behouden door het overnemen van de dubbelbestemming conform het vigerende bestemmingsplan.
4.8
Cultuurhistorie
4.8.1
Wettelijk kader Per 1 juli 2011 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is het Bro per 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, lid 5 Bro) gewijzigd. Wat eerst alleen voor archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. Voor een herziening van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is daarmee dus verplicht om de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. In lijn met de Erfgoedwet neemt de gemeente Middelburg in haar bestemmingsplannen een integrale paragraaf Cultuurhistorie op. Hierin wordt voor het plangebied van het betreffende bestemmingsplan een inventarisatie en een analyse van de aanwezige cultuurhistorische waarden
29
Toelichting bestemmingsplan ‘Schotelweg 2,6, 8 en ongenummerd te Middelburg’
gepresenteerd. Aan deze inventarisatie zullen / kunnen consequenties ten opzichte van het vaststellen van een dubbelbestemming cultuurhistorie en / of archeologie verbonden worden. 4.8.2
Onderzoek De cultuurhistorische waardevolle objecten zijn door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Binnen het plangebied zijn geen bouwhistorische objecten aanwezig. Ook in de directe omgeving van het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig. Wel zijn de gronden van het plangebied, zowel op basis van de provinciale waardenkaart als het bestemmingsplan, aangewezen als beschermd stadsgezicht. Binnen het plangebied zijn echter geen monumenten of beeldbepalende panden aangewezen, waardoor er geen waarden (verdergaand) worden aangetast.
4.8.3
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat, het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen. Verder blijven de cultuurhistorische waarden beschermd en behouden door het overnemen van de dubbelbestemming conform het vigerende bestemmingsplan.
4.9
Water
4.9.1
Wettelijk kader Per 1 november 2003 is door een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht geworden. Beschreven moet worden op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Voorkomen moet worden dat ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen. Doel van het watertoetsproces is dat waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar en evenwichtig worden meegenomen bij ruimtelijke plannen of besluiten. Onderstaand is de watertoetstabel verwerkt ter ondersteuning van de onderbouwing van de wateraspecten in een ruimtelijk plan.
4.9.2
Onderzoek Onderstaand is de watertoets opgenomen, rekening houdend met de gewijzigde bebouwingsoppervlakte. Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Veiligheid waterkeringen
De ontwikkeling ligt niet binnen de keurzone van
Waarborgen van het veiligheidsniveau en reke-
primaire of regionale waterkeringen. Omdat het
ning houden met de daarvoor benodigde ruimte.
bouwen van gebouwen buiten deze zones op grond van de Keur van het waterschap zonder meer is toegestaan, treedt geen strijdigheid met de beleidsregels van het waterschap op.
30
Toelichting bestemmingsplan ‘Schotelweg 2,6, 8 en ongenummerd te Middelburg’
Voorkomen overlast door oppervlaktewater
Het totaal aan verharding binnen het plangebied
Het plan biedt voldoende ruimte voor het
bedraagt momenteel 1.997 m², waarvan 437 m²
vasthouden, bergen en afvoeren van water.
aan bebouwing en circa 1.560 m² aan geasfalteerd
Waarborgen van voldoende bouwpeil om
(opslag)terrein. In de nieuwe situatie neemt de ver-
overstroming vanuit oppervlaktewater in
harding naar circa 550 m² af, waardoor het treffen
maatgevende situaties te voorkomen. Rekening
van watercompenserende maatregelen niet is ver-
houden met de gevolgen van klimaatverande-
eist.
ring en de kans op extreme weersituaties. Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater
Het huishoudelijk afvalwater van het plangebied
Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/
wordt aangesloten op de omliggende buitenriole-
RWZI’s en van de (gemeentelijke) rioleringen.
ring van het gescheiden systeem voor vuil- en
Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken
schoonwater door middel van kunststofbuizen van
in verband met de reductie van hydraulische be-
gerecycled PVC. De woningen worden aangeslo-
lasting van de RWZI, het transportsysteem en
ten op de gemeentelijke riolering. Het hemelwater
het beperken van overstorten.
wordt afgevoerd op het nabij gelegen oppervlaktewater (sloot aan de noordzijde langs de Schotelweg).
Grondwaterkwantiteit en verdroging
Er wordt geen grondwater onttrokken. Regen-
Voorkomen en tegengaan van grondwaterover-
water kan over het maaiveld worden afgevoerd
last en -tekort. Rekening houdend met de gevol-
naar omliggende oppervlaktewateren. De be-
gen van klimaatverandering. Beschermen van
oogde ontwikkeling is niet nadelig voor de wa-
infiltratiegebieden en –mogelijkheden.
tervoorziening. De ontwikkeling heeft derhalve geen negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. De beoogde bebouwing leidt niet tot het onttrekken van grondwater of het infiltreren van grondwater met als doel het later weer op te pompen. Verdroging is dan ook niet aan de orde.
