CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

21-150 Bijlage 1b. Toelichting en regels ONBP Trekdijk 209535

Gemeenteraad 10 november 2021, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Trekdijk’ (RM/21-150)30.809 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan “Bedrijventerrein Trekdijk” Gemeente Middelburg Ontwerp

Bestemmingsplan “Bedrijventerrein Trekdijk” Gemeente Middelburg Ontwerp

Identificatienummer:

IMRO.0687.BPBGMTREKDIJK-ON01

Rapportnummer BRO:

P02830

Datum:

21 juni 2021

Opdrachtgever:

Gemeente Middelburg

Projectteam BRO:

HLe & SDr

Voorontwerp

5 maart 2021

Ontwerp:

21 juni 2021

Vaststelling: Trefwoorden:

Bestemmingsplan, bedrijventerrein, Trekdijk, gemeente Middelburg.

Bron foto kaft:

Hollandse Hoogte 4

Beknopte inhoud:

Toelichting ten behoeve van de ontwikkeling van het bedrijventerrein aan de Trekdijk te Middelburg.

BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

TOELICHTING

2

Inhoudsopgave

pagina

1. DOEL EN OPZET BESTEMMINGSPLAN 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en grens van het plangebied 1.3 Vigerend juridisch-planologisch kader 1.4 Leeswijzer

4 4 5 6 9

2. RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE ASPECTEN PLANGEBIED 2.1 Ruimtelijke en functionele structuur en opbouw 2.2 Cultuurhistorie 2.3 Water 2.4 Milieu

10 10 13 15 16

2.4.1 Bodem 2.4.2 Luchtkwaliteit 2.4.3 Geluidhinder 2.4.4 Externe veiligheid 2.4.5 Milieuzonering 2.4.6 Leidingen en telecommunicatie 2.5 Ecologie 2.6 Archeologie 2.7 Milieueffectrapportage

16 18 20 21 29 30 33 34 36

2.7.1 Beoordeling directe m.e.r.-plicht 2.7.2 M.e.r.-beoordeling 2.8 Conclusie

36 37 41

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

42 42

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid

42 43 43 46

3.2.1 Omgevingsplan Zeeland 3.2.2 Provinciale Omgevingsverordening 3.3 Regionaal beleid

46 47 47

3.3.1 Bedrijventerreinprogramma Walcheren 2017-2021 3.3.2 Regionale Energiestrategie Zeeland 3.4 Gemeentelijk beleid

47 49 50

3.4.1 Middelburgse Visie Milieu 2019 - 2025

Inhoudsopgave

50

1

4. PROJECTBESCHRIJVING 4.1 Beschrijving planvoornemen 4.2 Stedenbouwkundige en ruimtelijke inpassing 4.3 Verkeer en parkeren 4.4 Duurzaamheid

51 51 53 56 57

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Uitgangspunten en opzet bestemmingsregeling 5.2 Gehanteerde bestemmingen

61 61 62

6. MAATSCHAPPELIJKE EN ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2 Economische uitvoerbaarheid 6.3 Handhaving

65 65 66 66

SEPARATE BIJLAGEN  Waterschap Scheldestromen, Aanmeldformulier watertoets, 3 februari 2021  ABO-Milieuconsult B.V., Verkennend (water)bodemonderzoek volgens NEN 5740 en NEN 5720, Trekdijk te Middelburg, projectnummer ANL20-4849, 3 juni 2020  Expload, Aanleidingsonderzoek / Risico-inventarisatie en –evaluatie Ontplofbare Oorlogsresten Trekdijk Middelburg, projectnummer 191740000, 15 januari 2020  M-tech Nederland B.V., Onderzoek luchtkwaliteit in het kader van de ontwikkeling van een bedrijventerrein aan de Trekdijk te Middelburg, rapportnummer Tre.Mid.20.LK BP-01, 16 september 2020  M-tech Nederland B.V., Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai in het kader van de ontwikkeling van een bedrijventerrein aan de Trekdijk te Middelburg, rapportnummer Tre.Mid.20.AO BP-01, 16 september 2020  M-tech Nederland B.V., QuickScan externe veiligheid t.b.v.

ontwikkeling bedrijventerrein Trekdijk Middelburg, rapportnummer Tre.Mid.19.EV.BP-01(v3), 9 juni 2021  Veiligheidsregio Zeeland, Advies Veiligheidsregio Zeeland op voorontwerpbestemmingsplan 'bedrijventerrein Trekdijk’, kenmerk 2021-001306 / D2021-03-002064, 23 april 2021  Bijlage 1 Advies Veiligheidsregio, Infographic Ongevallen met gevaarlijke stoffen (Zeeland Veilig)  Bijlage 2 Advies Veiligheidsregio, Advisering bluswater bereikbaarheid Trekdijk  Bijlage 3 Advies Veiligheidsregio, Handreiking-elektriciteit-opslag-systemen  Adviesbureau Mertens B.V., Quickscan Beschermde planten- en diersoorten uitbreiding bedrijventerrein Trekdijk te Middelburg, rapportnummer 2018.2967, april 2018  BRO, Resultaten vervolgonderzoek huismus, gierzwaluw, kerkuil en vleermuizen, Trekdijk, Middelburg, projectnummer P02830, 26 november 2020  Antea Group, Stikstofdepositie onderzoek Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Trekdijk", projectnummer 0463948, 3 juni 2021

Inhoudsopgave

2

  

      

AERIUS-berekening, Realisatiefase, 24 december 2020 AERIUS-berekening, Gebruiksfase, 3 juni 2021 Artefact!, Nieuw- en Sint-Joosland - Ontwikkelingsgebied Trekdijk, Gemeente Middelburg. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen, rapportnummer 387, 18 februari 2019 ADC ArcheoProjecten, Sleuven in het Trekdijkgebied. Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven aan de Trekdijk te Nieuw- en Sint Joosland (gemeente Middelburg), rapportnummer 5272, september 2020 Ecorys, Markttoets Trekdijk, 2 februari 2017 Stec Groep, Prognose bedrijventerreinen Zeeland, Werken aan toekomstbestendige bedrijventerreinen, kenmerk 19.096, 13 januari 2020 Gemeente Middelburg, Stedenbouwkundige visie bedrijventerrein Trekdijk, 22 januari 2021 Rho, Verkeersgeneratie Trekdijk met gemengd scenario, 13 april 2018 Telwerk B.V., Verkeersonderzoeken Middelburg, 16 januari 2018 Goudappel Coffeng, Modelberekeningen bedrijventerrein Trekdijk, beknopte analyse modelberekeningen bedrijventerrein Trekdijk, kenmerk MDB145/Prc/1268.01, 11 juni 2018 Gemeente Middelburg, Rapport beantwoording inspraak en vooroverleg Voorontwerpbestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Trekdijk’, juni 2021

Inhoudsopgave

3

1.

