CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

23-085 Bijlage 2. Ingekomen stukken RM

Gemeenteraad 21 september 2023, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Ingekomen stukken gemeenteraad (23-085 MZ/RM/AB)23.749 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Het beheergebied van waterschap Scheldestromen is daartoe opgedeeld in vijftien deelgebieden: Sint Philipsland, Maelstede-Dekker, Noord-Beveland, Schenge, Zak van Zuid-Beveland, Tholen, Walcheren, Schouwen, Duiveland, Zuid-Beveland-Oost, Paal e.o., Campen, Othene, Braakman e.o. en West-ZeeuwsVlaanderen. De gebiedsindeling is weergegeven op afbeelding 4. Meer informatie over een bepaald gebied is te vinden op de website van het waterschap: https://scheldestromen.nl/pwo. Fig. 5 Deelgebieden beheergebied Waterschap

Verder wordt – conform het gedachtengoed van Water Bodem Sturend – biodiversiteit op dijken gestimuleerd en draagt het zoeken naar ruimte voor natuurlijke oevers bij aan de doelen van de KRW en de GBDA. 4.4 Bodem Het uitgangspunt voor de bodem is dat deze benut, beschermd en hersteld moet worden om de natuurlijk aanwezige potentie van de vele bodemfuncties duurzaam te gebruiken. Voor het landelijk gebied is met name het verkrijgen van een vitale bodem belangrijk. Het belang van inzet op duurzaam bodembeheer en een goede bodemkwaliteit zijn doelen die de Provincie Zeeland reeds beschrijft in haar beleid. Het ondersteunen van pilots, projecten en onderzoeken op deze thema’s is van groot belang. Het Rijk wil het water- en bodemsysteem een sturend principe laten worden binnen de ruimtelijke inrichting. Het uitgangspunt is dat de bodem benut, beschermd en hersteld moet worden om de 8

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR613688/10

16

natuurlijk aanwezige potentie van de vele bodemfuncties duurzaam te gebruiken. Vanuit het Rijk wordt ingezet op 2 punten: - Vitale bodems verkrijgen. Hierbij valt te denken aan de volgende componenten: o Goede bodemkwaliteit (fysisch, chemisch en biologisch) o Duurzaam bodembeheer o Minimale verstoring (ontgravingen, afdekking, etc.) - Efficiënte ondergrondse ordening. Hierbij valt te denken aan de volgende componenten: o Regie ruimtegebruik ondergrond en diepe ondergrond o Grondwatervoorraden o Bodemenergiesystemen en geothermie Voor een uitwerking van de twee bovengenoemde punten worden er 6 structurerende keuzes met maatregelen voorgeschreven: - Versterking regie ondergrond: een verplichting voor alle overheden om bestuurlijke afspraken te maken over de inrichting in een ‘gebiedsgerichte programma’s bodem en ondergrond’ - Efficiënt ruimtegebruik: bij verstedelijking en infrastructuur inzetten op beperking van onnodig landgebruik - Vermindering van onnodige afdekking van de bodem: sturing op bodemherstel en inzet op stedelijk groen in bestaand bebouwd gebied - Behouden van waardevolle landbouwgronden: sturing vanuit het Nationaal Programma Landbouwbodems en verankering in het NSP - Hergebruik van grond en tegengaan van bodemverstoring door ontgraving: randvoorwaarden afgraven en grondverzet - Herijking van de aanpak van bestaande en diffuse bodemverontreiniging: middels een

gebiedsgerichte aanpak Concreet betekent het voor het onderdeel bodem dat acties vereist zijn op de volgende punten: - Versterking van regie op de ondergrond. Voor zowel de Rijksoverheid als provincies en gemeenten wordt het ruimtelijk ordenen van de ondergrond verplicht. Rijk en gemeenten ontwikkelen hiervoor een gezamenlijk instrument. - Er worden bestuurlijke afspraken gemaakt met provincies en gemeentes over een paragraaf bodem en ondergrond in de omgevingsvisies, waarin de toekomstige inrichting van de ondergrond wordt beschreven. - Het Rijk geeft vanuit de NOVI het afwegingsprincipe functiecombinaties boven enkelvoudig gebruik mee, als die op termijn vol te houden zijn (4D-ruimtelijke ordening). - Er worden randvoorwaarden aan het afgraven van grond gesteld, waarbij er het liefst alleen beperkt wordt afgegraven waar het civieltechnisch nodig is om bodemverstoring te voorkomen. Grond die toch wordt afgegraven, moet zo hoogwaardig mogelijk hergebruikt worden. De Rijksoverheid borgt dit in de opdrachtverlening voor grondverzet. - Het Rijk herijkt de bestaande aanpak van bestaande en diffuse bodemverontreiniging in het licht van de grote veranderingen van klimaatverandering en woningbouw, met aandacht voor een gebiedsgerichte aanpak bestaande bodemverontreinigingen t.b.v. (her)ontwikkeling, bodemaspecten binnen de VTH, drinkwater en opwarming van de ondergrond.

