CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

21-150 Bijlage 1b. Toelichting en regels ONBP Trekdijk 209535

Gemeenteraad 10 november 2021, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Trekdijk’ (RM/21-150)30.809 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Hoofdstuk 4

54

Impressie toekomstige situatie. Bron: stedenbouwkundige visie, gemeente Middelburg

Er kan kortom geconcludeerd worden dat het plan vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt goed inpasbaar is in de omgeving.

Hoofdstuk 4

55

4.3 Verkeer en parkeren Verkeer Het bedrijventerrein wordt ontsloten via een nieuw aan te leggen interne ontsluitingsroute, die op twee plaatsen wordt aangesloten op de Weizichtweg. De Weizichtweg vormt in westelijke richting de verbinding met de N254 en de op- en afritten van de A58. Het terrein wordt gefaseerd ontwikkeld, waarbij de eerste fase 5 hectare uitgeefbaar terrein omvat. Vervolgens kon het terrein conform de oorspronkelijke plannen met 13 hectare worden uitgebreid. De verkeersgeneratie van de eerste fase en de totaalontwikkeling is middels een berekening aan de hand van kencijfers inzichtelijk gemaakt. In de navolgende tabellen is de verkeersgeneratie weergegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige memo verkeersgeneratie20.

Verkeersgeneratie fase 1

Verkeersgeneratie totaalontwikkeling (incl. fase 1)

Het bovenstaande onderzoek, dat in 2018 is uitgevoerd, is nog gebaseerd op een eerdere planvorming, waarbinnen in totaal 18 hectare aan uitgeefbaar bedrijventerrein was voorzien. Het voorliggende plan omvat in totaal een oppervlakte van circa 14 hectare uitgeefbaar bedrijventerrein, inclusief de delen van het bedrijventerrein die in het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt middels wijzigingsbevoegdheden. Daarmee zal voor de totaalontwikkeling in werkelijkheid sprake zijn van een lagere verkeersgeneratie dan is berekend in deze memo. Daarnaast zijn de huidige verkeersaantallen in de omgeving van het plangebied door middel van tellingen inzichtelijk gemaakt. Hiertoe zijn tellingen verricht op twee locaties, te weten: 1. Rotonde Schroeweg/Middelburgse Schroeweg/Op- en afrit A58; 2. Rotonde Middelburgse Schroeweg/Weizichtweg/Op- en afrit A58. De resultaten van de verkeerstellingen zijn vervat in een rapportage21, die als bijlage bij deze toelichting is gevoegd.

20 21

Rho, Verkeersgeneratie Trekdijk met gemengd scenario, 13 april 2018 Telwerk B.V., Verkeersonderzoeken Middelburg, 16 januari 2018

Hoofdstuk 4

56

Door middel van modelberekeningen22 is inzichtelijk gemaakt welke invloed de verkeersgeneratie van het bedrijventerrein Trekdijk heeft op de omliggende verkeersstructuur. De modelberekeningen geven een plausibel beeld van de verwachting van de opgenomen ontwikkeling bedrijventerrein Trekdijk. De ontsluiting van Trekdijk vindt bijna geheel plaats middels de aansluiting met de A58, wat logisch en wenselijk is. Voor zover inzichtelijk gemaakt kan worden, vindt er nagenoeg geen toename plaats binnen de kern van Nieuw- en St. Joosland. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage van de berekeningen. Voor wat betreft de vormgeving van ongeregelde kruispunten / aansluiting bedrijventerrein op de Weizichtweg wordt bij het dimensioneren van de kruisingen rekening gehouden met de algemene ontwerprichtlijnen die borg staan voor een vlotte en verkeersveilige afwikkeling van het door het plan gegenereerde verkeer. Parkeren Wat betreft het parkeren wordt uitgegaan van het principe dat bedrijven op hun eigen terrein in hun parkeerbehoefte dienen te voorzien. Om de parkeerbehoefte van een bedrijf te kunnen bepalen, wordt gebruik gemaakt van de CROW-publicatie: 'Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (publicatie 381).

Voor wat betreft de ligging en stedelijkheidsgraad van het plangebied wordt een ligging in het buitengebied van een sterk stedelijke gemeente als uitgangspunt gehanteerd. De gemeente Middelburg gaat verder uit van de gemiddelde parkeernorm binnen de bandbreedte van de berekende norm volgens de CROW-publicatie. Het bedrijventerrein Trekdijk heeft als doelgroep met name bedrijven in de logistiek en aanverwante bedrijfstakken. Dit betreffen hoofdzakelijk arbeids- en bezoekersextensieve bedrijven. Op basis van de CROW-publicatie geldt voor dit type bedrijf voor personenauto’s een gemiddelde parkeernorm van 1,1 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Aangezien er nog geen concrete invulling van het uitgeefbare bedrijventerrein bekend is, is een gedetailleerde berekening van de parkeerbehoefte in dit stadium nog niet mogelijk. In het voorliggende bestemmingsplan zijn parkeerregels opgenomen overeenkomstig de parkeernormen volgens de CROWpublicatie, waaraan de toekomstige bedrijven dienen te voldoen. Hierdoor is gewaarborgd dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid.

4.4 Duurzaamheid Het streven is om het bedrijventerrein Trekdijk zoveel mogelijk duurzaam te ontwikkelen. In het stedenbouwkundig schetsontwerp is uitgegaan van een zoveel mogelijk duurzame en klimaat-adaptieve inrichting van het terrein. Hierbij is voldoende ruimte gereserveerd voor openbaar groen en water. Dit groen en water zorgen voor een groene afscherming van het terrein richting zijn omgeving en dragen

22

Goudappel Coffeng, Modelberekeningen bedrijventerrein Trekdijk, beknopte analyse modelberekeningen bedrijventerrein Trekdijk, kenmerk MDB145/Prc/1268.01, 11 juni 2018

