21-096 Bijlage 1. Aanvraag bestemmingsplanwijziging van Verhoeven d.d. 19 januari 2021
Tekst van het document
15
5.4 Stikstof 5.4.1 Wettelijk kader De Wet natuurbescherming (Wnb) die op 1 januari 2017 in werking is getreden, regelt de bescherming van natuurgebieden die uniek zijn voor Nederland en Europa, de bescherming van planten en dieren en van bossen en andere houtopstanden. De Wnb geeft uitvoering aan de verplichtingen van de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De gebiedsbescherming in de Wnb richt zich uitsluitend op Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Handelingen of activiteiten binnen en buiten beschermde natuurgebieden die schadelijk kunhen zijn voorde doelstellingen van het gebied zijn verboden, tenzij door het bevoegd gezag hier vergunning voor is verleend. Stikstof vormt een van de grootste belemmeringen voor het behalen van de Natura 2000- instandhoudingsdoelstellingen. In 118 van de Nederlandse Natura 2000-gebieden bevinden zich stikstofgevoelige habitattypen. In deze gebieden wordt de Kritische Depositie Waarde (KDW) overschreden.
Öp grond van artikel 2.7, tweede lid, Wnb is vastgelegd dat hef verboden is zonder vergunning van gedeputeerde staten van de provincie een project te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Samengevat betekent dat wanneer een plan. gevolgen heeft voor het gebied, maar de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied niet in gevaar brengt, significante gevolgen zijn uitgesloten. Indien op basis van objectieve gegevens blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie, kan in ieder geval worden geconcludeerd dat er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten voor de instandhoudingsdoelen van het betrokken Natura 2000gebied. Bij het berekenen van de stikstofdepositie mogen in beginsel de bestaande feitelijke en planologische legale activiteiten op de planlocatie en de daarmee samenhangende vermindering van de stikstofdepositie in mindering worden gebracht op de toename van de stikstofdepositie als gevolg van het plan (ABRvS 24 december 2014, ËCLI: N L;RVS;2014:4672).
Dat kan ertoe leiden dat per saldo de effecten op de stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000- gebieden gelijk blijven (en soms zelfs verminderen als gevolg van het verdwijnen van bijvoorbeeld een agrarische functie). Er hoeft dan geen passende beoordeling te worden uitgevoerd. Indien uit onderzoek (de voortoets) blijkt dat significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden niet kunnen worden uitgesloten, dan moet een vervolgonderzoek worden uitgevoerd (de ‘passende beoordeling’) en dient een Wnb vergunning te worden aangevraagd. 5.4.2 Onderzoek Voor het naastgelegen plangebied 9D is door Adviesbureau AGEL het aspect stikstofdispositie beoordeeld. Het rapport is als bijlage 2 toegevoegd, In deze berekening is uitgegaan van 70 woningen. In de omgeving van Middelburg zijn verschillende Natura 2000-gebieden aanwezig, waarvan
de ‘Westerschelde & Saeftinghe' het meest nabijgelegen is. Op figuur 2 is de ligging van de verschillende Natura 2000-gebied weergegeven ten opzichte van het plangebied 'Mortiere 9d' (rode stip). figuur 2: Situering Natura IQOO^gebieden in de omgeving van het plangebied 'Mortiere, deelplan 9d' OdUntM»
UanUifna
Emissiebronnen De realisatie van dit bouwplan zorgt voor de emissie van stikstof doordat de bouwactiviteiten verkeersbewegingen genereert en er (mobiele) werktuigen voorzien van verbrandingsmotoren op de bouwplaats in werking zijn. Voor bouwfase 1 en 2 is de inzet van mobiele werktuigen door Heijmans Vastgoed aangeleverd. Na realisatie van de het bouwplan zijn als emissiebronnen relevant de verkeersbewegingen die als gevolg van dit plan worden gegenereerd en eventuele verbrandingsinstallaties die worden gebruikt om het pand te verwarmen. Rekenpunten De rekenpunten op de omliggende Natura 2000-gebieden zijn automatisch door de AERIUS calculator gegenereerd, waarbij is uitgegaan van een straal van 10 km rondom de locatie. Berekeningen De berekening van de stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden is uitgevoerd met behulp van AERIUS calculator 2019 (versie oktober 2019). De calculator rekent op basis van het Operationele Prioritaire Stoffen model (OPS) van het RIVM. In de bijlagen zijn de berekeningen met de AERIUS calculator opgenomen voor de beide bouwfasen en het toekomstig gebruik. Tabel 2 geeft een overzicht van de maximaal berekende stikstofdepositie op de rekenpunten weer.
