CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

21-150 Bijlage 1b. Toelichting en regels ONBP Trekdijk 209535

Gemeenteraad 10 november 2021, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Trekdijk’ (RM/21-150)30.809 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het beoogde zonnepark is niet als zelfstandige categorie benoemd in de VNG-brochure. Ten aanzien van de zonnepanelen zelf kan redelijkerwijs worden gesteld, dat geen milieuhinder (geluid, geur of stof) te verwachten is voor de omgeving. Voor de bijbehorende transformators kan enige geluidproductie overdag worden verwacht. Deze zijn het best vergelijkbaar met de in de VNG-brochure vermelde categorie ‘elektriciteitsdistributiebedrijven <10 MVA’ (milieucategorie 2). De richtafstand van de transformatoren tot omliggende woningen dient daarmee in beginsel ten minste 30 meter te bedragen.

Hoofdstuk 2

29

De meest nabijgelegen woning bevindt zich op circa 220 meter afstand tot het zonnepark. Onevenredige (geluid)overlast voor omliggende woningen is daarmee redelijkerwijs uitgesloten. Wat betreft de eventuele reflectie van licht (schittering) van de zonnepanelen richting de omgeving dient te worden opgemerkt dat de panelen met anti-reflecterend materiaal worden uitgevoerd. Hierdoor is hinder voor bijvoorbeeld passerend verkeer of omwonenden, als gevolg van deze lichtschittering, op voorhand uitgesloten. Samengevat wordt ten opzichte van alle woningen in de omgeving ruimschoots voldaan aan de richtafstand van 100 meter die wordt geadviseerd voor bedrijven van milieucategorie 3.2. Bovendien is in het voorliggende bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin voor de individuele bedrijven is vastgelegd dat de geluidbelasting op een afstand van 100 meter van de kavelgrens mag niet meer bedragen dan 50 dB(A) in de dagperiode (7.00-19.00 uur), 45 dB(A) in de avondperiode (19.00-23.00 uur) en 40 dB(A) in de nachtperiode (23.00-7.00 uur). Hierdoor is planologisch gewaarborgd dat zowel de geluidhinder van individuele bedrijven als de cumulatieve geluidbelasting van de bedrijven gezamenlijk niet leidt tot overschrijding van de geluidnormen op woningen in de omgeving.

In de omliggende woningen zal hierdoor sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat vanwege het aspect geluid van deze bedrijven. Wat betreft de (geluids)invloed van de verkeersaantrekkende werking van het bedrijventerrein wordt verwezen naar paragraaf 2.4.2. Conclusie Kort samengevat is het bedrijventerrein vanuit het aspect milieuzonering inpasbaar in zijn omgeving. In de woningen in de omgeving zal in de toekomstige situatie sprake blijven van een goed woon- en leefklimaat. Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er kortom geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein. 2.4.6 Leidingen en telecommunicatie Het plangebied wordt doorkruist door een bovengrondse hoogspanningsverbinding en een AC-waterleiding (Asbest – Cement). Voor het overige zijn blijkens de geldende bestemmingsplannen en de risicokaart op of rond het plangebied geen kabels of leidingen gelegen met een bestemmingsplanplichtige beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Bovengrondse hoogspanningsverbinding In het geldende bestemmingsplan is voor het tracé en de daaromheen liggende beschermingszone de dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ opgenomen. Deze gronden zijn tevens bestemd voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding van ten hoogste 150 kV.

Bouwen ten dienste van andere bestemmingen is ter plaatse van de dubbelbestemming in principe niet toegestaan, tenzij het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering en de bouwhoogte niet wordt verhoogd.

Hoofdstuk 2

30

De hoogspanningsverbinding heeft een indicatieve magneetveldzone van 65 meter aan weerszijden uit het hart van de leiding. Blijkens adviezen van het voormalige ministerie van VROM9 wordt aangeraden om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in dat gebied. Reden hiervoor is dat kinderen die dicht bij een hoogspanningslijn wonen, waar het magneetveld sterker is dan verder verwijderd van de hoogspanningslijn, mogelijk extra risico op leukemie lopen. Aangezien het voorliggende bestemmingsplan geen functies mogelijk maakt waar kinderen langdurig verblijven, vormt de ligging van de hoogspanningsverbinding in het plangebied geen belemmering.

Indicatieve magneetveldzone hoogspanningsverbinding

Het hoogspanningtracé blijft behouden bij de voorliggende ontwikkeling en wordt ingepast in het verkavelingsplan voor het bedrijventerrein. Ter plaatse van dit tracé is een groenvoorziening gepland in de vorm van een boomgaard. Voor de aanplant voor deze boomgaard nabij het hoogspanningtracé geldt een omgevingsvergunningplicht. Bij de vergunningaanvraag dient te worden aangetoond dat de aanwezige verbinding niet onevenredig wordt aangetast. Daarbij dienen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in te winnen van de leidingbeheerder, alvorens zij de vergunning verlenen. De planologische regeling met betrekking tot de hoogspanningsverbinding, zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan, is één op één overgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. Hiermee is de planologische bescherming van het hoogspanningtracé gewaarborgd.

9

Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen, ministerie van VROM, 2005 en Verduidelijking van het advies met betrekking tot hoogspanningslijnen, ministerie van VROM, 2008

Hoofdstuk 2

31

AC-waterleiding Aan de zuidzijde van het plangebied is een AC-waterleiding (Asbest-Cement) gelegen. Deze leiding heeft een diameter van 300 millimeter en is neergelegd in 1971. Hieronder in de figuur is concreet weergegeven waar de leiding zich bevindt.

Figuur 1 Waterleiding aangegeven met een blauwe lijn (Bron: DNWG 2021)

De AC-waterleiding behoeft specifieke aandacht en dient uiterst zorgvuldig beschermd te worden. Dit omdat het zeer kwetsbaar materiaal is wat geen enkele zetting kan verdragen. Bijvoorbeeld heiwerken, werkterreinen en / of routes –ook in de nabijheid- kunnen omvangrijke schade veroorzaken. Het is onwenselijk om over deze infrastructuur te bouwen, wijzigingen in de grond aan te brengen, of met zwaar transport over de leiding te gaan rijden.

Hoofdstuk 2

32

De leidingen moeten ook te allen tijde vrij toegankelijk blijven vanwege beheer en onderhoud. Er moet een onderhoudsstrook komen van minimaal 10 meter breedte. Ten behoeve van deze leiding en de onderhoudsstrook is de dubbelbestemming ‘Leiding – Water’ in dit bestemmingsplan opgenomen. Hiermee is de planologische bescherming van de waterleiding gewaarborgd.

