23-030 Bijlage 1. toelichting en regels VG01 1e herziening Hazenburg 2 Arnemuiden
Tekst van het document
De volgende 15,70 m in westelijke richting besloegen verschillende sporen (S39, 40, 45, 46) die dagzomende lagen van een sloot leken te vormen. In de lange coupes werd duidelijk dat S39 een recente drain betrof en dat S38 zich nog iets verder naar het westen heeft uitgestrekt, dat S40 een smal greppelspoor (?) betrof en dat de sporen S45 en S46 twee afzonderlijke slootsporen waren, respectievelijk 70 en 80 cm diep. De greppelsporen en slootsporen brachten geen aardewerk op, waardoor de datering onduidelijk blijft. Zij lijken niet echt recent en kunnen ook in de nieuwe tijd A of B maar ook in de middeleeuwen dateren.
In hetzelfde lengteprofiel lijkt het alsof er sprake is van twee restgeulen op de kreekrug. De oostelijke bermsloot van de weg bevindt zich ter hoogte van een restgeul. Onder de voormalige weg is geen vulling van een restgeul aanwezig en de westelijke bermsloot ligt aan de oostzijde van een tweede restgeul. In de sleuf waren zowel ten westen als ten oosten van het spoor van de restgeulen en de oude weg ook sporen van sloten aanwezig (S77 en S80). Hun heterogene, rommelige
In de zone tussen de sporen S46 en S40 lagen drie paalsporen die recent bleken te zijn. Dit geldt ook voor het noord-zuid verlopende greppelspoor S47, waarin ook resten van een 28
Fig. 18. De allesporenkaarten van proefsleuven P4 en P9. Blauw: greppel-/slootsporen, bruin: resten oude weg (?), geel en roze: sedimentatielagen, zwart gearceerd: recente sporen. Onderin een foto van het zuidprofiel van proefsleuf P9 met slootsporen aan weerszijden van de weg..
vier scherven van grijsbakkend aardewerk opleverde. Het greppelspoor oversnijdt het smallere greppelspoot S110. Grofweg parallel aan S110 liep 6,30 meter verder naar het noorden het greppelspoor S112. Beide sporen zijn niet gecoupeerd.
vulling met ook kiezel en baksteenfragmenten als insluitsels maken duidelijk, dat ook deze sporen tot redelijk recente tijden open hebben gelegen. Bij de projectie op de bodemkaart vallen beide noordwest-zuidoost verlopende sporen grofweg samen met in 1949 (Bennema en Van der Meer 1953) gekarteerde sloten (zie fig. 20).
Tussen de beide slootsporen, in de zuidelijke helft van de sleuf, kwamen drie kuilsporen voor: S103, S104 en S105. Het laatste spoor S105 is gecoupeerd en bleek maar 5 cm diep.
proefsleuf P10
In de noordelijke helft van de sleuf is het kuilspoor S111 gedocumenteerd dat onversneden werd door greppelspoor S109. In de noordwesthoek van de sleuf zijn drie kuilsporen aangesneden, namelijk S113, S114 en S115. S116 is in eerste instantie als een vlek geïnterpreteerd, maar bleek in de coupe een laag van dezelfde kuil als S115. De kuil was 26 cm diep. Uit de vulling van S116 zijn een Pingsdorf-scherf, een scherf van grijsbakkend aardewerk en drie scherven van kogelpot-aardewerk verzameld. De andere twee sporen zijn niet gecoupeerd. Het spoor S114 blijkt in de opgravingsput 4 deel te vormen van het brede slootspoor S16. Het is opmerkelijk dat het spoor S113 in de opgraving niet opnieuw is opgepikt. Het is blijkbaar een zeer ondiep spoor geweest.
Proefsleuf P10 vormt een uitbreiding haaks op proefsleuf P1 en is bij deze laatste sleuf beschreven.
proefsleuf P11 De verschillende proefsleuven gaven een indicatie in welke zones grondsporen en meer vondsten zijn te verwachten, maar werd ook duidelijk dat verder zoeken nodig was. Zo gaven de vele vondsten in de proefsleuf P3 aan dat in de directe nabijheid ook de resten van een boerenerf of huisplaats zijn te verwachten. Vanuit dit vooruitschrijdend inzicht is aanvullend nog proefsleuf 11 aangelegd in grofweg noord-zuidrichting op het hoogste punt van het landschap binnen het plangebied. De proefsleuf P11 had een goed resultaat en leek mogelijk een bewoningskern aangesneden te hebben. Het eerste vlak in de sleuf is aangelegd op een diepte van 0,32 m – NAP in het zuiden en 0,25 m – NAP in het noorden In de sleuf konden vier smallere greppelsporen en twee brede slootsporen ingemeten worden. In het zuiden loopt een west-oost gerichte slootspoor (S101, S102). Het spoor is niet gecoupeerd. In de vulling waren onder meer baksteenspikkels herkenbaar. Het slootspoor oversnijdt een smal greppelspoortje (S117) tegen het zuideinde van de sleuf. Centraal in de sleuf is een noordwestzuidoost georiënteerde sloot aangesneden (S106,107,108). Ook dit spoor is niet gecoupeerd, maar leverde bij de aanleg van het vlak verschillende aardwerkscherven op. Het gaat hierbij om scherven van grijsbakkend, Maaslands wit, maar ook van een veertiende eeuwse Langerwehe-kan.
Haaks op dit slootspoor liep het greppelspoor S109 dat tijdens de aanleg van het vlak 30
Fig. 19. De allesporenkaart van proefsleuven P11. Blauw: greppel-/slootsporen, groen: kuilsporen, roze: sedimentatielagen, zwart gearceerd: recente sporen.
Fig. 20 De allesporenkaarten van de proefsleuven (putnummers met P ervoor) en de opgravingen geprojecteerd op de bodemkaart van 1953 van Bennema en Van der Meer.
32
5.
Resultaten opgraving 2014 ten noorden van de proefsleuf P3 met de vele vondsten in de restgeul of oude poel en rond de proefsleuf P11 met redelijk veelbelovende sporen en vondsten.
5.1 Inleiding en methode Het proefsleuvenonderzoek en met name de laatste sleuf P11 hebben voor een indicatie gezorgd op welke locaties een opgraving uitgevoerd moest gaan worden. Bij het bepalen van de contouren van de opgraving(en) is gekeken naar de resultaten van de proefsleuven in combinatie met de hoogtekaart van het AHN en de bodemkaart van Bennema en Van der Meer uit 1953. In onderstaande figuur 21 is een overzicht gegeven van vier onderzoeksgebieden, waarbinnen opgravingsputten gepland waren.
Zone B is toegevoegd zonder dat hier een proefsleuf is getrokken. Aangezien bij het proefsleuvenonderzoek vooral naar boven kwam dat sporen en vondsten van bewoning op de top van de kreekruggen gezocht moeten worden, hebben we ook hier opgravingsputten gepland, te beginnen met twee proefsleuven. Zone C is gesitueerd rond de proefsleuf P2. Hier speelde een onduidelijke sporensituatie met verschillende dagzomende lagen. Uit de lagen konden binnen de sleuf al een redelijke
Onderzoeksgebied zone A is getrokken net
Fig. 21 Overzichtskaart van de onderzoekszones op basis vooronderzoek, geprojecteerd op het AHN
33
hoeveelheid scherven verzameld worden. Vandaar dat hier een kleine opgraving is gepland. Zone D ligt ter hoogte van proefsleuf P10. In deze sleuf zijn enkele duidelijke middeleeuwse grondsporen met ook redelijk wat vondsten aangesneden. Ook is hier het greppelspoor van een mogelijke hooimijt gedocumenteerd. Bovendien bevindt zich een weinig naar het noorden de locatie van de veldbrandovens die tijdens de sanering van het boerenerf aldaar zijn gevonden. (Zie onder) Aanvankelijk is bij het plan van aanpak voor de opgraving een puttenplan gemaakt. Nog tijdens de opgraving is op basis van vooruitschrijdend inzicht met de nodige werkputten en hun contouren en afmetingen geschoven. In onderstaande figuur zijn de uiteindelijk opgegraven werkputten weergegeven (Fig.