Grondwaterkwaliteit
Door het gebruik van duurzame niet uitlogende
Behoud of realisatie van een goede grondwater-
bouwmaterialen heeft het plan geen nadelige ge-
kwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsge-
volgen voor de oppervlaktewaterkwaliteit. Het plan
bieden.
veroorzaakt geen nadelige gevolgen voor of door het oppervlaktewatersysteem of grondwaterbeschermingsgebieden in de omgeving.
Oppervlaktewaterkwaliteit
Er wordt niet gebouwd in een infiltratiegebied of
Behoud of realisatie van goede oppervlaktewa-
natuurgebied. De beoogde ontwikkeling heeft
terkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van
derhalve geen nadelige gevolgen voor de wa-
het watersysteem. Toepassing van de trits
terkwaliteit. Door het gebruik van duurzame niet
schoonhouden, scheiden, zuiveren.
uitlogende bouwmaterialen wordt voorkomen dat het te infiltreren hemelwater de bodem en het grondwater verontreinigt. Ingrepen voortkomend uit dit plan tasten geen bodemlagen aan als gevolg waarvan het grondwatersysteem verandert.
31
Toelichting bestemmingsplan ‘Schotelweg 2,6, 8 en ongenummerd te Middelburg’
Volksgezondheid
Er is zowel in de bestaande als in de toekomstige
Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten
situatie geen sprake van open water. Het aspect is
en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-
derhalve niet relevant. Er worden geen water ge-
risico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.
relateerde consequenties voor de volksgezondheid verwacht
Bodemdaling
Het peilregiem van het plangebied is afgestemd
Voorkomen van maatregelen die (extra)
op bebouwd gebied. Er is geen sprake van een
maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden
peilverlaging en/of bodemdaling. Derhalve is deze
kunnen veroorzaken.
problematiek niet aan de orde. Er wordt geen grondwater onttrokken en hemelwater wordt zoveel als mogelijk naar het omliggende oppervlaktewater teruggevoerd. Bodemdaling wordt dan ook niet verwacht.
Natte natuur
Het plangebied grenst niet aan natte natuurgebie-
Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevari-
den. Derhalve zijn er geen bijzondere maatregelen
eerde en natuurlijk karakteristieke aquatische
te treffen of beperkingen te verwachten
natuur. Onderhoud oppervlaktewater
Er liggen geen waterlopen binnen het plange-
Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden
bied en er worden geen nieuwe waterlopen
worden. Rekening houden met obstakelvrije
voorzien. Derhalve is het aspect onderhoud van
onderhoudsstroken vrij van bebouwing en op-
de waterlopen niet aan de orde.
gaande (hout)beplanting. Andere belangen waterbeheer
Uitwerking
Relatie met eigendom waterbeheerder
n.v.t
Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren. Wegen in beheer bij het waterschap
Ja, transporten zullen naar verwachting plaats-
(alleen invullen voor zover van toepassing)
vinden via de hoofdontsluitingsweg (Leliëndaal-
* in de bouwfase:
seweg) en de Schotelweg. Hierover vindt af-
Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen)
stemming met het waterschap plaats.
plaats over waterschapswegen? *na realisatie: verkeersaantrekkende werking Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer? Gelet op de huidige bedrijfsmatige functie van de percelen in het plangebied, neemt de verna realisatie: bereikbaarheid
keersgeneratie zowel in planologisch als feitelijk
Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en voet-
opzicht, in de nieuwe situatie af.
gangers uw plan kunnen bereiken. Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd? Alle percelen worden voor zowel gemotoriseerd na realisatie: parkeren
als langzaam verkeer via de Schotelweg ontslo-
Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd?
ten. Er worden in relatie tot het plan geen nieuwe (uit)wegen aangelegd.
na realisatie: (ver)bouwen Bent u voornemens om binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk te
Het parkeren zal op eigen terrein plaatsvinden.
32
Toelichting bestemmingsplan ‘Schotelweg 2,6, 8 en ongenummerd te Middelburg’
(ver)bouwen? (zoals een woning of afscheiding (gefundeerd). Nee
4.9.3
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van water. Het aspect water staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem in het plangebied.