2.5 Ecologie De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze wet vormt een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS), dat op provinciaal niveau in structuurvisies en verordeningen is vastgelegd. Om te kunnen beoordelen of de voorliggende ontwikkeling van het bedrijventerrein aan de Trekdijk in overeenstemming met de natuurwetgeving en het natuurbeleid kan worden uitgevoerd is een quickscan flora en fauna uitgevoerd in het plangebied.10 De resultaten staan hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage. Uit de quickscan volgt dat de aanwezigheid van vleermuizen (verblijfplaatsen, vliegroutes) en vogels met vaste rusten verblijfplaatsen (huismus, gierzwaluw, kerkuil) niet worden uitgesloten, effecten op deze soortgroepen kunnen dan ook niet worden uitgesloten. Op grond hiervan is een gerichte veldinventarisatie noodzakelijk om eventuele effecten en maatregelen op een adequate manier in te kunnen schatten. Pas na afronding van deze inventarisatie kan worden bepaald of verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden en of ontheffing van de Wet natuurbescherming is vereist.

Een dergelijk onderzoek dient uitgevoerd te worden in de periode half april t/m september. Naar aanleiding van de resultaten uit de quickscan is vervolgonderzoek uitgevoerd naar de huismus, gierzwaluw, kerkuil en vleermuizen11. De resultaten hiervan zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage. Binnen het plangebied zijn nestlocaties van huismus en kerkuil aangetroffen. Bij het vernielen of beschadigen van de nestplaatsen van deze soorten wordt een overtreding begaan op de Wet natuurbescherming. De voorgenomen sloopwerkzaamheden van de bestaande boerderij zijn hierdoor ontheffingsplichtig. Hiervoor dient een ontheffing aangevraagd te worden bij het bevoegd gezag, in dit geval de provincie Zeeland. De ontheffingsaanvraag is in voorbereiding en wordt onderbouwd met een activiteitenplan, waarin onder andere compenserende en mitigerende maatregelen, alternatievenafwegingen en onderbouwing van het wettelijk belang staan beschreven. 10

Adviesbureau Mertens B.V., Quickscan Beschermde planten- en diersoorten uitbreiding bedrijventerrein Trekdijk te Middelburg, rapportnummer 2018.2967 d.d. april 2018 11 BRO, Resultaten vervolgonderzoek huismus, gierzwaluw, kerkuil en vleermuizen, Trekdijk, Middelburg, projectnummer P02830, 26 november 2020

Hoofdstuk 2

33

Daarnaast dienen de volgende maatregelen in acht te worden genomen:  De kap van opgaand groen dient buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Het broedseizoen loopt globaal van half maart t/m half augustus;  Met betrekking tot de algemene zorgplicht dienen eventueel aangetroffen dieren tijdens de werkzaamheden de kans te krijgen om het plangebied zelfstandig te verlaten. Bij soorten als egel en gewone pad kunnen de dieren met beleid verplaatst worden naar een veilige plek buiten het plangebied. Voor wat betreft het aspect stikstofdepositie op nabij gelegen Natura 2000-gebieden als gevolg van de bedrijventerreinontwikkeling heeft Antea Group een stikstofdepositie onderzoek12 uitgevoerd. De onderzoeksresultaten zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. In het onderzoek zijn zowel de effecten van de realisatiefase van het bedrijventerrein als de gebruiksfase (eindsituatie) in beeld gebracht. Uit de met AERIUS Calculator uitgevoerde berekeningen blijkt dat, als gevolg van de realisatie- en gebruiksfase ten behoeve van dit plan de stikstofdepositietoename niet hoger is dan 0,00 mol per hectare per jaar. Hierdoor kunnen voor het aspect stikstofdepositie significante gevolgen worden uitgesloten.

Doordat er geen overschrijding plaatsvindt kan het plan worden vastgesteld en zal het aspect stikstopdepositie geen belemmering vormen in de verdere besluitvorming.

2.6 Archeologie Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) per 1 september 2007 is de gemeente verantwoordelijk voor het archeologiebeleid en heeft de provincie zich hiervan teruggetrokken. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect archeologie in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Een aantal onderdelen van de Monumentenwet 1988 gaat over naar de Omgevingswet. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven deze onderdelen van kracht binnen het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Voor archeologie gaat het onder meer om:  het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen;

12

Antea Group, Stikstofdepositie onderzoek Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Trekdijk", projectnummer 0463948, 3 juni 2021

Hoofdstuk 2

34

 

de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie; de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen; de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen.

Op delen van het plangebied zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ van toepassing. Deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Op de voor ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemverstoringen met een oppervlakte groter dan 500 m2 en een diepte van meer dan 40 cm. Op basis van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemverstoringen met een oppervlakte groter dan 30 m2 en een diepte van meer dan 40 cm. Aangezien deze ondergrenzen bij de beoogde ontwikkelingen in het plangebied worden overschreden, is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. In het plangebied is volgens de heersende regelgeving eerst een verkennend onderzoek uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek en een booronderzoek13. Dit onderzoek heeft geresulteerd in de aanwijzing van dertien zones, waar een bepaalde archeologische verwachting gold en waar verder archeologisch onderzoek nodig is geacht. Vervolgens heeft de gemeente een vervolgonderzoek14 uit laten voeren, waarbij door het graven van proefsleuven twaalf onderzoekszones nader zijn onderzocht en gewaardeerd. Het resultaat van dit onderzoek is dat negen onderzoekszones vrijgegeven konden worden voor verder archeologisch onderzoek.

Drie zones bleken daadwerkelijk archeologische vindplaatsen te zijn. Bij onderzoekszone 1 is de aanwezigheid van een deel van een middeleeuws mottecomplex bevestigd. Bij onderzoekszone 12 zijn middeleeuwse sporen en vondsten aangetroffen. In beide gevallen gaat het om behoudenswaardige archeologische resten. In principe is het beleid dat gestreefd wordt naar behoud van deze archeologische vindplaatsen (behoud in situ). Het bevoegd gezag, de gemeente Middelburg, kan in een afweging tussen bijvoorbeeld economische en maatschappelijke belangen enerzijds en de archeologische belangen anderzijds ook besluiten om over te gaan tot opgraving (behoud ex situ). In dit geval heeft de gemeente gekozen voor opgraving van beide archeologische vindplaatsen. De derde vindplaats (onderzoekszone 10) betreft de locatie van de resten van een kleine boerenwoning, vermoedelijk teruggaand tot in de zeventiende eeuw. Bij de vaststelling van het gemeentelijk archeologiebeleid zijn verschillende hoofdthema’s geformuleerd, waarop het archeologisch onderzoek zich moet richten. Hierbij is bepaald dat kleine boerenwoningen of boerderijen niet tot deze thema’s behoren. Besloten is daarom naar deze vindplaats geen verder onderzoek te verrichten.