Hoofdstuk 4

57

bij aan het voorkomen van hittestress en verdroging. Het water heeft tevens een functie als bergingsvoorziening voor hemelwater. Hiermee wordt bijgedragen aan de hydrologisch neutrale ontwikkeling van het bedrijventerrein en wordt wateroverlast bij piekbuien zoveel mogelijk voorkomen. Daarnaast wordt hernieuwbare energie opgewerkt op het bedrijventerrein door de ontwikkeling van het zonnepark van 2,89 hectare op het middendeel van het terrein. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de energiedoelstelling van de gemeente Middelburg en de regio. De gemeente Middelburg wil de bedrijven die zich op Trekdijk zullen vestigen, zoveel mogelijk stimuleren om hun bedrijfskavel duurzaam te ontwikkelen. Deze maatregelen kunnen zowel betrekking hebben op de inrichting en vormgeving van de bedrijfskavel, als op verduurzaming van de bedrijfsvoering en de daarmee gepaard gaande vervoersstromen. Wat betreft de inrichting van de bedrijfskavel kan gedacht worden aan zonnepanelen op de daken van de bedrijfsgebouwen en/of een groene vormgeving van het terrein. Daarnaast kunnen diverse maatregelen worden genomen om het terrein hemelwaterneutraal en klimaat-adaptief te maken. Voorbeelden hiervan zijn het beperken van de hoeveelheid oppervlakteverharding (bijv. door het gebruik van waterdoorlatende verharding) en het op eigen terrein voorzieningen treffen voor de opvang van hemelwater (bijv.

middels infiltratievoorzieningen of groene daken). In de bedrijfsvoering van de bedrijven kunnen maatregelen genomen worden als het beperken van het energieverbruik, het herbenutten van reststromen of het verduurzamen van het vervoer van en naar de bedrijfslocatie. Aangezien de belangrijkste doelgroep van het bedrijventerrein logistieke en daaraan verwante bedrijven betreft, liggen hier kansen om invulling te geven aan de verduurzaming van deze vervoersstromen. Middels het voorliggende bestemmingsplan kan het merendeel van de genoemde duurzaamheidsmaateregelen echter niet worden afgedwongen. Het treffen van voorzieningen voor de opvang van hemelwater is in het bestemmingsplan als voorwaardelijke verplichting opgenomen, gekoppeld aan het aanbrengen van verhardingen. Bedrijven mogen uitsluitend verhardingen aanbrengen boven een bepaald percentage van de bedrijfskavel, wanneer zij op eigen terrein voorzien in hemelwaterberging van voldoende capaciteit. Daarnaast kan landschappelijke inpassing voorwaardelijk verplicht worden gesteld indien bedrijven van bepaalde ontwikkelmogelijkheden gebruik willen maken. Gelet op een recente uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake het Logistiek Park Moerdijk23 zijn in de bouwregels regels opgenomen omtrent de duurzaamheidprestatie gebouwniveau regels omtrent gasloze gebouwen en bouwwerken.

Voor het overige is het bestemmingsplan zodanig vormgegeven dat het de duurzame inrichting van de bedrijfskavels mogelijk maakt en niet belemmert. Het bestemmingsplan bevat ruime bouwmogelijkheden, waardoor bijvoorbeeld zonnepanelen rechtstreeks gerealiseerd mogen worden.

23

ECLI:NL:RVS:2020:2318

Hoofdstuk 4

58

Daarnaast wordt overwogen om in de koopovereenkomsten met de te vestigen bedrijven op te nemen dat een duurzaamheidscertificering, zoals BREEAM (certificeringsmethode uit 2009 voor een duurzaam gebouwde omgeving) en GPR (breed gedragen duurzaamheidsmethode uit 2014) geldt. Energietransitie en Local Energy Communities De gemeente Middelburg is ervan overtuigd dat bedrijventerreinen bij kunnen dragen aan de energietransitie. Op bedrijventerreinen kan elektriciteit worden opgewekt en het verdient de voorkeur dat zowel productie als afname op een decentrale manier geregeld kan worden, zoals in een lokale energiegemeenschap (Local Energy Communities of LEC’s). In zo’n LEC wordt energie lokaal opgewekt en verdeeld. De consumptie wordt gestuurd door het energieaanbod – en niet langer door de vraag naar energie. Local Energy Communities: wetgeving De Europese regelgever wil lokale energiegemeenschappen mogelijk maken en werkte een wetgevingspakket uit: ‘Clean Energy for all Europeans’. Dit pakket bestaat uit acht verordeningen en richtlijnen. Deze verordeningen en richtlijnen hebben betrekking op nieuwe mechanismen voor energiebesparing, gebruik van duurzame energie en de elektriciteitsmarkt. Zo biedt het ‘Clean Energy for all Europeans’ mogelijkheden aan netgebruikers en netbeheerders om bij te dragen aan een flexibeler, decentraal, gedigitaliseerd en efficiënt energiesysteem.

Dit energiesysteem van de toekomst wordt geregeld binnen twee richtlijnen:  Richtlijn hernieuwbare energie (renewable energy community, REC)  Elektriciteitsrichtlijn (citizen energy community, CEC) Europa stelt ook heel duidelijk wat het met dit wetgevingspakket wil bereiken:  De energievoorziening verzekeren  De interne energiemarkt uitbreiden  De energie efficiëntie verhogen  De economie koolstofarm maken  Onderzoek en ontwikkeling ondersteunen Local Energy Communities: de voordelen Voordeel 1: de energiemarkt democratiseert Bedrijven en burgers staan zelf in voor het opwekken en verdelen van energie. Dat geeft hen een zekere mate van autonomie: ze zijn niet langer afhankelijk van hun energieleverancier, maar kunnen onderling energie uitwisselen. Alle verschillende partijen zijn tegelijk producent en consument. Voordeel 2: de kosten van energie dalen Lokale energieproductie en -consumptie kan efficiënter georganiseerd worden dan nu het geval is. Wanneer we erin slagen om productie en -consumptie op elkaar af te stemmen, kan dit ook een invloed hebben op de energieprijzen. Dit economisch argument is een belangrijke hefboom om ook de bedrijfswereld in te schakelen in de energietransitie

Hoofdstuk 4

59

Voordeel 3: de CO2-uitstoot daalt De efficiëntiewinst is mogelijk door het afstemmen van energieproductie en verbruik. Daarnaast wordt duurzame opwekking financieel interessanter. Omdat de Europese Richtlijnen nog niet zijn geïmplementeerd in Nederlandse wetgeving, is het juridisch kader voor local energy communities nog onduidelijk. De gemeente Middelburg wil op bedrijventerrein Trekdijk bevorderen dat er een local energy community tot stand komt. De gemeente zal onderzoeken hoe dit kan worden bevorderd en wat dit betekent voor de voorwaarden die de gemeente stelt bij de uitgifte van bedrijfskavels.