DOEL EN OPZET BESTEMMINGSPLAN

1.1 Aanleiding en doel Het voornemen bestaat om een nieuw bedrijventerrein te ontwikkelen aan de Trekdijk, aan de zuidoostzijde van de stad Middelburg, nabij Nieuw- en Sint Joosland. Dit terrein is benodigd om te kunnen voorzien in de ruimtevraag voor met name logistieke bedrijven. Middels een raadsbesluit van 14 november 2019 heeft de gemeenteraad van Middelburg een besluit genomen over de te herbergen functies en de milieucategorieën op het bedrijventerrein. Een stedenbouwkundig ontwerp voor de beoogde ontwikkeling is hierbij als toekomstvisie vastgesteld. Met dit besluit heeft de raad besloten de verdere planinvulling waar mogelijk met raadsparticipatie te ontwikkelen. Aansluitend is op 28 mei 2020 is de exploitatieopzet voor het terrein door de raad vastgesteld. Het bedrijventerrein zal gefaseerd tot ontwikkeling worden gebracht, waarbij de eerste fase een oppervlakte van vijf hectare uitgeefbaar terrein omvat en de realisering van een zonnepark ter grootte van 2,89 hectare. In deze fase worden tevens de hoofdontsluiting en de groen- en waterstructuur van het terrein gerealiseerd. Ten behoeve van de inrichting van dit bedrijventerrein is een stedenbouwkundige visie en schetsontwerp uitgewerkt, dat in hoofdstuk 4 nader wordt toegelicht. In de navolgende afbeeldingen is de globale ligging van de planlocatie weergegeven.

Topografische kaart met globale ligging plangebied (blauw omcirkeld). Bron: https://www.pdok.nl/viewer/

Hoofdstuk 1

4

Topografische kaart met ligging plangebied (rood omlijnd) en directe omgeving. Bron: https://www.pdok.nl/viewer/

Op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’, waarin het voorliggende plangebied hoofdzakelijk een agrarische bestemming kent, zijn de beoogde ontwikkelingen niet mogelijk. De gemeente Middelburg wil de gefaseerde ontwikkeling van het bedrijventerrein mogelijk maken door middel van een herziening van het juridisch-planologisch kader. In voorliggend bestemmingsplan worden de nieuwe bestemmingen voor de gronden binnen het plangebied wettelijk geregeld, waardoor nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden ontstaan, waarbinnen de beoogde ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt.

1.2 Ligging en grens van het plangebied Het plangebied is globaal gezien gelegen ten zuidoosten van de stad Middelburg en ten zuidwesten van Nieuw- en Sint Joosland. Verder richting het oosten liggen het buurtschap Oudedorp en de haven Vlissingen Oost. De Rijksweg A58 en de Weizichtweg vormen de noordwestgrens van de locatie en de N254/Sloeweg Noord en Oude Schroeweg/Kalverdijk vormen de zuidwestelijke plangrens. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door de weg Trekdijk. In de navolgende afbeelding is de plangrens weergegeven.

Hoofdstuk 1

5

Projectie plangrens (rode lijn) op bgt- en kadastrale ondergrond

Het plangebied zelf bestaat hoofdzakelijk uit landbouwgronden. In het zuidelijk deel van het plangebied, aan de Oude Schroeweg 124, is een melkveehouderij gelegen. In het oostelijk deel van het plangebied ligt een bovengrondse hoogspanningsverbinding, die in noord-zuidrichting het plangebied doorkruist. Tot slot stroomt een watergang door het plangebied, globaal gezien van noordoostelijke naar zuidwestelijke richting.

1.3 Vigerend juridisch-planologisch kader Voor het merendeel van het plangebied is het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van toepassing, dat op 28 september 2009 is vastgesteld door de gemeenteraad van Middelburg. Ter plaatse

Hoofdstuk 1

6

van de aansluitingen van het bedrijventerrein op de Weizichtweg, in het noordelijk deel van het plangebied, vigeert de beheersverordening ‘Rijksweg N57’, die op 24 juni 2013 is vastgesteld door de gemeenteraad van Middelburg. Bestemmingsplan ‘Buitengebied’ Binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ zijn de gronden grotendeels bestemd tot ‘Agrarisch – Landschapswaarden’. Enkele wegen binnen het plangebied zijn bestemd tot ‘Verkeer’. Daarnaast kent het plangebied de archeologische dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 3’. Het plangebied wordt in noord-zuidrichting doorkruist door een bovengrondse hoogspanningsverbinding. Hiervoor is de dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ opgenomen. Tot slot is op het meest zuidoostelijke deel van het plangebied de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’ opgenomen en op het meest noordoostelijke deel van het plangebied is de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop – 2’ van toepassing.

De voor ‘Agrarisch – Landschapswaarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:  grondgebonden agrarische bedrijven,  het behoud, herstel en ontwikkeling van met het grondgebonden agrarisch gebruik samenhangende landschapswaarden in de vorm van kenmerkende openheid, beplatingspatroon en bebouwingspatroon;  aan de bestemming ondergeschikte extensieve dagrecreatie met bijbehorende recreatieve fiets-, wandel- en ruiterpaden en daarbij behorende voorzieningen;  bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, laad- en losvoorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen. Ter plaatse van het agrarisch bedrijf aan de Oude Schroeweg 124 is een bouwvlak opgenomen, waarbinnen bedrijfsgebouwen, een bedrijfswoning en overige bebouwing ten behoeve van dit bedrijf zijn toegestaan. Ter plaatse van de verkeersbestemming zijn de gronden bestemd voor wegen van maximaal 2x1 doorgaande rijstrook en de daarbij behorende voorzieningen. De ontwikkeling van een bedrijventerrein is binnen deze geldende bestemmingen niet mogelijk. Ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ zijn de gronden tevens bestemd voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding van ten hoogste 150 kV.

Bouwen ten dienste van andere bestemmingen is ter plaatse van de dubbelbestemming in principe niet toegestaan, tenzij het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering en de bouwhoogte niet wordt verhoogd. Ter plaatse van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Op de voor ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden geldt een archeologische onderzoeksplicht bij

Hoofdstuk 1

7

bodemverstoringen met een oppervlakte groter dan 500 m2 en een diepte van meer dan 40 cm. Op basis van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemverstoringen met een oppervlakte groter dan 30 m2 en een diepte van meer dan 40 cm. In paragraaf 2.6 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie bij het voorliggende plan.