13

Artefact!, Nieuw- en Sint-Joosland - Ontwikkelingsgebied Trekdijk, Gemeente Middelburg. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen, rapportnummer 387, 18 februari 2019 14 ADC ArcheoProjecten, Sleuven in het Trekdijkgebied. Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven aan de Trekdijk te Nieuw- en Sint Joosland (gemeente Middelburg), rapportnummer 5272, september 2020

Hoofdstuk 2

35

Ter hoogte van de huidige boerderij aan de Oude Schroeweg (onderzoekszone 11) kon nog geen proefsleuf gegraven worden. Dit is uitgesteld tot na de sloop van het complex. In november 2020 heeft een opgraving plaatsgevonden van de vindplaats van het mottecomplex (onderzoekszone 1) en de middeleeuwse vindplaats (onderzoekszone 12). Hierbij zijn alle waargenomen archeologische sporen en structuren gedocumenteerd en zoveel mogelijk vondsten verzameld. De bevindingen en de vondsten worden nader uitgewerkt en geanalyseerd. Naar verwachting is de eindrapportage van beide opgravingen aan het begin van de zomer 2021 gereed. Hiervan uitgezonderd is het terrein van de huidige boerderij, waar nog proefsleuven gegraven moeten worden en mogelijk nog een opgraving plaats zal moeten vinden. Als ook deze laatste werken in het veld zijn afgerond, zijn er vanuit het aspect archeologie geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein in het plangebied. Ter plaatse van de huidige boerderij is daarom in het voorliggende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 1’ opgenomen. Het opnemen van een archeologische dubbelbestemming voor de overige delen van het plangebied is niet meer nodig. Het archeologische belang is hiermee voldoende onderzocht en gewaarborgd.

2.7

Milieueffectrapportage

2.7.1 Beoordeling directe m.e.r.-plicht Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een bedrijventerrein mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht. Ontwikkeling van bedrijventerreinen De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. Er dient wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht.

Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk. Uit paragraaf 2.5 ‘Ecologie’ blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is.

Hoofdstuk 2

36

Conclusie De omvang van de ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarden die zijn opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer en een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. Er dient wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied. Er hoeft derhalve geen passende beoordeling te worden uitgevoerd en vanuit de Wet natuurbescherming geldt geen m.e.r.-plicht. 2.7.2 M.e.r.-beoordeling Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. Aangezien de gemeente Middelburg zowel de aanvrager als het bevoegd gezag is bij het voorliggende project, is een aanmeldingsnotitie voor de voorliggende ontwikkeling niet noodzakelijk. De achterliggende gedachte bij de m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;  Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project 

Omvang van het project

Cumulatie met andere projecten

Gebruik van natuurlijke grondstoffen

Productie van afvalstoffen

Verontreiniging en hinder

Hoofdstuk 2

37

Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën

Plaats van het project 

Bestaand grondgebruik

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied

Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Kenmerken van het potentiële effect 

Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)

Grensoverschrijdende karakter van het effect

Waarschijnlijkheid van het effect

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect

Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.

De m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria

Toets

Omvang van het project

Het plangebied heeft een bruto oppervlakte van circa 21 hectare. Het project richt zich op de ontwikkeling van het bedrijventerrein Trekdijk, waarbij in fase 1 een oppervlakte van 5 hectare aan uitgeefbare bedrijfskavels, een zonnepark van 2,89 hectare en de inrichting van groen en water mogelijk worden gemaakt. De overige ontwikkelingen worden middels een wijzigingsbevoegdheid mogelijk gemaakt.

Cumulatie met andere projecten

Nee.

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen

N.v.t. Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.

Productie van afvalstoffen

Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.

Verontreiniging en hinder

De ontwikkeling vindt plaats op agrarische percelen, aansluitend op het stedelijk gebied aan de zuidoostzijde van Middelburg. Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden.

Luchtkwaliteit (zie ook paragraaf 2.4.2): vanuit het aspect luchtkwaliteit voldoet het plan aan de geldende normen uit de Wet milieubeheer. Geluid wegverkeer (zie ook paragraaf 2.4.3): Op bestaande woningen in de omgeving vindt geen hoorbare geluidstoename plaats vanwege het wegverkeerslawaai van en naar het nieuwe bedrijventerrein. De geldende grenswaarden worden ruimschoots gerespecteerd.

Hoofdstuk 2

38

Kenmerken van het project Criteria

Toets Verkeersaantrekkende werking (zie ook paragraaf 4.3): Het project leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. Deze toename leidt niet tot belemmeringen voor de doorstroming of de verkeersveiligheid. De omliggende wegen rond het plangebied kunnen dit extra verkeer zonder problemen verwerken.

Risico van ongevallen

Er is sprake van de uitbreiding van een bedrijventerrein. Ter plaatse worden geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Er is daarmee geen sprake van de realisatie van een nieuwe risicobron.

Plaats van het object Criteria

Toets

Bestaand grondgebruik

In de huidige situatie zijn de gronden waar de ontwikkeling van het bedrijventerrein is voorzien hoofdzakelijk in gebruik als agrarische gronden (akkerland). Langs de zuidwestelijke rand zijn bosschages aanwezig, die blijven behouden en zullen fungeren als groene afscherming tussen het bedrijventerrein en de N254. Daarnaast wordt het projectgebied doorkruist door enkele wegen en watergangen, die bij de verdere planuitwerking verlegd c.q. gereconstrueerd zullen worden.

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het

N.v.t.

regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: 

gevoelige gebieden (wetlands,

Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming

kustgebieden, berg- en bosgebie-

beschermde gebieden. Daarnaast is geen sprake van een toename van de stikstof-

den, reservaten en natuurparken,

depositie ter plaatse van de Natura 2000-gebieden in de omgeving. Zie ook para-

Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)

graaf 2.5 ‘Ecologie’.

gebieden waarin bij communau-

Nee.

taire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden 

gebieden met een hoge bevol-

N.v.t.

kingsdichtheid 

landschappen van historisch, cul-

Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 2.2): binnen het plangebied en de directe omge-

tureel of archeologisch belang

ving is geen sprake van landschappen van (cultuur)historisch belang. Daarnaast heeft het planvoornemen geen negatieve invloed op andere cultuurhistorisch waardevolle elementen of landschappen in de verdere omgeving. Archeologie (zie ook paragraaf 2.6): op basis van het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek zijn enkele vindplaatsen in het plangebied aangewezen. Op deze vindplaatsen vinden opgravingen plaats, omdat het niet mogelijk is de aanwezige archeologische waarden in situ te bewaren. Na afronding van deze opgravingen zijn er

Hoofdstuk 2

39

Kenmerken van het project Criteria

Toets vanuit de archeologische waarden in het gebied geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein.