4.10
Flora en fauna
4.10.1
Wettelijk kader Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dieren plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Eén van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming wordt sinds 1 januari 2017 gevormd door de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de directe nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige gevolgen voor het natuurgebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); die gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies). Het NNN is in Zeeland uitgewerkt in het Natuur Netwerk Zeeland (NNZ). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming Ook het aspect ’soortbescherming’ vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: • strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; • alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten. In de provincie Zeeland geldt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling voor een groot deel van de “overig” beschermde soorten.
33
Toelichting bestemmingsplan ‘Schotelweg 2,6, 8 en ongenummerd te Middelburg’
Dit betreft de meest algemene soorten amfibieën en zoogdieren. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn) is er geen beleidsruimte en is de bescherming onveranderd. 4.10.2
Onderzoek Quickscan flora en fauna Door Econsultancy is op 8 juni 2023 een ‘Quickscan flora en fauna uitgevoerd. In de onderstaande tekst wordt een samenvatting van de rapportage gegeven. In bijlage 3 is het gehele onderzoek opgenomen. Soortenbescherming De geplande ruimtelijke ontwikkelingen hebben alleen mogelijk een negatief effect op de huismussen, vleermuizen, de steenmarter, bunzing, wezel, en hermelijn. Omdat de aanwezigheid van deze soorten niet kon worden uitgesloten is geadviseerd om vervolgonderzoeken uit te voeren voor deze soorten om zo een overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Deze vervolgonderzoeken worden momenteel uitgevoerd. Dit onderzoek is afgerond in augustus 2024, voor vaststelling van onderhavig bestemmingsplan. Tot op heden zijn er nog geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen ter plaatse. Daarnaast worden de navolgende aanbevelingen gedaan: • tijdens de werkzaamheden dient te allen tijde de zorgplicht in acht te nemen. Dit houdt in dat er volgens normaal gebruik zorgvuldig gewerkt moet worden, waarbij indien mogelijk verstoring van fauna wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen (maart tot half augustus) uit te voeren. • de potentiële vliegroutes en foerageergebieden van de vleermuizen kunnen behouden worden door zowel tijdens de aanleg- als gebruiksfase vleermuisvriendelijke verlichting te hanteren.
Op deze manier wordt strooisellicht en hiermee verstoring van deze lichtgevoelige soortgroep voorkomen. Hierdoor zal de functionaliteit van het gebied behouden blijven tijdens en na de voorgenomen ingrepen. • Ten aanzien van de rugstreeppad wordt geadviseerd om tijdens de werkzaamheden een amfibieënscherm te plaatsen om kolonisatie te voorkomen. Een amfibieënscherm is een dicht scherm dat 50 cm boven de grond en 10 cm in de grond wordt geplaatst. Aansluitend aan het scherm worden ontsnappingsmogelijkheden gecreëerd voor de mogelijk binnen het scherm aanwezige algemene soorten. Deze ontsnappingsmogelijkheden zijn eenzijdig en bieden dus geen kans voor soorten om het gebied te betreden. Met deze maatregelen kan redelijkerwijs de aanwezigheid van een individu voorkomen worden. • Verder geldt voor de algemeen voorkomende soorten dat daarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het actief doden van dieren is altijd verboden. Gebiedsbescherming/Stikstofdepositie De realisatie van dit plan zorgt voor de emissie van stikstof doordat de bouwactiviteiten verkeersbewegingen genereren en er (mobiele) werktuigen voorzien van verbrandingsmotoren op de bouwplaats in werking zijn.
Na realisatie van dit plan zijn als emissiebronnen relevant: • de verkeersbewegingen die als gevolg van dit plan worden gegenereerd, en; • eventuele verbrandingsinstallaties die worden gebruikt om de woningen te verwarmen.
34
Toelichting bestemmingsplan ‘Schotelweg 2,6, 8 en ongenummerd te Middelburg’
Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is gelegen ten noorden, op ongeveer 5,8 kilometer afstand en betreft het Veerse Meer. Op circa 6,9 km afstand ligt tevens het Natura 2000-gebied ‘Westerschelde & Saeftinghe’, op circa 7,2 km afstand het Natura 2000-gebied ‘Manteling van Walcheren’ en op circa 10,2 km afstand het Natura 2000-gebied ‘Voordelta’.
Figuur 6: Ligging plangebied ten opzichte van de Natura2000 gebieden. Bron: Rapportage Econsultancy.
