CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

24-044 Bijlage 1 a. Ontwerpbestemmingsplan Ramsburg

Commissie Ruimte 8 april 2024, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Bestemmingsplan Ramsburg (24-044 RM)31.697 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het plangebied ligt in het gebied dat in de nota Ruimtelijke Kwaliteit is primair aangeduid als gebied 7: 'Industrie'. Doelstelling van deze gebieden is het in standhouden van de aanwezige beeldkwaliteit en waar mogelijk verbeteren, onder andere door het tegengaan van verrommeling door opslag of verbouwactiviteiten en de bouw van aan-, uit- en bijgebouwen.

28

(ontwerp)

bestemmingsplan Ramsburg

Figuur 8 Uitsnede overzichtskaart deelgebieden, rode cirkel duidt indicatief de ligging van de planlocatie aan.

Voor dergelijke gebieden gelden de volgende beoordelingscriteria:  Het bebouwingsbeeld wordt in stand gehouden, zo mogelijk verbeterd;  Aan-, uit en bijgebouwen houden rekening met de herkenbaarheid van de hoofdbebouwing en sluiten qua vormgeving aan op de bestaande bouwmassa en materialisatie Voor het plangebied is voor diverse deelgebieden een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Thans is de gemeente bezig deze te actualiseren en uniformeren. Het ontwerp en opvolgende vergunningaanvragen voor deze gebieden dienen te worden uitgewerkt met inachtneming van de randvoorwaarden zoals genoemd in het toekomstige beeldkwaliteitsplan.

3.4.4

Toeristisch actieplan 2021 - 2030

Het nieuwe toeristische actieplan ligt thans in concept voor. Het doel van dit plan is om de kansen en de mogelijkheden binnen de economische sector toerisme in de gemeente Middelburg te verzilveren en in goede banen te leiden. In deze visie wordt geconcludeerd, dat voor de groei van het aantal toeristen het van belang is het aantal verblijfsaccommodaties te laten groeien met een kwalitatief aanbod dat iets toevoegt aan Middelburg. Accommodaties die duurzaam zijn en de kwaliteit van de omgeving waarin zij zich bevinden versterken. Het aanbod dient aan te sluiten op de doelgroepen die Middelburg wil aantrekken. Hierbij wordt met name ingezet op het stedelijke en culturele profiel, waardoor historische steden als Middelburg (meer) aantrekkelijk en daarmee interessant worden. Uitgangspunt is het realiseren van accommodaties in stedelijk gebied die aansluiten bij de beleving van het desbetreffende gebied.

Het bieden van de mogelijkheid tot vestiging van onder meer een hotel binnen het plangebied past daarmee volledig in het gedachtegoed van het toekomstige gemeentelijke beleid. Daarnaast zijn ook aspecten als leefbaarheid, bereikbaarheid en veiligheid in het kader van een goede ruimtelijke ontwikkeling relevant, waaraan de potentiële ontwikkellocatie, gelet op haar situering en direct aangrenzende functies aan kan voldoen.

Momenteel is het 'Beleidsplan Toerisme' met bijbehorend actieprogramma in concept gereed. Onderhavig beleidsplan wordt medio april 2023 door raad behandeld, waarna is beoogd onderhavig plan eind 2023 door de raad te laten vaststellen. Het beleidsplan met bijbehorend kader richt zich op de navolgende punten: (ontwerp)

29

bestemmingsplan Ramsburg 1. Middelburg richt zich op de cultuurminnende toerist. 2. Beperkte groei hotel-/overnachtingscapaciteit is, onder voorwaarden, nog mogelijk. 3. Terugdringen overlast autoverkeer om de leefbaarheid te waarborgen. Voorwaarden stellen aan toeristische ontwikkelingen in het buitengebied. 4. Sturende rol van de gemeente in toeristische promotie. 5. Stimuleren duurzaam toerisme. 6. Het nieuwe evenementenbeleid meer dan voorheen afstemmen op het Beleidsplan Toerisme. 3.4.5

Toetsing beleidskaders

Het nationaal beleid richt zich op een dusdanig schaalniveau dat hier in dit geval geen concrete aandachtspunten uit naar voren komen. Van belang is met name de 'duurzaamheidsladder'. Deze maakt eveneens onderdeel uit van het provinciaal beleidskader. Gelet op deze duurzaamheidsladder is in de eerste plaats de aantoonbare behoefte van belang. In dit geval is het plan voornamelijk consoliderend van aard en worden slechts een beperkt aantal ontwikkelingsmogelijkheden toegestaan. Het toestaan van deze ontwikkelingen hangt vooral samen met het feit, dat de gemeente de taak heeft het voorzieningenstelsel in stedelijk gebied te versterken, daar waar de bereikbaarheid optimaal is, om zo aan de behoefte van de bevolking, zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin, te voldoen. Verder staat inbreiding, intensivering en daar waar mogelijk herstructurering voorop, hetgeen regionaal is afgestemd. Nieuwvestiging en uitbreiding op het bestaande bedrijventerrein is mogelijk, mits dit past binnen het beleid en regionaal overeengekomen afspraken of de voorwaarden van de flexibiliteitsbepaling. Hiermee sluit het plan goed aan op de uitgangspunten van de 'duurzaamheidsladder'. Tot slot geeft het plan invulling aan het gemeentelijke beleid en wordt aan de gemaakte beleidskeuzes en randvoorwaarden voldaan.

Hiermee zorgt het plan ervoor, dat de bestaande ruimtelijke en functionele structuur blijft behouden en daar waar mogelijk wordt versterkt. Geconcludeerd wordt, dat het plan past binnen de genoemde beleidskaders.

30

(ontwerp)

bestemmingsplan Ramsburg

Hoofdstuk 4

Sectorale aspecten

Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een nieuw bestemmingsplan ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij dient te worden onderzocht welke milieuhygiënische aspecten daarbij een rol spelen. In dit hoofdstuk worden de verschillende voor dit bestemmingsplan relevante milieuaspecten behandeld.