Hoofdstuk 4

60

5.

JURIDISCHE PLANOPZET

5.1 Uitgangspunten en opzet bestemmingsregeling Ten aanzien van de opzet van het bestemmingsplan (verbeelding en regels) is het volgende van belang. Planvorm De Wet ruimtelijke ordening biedt de keuze uit drie planvormen:  Het gedetailleerde bestemmingsplan;  Het zogenaamde globale eindplan;  Het globale uitwerkingsplan met een uitwerkingsplicht. Het verschil tussen de plannen is dat de plannen onder a. en b. meteen een basis bieden voor het verlenen van omgevingsvergunning voor bouwen en dat de plannen onder c. eerst moeten worden uitgewerkt voordat een omgevingsvergunning verleend kan worden. Het is denkbaar dat in één bestemmingsplan verschillende planvormen worden toegepast, afhankelijk van het te voeren beleid en strategie. De keuze van de planvorm wordt in belangrijke mate bepaald door het gewenste ruimtelijk beleid en de regiefunctie van de gemeente. Het spanningsveld tussen flexibiliteit en rechtszekerheid speelt hierin een belangrijke rol. Gedetailleerde bestemmingsplannen bieden in beginsel meer rechtszekerheid, terwijl globale eindplannen meer ontwikkelingsmogelijkheden bieden binnen één bestemming. Overigens is een mengvorm van bovenstaande plannen mogelijk. Het voorliggende bestemmingsplan is gedetailleerd van karakter voor de eerste fase het bedrijventerrein, het zonnepark en de groen- en waterstructuur op het bedrijventerrein.

Voor deze planonderdelen bestaat zodoende voor geïnteresseerde ondernemers en omwonenden zekerheid over de bouw- en gebruiksmogelijkheden op het terrein. Voor de vervolgfasen wordt voorgesorteerd op de toekomstige ontwikkeling van een bedrijventerrein door middel van wijzigingsbevoegdheden. Het bestaande agrarische gebruik is positief bestemd, in overeenstemming met het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Wanneer de uitbreiding van het terrein met een vervolgfase voldoende concreet is, kan op basis van de wijzigingsbevoegdheid door middel van een wijzigingsplan de bestemming gewijzigd worden naar ‘Bedrijventerrein’, mits voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden. Opzet verbeelding Algemeen Het bestemmingsplan moet voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar is.

Hoofdstuk 5

61

Bestemmingen Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming waar geldt en waar bebouwing is toegestaan. Aanduidingen Binnen het bestemmingsplan wordt gebruik gemaakt van maatvoeringsaanduidingen, zoals de maximaal toegestane hoogtemaat van bebouwing. Daarnaast zijn functieaanduidingen opgenomen op grond waarvan specifieke functies binnen een bestemming kunnen worden toegestaan. Opzet planregels Overeenkomstig SVBP2012 kent de indeling hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen de volgende vaste volgorde.  In hoofdstuk 1 (inleidende regels) worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd, en wordt de wijze van meten bepaald.  In hoofdstuk 2 (bestemmingsregels) worden alfabetisch de regels gegeven waarmee de bestemmingen die op de verbeelding voorkomen nader worden omschreven.  Hoofdstuk 3 (algemene regels) bevat een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelregel, dan wel regels die voor de nodige flexibiliteit kunnen zorgen, zoals algemene afwijkings- of wijzigingsregels.  Hoofdstuk 4 (overgangs- en slotregel) geeft ten slotte het overgangsrecht weer voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan.

Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2, Bestemmingsregels) wordt als volgt opgebouwd:  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid.

5.2 Gehanteerde bestemmingen Agrarisch – Landschapswaarden De landbouwgronden in het plangebied, met uitzondering van fase 1 van het bedrijventerrein en het zonnepark, zijn overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan bestemd tot ‘Agrarisch – Landschapswaarden’. De bouw- en gebruiksregels van deze bestemming zijn overgenomen van het vigerende plan, waardoor de geldende rechten van toepassing blijven. De voor ‘Agrarisch – Landschapswaarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

Hoofdstuk 5

62

 grondgebonden agrarische bedrijven;  het behoud, herstel en ontwikkeling van met het grondgebonden agrarisch gebruik samenhangende landschapswaarden in de vorm van kenmerkende openheid, beplatingspatroon en bebouwingspatroon;  aan de bestemming ondergeschikte extensieve dagrecreatie met bijbehorende recreatieve fiets-, wandel- en ruiterpaden en daarbij behorende voorzieningen;  bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, laad- en losvoorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen. Het bouwvlak ter plaatse van het agrarisch bedrijf aan de Oude Schroeweg 124 is opgenomen conform het vigerende bestemmingsplan. Op termijn zal ter plaatse, met gebruikmaking van de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid, de ontwikkeling van de tweede fase van het bedrijventerrein mogelijk worden gemaakt. Bedrijventerrein Fase 1 van het te realiseren bedrijven en het zonnepark zijn in het voorliggende bestemmingsplan bestemd tot ‘Bedrijventerrein’. Voor het zonnepark is de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – zonnepark’ opgenomen, waar uitsluitend zonnepanelen en daarbij behorende voorzieningen zijn toegestaan.

Fase 1 van het bedrijventerrein kent de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.2’, op basis waarvan bedrijven van ten hoogste milieucategorie 3.2 zijn toegestaan, voor zover deze zijn opgenomen op de Staat van bedrijfsactiviteiten. Voor het overige zijn de gronden bestemd voor bijbehorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, interne ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen. In de bouwregels is vastgelegd dat de oppervlakte van een bouwperceel (oftewel de kavelgrootte) niet minder mag bedragen dan 1,5 hectare. Op deze wijze zullen ter plaatse alleen bedrijven zich vestigen met een grote ruimtevraag. Dit betreffen met name bedrijven in de logistiek en aanverwante sectoren, waardoor het terrein aansluit bij de doelgroep waarvoor het is bedoeld. Binnen de bedrijventerreinbestemming is een ruim bouwvlak opgenomen, waarbinnen bedrijfsgebouwen en overige bouwwerken gerealiseerd mogen worden tot een maximum goot- en bouwhoogte van beide 12 meter. Het bouwvlak mag voor maximaal 75% worden bebouwd. Buiten dit bouwvlak zijn uitsluitend lichtmasten en erfafscheidingen toegestaan, tot een maximum bouwhoogte van respectievelijk 9 en 2 meter. Groen De openbare groenstrook langs de noordelijke rand van het bedrijventerrein is bestemd tot ‘Groen’.