17
Tabel
Maximale stikstofdepositie per rekenpunt vóór dé belde bouwfasen en toekomstige gebruiksfase 'Mortlere 9d'
Bijdrage rtlkrtof
Rfikeripunt
Bouwfase 2 12621)
Toekomstig gebruik
(2620) o.oo mol/ha/j 6,66 mol/ha/j
6.00 mol/ha/i 6,66 mol/ha/j
6,66 möl/ha/j 6,60 moi/ha/j
ö,oó mol/ha/j
6,66 mol/ha/j
6.QQ mol/ha/i 6,66 mol/ha/j 6.66 mol/ha/i 6,66 mol/ha/i 6,66 mol/ha/j 6,06 mol/ha/i 6,06 mol/ha/i 6.66 mol/ha/i
6,00 mol/ha/j
0,00 mol/ha/j
0,66 mol/ha/j
6,66 mol/ha/j
6,66 mol/ha/j
6,66 mol/ha/i
iaUWfase 1 Westersciielde & SaefSnghé M216Ö (4 km) WéstèrsChéidè & Saeftinghe H2Ï2Ó (3 km) & Wéstèrschëldë & Saêftinflhe H1339A Manteling van Walcheren (9 km) & Mantêlina van Walcheren H2 l&Q Manteling van Walcheren H133QB (9 km) Wêstêrschéldê & Saeftinghe H1310A (3 km) Wéstèrschëldë & Saeftinghe H132Q (3 km) Manteling van Walcheren H2130B (10 km) Wéstèrschëldë & Saeftinghe H211Ó (8 km) WésterSChêldè & Saeftinghe H2130A (8 km) Westerschelde & Saeftinghe H2.190B (8 km) Wéstèrschëldë & Saeft nghe (3 km) Véérsé Méér (§ km)
6,66_mol/ba/i 6.66 mol/ha/i
(2622)
6,66 mol/ha/j 6,66 mol/ha/j
0,00 mol/ha/j 0,66 mol/ha/j 6,66 mol/ha/j 0,60 mol/ha/j
In het naastgelegen plangebied Huiskavel zullen geen 70, maar slechts 40 woningen worden gebouwd. Indien de berekening voor plangebied 9D tot uitgangspunt wordt genomen, wordt derhalve van meer belastende cijfers uitgegaan dan in werkelijkheid voor plangebied Huiskavel gelden. 5.4.3 Conclusie Uit de berekening voor plangebied 9D blijkt dat het plan geen rekenresultaten genereert die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr, zodat geen sprake is van een toename van stikstofdepositie. Dit geldt voor zowel de beide bouwfasen als de toekomstige gebruiksfase. Hetzelfde zal gelden voor plangebied Huiskavel. Gelet op deze rekenresultaten als gevolg van het plan, is afgezien om gebruik te maken van de mogelijkheid om de bestaande feitelijke en planologische legale activiteiten op de planlocatie in mindering te brengen. Het bovenstaande houdt in dat als gevolg van de ontwikkeling, met betrekking tot stikstofdepositie, negatieve effecten op stikstofgevoelige habitat- en leefgebieden zijn uit te sluiten. De natuurlijke kenmerken van de stikstofgevoelige gebieden blijven onaangetast. Op basis van de rekenresultaten kan derhalve worden gesteld dat het voornemen met zekerheid niet leidt tot een significant negatief effect als gevolg van stikstofdepositie op stikstofgevoelige gebieden binnen Natura 2000-gebieden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het plan wordt uitgezonderd van de vergunningplicht.