22). Het zijn de werkputten met rode contourlijn en met de rode putnummers. De gegraven proefsleuven zijn weergegeven met zwarte stippellijn en met zwarte putnummers. Uiteindelijk zijn 17 werkputten aangelegd, waarbij de putnummers 8, 9, 10 en 19 niet zijn vergeven. Bij de zone A gaat het om de werkputten 1 t/m 5, 13, 17 en 18. Een kleine noordoostelijke uitbreiding is bij werkput 5 getrokken. In totaal besloegen de opgravingsputten in Zone A een oppervlak van 3.750 m2. In zone B zijn in eerste instantie de lange sleuven 6 en 7 aangelegd. Op basis van de spoor- en vondstconcentraties in deze sleuven zijn daarna nog de sleuven 11 en 12 aangelegd. Hier besloegen de werkputten een oppervlak van ca. 840 m2. In zone C is de proefsleuf P2 opnieuw opgezocht
Fig. 22 Overzichtskaart van de werkputten uit het proefsleuvenonderzoek 2013 en opgraving 2014 op de huidige topokaart
en is een diep lengteprofiel aangelegd langs de zuidwand van de sleuf. Omdat ook hier redelijk veel vondsten tevoorschijn kwamen is met werkputten 15 en 16 nog gezocht naar eventuele bewoningssporen in de directe nabijheid. Een werkput ten westen van de sleuf 14 was ook gewenst maar de toenmalige begroeiing in de vorm van bomen en struiken maakten dit onmogelijk. De sleuven hier hadden een gezamenlijk oppervlak van 394 m2.
gemiddeld 0,35 m – NAP in werkput 5. De allesporenkaart van zone A wordt vooral beheerst door het grote aantal greppelsporen, lichtblauw in fig. 23 en 24. Ook de overzichtsfoto gemaakt met behulp van een drone laat vooral een wirwar van oude greppelsporen zien (Fig. 25). (De foto is gemaakt door Jeroen de Reu.) Toch hebben de greppelsporen nauwelijks een overwicht in tabel 1. Dit is, omdat getracht is de in de verschillende werkputten doorlopende sporen van de sloten en greppels steeds hetzelfde spoornummer te geven. Onder greppelsporen zijn zowel bredere sporen van sloten als smallere van greppels geschaard.
In zone D is noordelijk aangrenzend aan de proefsleuf P10 de werkput 20 aangelegd en zuidelijk aangrenzend de werkput 21. De werkputten 20 en 21 besloegen samen een oppervlak van 325 m2.
Daarnaast is een aantal sporen van kuilen, paalgaten en paalkuilen gevonden (zie tabel 1). Verder zijn ook aan lagen, al dan niet natuurlijk gesedimenteerd, spoornummers vergeven. In de meeste gevallen gaat het hier spoornummer 1000 en hoger. In de tabel staan maar het aantal van drie bij sporen van recente aard. Alle sporen, waarvan al bij de verdeling van de spoornummers na de aanleg van het vlak duidelijk was, dat ze recent zijn, hebben het spoornummer 999 gekregen. Deze zijn niet in bovenstaande tabel opgenomen. De drie in de tabel opgenomen sporen bleken tijdens het couperen van recente aard. Zo ook bleek één spoor van natuurlijke aard en één spoor kon niet nader geduid worden dan ‘vlek’.
5.2 Zone A inleiding De putten van deze zone zijn op het hoogste punt van de kreekrug in dit deel van het plangebied aangelegd. De putten 1, 13 en 17 liggen net aan de oostelijke rand van de restgeul. In deze putten lag het eerste vlak gemiddeld op 0,30 m – NAP. De werkput 2 lag op het hoogste punt. Hier is het vlak op gemiddeld 0,15 m – NAP aangelegd. De oostelijk aangrenzende werkputten 3, 4 en 5 liggen op de ‘helling’ van de kreekrug, waardoor het eerste vlak ook naar het oosten toe steeds lager kwam te liggen: van gemiddeld 0,20 m – NAP in werkput 3 tot
spooraard zone A spooraard greppel kuil laag natuurlijke verstoring paalgat paalkuil recent vlek weg
Hieronder vindt een beschrijving plaats van de antropogene sporen (greppels, kuilen, paalsporen). De beschrijving beperkt zich tot de ligging, de diepte en de context of het verband met andere sporen. Voor de beschrijving van kleur en textuur van de vulling kan men de spoortabel (bijlage 2) raadplegen.
aantal
56 53 15 1 50 20 3 2 1
Greppelsporen Zoals we inmiddels gewend zijn op middeleeuwse opgravingen op de Walcherse en Zuid-Bevelandse kreekruggen wordt ook het onderzoeksvlak van de opgraving Hazenburg II doorsneden door een wirwar aan sporen van greppels en van bredere sloten. De patronen van de sloot- en greppelsporen vertonen hoofdzakelijk twee oriëntaties. Het grootste deel van de sporen verloopt zuidwest–noordoost, waarvan een deel ook een scherpe hoek maakt en een vervolg in noordwest–zuidoostelijke
Tabel 1. overzicht spooraard in Zone A
35
Fig. 23. De allesporenkaart van opgraving zone A. Blauw: greppel-/slootsporen, donkerblauw: aanvulling op sporen aan de hand van de foto met de drone, groen: kuilsporen, rood: paalsporen, bruin: oude weg, geel en roze: sedimentatielagen, zwart gearceerd: recente sporen. Links is in paars en roze de loop van de restgeul en de oude weg aangeduid, zoals deze is gekarteerd door Bennema en Van der Meer.
Fig. 24. De allesporenkaart opgraving Zone A met spoornummers . Blauw: greppel-/slootsporen, donkerblauw: aanvulling op sporen aan de hand van de foto met de drone, groen: kuilsporen, rood: paalsporen, bruin: oude weg, geel en roze: sedimentatielagen, zwart gearceerd: recente sporen. Centraal zijn in olijfgroen twee locaties van vermoedelijke huispodia weergegeven. Links is in paars en roze de loop van de restgeul en de oude weg aangeduid, zoals deze is gekarteerd door Bennema en Van der Meer.
Fig. 25. De overzichtsfoto van opgraving zone A gemaakt met een drone. De drone werd bestuurd door Jeroen de Reu, indertijd gelieerd aan de Unviersiteit Gent .
richting kent. Daarnaast doorkruisen een zevental greppelsporen het opgravingsvlak in vrij strakke noord-zuid richting. Enkele hiervan zijn ook in de proefsleuf P3 aangesneden. De zuidelijke helft van deze opgraving wordt nog doorsneden door een opgevulde sloot die vrij strak west-oost is georiënteerd. In de zuidwesthoek van de opgraving lopen enkele greppelsporen parallel noordwest-zuidoost. Ook hiervan zijn enkele aangesneden in proefsleuf P3.
elkaar te scheiden. Ze hebben dus alle drie het spoornummer S16 gekregen.
Het beeld van het sporenvlak wordt gedomineerd door twee brede slootsporen in zuidwest-noordoostrichting die aan de westzijde van de opgraving met elkaar in verbinding staan door een noordwest-zuidoost verlopend slootspoor. Het gaat om slootsporen met verschillende dagzomende lagen, waarbij het onmogelijk bleek om de slootsporen van
Het slootspoor vertoont een breedte tussen de 2 en de 4 meter. Op kruisingen is het spoor soms nog breder. Het spoor is op verschillende locaties gecoupeerd en vertoont een diepte tussen de 0,40 en de 1,00 m. Op de meeste locaties is het spoor tussen de 0,80 en 1,00 meter diep. Ook in de coupe is te zien hoe complex het spoor
Dit geldt ook voor het slootspoor dat vanaf de kruising van de verschillende brede sporen vrij strak west-oost loopt. Al blijkt in dit geval uit een coupe door de sporen S17 en S16, dat dit oost-west-slootspoor een latere sloot kan zijn. In het zuiden van de putten 2 en 3 is heeft het spoor de spoornummers S200 en S35 gekregen; in het noorden van werkput 5 het spoornummer S120.
Fig. 26 Overzicht van door greppelsporen omsloten rechthoeken, mogelijk locaties van huispodia.
Fig. 27 foto van coupe door slootspoor S16 in Wp2. De coupe laat zien hoe ingewikkeld de spoorsituatie was, met vaker ook nieuwe sporen in de coupe. Hier zijn twee greppelsporen naast elkaar te onderscheiden die bovenin dezelfde vulling kennen.
nog eens uit spoor 200. Het onderzoek naar de randscherven hiervan leert dat verreweg het grootste deel van het aardewerk gedateerd moet worden tussen 1150 en 1250. Er is geen continuïteit vast te stellen tot in de 14e eeuw. (Zie hoofdstuk 8.1)
met verschillende versnijdingen van lagen is. De opvulling bestaat uit verschillende lagen; soms lijkt er sprake van twee verschillende flankerende slootsporen. (Zie bijvoorbeeld oostprofiel door S16v4 in wp2) Veel lagen hebben ook een grote hoeveelheid insluitsels, zoals aardewerk, botmateriaal, veel houtskool, baksteengruis, verbrande klei en ook mossel en andere schelpensoorten. De meeste vullingen zijn donker van kleur. Hieruit zou men kunnen afleiden dat de lagen een geleidelijke opvulling vorm. Toch doet het uiterlijk van het spoor in de coupe met de flauwe zijkanten ook aan een sloot denken die tijdens verschillende overstromingen door de zee is uitgesleten. Men zou dan ook lichter gekleurde opvullingslagen verwachten, maar de zee zal ook veel afval en vuile grond van een aanwezige nederzetting meespoelen, waardoor de opvulling donkerder wordt.
