23-085 Bijlage 2. Ingekomen stukken RM
Tekst van het document
Daarbij is voor wat betreft de inmenging in het eigendomsrecht opgemerkt dat dit gerechtvaardigd is als aan drie voorwaarden is voldaan. In de eerste plaats moet de maatregel voorzien zijn bij wet. Dit betekent dat de beperking voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de toepassing moet zijn. Verder moet de inmenging noodzakelijk en geschikt zijn in het algemeen belang en moet er sprake zijn van een «fair balance» tussen het nagestreefde doel en de belangen van de eigenaren. In de memorie van toelichting bij de wet is uitgebreid toegelicht waarom aan die voorwaarden is voldaan. 2 Inzake het vrij verkeer van diensten is kenbaar gemaakt dat een verbod om zonder vergunning een woning te verhuren een vergunningstelsel is als bedoeld in de Dienstenrichtlijn. Dit betekent dat het vergunningstelsel alleen kan worden ingevoerd als aan drie voorwaarden is voldaan. In de eerste plaats moet het vergunningstelsel noodzakelijk zijn omwille van het algemeen belang dat met deze 1 https://www.justis.nl/producten/wet-bibob/wat-is-de-wet-bibob 2 Kamerstukken II 2021/22, 36 130, nr. 3, p. 46 ev.
Bijlage 1/2 bij VNG ledenbrief juli 2023
beperking wordt gediend, moet het middel geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken en mag het niet verder gaan dan wat nodig is om dat doel te bereiken. Verder moet het beoogde doel niet door een minder beperkende maatregel kunnen worden bereikt. Tot slot mag de beperking geen direct of indirect onderscheid maken naar nationaliteit. In de memorie van toelichting is uitgebreid aangegeven dat ook aan die voorwaarden is voldaan.3 Tegen die achtergrond is bij de onderbouwing van de vergunningplicht aan het begin van deze toelichting ook, aan de hand van de specifieke situatie binnen de gemeente, aandacht besteedt aan de vraag of de vergunningplicht een geschikt middel is om het nagestreefde doel te bereiken, of de ernst van de problematiek de inzet van deze vergunningplicht rechtvaardigt, of er geen andere minder vergaande middelen zijn en of de vergunningplicht uitvoerbaar en handhaafbaar is. Artikelsgewijs Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader toegelicht. Artikel 1. Definities In dit artikel zijn alleen definities van de begrippen verhuurvergunning en wet opgenomen. Deze definities spreken voor zich. In aanvulling op deze definities zijn ook de begripsomschrijvingen uit artikel 1 van de wet op deze verordening van toepassing.
Dit gaat onder andere om omschrijvingen die zien op de begrippen woonruimte, verblijfsruimte en verhuurder. [Artikel 2. Vergunningplicht verhuur woonruimte Op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van de wet heeft de gemeenteraad de bevoegdheid een vergunningplicht in het leven roepen voor de verhuur van reguliere woonruimte. Met deze verordening is van die bevoegdheid gebruik gemaakt. De vergunningplicht heeft de vorm van een verbodsbepaling: het is verboden zonder vergunning woonruimte te verhuren. Deze verbodsbepaling annex vergunningplicht is in het eerste lid van dit artikel opgenomen. In het tweede lid van dit artikel is bepaald voor welke categorieën van woonruimte de vergunningplicht geldt en in welke gebieden. In het algemeen deel van de toelichting is de keuze voor deze categorieën en gebieden nader onderbouwd. Hier wordt met een verwijzing naar die onderbouwing volstaan. In het derde lid zijn de uitzonderingen op de vergunningplicht opgenomen. [opgenomen uitzonderingen en onderbouwing daarvan]. Het vierde lid brengt tot uitdrukking dat de vergunning niet overdraagbaar is. De wet en de daarin opgenomen instrumenten richten zich op het gedrag van de verhuurder. In het verlengde daarvan richten ook de indieningsvereisten, de weigeringsgronden en de voorwaarden die aan de vergunning kunnen worden verbonden zich primair op de verhuurder.
Hierbij past niet dat de vergunning overdraagbaar is.] [Artikel 3. Vergunningplicht verhuur verblijfsruimte Op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de wet heeft de gemeenteraad de bevoegdheid een
3 Kamerstukken II 2021/22, 36 130, nr. 3, p. 55 ev.
Bijlage 1/2 bij VNG ledenbrief juli 2023
vergunningplicht voor de verhuur van verblijfsruimte in het leven te roepen. Met deze verordening maakt de gemeenteraad van die bevoegdheid gebruik. In het eerste lid van dit artikel is daartoe een verbodsbepaling opgenomen: het is verboden zonder vergunning verblijfsruimte te verhuren. In het tweede lid zijn de categorieën van verblijfsruimte aangewezen waarvoor de verbodsbepaling en vergunningplicht geldt. In het algemeen deel van de toelichting is de keuze voor deze categorieën van verblijfsruimten nader onderbouwd. Hier wordt met een verwijzing naar die onderbouwing volstaan. In het derde lid zijn de uitzonderingen op de vergunningplicht opgenomen. [opgenomen uitzonderingen en onderbouwing daarvan]. In het vierde lid is tot uitdrukking gebracht, dat de vergunning niet overdraagbaar is. De wet en de daarin opgenomen instrumenten richten zich op het gedrag van de verhuurder. In het verlengde daarvan richten ook de indieningsvereisten, de weigeringsgronden en de voorwaarden die aan de vergunning kunnen worden verbonden zich primair op de verhuurder. Hierbij past niet dat de vergunning overdraagbaar is.] Artikel 4. Aanvraag van de verhuurvergunning Artikel 6 van de wet regelt de aanvraag van de vergunning. In het eerste lid is volledigheidshalve beschreven, dat de aanvraag gedaan moet worden met het door burgemeester en wethouders vastgestelde aanvraagformulier.
Het tweede lid bevat een opsomming van de gegevens die in ieder geval bij de aanvraag ingediend moeten worden. Het gaat dan onder andere om het adres en de huurprijs van de ruimte waarop de aanvraag betrekking heeft, een afschrift van de te sluiten huurovereenkomst en een beschrijving van de wijze waarop de aanvrager invulling geeft aan de regels voor goed verhuurderschap. Verder dient de aanvrager opgave te doen van de binnen een tijdvak van acht jaar voorafgaand aan de aanvraag opgelegde bestuurlijke boetes en lasten onder dwangsom wegens handelen in strijd met de verboden en bepalingen genoemd in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de wet en van de ten aanzien van de aanvrager genomen besluiten tot inbeheername, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wet voor zover het beheer nog niet is beëindigd. Deze opgave stelt burgemeester en wethouders in staat om ook na te gaan in hoeverre de aanvrager zich in andere gemeenten overeenkomstig de wet als een goed verhuurder gedraagt. Artikel 5. Bestuurlijke boete Het eerste lid bevat de bevoegdheid van burgemeester en wethouders om bij overtreding van het verbod om zonder vergunning te verhuren, het verbod voor de eigenaar om ten aanzien van in beheer genomen ruimtes beheershandelingen te verrichten of van de aan de vergunning verbonden voorwaarden, een bestuurlijke boete op te leggen.
Een bestuurlijke boete is een punitieve en dus bestraffende sanctie. De bestuurlijke boete moet dan ook worden onderscheiden van de last onder dwangsom die een reparatoir karakter heeft en ervoor moet zorgen dat de verhuurder alsnog de regels naleeft. In het opleggen van een last onder dwangsom is in de verordening niet voorzien. Dat neemt niet weg dat burgemeester en wethouders ook van dat instrument gebruik kunnen maken. Artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht bevatten een grondslag daarvoor. In Bijlage 1/2 bij VNG ledenbrief juli 2023
de verordening is in aanvulling daarop in het opleggen van een bestuurlijke boete voorzien omdat dit in de praktijk effectiever kan zijn dan het (enkel) opleggen van een last onder dwangsom. Voor de bestuurlijke boete is van belang dat artikel 19, derde lid, van de wet de maximale hoogte van de op te leggen bestuurlijke boetes voorschrijft. Het uitgangspunt is, dat ten hoogste boetes van de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, opgelegd kunnen worden. Bij recidive kan een hogere boete, van ten hoogste de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, opgelegd worden. Met inachtneming van die maximale hoogte en rekening houdend met het afschrikwekkende effect dat van een bestuurlijke boete als punitieve sanctie uit moet gaan, zijn in het tweede lid de bestuurlijke boetes vastgelegd die bij een eerste overtreding aan de orde zijn. Het derde lid bevat de hoogte van de bestuurlijke boete bij recidive. Tot slot maakt het vierde lid duidelijk wat onder recidive wordt verstaan en welke terugkijktermijn daarbij wordt gehanteerd.