4.1

Vormvrije m. e. r. - beoordelingen

4.1.1

Wettelijk kader

Op grond van de Wet milieubeheer is het verplicht ten aanzien van plannen, gevallen, activiteiten en besluiten die (mogelijk) grote gevolgen kunnen hebben voor het milieu, een procedure voor milieueffectrapportage (m.e.r.) te doorlopen. De m.e.r. is bedoeld om milieubelangen meer expliciet af te wegen bij het opstellen van plannen en het uitvoeren van projecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen 'm.e.r.-plichtige activiteiten' waarvoor een volledig milieueffectrapport (m.e.r.) moet worden opgesteld en 'm.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten' waarbij moet worden afgewogen of sprake kan zijn van significante negatieve gevolgen voor het milieu. Het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer zijn per 7 juli 2017 gewijzigd. Gemeenten zijn thans verplicht om een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (m.e.r.). Het besluit behoeft niet separaat te worden gepubliceerd, maar moet wel worden opgenomen in het besluitvormingsproces van het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Om te bepalen of de ontwikkeling van de planlocatie significante milieueffecten heeft, wordt in deze paragraaf een vormvrije m.e.r.-beoordeling, hierna nader te noemen 'informele m.e.r.-beoordeling' uitgevoerd. Immers, dit bestemmingsplan voorziet in een directe eindbestemming voor wat betreft de binnen het plangebied geplande ontwikkeling en voldoet daarmee aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.

In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Er is derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. Verder dient beoordeeld te worden of het plan mogelijkheden zoals opgenomen in onderdeel D biedt:  de aanleg, uitbreiding of wijziging van een industrieterrein (onderdeel D, categorie 11.3); en  de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen (onderdeel D, categorie 11.2). Industrieterrein Op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (onderdeel D, categorie 11.3) geldt de m.e.r.beoordelingsplicht voor de aanleg, uitbreiding of wijziging van een industrieterrein in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. Onder industrieterrein worden terreinen verstaan die bedoeld zijn voor de vestiging van industriële bedrijven. Hierbij worden niet alleen terreinen voor vestiging van grote, zware industrie bedoeld. Ook terreinen voor de vestiging van kleinere bedrijven waarbinnen industriële activiteiten plaatsvinden, vallen hier onder. Het plan is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig, aangezien de oppervlakte van het totale plangebied met circa16 ha (dit betreft Ramsburg alsmede de thans nog bedrijfsmatige bestemde locatie bij de rotonde) ruimschoots onder de genoemde drempelwaarde van 75 ha.

blijft.

Nieuwe stedelijke ontwikkeling Op basis van onderdeel D 11.2 kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Indien de volgende drempelwaarden worden overschreden is

(ontwerp)

31

bestemmingsplan Ramsburg sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig plan: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat; of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het voorliggende plan legt voornamelijk de bestaande situaties vast en is daarmee overwegend consoliderend van aard. Daarnaast vindt op een aantal percelen, met een omvang van circa 9.000 m², de mogelijkheid tot omvorming van bedrijfsmatig naar voorzieningen (zelfstandige kantoren, maatschappelijke en zakelijke dienstverlening) plaats. Verder wordt ter plaatse van één locatie, grenzend aan de rotonde, wordt het realiseren van onder meer een publiekstrekker toegestaan. Deze locatie heeft een oppervlakte van circa 1,7 ha. Ofschoon de beoogde ontwikkelingen beperkt van aard en omvang zijn en deze ruim onder de drempelwaarde blijven, dient de locatie direct grenzend aan de rotonde, gelet op de toegestane functieverruiming, in het licht van de rechtspraak als een stedelijk ontwikkelingsproject te worden gekwalificeerd. Ook voor de overige braakliggende percelen dient, onverlet vorenstaande, toch te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Er is derhalve geen sprake van een m.e.r.-plicht, maar er dient voor onderhavig bestemmingsplan een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden.

4.1.2

Onderzoek

Gelet op het inzicht in de potentiële effecten (op basis van de beschikbare gegevens) en de mate en omvang waarin deze zich voordoen, blijkt dat de toegestane activiteiten, gelet op het relatief kleinschalige karakter daarvan, niet leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Er is geen sprake van significant negatieve effecten. In dit kader is een aanmeldnotitie opgesteld, welke als Bijlage 2 aan deze toelichting is gehecht.

4.1.3

Conclusie

Milieu- en andere sectorale aspecten vormen geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.

4.2

Geluid

4.2.1

Wettelijk kader

Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient, in verband met de relatie tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh), inzicht te worden geboden in de relevante geluidsaspecten.

De Wgh stelt eisen aan de maximaal toegestane geluidsbelasting ten gevolge van de aanleg van een nieuwe weg en de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals scholen, woningen, etc.). De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door onder meer industrie, wegverkeer en spoorwegverkeer. De wet richt zich vooral op de bescherming van de burger in zijn woon- en leefomgeving en bevat bijvoorbeeld normen voor de maximale geluidsbelasting op de gevel van een huis.

Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen of buiten stedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd.

32

(ontwerp)

bestemmingsplan Ramsburg 4.2.2

Onderzoek

Voorliggend plan legt voornamelijk bestaande situaties vast. Daarnaast wordt voor een aantal percelen een verruiming van de bestemming toegestaan: naast een bedrijfsmatige aanwending, is tevens gebruik voor onder meer zelfstandige kantoren of dienstverlening toegestaan. Voor deze ontwikkelingen hoeft geen akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd, omdat deze functies - mede gelet op de afstand tot de bestaande woningen - niet tot een relevante toename aan geluidsbelasting leiden. Bovendien worden in het plangebied bij recht geen nieuwe geluidsgevoelige functies toegevoegd.

Verder is in de nabije omgeving van het plangebied een geluidgezoneerd industrieterrein bestemd, te weten Arnestein. Rond dit industrieterrein is een geluidzone - industrielawaai gelegen, die over de gronden van onderhavig plangebied valt. Deze geluidzone is overgenomen in onderhavig bestemmingsplan, doch op het bedrijventerrein zelf zijn geen geluidsgezoneerde bedrijven toegestaan. Verder is binnen een deel van het plangebied, waar mede functiemenging is toegestaan, via een wijzigingsbevoegdheid, de oprichting van woningen toelaatbaar, mits onder meer de voorkeursgrenswaarde ingevolge het bepaalde in de Wet geluidhinder of een vastgestelde hogere waarde in acht wordt genomen.