Uit het spoor zijn ook twee bodemmonsters genomen ten behoeve van archeobotanisch onderzoek. De resultaten hiervan zijn terug te vinden in hoofdstuk 8.4. Ook is uit een monster hiervan (vondstnummer 180) een 14C-datering op graankorrels uitgevoerd. De datering (2 sigma) valt met het meeste percentage aan waarschijnlijkheid tussen 1152 en 1220 na Chr. Vooral de delen van het spoor die in noordoostzuidwestrichting lopen, lijken in het centrale deel van de opgraving in verband te staan met een stelsel van perceelgreppels, vooral door de rechte hoeken die ze delen (Fig. 26). Zo omsluit het slootspoor S16 samen met de smallere greppelsporen S43 en S118 een regelmatig ogende rechthoek met de afmetingen van 18 bij 9,5 meter. Dit is te klein voor een erf. Zou het
Uit het greppelspoor is veel aardewerk verzameld, namelijk 434 scherven met een gewicht van 9,7 kg uit spoor 16 en 14 scherven 40
een kleine huisplaats kunnen zijn of de locatie van een huispodium (zie onder “structuren Zone A”).
verschillende sporen dan liggen de zuidwestnoordoost gerichte greppel- en slootsporen steeds ca. 10 meter van elkaar.
Ten zuidwesten ervan lijken de smalle greppelsporen S43, S75 en S110 van proefsleuf P11 samen met het brede spoor S16 een nog kleinere rechthoekige ruimte te omgeven. Hier zijn de afmetingen 9,7 bij 7,5 meter.
In het noordwesten van de opgraving heeft S16 nog drie aftakkingen met greppelsporen die een licht kronkelig verloop vertonen. Het meest westelijke spoor hiervan heeft ook het spoornummer S16 gekregen, omdat er geen sprake van oversnijding was, eerder van het doorlopen van vullingen. Dit spoor wordt vervolgd richting noorden door de sporen S104 en S108. Spoor S108 is tegen de noordelijke putrand 0,66 m diep, maar meer zuidelijk nog maar enkele centimeters diep.
De diepte van het greppelspoor S43 varieert tussen 0,24 en 0,5 meter. Spoor S75 is slechts 0,15 meter diep. Zo zijn de andere smalle greppelsporen ook ondiep. Uit het spoor S43 zijn 27 scherven (362 gram) verzameld die dezelfde dateringsrange bestrijken als het aardewerk uit S16.
Nog verder naar het zuidwesten loopt parallel het smalle greppelspoor S114/151. Het is goed mogelijk dat ook dit het restant van een perceelslootje is. De ruimte tussen het S16 en dit spoortje is wederom ca. 9 meter.
Het volgende spoor heeft de nummers S103/47. Hier bestaat de mogelijkheid dat de combinatie van de sporen S16 en S103 het restant vormen van een wandgreppel rond een huis (Fig. 28). De paalsporen S100, 101, 102 en 44 zouden dan bij de draagconstructie van het dak kunnen hebben gehoord. De breedste afstand tussen S16 en S103 bedraagt ongeveer 5 meter.
Als we de maten nemen hart-op-hart tussen de
Het brede spoor S16 heeft dan in latere tijd
Fig. 28 Mogelijke huisplattegrond met paalsporen en een mogelijke wandgreppel (S103 en deel van S16)
deze sporencombinatie doorkruist in zuidwestnoordoostrichting en daarbij de “wand”greppels ook langzaam opgevuld. Dit laatste zou dan eerder suggereren dat het om open liggende greppeltjes gaat en daarmee de interpretatie van wandgreppel tegenspreken.
Centraal in het zuiden loopt het licht gebogen greppelspoor S85 van S16 weg naar het zuiden. Het spoor lijkt niet gecoupeerd te zijn. Bij het aanleg van het vlak werd een scherf van (vroeg) roodbakkend aardewerk verzameld.
De laatste aftakking is het spoor S63. Dit spoor vertoont ook een rechte hoek met S16 en het is niet ondenkbaar dat het ook om een spoor rond een erf of huisplaats gaat. Het spoor is in de coupes maximaal 0,78 meter diep. Uit spoor S63 zijn zeven scherven verzameld van grijsbakkend en kogelpotaardewerk. Een randscherf van een grijsbakkende pot dateert eveneens tussen 1150 en 1250.
Helemaal in de zuidwesthoek van de opgraving lopen twee parallelle slootsporen, S202 en S210. S202 loopt strak langs de westrand van de vermoedelijke geul of opgevulde poel hier (zie hierboven). Dit spoor heeft het spoornummer S72 in proefsleuf 3 en is daar 0,36 meter diep onder de bouwvoor. Meer naar het noorden in werkput 1 van de opgraving is het spoor in de coupe 0,90 meter diep vanaf het vlak gemeten. Spoor S210 is in de coupe 0,60 meter diep.
Het deel van S16 in het zuidelijk deel van de werkputten 1 en 2 vertoonde in het vlak een rommelig geheel met veel dagzomende lagen. Het is niet ondenkbaar dat het spoor en de westelijke concentratie van dagzomende vuilige lagen hier deel uitmaken van een brede geul die noordwest-zuidoost verloopt en in de proefsleuf P3 is gedocumenteerd onder de nummers S68 t/m 71 (zie boven). Hier zijn in
In deze zone kruist nog het greppelspoor S220/188 de beide sporen S202 en S210. Dit spoor is 0,40 meter diep. Opvallend is de coupe door het spoor S192, dat als een greppel is geïnterpreteerd (Fig. 29). In de coupe lijkt dat ook het geval, maar in het vlak
Fig. 29 Coupe door greppel S 192
het vlak verschillende sporen aangekrast die vervolgens als kuilen zijn geïnterpreteerd. Een deel hiervan bleek in de coupe eerder deel van dagzomende lagen (zie ook onder bij kuilen). In deze hoek kruisen ook enkele zeer smalle greppelsporen het vlak, waarvan sommige parallel lopen. Het is mogelijk dat het om karresporen gaat.
minder. Als we de coupe nader bekijken dan heeft het spoor op een diepte van 1,02 meter onder het vlak een uitzonderlijk vlakke bodem. Mogelijk is hier gemist dat het spoor nog dieper reikt en boven een moerneringskuil ligt, zoals dat ook in Zone B bij S134 is waargenomen. Van een latere fase lijken de noord-zuid verlopende greppel en slootsporen te zijn. Dit gaat in ieder geval op voor de sporen S52 en S149. Deze sporen bevatten in hun vulling ook vondsten uit de nieuwe tijd, bijvoorbeeld later roodbakkend aardewerk en harde gele baksteenfragmenten. Gezien de regelmatige afstand met andere parallelle sporen van drains komen deze sporen eerder in aanmerking voor
In dit deel van de opgraving loopt ook een greppelspoor in noordoostelijke richting weg van het brede spoor S16. Het gaat om spoor S22 met een vervolg in S94. Het spoor is in de coupe 0,35 meter diep. Er konden twee scherfjes van Paffrath-aardewerk verzameld worden. 42
de interpretatie van sporen van subrecente drains dan van archeologische sporen.
een paalkuil of dat van een kuil. Belangrijk voor de interpretatie van een grondspoor als een kuil is dat het om een duidelijke ingraving gaat, het liefst met redelijke rechte kanten. Het kuilspoor onderscheidt zich van het spoor van een paalkuil in die zin dat het een grotere afmeting heeft dan, grofweg genomen meer dan 0,50 of 0,60 meter. In een ideaal geval laat het spoor van een paalkuil in het vlak en in de coupe ook een restant van een paalspoor zien. Het blijft vaak onduidelijk waarom een kuil gegraven is. Het idee van een kuil primair bedoeld als een afvalkuil is niet waarschijnlijk, omdat men zijn afval al gemakkelijk in de openliggende sloten en greppels kon weg gooien. Ook lijkt men het afval ook vrijelijk in de omgeving weggegooid te hebben. Men zal kuilen hebben gegraven voor een ander doel, zoals klei- of zandwinning, De kuil zal vervolgens dankbaar secundair als afvalkuil gebruikt zijn. In de allesporenkaart zijn de kuilen met groen ingekleurd.