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied

Toets

Beschermd natuurmonument

Nee.

Habitat en vogelrichtlijngebieden

Nee, zie paragraaf 2.5 ‘Ecologie’.

Watergebied van internationale beteke-

Nee.

nis Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt niet binnen het Natuurnetwerk Zeeland. Op natuurgebieden in

(voormalige EHS)

de nabijheid wordt geen negatieve invloed uitgeoefend door de ontwikkeling van het bedrijventerrein.

Landschappelijk waardevol gebied

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van landschappelijk waardevol gebied.

Waterwinlocaties. waterwingebieden,

Nee, zie paragraaf 2.3 ‘Water’.

en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument

Er zijn binnen het plangebied geen beschermde monumenten aanwezig. Ook zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen beschermde monumenten aanwezig waarop een negatieve invloed zou kunnen worden uitgeoefend.

Belvedere-gebied

Nee.

Kenmerken van het potentiële effect Criteria

Toets

Bereik van het effect (geografische

N.v.t.

zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het

Nee.

effect Waarschijnlijkheid van het effect

Van onevenredige effecten voor de omgeving is geen sprake.

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid

Er is sprake van permanente nieuwbouw, waarbij de effecten blijvend zijn. Zoals

van het effect

echter al verwoord in het voorgaande, zijn deze effecten niet van dien aard dat sprake is van een onevenredige aantasting.

Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en

Hoofdstuk 2

40

3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

2.8 Conclusie Vanuit de milieu- en waardenaspecten zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen in het plangebied.

Hoofdstuk 2

41

3.

BELEIDSKADER

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Op 11 september 2020 is de NOVI naar de Tweede Kamer gestuurd. Met de NOVI wordt geanticipeerd op de Omgevingswet, die op 1 januari 2022 in werking treedt. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kan men in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  Duurzaam economisch groeipotentieel;  Sterke en gezonde steden en regio’s;  Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Voor de voorliggende ontwikkeling zijn met name de prioriteiten ‘duurzaam economisch groeipotentieel’ en ‘sterke en gezonde steden en regio’s’ van belang.

Middels de realisatie van het nieuwe bedrijventerrein aansluitend aan het stedelijk gebied van Middelburg wordt daarnaast een bijdrage geleverd aan de volgende nationale belangen: 11. realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur De ontwikkeling van het zonnepark ter grootte van 2,89 hectare binnen de begrenzing van het bedrijventerrein, draagt bij aan de duurzame opwekking van energie voor het bedrijventerrein. Hiermee wordt een belangrijke basis gelegd voor een CO2-arme bedrijventerreinontwikkeling. De bedrijven worden bovendien zoveel mogelijk gestimuleerd om duurzaamheidsmaatregelen te nemen op hun kavel.

Hoofdstuk 3

42

16. waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat De voorliggende ontwikkeling van een bedrijventerrein, met als belangrijkste doelgroep bedrijven in de logistiek en aanverwante sectoren, draagt bij aan het belang van het faciliteren van de versterking van het aantrekkelijke ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. Voor het overige zijn gezien de aard en schaal van deze ontwikkeling geen nationale belangen uit de NOVI in het geding. De ontwikkeling is kortom in overeenstemming met de NOVI. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 juni 2011 zijn alle ontwerpstukken van de AMvB als bijlage bij de SVIR gepubliceerd. Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen.

De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Natuurnetwerk Nederland, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament, het IJsselmeergebied en de ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Geen van de bovengenoemde belangen is bij de ontwikkeling in het plangebied in het geding. De beoogde ontwikkeling is kortom niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.

Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.15

15

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

43

Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Het voorliggende initiatief omvat de ontwikkeling van een bedrijventerrein. De uitgeefbare oppervlakte in de eerste fase bedraagt 5 hectare. Dit betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waardoor toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking vereist is. In 2017 is een marktscan16 uitgevoerd om de kwalitatieve en kwantitatieve ruimtebehoefte aan bedrijventerreinen in beeld te brengen en te vergelijken met het bestaande aanbod aan bedrijfslocaties.

Op basis van deze marktscan is beoordeeld of de ontwikkeling van het voorliggende bedrijventerrein in overeenstemming is met de verwachte ruimtebehoefte, en of het plan in overeenstemming is met de ladder voor duurzame verstedelijking. De belangrijkste bevindingen zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Op basis van de vraagraming die is opgesteld voor de provincie Zeeland is in de periode 2015-2025 sprake van een behoefte van 2 tot 26 hectare aan bedrijventerreinen in de regio Walcheren. Op landelijk niveau zal de ruimtevraag vooral komen uit de logistieke sector. Bedrijven uit deze sector eisen steeds vaker kavels van enkele hectaren. Dit beeld wordt bevestigd door interviews met enkele grote ruimtevragers in de regio. Daaruit blijkt al een actuele behoefte naar ruimte van circa 5 hectare. Uit de aanbodanalyse blijkt dat er in de regio Walcheren slechts een beperkte beschikbaarheid is van grote kavels op de huidige bedrijventerreinen. Van de 32 hectare beschikbaar areaal zijn er alleen op Mortiere en Souburg enkele kavels van meerdere hectaren beschikbaar. Bovendien is ruim 70% van het beschikbare aanbod gelegen op bedrijventerreinen in Vlissingen. Uit de interviews met logistieke bedrijven is gebleken dat uitbreiding voor deze bedrijven bij voorkeur gewenst is in of nabij Middelburg.

Daarnaast blijkt uit de werkgelegenheidsanalyse dat Middelburg het logistieke zwaartepunt is van de regio. De autonome ruimtevraag wordt voor 90% veroorzaakt door de huidige gevestigde bedrijven. Gegeven de in verhouding sterk aanwezige sector in Middelburg mag ook hier verwacht worden dat de ruimtevraag zal neerslaan. Op basis van de marktscan wordt geconcludeerd dat er sprake is van een actuele ruimtebehoefte. Deze ruimtebehoefte heeft een regionaal karakter en komt voornamelijk vanuit de logistieke sector. Bedrijven vanuit de logistieke sector vragen om kavels van meerdere hectaren groot, ruimte voor activiteiten tot en met milieucategorie 4 en direct ligging aan een hoofdverkeersas.