Daarbij wordt opgemerkt dat van recidive niet alleen sprake is als de verhuurder het verbod om zonder vergunning te verhuren, het verbod om ten aanzien van in beheer genomen ruimtes beheershandelingen te verrichten of de aan de vergunning verbonden voorwaarden overtreedt, maar ook als hij heeft gehandeld in strijd met de regels voor goed verhuurderschap. Overigens gaat het bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van recidive, alleen om boetes die burgemeester en wethouders zelf hebben opgelegd. Boetes van andere gemeenten spelen geen rol. [Artikel 6. Overgangsrecht voor al aangevraagde en voor al verleende vergunningen Dit artikel voorziet in het overgangsrecht voor de verordening. In het eerste lid is bepaald, dat aanvragen die ingediend zijn voor inwerkingtreding van deze verordening, verder afgehandeld worden met toepassing van de Wet goed verhuurderschap en deze verordening. Op grond van het tweede lid gelden de voor inwerkingtreding van deze verordening al verleende vergunningen als verhuurvergunning zoals bedoeld in deze verordening. Tot slot is in het derde lid geregeld dat burgemeester en wethouders de voorwaarden, voorschriften of beperkingen die verbonden zijn aan de voor inwerkingtreding van deze verordening al verleende vergunningen kunnen vervangen.
Dat biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid de aan de verhuurvergunning verbonden voorwaarden in overeenstemming te brengen met de voorwaarden in artikel 8 van de wet.] Artikel 7. Invoeringsregeling verhuurvergunning In dit artikel is een nadere uitwerking opgenomen van de regeling voor bestaande verhuursituaties uit artikel 24 van de wet. In artikel 24 van de wet is al geregeld dat de vergunningplicht niet eerder dan zes maanden na inwerkingtreding van de verordening geldt. Tegen die achtergrond bevat het eerste lid van dit artikel de termijn waarin de vergunningplicht – en dus het verbod op verhuur zonder vergunning – niet geldt voor bestaande verhuursituaties. Het tweede lid maakt zekerheidshalve expliciet, dat burgemeester en wethouders voor de in het eerste lid genoemde datum, wel bevoegd zijn om op aanvragen van bestaande verhuurders te beslissen. Over die bevoegdheid zou discussie kunnen ontstaan, omdat de bepaling die de vergunningplicht bevat, ook de bevoegdheidsgrondslag bevat. Als een vergunningplicht voor een bepaalde categorie verhuurders niet geldt, zou men dus kunnen stellen dat burgemeester en wethouders niet bevoegd zijn om ten aanzien van die categorie verhuurvergunningen te verlenen. Gelet op het belang van een ordelijke invoering van de vergunning is dat niet wenselijk geacht. Bijlage 1/2 bij VNG ledenbrief juli 2023
[Artikel 8. Intrekking oude vergunningstelsel In artikel 25 van de wet is geregeld dat bestaande vergunningenstelsels voor verhuurders of de exploitatie van verhuurbemiddelingsbedrijven dan wel regels die zien op het tegengaan van uitbuiting en onevenredige benadeling van huurders, van rechtswege één jaar na inwerkingtreding van deze wet komen te vervallen. In beginsel is het dus niet nodig de bestaande regelgeving in te trekken. Dit artikel bevat desalniettemin een datum waarop de oude regels vervallen. In artikel 24 van de wet is namelijk geregeld dat een vergunningplicht niet eerder dan zes maanden na inwerkingtreding van deze verordening voor bestaande verhuursituaties geldt. De in dit artikel genoemde datum zorgt ervoor dat het oude en het nieuwe stelsel naadloos op elkaar aansluiten.]
Bijlage 1/2 bij VNG ledenbrief juli 2023
139 Bijlage 2 Implementatiehandleiding model verhuurverordening
Het bestand 139 Bijlage 2 Implementatiehandleiding model verhuurverordening kon niet correct worden ingeladen, het is mogelijk corrupt of beschadigd. Het originele bestand kunt u hier vinden: https://middelburg.raadsinformatie.nl/document/13018630/1/139__Bijlage_2__Implementatiehandleiding_model_verhuurverordening
133. Bewerkte houtrookbrochure 2016 dhr. Boonstra
Het bestand 133. Bewerkte houtrookbrochure 2016 dhr. Boonstra kon niet correct worden ingeladen, het is mogelijk corrupt of beschadigd. Het originele bestand kunt u hier vinden: https://middelburg.raadsinformatie.nl/document/13008616/1/133_+Bewerkte+houtrookbrochure+2016+dhr_+Boonstra
Heuvelland Democraten
N Plaats:
Vaals Motie: Regie bij Bestemmingsplannen (BP)
Vaals-Vijlen Datum: 10-7-2023
Inleiding:
Onderwerp: Motie Regie bij Bestemmingsplannen
het College van B&W richting gegeven wordt of een principeakkoord wordt gegeven zonder dat de Raad überhaupt in beeld is geweest. Dit leidt er in
j bestemmingplanwijzigingen komt het vaak voor, dat aan de voorkant reeds door
voorkomende gevallen toe, dat de Raad niets anders rest dan “tekenen bij het kruisje”. Een besluit tot amenderen door de Raad van een BP, of het niet vaststellen Ons kenmerk:
van een BP door de Raad, wordt vrijwel altijd door de RvS vernietigd. HDV is van mening dat dit anders en beter kan en de Raad eerder in stelling moet worden gebracht!
Uw kenmerk:
Opsteller:
(geanonimiseerd) Pagina's: 1vande1
De gemeenteraad van Vaals, in haar vergadering bijeen d.d. 10 juli 2023:
Overwegende dat: - Het voorontwerpplan geen wettelijke grondslag kent en derhalve buiten beschouwing kan worden gelaten;
- Het College van B&W op dit moment het OntwerpBP ter inzage legt; - Het College van B&W vervolgens het OntwerpBP inclusief nota van zienswijzen aan de Raad ter vaststelling voorlegt;
- Het Ontwerp-BP op dat moment dermate “gevormd” is, dat amenderen niet meer opportuun is; - Het niet vaststellen van het Ontwerp BP een besluit is hetgeen door de
initiatiefnemer— waarschijnlijk succesvol - bestreden kan en zal worden; - De Raad volgens deze procedure steeds achter het net vist; - De Raad bij Bestemmingsplanprocedures de regie moet (kunnen) hebben, om
zodoende aan de voorkantte sturen op ontwikkelingen zoals bijvoorbeeld in Cottessen, bij Landal Hoog Vaals en rondom het Selzerbeekgebied.
Roept het College van B&W op: 1- Vanaf heden niet alleen de definitieve besluitvorming aangaande Bestemmingsplannen aan de Raad voor te leggen (zoals we dit in Nederland en
Vaals gewend zijn), maar óók het Ontwerpbestemmingsplan (en diens opvolger) voortaan ter vaststelling aan de Raad voor te leggen. 2- Deze motie onder de aandacht te brengen bij alle andere gemeenten, waardoor
de posities van de Raden verstevigd wordt. En gaat over tot de orde van de dag.
Aldus aangenomen tijdens de openbare raadsvergadering van 10 juli 2023.
(geanonimiseerd)
(geanonimiseerd)
Griffier
Voorzitter
www:heuvellanddemoeratenvaals.nl
info@heuvellanddemoeratenvaals.nl Wvindtonsook op:
Om
Ap J.H.G. Cloosterman
11 juli 2023
De invloed van windturbineparken op weersveranderingen en windsnelheden.