4.2.3

Conclusie

Het aspect geluid staat het bestemmingsplan niet in de weg.

4.3

Bodem

4.3.1

Wettelijk kader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek en eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. Als uit historisch onderzoek blijkt dat binnen de nieuwe bestemmingen sprake is geweest van een activiteit met een verhoogd risico op verontreiniging, dan is een volledig verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld.

4.3.2

Onderzoek

Onderhavig bestemmingsplan is grotendeels consoliderend van aard, waarbij voor deze gronden de bodemkwaliteit niet opnieuw hoeft te worden afgewogen. Tijdens eerdere ontwikkelingen zijn diverse verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd. Daarnaast zijn de gronden waar nog ontwikkelingen kunnen plaatsvinden eigendom van de gemeente. Bij de omgevingsvergunningen voor deze gronden zal de bodemkwaliteit worden betrokken, onder andere via een bodemonderzoek. Aan de omgevingsvergunningen kunnen voorts voorwaarden voor wat betreft de bodem worden gekoppeld. Op deze wijze is het aspect bodemkwaliteit voldoende geborgd. Verder is een overzicht gemaakt van informatie die bij de gemeente beschikbaar is over de bodemkwaliteit als signalering voor nieuwe ontwikkelingen. Deze informatie is gebaseerd op het gemeentelijke bodeminformatiesysteem en voor burgers en bedrijven op te vragen tegen een vergoeding.

(ontwerp)

33

bestemmingsplan Ramsburg 4.3.3

Conclusie

Bodemkwaliteit hoeft niet verder te worden uitgewerkt in onderhavig bestemmingsplan. Het plan betreft voornamelijk een consoliderend bestemmingsplan waarin geen ontwikkelingen zijn voorzien waarbij de bodemkwaliteit op voorhand al onderzocht moet worden. Verder wordt bij de verlening van omgevingsvergunningen de bodemkwaliteit betrokken, onder andere middels een bodemonderzoek. In het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen zal daarmee indien vereist een actueel bodemonderzoek worden uitgevoerd.

4.4

Externe veiligheid

4.4.1

Wettelijk kader

De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving voor het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen (zoals het gebruik, de opslag, de productie als het transport). Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de nabijheid van risicobronnen dienen te worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Twee begrippen staan in dit beleidsveld van de externe veiligheid centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

Plaatsgebonden risico (PR) Het PR is omschreven als de kans dat een persoon die gedurende een heel jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats verblijft, ten gevolge van een ongewoon voorval met een gevaarlijke stof komt te overlijden.

In het relevante beleid- en wetgevingskader geldt het PR met de risicocontour van de kans één op een miljoen per jaar (kans 10-6 per jaar) als grenswaarde voor kwetsbare objecten. Vanwege de definiëring als grenswaarde kan hiervan niet worden afgeweken. Voor beperkt kwetsbare objecten werkt deze norm slechts als een richtwaarde. Van een richtwaarde kan na een uitgebreide motivering eventueel worden afgeweken. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de kans van één op de honderdduizend per jaar (kans 10-5 per jaar) als grenswaarde.

Kwetsbare objecten zijn gebouwen of verblijfsterreinen waar zich kwetsbare en/of grote groepen personen (kunnen) bevinden. Beperkt kwetsbare objecten zijn gebouwen of verblijfsterreinen waar dat doorgaans niet het geval is. Ook belangrijke infrastructuur, zoals een belangrijke verbindingsweg, kan als beperkt kwetsbaar object worden aangemerkt. Een limitatieve opsomming van (beperkt) kwetsbare objecten, wordt in de wetgeving niet gegeven. Het bevoegd gezag heeft daarom een zekere mate van beoordelingsvrijheid over wat zij in een specifieke situatie als kwetsbaar object beschouwt.

Groepsrisico (GR) Het GR is de cumulatieve kans dat een groep personen van 10, 100 en 1.000 personen tegelijk komt te overlijden als gevolg van een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen. Het GR is niet genormeerd. Hiervoor geldt enkel een oriënterende waarde waarboven een afweging gemaakt moet worden over de aanvaardbaarheid van de risico's.

34

(ontwerp)

bestemmingsplan Ramsburg Het GR wordt enkel bepaald voor het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het GR. Veelal wordt hiervoor het gebied gebruikt dat is gelegen binnen de 10-8-contour van het PR (het gebied dat wordt getroffen door een ongeval met een kans van één op honderd miljoen per jaar). Aangezien sommige ongevalscenario's ook bij (nog) kleinere ongevalkansen nog tot dodelijke slachtoffers kunnen leiden, wordt in die gevallen het gebied gebruikt waarbinnen nog 1% van de aanwezige personen kan komen te overlijden (de zogenaamde 1%letaliteitsgrens).

Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes Per 1 april 2015 zijn de Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In de wet is het Basisnet juridisch verankerd. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Hiermee wordt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) beoogt om duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten en de daarbij behorende maximale omvang van de risico's die dat transport mag veroorzaken.

Het Bevt vormt het toetsingskader voor ruimtelijke plannen voor het vervoer over de weg, het spoor en het water. Op basis van het Bevt gelden de volgende normen:  De contour van het PR met een kans van 10-6 per jaar geldt als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De ligging ervan is te vinden in de bijlagen bij de Regeling Basisnet;  Het groepsrisico dient berekend te worden voor de realisatie van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een afstand van 200 meter van route die is aangewezen in het Bevt. Daarbij geldt dat het groepsrisico berekend en (uitgebreid) verantwoord moet worden indien: a. het groepsrisico hoger is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde; of b. het groepsrisico met meer dan 10% toeneemt; of c. de oriëntatiewaarde wordt overschreden.  Bij het mogelijk maken van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten in het plasbrandaandachtsgebied (PAG) gemotiveerd moet worden waarom deze objecten toelaatbaar zijn, gelet op de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen. Besluit externe veiligheid buisleidingen en de Regeling externe veiligheid buisleidingen Op het transport van gevaarlijke stoffen door buisleiding is per 1 januari 2011 het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Het Bevb bestaat uit twee delen.