16

Ecorys, Markttoets Trekdijk, 2 februari 2017

Hoofdstuk 3

44

Uit de analyse van het aanbod blijkt dat het aanbod aan geschikte kavels – die voldoen aan de eisen vanuit de logistieke sector- zeer beperkt is. De behoefte kan onvoldoende worden opgevangen op de bestaande terreinen. Gelet op de ligging en verkaveling van de huidige terreinen lijkt het niet mogelijk om in deze behoefte te voorzien binnen het bestaande aanbod. Ook op de nog te ontwikkelen locaties in Vlissingen kan niet aan de behoeften vanuit de logistieke sector worden voldaan. Het geplande terrein Baskensburg ligt niet aan een hoofdverkeersas en op het beoogde terrein Buitenhaven zijn geen grote kavels beschikbaar. Op het voorliggende bedrijventerrein aan de Trekdijk in de gemeente Middelburg kan wel worden voorzien in deze behoefte. Daarnaast heeft Stec Groep in januari 2020 een prognose gemaakt van de behoefte aan bedrijventerreinen in Zeeland17. Deze prognose dient als basis voor het bedrijventerreinenbeleid en de regionale programmeringsafspraken. In de rapportages zijn vier trends geconstateerd die de komende jaren grote impact zullen hebben op bedrijventerreinen: (1) duurzaamheid en energietransitie, (2) circulaire economie, (3) automatisering/robotisering en (4) e-commerce & XXL-logistiek. Deze trends hebben de volgende effecten op de prognose voor bedrijventerreinen.

Logistiek en industrie zijn de dominante sectoren geweest in de ruimtevraag in de provincie Zeeland van de afgelopen jaren. Trends als groei van e-commerce en smart logistics zorgen ervoor dat logistiek ook in de komende jaren zal groeien, en daarmee een groot deel van de ruimtevraag voor rekening gaat nemen. Wat betreft het schaalniveau van bedrijven zal naar verwachting op de korte termijn sprake zijn van schaalvergroting. Op de langere termijn zal naar verwachting juist schaalverkleining optreden. De nadruk op clustering en samenwerking van bedrijven neemt toe. Het aspect ‘ontmoeting’ speelt een belangrijkere rol als ‘vestigingsfactor’ voor bedrijven. Naar verwachting zal een toenemende functiemenging optreden van bedrijfsruimte met andere economische functies als kantoor, detailhandel of leisure. De uitbreidingsvraag naar bedrijventerreinen in de provincie Zeeland in de periode 2019 tot en met 2030 is 108 tot 207 hectare bedrijventerrein. Dit betekent een jaarlijkse vraag van circa 9 tot 17 hectare in de periode vanaf 2019. Het grootste deel van de uitbreidingsvraag komt voort uit de sectoren logistiek & groothandel en de industrie. Voor regio Walcheren wordt geconcludeerd dat Walcheren voldoende geschikt aanbod heeft om de (MKB-)doelgroepen bouw, handel en reparatie en diensten te faciliteren.

Zowel in Middelburg als in Vlissingen is aanbod beschikbaar om de dienstensectoren te huisvesten. Er is echter slechts beperkt aanbod aanwezig om de vraag vanuit logistiek & groothandel te huisvesten. Locatie Souburg scoort het best op de locatiefactoren voor deze doelgroep, maar is ook geschikt voor de eerdergenoemde sectoren industrie, diensten en bouw, handel en reparatie. Dit komt overeen met de huidige invulling (profiel) van het bestaande deel van bedrijventerrein Souburg. Met name in de sectoren logistiek & groothandel en industrie is kortom sprake van een ruimtevraag waarin de huidige bedrijventerreinvoorraad nog onvoldoende voorziet. Middels de voorliggende ontwikkeling van het bedrijventerrein Trekdijk wordt invulling gegeven aan deze ruimtevraag.

17

Stec Groep, Prognose bedrijventerreinen Zeeland, Werken aan toekomstbestendige bedrijventerreinen, kenmerk 19.096, 13 januari 2020

Hoofdstuk 3

45

Kwalitatieve confrontatie Walcheren. Bron: Prognose bedrijventerreinen Zeeland, Stec Groep

Samengevat bestaat vanuit kwalitatief oogpunt behoefte aan ruime bedrijfskavels, die zijn gelegen in de directe nabijheid van een hoofdverkeersas. In het bestaande aanbod aan bedrijventerrein kan niet in deze behoefte worden voorzien. Tevens zijn er binnen het bestaand stedelijk gebied geen locaties aanwezig waar een dergelijk bedrijventerrein zou kunnen worden gerealiseerd. De voorliggende ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsplan Zeeland Het Omgevingsplan Zeeland 2018 bevat de hoofdlijnen uit alle provinciale beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving. Het gaat over economie, ruimte, mobiliteit, natuur, cultuur, water en milieu. De kern van het Omgevingsplan bestaat uit vier grote strategische opgaven: 1. Duurzame en concurrerende economie; 2. Klimaatbestendige en neutrale samenleving; 3. Waardevolle leefomgeving; 4. Toekomstbestendige bereikbare woon-, werk- en verblijfsomgeving. In het omgevingsplan is de voorliggende locatie nog niet aangewezen als bedrijventerrein, maar maakt het plangebied deel uit van het landelijk gebied. Wat betreft bedrijventerreinen wil de provincie de voor Zeeland belangrijke economische sectoren en thema’s versterken en innovatiever maken. Innovatie, investeringen en vernieuwingen zijn nodig voor een duurzame ontwikkeling. Ingezet wordt op een concentratie van bestaande en nieuwe industrie. De (grootschalige) logistiek wordt genoemd als een belangrijke sector voor Zeeland. Goede en moderne regionale bedrijventerreinen zijn van groot belang voor uitbreiding van bestaande bedrijven en om nieuwe en innovatieve bedrijvigheid binnen te halen.