De vraag is of dit ook geldt voor de sporen S67 en S121. Deze liggen op een afstand van ongeveer 6 meter van elkaar en lijken te eindigen in het slootspoor S16. In de velddocumentatie is specifiek beschreven dat S67 wel een middeleeuws “uiterlijk” heeft. Vier middeleeuwse scherven uit de vulling van het spoor lijken dit te bevestigen. Het spoor is in de coupe 0,62 meter diep. Verder resten er nog enkele smalle greppelsporen die in een los verband lijken te liggen. Deze sporen worden hier verder niet beschreven.
Spoor van een oude weg Langs de westkant van de opgraving in Zone A lijkt het spoor aangesneden te zijn van een oude weg. Het spoor heeft het spoornummer S13. De weg is ook aangesneden in proefsleuf P9 (S83, S85, S86 en S87). Hier kon een profiel dwars over de weg getrokken worden (zie boven).
In het noorden van de werkputten 1, 2 en 3 is een concentratie van kuilsporen te zien. De sporen S49 en S65, respectievelijk 0,10 en 0,40 meter diep, zouden door hun langgerekte aard als een tuinbed gezien kunnen worden. Voorbeelden hiervan zijn opgegraven op de opgraving Domburg, Roosjesweg Golfslag (Meijlink & Silkens 2012), al zijn hier tuinbedden in een parallelle concentratie gedocumenteerd.
De weg kan behoorlijk oud zijn. Niet alleen is de weg nog in kaart gebracht door Bennema en Van der Meer in 1949, maar ook op de oude kaarten van de gebroeders Hattinga uit 1750 en van Visscher en Roman uit ca. 1680 is de weg aangeduid. Het is zeer goed mogelijk dat de weg terug gaat tot in de Middeleeuwen. Dit ligt ook wel voor de hand, aangezien de weg vrij nauwgezet de restgeul boven op de kreekrug flankeert. De restgeul zal tot in de Middeleeuwen bij tijd en wijle nog actief zijn geweest.
Het kuilspoor S1 is een 22 cm ondiepe kuil met een redelijk vlakke bodem. Uit het spoor konden zeven scherven geborgen worden die tussen 1100 en 1200 dateren. De kuilsporen S11 en S14 zijn vermoedelijk subrecent. Zij oversnijden het spoor van de weg S13. In de noordwesthoek liggen de kuilsporen S7 en S9; beide van onregelmatig formaat. S7 was 30 cm diep en S9 maar 10 cm. In beide gevallen kan het ook om een opgevulde depressie gaan. S7 leverde twee grijsbakkende scherven op die in de twaalfde / dertiende eeuw dateren. Ook de vrij kleine kuil S2 is maar 3 cm diep en is mogelijk eerder een opgevulde depressie. In put 3 bevinden zich de kuilensporen S64, 65 en 66 dicht bij elkaar. S65 is, zoals gezegd, mogelijk het restant van een bloembed. De kuil S64 is mogelijk van recente datum. De ronde kuil S66 was 28 cm diep met een komvormige bodem. Uit de vulling kwam een scherf van Maaslands wit aardewerk. Dit dateert in de twaalfde eeuw of de eerste helft van de dertiende eeuw.
Kuilsporen Vooral in de westelijke helft van de opgraving in Zone A bevinden zich ook redelijk veel kuilsporen. De teller ligt op 53 stuks. Aanvankelijk zijn bij de documentatie van de grondsporen meer grondsporen als ‘kuil’ geïnterpreteerd. Bij het couperen bleken enkele geen kuilspoor te vormen, maar eerder een dagzomende laag van een greppelspoor. Vaak is het moeilijk om een onderscheid te maken tussen het spoor van 43
Op de grens tussen de werkputten 3 en 4 lag het grote kuilspoor S68 (Fig. 30). Dit bleken in de coupe drie verschillende, elkaar oversnijdende kuilen te zijn geweest. Uit de middelste kuil komen drie scherven van grijsbakkend
onder deze scherven (negen stuks) worden gedateerd in de twaalfde en de dertiende eeuw. In de zuidelijke helft van de opgraving Zone A bevinden zich twee grotere concentraties van kuilsporen. Een beetje centraal, verspreid
Fig. 30 Coupe door kuil S 68
aardewerk en een scherf van roodbakkend aardewerk. Ze dateren in de dertiende eeuw. In werkput 3 lag een weinig verder naar het zuiden het grote kuilspoor S59. Het spoor reikte 28 cm diep, had een onregelmatige bodem en bevatte veel verbrande klei- en houtskoolpartikels en ook fragmenten van een tefriet maalsteen. Een blauwgrijze scherf dateert de vulling in de twaalfde eeuw. Nog iets verder naar het zuiden lag het spoor S45 dat maar 12 cm diep reikte en een onregelmatige bodem had. Uit dit spoor komen 37 scherven, waarvan dertien van grijsbakkend aardewerk, twaalf van kogelpotaardewerk, zes van roodbakkend aardewerk en vijf van Maaslands wit aardewerk. Tenslotte is er ook een scherf van Paffrath aardewerk. De randscherven
Fig. 31 Coupe door kuil S 18
over de werkputten 1, 2, 3 en 4 ligt een ‘wolk’ kuilsporen met een belangrijke clustering centraal in werkput 4. In het westen in werkput 1 lag het spoor S17, oversneden door het slootspoor S16. Het was moeilijk vast te stellen of dit daadwerkelijk een kuil was of een dagzomende laag van spoor S16. Uit het spoor komen vijf scherven van grijsbakkend aardewerk en een scherf roodbakkend aardewerk. De randen dateren tussen 1200 en 1300. In de lange coupe die hier over spoor S17 en S16 is gezet, kwam op een dieper niveau het kuilspoor S233 tevoorschijn. In de vulling van deze kuil bevond zich een dierenschedel (niet terug te vinden in de vondstenlijst) en ook vijf scherven, waarvan twee roodbakkend en een scherf van blauwgrijs, van Pingsdorf- en van grijsbakkend aardewerk. Iets verder naar het oosten lag het langgerekte spoor van kuil S18 (Fig. 31). De kuil was vrij recht gestoken, reikte 36 cm diep en had een vrij schone vulling. De kuil lijkt daarmee weer snel na het graven
dichtgegooid te zijn. Uit het sporen komen twee scherven van Maaslands wit, een scherf van grijsbakkend en een scherf van Paffrath aardewerk. De datering van de vulling ligt rond 1200. Centraal in werkput 3 ligt een clustering zeven kuilsporen. Een mooie kuil is S42, 41 cm diep en met onderin een houtskoolrijke vulling (Fig.