‘De windstoot’ (Le coup de vent) van Jean-Baptiste Corot (1871)
Door: Ap Cloosterman Alhoewel ik geen meteoroloog ben, valt het mij op dat we in vergelijking met vroeger veel meer te maken hebben met windstoten. Een windstoot of rukwind is een plotselinge harde wind. Een rukwind is absoluut niet hetzelfde als de gemiddelde windsnelheid of een orkaan. De schaal van Beaufort is gebaseerd op gemiddelde windsnelheden, gemeten over een periode van 10 minuten op een hoogte van 10 meter boven het aardoppervlak. Dit is officieel vastgelegd door de WMO = Wereld Meteorologische Organisatie. Een rukwind is een momentane windstoot die niet lang duurt. Als vuistregel wordt gesteld dat rukwinden ongeveer 50% boven de gemiddelde windsnelheid kunnen uitkomen. Pag. 1 van 9
Ap J.H.G. Cloosterman
11 juli 2023
Windschaal van Beaufort Kracht*
Benaming
Windgemiddelde snelheid over 10 minuten (km/u)
Windgemiddelde snelheid over 10 minuten (m/sec)
0
stil
0-1
0-0,2
1
zwak
1-5
0,3-1,5
2
zwak
6-11
1,6-3,3
3
matig
12-19
3,4-5,4
4
matig
20-28
5,5-7,9
5
vrij krachtig
29-38
8,0-10,7
6
krachtig
39-49
10,8-13,8
7
hard
50-61
13,9-17,1
8
stormachtig
62-74
17,2-20,7
9
storm
75-88
20,8-24,4
10
zware storm
89-102
24,5-28,4
11
zeer zware storm
103-117
28,5-32,6
12
orkaan
>117
>32,6
Zie: literatuurbron 1 Rukwinden kunnen gevaarlijk zijn voor verkeer en wandelaars. Zelfs grote zware voertuigen kunnen schade oplopen, zoals bijvoorbeeld op 4 april 2019, toen een Boeing 757 van Transavia crashte:
Van Wikimedia Commons, de gratis media-opslagplaats Vervaardiger Boer, Poppe de
Pag. 2 van 9
Ap J.H.G. Cloosterman
11 juli 2023
Hoe ontstaan rukwinden? De manier waarop windstoten ontstaan is niet altijd hetzelfde. In grote lijnen kunnen deze rukwinden op drie manieren ontstaan, namelijk door buien (voornamelijk in de zomer), door windschering en door wrijving. Zie: literatuurbron 2. Windstoten door buien Windstoten door buien zijn vaak het gevaarlijkst. Dat komt doordat de wind ineens toeneemt tot ver boven het gemiddelde. Bij een flinke regenbui komt koude lucht, zwaar geworden door zijn lage temperatuur, tamelijk abrupt naar beneden ‘vallen’. De lucht neemt de snelheid die hij boven had dan gewoon mee omlaag. Waar de koude lucht op Aarde terechtkomt en zich horizontaal in alle richtingen verder verplaatst, zal op dat moment de windsnelheid dus plotseling sterk toenemen. De windrichting is op dat moment bovendien onvoorspelbaar en sterk variabel. Zo krijg je snelle rukbewegingen in de lucht die als windstoten worden ervaren.
Windschering Wind heeft verschillende componenten, namelijk twee horizontale componenten en een verticale component. Windschering is een plotselinge verandering van de snelheid of de richting van de wind in één of meer van die drie componenten. Windschering betekent dat de windsnelheid en/of -richting verandert met de hoogte en dus verschilt per verticale laag in de atmosfeer. Dit kunt u bijvoorbeeld zien wanneer hoge en lage wolken in een andere richting voorbij drijven. Pag. 3 van 9
Ap J.H.G. Cloosterman
11 juli 2023
Windstoten door wrijving Windstoten boven bijvoorbeeld het (open)water zijn vaak niet zo heftig als windstoten boven land. Dat komt doordat het oppervlak van het water minder weerstand biedt dan een wat ruwer oppervlak. Obstakels zoals gebouwen, bomen, heuvels, enz. zorgen voor wrijving, waardoor de wind op de ene plek sneller beweegt dan op de andere. Daardoor ontstaan windstoten. Dit soort windstoten zijn vooral het ergst rondom hoge gebouwen en nauwe steegjes in steden.
Zie: literatuurbron 3 Een ander obstakel voor het ontstaan van windstoten en tevens de oorzaak van een verandering van het weer zijn windturbines. Het gaat hier om wat in het jargon ’zogeffecten’ heet: net als bij een vliegtuig ontstaan er achter elke windturbine bepaalde, vaak zeer onregelmatige, windstromen. In KNMI-nieuws van 29 november 2022 (Zie: literatuurbron 4) valt het volgende te lezen: “Uit een recente studie met het KNMI weermodel blijkt dat windparken het weer beïnvloeden. De wind in de buurt van windparken neemt gemiddeld af en ook de temperatuur en luchtvochtigheid veranderen. Het is niet zo dat windenergie klimaatverandering veroorzaakt want het effect van windparken op het weer is plaatselijk. Toch is het effect in bepaalde weersituaties op grote afstand van het windpark nog merkbaar. [Het weer: Toestand op een bepaald moment. Het klimaat: Omgevingsomstandigheden voor wat betreft temperatuur, windsnelheid en neerslag. Metrologische instituten hanteren een periode van 30 jaar om gemiddelden te berekenen.]
Windparken zijn atmosfeer-mixers Draaiende rotorbladen van een windturbine zetten bewegingsenergie van de wind om in elektriciteit. Hierdoor neemt de wind achter de windturbine af. Bovendien mixen de rotorbladen de luchtlagen en maken ze wervels Pag. 4 van 9
Ap J.H.G. Cloosterman
11 juli 2023
(turbulentie) waardoor vocht en warmte in de lucht beter doormengen. Dat kan ervoor zorgen dat wolken oplossen of vormen. Kortom: het weer verandert door windturbines, maar de vraag is hoe en hoeveel. Op de hele Noordzee stond in 2020 19 gigawatt aan geïnstalleerd vermogen. In 2050 is dat naar verwachting ongeveer tien keer zoveel! Wat gebeurt er met het weer als we de Noordzee vol zetten met windturbines? Hoeveel groter zijn die zogeffecten als er zoveel windparken bij komen? Is er een maximum aan hoeveel windenergie we op de Noordzee kunnen produceren? Het KNMI heeft dit samen met het bedrijf Whiffle en de TU Delft onderzocht in het WINS50-project. Het blijkt dat windparken in 2050 veel vaker in elkaars windschaduw komen te staan. Om een goede inschatting te kunnen maken van de elektriciteitsproductie van windparken op de Noordzee wordt het daarom nog belangrijker dat we begrijpen hoe windparken zich mengen in het weer”. Op haar klimaatdashbord (https://www.knmi.nl/klimaatdashboard) meldt het KNMI, dat er een neergaande trend is wat betreft de windsnelheden op de Noordzee.
De zwarte lijn laat zien dat de gemiddelde windsnelheid ieder jaar varieert: we zien pieken én dalen, vooral door de grote natuurlijke variabiliteit. Maar de lange termijn trend (donkerblauwe lijn) in deze metingen gaat omlaag. Deze afname in windsnelheid is waarschijnlijk deels het gevolg van een toename van windmolenparken op zee. Kabinet verdubbelt productie windenergie op zee Nieuwsbericht | 18-03-2022H Het kabinet wijst drie nieuwe gebieden voor windparken op zee aan en
bevestigt twee al eerder aangewezen gebieden, samen goed voor 10,7 Pag. 5 van 9
Ap J.H.G. Cloosterman
11 juli 2023
gigawatt (GW) windenergie. Met deze vijf gebieden wordt de totale geplande capaciteit voor energie van wind op zee verdubbeld tot ongeveer 21 gigawatt rond 2030. De gebieden, onderdeel van het Programma Noordzee, liggen ten noorden en noordwesten van het land. Het kabinet besluit deze zomer waar de windparken precies komen binnen de aangewezen gebieden in de Routekaart 2030+.
Pag. 6 van 9
Ap J.H.G. Cloosterman
11 juli 2023
Panorama Mesdag versus Panorama Eemshaven
Boven op het Seinpostduin, toentertijd het hoogste duin van Scheveningen, werd 142 jaar geleden ter plekke het uitzicht op een glazen cilinder getekend. Door er papier omheen te leggen, kon een platte weergave worden gemaakt. Dit is het zeezicht, dat onze (groot)ouders voor ons in tact hebben gehouden. Laten we nu eens kijken wat wij onze kinderen nalaten. Eind juni 2023 heb ik vanuit Emden een minicruise naar Kristiansand gemaakt.