- Provincies, gemeenten en waterschappen stellen gezamenlijk gebiedsgerichte programma’s bodem en ondergrond op, waarin de doelen uit het Nationale Programma Bodem en Ondergrond worden vertaald. - Beschrijving van een paragraaf Bodem en Ondergrond in de Omgevingsvisie en werken aan een volwaardige afweging van de bodem en ondergrond in de Provinciale Verordening, i.v.m. de provinciale rol op het gebied van grondwater en regie op open WKO-systemen. 17

-

-

Toepassing van de Ladder Duurzame Verstedelijking en daarnaast kijken of aanvullende instrumentarium nodig is om bodemafdekking te verminderen met als uitgangspunt dat waardevolle onafgedekte bodems beschermd worden. Beoordelen of er alternatieven zijn voor het afgraven van grond, zodat er minder ontgraven kan worden. Creëren van vitale bodems, zodat waardevolle bodemfuncties behouden kunnen blijven. Het Rijk stuurt met het Nationaal Programma Landbouwbodems aan op duurzaam bodembeheer van landbouwbodems. Behoud van waardevolle landbouwgronden door het uitwerken van beheersmaatregelen op het gebied van materieel, nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen in het Nationaal Strategisch Plan.

Voor het nemen van geschikte maatregelen moet er rekening gehouden worden met de samenstelling van de ondergrond en het landschap. De verschillende bodemtypes en de geomorfologie van het Zeeuwse landschap laten zien waar bepaalde maatregelen gerealiseerd kunnen worden.

18

Fig. 6 Bodemtype kaart Zeeland

19

Fig. 7 Geomorfologische kaart Zeeland

20

Samenwerking binnen het Zeeuws Platform Bodembeheer Het bovenstaande wordt voor de bodem-onderdelen uitgewerkt binnen de samenwerking van het ambtelijk netwerk van het Zeeuws Platform Bodembeheer. Dit is een vertegenwoordiging van alle Zeeuwse gemeentes, de Provincie Zeeland, de RUD Zeeland, Waterschap Scheldestromen en Rijkswaterstaat, waarbij de Provincie Zeeland als voorzitter is aangewezen. Binnen het Platform is een speciale werkgroep voor Water en Bodem Sturend opgericht. Het nog te publiceren Programma Water en Bodem Sturend van het ministerie van I&W zal hiervoor als leidraad gebruikt worden. Verwachte kosten Voor het landelijk gebied is met name het verkrijgen van een vitale bodem belangrijk. Het belang van inzet op duurzaam bodembeheer en een goede bodemkwaliteit zijn doelen die de Provincie Zeeland reeds beschrijft in haar beleid. Het ondersteunen van pilots, projecten en onderzoeken op deze thema’s is van groot belang. Hier zijn kosten aan verbonden. Voor het stedelijk gebied is het belangrijk om de ondergrond ruimtelijk te ordenen en inzicht te krijgen in de opbouw van de ondergrond. Hiervoor wordt gekeken naar het ontwikkelen van instrumenten als digitale tools, zoals een digital twin, om te ondergrond inzichtelijk te maken.

Het ontwikkelen van digitale ondergrondmodellen, viewers en andere tools kunnen kosten met zich meebrengen, omdat dergelijke opdrachten voor dit soort productontwikkeling vaak uitbesteed moeten worden aan adviesbureaus. De herijking van de bestaande aanpak van bestaande en diffuse bodemverontreiniging raakt het werkveld van vergunningen, toezicht en handhaving (VTH). Dat betekent mogelijk extra inzet van onze omgevingsdienst, de RUD Zeeland. Er moet ook gedacht worden aan de nieuwe EU Bodemrichtlijn (ook wel Bodemgezondheidswet genoemd). Hoewel deze Richtlijn op 7 juni verwacht wordt, is het niet ondenkbaar dat de implementatie en uitvoering van deze Richtlijn ook extra inzet en capaciteit zal vragen van de provincies, gemeentes en omgevingsdiensten. Eventuele strengere eisen voor bodemkwaliteit en het hanteren van normen hiervoor, betekent ook dat er extra toezicht en handhaving nodig is. Binnen de maatregelenpakketten wordt verder ingegaan op de geraamde kosten. 4.5 Laagveengebieden Hier worden in de WBS-brief andere gebieden in Nederland mee bedoeld, maar de maatregelen kunnen wel worden toegepast in Zeeland. In de oude poelgebieden liggen kansen voor stikstofwinst door streefpeilen te verhogen en/of uitzakkende waterpeilen tegen te gaan. Voor de Kapelse en Yerseke Moer zijn dergelijke maatregelen al in voorbereiding.

4.6 Verziltende gebieden Rijk en waterschap kunnen geen nieuwe maatregelen garanderen om verziltende gebieden te voorzien van zoet water van elders. Er zal op termijn vaker sprake zijn van tijdelijke en regionale verzilting. Waterbeheerders agenderen in gebiedsprogramma’s de problematiek van verzilting en werken uit op welke wijze in hun gebied met verzilting op termijn kan worden omgegaan. Watergebruikers wordt gevraagd om zelf maatregelen te nemen om beter bestand te zijn tegen periodes van extreme droogte, watertekorten en verzilting Er blijft wel ruimte voor technische maatregelen voor ontzilting van water, zolang er geen afwenteling van de kosten en milieubelasting plaatsvindt naar de toekomst, naar andere gebieden of van privaat naar publiek.