Gezien de afstand van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natura 2000 gebieden en de lokale aard van de geplande maatregelen, kan er van uit worden gegaan dat deze geen directe invloed hebben op het Natura 2000 gebieden. Bij ontwikkelingen nabij Natura 2000 gebieden dient er echter ook gekeken te worden naar externe effecten. Met behulp van de Aerius Calculator, welke als bijlage 4 aan deze onderbouwing is gehecht, is er berekend wat de stikstofdepositie van zowel de aanleg als de gebruiksfase is. Uit het resultaat van de berekening blijkt, dat geen sprake is van een overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW) van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Hieruit wordt geconcludeerd, dat de beoogde ontwikkeling wordt uitgezonderd van de vergunningplicht. De onderzoekslocatie ligt voorts niet binnen de begrenzing van het Natuur Netwerk Zeeland (NNZ). Gelet op het feit dat het plangebied niet in de NNZ gebieden is gelegen en/of binnen de afwegingszone van 100 meter daarvan en door tussengelegen bebouwing daarvan wordt gescheiden, heeft de ontwikkeling daarop geen invloed. 4.10.3
Conclusie Geconcludeerd kan worden, dat het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming, indien de juiste adequate maatregelen en vervolgstappen worden genomen, geen belemmering vormt voor de ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Voldoende aannemelijk is, dat voor onderhavige planwijziging aan de Wet natuurbescherming kan worden voldaan. Bij de werkzaamheden zal te allen tijde de zorgplicht in acht worden genomen.
35
Toelichting bestemmingsplan ‘Schotelweg 2,6, 8 en ongenummerd te Middelburg’
4.11
Ontplofbare oorlogsresten Net als vele andere Nederlandse steden was Middelburg tijdens de Tweede Wereldoorlog (WOII) bezet door de Duitse overheersers en hierdoor het toneel van meerdere van grond- en luchtgevechten. Na de oorlog was sprake van een groot aantal op en in de (water)bodem aanwezige ontplofbare oorlogsresten (voorheen benoemd als conventionele explosieven of niet gesprongen explosieven). Denk hierbij aan verschoten munitie en raketten, achtergelaten munitievoorraden, mijnenvelden maar ook allerhande soorten munitie die tijdens het gebruik in de oorlog niet naar behoren hadden gefunctioneerd.
4.11.1
Onderzoek en conclusie Op basis van de bodembelastingskaart ontplofbare oorlogsresten is gebleken, dat er geen indicaties zijn om de planlocatie af te bakenen als verwachtingsgebied voor wat betreft ontplofbare oorlogsresten. Tijdens de grondroerende werkzaamheden is het “protocol toevalstreffer ontplofbare oorlogsresten uit de 2e WO” van toepassing.
4.12
Duurzaamheid In de Middelburgse Visie Milieu 2019-2025 geeft de gemeente per thema aan welke duurzame milieudoelen zij heeft voor de korte (tot 2025) en lange termijn (tot 2050). Het belangrijkste doel van de milieuvisie is om te komen tot een gezonde, duurzame samenleving en leefomgeving en een duurzame ontwikkeling van de gemeente. Daarbij moet kunnen worden voorzien in de behoeften van de huidige generaties, zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties te beperken om gezond en goed te kunnen leven. Enkele thema’s die relevant zijn voor de voorliggende ontwikkeling zijn ‘klimaat en energie’, ‘duurzaam gebouwde omgeving’, ‘emissies o.a. van geluid en stoffen’ en ‘duurzame mobiliteit’. Het streven is om zoveel mogelijk duurzaam te ontwikkelen. Bij de uitwerking van het ontwerp is het streven dat wordt uitgegaan van het zoveel mogelijk toepassen van duurzaamheidsmaatregelen teneinde de woningen zo duurzaam mogelijk te ontwikkelen. Hieronder wordt onder meer verstaan het toepassen van hoogwaardige isolatie, het realiseren van een luchtdichte schil, het aanbrengen van warmtepompen en zonnepanelen op de daken alsmede het installeren van een warmte terugwinsysteem, waardoor er geen energie wordt verspild. Door het toepassen en realiseren van deze maatregelen wordt bij de woningen een EPC van 0 of lager, minder energieverbruik, minder CO2-uitstoot en 0-op-de-meter bereikt.
Middels de voorliggende ontwikkeling wordt kortom een bijdrage geleverd aan de doelen zoals beschreven in de Middelburgse Visie Milieu 2019-2025.
4.13
Kabels en leidingen De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer.1 a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; 36
Toelichting bestemmingsplan ‘Schotelweg 2,6, 8 en ongenummerd te Middelburg’
d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken.2 1.
'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (Laatgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer).
2.
Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.