De provincie bevordert optimale afstemming van vraag en aanbod van bedrijventerreinen, herstructurering van bestaande terreinen, zorgvuldig ruimtegebruik, landschappelijke inpassing en goede bereikbaarheid. Het is zowel ruimtelijk

Hoofdstuk 3

46

als economisch van belang dat bedrijvigheid geconcentreerd en gebundeld wordt ontwikkeld. Bedrijvigheid wordt daarom zoveel mogelijk geclusterd op bedrijventerreinen, met de nadruk op ontwikkeling van de grootschalige terreinen. De voorliggende ontwikkeling betreft de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein, om te kunnen voldoen aan de behoefte van met name logistieke bedrijven. Omdat binnen het bestaand stedelijk gebied geen geschikte ruimte beschikbaar is om in deze vraag te kunnen voorzien (zie paragraaf 3.1.3), vindt de ontwikkeling van het bedrijventerrein plaats buiten het bestaand stedelijk gebied. Bovendien wordt het terrein kwalitatief hoogwaardig en toekomstbestendig ingericht, met voldoende ruimte voor groenvoorzieningen en waterberging. De ontwikkeling is dan ook in lijn met het door de provincie Zeeland voorgestane beleid. 3.2.2 Provinciale Omgevingsverordening Op 21 september 2018 hebben Provinciale Staten de Provinciale Omgevingsverordening 2018 vastgesteld. Hierna is de verordening nog enkele malen op onderdelen gewijzigd.

Wat betreft bedrijvigheid is in artikel 2.3, lid 3 van de verordening bepaald dat in de toelichting bij een bestemmingsplan voor een nieuw bedrijventerrein, alsmede de uitbreiding van een bedrijventerrein, aannemelijk moet worden gemaakt dat:  Het plan bijdraagt aan of niet in strijd is met de doelstelling dat 80 procent van de bedrijvigheid regionaal wordt geclusterd op of aansluitend aan grootschalige bedrijventerreinen en  Duurzaam beheer en onderhoud van het bedrijventerrein gewaarborgd is. Clustering van bedrijventerreinen is een doelstelling in het provinciale ruimtelijke beleid. De ontwikkeling van de locatie Trekdijk draagt bij aan de clustering van bedrijvigheid op stedelijke bedrijventerreinen.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Bedrijventerreinprogramma Walcheren 2017-2021 De gemeenten Veere, Middelburg en Vlissingen hebben in mei 2017 het gezamenlijke bedrijventerreinprogramma Walcheren 2017-2021 vastgesteld als opvolger van het regionale bedrijventerreinprogramma uit 2010. Het programma voldoet aan de gestelde eisen uit het Omgevingsplan en de Verordening Ruimte van de provincie Zeeland en is daarom door gedeputeerde staten bekrachtigd in haar vergadering van 23 mei 2017. Het programma geeft inzicht in het actuele aanbod aan bedrijventerreinen in kwantitatief en kwalitatief opzicht, beschrijft de economische rol die de terreinen vervullen en bevat een inschatting van de noodzakelijke verbeteringen om het aanbod beter te laten aansluiten op de vraag.

Hoofdstuk 3

47

Vanuit kwantitatief opzicht is in de bestaande situatie in de regio sprake van een overschot aan bedrijventerreinen. De maximale vraag in de komende tien jaar ligt tussen de 2 en 26 hectare en het actuele aanbod aan uitgeefbare bedrijfskavels in de regio bedraagt 31,32 hectare. Vanuit kwalitatief oogpunt is echter met name aanbod aanwezig op het gebied van woon-werk kavels, kennis/innovatie en kadegebonden bedrijvigheid. Er is sprake van een tekort aan aanbod van traditioneel bedrijventerreinen met grote kavels en in een hoge milieucategorie (categorie 4 en hoger). Blijkens de in 2017 uitgevoerde marktscan18 bestaat er tevens een kwalitatieve behoefte aan bedrijfslocaties voor logistieke, niet-havengebonden bedrijven, met een omvang van meer dan 2 hectare, direct gelegen aan een hoofdverkeersas. Momenteel is sprake van een concrete behoefte aan 5 hectare van dit type terrein. Op deze locatie kan aan de bovengenoemde behoeften vanuit de logistieke sector worden voldaan. Het terrein ligt namelijk direct aan de hoofdwegen A58 en N254 en is qua omvang en ligging geschikt voor de realisatie van grote bedrijfskavels van meer dan 1,5 hectare. Fase 1 van deze ontwikkeling omvat 5 hectare. Daarmee wordt voorzien in de actuele behoefte aan dit type bedrijventerrein. Het regionale programma vermeldt daarnaast dat in het bestemmingsplan het logistieke profiel dient te worden vastgelegd.

Aan deze afspraken is invulling gegeven doordat het bestemmingsplan regels stelt ten aanzien van o.a. de milieucategorie en de minimale kavelomvang van de individuele bedrijfskavels. Het bestemmingsplan maakt bedrijven van maximaal milieucategorie 3.2 mogelijk. Bevi-inrichtingen en zoneringsplichtige inrichtingen conform de Wet geluidhinder zijn eveneens uitgesloten in de bestemmingsplanregels. Zwaardere, industriële bedrijvigheid, die niet past binnen het logistieke profiel van terrein, wordt hierdoor geweerd. Daarnaast is een minimum kavelomvang vastgesteld van 1,5 hectare. Kleinere, ambachtelijke bedrijven, die niet tot de logistieke doelgroep behoren, hebben behoefte aan kleinere kavels en zullen zich daardoor niet op het bedrijventerrein Trekdijk kunnen vestigen. Bovendien zijn zelfstandige kantoren, detailhandel, horeca en maatschappelijke voorzieningen uitgesloten in de planregels. Binnen deze kaders, in combinatie met de genoemde bedrijfstypen in de Staat van bedrijfsactiviteiten, worden hierdoor met name logistieke bedrijven en daaraan verwante bedrijfstakken mogelijk gemaakt, zoals groothandel, transport en logistiek. Daarnaast mag de locatie Trekdijk niet als zichtlocatie worden ontwikkeld. Hieraan is invulling gegeven door de bedrijfskavels te oriënteren op de interne ontsluitingsstructuur, die centraal in het plangebied is geprojecteerd.

Voor wat betreft de vrijkomende locaties is het volgende relevant. Op bedrijventerrein Arnestein (Middelburg) zijn 2 herstructureringsprojecten in uitvoering. Indien bedrijven verplaatsen, dan zoeken zij zelf een nieuwe gebruiker voor hun oude bedrijfspand. Vrijkomende bedrijfsgebouwen worden snel door nieuwe bedrijven in gebruik genomen. Met name op bedrijventerrein Arnestein is er nauwelijks leegstand van bedrijfsgebouwen en op dat vlak zijn dan ook geen problemen voorzien. Samengevat vindt de ontwikkeling van het bedrijventerrein aan de Trekdijk plaats in overeenstemming met de afspraken die daarover op regionaal niveau zijn gemaakt.