21

Deze boodschap heeft grote impact op Zeeland. Maar Zeeland kent jaarrond nog een neerslagoverschot, het water valt soms op het verkeerde moment (buiten het groeiseizoen). Tevens zijn we in het Zeeuwse met innovatieve ingrepen en projecten in staat om de verzilting te vertragen en wél perspectief te bieden. Deze maatregelen zijn opgenomen in het maatregelenpakket en betreffen: - Zoetwatervoorziening Reimerswaal: het project Reigerbergsche polder kan worden vergroot van 1.000 ha naar 4.500 ha (zie paragraaf Zoet water) - Slimmer omgaan met het zoete water wat beschikbaar is: o Vermindering ontwatering door diepe sloten: het aanpakken van zoet-zout lekkages (zie paragraaf 10.1, deel I) o Voorkomen van menging zoet met zout - Opwaarderen suboptimale zoetwaterstromen in de Zeeuwse industrie door met een extra zuiveringsstap water uit de industrie te hergebruiken door de bedrijven zelf (vermindert de vraag) of andere sectoren. Geografisch gezien liggen deze sectoren niet altijd dicht bij elkaar en door het jaar heen fluctueert vraag en aanbod per sector. Dit vraagt om twee aanvullende maatregelen: transport/distributie van water en opslag/buffering van water (collectief of individueel). - Opwaarderen sub optimale waterstromen (deel hergebruik effluent RWZI door een vierde trap nazuivering uit te voeren). - Ondergrondse waterberging onder kleilaag.

- Beter benutten van het watervasthoudend vermogen van de bodem door regelbare drainage: hiermee wordt het grondwaterpeil aangevuld en onststaan mogelijkheden voor afvang in bassins of onder kleilagen. - Slim meetnetwerk real-time (bv. EC om slimmer te sturen): levert inzicht op voor snelheid verzilting maar tevens waar maatregelen zoals het verminderen van ontwatering door sloten het meest effectief zijn. Overige nader te bepalen waterkwaliteitsparameters kunnen in dit meetnetwerk worden meegenomen. - Verkennen van mogelijkheden om kwelbelasting te beperken door aanleg van een kwelscherm of inrichting van een kwelzone. 4.7 Hoge zandgronden Feitelijk worden hier de zandgronden van Nederland bedoeld, maar de maatregel kan ook van toepassing zijn in delen van Zeeland. Het gaat dan om het bestrijden van verdroging door het verhogen van het grondwaterpeil. Dit hangt samen met het idee van grondwateraanvulling. Hierbij moeten we onderscheid maken tussen infiltratie- en kwelgebieden.

In infiltratiegebieden kan peilverhoging in het waterlopenstelsel gecombineerd worden met via regelbare drainage verhoogde grondwaterstanden om de zoetwatervoorraden te vergroten en het uitzakken van grondwaterstanden te beperken (verdrogingsbestrijding) en in kwelgebieden kunnen met regelbare drainage verhoogde grondwaterstanden helpen bij het vergroten van zoetwaterlenzen in de percelen (verziltingsbestrijding). 4.8 Klimaatadaptatie De water en bodem sturend brief komt voor het overgrote deel overeen met de keuzes die in de Klimaatadaptatiestrategie Zeeland 2021-2026 (hierna: KasZ) zijn opgenomen. In de KasZ hebben de overheden (gemeenten, Rijk, Waterschap en Provincie) vastgelegd hoe we ons in Zeeland aanpassen aan het veranderende klimaat en omgaan met de gevolgen daarvan. Doel van de KasZ is – in lijn met de doelstellingen van het Zeeuws Deltaplan Zoet Water - een klimaatbestendig en waterrobuust Zeeland in 2050. In de KasZ zijn de effecten van 4 klimaateffecten (wateroverlast, droogte, hitte en overstromingsrisico) vertaald naar een aantal thema’s: 1)

22

Overstromingen, 2) Vitale en kwetsbare infrastructuur, 3) Natuur, 4) Landbouw, 5) Bebouwd gebied en 6) Recreatie. Uitgangspunt is dat ‘beleid klimaatadaptief moet zijn’. Bij de structurerende keuzes wordt meegewogen of hetgeen dat wordt gekozen, standhoudt onder extreme weersomstandigheden (van 2050). De keuzes voor Zeeland zijn in hoofdstuk 4 van de KasZ vastgelegd. Deze worden als uitgangspunten overgenomen. Een overzicht van de keuzes van de KasZ zijn opgenomen in bijlage 4. In groen is aangegeven welke direct van toepassing zijn op het gebiedsprogramma. De andere kunnen in meer of mindere mate ook relatie hebben, afhankelijk van het gebied en de aard van de afspraak. In het ‘Startdocument Gebiedsproces Natuur en Stikstof’ en het ‘Gebiedsprogramma 0.5’ zijn onderdelen over klimaatadaptatie opgenomen. In de water en bodem sturend brief is klimaatadaptatie een sturend principe. Belangrijk is om in de volle breedte rekening te houden met het veranderende klimaat en dat ook daarop keuzes worden gebaseerd. Bij de keuzes en maatregelen in het gebiedsprogramma moet daarom niet alleen gekeken worden naar de huidige situatie van het systeem. Ook moet de situatie in 2050 en verder mee worden genomen/gewogen.

Dragen de keuzes die nu gemaakt worden bij aan het doel waar we uiteindelijk in die periode willen zijn én hebben we dan een functionerend systeem (natuur, landbouw, recreatie etc.) in het dan heersende klimaat. Om de komende jaren te blijven werken aan het uitdragen van de boodschap in relatie tot een breed klimaatbewustzijn is de campagne ‘Het klimaat verandert, Zeeland verandert mee’ uit te dragen. Overstromingen Een versnelde zeespiegelstijging zorgt ervoor dat de ruimte die nodig is voor onze waterveiligheid steeds groter en omvangrijker wordt. In de komende tijd zullen we die ruimte ook middels een reservering moeten gaan aangeven, zodat er géén ontwikkelingen meer kunnen plaatsvinden die strijdig zijn met noodzakelijk geachte maatregelen in kader van de waterveiligheid. De verzilting zal in de gebieden die benodigd zijn voor onze waterveiligheid, naar verwachting ook verder toenemen wat gevolgen zal hebben voor het huidige gebruik. Het is belangrijk om in deze gebieden stil te staan bij de mogelijke meekoppelkansen voor natuur, wateropslag etc. in combinatie met het vergroten van de waterveiligheid ter plaatse. In de toekomst wordt integraal gekeken bij dijkversterkingsopgaven. Ook is er gebiedsgericht maatwerk nodig, dat kansen biedt aan innovatieve concepten zoals brede waterkerende landschappen en steden.