Deze gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, landschappelijke inpassing, water, speelvoorzieningen, voet- en fietspaden en bij deze bestemming behorende nutsvoorzieningen. Ter plaatse zijn uitsluitend gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan tot een maximum bouwhoogte van 3 meter. De oppervlakte van een nutsgebouw mag daarnaast maximaal 15 m2 bedragen.

Hoofdstuk 5

63

Verkeer De wegen binnen het plangebied, inclusief de daarbij behorende bermen, zijn in het voorliggende bestemmingsplan bestemd tot ‘Verkeer’. Deze gronden zijn bestemd voor wegen met ten hoogste 2x1 doorgaande rijstrook (opstelstroken en busstroken daaronder niet inbegrepen), waterhuishouding en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, bruggen, viaducten, duikers en parkeervoorzieningen. Ter plaatse mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Hierbij geldt voor terreinafscheidingen een maximum bouwhoogte van 2 meter, voor bouwwerken ten behoeve van de verkeersregeling, verkeersaanduiding, wegaanduiding of verlichting een maximum bouwhoogte van 12 meter en voor overige bouwwerken een maximum bouwhoogte van 10 meter. Water De waterloop langs de noordgrens van het plangebied, inclusief de daarbij behorende taluds, zijn in het voorliggende bestemmingsplan bestemd tot ‘Water’. Deze gronden zijn bestemd voor de waterhuishouding, transport over water, watergebonden recreatie en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, wadi's, nutsvoorzieningen, taluds, oevers en duikers. Ter plaatse mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.

Hierbij geldt voor terreinafscheidingen een maximum bouwhoogte van 2 meter, voor bouwwerken ten behoeve van de verkeersregeling, verkeersaanduiding, wegaanduiding of verlichting een maximum bouwhoogte van 12 meter en voor overige bouwwerken een maximum bouwhoogte van 10 meter. Leiding – Hoogspanningsverbinding De dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ is overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan opgenomen voor de bovengrondse hoogspanningsverbinding en de daaromheen gelegen planologische beschermingszone. De regels zijn overeenkomstig het vigerende plan en omvatten onder andere een omgevingsvergunningplicht voor bouwwerken en andere werkzaamheden, waarbij de belangen van de hoogspanningsleiding nadrukkelijk worden meegewogen. Leiding - Water De dubbelbestemming ‘Leiding – Water’ is opgenomen voor de aanleg en instandhouding van de waterleiding met de daarbij behorende belemmeringenstrook. De regels omvatten onder andere een voorrangsregeling en een omgevingsvergunningplicht voor bouwwerken en andere werkzaamheden, waarbij de belangen van de waterleiding nadrukkelijk worden meegewogen. Waarde – Archeologie – 1 Op de gronden ter plaatse van de huidige boerderij is, zoals beschreven in paragraaf 2.6, is nog archeologisch onderzoek nodig, in de vorm van proefsleuven en mogelijk nog een opgraving.

Om het archeologisch belang te waarborgen is ter plaatse van de huidige boerderij de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 1’ opgenomen. De begrenzing van deze dubbelbestemming en de planologische regeling is opgenomen overeenkomstig het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’.

Hoofdstuk 5

64

6.

MAATSCHAPPELIJKE EN ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vooroverleg en inspraak Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het voorontwerp bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg toegestuurd aan de belanghebbende instanties. Daarnaast is een inspraakprocedure doorlopen. Hierbij is het voorontwerp bestemmingsplan vanaf donderdag 18 maart 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegd en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zijn/haar inspraakreactie op de plannen kenbaar maken. Gedurende deze periode zijn vooroverleg- en inspraakreacties ingekomen. Deze reacties zijn samengevat in het ‘Rapport beantwoording inspraak en vooroverleg Voorontwerpbestemmingsplan Bedrijventerrein Trekdijk’, dat als bijlage aan deze toelichting is toegevoegd. Naar aanleiding van de ingekomen reacties is het plan op onderdelen aangepast. De aanpassingen zijn eveneens nader beschreven in voormeld rapport. Zienswijzen en beroep Het ontwerp bestemmingsplan zal gedurende zes weken ter inzage worden gelegd.

Gedurende deze periode heeft eenieder de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan nogmaals zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na afloop van de beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Procedure Een bestemmingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. De wettelijke procedure start met de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit:  Vooroverleg met betrokken instanties;  Openbare kennisgeving van het ontwerpbestemmingsplan;  Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten;

Hoofdstuk 6

65

  

 

Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Deze verplichting vervalt indien de gronden volledig in eigendom zijn van de gemeente. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, dan kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Evenmin is de gemeente verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar het kostenverhaal minimaal is, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2.1a Bro). Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de ontwikkeling van een bedrijventerrein en schept mogelijkheden voor het oprichten van bedrijfsgebouwen. Dit betreft een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 van het Bro. Aangezien de gemeente de gronden in eigendom heeft en de bedrijfskavels zelf zal verkopen, geldt voor dit plan geen verplichting tot kostenverhaal.

6.3 Handhaving Het gemeentebestuur is bevoegd om administratiefrechtelijk op te treden op grond van de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten aanzien van activiteiten, die in strijd zijn met het bestemmingsplan. Het spreekt echter vanzelf dat het weinig zin heeft bestemmingsplannen op te stellen die slecht worden nageleefd. Om een aanvaardbaar handhavingsbeleid tot stand te brengen, dient in de eerste plaats het draagvlak te worden vergroot. In verband hiermee dient het bestemmingsplan voor zoveel mogelijk betrokkenen