Het eerste deel bevat algemene voorschriften waaraan een exploitant van een buisleiding dient te voldoen. Het tweede deel bevat de instructieregels die bij het opstellen van een bestemmingsplan in acht moeten worden genomen. De contour van het PR met een kans van 10-6 per jaar geldt op grond van het Bevb als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het GR moet op grond van het Bevb worden bepaald voor ruimtelijke ontwikkelingen die zijn gelegen in het invloedsgebied van de betreffende buisleiding.

De Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) bevat een technische uitwerking van het Bevb. In artikel 2 van de Revb zijn onder andere aardgastransportleidingen met een diameter van 50 mm of meer en een werkdruk van 16 bar of meer aangewezen als leidingen waarop het Bevb van toepassing is.

4.4.2

Onderzoek

De voorgenomen ontwikkeling is meegenomen in de kwantitatieve risicoanalyse (QRA) die is opgesteld voor het (toekomstige) bestemmingsplan Ramsburg (d.d.22-5-2018), welke als Bijlage 3 aan deze toelichting is gehecht.

(ontwerp)

35

bestemmingsplan Ramsburg In en in de nabijheid van het plangebied bevinden zich enkele (potentiële) risicobronnen. Het gaat om: 1. De Rijksweg N57; 2. Verschillende inrichtingen zoals Dutch Cleaning Mill B.V. en Van Dalen Middelburg B.V.; 3. Buisleidingen; 4. De kerncentrale in Borssele; 5. Verbrugge Zeeland Terminals; 6. Kloosterboer. 1. De Rijksweg, N57 Het plangebied bevindt zich binnen 200 meter van de N57. Het invloedsgebied van de weg (355 meter; stofcategorie GF3) reikt tot over het plangebied en over de weg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Uit de Regeling Basisnet volgt dat de N57 een PR 10-6 contour heeft van 0 m en geen plasbrandaandachtsgebied heeft. Het plaatsgebonden risico en plasbrandaandachtsgebied vormen geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Uitgaande van de reeds vergunde en (beperkt) toegestane ontwikkelingen in het plangebied neemt de maximale waarde van het groepsrisico van de N57 in de toekomstige situatie toe ten opzichte van de huidige situatie. Deze overschrijdt echter niet de oriëntatiewaarde, zodat met een beperkte groepsverantwoording kan worden volstaan. Deze is opgenomen in de eerdergenoemde QRA. Hierin is de toename van het groepsrisico als gevolg van onder andere voorliggende ontwikkeling verantwoord.

2. Inrichtingen Geen der inrichtingen betreffen een Bevi-inrichting en leveren geen belemmeringen voor onderhavig plangebied op.

3. Buisleidingen Conform de handreiking Buisleidingen in Bestemmingsplannen1 is de 1%letaliteitsafstand (het invloedsgebied) 95 m. Deze afstand reikt niet tot over de kavels alwaar ontwikkelingen in het plangebied zijn toegelaten. Het risico hoeft dan ook niet verder beschouwd te worden.

In de QRA zijn niet de kerncentrale Borssele en Verbrugge Zeeland Terminals opgenomen.

4. Kerncentrale Borssele Aan de Zeedijk 32 in Borssele is een kerncentrale gesitueerd, waar productie en distributie van elektriciteit, aardgas, stoom en warm water plaatsvindt. De afstand van het plangebied tot de kerncentrale bedraagt ruim 10 kilometer. Voor de kerncentrale van Borssele zijn veiligheidsmaatregelen getroffen mocht zich onverhoopt een ongeval voordoen. Het gebied om de plaats van het ongeval is in drie zones ingedeeld; elke zone heeft een eigen maatregel. Dit betekent bijvoorbeeld voor de kerncentrale in Borssele: evacuatie tot op 5 kilometer van de kerncentrale; slikken van jodiumtabletten tot op 10 kilometer en schuilen tot op 20 kilometer. Omdat de afstand van het plangebied tot de kerncentrale meer dan 10 kilometer bedraagt, is het plangebied gelegen binnen de zone waarin wordt geadviseerd te schuilen, mocht zich onverhoopt een ongeval voordoen (https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/straling/jodiumtabletten). De kerncentrale vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.

5. Verbrugge Zeeland Terminals Deze inrichting is aangewezen als 'niet-categoriale inrichtingen'. Het invloedsgebied van Verbrugge Zeeland Terminals reikt tot 7.937 meter. Het plangebied ligt op ruim 4,5 kilometer afstand van Verbrugge Zeeland Terminals. Deze afstand is berekend voor het worst case-scenario (meest giftige stof, maximale hoeveelheid aanwezig en het weertype F1,5). Aangenomen kan worden, dat mogelijke wijzigingen in de rand van het invloedsgebied (op een grotere afstand dan 1.500 meter) geen

36

(ontwerp)

bestemmingsplan Ramsburg noemenswaardige veranderingen in het groepsrisico veroorzaken. In de Nota van Toelichting bij de Beleidsvisie Externe Veiligheid is aangesloten bij het beleid van de provincie Zuid-Holland. Hierin staat beschreven, dat de populatie op grote afstand van de bron nauwelijks invloed heeft op de grootte van het groepsrisico. Het bevoegd gezag wordt geadviseerd om de Veiligheidsregio Zeeland in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over hulpverlening en zelfredzaamheid indien er sprake is van invloedsgebieden van risicobronnen die op een grotere afstand dan 1.500 meter aanwezig zijn en er binnen het plangebied nieuwe of bestaande objecten of functies van meer dan 250 personen bevinden.

6. Kloosterboer Op het zeehaven- en industrieterrein Sloe is de inrichting Kloosterboer Vlissingen VOF gelegen. Dit is een bedrijf dat voorziet in opslag en transport van temperatuur gecontroleerde voedselproducten. Het invloedsgebied van deze inrichting strekt zich uit tot 6.500 meter. Daarmee ligt het plangebied binnen het invloedsgebied. Echter, voor deze inrichting geldt een zelfde redenatie als voor Verbrugge Zeeland Terminals.

In het kader van de zelfredzaamheid als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg en bij risicovolle inrichtingen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt gerealiseerd middels een totaalpakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media.