Natuur/bodem Door het versneld realiseren van het NNZ kunnen de negatieve klimaateffecten op de Zeeuwse natuur beter worden opgevangen. Het robuuster inrichten van een regionaal water- en bodemsysteem is nodig voor het opvangen van extremen. Maatregelen met betrekking tot het regionaal bodemwatersysteem vragen om een brede samenwerking en gebiedsgerichte, integrale aanpak. Ook buiten de grenzen van natuurgebieden moet in natuur geïnvesteerd worden om ecosystemen overeind te houden en de achteruitgang van biodiversiteit te stoppen. Dit vraagt om een natuurinclusieve benadering van de andere aandachtsvelden in de KasZ en het “verweven” van functies en sectoren.

23

Landbouw De Zeeuwse landbouw is in 2050 volhoudbaar9. Wanneer niet geïnvesteerd kan wordt in aanpassingen voor de veranderende omgeving, zal de gevoeligheid voor klimaatverandering en het risico op oogst-, teelt- en bodemstructuurschade toenemen. Cruciale elementen voor de agrarische sector zijn een robuust watersysteem, een goede bodemkwaliteit en een klimaatadaptieve bedrijfsvoering. Het pakket van maatregelen van de KRW is noodzakelijk om uitspoeling van nutriënten naar het oppervlaktewater te beperken. Klimaatadaptatie en (eco-)systeemdiensten worden verankerd in agrarisch stimulerings- en studiebeleid. Daarnaast worden de mogelijkheden verkend voor een klimaatadaptieve aanpak van de Zeeuwse grondbank. Overige aandachtsgebieden vanuit de KasZ Het landelijk gebied wordt doorkruist met vitale infrastructuur. Daaraan worden binnen het kader van water en bodem sturend ook de nodige eisen gesteld. De recreatiesector is een belangrijke functie die veelal in het landelijk gebied gevestigd is en/of gebruik maakt van het landelijk gebied. Voor deze functies en ook voor het stedelijk gebied (de contramal) geldt op gebied van klimaatadaptatie dat deze niet los gezien kunnen worden van het landelijk gebied. Ze kunnen direct invloed uitoefenen op het landelijk gebied als bijvoorbeeld vitale infrastructuur een specifieke inrichtingseis krijgt. Daarnaast kunnen ze elkaar ook versterken.

4.9 Tot slot De in dit hoofdstuk voorgestelde maatregelen als gevolg van water en bodem sturend en ons beleid ten aanzien van klimaatadaptatie zijn verbonden met het landelijk gebied. De maatregelen dragen dan ook bij aan de sectorale opgaven vanuit water en bodem sturend en klimaatadaptatie maar zeker ook integraal aan de opgaven in het landelijk gebied uit deel I van het gebiedsprogramma. Deze bijdragen zien toe op zoet water, de KRW, de GBDA en stikstof. In onderstaande tabel is aangegeven of de maatregelen al dan niet bijdragen aan de relevante thema’s:

9

Ambitie voor volhoudbaar (bron: Omgevingsvisie): het creëren van zoveel mogelijk meerwaarde. Meerwaarde die ontstaat door een samenhangende integrale benadering van bodem (vruchtbaarheid), beheer (zoet) water, biodiversiteit en landschap in combinatie met het (kosten-)efficiënter boeren.

24

Maatregel Slim real-time meetnetwerk (W1) Zoetwatervoorziening Reimerswaal (W2) Ondergrondse wateropslag -> diepere ondergrond (W3) Regelbare drainage (W4) Slimmer omgaan met het zoete water wat beschikbaar is (W5): a. Drainerende sloten b. Voorkomen van menging zoet met zout c. Kwel afvangen middels kwelscherm- of –zone d. Opvang HWA in kernen en hergebruik Opwaarderen suboptimale zoetwaterstromen RWZI’s (W6) Opwaarderen suboptimale zoetwaterstromen uit industrie (W7)