5.5 Bedrijven en milieuhinder 5.5.1 Wettelijk kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
18
o o
het voorkomen öf zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het, bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering In de brochure Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009) wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala van bedrijfsactiviteiten. In deze handreiking worden bedrijven ingedeeld in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid. Ook maakt de handreiking onderscheid in verschillende gebiedstypen zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied. Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en eventueel onder welke voorwaarden, een bedrijf inpasbaar is in de omgeving. 5.5.2 Onderzoek In de omgeving van de Huiskavel zijn bedrijven/inrichtingen aanwezig waarvan een mogelijke milieuhinder uitstrekt. Door middel van een toetsing aan de genoemde richtafstanden uit vigerende bestemmingsplan of uit de VNG-brochure ‘bedrijven en milieuzonering' kan worden bepaald of een goed woon- en leefklimaat voor de woningen gegarandeerd kan worden. Voor de inrichtingen is het van belang dat deze niet worden gehinderd in de bedrijfsactiviteiten.
5.5.3 Omgevingstype De omgeving van het plangebied kan worden beschouwd als een rustige woonwijk, zoals bedoeld in de VNG-brochure omdat geen sprake is van een combinatie van milieuhinderlijke en milieugevoelige functies. Dit betekent dat de richtafstanden, zoals genoemd in de brochure niet gereduceerd kunnen worden. 5.5.4 Categorie bedrijvigheid Er zijn geen bedrijven in de omgeving van het plangebied waarvan de richtafstand het plangebied overlapt. 5.6 Externe veiligheid Voor bestemmingsplan Mortiere is een Kwantitatieve risicoanalyse (hierna: QRA) opgesteld door Cauberg-Huijgen. 5.6.1 Wettelijk kader Externe veiligheid heeft betrekking op* locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen én veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan.
19
Onderstaand is de beoordeling van de volgende onderwerpen uitgewerkt: » o o
bedrijven of inrichtingen waar opslag en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor en water; vervoer van gevaarlijke stoffen via leidingen.
5.6.2 Onderzoek Uit de gegevens van de afdeling Vergunningverlening & Handhaving van gemeenten Middelburg, Vlissingen en Borsele is gebleken dat in de directe omgeving van het bestemmingsplan Mortiere de bedrijven Eastman Chemical Middelburg, Kloosterboer Vlissingen V.O.F. en Verbrugge Zeeland Terminals liggen. Déze inrichtingen zijn aangewezen als 'niet-categorialë inrichtingen’, dat houdt in dat er een QRA opgesteld moet worden om de risico’s ten aanzien van externe veiligheid te toetsen aan de normen uit het Besluit extèrnè Veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi). Verder ligt binnen het bestemmingsplan een LPG tankstation en de routering gevaarlijke stoffen ligt net buiten de grens van het bestemmingsplan Mortiere. Het LPG tankstation is een categoriale inrichting. Dit houdt in dat de in de Regeling externe veiligheid inrichtingen (hierna: Revi) genoemde afstanden hier van toepassing zijn. 5.6.3 Externe veiligheid en bedrijven Voor de beoordeling van de; veiligheidsrisico's in de nabijheid van de meest risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en: Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. 5.6.3.1 Kloosterboer Vlissingen V.O.F.
Plaatsgebonden risico Volgens de Revi is het invloedsgebied berekend door middel van een QRA. Uit de QRA blijkt dat bij de inrichting de PR 10-6 binnen of nabij de inrichtingsgrens ligt.