Vanuit de Noordzee heb ik onderstaande foto gemaakt van de Eemshaven met op de achtergrond, door de vele windmolens, niet meer zichtbare Waddeneilanden.
Eemshaven Foto: Ap Cloosterman
Pag. 7 van 9
Ap J.H.G. Cloosterman
11 juli 2023
Dit is ook het aangezicht als je vanuit de Scandinavische landen Nederland binnenvaart. Ik ben mij kapot geschrokken van het beeld dat ik zag: Horizonvervuiling Tot op de dag van vandaag kunnen we genieten van de prachtige bouwwerken, die onze verre voorouders (Egyptenaren, Maya’s) ons hebben nagelaten. De Overheid, de Politiek, Nijpels en consorten en de Europese Commissie, die verantwoordelijk zijn voor onze erfenis aan het nageslacht, moeten zich doodschamen voor de vreselijke en lelijke horizon aantasting, die is gecreëerd met deze zgn. duurzame energietransitie. Met eerst de bouw van 8 à 10 kerncentrales was het niet nodig geweest om hals over kop te stoppen met aardgas en land en zee te overwoekeren met deze zwaaipalen, die het zeeleven geweld aan doen en bovendien door slijtage van de wieken het kankerverwekkende BISFENOL A in onze atmosfeer verspreiden. Bovendien had de chaos, die nu op de elektriciteit voorziening is ontstaan, ook niet plaats gevonden.
Ik hoop, dat er in de komende tijd een Regering komt die paal en perk gaat stellen aan de verdere uitbreiding van het “park” (dat zoiets ook nog “park” wordt genoemd) en na 20 jaar geen vervangende turbines meer laat plaatsen! Hou nu het gas er op en stop onmiddellijk met het plaatsen van windmolens! Een terugkeer in de Nederlandse politiek van Frans Timmermans (1961) met zijn antikernenergie- en pro windturbine- opvattingen zou desastreus zijn voor ons huidig en toekomstig welzijn en wordt een complete ramp als hij ook nog eens minister(president) zou worden. In dit verband is het wenselijk dat een samensmelting van PvdA en Groen Links mislukt! Op maandag 24 april 2023 hebben de heren Rutte en Jetten getekend voor de totale vernietiging van onze omringende zeeën door de Noordzee en Waddenzee tot groene energiecentrales te benoemen. Realiseren deze heren zich wel waarvoor ze getekend hebben? En wanneer wordt de Nederlandse burger eindelijk eens wakker?
Literatuurbronnen: 1. https://www.knmi.nl/kennis-en-datacentrum/uitleg/windschaal-van-beaufort 2. https://www.buienradar.nl/nederland/weerbericht/blog/windstoot-uitgelegd25545c#:~:text=In%20grote%20lijnen%20kunnen%20deze,door%20windschering%20
Pag. 8 van 9
Ap J.H.G. Cloosterman
11 juli 2023
en%20door%20wrijving.&text=Windstoten%20door%20buien%20zijn%20vaak,tot%20v er%20boven%20het%20gemiddelde.
3. https://www.buienradar.nl/nederland/weerbericht/blog/windstoten-op-komst-03988f 4. https://www.knmi.nl/over-het-knmi/nieuws/windparken-mengen-zich-in-het-weer
Pag. 9 van 9
Geachte heer, mevrouw, De Provincie Zeeland had de opdracht om voor 1 juli 2023 een gebiedsprogramma in het kader van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) aan het Rijk te sturen. Eerder heeft u vernomen dat het concept ‘Zeeuws gebiedsprogramma’ door de installatie van het nieuwe college op 30 juni, iets later aan de Minister van Natuur en Stikstof aangeboden zou worden. We zijn blij dat we u kunnen melden dat Gedeputeerde Staten vanmorgen het concept ‘Zeeuws gebiedsprogramma’ heeft vastgesteld. Wij sturen u hierbij de drie delen van concept ‘Zeeuws gebiedsprogramma'. Later kunt u dit ook via onze website lezen, maar de link hiervoor is momenteel nog niet beschikbaar.
Met vriendelijke groet, Team Landelijk gebied & stikstof
Provinciehuis | Abdij 6, 4331 BK Middelburg | +31 118 631011 Postbus 6001, 4330 LA Middelburg | www.zeeland.nl | @provzeeland | facebook.com/provinciezeeland | instagram.com/provinciezeeland | dataportaal.zeeland.nl
126 Deel 1 Opgaven (compleet)-gecomprimeerd
Het bestand 126 Deel 1 Opgaven (compleet)-gecomprimeerd kon niet correct worden ingeladen, het is mogelijk corrupt of beschadigd. Het originele bestand kunt u hier vinden: https://middelburg.raadsinformatie.nl/document/12993103/1/126__Deel_1_Opgaven_%28compleet%29-gecomprimeerd
Zeeuws gebiedsprogramma 2023 DEEL 2 STRUCTURERENDE KEUZES
CONCEPT
Foto voorzijde: Jord Stenvert
Inhoudsopgave 1. 2.
Algemeen ........................................................................................................................................ 4 Overgangsgebieden ........................................................................................................................ 6 2.1 Afwegingen ............................................................................................................................. 6 2.2 Conclusie ................................................................................................................................. 7 3. Groenblauwe dooradering.............................................................................................................. 8 3.1 Aanleiding ............................................................................................................................... 8 3.2 Aanpak op hoofdlijnen .......................................................................................................... 10 3.3 Samenhang met andere opgaven ......................................................................................... 11 4. Water en bodem sturend.............................................................................................................. 13 4.1 Voldoende water ..................................................................................................................
13 4.2 Schoon en Gezond water ...................................................................................................... 15 4.3 Ruimte voor water ................................................................................................................ 15 4.4 Bodem ................................................................................................................................... 16 4.5 Laagveengebieden ................................................................................................................ 21 4.6 Verziltende gebieden ............................................................................................................ 21 4.7 Hoge zandgronden ................................................................................................................ 22 4.8 Klimaatadaptatie ................................................................................................................... 22 4.9 Tot slot .................................................................................................................................. 24 Bijlage 1. Uitleg landschapselementen ((Bij12 en Bosvisie) ................................................................. 23 Bijlage 2. Waar is GBDA mogelijk in Zeeland? ...................................................................................... 25 Bijlage 3.
