23-030 Bijlage 1. toelichting en regels VG01 1e herziening Hazenburg 2 Arnemuiden
Tekst van het document
Juust
In het plangebied zijn geen gronden van het waterschap gelegen.
29
1e herziening Hazenburg 2 Arnemuiden
Wegen in beheer bij het waterschap Het plan ontsluit via de Slaak en de Zoutneringstraat (alleen invullen voor zover van toepassing) op de Derringmoerweg. De Derringmoerweg is in * in de bouwfase: eigendom en beheer bij het waterschap. De kruising Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats met de Derringmoerweg is reeds vormgegeven na over waterschapswegen? vaststelling van het bestemmingsplan 'Hazenburg 2'. * na realisatie: verkeersaantrekkende werking Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer?
Parkeren zal zowel op eigen terrein als in de openbare ruimte plaatsvinden. Het plan heeft een extra verkeersgeneratie van 347,9 motorvoertuigbewegingen per etmaal. In de bouwfase zullen er transporten over en deze weg plaatsvinden.
*na realisatie: bereikbaarheid Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers voetgangers uw plan kunnen bereiken. Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw Er wordt gebouwd op ruim 150 meter van de aangelegd? Derringmoerweg. * na realisatie: parkeren Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd? * na realisatie: (ver)bouwen Bent u voornemens om binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals een woning of afscheiding (gefundeerd).
4.12
Milieu Effect Rapportage
In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Hierbij moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden geldt een m.e.r.-plicht. In onderdeel D is per activiteit de drempelwaarde benoemd. Als een activiteit voorkomt in onderdeel D en boven de drempelwaarde komt, geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Indien er activiteiten plaatsvinden die in onderdeel D zijn opgenomen, maar onder de drempelwaarde blijven, dient er nagegaan te worden of het project grote milieugevolgen heeft. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.. De hoofdcriteria waaraan getoetst moet worden zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Het bevoegd gezag dient vervolgens voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een besluit te nemen of er een MER moet worden opgesteld. De grondslag hiervoor is een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Bij woningbouw kan er sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in onderdeel D 11.2, kolom 1; 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterrein.' Er is sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Echter, de ontwikkeling van 46 woningen blijft ver onder de drempelwaarden. In de huidige situatie mag er reeds binnen het plangebied gebouwd worden. De woningen vormen geen nieuw beslag op de ruimte en heeft geen milieueffecten groter dan wat in de huidige situatie is toegestaan. Dit blijkt uit de voorgaande paragrafen 4.2 t/m4.11. Het opstellen van een aparte aanmeldnotitie is daarom niet doelmatig.
4.13
Conclusie
Omgevingsaspecten zijn onderzocht en vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Planologische medewerking aan het initiatief ligt dan ook in de rede.
Juust
30
1e herziening Hazenburg 2 Arnemuiden
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Financiële uitvoerbaarheid
Voor bouwplannen zoals die zijn aangewezen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het uitgangspunt dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt. Van de verplichting een exploitatieplan vast te stellen kan onder andere worden afgeweken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door een anterieure overeenkomst of doordat de verplicht te verhalen kosten zijn verdisconteerd in de grondprijs. Dit plan voorziet in het realiseren van 46 woningen en betreft een 'aangewezen' bouwplan, zoals dat hiervoor is benoemd. Er is sprake van gemeentelijk eigendom. Ten behoeve van deze bestemmingsplanherziening die het gewijzigde woningprogramma mogelijk maakt, zijn in de exploitatieovereenkomst aanvullende afspraken gemaakt tussen de gemeente en de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid van de bestemmingsplanherziening is daarmee voldoende verzekerd. Voor het verkrijgen van de noodzakelijke omgevingsvergunning(en) zullen de gebruikelijke leges in rekening worden gebracht
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg Vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is voor dit plan van toepassing. In het kader van dit bestuurlijke vooroverleg is het plan in ieder geval toegezonden aan de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio. Ter inzage legging ontwerpbestemmingsplan Gelet op het bepaalde in artikel 3.8 Wro in combinatie met afdeling 3.4 Awb wordt een ontwerpbestemmingsplan, na voorafgaande bekendmaking, gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Een ieder is dan in de gelegenheid zijn of haar zienswijze mondeling of schriftelijk kenbaar te maken bij de gemeenteraad. Vaststelling van het bestemmingsplan, al dan niet in gewijzigde vorm, gebeurt met inachtneming van de ingediende zienswijzen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft ter inzage gelegen van 12 januari 2023 tot en met 22 februari 2023. Binnen deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Participatie Omwonenden zijn d.d. 10 mei 2022 per brief geïnformeerd over de voorgenomen ontwikkeling.
Juust
31
1e herziening Hazenburg 2 Arnemuiden
Juust
32
1e herziening Hazenburg 2 Arnemuiden
Bijlagen toelichting
Juust
33
1e herziening Hazenburg 2 Arnemuiden
Bijlage 1 Archeologisch onderzoek
Juust
34
1e herziening Hazenburg 2 Arnemuiden
Archeologisch proefsleuvenonderzoek en opgraving aan de Derringmoerweg, plangebied Hazenburg II te Arnemuiden, gemeente Middelburg
Walcherse Archeologische Dienst
Walcherse Archeologische Rapporten 41
Colofon Archeologisch proefsleuvenonderzoek en opgraving aan de Derringmoerweg, plangebied Hazenburg II te Arnemuiden, gemeente Middelburg Walcherse Archeologische Rapporten 41 WAD-Projectcode MIAR_013_008 en MIAR_014_005 Auteur B. H.F.M Meijlink & B. Silkens, met bijdragen van S.Ostkamp, J. van Dijk, M. Rijkelijkhuizen, L. van Beurden, K. van Kappel & R. Exaltus en S. Bostelaar Afbeeldingen WAD tenzij anders vermeld Autorisatie—B. Silkens Uitgegeven door Walcherse Archeologische Dienst Postbus 70 4330 AB Middelburg Tel: 0118-67 88 03 Fax: 0118-62 80 94 e-mail: b.meijlink@middelburg.nl ISBN: 978-90-78877-62-2 Middelburg, 2018 Omslag Overzichtsfoto van de anleg van zuidprofiel van werkput 14
© Walcherse Archeologische Dienst, april 2018 Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
De WAD aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Inhoud Administratieve gegevens
4
1 Inleiding
5
2 Geologie en bodem
11
3 Overzicht archeologisch vooronderzoek
12
4 Resultaten proefsleuvenonderzoek 2013
18
5 Resultaten opgraving 2014
33
6. Vondstmelding veldbrandovens
66
7. Inspectie wegcunetten
70
8. Vondstmateriaal 8.1 Aardewerk 8.2 Dierlijk bot 8.3 Bewerkt bot 8.4 Botanie 8.5 Micromorfologie 8.6 Metaal 8.7 Natuursteen
72 72 87 92 95 105
S. Ostkamp J. van Dijk M. Rijkelijkhuizen L. van Beurden K. van Kappel, R. Exaltus B. Meijlink, S. Bostelaar B. Meijlink
9. Conclusies en aanbevelingen
122
Literatuur
127
Bijlagen
129
3
Administratieve gegevens Soort onderzoek: Inventariserend Onderzoek met Proefsleuven (IVO-p) & Opgraving Provincie: Zeeland Gemeente: Middelburg Plaats: Arnemuiden Toponiem: Derringmoerweg - plangebied Hazenburg II Centrumcoördinaten plangebied:
35722/392541
Oppervlakte plangebied: Oppervlakte onderzoeksgebied:
ca. 11 ha ca. 10,7 ha
Gemeente Middelburg M 01136 / M 00033 / M 00032 / M00023 Kadastrale gegevens: Kaartblad: 48B Archis zaaknummer vooronderzoek: Archis zaaknummer proefsleuven: Archies zaaknummer Opgraving:
2230856100 2425953100 2455307100
Opdrachtgever: Gemeente Middelburg Dhr. E. Veldman & Mevr. M. Bastiaanse Postbus 6000 4330 LA Middelburg Bevoegd gezag: Gemeente Middelburg Namens deze: B.H.F.M. Meijlink Walcherse Archeologische Dienst (WAD) Postbus 6000 4330 LA Middelburg e-mail: b.meijlink@middelburg.nl Beheer en plaats van documentatie: Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (SCEZ) Armeniaans Schuitvlot 1 4331 NL Middelburg Beheerder: dhr. J. van den Berg Tel.: 0118-670618; fax: 0118-670880 e-mail: jjh.vanden.berg@scez.nl Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD) Beheer en plaats van vondsten : Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (SCEZ) Armeniaans Schuitvlot 1 4331 NL Middelburg Depotbeheerder: dhr. J. van den Berg Tel.: 0118-670618; fax: 0118-670880 e-mail: jjh.vanden.berg@scez.nl Complextype :
niet van toepassing
Autorisatie: Drs. B. Silkens Senior archeoloog WAD ISBN-nummer 978-90-78877-62-2 4
1.