Voldoende water Ja Ja

Schoon en gezond water Ja ja

Ruimte voor water ja Ja

Bodem

Hoge zandgronden Nee Nee

Veengebieden

KRW

GBDA

Stikstof

Ja Nee

Verziltende kustgebieden Ja Ja

Nee Nee

Ja Ja

Ja Ja

Ja Ja

ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Nee

Nee

Nee

Nee

Ja

ja

Nee

Ja

Ja

Ja

Nee

Nee

Ja

Nee

ja

Ja

Nee

Ja

Ja

Ja

Nee

Nee

Nee

Nee

Ja

Ja Ja

Nee Nee

Nee Nee

Nee Ja

Ja Ja

Nee Nee

Nee Nee

Nee Ja

Nee Nee

Ja Ja

Ja

Ja

Ja

Nee

Ja

Nee

Nee

Ja

Nee

Ja

ja

Ja

Nee

Nee

Ja

Nee

Nee

Ja

Nee

Ja

Ja

Ja

Nee

Nee

Ja

Nee

Nee

Ja

Nee

Ja

Tabel 4 Maatregelen i.r.t. relevante thema’s

22

Bijlage 1. Uitleg landschapselementen ((Bij1210 en Bosvisie): Houtwal en houtsingel: een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement, al dan niet groeiend op een aarden wal, met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en/of struiken. De begroeiing wordt als hakhout beheerd. De houtwal/singel is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed. Elzensingel: De elzenmeten zijn een oude landbouwvorm waarbij elzensingels en akkers werden afgewisseld. De elzen werden regelmatig gekapt en gebruikt als brandhout (hakhoutbeheer). De elzensingels deden daarnaast dienst als perceelafscheiding en het afgevallen blad voegde nutriënten toe aan de schrale zandgrond. In de Kop van Schouwen zijn nog enkele restanten van elzenmeten te vinden. Vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten eenrijig landschapselement dat grotendeels bestaat uit zwarte els en als hakhout wordt beheerd. Een elzensingel is minimaal 25 meter lang. Bomenrij en solitaire boom: Bomen en struiken die her en der in het landschap voorkomen. Ze zijn er soms spontaan gekomen en op andere plekken bewust geplant. Een voorbeeld daarvan is bijvoorbeeld de grenslinde die soms als bakenboom werd aangeplant bij wegsplitsingen of dijkdoorbraken in het landelijk gebied.

In het kader van de Zeeuwse bosvisie levert dit wellicht een kleine bijdrage, maar des te hoger is hun landschappelijke en ecologische meerwaarde en daarom zeker het benoemen waard. Het is een vrijliggend landschapselement van inheemse loofbomen dat niet kan worden gerangschikt onder andere beheertypes van de index van Bij12. Solitaire bomen of een groep of rij staande op of langs landbouwgrond. De bomenrij is minimaal 50 meter lang en bestaat uit minimaal 8 bomen per 100 meter. Natuurvriendelijke oevers: aaneengesloten oever langs een bestaande waterloop, in de vorm van een plas- of drasberm of flauw talud (minimaal 1:3) met een begroeiing van inheemse planten. De oever heeft een breedte van tenminste 3 meter en maximaal 10 meter en heeft een minimale lengte van 25 meter. Struweelhaag, bosschages en duinstruweel. Een omheining van struikvormers. In het landschap zijn dit vaak wilder uitgegroeide varianten. Ze zijn vaak geplant op erfgrenzen en dragen bij aan het kleinschalige karakter van een landschap. Elke streek kent zijn eigen kenmerkende haag met soorten die geschikt zijn voor de lokale groeiomstandigheden. De landschapselementen die bij dit type horen zijn vrij divers: In Zeeland is dit de Zeeuwse haag die onder andere bestaat uit meidoorn, hondsroos en sleedoorn, en duinstruweel bestaande uit duindoorn, tot aan wilgenstruweel.

Het is een vrijliggend lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige, struiken. Een struweelhaag is minimaal 25 meter lang. Hagen die minimaal eenmaal per 3 jaar worden gesnoeid horen tot een beheertype knip- of scheerheg. Knip- en scheerheg; Een vrijliggend lijnvormig landschapselement, met een aaneengesloten begroeiing van inheemse bomen en/ of struiken, dat wordt geknipt of geschoren. Een knip/scheerheg is minimaal 25 meter lang en kan periodiek gevlochten worden. Knotboom: is een inheemse loofboom (wilg, populier, es, els, eik en haagbeuk), waarvan de stam periodiek op een hoogteban minimaal 1,0 meter boven maaiveld wordt afgezet (geknot). Knotbomen worden aangetroffen als solitaire boom, in rijen of in kleine groepje. Een kleine groep bestaat uit maximaal 20 bomen. Op ca 1,5 - 2 meter hoogte worden ze afgezaagd (geknot). Vervolgens wordt de boom iedere 3 - 6 jaar geknot door de nieuwe uitlopers weg te halen. Vroeger 10

Landschapselementtypen - BIJ12

23

waren de wilgen bestemd voor de productie van wilgentenen, maar tegenwoordig is de vraag hiernaar sterk afgenomen. Oude knotbomen kennen een grote ecologische waarde omdat vogels en vleermuizen de holtes in de knot gebruiken om in te nestelen en zich in te verschuilen Poel en klein historisch water: doorgaans een geïsoleerd stilstaand water dat gevoed wordt door grond- en/of regenwater. Een poel mag in verbinding staan met sloten of greppels wanneer sprake is van een natuurlijke eenheid die vrij afwatert. Veenputten mogen in verbinding staan met het slotenstelsel in het gebied. Het element heeft een oppervlakte van minimaal 0,5 en maximaal 50 are. Sloten behoren niet tot dit beheertype.

24

Bijlage 2. Waar is GBDA mogelijk in Zeeland? Kaarten komen uit de Zeeuwse Bosvisie en Atlas van Zeeland. Hieronder is de kansenkaart Zeeuwse bosvisie weergegeven.