In het kader van het vooroverleg is het plan voor advies voorgelegd aan de Veiligheidsregio Zeeland.

4.4.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande levert het aspect externe veiligheid geen belemmering op voor het bestemmingsplan. Verder zijn op grond van het bestemmingsplan op het bedrijventerrein zelf geluidsgezoneerde bedrijven niet toegestaan. Het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid.

4.5

Bedrijven en milieuzonering

4.5.1

Wettelijk kader

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

(ontwerp)

37

bestemmingsplan Ramsburg VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering In de brochure Bedrijven en milieuzonering wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala van bedrijfsactiviteiten. In deze handreiking worden bedrijven ingedeeld in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid. Ook maakt de handreiking onderscheid in verschillende gebiedstypen zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied. Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en eventueel onder welke voorwaarden, een bedrijf inpasbaar is in de omgeving.

4.5.2

Onderzoek

De beoogde ontwikkelingen die met voorliggend plan mogelijk worden gemaakt, zijn met name aanpassingen van beperkte aard, waardoor de bestaande situatie en de planologische situatie op elkaar worden afgestemd. Bij de beoordeling van het aspect bedrijven en milieuzonering wordt in hoofdlijnen aangesloten bij de uitgangspunten die zijn opgenomen in de verleende vergunningen en geldende regimes. Hierna wordt nader ingegaan op de uitgangspunten en de ontwikkelingen in het plangebied.

Algemeen In onderhavig gebied is milieuzonering van invloed op het bestemmingsplan. In het gebied zijn namelijk bedrijven, voorzieningen en (bedrijfs)woningen dicht bij elkaar gelegen. De bestaande legale situatie is het uitgangspunt voor het beleid. De bestaande legale bedrijven, bedrijfswoningen en voorzieningen zullen een passende bestemming krijgen. In dat kader heeft een inventarisatie plaatsgevonden van bestaande en toekomstige bedrijvigheid en voorzieningen in en rondom het plangebied, die van invloed kan zijn op het verblijfs- en leefklimaat in het plangebied. Hierbij is het uitgangspunt, dat bedrijven en gevoelige bestemmingen ruimtelijk goed gesitueerd worden, zodat de bedrijven zo min mogelijk overlast opleveren en woongebieden de bedrijven zo min mogelijk beperken in hun bedrijfsuitvoering.

Zoals aangegeven wordt de bestaande legale situatie in de regels opgenomen. Dit laat onverlet, dat wel bij nieuwe ontwikkelingen (bijvoorbeeld substantiële vergroting of functiewisseling) rekening gehouden dient te worden met de methodiek van de milieuzonering. Hierdoor wordt vergroting en nieuwe overlast als gevolg van bedrijfsactiviteiten zoveel mogelijk beperkt. Andersom geldt ook dat binnen een milieucirkel nieuwbouw van milieugevoelige objecten, niet zonder meer is toegestaan. Dit enerzijds om de mogelijkheden van het bedrijf niet (verder) te beperken en anderzijds om de milieugevoelige functie te beschermen.

Bedrijven en voorzieningen In de vigerende regelingen is een zonering opgenomen die rekening houdt met de bestaande bedrijfsactiviteiten en de omgeving. Deze zonering is overgenomen in onderhavig plan. De toegestane bedrijfsactiviteiten zijn in de bedrijvenlijsten behorende bij de regels opgenomen, waarmee niet alleen een goed woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd voor de aanwezige bedrijfswoning(en), maar óók voor de burgerwoningen die ten westen direct daaraan grenzen.

In het gebied is onderscheid gemaakt in zones waar bedrijven uit de categorieën tot en met 3.2, zoals aangegeven in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering' zijn toegestaan en zones waar categorie 1 tot en met 2 (functiemenging) zijn toegestaan. Aan de hand van dossieronderzoek is, met behulp van de gemeentelijke bedrijvenlijst, en de publicatie "Bedrijven en milieuzonering", van de

38

(ontwerp)

bestemmingsplan Ramsburg aanwezige en toekomstige bedrijven en voorzieningen binnen en rondom het plangebied de milieucategorie bepaald. Hieruit is naar voren gekomen dat een gedeelte van de inrichtingen (bedrijven) binnen de op de verbeelding aangegeven milieuzonering tot maximaal categorie 3.1 passen. Voor deze bedrijven geldt een richtafstand van 30 meter, uitgaande van een gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt grotendeels voldaan, met dien verstande dat de afstand van de bestaande woningen ten opzichte van het bedrijventerrein niet wijzigt, waardoor voor de omliggende bedrijven geen sprake is van een grotere belemmering dan in de bestaande situatie al het geval is. Voor (toekomstige) bewoners van de woningen is derhalve geen sprake van een verslechtering van het woon- en leefklimaat.

Verder is in onderhavig bestemmingsplan voor een deel van het plangebied een Staat van bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' opgenomen. Uit deze lijst blijkt, dat bedrijven tot maximaal categorie B1 zijn toegelaten. Hierbij heeft te gelden, dat categorie A-bedrijven qua aard en invloed op de omgeving direct naast of beneden woningen kunnen worden toegestaan en categorie B1-bedrijven tussen of onmiddellijk naast woonbebouwing worden kunnen gesitueerd, in het algemeen in gebieden met gemengde functies. De lijst van inschaling van de bedrijven is als bijlage bij de planregels opgenomen. Afwijking voor een hogere categorie blijft daarbij mogelijk. Ook is afwijking mogelijk voor bedrijfsactiviteiten, die niet in de lijst zijn opgenomen. Criterium voor deze afwijkingsmogelijkheden is dat het concrete bedrijf qua milieuhinder vergelijkbaar dient te zijn, met de bij recht toegelaten categorieën van bedrijven.

