23-030 Bijlage 1. toelichting en regels VG01 1e herziening Hazenburg 2 Arnemuiden
Tekst van het document
Opvallend zijn de relatief veel fragmenten natuursteen uit het spoor S531. Het gaat om 30 stukjes tefriet die mogelijk stammen van een maalsteen, een grote knol silex met breukvlakken en een nog grotere knol silex met een rond gat. Deze laatste kan gemakkelijk als netverzwaarder bij het vissen of als weefgewicht zijn gebruikt. De cultuurlaag S518 met een voortzetting naar het oosten in S503 strekt zich vanuit het oosten boven de aldaar opgevulde geul via de vermoedelijke oeverwal uit naar het westen om daar ook het bovenbeschreven sedimentatiepakket geheel te bedekken.
Uit het micromorfologisch onderzoek blijkt dat bovengenoemde laag S520 inderdaad sporen van intensief landgebruik door de mens bevat. Vooral verschillende brandlaagjes laten zien dat men in situ verschillende keren achter elkaar stukken vegetatie op de kwelder in brand heeft gestoken om nieuwe vegetatie een kans te geven. Uit hetzelfde onderzoek blijkt ook dat de mens niet onfagebroken toegang tot dit deel van het landschap had. Het gebiedje werd herhaaldelijk weer overstroomd. Een activiteit die getuige de toename van sedimentatielaagjes boven in de laag met grotere frequentie optrad, totdat de mens hier daadwerkelijk moest wijken. De sedimentatielaag S515 is hier het bewijs van.
Dit pakket samen met laag S518 stopt op ca. 18 meter op de meetlijn vanaf het oosten en liggen daar stratigrafisch deels boven verschillende donkere cultuurlagen van een westelijk aangrenzende depressie of geul af. Het pakket eindigt op de dikke laag S534; een zeer humeuze laag een gelaagde opbouw en veel resten van fosfaat, maar ook dierlijke botfragmentjes, ander organisch materiaal en verbrande klei. Uit dit spoor komt een zeer fraai speelschijfje gemaakt uit walvisbeen en versierd met concentrische cirkels, maar ook een kaak van een schaap/geit en een tand van een varken. Ook is een scherf verzameld van Pingsdorf, van blauwgrijs (Paffrath) en van Maaslands wit aardewerk en zijn ook twee scherven van grijsbakkend aardewerk verzameld.
Deze laag S515 strekt zich ook uit naar het westen en dekt een groot deel van de hier gelegen opvullagen S540, S539, S538, S537 en de lagen S533 en S532 af. Uit het spoor komt een kogelpotscherf. De laag ligt, net als aan de oostzijde van de vermoedelijke oeverwal, ook in het westen ervan aan de basis van verschillende andere lagen van natuurlijke sedimentatie: S528, S529 en S531. Daartussen ligt nog een vegetatie- of cultuurlaag (S530).
Onder laag S534 liggen de even zozeer humeuze lagen S536 en S558, rijk aan organische resten. Vooral de laatste vertoonde in de vulling mestlaagjes, stroresten, houtresten, maar ook kleibrokken, dierlijk bot en aardewerk. Bij deze laatste categorie gaat het om een scherf van grijsbakkend aardewerk en een scherf van Maaslands wit aardewerk.
Het micromorfologisch onderzoek laat boven in dit sedimentatiepakket ook resten van stookactiviteiten in de nabije omgeving aanwezig zijn. Blijkbaar was de mens in deze periode niet 60
Meer naar het westen wordt de laag S534 afgedekt door een pakket bestaande uit de humeuze lagen S559, S542, S543 en S544 met opnieuw veel organische resten, waaronder dierlijke botresten, fosfaat, houtskool, mosselschelpen, maar ook verbrande klei. Uit de laag S543 komt een Pingsdorf scherf en een scherf van blauwgrijs aardewerk.
heeft geslagen en opnieuw de mens heeft geplaagd. Er zijn ook resten als houtskool, verbrande klei en fragmenten van dierlijk bot in deze lagen aanwezig, waaruit we kunnen concluderen dat de mens nog steeds in de omgeving aanwezig was. Uit het spoor S550 kwamen een roodbakkende scherf en een scherf van Maaslands wit aardwerk die dateert tussen 1125 en 1175. Ook kwamen uit dit spoor een driehoekige steen van basalt, waarvan de aard onduidelijk is en een opnieuw een knol van silex.