Inleiding proefsleuvenonderzoek naar een opgraving. Dit is tijdens de uitvoering komen te vervallen. De opgraving vond pas in 2014 plaats.
1.1 Aanleiding voor het onderzoek Net ten noordwesten van de kern van Arnemuiden wil de gemeente Middelburg aan de Derringmoerweg in de nabije toekomst een nieuwe woonwijk Hazenburg I en II aanleggen. Over de precieze aard, omvang en diepte van de graafwerkzaamheden die hiermee gepaard gaan, zijn nog geen gegevens bekend.
Beide veldonderzoeken werden op vraag van de gemeente Middelburg uitgevoerd door de Walcherse Archeologische Dienst (drs. B.H.F.M. Meijlink & drs. B. Silkens), in samenwerking met J. Vogel (gemeente Middelburg) en stagaires F. d’hondt, A. Feldbrugge en D. Winterswijk (Universiteit Gent) in december 2013 (IVO-p) en september 2014 (DAO).
De mogelijkheid bestond echter dat eventuele archeologische en cultuurhistorische waarden door de inrichtings- en bouwwerkzaamheden aangetast zouden worden. Het werd daarom noodzakelijk geacht een gespecificeerd verwachtingsmodel op te stellen waarin de te verwachten archeologische waarden en de verstoringen uit het (recente) verleden in kaart worden gebracht. In voorbereiding van alle onderzoeken heeft de WAD een inventarisatie van de verschillende archeologische verwachtingen en waarden binnen het plangebied gemaakt. ARCbv verrichte hiervoor een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek met boringen in het najaar van 2008 (Wullink 2009). Hierbij werden een aantal mogelijke vindplaatsen in kaart gebracht.
In mei 2015 zijn de wegcunetten van de nieuwe woonwijk Hazenburg II uitgegraven. Hier heeft de WAD een inspectie uitgevoerd door de uitgegraven cunetten af te lopen en optredende grondsporen met GPS in te meten. De resultaten van de onderzoeken in 2013, 2014 en 2015 zijn weergegeven in deze rapportage.
1.2 Ligging van het onderzoeksgebied Het plangebied aan de Derringmoerweg bevindt zich direct ten noordwesten van de dorpskern van Arnemuiden (fig. 1).
Om de precieze aard, datering, conservering en afbakening van deze vindplaatsen te achterhalen was verder archeologisch onderzoek noodzakelijk door middel van proefsleuven. De Walcherse Archeologische Dienst voerde dit in mei 2009 uit (Silkens 2011). De noordwestelijke hoek van het terrein had hierbij prioriteit. Dhr. de Koster, wiens boerderij zich binnen het plangebied bevond, kreeg in deze zone ruimte toegewezen gekregen voor een nieuw bedrijf. De werken hiervoor gingen aan de ontwikkeling van het plangebied vooraf. De oude boerderij Klaverwijk zal worden opgenomen in de nieuwe ontwikkeling.
1.3 Huidig gebruik en toekomstig gebruik Het terrein is momenteel in gebruik als akkerland. In de toekomst is het plangebied bestemd voor woningbouwontwikkeling.
1.4 Doel van het onderzoek Het archeologisch veldonderzoek is uitgevoerd binnen het kader van het Walchers archeologiebeleid, zoals vastgesteld in de Nota Archeologische monumentenzorg Walcheren, evaluatie 2008. Uitgangspunt van het archeologiebeleid is het streven in het kader van de archeologische monumentenzorg naar een optimaal behoud en beheer van het archeologisch erfgoed. De doelstelling van het Walchers beleid is bijgevolg in eerste plaats het veiligstellen van archeologisch waardevolle
In 2013 is vervolgens in de rest van het plangebied Het inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven voortgezet. In de tussentijd zijn de twee meest noordoostelijke percelen uit het plan gehaald. Hier is verder geen onderzoek verricht. Voor het proefsleuvenonderzoek heeft de WAD een programma van eisen (PvE) opgesteld. Aanvankelijk ging dit PvE uit van een direct opvolgende doorstart vanuit het 5
van paleo-ecologisch onderzoek? (Dit in verband met eventueel vervolgonderzoek.)
vindplaatsen (behoud in situ). Het onderzoeksterrein bevindt zich in een zone met een hoge en middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Hiervoor geldt dat alleen bodemingrepen die kleiner zijn dan 500 m2 en die niet dieper gaan dan 40 cm onder maaiveld vrijgesteld zijn van onderzoek. De geplande bodemingrepen in het plangebied overstijgen deze criteria.
- Zijn er sporen terug te vinden die terug te koppelen zijn aan specifieke activiteiten op het terrein, zoals de moerneringsactiviteiten in het gebied (‘Derringmoer’), agrarische activiteiten of productverwerking zoals baksteenproductie (per bewoningsfase)?
Het proefsleuvenonderzoek had in eerste instantie tot doel het opgestelde verwachtingsmodel te toetsen. De resultaten van dit onderzoek en het verwachtingsmodel lagen aan de basis van de besluitvorming over verder onderzoek in terreindelen door middel van een opgraving.
Specifiek gelden onderzoeksvragen:
de
- Zijn er op basis hiervan uitspraken te doen over de status, materiele cultuur en de leefomstandigheden van de bewoners (per bewoningsfase)? - Wat is de de mate van conservering en aard van paleo-ecologische resten? Welke uitspraken maken zij mogelijk over de voedseleconomie en de leefomstandigheden van de bewoners en het historisch landgebruik (per bewoningsfase)?
volgende
- Wat is de precieze aard van het verzamelde oppervlaktemateriaal en kunnen er op basis van de resultaten uitspraken gedaan worden voor de archeologische verwachting binnen de rest van het plangebied?
- Zijn in de ondergrond archeologische sporen en vondsten aanwezig? Zo ja, welke sporen, structuren en vondsten zijn dit? - Wat is de mate van conservering van de sporen, structuren en vondsten?
Ten behoeve van het selectieadvies na fase 1: - Wat is de waardering (volgens de waarderingstabel KNA versie 3.2 VS06) van de vindplaatsen?
- Hoe kunnen de sporen, structuren en vondsten worden geïnterpreteerd en gedateerd? - Is een fasering tussen verschillende sporen, structuren en vondsten aan te brengen en hoe luidt deze? Is er sprake van continue bewoning en wat is de relatie van eventuele structuren met de nog bestaande bebouwing?
- Welke vervolgstappen worden geadviseerd? Voor dit onderzoek is een Programma van Eisen opgesteld. Het onderzoek is uitgevoerd conform de toen geldende KNA 3.2.
- Is er daarnaast verder nog sprake van stratigrafisch te onderscheiden fenomenen? - Zijn er sporen van de voormalige perceelsindeling en wegennet terug te vinden?
1.5 Werkwijze De hier gepresenteerde rapportage focust op de resultaten van het uitgevoerde veldonderzoek.
- Zijn in het onderzochte terrein nog andere archeologische resten aanwezig, die niet gerelateerd zijn aan eventuele vindplaatsen uit de IJzertijd en/of Romeinse tijd? Zo ja, wat is de aard, de datering, omvang en mate van conservering van deze resten?