4.13.1
Onderzoek en conclusie In of nabij het plangebied zijn geen kabels of leidingen aanwezig waarvoor het nodig is de zone daarvan planologisch te regelen in het bestemmingsplan. Geconcludeerd kan worden dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
37
Toelichting bestemmingsplan ‘Schotelweg 2,6, 8 en ongenummerd te Middelburg’
HOOFDSTUK 5
5.1
UITVOERBAARHEID
Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw daarvan planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van één of meer woningen en de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatieeisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.
5.1.1
Beoordeling Op grond van artikel 6.2.1 van het Bro is er sprake van een ‘aangewezen bouwplan’. Derhalve dient de gemeenteraad een exploitatieplan vast te stellen of het verhaal van kosten van de grondexploitatie ‘anderszins te verzekeren’. Op 27 oktober 2017 heeft de gemeente Middelburg met de initiatiefnemer een overeenkomst gesloten die kwalificeert als een anterieure overeenkomst voor dit plan. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over het kostenverhaal waarbij deze kosten werden verdisconteerd in de prijs van een stuk grond welke initiatiefnemer heeft gekocht van de gemeente.
5.1.2
Conclusie De economische uitvoerbaarheid van het onderhavige plan is verzekerd.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1
Participatieproces Voorafgaand aan de procedure heeft initiatiefnemer aan de direct omwonenden het plan getoond en toegelicht. De planvorming is positief ontvangen en heeft (tot op heden) niet tot bezwaren geleid, zodat er voldoende draagvlak voor de beoogde planvorming aanwezig is.
5.2.2
Vooroverleg en Zienswijzen Artikel 3.1.1 van het Bro bepaalt dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan het bevoegde gezag overleg voert met betrokken instanties en overheden. In het kader van het vooroverleg is het ontwerpbestemmingsplan aan verschillende belanghebbende organisaties en overheden toegezonden.
38
Toelichting bestemmingsplan ‘Schotelweg 2,6, 8 en ongenummerd te Middelburg’
Het ontwerpbestemmingsplan zal gedurende 6 weken op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening voor eenieder in het kader van de zienswijzeprocedure ter inzage worden gelegd. Tijdens deze periode van terinzagelegging wordt eenieder in de gelegenheid gesteld om zijn of haar mening over het ontwerpbestemmingsplan kenbaar te maken. Het ontwerpplan is op drie manieren beschikbaar gesteld: • digitaal via www.ruimtelijkeplannen.nl • digitaal via www.middelburg.nl • analoog bij de Vakbalie in het Stadskantoor te Middelburg.
39
Toelichting bestemmingsplan ‘Schotelweg 2,6, 8 en ongenummerd te Middelburg’
HOOFDSTUK 6
6.1
JURIDISCHE PLANOPZET
Plansystematiek Bij het opstellen van de planregels is enerzijds zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van bestemmen als bedoeld met het handboek. Actuele inzichten ten aanzien van het handboek zijn mede betrokken bij het opstellen van de planregels. Het geheel is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 1 komen de Inleidende regels aan bod. Het betreft hier de Begrippen (artikel 1) en de Wijze van meten (artikel 2). In hoofdstuk 2 Bestemmingsregels zijn de planregels, behorende bij de verschillende bestemmingen, opgenomen (artikel 3 tot en met 7). Hoofdstuk 3 Algemene regels, bevat verschillende algemene bepalingen die van toepassing zijn (artikel 8 tot en met 13). Tot slot zijn de Overgangs- en slotregels opgenomen in hoofdstuk 4 (artikel 14 en 15). De planregels zijn opgedeeld in: • de bestemmingsomschrijving: waarvoor mogen de gebouwen en gronden worden gebruikt; • bouwregels: een beschrijving van de toelaatbare bouwwerken; • specifieke gebruiksregels: regels met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken;. • het afwijken van de gebruiks- en/of bouwregels
6.2
Bestemmingen Hoofdstuk 1 Inleidende regels De inleidende regels omvatten de begripsbepalingen en de bepalingen omtrent de wijze van meten. De begripsbepalingen geven de definities over de in de regels gehanteerde begrippen met betrekking tot bouwen en functies. Vrijwel alle definities worden, soms met een enkele nuance, in het algemeen gehanteerd. Artikel 2 Wijze van meten De wijze van meten geeft uitsluitsel over de wijze, waarop afstanden, hoogtes, oppervlakte etc. moeten worden gemeten. Hoofdstuk 2 Bestemmingen Artikel 3 Bedrijf Binnen deze bestemming is de bestaande nutsvoorziening gelegen aan de Schotelweg 2a conserverend bestemd. Artikel 4 Tuin Binnen deze bestemming zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, toegestaan. Binnen deze bestemming zijn erfafscheidingen mogelijk.