25

Fig. 8 t/m 12 Kaarten Zeeuwse Bosvisie

26

Bijlage 3. Waterkansenkaarten – totstandkoming Totstandkoming waterkansenkaarten Bij het combineren en bewerken van gegevens voor de productie van de waterkansenkaarten is gebruik gemaakt van een Geografisch Informatiesysteem. Van alle te gebruiken gegevens is een afzonderlijke kaartlaag gemaakt, waarin de ruimtelijke informatie is vastgelegd in een vierkantennetwerk met cellen van 25*25 meter. De GRID-module van Arc/Info maakt het mogelijk de gewenste combinaties en bewerkingen met de verschillende kaartlagen snel uit te voeren. Onderstaand een toelichting op de gebruikte kaartlagen. Basiskaarten Natuurlijke randvoorwaarden Van de natuurlijke randvoorwaarden die bepalend zijn voor de hydrologische processen in en het gebruik van onze omgeving zijn de volgende kaartlagen aangemaakt: - Maaiveldshoogte - Bodemopbouw ingedeeld in zes categoriën - Geologie, met als deelkaarten: - Dikte slecht doorlatende deklaag - Dikte Hollandveen Huidige situatie Bij de samenstelling van de waterkansenkaarten worden genoemde natuurlijke randvoorwaarden als basis gebruikt. De mogelijkheden en beperkingen vanuit huidig gebruik en inrichting zijn in eerste instantie zo veel mogelijk buiten beschouwing gelaten. Een aantal gegevens is echter zo bepalend voor de verdere gebruiksmogelijkheden dat deze toch zijn meegenomen.

Dit betreft de begrenzingen van: - Stedelijk gebied - Natuurgebieden - Hoofdafwateringsgebieden Watersystemen Voor een deel van de uit te werken kansenkaarten kan niet volstaan worden met de 'kale' basiskaarten. Om een globaal inzicht te krijgen in de huidige hydrologische situatie zijn door combinatie van verschillende basiskaarten twee watersysteemkaarten aangemaakt. Eén daarvan geeft een indicatie van de kwelintensiteit en de ander van de ontwikkelingsmogelijkheden van zoete grondwatervoorraden. Kwelintensiteit Zoute kwel is een factor die in Zeeland sterk bepalend kan zijn voor de gebruiksmogelijkheden van gronden. Om een redelijke indicatie van de kwelintensiteit te kunnen geven is een globale relatie gelegd met de geldende grondwaterstromingsformules. Hierin zijn buitenwaterpeil (NAP), afstand uit de kust, doorlatendheid van de ondergrond, dikte van de deklaag en maaiveldhoogte verwerkt. Zoetwatervoorraden Als gevolg van genoemde zoute invloeden is de rol van het zoete water in Zeeland beperkt. Toch is de behoefte aan zoet water, met name in de landbouw, groot. Het is daarom van belang zo goed mogelijk aan te geven waar zoet water verwacht kan worden of waar de mogelijkheden voor de ontwikkeling van zoete grondwatervoorraden het grootst zijn.

27

Om tot dit beeld te kunnen komen is een praktische benadering gevolgd, waarbij de mate waarin ontwikkeling van zoetwaterbellen verwacht kan worden, afhankelijk is gesteld van de afstand uit de kust, maaiveld hoogteligging en dikte van de deklaag. Kansenkaarten Aan de hand van de gegevens uit de basiskaarten zijn kansenkaarten geproduceerd voor het landelijk gebied, het stedelijk gebied en voor het thema wateroverlast. 1) Landelijk gebied [invulling 'ontwikkelrichting van de landbouw'] De kansenkaart voor het landelijk gebied schetst een beeld van de locaties waar welk grondgebruik op grond van de natuurlijke omstandigheden het meeste perspectief biedt. Gelet op het overwegend landbouwkundige gebruik van het landelijk gebied zijn de landbouwkundige mogelijkheden als uitgangspunt genomen.

De veelheid aan landbouwkundige teelten is daarbij, op basis van vergelijkbare eisen aan bodem en water, beperkt tot de volgende vijf clusters: - intensieve teelten - fruitteelt - akkerbouw - weidebouw - mariene teelten Verder is gebruik gemaakt van de volgende basiskaarten: - Bodemkaart - Kwelkaart - Infiltratiekaart - Natuurgebieden - Bebouwd gebied Voor de indeling naar landbouwkundige geschiktheid is in eerste instantie uitgegaan van het bodemtype, waarbij steeds een drietal hydrologische randvoorwaarden is onderscheiden: Basis: met goede hydrologische randvoorwaarden Kwel: met zoute kwel tot in wortelzone Zoet: met voldoende zoet grondwater voor beregening Op basis van expert judgement is een waardering gegeven aan de mogelijkheden die een bepaalde combinatie van bodemtype en hydrologische omstandigheden de onderscheiden teelten biedt. Vervolgens is voor de ruimtelijke toedeling van de teelten de volgende prioriteitsvolgorde bepaald aan de hand van kapitaalsintensiteit van de gewassen: Intensief - Fruit - Akker - Weide - Marien Uiteindelijk is een overall-beoordeling gegeven, waarin de ruimtelijke toewijzing van de teelten stapsgewijs is vastgelegd en gevisualiseerd op de kansenkaart. 2) Stedelijk gebied Van oudsher werden steden en dorpen gebouwd op van nature geschikte locaties: relatief hooggelegen met een zandige ondergrond.

In de afgelopen decennia zijn deze logische criteria hoe langer hoe meer uit het oog verloren. In principe hoeft dat geen probleem te zijn zolang er maar rekening gehouden wordt met de randvoorwaarden die een bepaalde locatiekeuze met zich meebrengt. Dit laatste is met name op hydrologisch gebied nogal eens vergeten. Bouwen op laaggelegen locaties, waarbij ook nog eens sloten gedempt worden, is vragen om moeilijkheden (en die bleven dan ook niet uit). Om aan te geven in welke richting stedelijke uitbreiding uit (geo)hydrologisch oogpunt het best gezocht kan worden, is door combinatie van drie criteria een