Hoofdstuk 6

66

een duidelijke, toegankelijke en op de hedendaagse behoeften en eisen afgestemde bestemmingsregeling te bevatten. Verder kan door informatie te verstrekken omtrent de inhoud van het bestemmingsplan een groter begrip worden gekweekt bij de burger. Het geven van voorlichting vormt daarom de eerste schakel in de handhavingsactiviteiten. Van gemeentewege zullen hiertoe de nodige activiteiten worden ondernomen. Daarnaast dient bestuurlijke bereidheid te ontstaan om regels in de praktijk toe te passen en te handhaven. Ten aanzien van overtredingen zal een actief handhavingsbeleid worden gevoerd. Getracht wordt de controlewerkzaamheden ten aanzien van geconstateerde overtredingen op een intensieve manier uit te voeren. Om de benodigde inzet van extra middelen zo beperkt mogelijk te houden, maar ook om tot een samenhangend handhavingsbeleid te komen, zullen handhavingsactiviteiten zoveel mogelijk worden afgestemd. Controle in het kader van het bestemmingsplan wordt gekoppeld aan controle in het kader van milieuwetgeving en omgekeerd. Wanneer eenmaal sancties moeten worden getroffen, zal dit op consistente wijze en met inachtneming van de juridische spelregels, worden gedaan. Indien de activiteiten niet kunnen worden gelegaliseerd, zullen de instrumenten van aanschrijving, stillegging bouw, bestuursdwang en dwangsom worden toegepast.

De uitvoering van de strafrechtelijke vervolging ligt in handen van het Openbaar Ministerie.

Hoofdstuk 6

67

REGELS

2

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

4

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

4 11

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

13

Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10

Agrarisch - Landschapswaarden Bedrijventerrein Groen Verkeer Water Leiding - Hoogspanningsverbinding Leiding - Water Waarde - Archeologie - 1

13 26 30 31 32 33 35 37

Hoofdstuk 3

Algemene regels

40

Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels

40 41 42 43 44

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

45

Artikel 16 Artikel 17

Overgangsrecht Slotregel

45 46

2

Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Trekdijk" (ontwerp)

Regels

Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Trekdijk" (ontwerp)

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

Inleidende regels

Begrippen

plan

het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Trekdijk' met identificatienummer NL.IMRO.0687.BPBGMTREKDIJK-ON01 van de gemeente Middelburg. 1.2

bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3

aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4

aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5

aan- en uitbouw

een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw. 1.6

aan-huis-gebonden beroep

een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.7

agrarisch bedrijf

een bedrijf, gericht op het voortbrengen van agrarische producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in: a. grondgebonden agrarisch bedrijf: 1. akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, daaronder niet begrepen sier-, fruit- en bollenteelt; 2. bollenteelt: de teelt van bloembollen al dan niet in samenhang met de teelt van bolbloemen; 3. fruitteelt: de teelt van fruit op open grond; 4. grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond waarvoor in de bedrijfsvoering de weidegang essentieel is, of waarvoor de gronden feitelijk en in overwegende mate voor voerteelt voor het veehouderijbedrijf worden gebruikt; 5. paardenfokkerij: het fokken van paarden en het houden van paarden voor vlees- en/of melkproductie en/of voor gebruiksgerichte paardenhouderij; 6. sierteelt: de teelt van siergewassen op open grond al dan niet gecombineerd met de handel in boomkwekerijgewassen en vaste planten; b. niet-grondgebonden agrarisch bedrijf:

4

Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Trekdijk" (ontwerp)

1. glastuinbouw: de teelt van gewassen (nagenoeg) geheel met behulp van kassen; 2. intensieve kwekerij: de teelt van gewassen, paddenstoelen daaronder inbegrepen, in gebouwen; 3. intensieve veehouderij: de teelt van slacht-, fok-, leg- of pelsdieren in gebouwen en (nagenoeg) zonder weidegang, waarbij de teelt niet afhankelijk is van de agrarische grond als productiemiddel; c. aquacultuur: de teelt van (zout)watergebonden organismen waaronder begrepen zagers, schelpdieren en vissen. 1.8

ander bouwwerk

elk bouwwerk, geen gebouw zijnde. 1.9

archeologisch onderzoek

onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt. 1.10

archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden. 1.11

bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.12

bedrijf

een onderneming gericht op het vervaardigen, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen dan wel op het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als niet zelfstandig onderdeel van de onderneming. 1.13

bedrijfsvloeroppervlak

de totale vloeroppervlakte van een kantoor, winkel of bedrijf met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten. 1.14

bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein. 1.15

bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen en aantallen

afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen en aantallen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.16

bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak.

Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Trekdijk" (ontwerp)

5

1.17

bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.18

Bevi-inrichtingen

bedrijven zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 1.19

bevoegd gezag

bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.20

bijgebouw

een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw. 1.21

bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.22

bouwgrens

de grens van een bouwvlak. 1.23

bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.24

bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel. 1.25

bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.26

bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.27

BREEAM-NL

door de Dutch Green Building Council uitgegeven beoordelingsrichtlijn voor de beoordeling van de duurzaamheidsprestatie van gebouwen en gebieden, zoals deze luidt op het moment van vaststelling van het plan.

6

Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Trekdijk" (ontwerp)

1.28

consumentenvuurwerk

vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik. 1.29

deskundige

een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake een specifiek aspect van de ruimtelijke ordening, zoals bijvoorbeeld een archeologisch deskundige, landschapsdeskundige, milieudeskundige en natuurdeskundige. 1.30

detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen, die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, alsmede anders dan voor gebruik ter plaatse. 1.31

dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, fysiopraktijk, belwinkels, internetcafé, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren, internetwinkels en bankfilialen met uitzondering van een seksinrichting. 1.32

erf

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, de bestemming ingevolge het bestemmingsplan deze inrichting niet verbiedt. 1.33

erfafscheiding

bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat dient als afscheiding van een erf of terrein en is geplaatst in of rondom een erf of terrein. 1.34

extensieve dagrecreatie

niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie. 1.35

gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt en duurzaam is verbonden met de grond. 1.36

geluidgevoelige objecten

woningen en andere geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige terreinen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder.

Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Trekdijk" (ontwerp)

7

1.37

geluidzoneringsplichtige inrichting

een inrichting, bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een zone moet worden vastgesteld; 1.38

groen

het totaal aan parken, plantsoenen, bermen, boomvakken en overige beplanting. 1.39

hoofdgebouw

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 1.40

kantoor

voorzieningen gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen. 1.41

Landschappelijke inpassing

het inpassen van een gebouw of een gebruik in het landschap, waarbij rekening wordt gehouden met de typische kenmerken en kwaliteiten van het landschap door middel van de architectuur van het gebouw en/of de aanplant van gebiedseigen beplanting. 1.42

landschapswaarde

de aan een gebied toegekende waarde met betrekking tot het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de herkenbaarheid en de identiteit van de onderlinge samenhang tussen levende en niet-levende natuur. 1.43

maatvoeringsaanduiding

alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen, percentages, oppervlakten, hellingshoeken en aantallen, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik. 1.44

mestbassins

werken, geen bouwwerken zijnde, ten behoeve van de opslag van mest, zoals mestzakken, foliebassins en daarmee vergelijkbare vormen van mestopslag. 1.45

mestopslagruimten

bouwwerken ten behoeve van de opslag van mest, zoals mestverzamelsilo's en daarmee vergelijkbare vormen van mestopslag. 1.46

NED

nieuwe economische drager: een nevenactiviteit die bij een agrarisch bedrijf, of als zelfstandige activiteit bij een voormalig agrarisch bedrijf, mag worden ondernomen.

8

Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Trekdijk" (ontwerp)

1.47

NEN

door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan. 1.48

neventak

een agrarische bedrijfstak op een agrarisch bedrijf die wat productieomvang betreft ondergeschikt is aan de (grondgebonden) agrarische hoofdtak. 1.49

niet-agrarische neventak

niet-agrarische activiteiten als ondergeschikt bestandsdeel van de totale productieomvang van een agrarisch bedrijf. 1.50

nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.51

opslag

het bedrijfsmatig opslaan van goederen, gegevens etc. 1.52

overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak. 1.53

overkappingconstructie als teeltondersteunende voorziening

bouwwerken zonder wanden, overtrokken met lichtdoorlatend materiaal anders dan glas ten behoeve van de bescherming van tuinbouwgewassen tegen neerslag of zonlicht. 1.54

peil

a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst: de hoogte van die weg (ter plaatse van de hoofdtoegang); b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld; c. voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in het water: NAP. 1.55

Staat van bedrijfsactiviteiten

De Staat van bedrijfsactiviteiten die als bijlage 2 deel uitmaakt van deze regels. 1.56

teeltondersteunende voorzieningen

boog- en gaaskassen, overkappingsconstructies als teeltondersteunende voorziening en stellingen ten behoeve van de bescherming van plantaardige agrarische teelten en/of de voorkoming van verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen, ten behoeve van grondgebonden agrarische teelten.

Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Trekdijk" (ontwerp)

9

1.57

voorgevel

de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. 1.58

waterbassins

werken, niet zijnde bouwwerken, ten behoeve van de opslag van water, zoals foliebassins en daarmee vergelijkbare vormen van wateropslag. 1.59

weidegang

gedurende een substantieel gedeelte van het jaar, nagenoeg dagelijks buiten laten lopen van dieren, op een substantiële oppervlakte landbouwgrond, waarbij een deel van de voerbehoefte door de dieren buiten verzameld wordt en waarbij meer dan 50% van de betreffende landbouwgrond is begroeid. 1.60

zelfstandig kantoor

kantoor dat niet behoort tot een bedrijf, maar als zelfstandig kantoor wordt gebruikt.

10

Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Trekdijk" (ontwerp)

Artikel 2

Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1

afstand

de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst is. 2.2

bouwhoogte van een antenne-installatie

a. ingeval van een vrijstaande (schotel)antenne-installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie; b. ingeval van een op of aan een bouwwerk gebouwde (schotel)antenne-installatie: tussen de voet van de (schotel)antenne-installatie en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie. 2.3

bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4

breedte, lengte en diepte van een bouwwerk

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren. 2.5

dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.6

goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.7

hoogte van een windturbine

vanaf het peil tot aan de (rotor)as van de windturbine. 2.8

inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen, met inbegrip van ondergrondse bouwwerken. 2.9

oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Trekdijk" (ontwerp)

11

2.10

vloeroppervlakte

de gebruiksvloeroppervlakte volgens NEN 2580.

12

Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Trekdijk" (ontwerp)

Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1

Bestemmingsregels

Agrarisch - Landschapswaarden

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch - Landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. grondgebonden agrarische bedrijven; b. het behoud, herstel en ontwikkeling van met het grondgebonden agrarisch gebruik samenhangende landschapswaarden in de vorm van kenmerkende openheid, beplantingspatroon en bebouwingspatroon; c. aan de bestemming ondergeschikte extensieve dagrecreatie met bijbehorende recreatieve fiets-, wandel- en ruiterpaden en daarbij behorende voorzieningen; d. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, laad- en losvoorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

3.2

Bouwregels

3.2.1

Bouwregels voor bouwvlakken

Op een bouwvlak is toegestaan: a. ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' zijn gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan; b. tenzij anders is aangeduid, is per bouwvlak ten hoogste één bedrijfswoning met aan-, uit- en bijgebouwen toegestaan; c. indien gebouwen en overkappingen niet aaneen worden gebouwd, bedraagt de onderlinge afstand ten minste 3 meter; d. de afstand van gebouwen en overkappingen tot de bestemming 'Verkeer' bedraagt ten minste 40 meter bij de volgende wegen: 1. Nieuwe Vlissingseweg; 2. Postweg (N665); 3. Veerseweg; 4. N57; 5. A58; e. de afstand van gebouwen en overkappingen tot de bestemming 'Verkeer' van de overige wegen bedraagt ten minste 20 meter. 3.2.2

Bouwregels voor gronden buiten bouwvlakken

Buiten een bouwvlak zijn uitsluitend toegestaan: a. kuilvoerplaten en sleufsilo's, direct aansluitend op bouwvlakken; b. terreinafscheidingen. 3.2.3

Maatvoering

De goothoogte, bouwhoogte, de oppervlakte en / of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouwen zijnde, bedragen ten hoogste de volgende aangegeven maten:

a.

bouwwerk

goothoogte

bouwhoogte

bedrijfswoning

6m

10 m

Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Trekdijk" (ontwerp)

oppervlakte / inhoud 750 m³

13

b.

d. e. f. g. h.

bijgebouwen bij een woning, inclusief 3m 6m overkappingen overige (agrarische) bedrijfsgebouwen en zie aanduiding zie aanduiding overkappingen mestopslagruimten als zelfstandig bouwwerk 7m sleufsilo's 2m voedersilo's 12 m vlaggenmasten 10 m overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 2m

3.3

Afwijken van de bouwregels

3.3.1

Niet-grondgebonden agrarische neventakken

c.