Groepsrisico Over de Huiskavel ligt het invloedsgebied van de inrichting Kloosterboer, op- en overslag. Het invloedsgebied reikt tot 6.500 meter. 'De'Hüiskavel'valLbinnen~de“laatste~900'metervan~deze contour. Echter is deze afstand berekend voor de worst case (meest giftige stof, maximale hoeveelheid aanwezig en het weertype F1,5). Aangenomen kan worden dat mogelijke wijzigingen in de rand van het invloedsgebied (op een grotere afstand dan 1.500 meter) geen noemenswaardige veranderingen in het groepsrisico veroorzaken. In de Nota van Toelichting bij de Beleidsvisie Externe Veiligheid is aangesloten bij het beleid van de provincie Zuid-Holland. Hierin staat beschreven dat de populatie op grote afstand van de bron nauwelijks invloed heeft op de grootte van het groepsrisico. Het bevoegd gezag wordt geadviseerd om de Veiligheidsregio Zeeland in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over hulpverlening en zelfredzaamheid indien er sprake is van invloedsgebieden van risicobronnen die op een grotere afstand dan 1.500 meter aanwezig zijn en er binnen het plangebied nieuwe of
bestaande objecten of functies van meer dan 250 personen bevinden. Het invloedsgebied is berekend door middel van een QRA. 5.6.3.2 Verbrügge Zeeland Terminals Plaatsgebonden risico Volgens de Revi is het invloedsgebied berekend door middel van een QRA. Uit de QRA blijkt dat bij de inrichting de PR 10-6 buiten de inrichtingsgrens ligt. De PR 10-6 reikt niet verder dan 600 meter.
Groepsrisico De Huiskavel ligt binnen het invloedsgebied van de inrichting Verbrügge Zeeland Terminals. Hët invloedsgebied van Verbrügge Zeeland Terminals reikt tot 7.20Ö meter. De Huiskavel valt binnen de laatste 2.500 meter van deze contour. Echter is deze afstand berekend voor de worst case (meest giftige stof, maximale hoeveelheid aanwezig en het weertype F1,5). Aangenomen kan worden dat mogelijke wijzigingen in de rand van het invloedsgebied (op een grotere afstand dan 1.500 meter) geen noemenswaardige veranderingen in het groepsrisico veroorzaken. In de Nota van Toelichting bij de Beleidsvisie Externe Veiligheid is aangesloten bij het beleid van de provincie Zuid-Holland. Hierin staat beschreven dat de populatie op grote afstand van de bron nauwelijks invloed heeft op de grootte van het groepsrisico. Het bevoegd gezag wordt geadviseerd om dë Veiligheidsregio Zeeland in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over hulpverlening en zelfredzaamheid indien er sprake is van invloedsgebieden van risicobronnen die op een grotere afstand dan 1.500 meter aanwezig zijn en er binnen het plangebied nieuwe of bestaande objecten of functies van meer dan 250 personen bevinden. Het invloedsgebied is berekend door middel van een QRA.
5.6.4 Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor ep water Voor de beoordeling van de veiligheidsrisico's vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor en water zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), de Regeling Basisnet en de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) de relevante toetsingskaders. Langs bestemmingsplan Mortiere lopen twee wegen waarover de Route gevaarlijke stoffen loopt. Dit zijn de A58 en de N57. Zowel de A58 als de N57 zijn ingericht voor het transport van gevaarlijke stoffen. Hierdoor neemt het risico op een ongeval af. Voor de herziening van het bestemmingsplan Mortiere is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) opgesteld. 5.6.4.1 N57 Plaatsgebonden risico Met behulp van het rekenprogramma RBM II is het plaatsgebonden risico van de N57 bepaald. Hieruit is gebleken dat er geen sprake is van een plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar.