Voor het proefsleuvenonderzoek: De strategie was erop gericht om in eerste instantie door middel van een proefsleuf centraal over acht zones voldoende informatie te verkrijgen ten behoeve van de bevestiging dan wel weerlegging van de verwachting, zoals
- Is in de opgevulde sporen en lagen van eventuele vindplaatsen uit de IJzertijd en/of Romeinse tijd, sprake van een veelbelovende opvulling / veelbelovend sediment ten behoeve 6
Adressen (al dan niet digitaal) - ARCHIS (AMK, IKAW, omg en wng) - FlexiWeb gemeente Middelburg (topografie, kadastergegevens en luchtfoto’s) - Geoweb/CHS (Provincie Zeeland) (historische kaarten, luchtfoto’s) - Google Earth - Luchtfotografische documentatie 1974 (SCEZ) - Zeeuws Archief (historische kaarten, foto’s, bouwtekeningen, kadastrale minuut) - Zeeuwse Bibliotheek (fotobank) - Zeeuws Archeologisch Archief - Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
opgesteld tijdens het bureauonderzoek, het inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen en de oppervlakte kartering Vier zones (I-IV) betroffen een verwachting op resten uit de middeleeuwen op de kreekrug. De overige vier zones (V-VIII) betroffen terreindelen waar in de boringen nog een intact veenpakket was aangetroffen. De verwachting hier gold archeologische resten uit de ijzertijd en de Romeinse tijd die mogelijk in de top van het veen nog aanwezig konden zijn. De sleuven hadden een lengte van 50 meter en een breedte van 4 meter. Op basis van de bevindingen tijdens het veldonderzoek is deze strategie op plaatsen bijgesteld. Er is een vlak net onder de bouwvoor, op de top van de kreek (zone I-IV) en bij zone V-VIII ook een vlak op de top van het Hollandveen (zone V-VIII).
Oude kaarten - Visscher-Romankaart (1678) - Topografische Kaart van de Hattinga’s (1750) - Kadastrale kaart van Walcheren (Kuijper 1852) - Kadastrale kaart van Walcheren (1875) - Bonnebladen (1926)
De profielen van de werkputten en proefsleuven zijn door e archeologen van de WAD bestudeerd en beschreven. Voor het prachtige lengteprofiel van werkput 14 is ook Niels van Diepen van de Provincie Zeeland geraadpleegd. Niels is fysisch geograaf. Van de meeste proefsleuven zijn profielkolommen om de 10 meter gedocumenteerd, indien het profiel een eenduidig beeld vertoonde met bouwvoor op klei-/zandafzettingen. De hiervan afwijkende profieldelen, bijvoorbeeld met delen van een grondspoor of een loopvlak, zijn elk volledig gedocumenteerd.
Aardwetenschappelijke kaarten - Rijks Geologische Dienst (RGD). Geologische kaart van Nederland 1:50.000, Blad Walcheren, Haarlem: 1972, Tweede druk 1997. - RGD. Toelichtingen bij de Geologische kaart van Nederland 1:50.000, Blad Walcheren, Haarlem: 1972, Tweede druk 1997. - RGD. Paleogeografischekaarten van Zeeland, Holoceen, 1:500000, Haarlem: 1996. - RGD. Geologische kaarten van Zeeland, Holoceen, 1:250000, Haarlem: 1996. - Bennema, Ir. J. en Dr. Ir. K. van der Meer. De Bodemkartering van Nederland, deel XII, De Bodemkartering van Walcheren. Ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening, Directie van de Landbouw, Stichting voor Bodemkartering, ‘s-Gravenhage: 1952.
Voor de opgraving: De strategie was erop gericht om twee zones waar tijdens het proefsleuvenonderzoek in 2013 een concentratie Middeleeuwse sporen werd aangetroffen vlakdekkend te gaan opgraven. In twee andere zones is in eerste instantie met een proefsleuf gekeken naar mogelijke sporen. Deze zones waren tijdens het vorige veldonderzoek nog niet toegankelijk.
Voornaamste achteraan.
Het verloop van de verdere opgravingen is hieronder in meer detail beschreven Ten behoeve van het archeologisch onderzoek zijn door de Walcherse Archeologische Dienst de volgende bronnen geraadpleegd:
7
literatuur:
zie
literatuurlijst
3
2
1
Fig. 1 Het plangebied aan de Derringmoerweg en omgeving op de topografische kaart (rood omkaderd). De vier onderzoekszones zijn rood omkaderd weergegeven op het Actueel Hoogtebestand Nederland.
Fig. 2 Het onderzoeksgebied geprojecteerd op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) (rood). De kreekrug onder de weg is vrij goed herkenbaar in het landschap (groen/geel). De lagergelegen poelgronden zijn blauw weergegeven. Bron: www.AHN.nl
Fig. 3 Het onderzoeksgebied op een luchtfoto uit 1974 (rood omcirkeld). Bron: SCEZ
10
2. Geologie en bodem
Op de geologische kaart van Nederland (1:50.000) maakt de onderzoekslocatie deel uit van een gebied met afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (vroeger afzettingen van Duinkerke II) op afzettingen van het Laagpakket van Wormer (vroeger afzettingen van Calais). Op de geomorfologische kaart wordt binnen het plangebied een getij-inversierug en oeverwal aangegeven en geëgaliseerde en gemoerneerde zeekleigroenen. Op de bodemkaart uit 1994 (ARCHIS) staan kalkrijke poldervaaggronden; zware zavel, profielverloop 5 (Mn25A) Op de bodemkaart van Bennema en Van der Meer uit 1952 (1:16667) ligt het plangebied in een zone met kalkrijke jonge kreekruggrond met zavelige bovengrond (MMk3), kalkhoudende jongere kreekruggrond met zavelige bovengrond (MMr3), kalkhoudende jonge poelgrond (MMp1) en zwak kalkhoudende jonge poelgrond (MMp2) en lage oude poelgrond (Mop11).
Fig. 5 Bodemkaart van Bennema & Van der Meer 1952; de gele en lichtbruine tinten geven kreekafzettingen, de donkerbruine en donkerbruin-groene tinten kom- of poelafzettingen. Het plangebied is blauw omkaderd., het onderzoeksgebied rood. Bron: Zeeuws Archief, bewerking ARCbv & WAD
Bij de kreekafzettingen gaat het om vertakkingen van een fossiel kreeksysteem dat actief was in de Vroege Middeleeuwen en zich lokaal tot dieptes van circa 15-20 meter beneden NAP in het Hollandveen en de Wormerafzettingen heeft ingesneden. Tegen het eind van de Vroege Middeleeuwen zijn deze stroomgeulen geleidelijk verland met meer zandige afzettingen die in de loop der tijd minder sterk zijn ingeklonken dan de omliggende komkleigronden. Hierdoor ging de oorspronkelijke geul zich als een lichte verhoging, een zgn. getij-inversierug of kreekrug, in het landschap aftekenen (fig. 4). Door hun hogere en daardoor drogere ligging vormden deze getij-inversieruggen een aantrekkelijke woonlocatie waarop de meeste Walcherse dorpen en steden in de loop van de Middeleeuwen zijn ontstaan. Fig. 4 De vorming van een kreekrug.
Bron: Rijkstuinbouwconsulentschap, 1951.
11
3. Overzicht archeologisch vooronderzoek Wel is in deze gebieden de kans aanwezig dat het onderliggende veen nog intact is en niet weggesleten door kreekgeulen. Het veen werd bewoond in de ijzertijd en de Romeinse tijd. Het is om deze reden dat de lichtroze zone een middelhoge trefkans op vindplaatsen uit de middeleeuwen, maar ook uit de ijzertijd en de Romeinse tijd heeft.
3.1 Onderzoeksgeschiedenis Binnen het plangebied heeft in het najaar van 2008 een archeologisch bureau- en booronderzoek, in combinatie met een veldverkenning plaatsgevonden (OMG 33213). Dit onderzoek werd uitgevoerd door ARCbv (Wullink 2009). Hierbij werden een aantal zones met fosfaatvlekken in kaart gebracht die mogelijk in verband kunnen gebracht worden met een archeologische vindplaats. Ook kon op basis van historisch kaartmateriaal een boerderij uit de 18e eeuw verwacht worden in de noordwestelijke hoek van het terrein. In mei 2009 voerde de WAD een eerste proefsleuvenonderzoek uit ter hoogte van de nieuwe locatie van het bedrijf van dhr. Koster (Silkens et al. 2011).