hebben in het vlak ongeveer hetzelfde formaat (ca. 1,30 meter in doorsnee) en dezelfde vorm. Ze liggen 7,5 en 6 meter uit elkaar. Alle drie de sporen waren ook vrijwel even diep, respectievelijk 24 cm, 25 cm en 20 cm. Het lijkt er sterk op dat zij van eenzelfde structuur deel hebben uitgemaakt. De aard van deze structuur blijft onduidelijk. Uit spoor S84 kwamen drie roodbakkende aardewerkscherven, een
Fig. 32 Coupe door kuil S 42
32). Uit dit spoor komen drie scherven: een grijsbakkende en twee van Maaslands wit aardewerk. Vlak ernaast lag het spoor van kuil S54. De kuil reikte 54 cm diep. De contouren waren vaag te onderscheiden. Uit vulling komen twee scherven van grijsbakkend aardewerk. Een randscherf dateert in de dertiende eeuw. De kleinere en ovaal gevormde kuilsporen S55 en S76 vormen mogelijk restanten van paalkuilen. Respectievelijk waren zij nog maar 12 en 9 cm diep. De contouren van S55 waren vrij vaag. Het kuilspoor S82 was maar 7 cm diep in de coupe en is in het veld als mogelijk (sub)recent bestempeld. Het spoor S40 was 22 cm diep en werd oversneden door slootspoor S16. Het grotere kuilspoor S77 lijkt bij het couperen in het veld over het hoofd te zijn gezien. Meer naar het oosten liggen drie kuilsporen in een lijn vrijwel parallel aan slootspoor S16. Het gaat om de sporen S84, S115 en S156. Alle drie
kogelpotscherf, een scherf van grijsbakkend en een scherf van Paffrath aardewerk. Twee randscherven hiervan dateren in de dertiende eeuw. In het zuidelijk deel van werkput 2 liggen de kuilsporen S35, S36 en S37. Kuil S35 oversneed het slootspoor S16 en was maar 15 cm diep. De sporen S36 en S37 lijken bij elkaar te horen en vormden mogelijk een soort stookplek. Het ondiepe spoor vertoonde een mogelijk verbrande laag en een concentratie verbrande klei. Uit het spoor kwam een kogelpotscherf. In de zuidwesthoek van de opgraving bevond zich een andere clustering van kuilsporen. Het merendeel hiervan bleek in de coupe ook een kuil te zijn. De gehele zone is vuilig en er bestaat ook een mogelijkheid dat hier sprake is van een aantal dagzomende lagen die behoren bij een opgevulde geul, zoals die is aangesneden in de zuidelijk aangrenzende proefsleuf P3 (sporen S68, S69, S70, S71, S75). Een voorbeeld hiervan geeft mogelijk de
Fig. 33 Coupe door kuil S186
Fig. 35 Coupe door kuil S 183
Fig. 34 Coupe door kuil S 25
coupe door de sporen S186 en S187 (Fig. 33). In de coupe is de begrenzing van het als ‘laag’ geïnterpreteerde spoor S187 niet te pakken gekregen. Zijn vullingen lijken op die van een depressie. Het maar 14 cm diepe spoor S186 is dan weliswaar als kuil bestempeld, maar kan evenzo goed een bovenste opvullingslaag van dezelfde depressie zijn. Het vele houtskool en de ogenschijnlijk hoge fosfaatconcentraties in deze opvullingen geven aan dat in de directe buurt veel menselijke activiteit plaats vond. Net ten zuiden van de kruising van het spoor
van de oude weg S13 en het slootspoor S16 lagen de kuilsporen S27, S24 en S25. Het in het vlak onregelmatig gevormde kuilspoor S27 was in de coupe 17 cm diep en komvormig. Het rechthoekige S24 oversneed de sporen S23 en S26, was 32 cm diep en had onderin een laag zelas. Het spoor S25 bleek in de coupe veel groter dan in het vlak was herkend (Fig. 34). Een deel van het spoor lag ook onder lagen behorende bij de oude weg S13). Het spoor was 64 cm diep en mooi komvormig. Een weinig meer naar het zuiden lag de kuilsporenconcentratie S180, S182, 183, S186, S187, S193, S195 en S196. De sporen S186 en S187 zijn hierboven al beschreven. De coupe door het spoor S196 laat een fraaie kuil zien met een vlakke bodem op 60 cm onder het vlak (Fig. 36). In de vulling waren vrij veel baksteenfragmenten aanwezig en, naast houtskool, ook iets wat leek op steenkool (?). De coupe door de sporen S193 en S195 (en greppelspoor S188) laat een maximaal 20 cm diep spoor zien, waarbij de vullingen van de beide sporen evenzo goed van een opgevulde depressie kunnen zijn (Fig. 37). Ook kunnen we wederom niet uitsluiten dat het om opvullagen van de geul gaat, zoals die is aangesneden in de zuidelijk aangrenzende proefsleuf P3 (sporen S68, S69, S70, S71, S75).
Fig. 36 Foto coupe kuil S 196
Hetzelfde is eigenlijk ook het geval bij het spoor S183 (Fig. 35). Dit relatief kleine spoor is
Fig. 37 Coupe door kuilen S 188, S193 en S 195
Fig. 38 Coupe door kuilen S 271 en S 223
maar 10 cm diep en bevindt zich in een vuile laag met insluitsels die in het veld als een mogelijk overstromingspakket is geïnterpreteerd.
hierboven eerder geopperd, onderdeel van een geulopvulling. Dezelfde vraag kan gesteld worden bij de interpretatie van de sporen S223 en S271 (Fig. 38). Het spoor S271 was in de coupe 60 cm diep en S223 ca. 34 cm diep. Beide vertonen in de coupe enigszins het uiterlijk van een kuilspoor, maar kunnen net zo goed aangesneden dagzomende lagen van de in proefsleuf P3 gecoupeerde poel of geul zijn. Uit de coupe door het spoor S223 komen een geglazuurde
Het spoor S182 is wel gecoupeerd, maar bleek in de coupe zo ondiep dat de vraag is of het wel een kuilspoor betrof. In het veld is genoteerd dat het eerder om een vuilige laag van enkele centimeters diep ging. Hetzelfde geldt voor het spoor S180. De sporenconcentratie in de zuidwesthoek van de opgraving Zone A was aanleiding om ook nog de werkputten 17 en 18 aan te leggen, waarin de in het vlak als kuilsporen geïnterpreteerde kuilsporen S208, S209, S218, S222, S223 met S271, S225 met mogelijk paalgat S226 en S229 met S230 zijn opgemeten. Het kuilspoor S222 was maar 10 cm diep en bevatte een roodbakkende scherf uit de dertiende eeuw. Daarnaast bevatte het spoor ook enkele botfragmenten. Het spoor S118 was maar 8 cm diep, waarbij de vraag is of dit spoor niet ook een restantje van een greppelspoor betreft.
Fig. 39 Foto coupe kuil S 229
en een ongeglazuurde scherf van steengoed aardewerk en een scherf van Maaslands wit en van roodbakkend aardewerk. Zij dateren het spoor rond 1200. Uit het spoor S271 kon een roodbakkende scherf verzameld worden met een datering in de dertiende eeuw. De sporen S229 en 230 blijken vullingen van eenzelfde kuil die 58 cm diep was (Fig. 39). Uit
Het spoor S225 was maar 7 cm diep en opnieuw speelt de vraag of hier ook niet sprake is van opvulling van een depressie of, zoals 47
S229 komen twee scherven van grijsbakkend aardewerk en drie van roodbakkend aardewerk. Zij dateren in de dertiende eeuw.
van een (half) strijkglas. Ook interessant is dat uit de sporen 101 en 102 wat grotere fragmenten verbrande klei kwamen. In de zuidelijke helft van de opgraving Zone A lag nog een clustering van paalkuilsporen en paalgaten. Het gaat om de paalkuilen S20 en S21, respectievelijk 20 en 14 cm diep. Beide hebben een licht gekleurde homogene vulling, waardoor ook gedacht kan worden aan andersoortige kuilen, bijvoorbeeld voor kleiwinning. Bij de paalgaten gaat het om de sporen S19, S95 t/m S97. Uit de sporen valt geen structuur te reconstrueren.
Paalsporen: paalkuilen en paalgaten Tijdens de opgraving in Zone A zijn in het vlak 20 sporen als paalkuilen en 50 sporen als paalgaten geïnterpreteerd. Het verschil is dat bij de eerste aard sporen een wat grotere kuil is gegraven om een paal in te zetten, terwijl bij een paalgat de paal in de grond is gedreven of dat enkel een gat is gegraven met de grootte van de pal zelf. Soms is in de vulling van een paalkuil ook nog de verkleuring van de vergane paal of van het paalgat te onderscheiden.
Een weinig naar het oosten lag het geïsoleerde paalspoor S41. Dit grote spoor bleek in de coupe slechts 4 cm diep. Het spoor bevatte een scherf van een kogelpot.
De grootste concentratie van paalkuilen bevindt zich in het noordwestkwart van de opgraving. Meest noordelijk lag het spoor S48. De insteek was 20 cm diep en het paalspoor zelf 34 cm. Uit het spoor komt een scherf van Maaslands wit aardewerk. Iets verder naar het zuiden lag een clustertje van paalkuilsporen S3, S4, S5 en S109. De eerste twee sporen zijn slechts enkele centimeters diep en redelijk vaag in de verkleuring. Het spoor S5 reikt nog 12 cm diep, waar het spoor S109 24 cm diep reikt. De sporen liggen ten opzichte van elkaar in een soort ruitvorm en lijken daarmee niet tot een logische structuur of constructie te behoren. Uit het spoor S5 komt een scherf van grijsbakkend aardewerk.
Eveneens zonder een verband te tonen binnen een structuur lagen in de zuidwesthoek van de opgraving Zona A de paalkuilsporen S189, S228. Bij de aanleg van het vlak is uit S228 een scherf van grijsbakkend aardewerk geborgen. Beide sporen waren in de coupe niet of nauwelijks te herkennen. Meer centraal in de opgraving, werkput 3 lagen de paalkuilsporen S78 en S79. S78 lijkt niet gecoupeerd te zijn; S79 was in de coupe komvormig en 9 cm diep. De sporen lijken geen onderdeel uit te maken van een structuur. Tenslotte lagen in de noordoosthoek van de opgraving de paalkuilsporen S156 en S158. Het spoor S156 was 20 cm diep en bevatte een grijsbakkende scherf. In de coupe bleek het spoor groter te zijn, namelijk ca. 1,40 meter lang, waardoor een interpretatie als een ondiepe kuil ook mogelijk is.