Waterkansenkaarten – totstandkoming ............................................................................... 27 Bijlage 4. Afspraken vanuit de KasZ ...................................................................................................... 30
3
1. Algemeen De handreiking NPLG beschrijft de minimale inhoud van het gebiedsprogramma. De minimale inhoud is vervolgens nader uitgewerkt in het Ontwikkeldocument NPLG. Naast een beschrijving van de opgaven en de doelen wordt er ook aandacht gevraagd voor structurerende keuzes. Structurerende keuzes worden als volgt gedefinieerd. Structurerende keuzes bevatten ordenende principes, die richting geven aan de ruimtelijke inrichting. De keuzes gaan in op de wenselijkheid en onwenselijkheid van (nieuwe) activiteiten in het landelijk gebied. Daarmee beschrijft het NPLG de richting voor de ruimtelijke uitwerking van de gebiedsprogramma’s door provincies. De structurerende keuzes volgen uit de gemaakte beleidskeuzes voor natuur en stikstof, water en bodem sturend en landbouw. In het Ontwikkeldocument staan de volgende structurerende keuzes benoemd. Structurerende keuzes met directe doorwerking
bondige toelichting
Overgangsgebieden
Een gebied rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden waar functies en activiteiten een bijdrage moeten leveren aan natuurherstel
Bufferstroken langs beekdalen op hoge zandgronden
Voor waterkwaliteit ruime bufferstroken in beekdalen op zandgronden realiseren, tevens bijdragend aan infiltratie grondwater
Peilopzet veenweide
Toewerken naar vernatting van veenweidegebieden om CO2 emissie en bodemdaling te beperken Inpassing areaal agrarische Richting voor wijze waarop deze nieuwe arealen ingepast kunnen worden natuur/landschapsgrond/nieuwe en welke eigenschappen van het gebied daarbij in ogenschouw moeten natuur worden genomen Ruimte voor waterberging Langs waterkeringen en rivierbedden, en langs grote wateren vanwege peilfluctuaties. Betere ruimtelijke inrichting en voor het vaststellen van grenzen aan het gebruik van grond- en oppervlaktewater. Voldoende ruimte piekopvang Waterbeschikbaarheid verzilte Acceptatie van tijdelijke toename regionale verzilting en aanpassing van het gebieden landgebruik hierop Invulling 10% groenblauwe Uitleg over inpassingsmogelijkheden van landschapselementen die dooradering bijdragen aan het realiseren van 10% groenblauwe dooradering Bescherming landbouwgrond Beschermen van bruikbare landbouwgrond moet in gebiedsprocessen nadrukkelijk aandacht krijgen om vruchtbare landbouwgrond te behouden voor de landbouw en voldoende grond beschikbaar te houden voor de extensiveringsopgave en agrarisch natuur- en landschapsbeheer Tabel 1. Structurerende keuzes met directe doorwerking
In dit deel van het concept gebiedsprogramma wordt ingegaan op de volgende structurerende keuzes: Overgangsgebieden (hoofdstuk 2) Groenblauwe dooradering (hoofdstuk 3) Water en bodem sturend (hoofdstuk 4) De overige relevante structurerende keuzes, zoals ruimte voor waterberging, waterbeschikbaarheid in verzilte gebieden en bescherming van landbouwgrond zijn in deze versie van het gebiedsprogramma niet meegenomen. Deze keuzes hebben een duidelijke relatie met het NOVEX4
traject (zie deel I, hoofdstuk 1). Er is voor gekozen om deze ruimtelijke keuzes eerst in dit traject mee te nemen en daarna in een volgende versie van het gebiedsprogramma te vertalen. In deel I is aangegeven dat, ondanks de verzilting, er nog steeds ruimte is voor de landbouw. Door het slim omgaan met het beschikbare zoet water is het mogelijk o.a. de akkerbouw naar verwachting de komende decennia van voldoende zoet water te voorzien. In de maatregelpakketten zijn maatregelen opgenomen die zien op waterberging en waterbeschikbaarheid in verzilte gebieden. De keuze, in welke gebieden verzilting geaccepteerd wordt en waar ingezet wordt op het efficiënt gebruik van zoet water, moet in de gebiedsprocessen worden gemaakt. Ook hierin speelt het NOVEX traject een rol.
5
2. Overgangsgebieden 2.1 Afwegingen In het kader van het NPLG is het aanwijzen van overgangsgebieden als structurerende keuze geïntroduceerd. De definitie die gebruikt wordt in het NPLG is als volgt: Overgangsgebieden: gebieden grenzend aan Natura 2000-gebieden. Deze gebieden leveren een bijdrage aan het realiseren van instandhoudingsdoelstellingen in de betreffende Natura 2000-gebieden. Systeemherstel is hiervoor noodzakelijk. Opgaven voor natuur, water en klimaat en landbouw worden in de overgangsgebieden gelijktijdig aangepakt. Deze gebieden hebben momenteel een overwegend agrarische functie. Overgangsgebieden zijn gebieden direct grenzend aan Natura 2000-gebieden waar maatregelen genomen kunnen worden die helpen bij systeemherstel van de natuur in het beschermde natuurgebied. Voor systeemherstel in de beschermde natuur is het nodig om natuurlijke processen als waterhuishouding, de onderlinge verbinding van ecosystemen met het landschap en de beïnvloeding van drukfactoren op de natuur te verbeteren. Een gebiedsgerichte aanpak in de directe omgeving helpt bij het vaststellen wat o.a. de landbouw, de recreatie en de stedelijke gebieden hieraan kunnen bijdragen. Bij het bepalen van de locatie en omvang van een overgangsgebied moet een koppeling worden gemaakt met de processen en factoren die een Natura 2000-gebied zowel negatief als positief kunnen beïnvloeden.
Als activiteiten/situaties in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied een duidelijk negatief effect op de beschermde natuur hebben, dan is het instellen van een overgangsgebied een goed middel om hier wat aan te doen.
Fig. 1 Overgangsgebieden
Voor het instellen van overgangsgebieden is het noodzakelijk dat duidelijk is wat de drukfactoren op het Natura 2000-gebied zijn en of deze afkomstig zijn uit de directe omgeving. Dit blijkt deels uit de Natuurdoelanalyses (hierna: NDA’s) en het oordeel hierover van de Ecologische Autoriteit (hierna: EA). Inmiddels zijn de NDA’s voor alle Zeeuwse natuurgebieden opgesteld en de EA heeft er ook al enkele (de drie kreken; het Groote Gat, Canisvliet en de Vogelkreek) beoordeeld. Uit de beoordeling van deze drie kreken kan opgemaakt worden dat maatregelen noodzakelijk zijn om de beschermde natuur te herstellen, maar dat ook nog extra onderzoek nodig is om aard, omvang en effectiviteit van maatregelen te kunnen vaststellen. In zijn algemeenheid valt op dat de negatieve invloed van de stikstofdepositie op de Zeeuwse natuurgebieden vaak van ver (stikstof uit buitenland) komt en niet weggenomen kan worden door alleen maatregelen in overgangsgebieden te treffen. Zoals in deel I ook benoemd, is in Zeeland 6
weinig intensieve veehouderij en ook zijn er relatief weinig grote stikstofbronnen in de nabijheid van de overbelaste Natura 2000 -gebieden. Het instellen van een overgangsgebied met daarin passende maatregelen zal dan ook niet leiden tot systeemherstel in alle Zeeuwse Natura 2000-gebieden. Naast de stikstofdepositie zijn ook andere drukfactoren relevant, zoals hydrologie en recreatiedruk. Voor de aanpak van deze drukfactoren kan het ook gewenst zijn een overgangsgebied aan te wijzen. Het instellen van een overgangsgebied lijkt het meest kansrijk bij Natura 2000–gebieden waar samenhangende maatregelen nodig zijn om tot systeemherstel te komen en waarbij een pakket aan maatregelen in de randzone van het natuurgebied nodig is bij het verbeteren van de kwaliteit in het gebied. In Zeeland hebben de twee grote duingebieden; Manteling van Walcheren en Kop van Schouwen te maken met een complexe problematiek (verzuring, vermesting, verdroging, recreatiedruk, etc.) waar het instellen van een overgangsgebied mogelijk van positieve invloed kan zijn op het verbeteren van de natuurwaarden.
Om te kunnen beslissen of een overgangsgebied daadwerkelijk moet worden ingesteld hangt nog af van verschillende factoren: - In de Specifieke Uitkering (hierna: SPUK) fase 1 en 2 van Programma Natuur zijn herstelmaatregelen opgenomen voor groene randzones rondom stikstofgevoelige Natura 2000gebieden die bijdragen aan versterking en systeemherstel van de stikstofgevoelige natuur. - Het traject van de NDA en het oordeel van de EA is nog niet afgerond waardoor nog niet duidelijk is welke maatregelen bepalend en noodzakelijk zijn. - Rondom beide natuurgebieden zijn gebiedsprocessen gestart en we willen dat ook binnen deze processen verkend wordt hoe over overgangsgebieden wordt gedacht en wat daarin de kansen en aandachtspunten zijn. - Grootste negatieve invloed op de natuur in beide natuurgebieden is stikstofdepositie afkomstig uit het buitenland, meetcorrectie en zeescheepvaart. Maatregelen in overgangsgebieden hebben maar beperkt zin als er niets (of weinig) aan deze bronnen gedaan wordt en de onduidelijkheid over de meetcorrectie blijft. Voor de overige natuurgebieden zijn overgangsgebieden op dit moment niet zinvol omdat er enerzijds nog onvoldoende inzicht is in de benodigde maatregelen aangezien het traject van NDA’s en oordeel EA nog niet is afgerond en anderzijds omdat de benodigde maatregelen voor natuurherstel vanuit Programma Natuur voldoende geborgd zijn.