Op een diepte van meer dan 25 meter onder het huidige maaiveld bestaat de kans op het aantreffen van Pleistoceen dekzand. Op de toppen van dit dekzand kunnen bewoningresten uit de Steentijd worden aangetroffen. In de nabijheid van de onderzoekslocatie zijn drie archeologische monumenten aanwezig (fig. 12). Ten zuiden van het plangebied heeft de historische stadskern van Arnemuiden een hoge archeologische waarde (AMK-nr 13434). Het betreft hier de 16e-eeuwse kern. Het oorspronkelijke Arnemuiden lag meer naar het zuiden en is in 1477 door een stormvloed verwoest. Circa een kilometer ten noordwesten van de locatie ligt de oude dorpskern van Kleverskerke. Dit dorp wordt al 1251 genoemd en de dorpskern heeft eveneens de status van monument van hoge archeologische waarde (AMK-nr 13432). Een kilometer ten zuidwesten van de locatie ligt nog een monument van hoge waarde (AMK-nr 13781), waar in 1986 de resten van een stenen huis uit de Late Middeleeuwen zijn aangetroffen. Het huis bevond zich in de nabijheid van het verdronken dorp Nieuwerkerke.
3.2 Bekende archeologische en historische waarden Tijdens het bureauonderzoek van ARCbv werden volgende vaststellingen gedaan: In eerste instantie is gekeken naar de indeling van het gebied in zones met een verschillende archeologische verwachting, zoals deze op de zogenaamde Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) zijn afgebakend (fig. 12). Het plangebied is gesitueerd in het buitengebied, ten noordwesten van Arnemuiden. Dit gebied is op de Walcherse archeologische verwachtingsen beleidsadvieskaart ingekleurd als een zone met hoge en middelhoge trefkans op archeologische waarden. De indeling in zones is gebaseerd op de geologische ondergrond van het deelgebied, zoals deze is weergegeven op de gedetailleerde bodemkaart van Bennema en Van der Meer. De donkerroze zone met een hoge trefkans op archeologische waarden komt overeen met het verloop van een getijinversierug (zie hoofdstuk 2). De lichtroze zones komen globaal overeen met de lager gelegen poelgebieden tussen de verschillende kreekruggen. Deze zones waren in het verleden vaker drassig en vormden daarom minder populaire vestigingsgebieden voor bewoning.
Naast deze monumenten zijn er diverse archeologische waarnemingen gedaan in de omgeving van de locatie. De meeste waarnemingen dateren uit de middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Een aantal waarnemingen bevindt zich op of in de nabijheid van de kreekinversierug. Waarnemingen 20456, 20462, 20463 en 20464 betreffen de locaties van voormalige vliedbergen. Waarnemingen 44767 en 44769 betreft de vondst van aardewerk uit de late middeleeuwen. Aan de noordzijde van Arnemuiden (wng 44769) en iets ten oosten van de onderzoekslocatie (wng 44767) is in 2000 tijdens een booronderzoek aardewerk 12
Fig. 6 Het plangebied op de kaart van Visscher-Roman (ca. 1680). Bron: Zeeuws Archief
Fig. 7 Het plangebied op de kaart van Hattinga (ca. 1750).
Fig. 8 Het plangebied op de kaart van Kuijper (ca. 1852).
Fig. 9 Het plangebied op de Bonnebladen (ca. 1930).
en baksteenpuin uit de late middeleeuwen of Nieuwe Tijd aangetroffen. Verder zijn er nog waarnemingen uit de Middeleeuwen bekend in Arnemuiden en rondom het monument bij het verdronken dorp Nieuwerkerke. Deze waarnemingen bij Nieuwerkerke liggen op een kreekrug die niet op de geomorfologische kaart staat aangegeven, maar wel op de kaart van Bennema & Van der Meer (1947). Naast deze middeleeuwse waarnemingen zijn ten zuidoosten van het plangebied archeologisch resten uit de ijzertijd (waarneming 20990)
en de Romeinse Tijd (waarneming 50880) aangetroffen. Deze waarnemingen liggen in de poelgronden tussen de locatie en Arnemuiden (Wullink, 2009).
Bron: Zeeuws Archief
Bron: ARCbv
Bron: Zeeuws Archief
Voor een beschrijving van de historische situatie in het plangebied is gebruik gemaakt van diverse historisch-topografische kaarten. Uit een vergelijking van het kaartmateriaal blijkt dat het wegenpatroon tot aan de naoorlogse ruilverkaveling in de eeuwen daarvoor 13
nauwelijks is gewijzigd. Op de oudste kaart, van Nicolaas Visscher uit 1681 (fig. 6), is het wegenpatroon min of meer het zelfde als op de kaart van Hattinga uit 1750 (fig. 7), de kaart van Kuijper uit 1852 (fig. 8), de Bonnebladen uit 1926 (fig. 9) en de bodemkaart van Bennema en Van de Meer uit 1949 (fig. 5). De weg die nu de Derringmoerweg heet, volgt de noordzuid lopende kreekrug. Op een topografische kaart uit 1900 wordt deze weg aangeduid als de Nieuweweg (fig. 10). Een tweede weg, op de kaart van 1900 aangegeven als de Van Cittersweg, volgt de oost-west lopende kreekrug. Ter plaatste van de huidige boerderij is al sinds 1681 (kaart Visscher-Roman) sprake van een boerenerf.
noch op de Visscher-Roman een eeuw eerder, noch op de kaart van Kuijper een eeuw later aangegeven en zal dus vrij korstondig in gebruik moeten zijn geweest. Op de kaart van 1900 staat de boerderij voor het eerst met zijn huidige naam weer gegegeven: Klaverwijk. In de tweede helft van de 20e eeuw is Walcheren ten prooi gevallen aan grootschalige ruilverkaveling. Hierbij is het oorspronkelijke wegenpatroon en de percelering grotendeels verdwenen, zoals te zien op fig. 1. De Nieuweweg is rechtgetrokken en omgenoemd naar de huidige Derringmoerweg. De oorspronkelijke Van Cittersweg is verdwenen, percelen zijn vergroot en houtwallen zijn verdwenen (Wullink, 2009).
Op de kaart van Hattinga is ten noorden van dit erf sprake van een tweede erf. Dit erf staat
Fig. 10 Het plangebied (blauw aangeduid) op een topografische kaart uit 1630. De boerderij Klaverwijk is hier voor het eerst aangegeven. De Derringmoerweg heette toen nog Nieuweweg. Bron: ARCbv
14
Fig. 11 Het plangebied aan de Derringmoerweg met gegevens uit het Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het plangebied staat groen aangegeven. !!UPDATE!!
200 m
Raster met RD coördinaten
Archeologische monumenten (AMK) 2014
Zaakidentificatielabels onderzoeksgebieden
Archeologische vondstlocaties
Zaakidentificatielabels vondstlocaties
Archeologische objecten (selecteerbaar)
Hazenburg ARCHIS
van met name het roodbakkend aardewerk, dat tijdens het veldwerk moeilijk per eeuw is te onderscheiden. Ook bestond natuurlijk het risico dat het duidelijke middeleeuwse materiaal ook behoort bij stadsafval dat buiten de stad is gedumpt. Het nabij gelegen Arnemuiden kent tijdens de Tachtigjarige Oorlog een periode van een verwoestende plundering in 1572-1574 en een opvolgende wederopbouw. Laatmiddeleeuwse resten kunnen op deze manier ook als ‘stadsafval’ op de onderzochte akkers terecht zijn gekomen. Dit risico is bewust genomen, mede gebaseerd op de archeologische indicatoren (bijvoorbeeld fosfaatresten) uit het booronderzoek.
3.4 Resultaten booronderzoek en veldkartering ARCbv (2008) Booronderzoek Het inventariserende veldonderzoek in de vorm van boringen bevatte 146 geplaatste boringen die in raaien (oost-west gericht) met een onderlinge afstand van 35 meter zijn geplaatst. De raaien lagen 30 meter uit elkaar. Zo zijn volgens de richtlijnen per hectare 8 boringen gezet. In het meest noordoostelijk perceel en ter hoogte van het bestaande erf toen zijn de boringen vervallen. Het booronderzoek bevestigde in grote lijnen de ligging van de kreekruggen en poelgebieden, al liet het zien dat ook in de poelgebieden nauwelijks nog van sprake is van een pakket Hollandveen met een intacte, veraarde top (Wullink 2009 en zie Fig. 12). Ter hoogte van de oorspronkelijke kreekgeulen blijkt dit volledig weggespoeld en in een groot deel van de flankerende oeverzones is de top van het veen (deels) geërodeerd. Wel konden vier gebieden aangewezen worden waar in aangrenzende boringen binnen de raaien nog een intacte top van het onderliggende veenpakket aanwezig is.