28

kansenkaart gemaakt die een indicatie voor de mate van geschiktheid voor stedelijke uitbreiding geeft. De gebruikte criteria zijn: - Infiltratiemogelijkheden: De mogelijkheden voor infiltratie worden beoordeeld op drie factoren, te weten: dikte van de deklaag, indicatie kwelintensiteit en ontwikkelingsmogelijkheden voor zoetwatervoorraden. - Zettingsgevoeligheid: De gevoeligheid is beoordeeld op een combinatie van de factoren dikte kleiige deklaag, dikte hollandveen en bodemopbouw. - Waterhuishouding: Locaties waar sprake is van een verhoogd risico op wateroverlast zijn aangegeven op basis van kwelintensiteit, relatieve hoogteligging en bodemopbouw. De kansenkaart stedelijk gebied dient als handvat voor met name gemeentes bij stedelijke uitbreidingsplannen. Hoe lager de mate van geschiktheid van een uitbreidingslocatie op de kansenkaart ingeschat wordt, hoe hoger de kosten zullen worden om de betreffende locatie bouwrijp te maken. In de voorbereidende fase zullen voor de minder geschikte locaties uitgebreidere studies uitgevoerd moeten worden naar de wijze waarop de hydrologische en bodemkundige randvoorwaarden in de uitbreidingsplannen ingepast kunnen worden. 3) Beperking wateroverlast: [invulling 'waar en hoe water vasthouden'] De afgelopen jaren zijn we verschillende malen geconfronteerd met neerslaghoeveelheden die niet door de huidige systemen verwerkt konden worden.

Dit heeft geleid tot een grote maatschappelijke druk om te werken aan maatregelen ter beperking/voorkoming van wateroverlastsituaties. Gebiedsgerichte oplossingen kunnen gezocht worden in vergroting van de afvoercapaciteit (gemalen en waterlopen), vergroting van de berging in het systeem of een bewuster gebruik van het bestaande stelsel. In het kader van de waterkansenkaart worden deze laatste twee opties verder uitgewerkt. De risico's op wateroverlast kunnen beperkt worden door: - Het water uit relatief hooggelegen gebiedsdelen vertraagd af te voeren door compartimentering binnen het afwateringsstelsel, - Gecontroleerde overstromingsgebieden te realiseren in relatief laaggelegen gebiedsdelen die kapitaalsextensief zijn en - De afvoer uit grotere aaneengesloten natuurgebieden tijdelijk op te houden. De zoeklocaties voor beide eerstgenoemde gebieden zijn weergegeven op een kansenkaart die per afwateringsgebied een beeld geeft van de relatieve hoogteligging. De beste mogelijkheden voor berging en retentie zijn te vinden in resp. de 10%-laagst en 10%-hoogstgelegen delen. Vanwege de beperkte mogelijkheden met kleine geïsoleerd liggende laagtes en hoogtes, wordt tevens de ligging van de 25%-laagst en 25%-hoogstgelegen delen aangegeven. Voor de grotere aaneengesloten gebieden kunnen de mogelijkheden voor berging of retentie vervolgens nader onderzocht worden.

De gevolgen van wateroverlastsituaties kunnen zoveel mogelijk beperkt worden door ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen in relatief lage gebieden te voorkomen.

29

Bijlage 4. Afspraken vanuit de KasZ Overstromingen: Laag 0:  We stellen uitgangspunten op voor aangepast bouwen en ontwikkelen in buitendijkse gebieden en leggen deze vast  We hanteren het afwegingskader en formuleren handelingsperspectieven voor buitendijkse ontwikkelingen en bestaande functies Laag 1:  We werken aan integrale planontwikkeling dijkversterkingstrajecten t.b.v. brede waterkerende landschappen o Onderzoek naar mogelijkheden voor innovatie, meervoudig ruimtegebruik van de primaire waterkeringen en gebiedsgericht maatwerk, zodat randvoorwaarden algemeen geaccepteerd worden als aanvulling op de waterveiligheidsfilosofie  Aanvullende reserveringszones o.b.v.

inzicht versterkingsopgaven worden aangewezen en vastgelegd  We lobbyen richting het Rijk voor integrale benadering en planontwikkeling dijkversterking Laag 2:  We wijzen gebieden aan waar de ontwikkeling van kwetsbare functies wordt voorkomen of waar aangepast bouwen of inrichtingsmaatregelen noodzakelijk zijn  Bij regulier beheer, onderhoud en renovatiemaatregelen van voorzieningen in overstromingsgevoelige gebieden treffen we maatregelen Laag 3:  We versterken de communicatie en het bewustzijn rondom crisisbeheersing op basis van een handelingsperspectief  We starten een Zeeuws breed onderzoek en de uitvoering van een wegenstelsel ten behoeve van crisisbeheersing  We verkennen het benutten van (nieuwe) objecten voor opvang bij crisisbeheersing Vitale infrastructuur:  Bij nieuwe vitale en kwetsbare functies krijgt klimaatadaptatie een nadrukkelijke rol in het besluitvormingsproces  We brengen de klimaatopgave specifieker in beeld: o Uitvoeren stresstest bij bestaande V&K functies met betrokken partners o We maken de bestaande situaties bij nutsbedrijven inzichtelijk  We koppelen klimaatadaptatie aan de beheer- en onderhoudscycli van bestaande V&K functies  Gezamenlijk stellen we een uitvoeringsprogramma voor V&K functies op en we werken gezamenlijk aan de uitvoering ervan Natuur:  We zetten een plus op het versneld afronden van het provinciale Natuurnetwerk  We

herstellen en richten een robuust bodem- watersysteem in door het opstarten van een integrale gebiedsgerichte aanpak  We optimaliseren inrichting en beheer van bestaande en nieuwe natuurgebieden  We bouwen meer kennis en inzicht op over klimatologische effecten op soorten en leefgebieden