40
Toelichting bestemmingsplan ‘Schotelweg 2,6, 8 en ongenummerd te Middelburg’
Artikel 5 Wonen De gronden met de bestemming ‘Wonen’ zijn bestemd voor de huisvesting van personen in een woning en andere voorzieningen ten dienste van deze bestemming. Er is binnen de bestemming de oprichting van maximaal 5 grondgebonden woningen toegestaan, waarvan één vrijstaande en vier aangebouwde woningen met dien verstande, dat per bouwperceel de oprichting van één woning is toegestaan. Middels een bouwvlak is daarnaast aangegeven waar hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan. Tevens worden de goot- en bouwhoogte op de verbeelding aangegeven. In de specifieke gebruiksregels is opgenomen dat aan huis gebonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan. Artikel 6 Waarde – Archeologie – 3 De dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie – 3' is mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Er is bepaald, dat een omgevingsvergunning noodzakelijk is indien er werkzaamheden op onderhavige gronden verricht dienen te worden tot een bepaalde omvang en diepte. Artikel 7 Waarde – beschermd Stadsgezicht Het op de verbeelding aangegeven gebied wordt door een vergunningstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden beschermd. Hoofdstuk 3 Artikel 8 Antidubbeltelregel: Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening vast voorgeschreven.
Doel van deze bepaling is te voorkomen, dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijv. ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen. Artikel 9 Algemene bouwregels: Deze bepaling bevat algemene regels over ondergeschikte bouwdelen. Dit is een regeling voor beperkte en ondergeschikte overschrijding van de grenzen van bouwvlakken. Daarnaast is een regeling opgenomen voor toegelaten bouwwerken met afwijkende maten. Het lid betreft uitsluitend een bouwbepaling en geen gebruiksbepaling. Met deze bepaling wordt voorkomen dat bestaande bouwwerken, die wat betreft afstandsmaten of andere maten afwijken van de maatvoering zoals vastgelegd in dit bestemmingsplan, onder het overgangsrecht komen te vallen. Daarnaast wordt verzekerd dat in voldoende parkeren op eigen terrein wordt voorzien. Artikel 10 Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat algemene regels over strijdig gebruik. Daarnaast wordt erin voorzien dat bij ingebruikname van de woningen in voldoende parkeren op eigen terrein wordt voorzien. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels: Voor ondergeschikte afwijkingen van de bestemmingsplanbepalingen (de bouwregels) is een algemene afwijkingsregel opgenomen.
Artikel 12 Algemene wijzigingsregels: Er is een algemene flexibiliteitsbepaling opgenomen om voor bepaalde onderdelen van bestemmingen of gebouwen dan wel bouwwerken af te wijken van de bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Overigens
41
Toelichting bestemmingsplan ‘Schotelweg 2,6, 8 en ongenummerd te Middelburg’
geldt dat deze bepalingen als algemene regel gelden voor alle bestemmingen. Het gaat in de meeste gevallen om de praktische uitvoering van het plan, waarbij geen belangen van derden worden geschaad. Het criterium 'in verband met de werkelijke toestand van het terrein' is vooral aan de orde in situaties waarbij een terrein of gebied een geheel nieuwe inrichting krijgt en waarbij in het veld maar weinig aanknopingspunten zijn. Bij het uitzetten van het gebied blijkt dat de afmetingen niet exact gelijk zijn aan de coördinaten op tekening/in het digitale bestand en dat de situering van de nieuwe openbare wegen en de uitgeefbare percelen iets moet worden aangepast. Gezien de nauwkeurigheid van tegenwoordig, gaat het daarbij om centimeters in plaats van meters. Artikel 13 Overige regels Waar in dit plan wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, geeft dit artikel aan dat dan gebruik gemaakt moet worden van de regelingen zoals die luidden op het tijdstip van vaststelling van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 4 Artikel 14 Overgangsrecht: In de overgangsregel is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het inwerkingtreden van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of het strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd.
De redactie is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen. Artikel 15 Overgangs- en slotregels: De slotregel geeft de naam van het plan aan.