Een graankorrel (T. aestivum (zomertarwe?)) uit de lagen S543 en S559 levert een 14C-datering op die met 95,4% waarschijnlijkheid tussen 1020 en 1155 ligt. Opvallend is dat de datering volkomen identiek is met die op de haverkorrel uit spoor S520. Beide lagen zijn duidelijk gelijktijdig.
In het westen snijdt het spoor S551 door beide sedimentatielagen. Het lijkt een laatste fase van deze serie van overstromingen. Het is een laag, waarin zich toch ook houtskool en verbrande klei bevindt naast vier middeleeuws roodbakkend aardewerkscherven die konden worden verzameld uit het profiel. Midden in dit spoor bevindt zich een venige laag (S557) met verbrande klei, wat ook wijst op bewoning nabij.
Binnen dezelfde depressie of geul vormen de opvullagen S545, S546 en S547 een voortzetting van het spoor S543. Deze lagen zijn eveneens zeer fosfaatrijk. Het spoor S548 lijkt een restant van de oorspronkelijke natuurlijke afzetting. De aard van de opvullagen van deze depressie of restgeul met hun fosfaatrijke vullingen, hun organische resten en hun vondsten van verscheidene soort maakt duidelijk dat in de directe omgeving een boerenerf gelegen heeft. Het verhoogde fosfaat in de lagen aan de westgrens wijst mogelijk in de richting van het gebruik van deze locatie als drenkpoel voor vee; een drenkpoel die tegelijkertijd ook als afvalput is gebruikt.
Helemaal aan het westeinde van het lengteprofiel snijdt een nog later spoor (S554) door de lagen van deze geul. Het spoor is ca. 80 cm diep ten opzichte van het oorspronkelijk maaiveld en bevat in haar vulling veel fragmenten verbrande klei. Uit het spoor komen geen aardewerkvondsten. Het spoor is als een kuil geïnterpreteerd, maar zou ook een dagzomende laag van een andere geul kunnen zijn. In het sporenvlak van de aangrenzende werkput 16 is het spoor namelijk niet als separaat kuilspoor teruggevonden.
Vervolgens krijgen de bewoners van het gebied te maken met ernstige overstromingen. Over vrijwel de gehele lente van het profiel is een natuurlijk sedimentatiepakket bestaande uit de lagen S501, S502, S517 en S535 te zien. Het micromorfologisch onderzoek toont wel aan dat, in ieder geval aan het begin van deze overstromingen, stookactiviteiten in de omgeving plaats vonden.
Samengevat: Het aardewerk laat zien dat de gehele opvolging van menselijk gebruik en gedwongen verlating door overstromingen van dit deel van het onderzoeksgebied zich in de periode tussen 1150 en 1250 moet hebben afgespeeld. Een meer nauwkeurige datering tussen de verschillende stilstandfases is niet mogelijk. De datering van het aardewerk wordt bevestigd door de twee 14C-dateringen op graankorrels uit de onderste cultuurlagen. De dateringen vallen tussen 1022 en 1155.
Tenslotte snijden in het westelijk uiteinde van het profiel de lagen S549 en S550 door de sedimentatielaaf S535 en de westelijke lagen van de hierboven beschreven depressie of restgeul. Deze lagen ogen weliswaar vervuild, maar toch ook als een natuurlijke sedimentatie. In de vulling treden vrij veel schelpen op die wijzen op een vulling met zout of brak water. Het lijkt dat hier opnieuw na een periode van stilstand de zee een geul in het landschap
Het ziet er naar uit dat de mens in eerste instantie naast een restgeul in het oosten van ons profiel op een kleine oeverwal en in de 61
depressie ten westen van de wal activiteiten heeft uitgevoerd. Naast de depressie lag, iets verder in het westen nog een drenkpoel voor het vee. De poel gebruikte de mens ook als afvalput.