Bedrijfswoningen In het plangebied ligt een beperkt aantal bedrijfswoningen. Voor bedrijfswoningen geldt dat er minder hoge eisen kunnen worden gesteld aan het woon- en leefklimaat in relatie tot de nabijgelegen bedrijvigheid. Ter plaatse van deze woningen is reeds sprake van een verhoogde milieubelasting, bijvoorbeeld vanwege de nabijheid van het eigen bedrijf. Vanuit het oogpunt van het doelmatig gebruik van het bedrijventerrein waar bedrijven uit maximaal categorie 3.2 mogelijk zijn, wordt voor bestaande bedrijfswoningen het uitgangspunt gehanteerd, dat in de directe omgeving bedrijfsactiviteiten uit categorie 3.2 algemeen zijn toegestaan. Verder is het wegbestemmen van de bedrijfswoningen niet noodzakelijk. Nieuwe bedrijfswoningen zijn daarentegen bij recht niet toegestaan, omdat deze beperkingen opleggen aan de algemene toelaatbaarheid en bedrijfsvoering van bedrijven in de directe omgeving. Voor de bedrijfsmatige gronden waar functiemenging is toegestaan en oprichting van woningen gelet op de aard en invloed van de toegestane (bedrijfsmatige) functies toelaatbaar is, voorziet een wijzigingsbevoegdheid in de mogelijkheid, om onder voorwaarden gelet op de zonering van het bedrijventerrein Arnestein- bedrijfswoningen te bouwen, waar deze ingevolge de regeling bij recht niet zijn toegestaan.

Burgerwoningen Het plan maakt geen nieuwe burgerwoningen mogelijk. De bestaande burgerwoningen in de omgeving grenzen grotendeels aan bestaande bedrijfsmatige gronden, waarbij dat gebied kan worden getypeerd als een gebied met functiemenging. Daarnaast dient nogmaals opgemerkt te worden, dat de functies in de huidige situatie in het plangebied reeds aanwezig dan wel mogelijk zijn, waardoor de milieubelasting vanwege de bedrijfsmatige functies op gevoelige objecten feitelijk niet verandert. Deze situatie wordt aanvaardbaar geacht, gelet op het feit dat de woningen grenzen aan een gebied waar overwegend (van oudsher) nog een bedrijfsbestemming aanwezig is.

Nieuwe ontwikkelingen De opvulling van de nog resterende braakliggende kavels zal niet tot relevante negatieve milieugevolgen leiden. Naar verwachting zullen de kavels worden gevuld met reguliere bedrijvigheid of dienstverlening en is daarmee in lijn met de reeds binnen het plangebied aanwezige functies waarbij aan de daarbij horende richtafstanden ruimschoots wordt voldaan.

(ontwerp)

39

bestemmingsplan Ramsburg 4.5.3. Conclusie Met de opgenomen zonering wordt de omgeving beschermd tegen hinder vanwege het bedrijventerrein. Het aspect bedrijven en milieuzonering is geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1

Wettelijk kader

Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit.

De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren.

Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO 2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m 3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO 2 en PM10 vastgesteld op 11 juni 2011 voor PM10 en 1 januari 2015 voor NO2. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toeneemt dan 1,2 µg/m 3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als tenminste aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:  de ontwikkeling is opgenomen in het NSL;  de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project;  de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden;  projectsaldering kan worden toegepast.

Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig.

4.6.2

Onderzoek

In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren.

40

(ontwerp)

bestemmingsplan Ramsburg Voorliggend plan legt voornamelijk de bestaande situaties vast. Daarnaast vindt op een beperkt aantal percelen een functieverruiming en daarmee bestemmingswijziging plaats. Echter, de milieucategorisering van de nog niet ontwikkelde percelen verandert niet in die zin dat deze in ieder geval gelijk blijft ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Bovendien zal de wijziging van een bedrijfsmatige naar een dienstverlenende en kantoorfunctie en daaraan inherente activiteiten niet tot een verslechtering, doch eerder tot een lichte verbetering van de luchtkwaliteit ter plaatse leiden. De luchtkwaliteit is op basis van de NIBM-tool, uitgaande van een gelijktijdige aanwending van alle ontwikkelpercelen berekend.

Figuur 9 NIBM tool, worst case-scenario

Gesteld kan worden dat volgens de NIBM-tool het effect op de luchtkwaliteit daarmee in geen geval meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarden voor PM10 en NO2 bedraagt. Op het plan is daarom het besluit NIBM van toepassing. Er is geen nader onderzoek vereist.

4.6.3

Conclusie

De voorgestane ontwikkeling is aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan (artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm).

4.7

Archeologie

4.7.1

Wettelijk kader

In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. De zorgplicht voor het archeologisch erfgoed was tot enige tijde geleden vastgelegd in de Monumentenwet uit 1988, met een nadere uitwerking in de Wet op de Archeologische MonumentenZorg (Wamz) uit 2007. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden waarmee de Monumentenwet 1988 is vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze (naar verwachting) in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op

(ontwerp)

41

bestemmingsplan Ramsburg de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het betreft:  vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten;  verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie;  bescherming van stads- en dorpsgezichten. Belangrijke uitgangspunten uit de Monumentenwet 1988, zoals de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem en het inpassen van archeologisch erfgoed in de ruimtelijke ordening en de financiering van onderzoek ('de verstoorder betaalt'), blijven dus onverminderd van kracht. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen gronden moet dan ook rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. Daarom is het voor het opstellen van een bestemmingsplan noodzakelijk te onderzoeken in hoeverre in betreffende gronden archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Gebieden waar resten aanwezig zijn, kunnen door middel van een dubbelbestemming voor archeologie door het bestemmingsplan worden beschermd. Voorafgaand aan werkzaamheden waarbij bodemingrepen plaatsvinden, dient dan in bepaalde gevallen nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.

4.7.2

Onderzoek

In het plangebied is een archeologische verwachtingswaarde. Het plangebied beslaat een zone die op de archeologische beleidsadvieskaart voor Walcheren is aangegeven als gebied met hoge en middelhoge trefkans op archeologische vondsten (verwachtingszone). Hiervoor geldt dat bodemingrepen dieper dan 40 cm onder maaiveld en groter dan 500 m² voorafgegaan moeten worden door archeologisch onderzoek. De aanwending van braakliggende kavels kan leiden tot aantasting van de mogelijk aanwezige archeologische waarden. Ter bescherming worden de (mogelijke) archeologische waarden met een dubbelbestemming op de plankaart opgenomen. Indien bij verkennend onderzoek bijzondere archeologische sporen worden aangetroffen, zullen deze sporen door opgraving door erkende archeologen worden veiliggesteld.