60 m²

2.500 m³

Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 onder a voor het realiseren van glastuinbouw of intensieve veehouderij als neventak ter plaatse van een bouwvlak, met inachtneming van de volgende regels: a. het totale oppervlak aan kassen bedraagt ten hoogste 2.000 m² per bedrijf; b. het totale oppervlak aan intensieve veehouderij bedraagt ten hoogste 1.600 m²; c. de ontwikkeling leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelmogelijkheden van de omliggende bestemmingen en functies; d. de omgevingsvergunning wordt niet verleend: 1. binnen een afstand van 100 meter van gronden met de bestemming 'Natuur'; 2. binnen een afstand van 100 meter van gronden met de bestemming 'Water-Deltawater'; 3. binnen een afstand van 100 meter van de plangrens rond de kernen en verblijfsrecreatieterreinen; e. de omgevingsvergunning wordt verleend indien is aangetoond dat het grondgebonden agrarisch bedrijf de hoofdtak vormt en de neventak in omvang daaraan ondergeschikt blijft, alvorens de omgevingsvergunning te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige; f. de omgevingsvergunning wordt verleend indien is aangetoond dat de landschapswaarden, zoals bedoeld in lid 3.1, niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; g.

de omgevingsvergunning wordt verleend indien is aangetoond dat is voorzien in een adequate landschappelijke inpassing van het bouwvlak, alvorens de omgevingsvergunning te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de landschapsdeskundige; h. de omgevingsvergunning wordt slechts verleend als zorg wordt gedragen voor ruimtelijke kwaliteitswinst in de vorm van landschaps- of natuurontwikkeling of het verbeteren van de inrichting van het erf, alvorens de omgevingsvergunning te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de landschapsdeskundige; i. de ontwikkeling leidt niet tot onevenredige gevolgen voor het waterbeheer; indien het verhard oppervlak toeneemt met 1.000 m² of meer, vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de omgevingsvergunning te verlenen; j. de ontwikkeling leidt niet tot afname van de verkeersveiligheid; alvorens de omgevingsvergunning te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de verkeersdeskundige; k. de ontwikkeling leidt niet tot onevenredige schade aan infrastructuur; alvorens de omgevingsvergunning te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de wegbeheerder; l.

het gebruik van groeibevorderende of conditionerende belichting, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting in kassen is niet toegestaan, tenzij de kassen (gevel en dak) aan de binnenzijde volledig zijn afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling; m. de omgevingsvergunning wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitswinst.

14

Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Trekdijk" (ontwerp)

3.3.2

Bouwen nabij de bestemming Verkeer

Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sublid 3.2.1 onder d en e voor het bouwen van een gebouw of overkapping binnen een afstand van respectievelijk 20 of 40 meter tot de bestemming 'Verkeer', met inachtneming van de volgende regels: a. de ontwikkeling leidt niet tot een verkeersonveilige situatie; b. de ontwikkeling leidt niet tot aantasting van de verkeersplanologische functie van de weg; c. voor het verlenen van de omgevingsvergunning wordt door burgemeester en wethouders advies gevraagd aan de wegbeheerder. 3.3.3

Gebouwen buiten bouwvlak

Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sublid 3.2.2 voor het bouwen van een gebouw of overkapping, buiten een bouwvlak, met inachtneming van de volgende regels: a. het oppervlak bedraagt ten hoogste 100 m²; b. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 3,5 meter; c. de omgevingsvergunning wordt niet verleend: 1. binnen een afstand van 100 meter van gronden met de bestemming 'Natuur'; 2. binnen een afstand van 100 meter van gronden met de bestemming 'Water-Deltawater'; 3. binnen een afstand van 100 meter van de plangrens rond de kernen en verblijfsrecreatieterreinen; d. de omgevingsvergunning wordt verleend indien is aangetoond dat: 1. de ontwikkeling noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering van het grondgebonden agrarisch bedrijf; 2. plaatsing op het bouwvlak niet mogelijk of doelmatig is; alvorens de omgevingsvergunning te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige; e. de omgevingsvergunning wordt verleend indien is aangetoond dat de landschapswaarden, zoals bedoeld in lid 3.1 niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, alvorens de omgevingsvergunning te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de landschapsdeskundige; f.

de ontwikkeling leidt niet tot onevenredige gevolgen voor het waterbeheer; indien het verhard oppervlak toeneemt met 1.000 m² of meer, vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de omgevingsvergunning te verlenen; g. de omgevingsvergunning wordt verleend indien is aangetoond dat is voorzien in een adequate landschappelijke inpassing, alvorens de omgevingsvergunning te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de landschapsdeskundige; h. de omgevingsvergunning wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing. 3.3.4

Overkappingconstructies als teeltondersteunende voorziening

Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2 voor het bouwen van overkappingconstructies als teeltondersteunende voorziening buiten een bouwvlak, met inachtneming van de volgende regels: a. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 4 meter; b. de teeltondersteunende voorziening staat ten dienste aan het grondgebonden agrarisch bedrijf; c. de omgevingsvergunning wordt niet verleend: 1. binnen een afstand van 100 meter van gronden met de bestemming 'Natuur'; 2. binnen een afstand van 100 meter van gronden met de bestemming 'Water-Deltawater'; 3. binnen een afstand van 100 meter van de plangrens rond de kernen en

Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Trekdijk" (ontwerp)

15

verblijfsrecreatieterreinen; d. de omgevingsvergunning wordt verleend indien is aangetoond dat deze noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering van het grondgebonden agrarisch bedrijf. Alvorens de omgevingsvergunning te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige; e. de omgevingsvergunning wordt verleend indien is aangetoond dat de landschapswaarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, zoals bedoeld lid 3.1, alvorens de omgevingsvergunning te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de landschapsdeskundige; f. de omgevingsvergunning wordt verleend indien is aangetoond dat is voorzien in een adequate landschappelijke inpassing, alvorens de omgevingsvergunning te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de landschapsdeskundige; g. de omgevingsvergunning wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing. 3.3.5