Tijdens de oppervlaktekartering zijn in navolging van de in het veld afgesproken aanpak bijna 1200 vondsten verzameld. Vijf percelen, in het noordoosten van het plangebied en in het midden, betrof weiland in plaats van geploegd akker. Hier kon geen oppervlaktekartering plaats vinden. Deze percelen zijn wit gebleven in volgende figuren. De middeleeuwse vondsten zijn grofweg verdeeld in aardewerkscherven te dateren in de periode tussen de tiende en dertiende eeuw en in de periode tussen de dertiende en vijftiende eeuw (zie fig. 12). Uit de eerste periode gaat het voornamelijk om kogelpot-, Paffrath-, Pingsdorf-, Maaslands wit-, en proto-steengoedaardewerk. Onder het aardewerk uit de tweede periode gaat het om grijs- en roodbakkend gedraaid aardewerk en steengoed. Daarnaast vormt een groot deel van de gekarteerde vondsten scherven en baksteenresten uit de nieuwe tijd.
Wel zijn op twee locaties in de boringen duidelijke fosfaatresten aangetoond. Fosfaatresten zijn een verklikker van dierlijk of menselijk mestaanhoping en kunnen een belangrijke aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van een voormalige boerenerf met dierenstal.
Het probleem is dat de spreiding van de verzamelde scherven geen opvallende concentraties vertoont. Het leidde tot de veronderstelling dat ook de middeleeuwse vondsten met grond van elders hier opgebracht zijn geweest of dat ze wel afkomstig zijn van een lokale vindplaats, maar door het eeuwenlang ploegen eventuele concentraties zijn uitgespreid en er een diffuus beeld is ontstaan.
Veldkartering Het inventariserend veldonderzoek in de vorm van oppervlaktekartering is in eerste instantie ingezet met het verzamelen van alle vondsten in een grid van vakken van 10 bij 10 meter. Al snel bleek, dat op de te onderzoeken akkers enorm veel vondsten liggen, waarvan ook een groot deel duidelijk uit de nieuwe tijd stamt. Veel (recentere) baksteenresten, maar ook andere vondsten gaven aan dat naast ‘oorspronkelijk’ vondstmateriaal ook veel materiaal als stadsafval opgebracht moet zijn geweest. In overleg met de WAD is daarom besloten om bij het verzamelen vooral gericht te zijn op aardewerkscherven uit de middeleeuwen en de vroege nieuwe tijd. Dit houdt een risico in bij het in het veld selecteren 16
hoogte van een gebied liggen in de periferie van een boerenerf. Er is om deze reden geen verder archeologisch onderzoek geadviseerd.
3.5 Resultaten proefsleuven onderzoek (2009)
Naast het fragment van een granaat uit de Tweede Wereldoorlog zijn ook rechthoekige sporen van paalkuilen in een rij gevonden. De mogelijkheid is geopperd dat dit sporen van zogenaamde Rommel-asperges zijn. Dit zijn verdedigingswerken, genoemd naar generaal Rommel, die de Duitsers aanlegden om een mogelijke geallieerde invasie te belemmeren. Het zijn bomen of boomstammen die op bepaalde afstanden van elkaar zijn geplaatst (doorgaans 20-25m, hoewel ook andere voorbeelden bekend zijn) en met elkaar zijn verbonden door middel van draden. Hier en daar waren ze voorzien van mijnen of andere explosieven. Deze Rommelasperges werden bijvoorbeeld in weilanden aangelegd om het landen van (zweef)vliegtuigen en parachutisten te bemoeilijken (fig. 13). De onderlinge afstand tussen de aangetroffen kuilen bedraagt slechts een 4-tal meter, waardoor het dus ook kan gaan om zwaar hekwerk of een andere lineaire structuur.
Het inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven begon in 2009 op het meest noordwestelijke perceel van het plangebied. Dit deel van het proefsleuvenonderzoek was in tijd naar voren getrokken, omdat hier op tijd begonnen moest worden met de bouw van een nieuwe boerderij voor de heer Koster. Ook op dit perceel bevond zich een spreiding van aardewerk uit de late middeleeuwen en uit de nieuwe tijd. Bovendien heeft hier volgens de oude kaart gemaakt in 1750 door de gebroeders Hattinga een gebouwtje gestaan. De WAD heeft op dit perceel drie proefsleuven aangelegd (Silkens et al., 2011). In de drie proefsleuven zijn geen resten van een gebouw uit de achttiende eeuw gevonden. Uit de late middeleeuwen stamt één spoor, namelijk een grote kuil. Uit de vulling van deze kuil kwam een kogelpotscherf (900-1200). Het vermoeden is dat de proefsleuven ter
Fig. 12 Locatie van de proefsleuven (grijs gestreept) op kaarten met de resultaten van de veldkartering van ARCbv. Het plangebied is blauw gestreept aangegeven. Links is in rood de spreiding aangeduid van aardewerk uit de tiende tot en met de dertiende eeuw. Rechts is in groen de spreiding aangeduid van aardewerk uit de dertiende en vijftiende eeuw. In paars is de restgeul aangeduid , zoals deze is gekarteerd door Bennema en Van der Meer, en in bruin is de oude weg op de restgeul aangeduid.
17
4.
Resultaten proefsleuvenonderzoek 2013
4.1 Inleiding en methode
op te leveren. De uiteindelijk opgegraven proefsleuven zijn in bovenstaande figuur 12 en in onderstaande figuur 20 weergegeven.
De diffuse spreiding van het vondstmateriaal maakte het moeilijk mogelijke vindplaatsen van contouren te voorzien. In eerste instantie is daarom voor een strategie gekozen, waarbij op basis van boorresultaten en die van de oppervlaktekartering zeven zones met een mogelijke vindplaats zijn aangewezen.
Helaas ontbrak in deze veldwerkperiode de tijd om vanuit dezelfde gedachtegang ook een proefsleuf in de oosthoek van het plangebied nog een sleuf te trekken. Dit is wel tijdens de opgraving gebeurd.
In vier gevallen gaat het om locaties waar in verschillende boringen naast elkaar veen is gevonden met een intacte top. Hier zijn de proefsleuven P5, P6, P7 en P8 gepland met als doel de top van het veen te onderzoeken op aanwezigheid van archeologische indicatoren. In vier andere gevallen gaat het om locaties waar in de boringen archeologische indicatoren zijn gevonden en waar ook veel middeleeuwse scherven zijn opgeraapt. In figuur 13 zijn de verschillende onderzoekszones met de geplande proefsleuven weergegeven. De putten hadden een omvang van 50 bij 4 meter.
Tenslotte hebben we op 30 oktober 2014 vier proefsleuven gegraven op het driehoekig perceel in de zuidpunt van het plangebied, gelegen tussen de west-oost georiënteerde sloot en de straat, genaamd Botter. In het verleden heeft SOB Research hier een boring gezet (in het kader van de ontwikkeling Hazenburg I ?? LITERATUUR opzoeken) waarbij een vondst uit de late middeleeuwen of de Nieuwe Tijd A werd gedaan. De vier proefsleuven maakten duidelijk dat het perceel in het nabije verleden met een pakket grond van ca. 80 – 100 cm dikte is opgehoogd. Onderin het pakket is de oude bouwvoor nog goed te herkennen. In de delen van de proefsleuven waar verdiept is tot onder de oude bouwvoor, zijn geen archeologische sporen of vondsten waargenomen.
Tijdens het proefsleuvenonderzoek is op basis van bevindingen in het veld het puttenplan op plaatsen aangepast. Zo is werkput 7 komen te vervallen, omdat ook dit perceel buiten de planontwikkeling kwam te liggen. Werkput 1 is naar het noorden toe verlengd, omdat tijdens de sloop van de boerderij van Koster en de sanering van het erf rondom interessante laatmiddeleeuwse/nieuwe tijd sporen tevoorschijn kwamen. Het gaat hierbij met name om de resten van veldbrandovens voor de productie van bakstenen. Deze worden hieronder nog besproken.
In overeenstemming met het programma van eisen is slechts een deel van de optredende sporen gecoupeerd. Dit is gedaan om geen afbreuk te doen aan eventuele structuren van samenhangende grondsporen die bij de opgraving ontdekt zouden kunnen worden. Hieronder bespreken we eerst de werkputten gericht op het onderzoek van de top van het onderliggend Hollandveen. Vanzelfsprekend is eerst een vlak aangelegd net onder de bouwvoor in de top van de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. De beschrijving van onder meer de kleur en de textuur van de sporen is terug te vinden in bijlage @.