4.7.3

Conclusie

In onderhavig bestemmingsplan is het beschermingsregime ten aanzien van de archeologische waarden, overeenkomstig het huidige regime als dubbelbestemming op de verbeelding en in de planregels opgenomen en daarmee geborgd. Op deze wijze worden de archeologische waarden in voldoende mate gesteld, dan wel de eventueel aanwezige behoudenswaardige archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad. Onderhavig plangebied valt onder de dubbelbestemming ''Waarde – Archeologie - 3”.

4.8

Cultuurhistorie

4.8.1

Wettelijk kader

Per 1 juli 2011 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is het Bro per 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, lid 5) gewijzigd. Wat eerst alleen voor archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. Voor een herziening van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is daarmee dus verplicht om de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

42

(ontwerp)

bestemmingsplan Ramsburg In lijn met de Erfgoedwet neemt de gemeente Middelburg in haar bestemmingsplannen een integrale paragraaf Cultuurhistorie op. Hierin wordt voor het plangebied van het betreffende bestemmingsplan een inventarisatie en een analyse van de aanwezige cultuurhistorische waarden gepresenteerd. Aan deze inventarisatie zullen/kunnen consequenties ten opzichte van het vaststellen van een dubbelbestemming cultuurhistorie en/of archeologie verbonden worden.

4.8.2

Onderzoek

De cultuurhistorische waardevolle objecten zijn door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Binnen het plangebied is de bestaande watergang als cultuurhistorisch waardevol aangewezen. Het is een kronkelende watergang, lopend van Middelburg richting Veere, die als een van de weinige watergangen op Walcheren gedeeltelijk zijn oorspronkelijke tracé heeft behouden. Door onderhavig bestemmingsplan wordt de watergang niet beïnvloed.

Verder is buiten het plangebied een molen, te weten Molen de Koning, gesitueerd aan de Veerseweg 80 aanwezig. Deze molen is aangewezen als Rijksmonument. Aanvullend op de bescherming via het monumentenbeleid is het van belang, dat de molen kan blijven functioneren. Hiervoor is een onbelemmerde windtoetreding nodig. Bebouwing en begroeiing in de nabijheid van een molen kunnen windbelemmeringen veroorzaken, waardoor rendementsverlies ontstaat. Daarnaast kunnen bebouwing en begroeiing leiden tot windturbulenties en tot wisselende windkrachten op het wiekenkruis en askop, waardoor schade kan ontstaan aan het mechaniek van de molen (wanneer deze in bedrijf is). Dit betekent dat in de omgeving van een molen beperkingen (moeten) worden gesteld aan de hoogte van obstakels. Het gebied waarbinnen deze hoogtebeperkingen gelden, wordt de molenbiotoop c.q. een molenbeschermingszone genoemd. De molenbiotoop van de molen direct buiten het plangebied valt voor meer dan de helft over het plangebied.

4.8.3

Conclusie

In onderhavig bestemmingsplan is het beschermingsregime ten aanzien van de molenbiotoop, overeenkomstig het huidige regime als gebiedsaanduiding op de verbeelding en in de planregels opgenomen en daarmee geborgd. Hiermee valt onderhavig plangebied onder de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone – Molenbiotoop'.

4.9

Water

4.9.1

Wettelijk kader

Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, te voorkomen. Volgens het Bro is een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht geworden. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitvoeren van een watertoets betrekt de waterbeheerders actief bij ruimtelijke besluitvormingsprocessen en geeft water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening

Waterbeleid 21e eeuw (Rijksbeleid) Het afgelopen decennium heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft een omslag in het denken over water en het waterbeleid veroorzaakt. In het aangepaste beleid zijn het rijk, de provincies, de waterschappen en de gemeenten overeengekomen dat:  het water zoveel mogelijk moet worden vastgehouden, daarna moet worden geborgen en daarna pas afgevoerd mag worden;

(ontwerp)

43

bestemmingsplan Ramsburg 

voor ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets uitgevoerd moet worden. In de watertoets moeten de keuzes ten aanzien van waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschreven te worden.

Beleid Waterschap Scheldestromen Het provinciaal beleid van de provincie Zeeland is vastgelegd in het Omgevingsplan Zeeland 2018, de Waterverordening en de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Het operationele waterbeheer van de Zeeuwse (binnendijkse) regionale wateren is in handen van het Waterschap Scheldestromen. In het waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap zijn de hoofdlijnen van het beleid op het gebied van watersystemen en afvalwaterketen kort beschreven. De uitwerking vindt plaats in de desbetreffende Beleidsnota's. Doel van het waterbeheer is het bereiken en in stand houden van een goede toestand van dit oppervlaktewater. Zowel wat de waterkwaliteit betreft als de waterkwantiteit. In het waterbeheerplan wordt aangegeven met welke maatregelen en tegen welke prijs het waterschap dit doel wil bereiken. In 2012 heeft het Waterschap Scheldestromen de Keur watersysteem waterschap Scheldestromen vastgesteld. Het waterschap richt zich op het in stand houden en versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen. Het oppervlaktewater wordt niet los gezien van het grondwater.

4.9.2

Onderzoek

Voor de watertoets is door het waterschap Scheldestromen een watertoetstabel beschikbaar gesteld. De tabel is hieronder opgenomen. De ontwikkeling is getoetst aan de daarin opgenomen waterthema's en water(beheer)doelstellingen en reeds ter goedkeuring aan het waterschap voorgelegd.

Onderstaande tabel geeft de onderbouwing voor de verschillende wateraspecten in een ruimtelijk plan. Overleg met het waterschap Scheldestromen heeft tijdens het planproces plaatsgevonden en de onderstaande tabel is ter beoordeling voorgelegd.

Voorliggende plan maakt een gewijzigde situering van bebouwing mogelijk en een iets groter bebouwingsoppervlak. Deze wijziging heeft niet of nauwelijks effect op de waterhuishouding.