Zone D Tegen de westrand van het plangebied werden in proefsleuf 10 verschillende grondsporen en ook vondsten uit de middeleeuwen gedocumenteerd. Het was reden om hier het onderzoeksvlak uit te breiden. Aan weerszijden van de proefsleuf zijn twee opgravingsputten aangelegd (Fig. 48). Langs de noordzijde van de proefsleuf was dit werkput 20. Deze put was ca. 6 meter breed en 28 meter lang. Het onderzoeksvlak hier is aangelegd op een niveau tussen 0,39 m – NAP en 0,44 m – NAP. Langs de zuidzijde is de werkput 21 aangelegd met een breedte van 5 meter en een lengte van 30 meter. Het sporenvlak hier is aangelegd tussen de 0,17 m – NAP en 0,26 m – NAP.
In de geul ten oosten van de wal lijkt de mens nog pogingen te hebben ondernomen om deze af te dammen of om het gebruiksoppervlak te vergroten. Het gebruik van de locatie was mogelijk totdat de zee opnieuw van zich liet gelden en de geul hier weer uitsleet en ook delen van de oeverwal en de achterliggende depressie overstroomde. De mens moest wijken, maar bleef in de buurt, getuige de resten van stookactiviteiten in de overstromingspaketten. Bij een nieuwe stilstandfase wordt het terrein ter hoogte van het profiel opnieuw in gebruik genomen, alleen minder intensief dan in de eerdere gebruiksfase. Een nederzetting is altijd wel in de nabije omgeving aanwezig. Vervolgens wordt opnieuw het land overstroomd en wijkt de mens, aan het begin niet al te ver, zo blijkt uit de resten van stookactiviteiten in de onderkant van deze overstromingssedimenten.
spooraard zone D spooraard greppel karrespoor kuil laag paalgat paalkuil recent sloot/geul vlek
De overstromingsactiviteit lijkt zich langzaam te verschuiven richting het westen. Aan het westelijk uiteinde van het lange profiel zien we nieuwe insnijdingen van een mogelijke kreekgeul. De verschillende antropogene resten in de vullingen van deze geul geven aan dat de mens nog steeds in de buurt een verblijfplaats had. Het aardewerk doet vermoeden dat we ons dan nog steeds in de twaalfde / dertiende eeuw bevinden.
aantal
8 1 4 1 4 3 11 1 1
Tabel 3. overzicht spooraard in Zone D
Het geeft een beeld , waarin de bewoners van het gebied binnen een periode van ca. honderd jaar een onstuimig nederzettingsbestaan moet hebben gekend. Zij zijn daarbinnen verschillende keren tot ingrijpende verandering van hun woonomgeving gedwongen, waarbij ook zeker verhuizen en nieuwbouw noodzakelijk waren.
Greppelsporen In werkput 20 zijn naast verschillende recente grondsporen geen nieuwe sporen opgedoken. Aan de oostzijde van de werkput is een voortzetting van het cirkelvormige greppelspoor S100 uit proefsleuf P10 gedocumenteerd (S239). Dit spoor is gecoupeerd en was 12 cm diep. Het greppelspoor loopt niet helemaal rond, maar ‘loopt er halverwege uit’ en is in de proefsleuf P1 indertijd niet opgepikt. Het gevolg is dat maar een halve cirkel bewaard is gebleven. De diameter is ca. 7,20 meter. Dit soort sporen worden, zoals eerder vermeld, als restanten van hooimijten geïnterpreteerd. 62
Fig. 48. Allesporenkaart van opgraving zone D met de werkputten 20 en 21 aanweerszijden van proefsleuf P10. Blauw: greppelsporen, groen: kuilsporen, rood: paalsporen, geel en roze: sedimentatielagen en zwart gearceerd: recente sporen.
De rond de hooimijt gegraven greppel was dan voor opvang van regenwater, om dit ook weg te houden van het hooi, en mogelijk ook om de mijt te beschermen tegen klein ongedierte.
gegraven. Het greppelspoortje was 26 cm diep. De kans bestaat dat het spoortje recent is omdat het deel dat noord-zuid gericht is door lijkt te lopen in een recent spoortje gezien in de proefsleuf.