2.2 Conclusie Gelet op voornoemde afwegingen, concluderen wij als provincie het volgende: - Bij alle Natura 2000-gebieden worden op de kortst mogelijke termijn de nodige maatregelen getroffen, die nodig zijn voor bescherming en herstel van de natuurwaarden. Hierbij wordt uitgegaan van de maatregelen in het Programma Natuur, die zijn gebaseerd op de NDA’s, het oordeel van de EA en de beheerplannen. Indien blijkt dat veel (samenhangende) maatregelen nodig zijn in de directe nabijheid van het Natura 2000-gebied, wordt overwogen een overgangsgebied aan te wijzen. Dit doen wij in samenspraak met belanghebbenden in het gebied. - In deze versie van het gebiedsprogramma (1.0), worden (nog) geen overgangsgebieden aangewezen in de provincie Zeeland. - N.a.v. de NDA’s en het oordeel van de EA wordt verkend of en waar een overgangsgebied bijdraagt aan natuurherstel. Mogelijk is nader onderzoek nodig is om dit te bepalen. - In de gebiedsprocessen; Manteling van Walcheren en Kop van Schouwen wordt momenteel verkend hoe over overgangsgebieden wordt gedacht en wat daarin de kansen en aandachtspunten zijn. De beschikbaarheid van grond is een belangrijke randvoorwaarde.
7
3. Groenblauwe dooradering 3.1 Aanleiding Onder groenblauwe dooradering (GBDA) van het landelijk gebied verstaat men het netwerk van ‘groene en blauwe landschapselementen’ die de verbinding vormen tussen natuurgebieden en het agrarisch cultuurlandschap1. GBDA kan verschillende functies in het agrarisch cultuurlandschap hebben. (Opdam et al. 1999). Middels GBDA kunnen deze functies in het agrarisch cultuurlandschap worden behouden of versterkt. Natuurfunctie GBDA draagt bij door het bieden van leefgebied voor planten- en diersoorten en levert een verbetering in het verbinden van het landschap met en tussen natuurgebieden. Groene lijnvormige landschapselementen, als heggen, singels, knotbomen, kruidenrijke- en bloemrijke akkerranden worden gebruikt als migratieroutes door veel soorten. De blauwe landschapselementen zoals poelen en sloten met natuurvriendelijke oevers dienen veelal als voortplantingsplaats van amfibieën en insecten. Daarnaast vinden veel vogels schuilgelegenheid in dichte begroeiing gevormd door struweel of hagen2. Landbouwfunctie GBDA kan bijdragen aan natuurlijke plaagbestrijding en waterbeheer (verbeteren waterkwaliteit, retentie en conservering). Meerjarige akkerranden en keverbanken voorzien insecten, patrijzen en andere akkervogels voedsel én een veilige broedplek in het akkerland.
Een belangrijk voordeel voor de landbouwer is dat ook natuurlijke vijanden van plagen op deze manier worden aangetrokken wanneer de juiste zaadmengsel worden gekozen waardoor minder gewasbeschermingsmiddelen nodig. Bloemrijke stroken kunnen verder helpen bij de bestuiving van gewassen. Cultuurhistorische en aardkundige functie Door de inzet van GBDA in het landschap worden aanwezige aardkundige en cultuurhistorische waarden versterkt en beschermd. Karakteristieke patronen van groene en blauwe elementen maken deel uit van de identiteit van het betreffende landschap. Hierdoor is aan het landschap de plaatselijke ontstaansgeschiedenis en ontwikkeling als het ware af te lezen. Recreatieve functie GBDA kan van betekenis zijn voor recreatie in het agrarisch cultuurlandschap door deze te combineren met wandel- en fietspaden en de aanleg van groene recreatiezones. Een goede bereikbaarheid en toegankelijkheid van het landelijk gebied zijn essentieel voor de leefbaarheid en de beleefbaarheid. Versterking van het groene, natuurlijke karakter, draagt bij aan de aantrekkelijkheid van het landschap voor diverse functies (wonen, werken, recreëren), verhoogt de biodiversiteit en het landschappelijke contrast met de stedelijke gebieden. GBDA is een essentieel onderdeel van het Zeeuwse cultuurlandschap.
Een uitbreiding van de GBDA zal een structurele bijdrage gaan leveren aan de versterking en bescherming van het Zeeuwse cultuurlandschap. En dat is goed voor de biodiversiteit, klimaatbestendigheid, bodemleven, waterkwaliteit en onze eigen gezondheid. Doelen 1 2
https://landschapoverijssel.nl/over-ons/onze-standpunten/groenblauwe-dooradering https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-enlandschap/landschapselementtypen/l01-groenblauwe-landschapselementen/
8
Landelijk is het doel om 10% groenblauwe dooradering van het landelijk gebied te bereiken. Van deze opgave dient 50% al in 2030 gerealiseerd te worden. In 2035 moet dit 65% van het einddoel zijn, en in 2050 moet de 10% GBDA volledig zijn bereikt. In prioritaire gebieden is het de ambitie om de volledige 10% al in 2030 te realiseren. Een ruwe schatting van de huidige situatie is dat landelijk gemiddeld al 3% groenblauwe dooradering aanwezig is (figuur 1.1). De ambitie om 7% meer GBDA te realiseren, zal een structurele bijdrage leveren aan het herstel van het Nederlandse cultuurlandschap. Boeren hebben in deze resterende opgave een belangrijke rol en kunnen tot 80% van de GBDA-opgave helpen realiseren, maar ook andere particuliere grondeigenaren zullen hieraan bij moeten dragen. Daarnaast moeten overheidsgronden van gemeenten, provincies, waterschappen en Rijk met voorrang duurzaam ingericht worden ten behoeve van de benodigde GBDA.
Fig. 2 Ambitie GBDA
Landschapstypen en –elementen in Zeeland Onderstaande kaart, figuur 3, geeft alle landschapstypes weer die in Zeeland voorkomen. Per landschapstype is aangegeven welke elementen behoren tot deze landschapstypen. Heel Zeeland:
Fig. 3 Landschapstypen en –elementen in Zeeland
9
Voor de resterende opgave van 7% GBDA worden kansen gezocht om deze landschapselementen te realiseren in het landelijk gebied. Voor Zeeland gaat het dus om de onderstaande landschaps- (L) en natuurtypen (N)3. Oudere zeekleipolders: L01.02 Houtwal en houtsingel, L01.06 Struweelhaag, L01.05 Knip-en scheerheg, L01.13 Bomenrij en solitaire boom, L01.08 Knotboom, L01.01 Poel en klein historisch water, L01.15 Natuurvriendelijke oever, N12.01 Bloemenrijke rand. Jongere zeekleipolders: L01.02 Houtwal en houtsingel, L01.06 Struweelhaag, L01.13 Bomenrij en solitaire boom, L01.08 Knotboom, L01.15 Natuurvriendelijke oever, N12.01 Bloemenrijke rand. Zandgrondontginningen: L01.02 Houtwal en houtsingel, L01.16 Bossingel, L01.13 Bomenrij en solitaire boom, L01.08 Knotboom, L01.01 Poel en klein historisch water en N12.01 Bloemenrijke rand. Duinen en duinontginning: L01.02 Houtwal en houtsingel, L01.03 Elzensingel, L01.13 Bomenrij en solitaire boom, L01.15 Natuurvriendelijke oever en N12.01 bloemenrijke rand. 3.2 Aanpak op hoofdlijnen Het landelijk gebied in Zeeland bestaat uit 1359 km2 (135.900 ha). Hiervan is de ambitie 10% GBDA te realiseren in 2050. In 2030 hebben we als ambitie de helft van de resterende opgave (ofwel 6,5%) te hebben gerealiseerd. Landelijk gebied in ha Totale opgave 135.900
Gerealiseerd in 2030 (6,5%) Gerealiseerd in 2050 (10%) 8.833 13.590 Tabel 2 Gerealiseerde GBDA