Thema en water(beheer)doelstelling

Uitwerking

Veiligheid waterkeringen

In het plangebied is een primaire waterkering aanwezig. Deze wordt door zowel in de regels als de verbeelding geborgd. Indien voorts binnen de beschermingszones van de primaire waterkering ontwikkelingen zijn voorzien is voor het bouwen in de beschermingszones een vergunning vereist op grond van de Waterwet. Hierin zal aangegeven worden onder welke voorwaarden bouwen mogelijk is en een vergunning aangevraagd dient te worden. Hierin worden mogelijk voorwaarden gesteld door het Waterschap. Relevant is, dat de braakliggende kavels, waar de ontwikkelingen zijn voorzien, niet binnen deze zones zijn gesitueerd, zodat vanuit waterkeringsoogpunt en veiligheidsniveau deze potentiële ontwikkelingen geen problemen zal opleveren.

Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.

44

(ontwerp)

bestemmingsplan Ramsburg

Voorkomen overlast door oppervlaktewater Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.

De benodigde watercompenserende maatregelen zijn reeds in het kader van het vigerende bestemmingsplan getroffen. Verder is in het kader van de uitbreiding van UniPharma een waterberging in het plangebied gerealiseerd. Deze wordt in onderhavig bestemmingsplan geborgd.

Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater Het hemelwater van de Oostperkweg wordt Waarborgen optimale werking van de via een verbeterd gescheiden stelsel geloosd zuiveringen/ RWZI's en van de (gemeentelijke) op de Veerse watergang. Voor het opvangen rioleringen. van de first flush is in overleg met het Afkoppelen van (schone) verharde waterschap (2013) gekozen voor het oppervlakken in verband met aanleggen van een Sedipipe-systeem. Door de reductie van hydraulische belasting van de middel van dit systeem wordt het hemelwater RWZI, het gezuiverd (middel het opvangen van transportsysteem en het beperken van sedimentdeeltjes) alvorens het op het overstorten. oppervlaktewater wordt geloosd. De afvoer van afvalwater wordt ingeval van nieuwe ontwikkelingen aangesloten op het gescheiden gemeentelijke rioleringsstelsel. Afvalwater en de first flush worden via de vuilwaterriolering afgevoerd naar het rioolgemaal in de Oude Veerseweg. Het overige regenwater wordt geloosd naar de sloot langs de dijk van het Kanaal door Walcheren. Grondwaterkwantiteit en verdroging Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en -mogelijkheden.

Grondwateroverlast of onttrekking van grondwater is niet aan de orde.

Grondwaterkwaliteit Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.

De kwaliteit van het grondwater wijzigt niet.

Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren.

Het peilregiem van het plangebied is afgestemd op bebouwd gebied. Er is geen sprake van een peilverlaging en/of bodemdaling. Derhalve is deze problematiek niet aan de orde. Er wordt geen grondwater onttrokken en hemelwater wordt zoveel als mogelijk naar het omliggende oppervlaktewater teruggevoerd. Bodemdaling wordt dan ook niet verwacht. Er worden geen uitlogende materialen bij ontwikkelingen worden gebruikt. Het oppervlaktewater zal niet in kwaliteit achteruitgaan.

(ontwerp)

45

bestemmingsplan Ramsburg

Volksgezondheid De ontwikkeling heeft geen invloed op de Minimaliseren risicowater gerelateerde ziekten water gerelateerde volksgezondheid. Dit en plagen. aspect is dan ook niet van toepassing. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de daarvoor benodigde ruimte. Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zetting gevoelige gebieden kunnen veroorzaken.

Bodemdaling is niet aan de orde.

Natte natuur Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.

De ontwikkeling zorgt niet voor (negatieve) effecten op de in de nabije omgeving aanwezige natte natuur. Binnen het plangebied is bestaande natuur aanwezig. De bestaande natuur zal gehandhaafd blijven. Er zijn geen negatieve aspecten vanuit het plan op deze gebieden te verwachten.

Onderhoud oppervlaktewater Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.

Voor de bestaande watergang blijft onderhoud mogelijk. Onderhoud hiervan zal door het waterschap plaatsvinden.

Andere belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren.

Aanpassingen aan het oppervlaktewater worden afgestemd met het waterschap.

Wegen in beheer bij het waterschap 1. Dit aspect is hier niet aan de orde. 1. in de bouwfase: Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) 2.& 3. Door het verruimen van de plaats over waterschapswegen? gebruiksmogelijkheden zal het aantal de verkeersbewegingen, zij het in zeer beperkte 2. na realisatie: verkeersaantrekkende werking mate, toenemen. Hierbij overwegen wij, dat Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer? de gronden waar ontwikkelingen zijn voorzien reeds bedrijfsmatig zijn bestemd en 3. na realisatie: bereikbaarheid het verkeer op de bestaande infrastructuur Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en kan worden ontsloten. De toename van het voetgangers uw plankunnen bereiken. verkeer zal voor de nabije omgeving Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of daarmee niet tot onevenredige overlast nieuw aangelegd? leiden. Er zullen dus geen wegen worden aangelegd of worden aangepast. 4. na realisatie: parkeren Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd? 4. Parkeren vindt bij voorkeur op eigen terrein plaats en wordt verder in de openbare 5. na realisatie: (ver)bouwen ruimte, waaronder het bestaande Bent u voornemens om binnen 20 meter van parkeerterrein, gelegen op het bestaande een bedrijventerrein opgevangen. waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (Zoals een woning of 5. Nee. afscheiding (gefundeerd).

46

(ontwerp)

bestemmingsplan Ramsburg 4.9.3

Conclusie

Het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van water. Het aspect water staat de vaststelling van dit bestemmingsplan niet in de weg. De vaststelling van het bestemmingsplan heeft nauwelijks tot geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem in het plangebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zal rekening worden gehouden met het aspect water in die zin dat er geen nadelige beïnvloeding kan ontstaan voor de waterhuishoudkundige situatie/hydrologie. Verder wordt ter bescherming van de waterkering een dubbelbestemming opgenomen en krijgt het oppervlaktewater in de vorm van de aanwezige watergang een passende bestemming.

4.10

Flora en fauna

4.10.1 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:  Natura-2000 gebieden;  Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:  alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;  het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en;  de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13944476/1