Verbeelding vigerende bestemmingsplannen. Bron: https://www.ruimtelijkeplannen.nl/

Op het meest zuidoostelijke deel van het plangebied is de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’ opgenomen, vanwege de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein haven Vlissingen Oost. Ter plaatse van deze geluidzone mogen geen nieuwe geluidgevoelige objecten worden opgericht. In paragraaf 2.4.3 wordt nader ingegaan op het aspect industrielawaai bij dit plan. Op het meest noordoostelijke deel van het plangebied is de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop – 2’ van toepassing, vanwege de windmolen ‘Buiten Verwachting’, die op circa 320 meter ten noordwesten van het plangebied is gelegen. Binnen deze vrijwaringszone mag geen bebouwing worden opgericht met een hoogte die meer bedraagt dan 1/75 van de afstand van het bouwwerk tot het middelpunt van de

Hoofdstuk 1

8

molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek. In paragaaf 2.2 wordt nader ingegaan op de ligging van dit deel van het plangebied binnen de molenbiotoop. Beheersverordening ‘Rijksweg N57’ Ter plaatse van de aansluitingen van het bedrijventerrein op de Weizichtweg, in het noordelijk deel van het plangebied, vigeert de beheersverordening ‘Rijksweg N57’. De ter plaatse gelegen gronden mogen volgens de beheersverordening worden gebruikt overeenkomstig het huidige gebruik. De gronden zijn in gebruik als berm naast de Weizichtweg en zijn begroeid met gras en een droogvallende greppel.

1.4 Leeswijzer Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan wordt gevormd door de regels en de verbeelding tezamen. De toelichting is een beschrijving van hetgeen middels het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Daarnaast onderbouwt het de haalbaarheid van de planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt allereerst een functionele en ruimtelijke analyse van het plangebied gegeven, waarbij tevens wordt ingegaan op de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De hoofdlijnen van beleid zijn vervolgens beschreven in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt de voorgenomen ontwikkeling beschreven, waarna in hoofdstuk 5 de juridische planopzet wordt beschreven. In hoofdstuk 6 wordt tot slot ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 1

9

2.

RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE ASPECTEN PLANGEBIED

2.1 Ruimtelijke en functionele structuur en opbouw Het plangebied is globaal gezien gelegen in het gebied tussen Middelburg, Nieuw- en Sint Joosland en de haven Vlissingen Oost. De directe omgeving van het plangebied betreft een gebied met hoofdzakelijk een agrarische functie. Het gebruik ter plaatse bestaat uit akkerbouw- en weidegronden met verspreid gelegen bebouwing, bestaande uit agrarische bedrijven en enkele burgerwoningen.

Luchtfoto plangebied (rood omlijnd) en directe omgeving. Bron: https://www.pdok.nl/viewer/

Ten noordwesten van het plangebied ligt de Rijksweg A58. Het plangebied is gelegen tussen de afritten Middelburg-Oost en Middelburg-Centrum van deze snelweg. De parallel aan de A58 gelegen Weizichtweg vormt de noordwestgrens van het plangebied. Ten zuidwesten van het plangebied liggen de N254/Sloeweg Noord, de Oude Schroeweg en de Kalverdijk. Langs deze wegen is een groenzone met bomen en struiken en enkele waterpartijen aanwezig. In het zuidelijk deel van het plangebied, aan

Hoofdstuk 2

10

de Oude Schroeweg 124, is een melkveehouderij gelegen. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door de Trekdijk. Deze weg is op een dijk gelegen met beplanting langs beide zijden. In het oostelijk deel van het plangebied ligt in noord-zuidrichting een bovengrondse hoogspanningsverbinding. Tot slot stroomt een watergang door het plangebied van noordoostelijke naar zuidwestelijke richting. Deze watergang wordt in het kader van de voorliggende ontwikkeling verlegd. De hoogspanningsverbinding en de wegen die het plangebied begrenzen, blijven in hun huidige vorm behouden. De nieuw te realiseren wegenstructuur binnen het plangebied zal op twee punten worden aangesloten op de Weizichtweg, die daarmee de belangrijkste ontsluitingsroute vormt voor het bedrijventerrein. De navolgende foto’s geven de bestaande situatie in het plangebied (januari 2021) weer.

Bestaande situatie plangebied, gezien vanuit de Weizichtweg. Foto januari 2021

Hoofdstuk 2

11

Bestaande situatie plangebied, gezien vanuit de Trekdijk .Foto januari 2021

Hoofdstuk 2

12

Bestaande situatie zuidelijk deel plangebied, gezien vanuit de Trekdijk. Foto januari 2021

2.2 Cultuurhistorie Op basis van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur kaart (CHS) van de provincie Zeeland zijn er binnen het plangebied geen monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig, waarop met de voorliggende ontwikkeling invloed wordt uitgeoefend. Op circa 320 meter ten noordoosten van het plangebied is de windmolen ‘Buiten Verwachting’ gelegen aan de Molenweg 35. Deze molen is aangewezen als Rijksmonument. Rond de molen is een molenbiotoop aangewezen, waarbinnen de windvang niet onevenredig mag worden belemmerd als gevolg van bebouwingsontwikkelingen en/of hoog opgaande beplanting. Op het meest noordoostelijke deel van het plangebied is daarom de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop – 2’ van toepassing, vanwege deze molenbiotoop. Binnen deze vrijwaringszone mag geen bebouwing worden

Hoofdstuk 2

13

Molen ‘Buiten Verwachting’. Foto januari 2021

opgericht met een hoogte die meer bedraagt dan 1/75 van de afstand van het bouwwerk tot het middelpunt van de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek. Het voorliggende plan maakt geen nieuwe bebouwing mogelijk ter plaatse van de molenbiotoop. Ter plaatse van deze zone is namelijk uitsluitend een boomgaard voorzien. Hiermee wordt geen negatieve invloed uitgeoefend op de molen zelf en op de windvang binnen de molenbiotoop. De planologische regeling met betrekking tot de molenbiotoop, zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan, is overgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. Daarin is geregeld dat er geen bebouwing en beplanting mag worden opgericht met een hoogte die meer bedraagt dan 1/75 van de afstand van het bouwwerk, c.q. de beplanting, tot het middelpunt van de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek. Hiermee is de planologische bescherming van de molenbiotoop gewaarborgd.