Momenteel wordt binnen de Provincie Zeeland op basis van beschikbare data geïnventariseerd hoeveel procent GBDA al aanwezig is en is een kaart in ontwikkeling met daarop alle bestaande landschapselementen in Zeeland. Aan de hand van deze inventarisatie kan gerichter bepaald worden wat de resterende opgave voor Zeeland is en waar deze zou moeten worden uitgevoerd. Tot die tijd gaan wij uit van de landelijke schatting van 3% voor al gerealiseerde GBDA in Zeeland en komt de resterende Zeeuwse opgave als volgt eruit te zien. 10% van het Landelijk gebied landelijk in ha gebied 13.590 Resterende opgave 135.900
Al gerealiseerd t/m 2023 (3%) 4.077
Te realiseren t/m 2030 4.756
Te realiseren t/m 2050 4.756
Tabel 3 Nog te realiseren GBDA
Binnen heel het landelijk gebied dient meer GBDA gerealiseerd te worden. In bestaande en/of nog op te starten gebiedsprocessen gaan we samen met betrokken partijen bepalen hoe de Zeeuwse uitwerking GBDA eruit komt te zien en wáár we de extra groenblauwe dooradering gaan realiseren. Daarbij is het streven aan te sluiten bij de landschappelijke, cultuurhistorische karakteristieken van de Zeeuwse regio’s met behoud van streekidentiteit. Overigens weerhoudt dat ons niet van al aan de slag te gaan met kansen en initiatieven van onderop, in heel Zeeland. Overgangsgebieden zijn prioritaire gebieden in de opgave voor GBDA. In deze versie 1.0 van het Zeeuwse gebiedsprogramma worden overgangsgebieden (nog) niet aangewezen, zie paragraaf 2.2. 3
https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-en-landschap/
10
Wanneer uit de afwegingen van deze structurerende keuze blijkt dat de hectares GBDA in zones rondom Natura 2000-gebieden nodig zijn voor systeemherstel, volgt Zeeland de landelijke prioritering in de opgave om de 10% in deze zones te realiseren voor 2030. Dit in synergie met andere NPLG opgaven. 3.3 Samenhang met andere opgaven In deze paragraaf gaan we, voor de realisatie van GBDA, in op de samenhang met de verschillende opgaven in het landelijk gebied die al opgenomen zijn in het gebiedsprogramma 1.0. Komende tijd wordt nog veel uitgezocht en uitgewerkt om beter te kunnen duiden hoe en in welke mate de GBDA het beste kan bijdragen aan de verschillende opgaven en vice versa, wat dat betekent voor de uitvoering en hoeveel tijd (en budget) dat vraagt. Natuuropgave In relatie tot de natuuropgave (zie hoofdstuk 8, deel I) bestaat er grote samenhang tot de realisatie en beheer van groenblauwe dooradering, bijvoorbeeld bij de verbetering en versterking van leefgebieden voor doelsoorten. Zo liggen er ook meekoppelkansen voor GBDA en het uitbreiden van het agrarisch natuurbeheer ten behoeve van de instandhouding en het herstel van de boerenlandvogels als onderdeel van de VHR-doelstelling. In Zeeland is de opgave voor meer bos en houtige elementen in 2020 en 2021 in beeld gebracht middels ‘De Zeeuwse bosvisie’ en het Uitvoeringsprogramma Landelijke gebied (UPLG).
Deze opgaven zijn verbreed met de doelen van het NPLG (paragraaf 8.5, deel I). In de Zeeuwse bosvisie zijn kansrijke gebieden aangewezen op kaart voor realisatie van bos en houtige landschapselementen. Deze kansenkaart (zie bijlage) laat gebieden zien die ook mogelijkheden kunnen bieden voor de ontwikkeling van groenblauwe dooradering. Deze kaart kan gebruikt worden als een leidraad en inspiratie voor de realisatie en beheer voor de resterende opgave groene dooradering. Tegelijk wordt gekeken waar met extra beplanting kan worden bijgedragen aan de uitvoering van de Zeeuwse bosvisie. Wateropgave Binnen de wateropgave (hoofdstuk 10, deel I) wordt voor de blauwe maar ook groene dooradering onder andere koppelkansen gezocht bij de uitwerking van maatregelen ten behoeve van het aanvoeren en bergen van zoetwater in het agrarisch gebied en bij het inrichten van bufferstroken voor het beperken van uit- en afspoeling van landbouwgronden. Daarnaast liggen er koppelkansen voor de resterende opgave GBDA met maatregelen binnen het KRW-programma zoals meer ingerichte natuurlijke oevers die in samenhang met natuurlijk peilverloop de biologische waterkwaliteit, maar ook landnatuur en biodiversiteit zullen bevorderen. Klimaatopgave Met name groene dooradering met houtige landschapselementen kan een bijdrage leveren aan de opgave voor koolstofvastlegging.
Ook draagt GBDA bij aan de reductie van broeikasgassen, kan het zorgen voor meer waterberging voor de opvang van pieken en dalen (hoofdstuk 11, deel I). Recreatie en toerisme Recreatie en toerisme vormen een belangrijke sector voor de economie van Zeeland. Natuur zowel op land als aan en onder water, is voor recreërende inwoners en gasten een belangrijk onderdeel van de beleving. Bedrijven in de vrijetijdssector kunnen een betekenisvolle bijdrage aan de Zeeuwse biodiversiteit leveren en zo kunnen koppelkansen voor GBDA gezocht worden binnen de drie pijlers van het ‘Toekomstbeeld bestemming Zeeland 2030’ (paragraaf 9.6, deel I).
11
Plantaardige landbouwsectoren/ natuurinclusieve landbouw Omdat in de provincie Zeeland de plantaardige landbouwsectoren een groot areaal beslaan, zullen deze sectoren een belangrijke rol gaan spelen in de realisatie GBDA, ook bij de veehouderijen liggen kansen. GBDA kan aansluiten bij de opgave voor de gedeeltelijke transitie naar een natuurinclusieve landbouw in bijvoorbeeld zones rond Natura 2000-gebieden (paragraaf 9.4, deel I). Agenda Natuurinclusief Agenda natuurinclusief omvat ook verschillende ambities gerelateerd aan het ontwikkelen van groenblauwe dooradering. Al deze ambities dragen bij aan het vergroten van de biodiversiteit. Zoals het natuurvriendelijke inrichten van bedrijfsterreinen, particuliere terreinen en natuurinclusief bouwen. Ook kunnen sommige (vaar)wegen een ecologische barrière vormen in de verbinding van natuurgebieden of in natuurgebieden zelf. Bij alles wat nu nog wordt gepland of aangelegd / gereconstrueerd wordt ontsnippering meegenomen in de ontwerpen.4 Groenblauwe dooradering is een middel om ontsnippering tegen te gaan.
4
Zeeuwse omgevingsvisie 15.2 Deel B ecologisch berm-dijkbeheer en ontsnippering
12
4. Water en bodem sturend Door water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening, kunnen we in Nederland ook in de toekomst met een ander en grillig klimaat blijven leven, wonen en werken. In een veilige omgeving, met een gezonde bodem en voldoende en schoon water. In de Tweede Kamerbrief van 25 november 20225 ‘Water en Bodem Sturend’ worden de structurerende keuzes per gebied of thema beschreven. Het gaat om 33 concrete structurerende keuzes die deels betrekking hebben op het nationale beleid, maar ook richting geven aan of doorwerking vinden in programma’s van provincies, gemeenten en waterschappen, gebiedsprocessen, bedrijven en burgers. De relevante onderdelen van de structurerende keuzes voor dit gebiedsprogramma worden in dit hoofdstuk benoemd met daarbij een voorstel voor maatregelen, die zijn opgenomen in deel III van het gebiedsprogramma. Water en bodem sturend hanteert een aantal algemene uitgangspunten die bij alle keuzes gelden: 1. Niet afwentelen: a. Op toekomstige generaties b. Naar andere gebieden of functies c. Van privaat naar publiek 2. Meer rekening houden met extremen 3. Samenhangende aanpak wateroverlast, droogte en bodem 4. Meerlaagsveiligheid inclusief laag 4 (snel en klimaatrobuust herstel van schade) en integraal onderdeel (waterbewustzijn) uitwerken voor zowel het hoofdwatersysteem als regionaal watersysteem 5.