Groepsrisico De Huiskavel valt binnen het invloedsgebied van de N57. Het invloedsgebied van de N57 wordt bepaald door het transport van toxische stoffen en. bedraagt 730 meter (1%-letaliteit bij weersklasse F1,5). Voor de N57 is het groepsrisico berekend voor de huidige en toekomstige situatie. Tevens is het groepsrisico bepaald met het in het Basisnet Weg vastgelegd.e plafond voorLPGtransporten. Het groepsrisico wordt per kilometer bepaald. MS? Situatiën vervoerscijfers
% van de Normwuaide
oriêtitatiêWaafdê
Max. aantal slachtoffers
Huidige situatie = huidige vervoerscijfers
0,00003
0,3
152
Toekomstige situatie - jiUkljgé vefvoéra cijfers
0,00003
0,3
Huidige situatie - prognosecijfers 2020 •
0,00023
2.2
199
Têéksriistigé sltüallê.= OrGghésèÉijférs 2020
0,00023
2,3
169
Uit bovenstaande tabel blijkt dat het groepsrisico niet wijzigt ten gevolge van de ontwikkelingen binnen het bestemmingsplan Mortiere. Het maximale aantal slachtoffers neemt zelfs af. Wel valt een toename te constateren ten gevolge van de verwachte groei van het transport van gevaarlijke stoffen in de toekomst. 5.6.4.2 A58 De Huiskavel ligt buiten het invloedsgebied van de A58 (325 meter). S.6.4.3 Toename woningen De rapportage van Cauberg-Huygen is opgesteld op basis van een concept voorontwerpbestemmingsplan 2011. In het definitieve voorontwerpbestemmingsplan Mortiere is het aantal woningen in het woongebied van de wijk Mortiere ten opzichte van het eerdere concept toegenomen van 1329 naar 1380 woningen. Dit houdt een toename in van 51 woningen. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (hierna: BTEV) in werking getreden. In artikel 8 van het BTEV staat dat voor een gebied welke geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 meter van een transportroute een verantwoording van het groepsrisico verplicht is. De extra woningen binnen het plangebied Mortiere liggen op ruim 200 meter afstand van de N57 en de A58. Verder is een toename van 1329 naar 1380 woningen marginaal, zoals in de Nota van Toelichting bij de gemeentelijke beleidsvisie is aangegeven. Dit is een toename van 3,84%.
In de Nota wordt aangegeven dat een toename tot en met 10% als marginaal wordt beschouwd. Tot slot is gebleken uit de berekening welke Cauberg-Huygen heeft uitgevoerd dat het groepsrisico ruim onder de oriënterende waarde zit.
22
De Huiskavel ligt op circa 400 meter afstand van de N57. De toename van 40 woningen van valt binnen de 1380 woningen. Op de Huiskavel is het mogelijk om te vluchten van de diverse risicobronnen af. In het midden van het naastgelegen plangebied 9B is een sirenepaal aanwezig waardoor de mensen welke zich binnen het plangebied Huiskavel bevinden zich snel in veiligheid kunnen brengen. Gezien bovenstaande achten wij het niet nodig om het risico te kwantificeren. Er kan worden volstaan met risicocommunicatie. 5.6.5 Vervoer van gevaarlijke stóffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de veiligheidsrisico’s vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang. 5.6.5.1 Eastman Chemical Middelburg, LPG tankstation, hogedruk aardgasleiding De Huiskavel valt buiten de invloedsgebieden van bovengenoemde bedrijven en transportroute. Het invloedsgebied van Eastman Chemical Middelburg bedraagt 492 meter en het LPG tankstation heeft een invloedsgebied van 150 meter, De woningen welke gerealiseerd worden op de Huiskavel liggen op ongeveer 800 meter van beide inrichtingen. De hogedruk aardgasleiding heeft een invloedsgebied van 95 meter; De woningen op de Huiskavel liggen op circa 500 meter van deze leiding.
5.6.6 Overig Verder liggen in de nabijheid van de Huiskavel geen risicobronnen, zoals andere transportroutes gevaarlijke Stoffen over het water of het spoor etc,, welke van invloed zijn op het plan of waar het plan invloed op uitoefent. Voor wat betreft de kerncentrale valt het gebied binnen de schuilzone en de Jodiumprofylaxe-zone. Kwetsbare objecten De woningen welke gebouwd worden zijn in het Bevi aangemerkt als kwetsbare objecten. 5.6.7 Conclusie Voor zover wij hebben kunnen nagaan en hierboven hebben beschreven vormt externe veiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling van de Huiskavel. Wel dient er zoveel mogelijk rekening gehouden te worden met de zelfredzaamheid ên hulpverlening. Dé veiligheidsregio Zeeland dient in de gelegenheid gesteld te worden hun advies uit te bréngen. 5.7 Bodem 5.7.1 Wettelijk kader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) diént in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie én moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd
dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek en eventueel aangevuld meteen bodemonderzoek bepaald. Als uit historisch onderzoek blijkt dat binnen de nieuwe bestemmingen sprake is geweest van een activiteit met een verhoogd risico op verontreiniging, dan is een volledig verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld. Wet algemene bepalingen omgevingsrccht In de Wet algèméne bepalingen omgevingsrecht (Wabo) staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat: er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan; er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren.