De Trekdijk, die de oostgrens van het plangebied vormt, betreft een beschermde dijk. Deze is in het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ bestemd tot ‘Verkeer – Beschermde Dijken’. Binnen deze bestemming is de Trekdijk onder andere bestemd voor het behoud van dijken en behoud en herstel van de daarmee samenhangende landschappelijke, cultuurhistorische en/of ecologische waarden. De Trekdijk blijft bij de beoogde ontwikkeling van het bedrijventerrein in zijn huidige vorm behouden en krijgt ook geen functie als (hoofd)ontsluiting voor het bedrijventerrein. Hierdoor wordt er geen negatieve invloed uitgeoefend op deze dijkweg. Voor het overige zijn er in de omgeving van het plangebied geen monumenten of overige cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig waarop de voorliggende ontwikkeling invloed heeft. Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er kortom geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling.

Hoofdstuk 2

14

2.3 Water Sinds 1 november 2003 is voor ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. De initiatiefnemer dient in dat kader in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheer. In het voortraject heeft uitvoerig overleg plaatsgevonden met het waterschap. Daarnaast wordt de watertoets formeel voorgelegd aan het waterschap. Het watertoetsformulier1 is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. De belangrijkste bevindingen zijn hieronder kort toegelicht. Wat betreft het aspect hemelwater is op basis van het stedenbouwkundig schetsontwerp een inschatting gemaakt van de toekomstige oppervlakte aan bebouwing en verhardingen. In de navolgende tabel zijn deze oppervlakten weergegeven. In de toekomst zal sprake zijn van circa 75.000 m2 aan dakoppervlak en circa 80.000 m2 aan verhardingen.

dakoppervlak dichte bodemverharding doorlatende

bo-

demverharding wateroppervlak

huidige

na

situatie

realisatie

3.000

75.000

1

3.000

80.000

2

0

0

3

3.000

55.500

4

Binnen het plangebied wordt voorzien in hemelwaterberging in de vorm van diverse wadi’s. Daarnaast wordt de bestaande waterloop langs de Weizichtweg/Sloeweg ingezet ten behoeve van hemelwaterberging. In de navolgende tabel is de capaciteit van deze waterloop en de wadi’s uiteengezet. Al het hemelwater wordt oppervlakkig afgevoerd en via bodempassages voor een deel geinfiltreerd in de bodem en voor het andere deel (vertraagd) geloosd het oppervlaktewater.

Locatie

Oppervlakte

Capaciteit

Waterloop lang Weizichtweg/Sloeweg (lengte 1.030 m1)

11.536 m2

6.818 m3

Wadi’s langs waterloop

20.049 m2

6.014 m3

Wadi ter plaatse van ‘driehoek’

24.140 m2

7.242 m3

55.725 m2

20.074 m3

Wadi’s langs wegen in plangebied (niet meegerekend, wel aanwezig) Totaal waterberging Hoeveelheid waterberging.

1

Waterschap Scheldestromen, Aanmeldformulier watertoets, 3 februari 2021

Hoofdstuk 2

15

In het voorliggende bestemmingsplan is voor wat betreft de hemelwaterberging een voorwaardelijke verplichting opgenomen, op basis waarvan het gebruik van nieuwe bedrijfsgebouwen en bijbehorende bouwwerken uitsluitend is toegestaan indien wordt voorzien in voldoende hemelwaterberging. Daarnaast geldt een omgevingsvergunningplicht indien op een bedrijfskavel meer dan 80% van het bouwperceel wordt bebouwd c.q. verhard. Dergelijke mate van verharding is uitsluitend toegestaan indien wordt voorzien in voldoende hemelwaterberging op eigen terrein. Op deze wijze is planologisch gewaarborgd dat er voldoende hemelwatervoorzieningen worden gerealiseerd, ook als een grotere hoeveelheid bebouwing en verharding op de bedrijfskavels wordt gerealiseerd dan waarmee in de bovenstaande berekening rekening is gehouden. Wat betreft het aspect afvalwater zal het toekomstige bedrijventerrein gemiddeld circa 40 m3 aan afvalwater per uur produceren. Het afvalwater van het bedrijventerrein wordt indirect (via Nieuwland, Arnestein of Mortiere) afgevoerd naar een zuiveringstechnisch werk van het waterschap. Het wordt niet rechtstreeks geïnjecteerd in de rioolpersleiding van het Waterschap.

2.4 Milieu 2.4.1 Bodem Milieuhygiënische bodemkwaliteit In het kader van een bestemmingswijziging dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. In het plangebied is daarom een verkennend (water)bodemonderzoek2 uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage. Grond In één van de grondmengmonsters is een lichte verontreiniging met molybdeen aangetoond. In enkele andere grondmonsters zijn lichte verontreinigingen met koper, kwik en lood aangetoond. Voor alle overige monsters zijn geen overschrijdingen ten opzichte van de achtergrondwaarden aangetoond. PFAS Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat in één mengmonster licht verhoogde gehalten aan PFOS zijn aangetoond. Op basis van het verhoogde gehalte aan PFOS voldoet dit grondmengmonster voor toepassing in bodemfunctieklasse wonen en industrie. De overige grondmengmonsters voldoen aan de achtergrondwaarde.

2

ABO-Milieuconsult B.V., Verkennend (water)bodemonderzoek volgens NEN 5740 en NEN 5720, Trekdijk te Middelburg, projectnummer ANL204849, 3 juni 2020

Hoofdstuk 2

16

Waterbodem Voor de zuidoostelijk gelegen sloot is een verhoging aangetoond van de parameter arseen. Hierdoor valt het slib in de klasse industrie en is derhalve niet overal verspreidbaar. Voor het slib van de overige monsters (ook voor de noordelijk gelegen sloot) worden geen overschrijdingen aangetoond. Dit slib is vrij verspreidbaar/toepasbaar. Grondwater In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties met barium, nikkel en/of molybdeen aangetoond, welke als min of meer natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden voor het gebied gezien kunnen worden. Daarnaast is een zeer licht verhoogde concentratie naftaleen aangetoond in het grondwater van één peilbuis, waarvoor geen directe oorzaak valt aan te wijzen. Aanbevelingen De verhoogde waarden in de grond en het grondwater zijn dermate gering dat deze geen aanleiding geven tot het uitvoeren van nader bodemonderzoek. De vastgestelde (water)bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de bestemmingsplanprocedure. Aanbevolen wordt om bij graafwerkzaamheden vrijkomende grond zo veel mogelijk op de locatie te verwerken. Opgemerkt dient te worden dat aan de hand van deze onderzoeksresultaten geen absolute uitspraken gedaan kunnen worden over de hergebruiksmogelijkheden van eventueel af te voeren grond.