Integrale aanpak in de leefomgeving 6. Bodem minder afdekken, minder vergraven en niet verontreinigen 7. Pas toe of leg uit De 33 individuele structurerende keuzes zijn gegroepeerd in zeven hoofdgroepen: voldoende water, schoon en gezond water, ruimte voor water, bodem, laagveengebieden, verziltende kustgebieden en hoge zandgronden. Hierna worden deze per hoofdgroep naar Zeeland vertaald. 4.1 Voldoende water In het provinciale waterhuishoudingsplan 2001-2006 zijn de waterkansenkaarten6 geïntroduceerd als basis voor keuzes rond ruimtelijke ontwikkelingen. In bijlage 3 wordt de totstandkoming van de waterkansenkaarten toegelicht. Op basis de van waterkansenkaarten (die in 2014 zijn herzien) kan richting worden gegeven aan het beleid door enerzijds gewenste ontwikkelingen te stimuleren en anderzijds ongewenste ontwikkelingen te voorkomen. Uiteindelijk moet dit leiden tot afstemming van ruimtelijke ordening en landgebruik, gelet op de mogelijkheden en beperkingen uit hydrologisch en bodemkundig oogpunt. Zo zijn we in staat een efficiënte en duurzame waterhuishoudkundige situatie en een duurzaam gebruik van de bodem te realiseren. Droogte Het ontbreken van wateraanvoermogelijkheden beïnvloedt de veerkracht van het systeem negatief. Neerslag is de belangrijkste - en op veel plaatsen enige - bron van zoet water in de provincie Zeeland.
Dat betekent dat een groter beroep moet worden gedaan op de veerkracht van het systeem. Een balans moet gevonden worden tussen de randvoorwaarden die bodem, water en 5
Bron: https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2022/11/25/kabinet-maakt-water-en-bodem-sturend-bijruimtelijke-keuzes 6 https://kaarten.zeeland.nl/map/waterkansenkaart
13
gebruiksfuncties stellen (een balans tussen neerslag, (zoute) kwel, grondgebruik, drooglegging, waterbehoefte enz.). De veerkracht van het water- en bodemsysteem bij droogte is niet goed in beeld gebracht en vereist nader onderzoek. De externe aanvoer van zoet water heeft blijvende aandacht van de provincie Zeeland. De nodigde infrastructuur en exploitatie daarvan is afhankelijk van de financiële haalbaarheid en de randvoorwaardelijke beschikbaarheid van zoet water. Het financiële vraagstuk is eerder onderzocht in het Zeeuws Deltaplan Zoet Water, toen bleek dit vooralsnog financieel niet haalbaar. Wat betreft de beschikbaarheid van het zoet water is aanvullend onderzoek nodig. Ook is afstemming met Rijk nodig, omdat externe aanvoer schuurt met de beleidsbrief ‘’Water en bodem sturend’’. Ondanks deze onzekerheden wil de provincie Zeeland de mogelijkheid van externe aanvoer met haar partners blijven verkennen. Maximale onttrekking in ruimte en tijd Wateraanvoermogelijkheden in Zeeland ontbreken, zodoende is in het verleden veel aandacht besteed aan de wijze waarop verantwoord omgegaan kan worden met de mogelijkheden die lokaal aanwezige zoetwaterbellen bieden. Het gaat om beperkte hoeveelheden zoet water, daarom is veel gemeten en gerekend aan maximaal te onttrekken volumes.
Bekend is dat - op plaatsen waar tot minstens 15 m diepte zoet grondwater aanwezig is - op jaarbasis een waterschijf van maximaal 80 mm onttrokken kan worden zonder in te teren op de aanwezige voorraden. Recente rekenexercities bevestigen die waarde. Voor dergelijke zoetwatervoorkomens hanteert het waterschap dan ook algemene regels die daarvan uitgaan (zie folder7). Grondwateronttrekkingen De Provincie Zeeland kende in het jaar 2021 dertien heffingsplichtige onttrekkingen waarmee in totaal 8,1 miljoen m3 grondwater werd onttrokken. Het gaat hierbij om twee drinkwaterwinningen, vier industriële onttrekkingen (proceswater) en zeven bronbemalingen (bouwprojecten). Het aandeel van de drinkwateronttrekkingen is hierin met 5,9 miljoen m3 het grootst. Bij beide drinkwateronttrekkingen wordt ook water geïnfiltreerd. In 2021 ging dat om 4,7 miljoen m3. Naast de heffingsplichtige onttrekkingen zijn er ook meldingsplichtige onttrekkingen. Dit betreft voornamelijk onttrekkingen van zoet grondwater met behulp van diepdrains ten behoeve van de landbouw, waarvoor eerdergenoemde algemene regels gelden. Sinds de zoetzoutverdeling van de Zeeuwse ondergrond in beeld is gebracht, is het aantal diepdrains, mede als gevolg van een aantal zeer droge jaren, exponentieel toegenomen (zie figuur 4). Momenteel zijn meer dan 1.300 diepdrains geregistreerd.
Uitgaande van een te bedienen oppervlakte van 10 ha per diepdrain, wordt bij benadering 13.000 ha landbouwgrond beregend vanuit grondwater. De hoeveelheid die onttrokken wordt, zal van jaar tot jaar verschillen, maar kan bij de maximaal toegestane hoeveelheid van 80 mm ruim 10 miljoen m3 op jaarbasis bedragen.
7
https://scheldestromen.nl/sites/scheldestromen.nl/files/Folder grondwater onttrekken def.pdf
14
Fig. 4 Aantal onttrekkingen via diepdrains
Vergroten grondwateraanvulling In de kamerbrief gaat het hier om het vergroten van grondwateraanvulling in bovenstroom gebieden door het dichten van greppels en sloten in verband met sponswerking van de grond. Dit is in Zeeland niet van toepassing. Wel is er grote behoefte aan het vergroten van de grondwateraanvulling en tegengaan van verzilting. Daarvoor kan enerzijds ingezet worden op aanpassingen van het waterlopenstelsel en het gevoerde peilbeheer en anderzijds op het stimuleren van regelbare drainage in percelen. Deze aspecten zijn tevens uitgewerkt in de teksten over zoetwater en de Kaderrichtlijn Water (zie deel I, hoofdstuk 10). 4.2 Schoon en Gezond water De maatregelen, vanuit de KRW Stroomgebiedbeheersplannen 2022-2027, het 7de Actieprogramma Nitraatrichtlijn 2022-2026 (met bijbehorend addendum), de derogatiebeschikking, de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) en uitvoeringsprogramma’s zoals voor reducties van medicijnresten en andere chemische stoffen, worden uitgevoerd. Bij het verbeteren van de waterkwaliteit zetten we in op bronaanpak. Dat gebeurt zowel voor puntbronnen, zoals lozingen uit de industrie en rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s), als voor diffuse bronnen zoals uitspoeling van stoffen in het landelijk gebied. Hiervoor is adequate vergunningverlening, toezicht en handhaving nodig.
Puntlozingen vanuit de industrie en RWZI’s mogen de doelen van de KRW niet in de weg zitten. Het verdient aanbeveling om de bevoegde gezagen te verzoeken alle bestaande lozingsvergunningen te beoordelen op de vraag of nog voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving en of aanpassing nodig is om milieurisico’s afdoende te beperken. 4.3 Ruimte voor water Om de veerkracht van het watersysteem in beeld te brengen is door Waterschap Scheldestromen het proces Planvorming Wateropgave (PWO) doorlopen. Doel is dat alle watersystemen voor de wateroverlastnormering, het peilbeheer (onder normale omstandigheden) en de waterkwaliteit in
15
2027 op orde zijn gebracht. In het PWO-traject is nog geen rekening gehouden met extreme droogte. Provinciale Staten van Zeeland hebben in de Omgevingsverordening Zeeland8 (art. 4.2) vastgelegd aan welke wateroverlastnormen het watersysteem moet voldoen. De normen zijn uitgedrukt in de kans dat het peil van het oppervlaktewater het niveau van het maaiveld overschrijdt (´kans op inundatie vanuit oppervlaktewater´) en hangen samen met het grondgebruik. Zo geldt een norm van eens per honderd jaar voor bebouwd gebied, eens per 25 jaar voor agrarisch gebied en zijn o.a. natuurgebieden vrijgesteld van normering. Het waterschap draagt er zorg voor dat de afvoer- en bergingscapaciteit van de regionale wateren in haar beheergebied uiterlijk in 2027 voldoet aan deze normen. Alle watersystemen in het beheergebied zijn door het waterschap doorgerekend om na te gaan in hoeverre voldaan wordt aan de wateroverlastnormering. Waar dit niet het geval is, wordt nagegaan welke maatregelen redelijkerwijs genomen kunnen worden om het watersysteem alsnog aan de normering te laten voldoen. De uitvoering van de benodigde maatregelen gebeurt zoveel mogelijk integraal en per gebied.