Een interessante clustering van paalkuilsporen vormen iets verder naar het zuiden de sporen S44, S100, S101 en S102. Het spoor S44 reikte 5 cm diep. De sporen S100, S101 en S102 reikten respectievelijk, 3, 6 en 9 cm diep. Zij lagen in een rechthoek van ca. 5 bij 3,5 meter. De greppelsporen S16 en S103 zouden resten van wandgreppels kunnen zijn. Er zou hier dus een klein gebouw kunnen hebben gestaan. Binnen de sporenclustering lag ook nog het spoor van een mogelijke paalkuil S46. Uit het spoor komt wel een scherf van Maaslands wit aardewerk. Het spoor lijkt niet gecoupeerd te zijn. Uit het spoor S44 komt een scherf van grijsbakkend aardewerk en een scherf van Maaslands wit aardewerk. Uit het spoor S100 komt een Pingsdorf scherf en uit het spoor S101 komt een randscherf van grijsbakkend aardewerk die in de twaalfde eeuw dateert. Uit het spoor S101 komt de interessante vondst
Ook in combinatie met de kleinere paalsporen, de zogenaamde paalgaten, kunnen geen verdere structuren onderscheiden of gereconstrueerd worden. De paalspoortjes, 45 in aantal in Zone A, lagen in enkele kleine clusteringen verspreid over de opgraving. De paalspoortjes vertonen verschillende dieptes, variërend tussen 1 cm en 19 cm. De clusteringen in de noordoosthoek en langs de oostgrens van de opgraving (in werkput 5) bestaan uit ogenschijnlijk (sub)recente paalsporen. Dat geldt ook voor verschillende 48
andere paalspoortjes in de opgraving. En in dezelfde denktrant kunnen we bij de centraal in Zone A gelegen en door greppelsporen omgeven rechthoeken ook aan twee andere huispodia denken (zie afbeelding 24 en 26). De locatie van het mogelijke huispodium I is omgeven door de greppelsporen S16, S43, S118 en meet ca. 9 meter bij 18 meter. De locatie van een mogelijk aangrenzend huispodium II is omgeven door de sporen S43, S75, S16 en van de proefsleuf P11 de sporen S110 en S116 en relatief klein. In dit geval gaat het om een locatie van 9,7 meter bij ca. 7 meter.
Het clustertje paalsporen S95, S96 en S97 zouden een deel van een structuur kunnen vertegenwoordigen, ware het niet dat S95 en S97 een recent uiterlijk hadden. Hetzelfde geldt voor het clustertje sporen S71, S72 en S73. En zo vormen nergens in de opgraving de paalspoortjes een structuur, zoals we die wel op andere opgravingen vinden, zoals hekwerken of kleine gebouwtjes voor opslag e.d. Wel valt op dat veel paalsporen net in de rand of in de randzone van een greppel- of slootspoor zijn gevonden. Dat zou op een hekwerk langs de sloot kunnen wijzen.
De aanwezigheid van een huispodium zou kunnen verklaren waarom we geen sporen van een huisplattegrond vinden. De sporen opgetekend binnen deze locaties kunnen van voor een eventueel opwerpen van een podium zijn. Zo is de kuil S45 met 63 cm behoorlijk diep. Bij ondiepe sporen zoals bijvoorbeeld S59 bestaat de mogelijkheid dat zij door de ophoging van een huispodium heen zijn gegraven.
Alleen uit het meest noordelijk gelegen paalspoor S51 komt een aardewerkscherf. Het is van roodbakkend aardewerk en dateert in de dertiende eeuw.
Structuren Zone A In zone A vallen in eerste instantie verschillende greppelsstructuren op. Deze zijn hierboven beschreven, maar hieronder nemen we toch enkele nog even onder de loep bij de bespreking van de mogelijke reconstructie van huisplaatsen. Zoals we dat kennen van verschillende middeleeuwse opgravingen in Zeeland, waar de vele vondsten en sporen duidelijk maken dat een huisplaats is aangesneden, ontbreken ook hier de plattegronden van gebouwde constructies, zoals gebouwen. Mogelijk hebben we bij deze opgraving toch één gebouwplattegrond opgegraven, bestaande uit de paalsporen S44, S100, S101 en S102. Uit S102 kwamen vrij grote stukken verbrande klei die op een haard of op verbrande delen van een wand kunnen wijzen. De mogelijke plattegrond van een draagconstructie uit palen vormt een rechthoek van ca. 5,5 meter bij 3 meter en wordt omgeven door greppelsporen die mogelijk het restant zijn van wanden. Aan de andere kant is er ook een grote mogelijkheid dat de greppels ook het restant zijn van de begrenzing van een opgeworpen huisplatform of huispodium, zoals we die kennen uit de ringwalburg van OostSouburg (Van Heeringen et al. 1995, 126 e.v., 141 e.v.). 49
breed en bereikte een lengte van 66 meter. Het onderzoeksvlak lag over de gehele lengte van de werkput rond 0,20m – NAP. Ter hoogte van de zone in deze werkput, waar verschillende kuilsporen met in de vulling ook veel aardewerk optraden, is noordelijk aangrenzend nog een uitbreiding opgegraven. Het gaat om een uitbreiding van 5 meter bij 24 meter.
5.3 Zone B inleiding In de zone B in het noordwesten van het plangebied Hazenburg II zijn op het hoogste punt van de kreekrug alhier nog drie opgravingsputten aangelegd (Fig. 40). Geprojecteerd op de bodemkaart uit 1952 van Bennema en Van der Meer liggen de sleuven een weinig ten noorden van de restgeul op een west-oost georiënteerde aftakking van het kreekruggenstelsel.
Greppelsporen In werkput 6 werden de greppelsporen S28, S29 en S30 aangesneden. Alle drie hebben ze (ongeveer) een noord-zuid oriëntatie. In de coupe waren ze respectievelijk 36 cm, 45, cm en 100 cm diep. Uit het spoor S30 komt een grijsbakkende scherf. In de oostelijke helft van werkput 6 lag het greppelspoor 31 dat in werkput 11 werd opgepikt. Dit spoor loopt ook ongeveer noord-zuid en was 38 cm diep.
In eerste instantie zijn twee smalle putten bij wijze van proefsleuven aangelegd. Het gaat om de werkputten 6 en 7 die beide 4 meter breed en 50 meter lang waren. Het onderzoeksvlak in werkput 6 is direct onder de bouwvoor aangelegd tussen 0.28 m – NAP in het westen en 0,14m – NAP in het oosten. In werkput 7 lag dit eveneens direct onder de bouwvoor tussen 0.17m – NAP in het westen en 0,28m – NAP in het oosten. En hoewel er buiten verschillende greppel- en slootsporen niet veel andere sporen werden gevonden, maakte vooral de aard van de vulling van de sporen en de hoeveelheid vondsten duidelijk dat op deze locatie ook bewoning of op zijn minst verhoogde activiteit in de middeleeuwen heeft plaats gevonden. Daarom is besloten om ook nog werkput 11 aan te leggen. Deze sleuf grensde noordelijk aan op het oostdeel van werkput 6 en het westdeel van werkput 7. Deze sleuf was in eerste instantie 5 meter
spooraard zone B spooraard greppel kuil laag natuurlijke verstoring paalgat recent vlek
In werkput 7 zijn uitsluitend greppelsporen aangesneden. Hiervan bleken in de coupe de sporen S137, S146 en S148 recente sporen (relatief brede ingravingen voor terracotta drains). Het greppelspoor S147 was 56 cm diep en had een strak vlakke bodem, daar waar voor greppelsporen een komvormig profiel vrij normaal is. De greppelsporen S143 en S145 werden ook opgepikt in werkput 11. Het spoor S145 bleek in de coupe twee afzonderlijke greppels naast elkaar te zijn. Het greppelspoor S143 was in de coupe 82 cm diep. Dit spoor had een zeer vuile opvulling met veel houtskool. Uit de vulling konden in de coupes en ook bij gedeeltelijke afwerking van het spoor 119 scherven verzameld worden Het gaat hierbij om Pingsdorf, Paffrath, Maaslands wit en grijsbakkend aardewerk en een zeer grote hoeveelheid kogelpot aardewerk. Hieruit kon vrijwel een volledige kogelpot gerestaureerd worden. Van de randen van deze scherven dateren zes blauwgrijze in de twaalfde eeuw en een grijsbakkende in de dertiende eeuw. Een rand van Pingsdorf aardewerk dateert tussen 1050 en 1200 en drie randen van Maaslands wit aardewerk dateren tussen 1125 en 1175. Het spoor bevatte ook dierlijk bot.
aantal
14 6 1 1 8 4 2
In werkput 11 sloot een smal, gehoekt greppelspoortje oostelijk aan op S143. Dit spoor S144 was in de coupe 40 cm diep en bevatte
Tabel 2. overzicht spooraard in Zone B
50
Fig. 40. De allesporenkaart opgraving Zone B, bovenin compleet met schaalbalk; onderin ingezoomd.. Blauw: greppel-/slootsporen, groen: kuilsporen, rood: paalsporen, geel en roze: sedimentatielagen, zwart gearceerd: recente sporen.
in haar vulling een scherf van Maaslands wit, een scherf van grijsbakkend en een scherf van roodbakkend aardewerk.
is gegraven. Het gaat duidelijk om een kuil die gebruikt is voor veenwinning. Tijdens het verdiepen was duidelijk dat de kuil door het veen niet lineair was, maar een duidelijk en strak begrensde kuil.