Om te bepalen of er sprake is van grond (bodemkwaliteitsklasse achtergrondwaarde, wonen of industrie) ofwel een bouwstof gelden andere beoordelingscriteria en onderzoeksstrategieën. Voldaan moet worden aan het Besluit bodemkwaliteit. Gelet op de bovenstaande onderzoeksresultaten zijn er vanuit de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling van het bedrijventerrein Trekdijk. Niet gesprongen explosieven In de Tweede Wereldoorlog hebben in de omgeving van het plangebied oorlogshandelingen plaatsgevonden. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat ontplofbare oorlogsresten zijn achtergebleven op de planlocatie, die mogelijk een risico vormen indien de locatie wordt ontwikkeld. Middels een aanleidingsonderzoek / risico-inventarisatie en -evaluatie3 zijn deze risico’s in beeld gebracht. De onderzoeksresultaten zijn hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. In het plangebied hebben in de Tweede Wereldoorlog een viertal Duitse geschutsopstellingen gestaan. Deze waren op basis van luchtfoto’s uit 1943 slecht beperkt ingegraven. Uit een vergelijking van luchtfoto’s en kadastrale kaarten uit de periode WOII tot heden is vastgesteld dat het gebied ter plaatse van deze voormalige geschutsopstellingen na de oorlog al eerder is geroerd, als gevolg van ruilverkavelingen en landbewerking.

3

Expload, Aanleidingsonderzoek / Risico-inventarisatie en –evaluatie Ontplofbare Oorlogsresten Trekdijk Middelburg, projectnummer 191740000, 15 januari 2020

Hoofdstuk 2

17

De kans dat in het plangebied nog achtergelaten granaten aanwezig zijn wordt als verwaarloosbaar klein ingeschat, mede omdat de stellingen al aanwezig waren voordat de geallieerden Walcheren in de 1e helft van oktober voor een groot deel onder water hadden gezet door de dijken bij de Nolle, bij Fort Rammekens, bij Westkapelle en bij Veere te bombarderen. Redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de geschutsopstellingen voorafgaande aan het daadwerkelijk onderwaterlopen zijn verlaten en de ontplofbare oorlogsresten op normale wijze zijn afgevoerd voor gebruik elders. Met uitzondering van de voormalige aanwezigheid van deze geschutsopstellingen zijn in het plangebied geen aanwijzingen van oorlogshandelingen gevonden waardoor ontplofbare oorlogsresten in de bodem terechtgekomen kunnen zijn. Gelet op de bovenstaande onderzoeksresultaten is sprake van een voor ontplofbare oorlogsresten onverdacht gebied. Verder onderzoek naar explosieven wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 2.4.2 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.

Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  Het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m3). Door middel van een onderzoek luchtkwaliteit4 zijn de effecten van het voorliggende plan op de luchtkwaliteit onderzocht. De resultaten worden hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage.

4

M-tech Nederland B.V., Onderzoek luchtkwaliteit in het kader van de ontwikkeling van een bedrijventerrein aan de Trekdijk te Middelburg, rapportnummer Tre.Mid.20.LK BP-01, 16 september 2020

Hoofdstuk 2

18

Op basis van de NIBM-tool blijkt dat de ontwikkeling mogelijk in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse. In het onderzoek luchtkwaliteit zijn daarom de fijn stof- en NO2-immissies als gevolg van de verkeersbewegingen rondom het plangebied getoetst aan de Wet milieubeheer. De emissies vanwege de beoogde situatie zijn berekend aan de hand van generieke emissiegegevens en specifieke verkeerscijfers. Met een verspreidingsmodel is de luchtkwaliteit rondom de planlocatie inzichtelijk gemaakt. Het onderzoek is uitgevoerd conform de van toepassing zijnde regels zoals die volgen uit de Wet milieubeheer. De voor luchtkwaliteit relevante bronnen betreffen het verkeer binnen het plangebied en de verkeersaantrekkende werking. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat voor alle immissiepunten wordt voldaan aan de grenswaarden zoals gesteld in de Wet milieubeheer voor zowel PM10, PM2,5 als NO2. Hierdoor bestaan er, wat het aspect luchtkwaliteit betreft, geen belemmeringen voor de geplande ontwikkeling. Ter plaatse van de omliggende woningen zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat voor het aspect luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk).

De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.

Stof

Toetsing van

Grenswaarde

stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM2,5)

jaargemiddelde concentratie

25 µg/m³

Grenswaarden Wlk.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bedrijventerrein. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) bedraagt de concentratie PM2,5 in 2020 ter plaatse tussen de 10 en 12 µg/m³, de concentratie PM10 beneden de 18 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen de 15 en 20 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie.

Hoofdstuk 2

19

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. 2.4.3 Geluidhinder Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van geluidgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen geluidgevoelige objecten mogelijk zoals bedoeld in de Wgh. Een akoestisch onderzoek naar weg-, railverkeers- of industrielawaai is daarom niet noodzakelijk. Op het meest zuidoostelijke deel van het plangebied is in het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’ opgenomen, vanwege de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein haven Vlissingen Oost.

Ter plaatse van deze geluidzone mogen geen nieuwe geluidgevoelige objecten worden opgericht. Aangezien bij de voorliggende ontwikkeling geen geluidgevoelige objecten zijn voorzien, vormt de ligging binnen de geluidzone geen belemmering. In het voorliggende bestemmingsplan wordt de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’ opgenomen overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan Bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein wordt een nieuwe ontsluitingsweg gerealiseerd in het plangebied ten behoeve van de aansluiting van het terrein op de bestaande infrastructuur. Deze weg ontsluit op twee plaatsen op de Weizichtweg. Via deze weg verdeelt het verkeer zich over het omliggende wegennet. Als gevolg van de ontwikkeling van het bedrijventerrein zal het aantal verkeersbewegingen in het plangebied en de directe omgeving toenemen. De geluidsinvloed van de verkeersaantrekkende werking van het bedrijventerrein op omliggende geluidgevoelige objecten is door middel van een akoestisch onderzoek5 inzichtelijk gemaakt. De onderzoeksresultaten zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. In het onderzoek is de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeerslawaai berekend voor het prognosejaar 2030. De berekeningen van het wegverkeerslawaai zijn uitgevoerd door middel van de

5

M-tech Nederland B.V., Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai in het kader van de ontwikkeling van een bedrijventerrein aan de Trekdijk te Middelburg, rapportnummer Tre.Mid.20.AO BP-01, 16 september 2020

Hoofdstuk 2

20

Standaard Rekenmethode 2 volgens het Reken- en Meetvoorschrift geluidhinder 2012. Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting, als gevolg van de toename van het wegverkeer vanwege de realisatie van het bedrijventerrein, beperkt toeneemt ten opzichte van het regulier verkeer: op alle immissiepunten wordt voldaan aan het 2 dB-criterium. De toename van het verkeer als gevolg van de realisatie van het bedrijventerrein zorgt namelijk voor een toename van de geluidbelasting van maximaal 0,3 dB ten opzichte van het regulier verkeer in 2030. Conform de systematiek van de Wet geluidhinder is daarmee geen sprake van een relevante (hoorbare) toename van de geluidbelasting. De beperkte geluidstoename als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van het bedrijventerrein levert kortom geen belemmeringen op voor het woon- en leefklimaat in omliggende woningen. Vanuit het aspect geluidhinder zijn er hiermee geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein. Voor wat betreft de eventuele geluidhinder van de toekomstige bedrijfsactiviteiten op het bedrijventerrein Trekdijk en de invloed daarvan op het woon- en leefklimaat van omliggende woningen wordt verwezen naar paragraaf 2.4.5 (milieuzonering).