De sporen en vondsten in de noordelijke verlenging van werkput 1 gaven aanleiding voor de aanleg van werkput 10 dwars op werkput 1. Werkput 3 kende een verlenging naar het oosten, omdat de spoorsituatie en bevindingen in het aangelegde lengteprofiel hiertoe aanleiding gaven. Om dezelfde reden is ten westen van werkput 3 ook nog werkput 9 aangelegd. Tijdens het veldwerk is ook met meer aandacht naar het reliëf van het landschap gekeken. Het gevolg hiervan is dat ook nog centraal in het plangebied werkput 11 is aangelegd. Deze bleek goede archeologische sporen en vondsten 18
Fig. 13 Locatie van de oorspronkelijk geplande proefsleuven (blauw gestreept) op kaart met de resultaten van het booronderzoek van ARCbv. Het plangebied is blauw gestreept aangegeven. De grote gearceerde cirkels geven de verschillende onderzoekszones weer: groen: kreekrug en archeologische indicator (middeleeuwen/Nieuwe Tijd); rood: intact veen (ijzertijd/Romeinse Tijd). De boringen (kleine cirkels) geven volgende bevindingen aan: groen = intact Hollandveen; geel = kreekrug; rood = geen veen.
coupe om twee afzonderlijke greppels naast elkaar te gaan met een diepte rond de 60 cm onder de bouwvoor. Een grijsbakkende scherf uit dit gecombineerde spoor dateert tussen 1200 en 1350.
4.2 IJzertijd/Romeinse Tijd op het Hollandveen proefsleuf P5 In put P5 in de zuidwesthoek van het plangebied is eerst een vlak direct onder de bouwvoor aangelegd (tussen ca. 0,60 m – NAP in het zuiden en 0,73 m – NAP in het noorden) (Fig. 14). Hierin traden naast verschillende recente sporen in de vorm van drains en slootkanten slechts drie archeologisch relevante sporen op. Het gaat om een 58 cm diep paalspoor (S13) in het zuiden van de put, een greppel of slootspoor (S14) centraal in de put en een greppelspoor (S16) in het noorden van de put. Beide greppelsporen lopen grofweg zuidwest-noordoost. Het noordelijke spoor is ca. 45 cm diep en heeft veel baksteenpuin in de vulling. Het greppelspoor S14 is niet gecoupeerd, vertoonde in haar vulling vrij veel basteenfragmentjes. Uit deze werkput P5 zijn geen aardewerkscherven afkomstig. De beide greppel- of slootsporen schatten we laatmiddeleeuws in.
Over bijna de gehele lengte van de sleuf is een smallere sleuf tot in de top van het veen aangelegd. Deze sleuf was ca. 3 bij 36 meter. Het vlak in de top van het veen is aangelegd op een niveau tussen 1,64 m en 2,00 m – NAP (ca. 1,60 – 2,00 m onder maaiveld). De top van het veen was voor een deel afgedekt door een zogenaamd slufterlaagje bestaande uit gesedimenteerde zandige klei met daarin verspoelde veenbrokjes. Het getuigt van een vrij krachtige overstroming, waarbij de top van het veen ook enigszins verspoeld is. In het westen sneed ongeveer zuidoost-noordwest een meer zandig gevulde geul de top van het veen. Noch in het veen noch in het geultje zijn archeologische resten gevonden.
proefsleuf P7 De proefsleuf P7 is niet aangelegd omdat het terrein ten tijde van het onderzoek niet was te betreden. In een later stadium hebben we ervoor gekozen de sleuf niet aan te leggen, vanwege de negatieve resultaten in de andere sleuven.
In vier delen van de werkput is een tweede vlak aangelegd op het niveau van de top van het veen. Het gaat om zoeksleuven van 2 bij 6,5 meter. In één geval is de sleuf korter gebleven, omdat een leiding werd geraakt die nog veel water voerde. In de zoeksleuven was gedeeltelijk een intacte top van het veen bewaard. Deze vertoonde aardig reliëf en lag tussen 1.04 en 1.75 meter onder maaiveld (1,35 – 1,97 m - NAP). In de verkorte sleuf was een kreekgeultje aanwezig dat de top van het veen heeft weggespoeld. In de stukken met intact veen zijn geen archeologische resten gevonden.
proefsleuf P8 De proefsleuf P8 is in het noorden van het plangebied aangelegd. Het eerste vlak is onder de bouwvoor aangelegd op ca 40 cm onder mv. (ca. 0,89 m – NAP) (Fig. 14). Hier traden geen grondsporen op. Vervolgens is de noordelijke helft (ca. 2 meter breed) verdiept naar het veen. Op een diepte van ca. 1,40 m – NAP was in het kleipakket een licht onderscheid te maken tussen twee kleiafzettingen, mogelijk een geultje. Op ca. 1,10 m onder maaiveld (tussen 1,35 en 1,62 m – NAP) is een tweede vlak in de top van het veen aangelegd. De top was redelijk intact. Hierin bevonden zich geen archeologische resten.
proefsleuf P6 In put P6 in het zuidoosten van het plangebied is een eerste vlak direct onder de bouwvoor aangelegd (tussen ca. 0,39 m – NAP in het westen en 0,31 m – NAP in het oosten) (Fig. 14). Centraal bevonden zich twee noord-zuid verlopende greppelsporen (S1 en S2) van iets meer dan 2 meter breedte. Greppelspoor 1 bevatte naast wat baksteenpuin ook drie laatmiddeleeuwse scherven (Pingsdorf, Maaslands Wit en grijsbakkend) en dateert daarmee in de twaalfde – dertiende eeuw. Bij het tweede greppelspoor (S2) bleek het in de 20
Fig. 14. De allesporenkaarten van proefsleuven P5, P6 en P8. Blauw: greppel-/slootsporen, geel en roze: sedimentatielagen, zwart gearceerd: recente sporen, wit uitgespaard: verdiept naar top Hollandveen. In put P8 is over de gehele lengte nog verdiept naar Hollandveen..
lag een groter runderskelet en, naar bleek, daaronder nog een groot deel van een tweede runderskelet. Tijdens het prepareren van deze skeletten kwam ook een fragment van een Delfts blauw tegeltje tevoorschijn. Twijfels over een laatmiddeleeuwse datering werden steeds groter. Ook de goede conservering van het botmateriaal deed ons concluderen dat het om (sub)recente runderbegravingen gaat. Het kuilspoor S95 was maar 5 cm diep en kuil S63 was 24 cm diep. Beide vertoonden dezelfde vulling als de sporen S64 en 65 en zijn ook als (sub)recent geclassificeerd.
4.3 Middeleeuwse resten op de kreekrug De hieronder beschreven proefsleuven waren gericht op onderzoek naar middeleeuwse resten in de top van de kreekafzettingen behorende bij het Laagpakket van Walcheren. De beschrijving van onder meer de kleur en de textuur van de sporen is terug te vinden in bijlage 1.
proefsleuf P1 en P10 De proefsleuf 1 is in eerste instantie met een lengte van 50 meter centraal in het westen van het plangebied aangelegd (Fig. @@). Het vlak lag met ca. 40 cm onder maaiveld op ca. 0,40 m – NAP in het zuiden en op ca. 0,26 m – NAP in het noorden. Deze put bleek vrijwel geheel leeg op het brede spoor van een recente sloot na in het zuiden. In het noordelijke uiteinde van de put kwamen drie oudere paalsporen (S53-S55) tevoorschijn en een grotere kuil (S52) van ca. 1,30 bij 0,75 m. De paalsporen waren donkergrijs en vierkant en bleken slechts 3 tot 4 centimeters diep. De kuil bleek in de coupe ook maar 20 centimeter diep en had dierlijke botresten en veel schelpresten in de vulling. Daarnaast kon een scherf van Maaslands Wit aardewerk verzameld worden.