Wateropslagruimten

Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2 voor het bouwen van een wateropslagruimte als bouwwerk voor de glastuinbouw aansluitend aan een bouwvlak, met inachtneming van de volgende regels: a. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 2 meter; b. de omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien op het agrarisch bedrijf behorend bouwvlak onvoldoende ruimte aanwezig is om de wateropslagruimte te realiseren; c. de omgevingsvergunning wordt verleend indien is aangetoond dat deze noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering van een glastuinbouwbedrijf of een nevenfunctie glastuinbouw, alvorens de omgevingsvergunning te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige; d. de omgevingsvergunning wordt verleend indien is aangetoond dat de landschapswaarden, zoals bedoeld in lid 3.1, niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, alvorens de omgevingsvergunning te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de landschapsdeksundige; e. de omgevingsvergunning wordt verleend indien is aangetoond dat is voorzien in een adequate landschappelijke inpassing, alvorens de omgevingsvergunning te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de landschapsdeskundige; f.

de ontwikkeling leidt niet tot onevenredige gevolgen voor het waterbeheer; indien het verhard oppervlak toeneemt met 1.000 m² of meer, vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de omgevingsvergunning te verlenen; g. de ontwikkeling leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen; h. de omgevingsvergunning wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing. 3.3.6

Overschrijding grenzen bouwvlak

Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2 voor het overschrijden van de grenzen van een bouwvlak met gebouwen en/of overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met inachtneming van de volgende regels: a. de omgevingsvergunning wordt verleend indien de uitbreiding van het bouwvlak ten hoogste 15% van de oppervlakte van het op de verbeelding aangegeven bouwvlak bedraagt, en de overschrijding van de bouwvlakgrenzen ten hoogste 15 meter bedraagt; b. de ontwikkeling leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen; c. de omgevingsvergunning wordt verleend indien is aangetoond dat deze noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf, alvorens de omgevingsvergunning te verlenen 16

Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Trekdijk" (ontwerp)

vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige; d. de omgevingsvergunning wordt verleend indien is aangetoond dat is voorzien in een adequate landschappelijke inpassing van de gebouwen en/of overkappingen; e. de ontwikkeling leidt niet tot onevenredige gevolgen voor het waterbeheer; indien het verhard oppervlak toeneemt met 1.000 m² of meer, vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de omgevingsvergunning te verlenen; f. de omgevingsvergunning wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing. 3.3.7

Nieuwbouw NED

Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 voor het vervangend nieuw bouwen van een gebouw ten behoeve van een NED ter plaatse van een bouwvlak, met inachtneming van de volgende regels: a. de oppervlakte van de NED bedraagt ten hoogste de in bijlage 1 genoemde omvang; b. de omgevingsvergunning wordt verleend indien ten minste eenzelfde oppervlak bestaande bedrijfsgebouwen behorende tot het agrarisch bedrijf wordt gesloopt; c. de omgevingsvergunning wordt verleend indien ook toepassing is of wordt gegeven aan het bepaalde in lid 3.5.6.

3.4

Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. de opslag van goederen, anders dan agrarische producten afkomstig van het eigen agrarisch bedrijf, buiten gebouwen, is niet toegestaan; b. het huisvesten van seizoensarbeiders is niet toegestaan; c. de opslag van dierlijke mest, anders dan in een mestopslagruimte, in hoeveelheden groter dan 600 m³, is niet toegestaan; d. de opslag van dierlijke mest ten behoeve van handelsdoeleinden is niet toegestaan; e. het gebruik van mestbassins is buiten de bouwvlakken niet toegestaan; f. het gebruik van waterbassins is buiten de bouwvlakken niet toegestaan; g. het gebruik van kuilvoerplaten en sleufsilo's ten behoeve van de opslag van producten die niet afkomstig zijn van, of worden gebruikt op, het eigen agrarisch bedrijf, is niet toegestaan; h. paardenbakken zijn niet toegestaan; i. het gebruik van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen voor een aaneengesloten periode van langer dan 10 weken is niet toegestaan; j. containervelden zijn buiten een bouwvlak niet toegestaan; k. detailhandel, anders dan het verkopen van boerderij- en streekproducten met een oppervlak van ten hoogste 50 m², is niet toegestaan; l. het uitoefenen van een aan-huis-gebonden beroep met een oppervlak meer dan 50 m² per agrarische bedrijfswoning is niet toegestaan; m.

het aanbieden van meer dan 5 slaapplaatsen ten behoeve van logies met ontbijt per agrarische bedrijfswoning is niet toegestaan; n. het gebruiken van een aan- of uitbouw of vrijstaand bijgebouw ten behoeve van het ontvangen of verlenen van mantelzorg is toegestaan; o. fruitteelt ter plaatse van gronden die zijn gelegen binnen een afstand van 50 meter van woningen van derden, of terreinen bestemd voor verblijfsrecreatie (minicampings daaronder inbegrepen) is niet toegestaan; p. het gebruik van groeibevorderende of conditionerende belichting, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting in kassen is niet toegestaan, tenzij de kassen (gevel en dak) aan de binnenzijde volledig zijn afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling; q. het gebruik van groeibevorderende of conditionerende belichting, zoals assimilatiebelichting of

Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Trekdijk" (ontwerp)

17

cyclische belichting in boog- en gaaskassen is niet toegestaan.

3.5

Afwijken van de gebruiksregels

3.5.1

Mestbassins aansluitend aan het bouwvlak

Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.4 onder e voor mestbassins, geen bouwwerk zijnde, aansluitend aan een bouwvlak, met inachtneming van het volgende: a. de totale inhoud van mestopslagruimten en mestbassins - mestopslagruimten in gebouwen daaronder begrepen - op het betreffende erf bedraagt ten hoogste 5.000 m³; b. de omgevingsvergunning wordt niet verleend: 1. binnen een afstand van 100 meter van gronden met de bestemming 'Natuur'; 2. binnen een afstand van 100 meter van gronden met de bestemming 'Water-Deltawater'; 3. binnen een afstand van 100 meter van de plangrens rond de kernen en verblijfsrecreatieterreinen; c. het gebruik van de mestbassins ten behoeve van handelsdoeleinden is niet toegestaan; d. de omgevingsvergunning wordt niet verleend indien op het bij het agrarisch bedrijf behorende bouwvlak voldoende ruimte aanwezig is om het mestbassin te realiseren; e. de ontwikkeling is noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering; alvorens de omgevingsvergunning te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige; f.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10635688/1