Halverwege is het slootspoor S93 uit de proefsleuf opgepikt (S244) en daarnaast de voortzetting van het smalle greppelspoor S96 uit de proefsleuf (S240). Beide sporen zijn niet opnieuw gecoupeerd. In de proefsleuf bleken zijn in een coupe respectievelijk 70 en 17 cm diep.
Kuilsporen Het slootspoor S270 oversnijdt aan haar oostzijde het breed aangezet kuilspoor (S260) dat naar het oosten toe een smaller wordende ‘uitlaat’ vertoonde. Het spoor is in de coupe tegen het slootspoor S270 94 cm diep, maar wordt naar het oosten in de versmalling snel ondieper. Onderin het diepe gedeelte van het spoor is een dik pakket van pikzwarte houtskoolrijke brandlaagjes. Mogelijk gaat het om een brandkuil met een zij-inlaat voor lucht om het verbrandingsproces te verbeteren. Het is niet duidelijk wat in de kuil verbrand, gebrand of gebakken werd. Uit de vulling is een scherf van Pingsdorf aardewerk verzameld.
In werkput 21 aan de zuidzijde van proefsleuf P10 is het brede slootspoor S93 uit de proefsleuf (S244 in WP 20) verder vervolgd. Hier heeft het spoor het nummer S270 gekregen. Uit de vulling van het spoor hier is een grijsbakkende scherf geborgen. Het smalle greppelspoor dat in de proefsleuf spoornummer S96 had is in werkput 21 opgepikt onder nummer S261. Het spoor maakt hier een scherpe bocht naar het westen en oversnijdt het kuilspoor S260. In de coupe hier is het spoor 45 cm diep. Uit de vulling van dit spoor komt een scherf van blauwgrijs aardewerk.
Een weinig verder naar het westen lag het grote kuilspoor S249 dat naar aanleiding van zijn vorm in het vlak mogelijk ook als een brandkuil met luchtinlaat geduid zou kunnen worden. Alleen bleek het spoor in de coupe slechts 10 cm diep. De donkere, vuile vulling had als insluitsels baksteenfragmentjes, verbrande klei, houtskool, dierlijke botfragmenten en een aardewerksplinter. Deze laatste vinden we niet terug in de aardewerkdatabase en is blijkbaar bij de primaire vondstverwerking voor te klein voor nader onderzoek bevonden.
In het oostdeel van de werkput lag het westoost georiënteerde greppelspoor S268. Dit spoor was 28 cm diep en vertoonde een strak, recht uiteinde, alsof de greppel ook echt op dat punt is aangezet. In het westen liep het greppelspoor S93 uit de proefsleuf ook door in de werkput 21 en kreeg het daar spoornummer S253. In de werkput 21 maakte het spoor een lichte bocht naar het zuidwesten om tegen de putwand oversneden te worden door het kuilspoor S249. S253 bleek in de coupe maar 7 cm diep. Uit de vulling komt een bodemscherf van een grote steengoedkan met glazuur/engobe.
Het spoor S248 in de zuidwesthoek van de werkput 21 is in het veld geïnterpreteerd als een dagzomende laag of opvulling van een depressie. Omdat het spoor maar gedeeltelijk is opgegraven kan niet uitgesloten worden dat het ook een kuil met hele grote afmetingen gaat. Het spoor reikte 72 cm diep en vertoonde twee vullingen, waarvan de bovenste vulling een opvullaag leek te zijn, mogelijk ook bestaande uit plaggen. De onderste vulling (v1) bevatte als insluitsels baksteenfragmenten, brokjes verbrande klei, houtskool en aardewerk. Bij het aardewerk gaat het om twee scherven van kogelpotaardewerk en drie scherven van Duits steengoed zonder glazuur. De laatste dateren tussen 1325 en 1375. Dit maakt dat het spoor bijna een eeuw later dateert dan
Het greppelspoor S253 (evenals het kuilspoor S249) oversnijdt een breed west-oost georiënteerd slootspoor dat een brede aftakking vertoonde naar het zuiden. Dit spoor S254 werd oversneden door slootspoor S270 en lijkt niet gezien in de proefsleuf P10. In de coupe is dit spoor 135 cm diep. Uit het spoor komen een grijsbakkende en een kogelpotscherf. In de noordwesthoek van werkput 21 was een small, gehoekt greppeltje S247 in S245 64