Een natuurinclusieve benadering wordt voor overheid en private partijen een vast onderdeel bij (plan)ontwikkeling en beheer

30

   

We versterken natuur buiten het provinciale natuurnetwerk en we verbinden noodzakelijke bestaande natuurgebieden binnen Zeeland We realiseren overgangszones rondom bestaande en nieuwe natuur We stimuleren agrarische functionele (agro)biodiversiteit We behouden buitendijkse natuur en ontwikkelen alternatieven

Landbouw:  We richten watersystemen robuust in door het opstarten van een integrale gebiedsgerichte aanpak op basis van de uitkomsten van het Zeeuws Deltaplan Zoet water  We concretiseren en operationaliseren het ten minste behouden en waar mogelijk vergroten van zoet waterbellen  In gebieden waar specifieke vormen van bedrijfsvoering of teelten niet ondersteund kunnen worden is een transitie naar een andere innovatieve bedrijfsvoering of andere functie onvermijdelijk  We blijven inzetten op het maatregelenpakket Kaderrichtlijn Water  We zetten een kennisplatform op voor bodemkwaliteit en volhoudbare landbouw  We zetten in op het verbeteren van de bodemstructuur t.b.v.

het opvangen van weersextremen  We verankeren klimaatadaptatie en (eco-)systeemdiensten in agrarisch stimulerings- en studiebeleid  We verkennen de mogelijkheden voor een klimaatadaptieve aanpak van de Zeeuwse grondbank Bebouwd gebied:  We zetten de beleidslijn Stedelijke Wateropgave voort binnen de SAZ+  We zetten een onderzoeksprogramma op om meer inzicht te krijgen in de risico’s van hitte en droogte in relatie tot stedelijk groen en zettingen in het stedelijk gebied  In regioverband brengen we binnen deze eerste beleidscyclus de klimaatopgave in het stedelijk gebied in beeld  We ontwikkelen ‘altijd goed’ maatregelen en zetten deze in, wanneer de volledige klimaatopgave in een gebied nog niet in beeld is gebracht.  We voeren alle ingrepen in het bebouwd gebied klimaatbestendig uit en geven invullen aan de bestaande klimaatopgave  We haken bij het oplossen van de klimaatopgave zoveel mogelijk aan bij natuurlijke momenten.

Vanuit de eigen bevoegdheden wordt afgewogen waar eerder ingegrepen wordt  We ontwikkelen samen een Zeeuws ‘Afwegingskader Klimaatadaptatie’ voor alle nieuwe ontwikkelingen, inclusief herstructurering, groot onderhoud en renovatie  We doen een klimaatcheck bij kleine onderhoudsmaatregelen  We gaan bij maatregelen voor klimaatadaptatie altijd na of er meekoppelkansen zijn vanuit andere opgaven  We gaan door met particulieren bewust te maken en te stimuleren maatregelen op eigen terrein te nemen. Op Zeeuws niveau vindt hierover afstemming plaats  We gaan in regioverband in gesprek met de woningbouwcorporaties om afspraken te maken over het invullen van de klimaatopgave  We blijven het vergroenen van schoolpleinen ondersteunen Recreatie:  We maken een overzicht van maatregelen die bijdragen aan een klimaatadaptieve inrichting en bedrijfsvoering  We helpen ondernemers in te spelen op het nieuwe klimaat: 31

We starten pilotprojecten voor het klimaatadaptief inrichten van de buitenruimte We brengen de opgave in beeld en vertalen dit naar de wensen en eisen van de recreatieve sector o We stellen een programma op voor kennisdeling en –ontwikkeling voor klimaatadaptief handelen o We verbreden het aanjaagprogramma met het onderdeel klimaatadaptatie We waarborgen de kwaliteit van zwem- en drinkwater We onderzoeken hoe maatregelen die bijdragen aan het verminderen van de gevolgen van extreem weer bij evenementen kunnen worden opgenomen in het gemeentelijk beleid waarop vergunningen worden verleend. We koppelen de campagne ‘Het klimaat verandert, Zeeland verandert mee’ aan bewustwording binnen de toeristische sector We stellen een gezamenlijk fonds op om recreatieve zandsuppleties mogelijk te maken, aanvullend op zandsuppletie in het belang van waterveiligheid o o

 

 

Algemeen:  De komende 6 jaar zijn communicatie en het creëren van draagvlak een belangrijk speerpunt binnen de KasZ. Provincie, waterschap en gemeenten dragen gezamenlijk actief dezelfde boodschap uit  We (Provincie, waterschap en gemeenten) continueren de goede regionale samenwerking op het gebied van communicatie en klimaatadaptatie  In 2021 werken we de gezamenlijke communicatiestrategie verder uit. De strategie is zowel intern (eigen organisaties) als extern (inwoners, bedrijven, instellingen en organisaties) gericht  We stellen een gezamenlijke uitvoeringsagenda vast en stellen de benodigde middelen beschikbaar  We evalueren het uitvoeringsagenda jaarlijks en stellen deze bij waar dat nodig is  We evalueren de strategie elke 6 jaar

32

COLOFON Uitgave: Provincie Zeeland Vormgeving: Provincie Zeeland Fotografie: Provincie Zeeland Contact: provincie@zeeland.nl Bezoekadres: Provinciehuis, Abdij 6 4331BK Middelburg

www.zeeland.nl / G provinciezeeland / U provzeeland

Zeeuws gebiedsprogramma 2023 DEEL 3 MAATREGELPAKKETTEN

CONCEPT

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13066141/2