2.4.4 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Hoofdstuk 2

21

In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Bedrijfsgebouwen zijn, afhankelijk van hun omvang, kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten op basis van artikel 1 van het Bevi. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist. Toetsing Binnen het plangebied worden geen risicovolle bedrijven toegelaten.

In het voorliggende bestemmingsplan worden Bevi-inrichtingen namelijk uitgesloten. Er is daarmee geen sprake van de oprichting van nieuwe risicobronnen. Voor wat betreft de ligging van het bedrijventerrein ten opzichte van risicobronnen in de omgeving is een quickscan externe veiligheid6 uitgevoerd. De belangrijkste bevindingen zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. In de omgeving van het plangebied zijn diverse risicobronnen gelegen. De navolgende tabel geeft een overzicht daarvan, waarbij tevens per risicobron is aangegeven of deze een invloedsgebied heeft dat tot het plangebied reikt.

6

Bron

Locatie

Invloed of effectgebied

Buisleiding Gasunie Z-567-04

Ten oosten van planlocatie

Buiten invloedsgebied

Basisnet route A58

Ten noordwest van planlocatie

Invloedsgebied

Basisnet route N57

Ten noorden van planlocatie

Invloedsgebied

Provinciale weg N254/Sloeweg Noord

Ten zuidwesten van planlocatie

Binnen 200 meter

BRZO van Citters Beheer

Sloehaven

Invloedsgebied

Bevi Verbrugge Zeeland Terminals

Vlissingen-Oost

effectgebied

M-tech Nederland B.V., QuickScan externe veiligheid t.b.v. ontwikkeling bedrijventerrein Trekdijk Middelburg, rapportnummer Tre.Mid.19.EV.BP01 (v3), 9 juni 2021

Hoofdstuk 2

22

Bevi Kloosterboer Vlissingen VOF

Vlissingen-Oost

effectgebied

Kerncentrale Borssele

Ten zuiden van planlocatie

Binnen schuilzone

Hoogspanningslijn

Vrijwel parallel aan planlocatie

Inventarisatie risicobronnen in omgeving plangebied.

Om een goed beeld van de toename van het groepsrisico te krijgen t.o.v. de transportroutes A58 en de provinciale weg N254/Sloeweg Noord is een nadere beschouwing van het transport noodzakelijk. Daarmee kan worden bepaald of de toename via de handleiding Risicoanalyse Transport (Hart) of dat er een RBMII- berekening noodzakelijk is. Voor de buisleiding is geen Carola-berekening noodzakelijk, omdat het plangebied buiten het invloedsgebied van de Gasunie leiding Z567-04 ligt. Het plangebied ligt in meerdere invloeds-effectgebieden, maar er ligt geen enkele plaatsgebonden risicozone over het plangebied. Wel dient er nog gekeken geworden naar de toename van de populatie in dit gebied, en naar een eventuele kwetsbaarheid van gebouwen op de planlocatie. Risicovol transport over wegen Zoals uit de quickscan is gebleken, zijn er in de omgeving van het plangebied wegen gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Over de Basisnetroute A58 vindt risicovol transport plaats. Daarnaast worden over de wegen N57 en N254/Sloeweg Noord gevaarlijke stoffen vervoerd. De plaatsgebonden risicocontouren 10-6-contour van deze wegen liggen niet over de projectlocatie en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van deze wegen.

Op basis van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) is een groepsrisicoberekening voor de voorliggende ontwikkeling niet noodzakelijk. Gezien de vervoershoeveelheden over de A58 (max. 500 transporten van brandbaar gas categorie GF3) is het uitgesloten dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt overschreden als gevolg van de ontwikkeling van het bedrijventerrein. Over de N254 vindt geen transport van brandbaar gas categorie GF3 plaats. Op basis van artikel 8 van het Bevt mag hierdoor volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Conform artikel 7 van het Bevt dient daarbij ingegaan te worden op de onderwerpen bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Deze verantwoording is in de navolgende tabel weergegeven. Aspect De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.

7

Verantwoording Voor wat betreft de wegen A58, N57 en N254 bestaan er met name risico’s in verband met ongelukken: - met brandbaar gas (BLEVE7); - met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). Gelet op de afstand van deze wegen tot het plangebied (minimaal 60 m) zullen calamiteiten met brandbare vloeistoffen geen effecten hebben die

BLEVE staat voor “boiling liquid expanding vapour explosion” (kokende vloeistof-gasexpansie-explosie).

Hoofdstuk 2

23

tot het plangebied reiken. De effectafstand van dergelijke stoffen is namelijk slechts 45 meter. Voor wat betreft de N254 dient te worden opgemerkt dat over deze weg slechts in beperkte mate vervoer van brandbaar gas en toxische stoffen plaatsvindt. De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden.

De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet (zelfredzaamheid).

De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobronnen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. Bij het beschrijven van de mogelijkheden tot zelfredzaamheid is het van belang om in te gaan op de verschillende soorten calamiteiten, zijnde calamiteiten: - met brandbaar gas (BLEVE); - met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). De mogelijkheden tot zelfredzaamheid bij een BLEVE bestaan met name uit vluchten en in tweede instantie uit schuilen in combinatie met het sluiten van ramen en deuren. Voor het vluchten geldt dat dit bij voorkeur tot buiten het directe invloedsgebied dient plaats te vinden. De functies binnen het plangebied zijn goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Voor blootstelling aan een toxische gaswolk (het bepalende scenario), biedt “schuilen” in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, die zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas.

Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen, dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Vluchten is een andere wijze van zelfredzaamheid bij een toxische gaswolk. De functies binnen het plangebied zijn over het algemeen goed ontsloten en er zijn meestal vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Bij een calamiteit op de A58 of de N254 zijn vluchtroutes aanwezig via de landbouwverkeersroutes en de Trekdijk. Deze routes zijn van de risicobronnen af gericht. Van belang is verder dat aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en

Hoofdstuk 2

24

mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.