Ook het spoor S135 bleek in de coupe uit twee greppels naast elkaar te bestaan. De tweede greppel kreeg het spoornummer S207. Het laatste spoor was 68 cm diep en had een vuile opvulling met veel insluitsels, zoals houtskool, maar ook fosfaat. Uit de vulling konden ook 17 scherven verzameld worden. Het gaat voornamelijk om Paffrath en grijsbakkend aardewerk, naast ook Pingsdorf aardewerk. 4 randscherven van grijsbakkend aardewerk daetren in de dertiende eeuw en vier Pingsdrof randscherven dateren tussen 1050 en 1200. Ook uit dit spoor kwamen enkele grote stukken dierlijk bot. Het spoor S135 was 94 cm diep en had gelijksoortige vuile opvullagen met veel insluitsels. Uit de vulling van dit spoor kwamen een scherf van grijsbakkend aardewerk, een scherf van Pingsdorf aardewerk en vier scherven van kogelpot aardewerk.
De coupe is vanwege de diepte en dreigend instortingsgevaar van het profiel niet doorgezet tot aan de onderkant van de kuil, maar is gestopt op een diepte van 1,87 m onder het vlak. De kuil zal tot de onderkant van het veenpakket hebben gereikt. Uit de bovenste vullingen van het spoor (vulling 1, 2 en 3) zijn bij het couperen zes scherven verzameld. Het gaat om scherven van Pingsdorf, Blauwgrijs (Paffrath-baksel), Maaslands wit, en ook roodbakkend en grijsbakkend aardewerk. De datering ligt daarmee rond 1200. Omdat de spoorsituatie in de rest van de putten geen aanleiding gaven tot verdere uitbreiding van de opgraving hier, zijn we niet te weten
Fig. 41 Coupe door kuil S 134
gekomen of het spoor S134 inderdaad door loopt en een greppel- of slootspoor is of toch een grote kuil. We roepen even in herinnering dat in de zuidwesthoek van de opgraving in zone A het spoor S192 ook in eerste instantie als greppelspoor is geïnterpreteerd (zie boven), maar mogelijk ook een ingraving betreft ten behoeve van veenwinning.
Opvallend is het spoor S134 (Fig. 41). Dit spoor is in het vlak als een breed greppel- of slootspoor geïnterpreteerd, omdat het spoor schijnbaar lineair van noord naar zuid de werkput lijkt te doorkruisen. Het is de vraag of het wel om een slootspoor gaat of dat we niet eerder te maken hebben met een kuilspoor van zeer grote omvang. In de coupe namelijk eindigt de brede insteek met schuine wanden op een diepte van ca. 1,10 m onder het vlakniveau (ca. 1,20 m – NAP) in een strakke kuil met rechte wanden die door het onderliggende veenpakket
In dit kader is het interessant om te melden dat tijdens de onlangs (januari 2018) door ons uitgevoerde opgraving aan de De Kempenaerstraat in Vlissingen bij het couperen 52
van een slootspoor ook onderin op verschillende plaatsen een veenwinningskuil aanwezig was. Het lijkt hier alsof men de gelegenheid van het graven van een sloot waarneemt om ook dieper te graven en veen te winnen. Een ander opmerkelijk gegeven hier is dat de locatie van de werkputten hier en dus ook van spoor S134 weliswaar op de top van een grote kreekrug ligt, waar men normaal zou verwachten dat in de ondergrond geen intact veenpakket meer aanwezig zou zijn. Kreekruggen zijn restanten van kreekgeulen die vaak tot grote diepte zijn ingesleten en daarmee het veenpakket hebben weggespoeld. Uit de coupe blijkt dat hier de kreekrugafzetting een nog intact veenpakket afdekt. Blijkbaar hebben we te maken met toch relatief langzaam afgezette oeverwalafzettingen net ten noorden van de oorspronkelijke geul, daar waar Bennema en Van der Meer een restgeul hebben gekarteerd. Net ten westen van het spoor S134 lag het greppelspoor S133. Dit greppelspoor vormde een cirkel die een ruimte omgaf met een diameter van gemiddeld ca. 3,5 meter. In de coupe was het spoor nog tot een diepte van 23 cm onder het sporenvlak bewaard. Uit de vulling van het spoor zijn twee scherven verzameld: een van roodbakkend en een van Paffrath aardewerk. Ook is een dierlijk botfragment verzameld.
Dit soort cirkelvormige greppelsporen wordt vaker op middeleeuwse opgravingen in Zeeland aangetroffen en wordt geïnterpreteerd als het restant van een hooimijt. (Bijv. Dijkstra en Zuidhoff 2011, p. 219, 283, 288, 329, 361-263, 268, 287 en Silkens en Mostert 2010, Archeologische opgraving aan de Brouwerijstraat te Oostkapelle, gemeente
Veere, WAR 26 p. 13-15) In de noordwesthoek van werkput 11 onderscheidden we in het vlak de ogenschijnlijk separate greppelsporen S131 en S132 en wat een vervuilde laag leek met het spoornummer S126. Omdat in deze opgraving de sporen en vondsten wezen op een bewoningsgebied in de middeleeuwen, hebben we hier de put uitgebreid met een extra werkput met een breedte van 5 meter en een lengte van 24 meter. Het spoor S126 zette zich hier heel breed door als een slootspoor. De sporen S131 en S132 bleken in de lang getrokken dwarscoupe deel uit te maken van dit spoor. Het spoor reikte tot een diepte van 1,06 meter onder het sporenvlak. Uit spoor S126 konden we elf scherven verzamelen. Het gaat hoofdzakelijk om scherven van Maaslands wit, Pingsdorf, Paffrath en vroeg roodbakkend aardewerk die in de twaalfde en dertiende eeuw dateren. Daarnaast kwamen hieronder ook een scherf van steengoed mogelijk uit Langerwehe en daterend in de veertiende eeuw tevoorschijn. Een scherf van roodbakkend aardewerk uit de periode 1550 tot 1650 zullen we, gezien de meerderheid aan middeleeuwse vondsten uit dit spoor, als een intrusie zien ten gevolge van latere landbewerking. Het brede slootspoor S126 besloeg een groot deel van de uitbreiding van de werkput 11, zodat hier geen verdere andersoortige sporen gevonden zijn, die een aanwijzing voor bewoning hadden kunnen staven.
Net ten noorden ervan, tegen de noordgrens van de uitbreiding van werkput 11, is nog het greppelspoortje S171 gevonden, maar
Fig. 42 Coupe door kuil S 32
deze vertoonde een subrecente oorsprong. Hetzelfde geldt voor de paalsporen die hier zijn aangetroffen.
restant van een grotere ‘industriële’ activiteit. Uit het archeobotanisch onderzoek op een bodemmonster uit deze kuil (zie hoofdstuk @@) blijkt dat de kuil een grote hoeveelheid aan verkoolde graankorrels bevat.
Kuilsporen In het oostelijk deel van werkput 6 zijn drie kuilsporen opgegraven die deels ook zijn vrij gelegd in het westelijk deel van de aangrenzende werkput 11. Het gaat om de sporen S32, S33 en S34. Het spoor S32 is niet goed te duiden (Fig. 42). In de coupe reikte het spoor 98 cm diep en leek in de coupe door greppelspoor S31 nog door te reiken naar het westen. Het spoor was dus veel groter dan in het sporenvlak leek. De vraag is of hier ook weer niet een deel van een sloot of greppel is aangesneden. Bij het couperen zijn 13 scherven van grijsbakkend aardewerk verzameld, evenals drie botfragmenten. Het kuilspoor S33 was slechts 22 cm diep. Het kuilspoor S34 bleek een hele fraaie kuil met strak recht ingegraven wanden en een vlakke bodem (Fig. 43). De vulling bestond uit overwegend diep zwart, gelaagde vullagen met ook laagjes van verbrande klei. Het spoor reikte tot 64 cm onder het sporenvlak en bevatten twee scherven van Pingsdorf aardewerk, een grijsbakkende randscherf uit de dertiende eeuw en een scherf van Maaslands wit aardewerk. Het spoor met zijn vulling is duidelijk het
In het oostelijk deel van werkput 11 zijn nog de kuilsporen S142 en S136 opgegraven. Het spoor S142 was 30 cm diep en was komvormig met een vlakke bodem. In het vlak was het spoor lineair, maar met een duidelijk eind. Het kuilspoor S136 was in de coupe 50 cm diep en komvormig met een vrij onregelmatige bodem. Uit het spoor komen een kogelpotscherf en een grijsbakkend aardewerkscherf.