Wet bodembescherming Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming (Wbb). In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde “spoed- of risicolocaties”)).
Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe bouwprojecten, zoals woningen en wegen. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. 5.7.2 Onderzoek In het algemeen geldt dat een bodemonderzoek noodzakelijk is bij het wijzigen van de bestemming, de aanvraag van een omgevingsvergunning of graafwerkzaamheden. Op 'loeaties-waarontwikkelingen-plaatsvinden-dïent~de~bodern~gesaneerd te worden als-sprake is van een ernstige bodemverontreiniging. In dat geval dient voorafgaand aan ontwikkelingen een saneringsplan opgesteld te worden dat goedgekeurd moet worden door de Omgevingsdienst zijnde het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb). Voor de ontwikkeling van onder meer het naastgelegen plangebied 9B is in april 2016 een bodemonderzoek uitgevoerd door Mitec Advies (bijlage 3). Op basis van de verkregen informatie van de gemeente Middelburg is de hypothese gesteld dat ter plaatse van de onderzoekslocatie geen bodemverontreiniging is te verwachten. De onderzoekslocatie is
24
derhalve aangemerkt als een onverdachte locatie. Hetzelfde zal gelden voor plangebied Huiskavel, nu deze locatie dezelfde geschiedenis hééft als het naastgelegen plangebied 9B. 5.7.3 Conclusie Op basis van historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytjsch onderzoek van het naastgelegen plangebied 9B, kan geconcludeerd worden dat er geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de huidige en voorgenomen activiteiten op de onderzoekslocatie. Gezien plangebied Huiskavel dezelfde geschiedenis heeft als plangebied 9B, geldt dit ook voor plangebied Huiskavel. De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonde rzoek.
5.8 Water In het Besluit ruimtelijke ordening is de 'watertoets' opgenomen. Deze heeft tot doel om ruimtelijke ontwikkelingen te toetsen aan het vigerende waterbeleid en de wateraspecten volwaardig mee te laten wegen bij de besluitvorming omtrent een goede ruimtelijke ordening. Dit proces komt in samenwerking tussen de gemeente en waterbeheerder tot stand. In het uitwerkingsgebied wordt het waterbeheer gevoerd door Waterschap Scheldestromen. 5.8.1 Proces watertoets 1999-2015 Ten behoeve van het bestemmingsplan Mortiere (2003) is in overleg met het waterschap de watertoets doorlopen. In opdracht van de gemeente heeft bureau Tauw uitgangspunten en aanbevelingen geformuleerd voor de toepassing van duurzaam waterbeheer. Deze zijn later vertaald in een rapportage door Arcadis. Het waterschap is als klankbordgroep betrokken geweest bij de totstandkoming van het rapport en het hiermee samenhangende bestemmingsplan Mortiere. Over de verdere uitwerking van (onderdelen van) het plan is sindsdien óverleg gevoerd met het waterschap. De uitgevoerde watertoets is te vinden in het bestemmingsplan. In overleg met het Waterschap Scheldestromen zijn de uitgangspunten uit de rapportage van Arcadis uit 1999 bij actualisering van het bestemmingsplan Mortiere in 2012 opnieuw beoordeeld. Hieruit blijkt dat de verdichting van het programma binden de beoogde waterhuishouding kan worden opgevangen.