Risicovolle inrichtingen Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van drie risicovolle inrichtingen. De inrichting Kloosterboer Vlissingen V.O.F. heeft een invloedsgebied van 6.500 meter, de inrichting Verbrugge Zeeland Terminals heeft een invloedsgebied van 7.200 meter en het invloedsgebied van Van Citters Beheer heeft een omvang van 6.940 meter. De plaatsgebonden risicocontouren 10-6 van deze bedrijven liggen niet over het plangebied. Daarnaast is het groepsrisico vanwege deze bedrijven niet hoger dan de oriëntatiewaarde. De omvang van het invloedsgebied voor deze inrichtingen is berekend uitgaande van de worst-case situatie, met de meest giftige stof, in de maximaal vergunde hoeveelheid aanwezig en uitgaande van het weertype F1,5. Volgens de Beleidsvisie Externe Veiligheid van de gemeente Middelburg is niet in alle gevallen een nader onderzoek vereist naar (de toename van) het groepsrisico. In het voorliggende geval is sprake van inrichtingen met een groot invloedsgebied, waarbij binnen de invloedsgebieden reeds diverse (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn. Op grote afstand tot een risicobron heeft een toename van de populatie nauwelijks meer invloed op de hoogte van het groepsrisico. Het plangebied ligt op meer dan 3.000 meter afstand van deze drie risicovolle inrichtingen.

Hierdoor kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat de voorliggende ontwikkeling een significante wijziging in het groepsrisico zal veroorzaken. De gemeente Middelburg beoordeelt risicosituaties aan de hand van de volgende veiligheidscriteria: plaatsgebonden risico (PR), groepsrisico (GR), zelfredzaamheid, beheersbaarheid en het resteffect. De algemene motivatieplicht van het groepsrisico, zoals die in het Bevi wordt vereist, beperkt de gemeente tot relevante gevallen; indien het GR de oriënterende waarde (bijna) overschrijdt of wanneer sprake is van een aanzienlijke toename (>10%) van het aantal slachtoffers. Voor die gevallen vereist de gemeente een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico, waarbij aandacht wordt besteed aan de criteria zelfredzaamheid, beheersbaarheid en resteffecten. Zoals in het bovenstaande is geconstateerd, heeft de voorliggende ontwikkeling geen significante invloed op het groepsrisico, gezien de grote afstand tot de aanwezige risicovolle inrichtingen. Daarnaast wordt voor geen van de inrichtingen de oriëntatiewaarde van het groepsrisico overschreden. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico vanwege de ligging ten opzichte van deze inrichtingen is dan ook niet noodzakelijk. Wel dient een beperkte verantwoording plaats te vinden, waarin wordt ingegaan op de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid voor het plangebied.

Deze verantwoording is in de navolgende tabel weergegeven. Aspect Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid.

Hoofdstuk 2

Verantwoording Voor wat betreft de risicovolle inrichtingen in de omgeving (Kloosterboer Vlissingen V.O.F., Verbrugge Zeeland Terminals en Van Citters Beheer) bestaan er met name risico’s in verband met ongelukken met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario).

25

De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden.

Zelfredzaamheid.

De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobronnen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. De belangrijkste ontsluitingswegen van het plangebied zijn aan de Weizichtweg geprojecteerd, aan de noordzijde van het plangebied. Deze zijn van de risicobronnen af gericht. Vanuit de Weizichtweg zijn er vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig, o.a. via de A58, N57 en N254. Bij het beschrijven van de mogelijkheden tot zelfredzaamheid is het van belang om in te gaan op de verschillende soorten calamiteiten, zijnde calamiteiten met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). Voor blootstelling aan een toxische gaswolk (het bepalende scenario) biedt “schuilen” in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, die zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas.

Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen, dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Vluchten is een andere wijze van zelfredzaamheid bij een toxische gaswolk. De functies binnen het plangebied zijn over het algemeen goed ontsloten en er zijn meestal vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Van belang is verder dat aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.

Kerncentrale Het plangebied ligt op circa 6,7 kilometer ten noordwesten van de kerncentrale Borssele en ligt hiermee binnen de jodiumprofylaxezone en de schuilzone vanwege de kerncentrale. De jodiumprofylaxezone omvat een straal van 10 kilometer rond de kerncentrale en de schuilzone heeft een omvang van 20 kilometer rondom de kerncentrale. De ligging van het plangebied ten opzichte van de kerncentrale vormt geen directe belemmering voor de ontwikkelingen binnen het plangebied.

Hoofdstuk 2

26

Advies veiligheidsregio Vanwege de ligging van het plangebied binnen de invloedsgebieden van enkele wegen en risicovolle inrichtingen is advies opgevraagd bij de Veiligheidsregio Zeeland. Dit advies8 en de daarbij behorende bijlagen zijn als bijlage bij deze toelichting gevoegd. De hoofdpunten van het advies zijn hieronder samengevat. Vanwege de risicobronnen in de omgeving van het plangebied zijn maatgevende scenario’s in het plangebied het vrijkomen van giftige stoffen en een BLEVE. Ruimtelijke maatregelen zijn vooral te nemen tegen een BLEVE. Bij een BLEVE ontstaat een grote vuurbal en een explosie. De vuurbal zal circa 11 seconden duren en kan meer dan 200 meter hoog worden. De voornaamste effecten bij een BLEVE zijn hittestraling en overdruk. Dit scenario is het meest waarschijnlijk op de A58 en in mindere mate op de N254. Een BLEVE kan ontstaan als gevolg van een botsing of het langere tijd aanstralen van een LPG-tankwagen door een externe brand. In dit laatste geval geldt dat de tijd tussen het ontstaan van de brand en het zich voordoen van een BLEVE 60 tot 70 minuten bedraagt. De afstand van de wegen tot de plek waar bedrijven komen bedraagt ca. 60 tot 80 meter. Bij een BLEVE geldt dat de hittestraling tot een afstand van 100 meter van de risicobron dusdanig is dat alle onbrandbare materialen gaan branden.