Vanuit de constatering dat in het noordelijk deel van de proefsleuf P1 enkele mogelijk middeleeuwse kuilsporen aanwezig waren en dat een weinig ten noorden van dit terreindeel ook de resten van de veldbrandovens (zie onder) zijn gevonden, is haaks op het noorddeel van werkput P1 de proefsleuf P10 aangelegd. Hier is het vlak aangelegd op een niveau van 0,40 m – NAP in het westen en 0,30 m – NAP in het oosten. In de proefsleuf kwamen weer zes kuilsporen voor die sterk op de kuilsporen S64 en 65 uit P1 leken en als (sub)recent zijn geclassificeerd. Centraal lag een breed slootspoor (S93) dat onder het vlak nog 70 cm diep reikte. De sloot liep in noord-zuid-richting, was ca. 2,5 m breed en is bij de opgraving in de werkputten 20 (S244) en 21 (S270) opgepikt. Uit de vulling kwamen drie scherfjes van Pingsdorf-aardewerk (900-1200). Parallel aan de westzijde lag een greppelspoor S90 dat halverwege de proefsleuf stopte. Dit spoor was maximaal 1 meter breed en was in de coupe 16 cm diep. Uit het spoor komt een scherf van een Langerwehe pot uit de 14e eeuw(?). Aan de oostzijde van het slootspoor S93 lag de smalle greppel S96. Dit spoor was 17 cm diep en in het vlak maximaal 30 cm breed. Aan het oosteinde van de proefsleuf lag een cirkelvormig greppelspoor, dat we vaak interpreteren als het spoor van een hooimijt.
Het spoor zelf was 45 cm breed en ging ter hoogte van de gezette coupe 38 cm diep met een vrij spits toelopende bodem. Het spoor is in de latere opgravingsput 20 opgepikt. Hier liep het spoor halverwege uit. Het was dus niet overal even diep.
Omdat in het noorden van de werkput mogelijk middeleeuwse sporen voorkwamen en ook richting het noorden de vindplaats van de veldbrandovens (zie hieronder) gelegen was, is de proefsleuf P1 met 32 meter verlengd naar het noorden. Het vlak hier lag op ca. 0,30 m – NAP. In dit vlak werden tegen het oostprofiel drie kuilsporen (S58, S66 en S67) aangesneden. Kuilspoor S58 was was bijna 3,5 m lang en is niet gecoupeerd. S67 was bijna .50 m lang en is eveneens niet gecoupeerd. Het kuilspoor S66 was 0,80 m lang en maar 17 centimeter diep. Beide laatste sporen hadden baksteenspikkels en schelp in hun vulling. Naast twee subrecente slootsporen (S57 en S60) deden verschillende kuilsporen ons verbazen. De kuilsporen S59, S63, S64 en S65 leken door hun relatief homogene grijze vulling en het optreden van enkele scherven ook van laatmiddeleeuwse datering. Tijdens het couperen bleek in de kuil S64 het skelet van een kalf(?) aanwezig te zijn, waarvan de poten bijeen gebonden lijken te zijn geweest. In de noordelijk ervan gelegen kuil S65 22
Fig. 15. De allesporenkaarten van proefsleuven P1 en P10. Blauw: greppel-/slootsporen, groen: kuilsporen, rood: paalsporen, geel en roze: sedimentatielagen, zwart gearceerd: recente sporen.
van veelbelovende sporen in de westzijde van de sleuf, is besloten de put uit te breiden naar het westen. De uitbreiding is iets verschoven naar het zuiden, om ook net ten zuiden van een recente drain te blijven die in de westelijke helft van sleuf P3 tevoorschijn kwam. In de uitbreiding, 40 meter lang en ongeveer 4 meter breed, is het eerste vlak aangelegd tussen 0,28 m – NAP in het westen en 0,10 m – NAP in het oosten.
proefsleuf P2 Vijftig meter ten oosten van de proefsleuf P1 is proefsleuf P2 aangelegd (Fig. 16). Deze oostwest gerichte sleuf was 32 meter lang en lag in een oude boomgaard met grasland. Het eerste vlak is aangelegd ongeveer 40 cm onder toenmalig maaiveld aangelegd op gemiddeld 0,30 m – NAP. Het vlak werd ‘verstoord’ door de aanwezigheid van vier vierkante boomkuilen en een ander kuilspoor van recente datum. Daarnaast kwamen drie ronde paalsporen met een diameter van 40 cm en twee kleinere paalgaten voor die mogelijk in de Middeleeuwen gedateerd kunnen worden.
In de proefsleuf leken in eerste instantie vijf greppel- en/of slootsporen aanwezig (S4, S5, S8, S9 en S11). Alle sporen verlopen grofweg noord-zuid. Het meest oostelijk was het smalle greppelspoor S8. Deze was maximaal 78 cm breed en oversneed het kuilspoor S6. Beide sporen zijn niet gecoupeerd. 5,5 m verder naar het westen lag het 3,6 m brede slootspoor S4. In de coupe is dit spoor maar 2,5 m breed. Het spoor is puntig in de coupe en reikt tot 84 cm diepte. Uit het spoor komt een enkelzijdig geglazuurd roodbakkende scherf (1300-1500). Mogelijk is de sloot nog veel jonger. Ergens hier heeft namelijk volgens de kaart van Bennema en Van der Meer uit 1953 ook een sloot gelopen.
In het westen van de sleuf kwamen de noordzuid verlopende sporen S18 en S21 aan het licht die in het vlak als greppelsporen waren gezien. In de coupe bleek het hier om dagzomende lagen te gaan. Ook het onregelmatig verlopende spoor S27 bleek een dagzomende laag. Het spoor S24 lijkt ook te bestaan uit opvullingslagen van een poel. Bij de latere opgraving is in werkput 14 de proefsleuf P2 opnieuw opgezocht en is langs de zuidwand van de sleuf een lengteprofiel aangelegd. Het blijkt inderdaad dat hier een geul met verschillende opvullingslagen aanwezig is. Dit wordt hieronder bij de opgravingsresultaten in meer detail beschreven.
Op een afstand van ca. 6,20 meter naar het westen lag het greppelspoor S5. Dit was ca. 1,75 m breed. Het spoor is opgepikt in de opgraving (S149) en loopt door de gehele opgravingsput door naar het noorden. Uit het spoor hier kon een roodbakkende scherf verzameld worden. Hetzelfde geldt voor het 21 meter westelijk parallel lopende greppelspoor S52 dat in proefsleuf P3 ook is opgepikt met spoornummer S11. Beide strak noord-zuid verlopende greppelsporen behoren tot een zelfde stelsel dat in een laatste gebruiksfase van het terrein door de verschillende oudere sporen is aangelegd. Dit lijkt aan het eind van de middeleeuwen of het begin van de nieuwe tijd te zijn gebeurd. Het spoor S5 is niet gecoupeerd en het spoor S11 wordt in de coupe snel smaller en eindigt in een punt op ca. 50 cm diepte.
Uit de dagzomende lagen kwam middeleeuws aardewerk. De spaarzaam onderzochte en gecoupeerde sporen konden nu al veertien scherven van Pingsdorf-, kogelpot-, Maaslands wit- en grijsbakkend aardewerk verzameld worden. Het greppelspoor S25 doorsnijdt de verschillende sporen en omdat het spoor in het toenmalige maaiveld te volgens was, gaan we er van uit dat het een recent spoor betreft.
Ongeveer vier meter terug naar het oosten lag het noordwest-zuidoost verlopende 45 cm brede greppelspoor S9. Dit spoor was maar 24 cm diep. Het is opgepikt in de westelijke uitbreiding van de proefsleuf en ook in de opgraving. Parallel op 3,7 m afstand loopt een gelijksoortig greppelspoor S73 in de westelijke uitbreiding van deze sleuf. Dit greppelspoortje
proefsleuf P3 Centraal in het zuiden van het plangebied is de proefsleuf P3 aangelegd. In eerste instantie was de proefsleuf 50 meter lang (Fig. 16). Hier is het eerste vlak aangelegd tussen 0,07 m – NAP in het westen en 0,46 m – NAP in het oosten. Op basis van de aanwezigheid 24
Fig. 16. De allesporenkaarten van proefsleuven P2 en P3. Blauw: greppel-/slootsporen, groen: kuilsporen, rood: paalsporen, bruin: resten oude weg (?), geel en roze: sedimentatielagen, zwart gearceerd: recente sporen.
is ook in de opgraving opgepikt als spoor S176. Beide parallelle sporen doen denken aan bermslootjes van een oude weg.
vondstcontext bestrijkt daarmee eerder een periode van de twaalfde/dertiende tot en met de veertiende eeuw.