18

Ecorys, Markttoets Trekdijk, 2 februari 2017

Hoofdstuk 3

48

3.3.2 Regionale Energiestrategie Zeeland In een samenwerkingsverband tussen de Zeeuwse overheden, het bedrijfsleven, netbeheerders en maatschappelijke organisaties is de Regionale Energiestrategie (RES) Zeeland geformuleerd. In de RES is opgenomen welke keuzes deze partijen in Zeeland maken als het gaat om energiebesparing, duurzame opwek van elektriciteit, de inzet van mogelijke warmtebronnen, de opslag en het transport van elektriciteit, toepassingen van waterstof en de inzet van duurzame oplossingen voor mobiliteit. De uitvoering van verschillende van de projecten en plannen die in de RES staan, wordt vastgelegd in het omgevingsbeleid (omgevingsvisies en –plannen) van provincie en gemeenten. In de RES is een onderscheid gemaakt tussen drie sectoren, te weten Gebouwde Omgeving, Elektriciteit en Mobiliteit. Per sector is gekeken naar mogelijkheden, kansen en belemmeringen en is aan de hand daarvan een strategie bepaald. Wat betreft de gebouwde omgeving is de Zeeuwse doelstelling een CO2-besparing van 34% in 2030. Dit doel is te realiseren middels een vermindering van de energievraag, verduurzaming van het energieaanbod en toepassing van duurzame installaties en producten. Per gemeente, wijk of sector wordt nader verkend welke strategie het beste zal werken.

Wat betreft elektriciteit is de doelstelling om in Zeeland in 2030 ten minste 11 PJ aan opwekking van hernieuwbare energie te realiseren uit zon, wind en water. Met name energieopwekking uit water is kansrijk en zal verder worden onderzocht, gelet op het waterrijke karakter van Zeeland. Wat betreft mobiliteit is de ambitie in Zeeland 49% CO2-reductie in 2030. De logistiek is een belangrijke sector in Zeeland, waar kansen liggen om de CO2-uitstoot te reduceren. Het bestaande logistiek samenwerkingsverband Zeeland Connect stimuleert al slimme regionale samenwerking en zero-emissie projecten. Wat betreft het bedrijventerrein Trekdijk worden de individuele bedrijven zo veel mogelijk gestimuleerd om duurzaamheidsmaatregelen te nemen. Dit is in lijn met de doelstellingen in de RES om CO2 te besparen. Aangezien de belangrijkste doelgroep van het bedrijventerrein logistieke en daaraan verwante bedrijven betreft, liggen hier tevens kansen om invulling te geven aan de verduurzaming van mobiliteit. Daarnaast vindt op het bedrijventerrein de opwekking van hernieuwbare energie plaats middels de ontwikkeling van het zonnepark centraal op het terrein. Hiermee wordt bijgedragen aan de doelstelling in de RES voor het opwekken van hernieuwbare energie.

Hoofdstuk 3

49

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Middelburgse Visie Milieu 2019 - 2025 In de Middelburgse Visie Milieu 2019-2025 geeft de gemeente per thema aan welke duurzame milieudoelen zij heeft voor de korte (tot 2025) en lange termijn (tot 2050). Het belangrijkste doel van de milieuvisie is om te komen tot een gezonde, duurzame samenleving en leefomgeving en een duurzame ontwikkeling van de gemeente. Daarbij moet kunnen worden voorzien in de behoeften van de huidige generaties, zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties te beperken om gezond en goed te kunnen leven. Enkele thema’s die relevant zijn voor de voorliggende ontwikkeling zijn ‘klimaat en energie’, ‘duurzaam gebouwde omgeving’, ‘emissies o.a. van geluid en stoffen’ en ‘duurzame mobiliteit’. De bedrijven die zich op Trekdijk zullen vestigen, worden gestimuleerd om hun bedrijfskavel zoveel mogelijk duurzaam vorm te geven en duurzaamheidsmaatregelen te nemen. Deze maatregelen kunnen zowel betrekking hebben op de inrichting en vormgeving van de bedrijfskavel, als op verduurzaming van de bedrijfsvoering en de daarmee gepaard gaande vervoersstromen. In paragraaf 4.4 (duurzaamheid) wordt hier nader op ingegaan. Daarnaast wordt hernieuwbare energie opgewerkt op het bedrijventerrein door de ontwikkeling van het zonnepark van 2,89 hectare op het middendeel van het terrein.

Wat betreft de emissies van geluid en stoffen is in paragraaf 2.4 aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op het woon- en leefklimaat in de omgeving. Er is geen sprake van een significante toename van geluidhinder en het project voldoet aan de grenswaarden in de Wet milieubeheer voor wat betreft de luchtkwaliteit. Daarnaast wordt bij de vormgeving van het bedrijventerrein voorzien in voldoende ruimte voor (openbaar) groen en water. Dit heeft niet alleen een positief effect op de ruimtelijke kwaliteit van het terrein, maar draagt tevens bij aan een prettige en gezonde werkomgeving. Het groen en water draagt bij aan het voorkomen van hittestress en verdroging. Tevens wordt binnen het plangebied voorzien in de opvang van het hemelwater, waardoor de ontwikkeling hydrologisch neutraal kan plaatsvinden. Middels de voorliggende ontwikkeling wordt kortom een bijdrage geleverd aan de doelen zoals beschreven in de Middelburgse Visie Milieu 2019-2025.

Hoofdstuk 3

50

4.

PROJECTBESCHRIJVING

4.1 Beschrijving planvoornemen In het plangebied is de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein beoogd, om te kunnen voorzien in de ruimtevraag voor met name logistieke bedrijven. Het bedrijventerrein zal gefaseerd tot ontwikkeling worden gebracht, waarbij de eerste fase een oppervlakte van vijf hectare uitgeefbaar terrein omvat. Deze eerste fase is gelegen in het meest westelijke deel van het plangebied, in het gebied tussen de Weizichtweg en de Oude Schroeweg. In de navolgende afbeelding is het schetsontwerp voor de inrichting van het terrein weergegeven. De beoogde doelgroep voor de bedrijfskavels zijn met name bedrijven in de logistiek en aanverwante bedrijfstakken. Uit een marktscan is gebleken dat de ruimtevraag in de regio voornamelijk afkomstig is uit deze sector, en dat het aanbod aan geschikte kavels voor deze sector beperkt is. In paragraaf 3.1.3 is reeds ingegaan op deze marktverkenning en de behoefte aan dit type bedrijfspercelen. De beoogde typen bedrijven vallen in milieucategorie 3.1 en 3.2 van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. Op het bedrijventerrein worden daarom bedrijven van maximaal milieucategorie 3.2 mogelijk gemaakt. Bedrijven met een logistiek profiel hebben over het algemeen behoefte aan grote bedrijfskavels. In het voorliggende plan is daarin voorzien door een minimale kavelgrootte van 1,5 hectare op te nemen.