Voor overdruk geldt dat tot op 40 tot 50 meter van de risicobron de schade het grootst is. Voor het plangebied is dus met name de hittestraling relevant. Voor het beperken van de effecten van een BLEVE adviseren wij de volgende ruimtelijke maatregelen: 1. Positie: Positioneer de bedrijven grenzend aan de A58 en de N254 dusdanig dat de ruimtes met een hoge bezettingsgraad zo ver mogelijk van deze wegen zijn afgelegen. 2. Situering (nood)uitgangen: De gebouwen dienen zodanig gesitueerd te worden dat aanwezigen bij een (dreigende) BLEVE gelegenheid hebben te vluchten. Hierbij dient minimaal één (nood)uitgang van de A58 of N254 af gericht te zijn. Alle (nood)uitgangen dienen aan te sluiten op de infrastructuur binnen en buiten het plangebied (openbare weg). Belangrijk is dat aanwezigen in elk geval kunnen vluchten tot buiten het invloedsgebied (355 meter van de A58 en N254 vandaan). Om de realisatie van de bovengenoemde ruimtelijke maatregelen te waarborgen zullen deze ruimtelijke maatregelen bij de verkoop van de bedrijfskavels in de koopovereenkomst worden opgenomen. Tevens wordt verplicht gesteld om bij het indienen van bouwaanvragen (omgevingsvergunning activiteit Bouwen) dit aspect voor te leggen aan de veiligheidsregio.

Daarom adviseert de veiligheidsregio om de volgende maatregelen (vroegtijdig) te nemen, teneinde de risico’s te beperken en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid en hulpverlening te vergroten: 3. Ventilatie: Maak de bedrijfspanden op het bedrijventerrein luchtdicht afsluitbaar, zoals ook in de verantwoording in het bestemmingsplan al benoemd is. Dit houdt in dat in geval van het

8

Veiligheidsregio Zeeland, Advies Veiligheidsregio Zeeland op voorontwerpbestemmingsplan 'bedrijventerrein Trekdijk’, kenmerk 2021-001306 / D2021-03-002064, 23 april 2021 Bijlagen: 1. Infographic Ongevallen met gevaarlijke stiffen (Zeeland Veilig) 2. Advisering bluswater bereikbaarheid Trekdijk 3. Handreiking – electriciteit – opslag - systemen

Hoofdstuk 2

27

vrijkomen van giftige stoffen ramen, deuren en ventilatieroosters gesloten kunnen worden. Indien de panden voorzien worden van mechanische ventilatie, dan dient deze centraal en met één druk op de knop uit te schakelen of af te zetten zijn. Deze maatregel kunt u borgen in de vergunningverleningsprocedures van de betreffende objecten. 4. Risicobewustzijn: Draag zorg voor een goede informatievoorziening aan de aanwezige personen, opdat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit. Bijlage 1 van dit advies omvat een infographic, met daarin het juiste handelingsperspectief bij een incident met een toxische wolk. Ons advies is om dit aan alle toekomstige gebruikers te verstrekken. Uiteraard willen wij u desgewenst verder begeleiden in dit proces. 5. BHV-/ontruimingsplan: Indien voor de bedrijfspanden, conform het Bouwbesluit, een BHV/ontruimingsplan moet worden opgesteld: Neem de handelingsperspectieven bij de externe veiligheidsscenario’s hierin op. Deze zijn voor een BLEVE als volgt: o Indien een brand bij een tankwagen tijdig wordt opgemerkt (binnen 60 minuten na het ontstaan van de brand), is er nog tijd om te vluchten. Vlucht hierbij van de A58 of N254 vandaan. o Indien er geen tijd meer is om te vluchten: Blijf binnen en schuil aan de zijde van het gebouw die het verst van de A58/N254 is afgelegen.

Indien er brand aan het gebouw ontstaat: Vlucht, nadat de vuurbal is verdwenen, in de richting van de A58/N254 vandaan. Het handelingsperspectief bij een gifwolk zit in de infographic in de bijlage. In de verantwoording in het bestemmingsplan wordt vluchten ook als handelingsperspectief benoemd bij een toxisch scenario. Wij adviseren om dit niet als handelingsperspectief bij dit scenario op te nemen. Schuilen/binnenblijven is het beste en veiligste wat mensen kunnen doen als zich een ongeval met giftige stoffen voordoet. 6. Brandrisico: Door de hittestraling van een BLEVE kunnen gebouwen binnen 100 meter afstand gaan ontbranden. Om te voorkomen dat in de bedrijfspanden slachtoffers vallen als gevolg van de hittestraling en brand, kunnen bouwkundige maatregelen worden toegepast. Omdat de transportintensiteit van brandbare gassen over de A58 het grootst is, geven wij voor de bedrijven die grenzen aan de A58 de volgende adviezen: o Verwerk in de gevels aan de zijde van de A58 zo weinig mogelijk glas, bij voorkeur worden dit blinde gevels. Indien hier toch ramen komen, is het advies om deze uit te rusten met hittewerende beglazing en gebruik te maken van houten of stalen kozijnen. o Overweeg om de gevels en daken aan de zijde van de A58 zoveel als mogelijk te voorzien van onbrandbare materialen.

De bovenstaande maatregelen worden eveneens bij de verkoop van de bedrijfskavels in de koopovereenkomst opgenomen. Tevens wordt verplicht gesteld om bij het indienen van bouwaanvragen (omgevingsvergunning activiteit Bouwen) dit aspect voor te leggen aan de veiligheidsregio.

Hoofdstuk 2

28

2.4.5 Milieuzonering Algemene uitgangspunten Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). In deze publicatie zijn richtafstanden opgenomen, op basis van de aspecten stof, geur, geluid en gevaar. Toetsing Het beoogde bedrijventerrein betreft een functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Op het terrein worden bedrijven tot maximaal milieucategorie 3.2 mogelijk gemaakt. Op basis van de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ wordt hiervoor een richtafstand geadviseerd van 100 meter.

De meest dichtbij het plangebied gelegen woning ligt aan de Trekdijk 126 op circa 30 meter ten oosten van het plangebied. In dit deel van het plangebied is echter uitsluitend groen en waterberging voorzien. De meest dichtbij gelegen bedrijfskavels zijn geprojecteerd op circa 220 meter afstand van deze woning en fase 1 van het bedrijventerrein ligt op ruim 450 meter afstand. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand van 100 meter. Ten noorden van het plangebied is een woonwijk gelegen, waarvan de meest dichtbij gelegen woningen op circa 330 meter afstand tot het plangebied liggen. Ten opzichte van deze woonwijk wordt ruimschoots voldaan aan de bovengenoemde richtafstand. Daarnaast is op circa 410 meter ten zuidwesten van het plangebied een agrarische bedrijfswoning gelegen. Voor deze woning wordt eveneens ruimschoots voldaan aan de richtafstand van 100 meter. De meest dichtbij gelegen woningen aan de Molenweg, in de kern Nieuwland, liggen op circa 380 meter ten noordoosten van het plangebied. In dit deel van het plangebied is echter uitsluitend groen en waterberging voorzien. De meest dichtbij gelegen bedrijfskavels zijn geprojecteerd op circa 570 meter afstand van deze woningen en fase 1 van het bedrijventerrein ligt op ruim 640 meter afstand. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand van 100 meter.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10635688/1