De verdichting van het woongebied heeft geen groter verhard oppervlak tot gevolg dan dat het gedeelte ten westen van de Mortiereboulevard was meegenomen. Hierdoor heeft de verdichting geen negatief effect op de waterhuishouding. Er wordt voldaan aan de waterdoelstellingen en er is geen noodzaak tot het treffen van aanvullende waterhuishoudkundige maatregelen anders dan de maatregelen die reeds zijn voorzien. In het kader van het vooroverleg is het concept ontwerpuitwerkingsplan in oktober 2015 toegezonden aan het Waterschap Scheldestromen. Hierbij heeft het waterschap aangegeven geen opmerkingen te hebben ten aanzien van het uitwerkingsplan. 5,8.2 Onderzoek 5.8.2.1 Afwatering Hoofdader in het watersysteem in Mortiere is de Mannezeesche Watergang die voor de ontwikkeling van Mortiere stérk is verbreed. Deze watergang heeft verschillende functies: 25
berging, afvoer en doorvoer van water. Daarnaast heeft de watergang een belangrijke functie als natte ecologische verbindingszone en voor de ruimtelijke kwaliteit Van het gebied. 5.8.2.2 Hydrologische situatie Voor éëh beschrijving van de bestaande situatie, zoals bodemopbouw, geohydrologie, waterhuishouding en ecologische potenties, wordt verwezen naar het rapport van Tauw genaamd “Water in de Mortiere te Middelburg” d.d. 21 april 1999. 5.8.2.3 Watercorhpensatie Uitgangspunt voor het watersysteem in de woongebieden van Mortiere is dat wordt getracht regenwater maximaal te bergen binnen de eigen gebiedgrenzen. Er wordt gestreefd naar maximale afkoppeling van de hemelwaterafvoer van het rioolwatersysteem, waarbij het streefbeeld van het waterschap (afkoppelingspercentage 60%) gehaald wordt. Hiermee ontstaat een volledig gescheiden systeem. Om de woonlocaties heen wordt daarom open water aangeboden dat een peilfluctuatie toestaat. Binnen het woongebied is rond de parkstructuur open water geprojecteerd. In het golfbaanontwerp is veel oppervlaktewater (vijvers) voorzien. Al deze open waterpartijen staan met elkaar in verbinding. Samen kunnen deze waterpartijen ook in piéksituaties de neerslag in de woonbuurt bergen.
In extreme gevallen bestaat de mogelijkheid dat de waterpartijen overstorten op de Mannezeesche Watergang, In de woonwijk is tussen de waterstructuur aan de buitenzijde en rond het park nog een wateropvang (wadi) aangelegd in de vorm van een (infiltratie strook van 4 meter breed langs de hoofdontsluitingsweg. Omdat de infiltratiecapaciteit van de bestaande bodem in Mortiere beperkt is, dient deze zone bijna uitsluitend als filterinstrument om het water vervolgens middels een drain af te voeren naaf het open watercircuit. Doordat de infiltratiestrook een lichte greppelvorm krijgt, is hieraan een zekere bergingscapaciteit toegerekend. Het water van daken en kavelverharding wordt middels een open afvoer over het erf of middels een drain naar de straat gebracht. Daarvandaan wordt het, ofwel via molgoten onder afschot gevolgd door een zandvang met filter, ofwel via traditionele straatkolken of ontvangstputten en een ondergrondse pijpleiding naar het open water getransporteerd. Met de zichtbare afvoer over het erf wordt tegengegaan dat particuliere verontreinigingen verborgen en oncontroleerbaar in het open water van de buurt terechtkomen.
Informatie over waterberging op het eigen erf - de ouderwetse regenton of moderne varianten daarvan, particuliere vijvers met bergingscapaciteit ën particuliere initiatieven voor hergebruik Van water - zijn in de vorm van een algemene gebruiksaanwijzing aan de bewoners van de nieuwe buurt meegegeven. 5.8.2.4 Geen gebruik van uitlogende materialen Er is een rioleringssysteem aangelegd op basis van een 100% gescheiden stelsel. Bij de bouw en inrichting van de onbebouwde ruimte (openbaar en particulier) mag er geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen (koper, lood, zink) en geïmpregneerd hout. Dit zal worden beschreven in de voorschriften en contracten met de ontwikkelaars en bouwers. 5.8.2.5 Onderhoud De watergangen rond het plangebied worden onderhouden door hét waterschap, op grond van de in het verleden gemaakte afspraken tussen gemeente en waterschap.