42
Regels Schotelweg 2, 6, 8 en ongenummerd te Middelburg
bestemmingsplan 'Schotelweg 2, 6, 8 en ongenummerd te Middelburg'
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
3 3 6
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7
Bestemmingsregels Bedrijf Tuin Wonen Waarde - Archeologie - 3 Waarde - Beschermd Stadsgezicht
7 7 8 9 12 15
Hoofdstuk 3 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13
Algemene regels Anti-dubbeltelbepaling Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
16 16 17 18 19 20 21
Hoofdstuk 4 Artikel 14 Artikel 15
Overgangs- en slotregels Overgangsregels Slotregel
22 22 23
2
bestemmingsplan 'Schotelweg 2, 6, 8 en ongenummerd te Middelburg'
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen 1.1 het plan het bestemmingsplan 'Schotelweg 2, 6, 8 en ongenummerd te Middelburg' met identificatienummer NL.IMRO.0687.BPNOWSCHWEG-ON01 van de gemeente Middelburg. 1.2 het bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels. 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit een beroeps- of bedrijfsactiviteit, niet zijnde prostitutie, die door een bewoner op kleine schaal in of bij een woning wordt uitgeoefend, bed & breakfast daaronder begrepen, waarbij de woning haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie. 1.6 archeologisch deskundige de Walcherse Archeologische Dienst (WAD) of een daaraan gelijkgesteld KNA (Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie) gecertificeerd onderzoeksbureau. 1.7 archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden. 1.8 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
1.9 bed en breakfast een kleinschalige verblijfsvoorziening in of bij een woning, gericht op het verstrekken van een toeristisch en kortdurend recreatief verblijf, al dan niet in combinatie met het serveren van ontbijt. 1.10 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen en aantallen afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen en aantallen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand kunnen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.11 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.12 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.13 bevoegd gezag bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
3
bestemmingsplan 'Schotelweg 2, 6, 8 en ongenummerd te Middelburg'
1.14 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. 1.15 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.16 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.17 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.18 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.19 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. 1.20 bouwwerk, geen gebouw zijnde een bouwwerk als bedoeld in artikel 1.19, niet zijnde een gebouw. 1.21 deskundige een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake een specifiek aspect van de ruimtelijke ordening.
1.22 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen, die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.23 erfafscheiding bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat dient als afscheiding van een erf of terrein en is geplaatst op of rondom een erf of terrein. 1.24 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.25 hoofdgebouw een gebouw of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.26 huishouden een alleenstaande, dan wel twee of meer personen, die in een vast verband samenleven en duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voeren, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan.
4
bestemmingsplan 'Schotelweg 2, 6, 8 en ongenummerd te Middelburg'
1.27 maatvoeringsaanduiding alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen, percentages, oppervlakten, hellingshoeken en aantallen, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik. 1.28 nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.29 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak. 1.30 passend in het straat- en bebouwingbeeld a. een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte; b. een goede hoogte-/breedteverhouding tussen de bebouwing onderling; c. een samenhang in bouwvorm/architectonisch beeld tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar georiënteerd is; d. de cultuurhistorische samenhang in de omgeving. 1.31 peil a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst: de hoogte van die weg (ter plaatse van de hoofdtoegang); b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.
1.32 seksinrichting de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische-massagesalon, seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.33 verbeelding de verbeelding (plankaart) van het bestemmingsplan 'Schotelweg 2, 6, 8 en ongenummerd te Middelburg'. 1.34 voorgevel het meest naar de wegzijde gekeerde deel van een hoofdgebouw. 1.35 woning een complex van ruimtes, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, dan wel voor de huisvesting van maximaal twee personen die geen gezamenlijk huishouden voeren.
5
bestemmingsplan 'Schotelweg 2, 6, 8 en ongenummerd te Middelburg'
Artikel 2 Wijze van meten Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 afstanden afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.2 bebouwd oppervlak het bebouwd oppervlak van een bouwperceel of een ander terrein wordt bepaald door de oppervlakten van alle op een terrein gelegen bouwwerken bij elkaar op te tellen. 2.3 bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4 breedte, lengte en diepte van een bouwwerk tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren. 2.5 dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.6 goot(- of boeibord)hoogte van een bouwwerk a. Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, hellende dakvlakken, topgevels, dakkapellen – voor zover deze minder dan 50% van de breedte van het dakvlak beslaan – en lift-opbouwen daar niet onder begrepen.
2.7 inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en / of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.8 oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.9 vloeroppervlakte op de vloer tussen de binnenzijden van de gevelmuren en/of gemeenschappelijke scheidingsmuren.
6
bestemmingsplan 'Schotelweg 2, 6, 8 en ongenummerd te Middelburg'
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Bestemmingsregels
Bedrijf
3.1
Bestemmingsomschrijving De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening' uitsluitend bestemd voor nutsvoorzieningen.
3.2
Bouwregels 3.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken Op deze gronden mogen worden gebouwd: a. nutsvoorzieningen. 3.2.2 Maatvoering De bouwhoogte bedraagt maximaal 3 meter en de oppervlakte maximaal 20 m².