Binnen de bedrijventerreinbestemming is een ruim bouwvlak opgenomen, waarbinnen bedrijfsgebouwen en overige bouwwerken gerealiseerd mogen worden tot een maximum goot- en bouwhoogte van beide 12 meter. Het bouwvlak mag voor maximaal 75% worden bebouwd. Buiten dit bouwvlak zijn uitsluitend lichtmasten en erfafscheidingen toegestaan, tot een maximum bouwhoogte van respectievelijk 9 en 2 meter. In de eerste fase worden tevens de hoofdontsluiting en de groen- en waterstructuur van het terrein gerealiseerd. Het plangebied zal op twee plaatsen worden ontsloten op de Weizichtweg. Op het bedrijventerrein zelf wordt een interne wegenstructuur aangelegd, waarop de bedrijfskavels ontsluiten. Daarnaast wordt voorzien in een ontsluiting voor landbouwverkeer die aansluit op de Trekdijk, zodat sluipverkeer door de polder en door Nieuwland wordt voorkomen. Deze route kan tevens worden gebruikt als calamiteitenroute. Het bestaande hoogspanningtracé blijft behouden en is ingepast in het verkavelingsplan voor het bedrijventerrein. Binnen de planologische beschermingszone rond de hoogspanningsverbinding wordt geen bebouwing mogelijk gemaakt. Ter plaatse van dit tracé is een groenvoorziening gepland in de vorm van een boomgaard, die in het gebied tussen het tracé en de Trekdijk komt te liggen. De boomgaard vormt tevens een visuele afscherming naar het landelijk gebied ten oosten van het terrein en

Hoofdstuk 4

51

onttrekt het bedrijventerrein vanuit die richting uit het zicht. Tevens krijgt dit gebied hierdoor recreatieve gebruikswaarde, zowel voor de omwonenden als voor de gebruikers/werknemers op het bedrijventerrein.

Schetsontwerp. Bron: stedenbouwkundige visie, gemeente Middelburg

Centraal in het plangebied wordt voorzien in een zonnepark ter grootte van 2,89 hectare, waarop zonnepanelen worden geplaatst ten behoeve van duurzame energieopwekking. De gronden onder deze zonnepanelen kunnen tevens worden ingezet voor de berging/infiltratie van hemelwater. De percelen

Hoofdstuk 4

52

ten noorden en ten zuiden daarvan behouden vooralsnog hun huidige agrarische functie. In een vervolgfase zijn op deze percelen uitbreidingen van het uitgeefbare bedrijventerrein voorzien. Aan de noordzijde is een oppervlakte van 3,7 hectare terrein beschikbaar en aan de zuidwestzijde 5,61 hectare. Middels wijzigingsbevoegdheden in het voorliggende bestemmingsplan wordt voorgesorteerd op deze toekomstige ontwikkeling. Langs de noordgrens van het plangebied wordt voorzien in een groene inpassing en ruimte voor water/waterberging. Hierdoor ontstaat ook aan deze zijde een groene afscherming tussen het bedrijventerrein en zijn omgeving. Langs de zuidwestelijke rand is reeds een brede groene buffer aanwezig. In het voorliggende plan is aan deze zijde daarom niet voorzien in een extra groene inpassing.

4.2 Stedenbouwkundige en ruimtelijke inpassing Vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig opzicht wordt het bedrijventerrein zorgvuldig ingepast. Hiertoe is een stedenbouwkundige visie19 opgesteld, die als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. Vanuit deze visie is een ontwerp voor het terrein uitgewerkt vanuit de drie hoofdassen die het plangebied begrenzen, te weten de N254, de A58 en de Trekdijk/hoogspanningsverbinding. Hierbij geldt als uitgangspunt dat elke structuur zijn eigen identiteit krijgt en binnen de hoofdstructuur een oplossing wordt geboden voor de belangrijke zichtlijnen naar de omliggende herkenningspunten. In de navolgende afbeelding is deze structuur gevisualiseerd. De bedrijfskavels worden gesitueerd in de ‘oksel’ van de wegen N254/Schroeweg en A58. Enerzijds wordt daarmee de openheid van de rest van het gebied gewaarborgd. Anderzijds wordt de bedrijvigheid hiermee optimaal ingepast ten opzichte van de wegen en de hoogspanningsverbinding. De bedrijfsfunctie is op deze plek namelijk prima inpasbaar in relatie tot de geluidbelasting en risicozone van deze wegen. Daarnaast wordt de beschermingszone rond de hoogspanningsverbinding gerespecteerd, waar bebouwing in principe niet mogelijk is.

De bedrijfskavels die aan de zijde van de N254 worden gesitueerd krijgen een grootschalige omvang en uitstraling, om voldoende tegemoet te komen aan de behoefte aan dergelijke grootschalige bedrijfskavels. De kavels aan de zijde van de A58/Weizichtweg zullen een kleinschaliger karakter krijgen.

19

Gemeente Middelburg, Stedenbouwkundige visie bedrijventerrein Trekdijk, 22 januari 2021

Hoofdstuk 4

53

Hoofdstructuur en zichtlijnen in projectgebied. Bron: stedenbouwkundige visie, gemeente Middelburg

Het ontwerp van de interne ontsluitingswegen op het bedrijventerrein kent een heldere verkeersstructuur, bestaande uit drie verschillende assen en duidelijke onderscheidende indeling. Vanuit deze assen zijn diverse zichtlijnen te zien als herkenningspunt, zoals het zicht op de molen en de hoogspanningsmasten. Hoewel de assen hoofdzakelijk worden gebruikt als verkeersstructuur, is er in de profielen ook voldoende ruimte voor groen en waterbuffers. De profielen van de straten zijn verschillend van elkaar, wat het vermogen tot oriëntatie vergroot. Gras, wadi’s of greppels, laanbomen of hagen zorgen voor een duidelijke belijning en groene beleving van de hoofdassen. Daarnaast is ook voldoende ruimte voor ondergrondse leidingen in de wegbermen. Ter hoogte van de beoogde boomgaard zullen de hoofdassen wel doorlopen, maar in een gewijzigd profiel. Dit deel is bedoeld voor langzaam verkeer. De meest zuidelijke verbinding met de Trekdijk is tevens bedoeld voor landbouwverkeer en als calamiteitenroute. De navolgende afbeeldingen geven enkele impressies van de toekomstige situatie in het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10635688/1