Ook in het westen van de sleuf P3 bevond zich een smal kuilspoor S10 dat in de coupe nog geen 10 cm diep was. Aan het westelijk uiteinde van de sleuf lag het kuilspoor S12 dat door greppelspoor S11 was oversneden. Ook in de coupe leek S12 een kuil van ca. 40 cm diepte. De onderste vulling bevatte veel brandafval met houtskool en verbrande klei. Gezien de bevindingen in de westelijke uitbreiding moeten we niet uitsluiten dat S12 misschien eerder een dagzomende laag betreft.
Boven deze donkere lagen van het spoor S69 bevinden zich opvullagen van spoor S70 die lijken op sedimentatielagen van een overstroming. Het gaat om lichter gekleurde lagen met ook telkens weer schelp als inclusie. Daarnaast zijn als inclusies ook menselijke afvalrestjes aanwezig in de vorm van baksteenspikkels, botfragmenten en enkele aardewerkscherven. Het is goed denkbaar dat bij de overstroming ook resten van een huisplaats of erf verspoeld zijn geraakt. We zien dit vaker bij opgravingen in Zeeland.
In de westelijke uitbreiding werden namelijk verschillende dagzomende lagen in het vlak aangetroffen. Het gaat om de sporen S68-71. In het diep aangelegde profiel langs de zuidwand van de sleuf bleken de lagen opvullingen van een brede geul of poel.
Als het spoor een geul betreft, is het opmerkelijk dat de geul in de opgraving niet is opgepikt. Hier zijn wel veel kuilsporen geïdentificeerd binnen een vuile laag (S179) met veel houtskool, baksteenspikkel en andere afvalrestjes. We moeten daarom niet uitsluiten dat deze kuilsporen eigenlijk niet anders zijn dan opvullagen van een bredere geul. Bij de interpretatie van een geul ‘stoort’ een weinig de aanwezigheid van de insnijding of ingraving onderaan het spoor tot in het veen. Het lijkt door zijn scherpe begrenzing een veenwinningskuil, maar zou het, zoals hierboven al gesteld, niet ook een kolkgat van een geul kunnen zijn?
Het profiel is hieronder afgebeeld (Fig. 17). Van onder naar boven beschreven zien we kreekafzettingen van het Laagpakket van Walcheren afgezet op een afgetopt pakket van het Hollandveen. Onderin het grote spoor is een insnijding in het veen te zien. Tijdens het aanleggen van het profiel was te zien dat het om een lokaal begrensde insnijding gaat en dus niet om een langgerekt spoor. Het is niet helemaal duidelijk of het hier om een door mensen gegraven veenwinningskuil gaat of dat het om een lokale erosie van een restgeul gaat in de vorm van bijvoorbeeld een kolkgat. Boven de insnijding zijn verschillende donkergrijze en zwarte lagen te zien die er getuigen van zijn dat het spoor langere tijd heeft opengelegen, waarbij ook vegetatie is opgetreden. Het gaat om een zeer kleiige vulling. Ook dit geeft aan dat slechts heel langzaam sediment is afgezet. In deze vulling (S69v2) kwamen erg veel vondsten voor, waaronder ook grote vormen. Uit het gehele spoor S69 gaat het alleen al in onze smalle profielsleuf door het spoor om 120 scherven met een gewicht van 2,55 kilo. Onder de bakselsoorten vinden we overwegend grijsbakkend aardewerk, waaronder een groot deel van een bolle voorraadpot (cat. 25). Samen met wat roodbakkende en steengoedscherven suggereert dit een datering van het complex in de veertiende eeuw.
Toch vinden we ook nog enkele scherven van Pingsdorf-, kogelpot- en Maaslands wit-aardewerk. De
Een tweede optie is dat de bewoners in de middeleeuwen lokaal een kuil hebben gegraven tot in het veen om dit als brandstof te winnen. De brede kuil hebben ze open laten liggen en heeft het karakter van een poel aangenomen. Omdat de poel tot in het veen reikte zal het water in de poel brak zijn geweest en dus ongeschikt voor het drenken van vee. De poel is bij latere overstromingen met sediment opgevuld. Een derde optie is dat men bij het graven van een brede ontwateringssloot ook lokaal dieper heeft gegraven om veen te winnen. We lijken een dergelijk fenomeen ook te hebben waargenomen op de recente opgraving aan De Kempenaerstraat in Vlissingen. De sloot heeft aanvankelijk voor rustige afwatering gezorgd en had lange tijd vegetatie op de bodem. Misschien lag de sloot ook langer droog. Bij latere overstromingen heeft de zee de sloot gevonden en opgevuld met karakteristieke kreeksedimentatie.
26
Fig. 17. Het zuidprofiel van proefsleuf P3 met helemaal onderin Hollandveen, daarboven in grijs kleiige en zavelige afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. De lichtgrijze insnijding is mogelijk het spoor van een moerneringskuil. De donkergrijze lagen zijn zeer humeus en getuigen van vegetatie en menselijk gebruik en afval. De lagen erboven vertonen ook sporen van overstroming door zeewater.. De zwarte vlek markeeett de vondstlocatie van het kannetje van steengoedaardewerk.
WOII-bom zijn gevonden.
Het is mogelijk dat de sloot afwaterde in de restgeul en dat later vanuit de restgeul de zee de sloot heeft veranderd in een kleine kreekgeul. Deze ‘aftakking’ zou dan door de karteerders Bennema en Van der Meer in 1947 zijn gemist.
In het westen van de sleuf verlopen de greppelsporen S48 en S49. Zij zijn wnwozo georiënteerd. S48 is mogelijk ook een dagzomende laag van S49. De sporen zijn niet gecoupeerd.
Bij de interpretatie als aftakking van de restgeul past de suggestie van een mogelijke weg er net naast, waarvan de hierboven beschreven parallelle (berm)slootjes een restant kunnen zijn.
proefsleuf P9 In de zuidwesthoek van het plangebied lag proefsleuf P9. Het vlak in deze sleuf is aangelegd op een diepte tussen 0,43 m en 0,53 m - NAP. De opmerkelijkste bevindingen hier betreffen de sporen van de restgeul (S78, S79 en S81) in de top van de kreekrug en van de oude weg (S83, S85, S86 en S87), zoals beide zijn gekarteerd door Bennema en Van der Meer in 1947 (publicatie 1953) (zie fig. ). De projectie van hun bodemkaart valt akelig precies samen met de bevindingen in het veld.
Naar het westen toe was de westelijke uitbreiding van sleuf P3 verder leeg van sporen en vondsten.
proefsleuf P4 In het oosten van het plangebied is de proefsleuf P4 aangelegd. De sleuf ligt boven op de kreekrug. Het eerste vlak is aangelegd ongeveer 40 cm onder maaiveld variërend tussen 0,55 m – NAP en 0,69 m – NAP. Aan de oostzijde van de sleuf besloegen de eerste 10 meter een heel vuil, heterogeen en vergraven pakket (S36). Bij de aanleg van het vlak leek dit het spoor van een oude weg zoals die ook in proefsleuf P9 is aangesneden (zie hieronder). In de coupe blijkt het toch om een grote kuil te gaan die nog 80 cm diep reikt. De beide parallel aangrenzende sporen S37 en S38 blijken eveneens van een grote, gelaagd opgevulde kuil te zijn. Misschien wijzen dit soort kuilen op kleiwinning. Het sediment op deze locatie bestaat voornamelijk uit taaie klei.
Het spoor van de oude weg bleek in het zuidprofiel (zie fig. met foto) 15 meter breed. In het profiel is het spoor scheef aangesneden. De breedte van de weg komt neer op ca. 8 meter. Het spoor bestond uit een opduiking tussen twee sporen die waarschijnlijk als bermsloten zijn te interpreteren. In de vullingen van deze sporen bevonden zich als insluitsels veel kiezels en baksteenpuin. Dit kan wijzen op het feit dat de weg bij tijd en wijle iets verhard werd door het opbrengen van kiezel en/of baksteenpuin. Een deel van dit opgebrachte spul zal dan geleidelijk in de flankerende bermsloten gespoeld zijn. Het gaat om vrij recent materiaal. De weg was tenslotte ook nog in gebruik in 1947, toen hij gekarteerd werd door Bennema en Van der Meer. Volgens de verschillende oude topografische kaarten was de weg nog in gebruik tot 1972 (bron Topotijdreis.nl); blijkbaar steeds als onverharde weg.