Paalsporen In de opgraving Zone B zijn zeven paalsporen in de vorm van paalgaten gevonden. In het oostelijk deel van werkput 11 gaat het om de paalsporen S140 en S141 die respectievelijk 2 en 9 cm diep reikten. In het westelijk deel van dezelfde werkput gaat het om de paalsporen S127, S128 en S129. De eerste twee sporen waren 6 cm diep en S129 was 5 cm diep. Uit het paalspoor S128 komen vijf scherven van middeleeuws roodbakkend aardewerk. Aan de noordzijde van de uitbereiding van werkput lagen de paalsporen S169 en S170. Deze sporen blijken niet te zijn gecoupeerd. Hier lag trouwens een weinig verder naar het oosten nog een paalspoor dat ogenschijnlijk bij de beschrijving van de sporen in het veld over het hoofd is gezien. Uit de paalsporen is geen structuur te reconstrueren.
Vlek Tenslotte zijn tegen de oostzijde van het recente greppelspoor S137 nog de vage grondsporen S138 en S139 gedocumenteerd. Omdat ook in de coupe de aard van deze sporen niet duidelijk werd, zijn beide als ‘vlek’ geduid. Fig. 43 Foto coupe kuil S 34
Zone C
Het lengteprofiel van werkput 14 is als volgt opgebouwd (zie ook Fig. 44-47):
inleiding
Aan de voet bevinden zich natuurlijke afzettingen van klei (S526, S527, S555), afgedekt door een meer zandige natuurlijk afgezette laag (S522). Aan het oosteinde van het profiel (links) bestaan deze afzettingen (S523, S524, S525) mogelijk uit geulafzettingen van een geul die dieper reikt en onderliggend veen heeft verspoeld. In de lagen hier komen veel veenbrokjes voor.
Tijdens de opgraving is in het centrum van het plangebied, ter hoogte van Zone C, de proefsleuf P2 nog eens opgezocht. De proefsleuf is opnieuw open gegraven, omdat tijdens het proefsleuvenonderzoek de sporensituatie in de sleuf P2 zeer onduidelijk bleef. Hier zijn redelijk veel vondsten gedaan en de optredende, archeologische grondsporen bleken in de coupe alle dagzomende lagen te zijn. (zie boven). De opnieuw opgezochte proefsleuf kreeg het werkputnummer 14, waarin het nieuw en iets dieper aangelegde sporenvlak geen nieuw licht op de materie wierp.
Ook aan de oostzijde van het profiel ligt boven op het natuurlijk sediment een opduiking van eveneens een zandig natuurlijk sediment (S521). Het lijkt hierbij om een overwal te gaan die aan de oostzijde is geflankeerd door opvullagen van een geul en aan de westzijde door een wat minder diepe insnijding. Mogelijk gaat het hier om een oorspronkelijk poelgebied naast een geul met oeverwal, dat later ook door geulactiviteiten is getroffen.
lengteprofiel werkput 14 Om te kijken hoe de archeologische sporensituatie zich in de omgeving van werkput 14 zich gedroeg, zijn ook de werkputten 15 en 16 aangelegd. Werkput 15 was 4 meter breed en ca. 48 meter lang en lag parallel aan werkput 14 op een afstand van 8,5 meter naar het noorden. Werkput 16 verbond beide werkputten aan de westzijde en was 4 meter breed en 19 meter lang. In beide putten leken alleen opnieuw dagzomende lagen aangesneden te zijn.
Op de vermoedelijke oeverwal ligt een vuile cultuurlaag (S520) die zich naar het westen uitstrekt tot een dikke opvullaag in de depressie of het geulrestant aldaar. Hier vermengt de laag zich in een pakket van verschillende opvullagen (S540, S539, S538, S537). Uit laag S539 komt een Pingsdorf scherf. Een graankorrel (Avena) uit de lagen S538 en S539 levert een 14C-datering op die met 95,4% waarschijnlijkheid tussen 1020 en 1155 ligt. Het botanisch onderzoek leert dat ten tijde van deze stilstandfase en de vorming en betreding van deze cultuurlaag de omgeving een (volledig) zoetwatermilieu kent. In de onderzochte monsters komen geen indicatoren voor een brak of zout milieu voor.
Daarom is besloten om langs het zuidwand van de werkput 14 een diep lengteprofiel aan te leggen (Fig. 44) Het resulteerde in een schitterend lengteprofiel dat inzicht lijkt te geven in de dynamische landschapsvorming en woonomstandigheden daarbinnen in de middeleeuwen. Bij dit inzicht worden we geholpen door de resultaten van het micromorfologisch onderzoek dat op grondmonsters uit dit profiel is uitgevoerd. Het micromorfologisch onderzoek is uitgevoerd door Kirsten van Kappel en Richard Exaltus (ArcheoPro) en werd mogelijk gemaakt door een subsidie van de Provincie Zeeland in het kader van de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland (POAZ). Opvallend zijn daarnaast de resultaten van het botanisch onderzoek.
Dit lagenpakket wordt afgedekt door de natuurlijke sedimentatielaag (S533) die op zijn beurt weer wordt afgedekt door een donkere vegetatielaag en/of cultuurlaag S532 die gevormd is tijdens een periode van stilstand in de sedimentatie. Aan de oostzijde van de vermoedelijke oeverwal is sprake van een diepere insnijding als gevolg van geulactiviteit. Hierin ligt onderaan de dikke laag S512. Daarop gelegen is een pakket (S504) dat opgebouwd lijkt uit plaggen. Het lijkt alsof de mens hier de geul voor een deel heeft
Het rapport van dit onderzoek wordt hieronder integraal opgenomen. 55
Fig. 44. Werkput 14 zuidprofiel. Bovenin profieltekening, daaronder profielfoto’s aan elkaar geplakt (‘stitch’), daaronder een foto van het aanleggen van het zuidprofiel.
Fig. 45. Werkput 14 zuidprofiel oostelijk deel. Bovenin profieltekening, daaronder profielfoto’s aan elkaar geplakt (‘stitch’). In lichtgrijs de pollenbakken ten behoeve van pollenonderzoek en micromorfologisch onderzoek. In lichtgroen de verschillende niveaus die bij het micromorfologisch onderzoek zijn onderscheiden
Fig. 46. Werkput 14 zuidprofiel middendeel. Bovenin profieltekening, daaronder profielfoto’s aan elkaar geplakt (‘stitch’). In lichtgrijs de pollenbakken ten behoeve van pollenonderzoek en micromorfologisch onderzoek. Deze zijn uiteindelijk niet geselecteerd. De groene stippen geven de monsterlocaties voor macroresten-onderzoek aan. Hiervan zijn ook graankorrels door koolstofdatering gedateerd.
Fig. 47. Werkput 14 zuidprofiel westelijk deel. Bovenin profieltekening, daaronder profielfoto’s aan elkaar geplakt (‘stitch’).
willen afdammen. Ook is het mogelijk dat men het woon- of gebruiksoppervlak heeft willen vergroten.
ver weg. Dat blijkt ook uit de nieuwe, relatief dikke vegetatie- en cultuurlaag S518 die zich in de stilstandfase volgend op de overstromingen hier heeft gevormd. Opnieuw worden in deze laag ook resten van stookactiviteiten in de nabije omgeving waargenomen, maar dit keer niet, zoals wel het geval was bij de onderliggende cultuurlaag S520, op de plaats zelf. Uit de cultuurlaag komen twee scherven van blauwgrijs aardewerk (Paffrath) die in de twaalfde eeuw dateren.
Daarnaast is de insnijding van een opgevulde geul te zien. Het kan zijn dat het ‘dammetje’ of dijkje dwars op de geul door deze latere geul is doorsneden. De onderste lagen S510, S514 en S516 hiervan stammen mogelijk uit dezelfde tijd als de cultuurlaag S520 op de vermoedelijke oeverwal, of ze zijn ouder. De laag S520 wordt namelijk afgedekt door een overstromingslaag (S515) die naar het oosten toe ook de bovengenoemde lagen (deels) afdekt. Vervolgens is de geul hier opgevuld met een afwisseling van ogenschijnlijk natuurlijke overstromingslagen (S505, S507, S509(?)) en restanten van ‘cultuurlagen’ (S506, S508) die getuigen van perioden van stilstand in de sedimentatie. Uit het spoor S508 komen een Pingsdorf en een grijsbakkende scherf.