7
bestemmingsplan 'Schotelweg 2, 6, 8 en ongenummerd te Middelburg'
Artikel 4
Tuin
4.1
Bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen; b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, nutsvoorzieningen, water en parkeervoorzieningen behorende bij de woning op hetzelfde bouwperceel.
4.2
Bouwregels 4.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken Op deze gronden mogen worden gebouwd: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van overkappingen. 4.2.2 Maatvoering De goothoogte, bouwhoogte, de oppervlakte en/of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen ten hoogste de volgende aangegeven maten: bouwwerk a. b. c.
4.3
bouwhoogte
erf- en terreinafscheidingen tussen (het verlengde van) de voorgevel van 1 m een hoofdgebouw en de openbare weg erf- en terreinafscheidingen elders 2m overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 3m
Afwijken van de bouwregels 4.3.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.2 sub c teneinde overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toe te staan met een hoogte van meer dan 3 meter, met inachtneming van de volgende regels: a. de bouwhoogte bedraagt maximaal 10 meter. 4.3.2 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4.3.1 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
8
bestemmingsplan 'Schotelweg 2, 6, 8 en ongenummerd te Middelburg'
Artikel 5 5.1
5.2
Wonen
Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de huisvesting van personen in een woning; b. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals erven, parkeerplaatsen, tuinen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
ontsluitingspaden,
Bouwregels 5.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken Op deze gronden mogen worden gebouwd: a. ter plaatse van het bouwvlak: 1. hoofdgebouwen; 2. bijbehorende bouwwerken; 3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde b. buiten het bouwvlak, ter plaatse van de aanduiding 'erf': 1. uitsluitend bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, behorende bij het hoofdgebouw op hetzelfde bouwperceel. 5.2.2 Algemeen a. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' zijn uitsluitend aaneengebouwde woningen toegestaan; b. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan; c. het aantal woningen per bouwvlak bedraagt niet meer dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven; d. het aantal hoofdgebouwen per bouwperceel bedraagt niet meer dan 1; e. de naar de weg gekeerde gevels van woningen worden gebouwd in de voorste grens van het bouwvlak; f. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt op de gronden met de aanduiding 'vrijstaand' minimaal 2,5 meter; g. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt voor hoekwoningen op de gronden met de aanduiding 'aaneengebouwd' ten minste 2.5 meter; h. de afstand tussen een bijbehorend bouwwerk en de zijdelingse perceelsgrens bedraagt op de gronden met de aanduiding 'vrijstaand' minimaal 2,5 meter; i.
van een bijbehorend bouwwerk ligt de voorgevel ten minste 2 meter naar achteren ten opzichte van de voorgevel van het hoofdgebouw. 5.2.3 Maatvoering a. De goothoogte, bouwhoogte, de oppervlakte en / of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen ten hoogste de volgende aangegeven maten: bouwwerk goothoogte bouwhoogte oppervlakte 1. hoofdgebouwen en zie maatvoerings- zie maatvoerings- 100% van bijbehorende bouwwerken aanduiding aanduiding het bouwvlak binnen het bouwvlak 2. bijbehorend bouwwerken op 3m 4,5 m maximaal 40% gronden met de aanduiding bebouwd, met 'erf' een maximum van 40 m² aan bijbehorende bouwwerken per bouwperceel
9
bestemmingsplan 'Schotelweg 2, 6, 8 en ongenummerd te Middelburg'
3.
Erf- en terreinafscheidingen 1m tussen (het verlengde van) de voorgevel van een hoofdgebouw en de openbare weg 4. erf- en terreinafscheidingen 2m elders 5. overige bouwwerken, geen 3m gebouwen zijnde b. In afwijking van het bepaalde in artikel 5.2.3, sub a, onder 2, bedraagt de bouwhoogte ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding – bijbehorend bouwwerk' ten hoogste de op de verbeelding aangegeven maat. 5.3
Nadere eisen 5.3.1 Nadere eisen bijbehorende bouwwerken Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. de plaatsing van bijbehorende bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar. 5.3.2 Voorwaarden De in artikel 5.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gronden in verband met calamiteiten.
5.4
Afwijken van de bouwregels 5.4.1 Kleinere afstand hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 5.2.2 sub g voor een kortere afstand tot op de zijdelingse perceelsgrens b. Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 5.4.1 sub a wordt slechts toepassing gegeven indien: 1. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast. 2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 5.4.2 Kleinere afstand bijbehorend bouwwerk tot de voorgevel van het hoofdgebouw a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 5.2.2 sub i voor een kortere afstand van een bijbehorend bouwwerk tot de voorgevel; b. Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 5.4.2 sub a wordt slechts toepassing gegeven indien: 1. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; 2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.