26
5.8.3 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundig systeem ter plaatse. 5.9 Ecologie 5.9.1 Wettelijk kader Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan de natuurbeschermingswetgeving. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming (o.a. Natuurbeschermingswet 1998) en soortenbescherming (Flora- en faunawet). Met deze wetten zijn de Europese Vogelrichtlijn en dë Europese Habitatrichtlijn verankerd in dé nationale wetgeving. Onder gebiedsbescherming valt ook de toetsing aan het provinciaal ecologisch beleid, waarmee bepaalde gebieden en landschapselementen worden beschermd, zoals de Ecologische Hoofdstructuur en het weidevogelgebied. 5.9.1.1 Gebiedsbescherming Natuurbeschermingswet Gebiedsbescherming wordt gewaarborgd door de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw). Deze wet beschermt Natura 2000-gebieden, beschermde natuurmonumenten en wetlands. Voor activiteiten met een mogelijk effect op deze gebieden is toetsing aan de Nbw noodzakelijk. Natura 20ÖÖ Voor het uitvoeren van projecten en handelingen die negatieve effecten kunnen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied en die niet nodig zijn voor hot beheer van het Natura 2000-gebied, is een vergunning, nodig. Het bevoegd gezag hiervóór zijn Gedeputeerde Staten, tenzij de Nbw-procedure aanhaakt bij de omgevingsvergunning.
In dat geval zijn burgemeester en Wethouders het bevoegd gezag, maar is er een verklaring van: geen bedenkingen van GS nodig. Instandhoudingsdoelstellingen beschrijven de doelen voor natuurlijke habitats of populaties van de in het wild levende dier- en plantensoorten om een gunstige staat van instandhouding te waarborgen. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan moet op grónd van artikel 19j van de Nbw rekening worden gehouden met de effecten van het plan op Natura 2000gebieden. Ook activiteiten buiten het Natura 2000-gebied kunnen negatieve effecten op de instandhoudings-doelstellingen van het Natura 2000-gebied hebben. Dit wordt 'externe wërking' genoemd. Van negatieve effecten is Sprake als, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, een habitattype verslechtert of soorten significant worden verstoord. Deze bescherming geldt alleen voor de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Projecten en handelingen die de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied aantasten zijn in ieder geval vergunningplichtig op grond van artikel 19d Nbw. Beschermde Natuurmonumenten Bij de aanwijzing van Natura 2000-gebieden is het mogelijk dat (delen van) Beschermde Natuurmonumenten binnen de grenzen van het Natura 2000-gebied vallen.
Indien dit het geval is houdt dit in dat, het betreffende aanwijzingsbesluit tot natuurmonument is komen te vervallen (artikel 15a, lid 2 Nbw). Echter, het voormalig beschermd natuurmonument is nog wel beschermd op grond van de doelstellingen ten aanzien van het behoud, herstel en de ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van het gebied zoals bepaald in het van rechtswege vervallen besluit (artikel 15a, lid 3 Nbw). Concreet 27
betekent houdt dit in dat de status van Natuurmonument, na aanwijzing als Natura 2000gebied, is komen te vervallen maar de doelstellingen niet. Op grond van artikel 19j lid 1 hoeft niet te worden getoetst aan de doelstellingen van een (voormalig) beschermd natuurmonument. Er moet echter wel op grond van de goede ruimtelijke ordening en het zorgplichtartikel 191 Nbw, worden getoetst aan deze doelstellingen. Met andere woorden: er moet zicht zijn op de haalbaarheid van het plan. Indien het plan effecten kan hebben op het voormalig beschermd natuurmonument, moet worden beoordeeld of hiervoor een vergunning ex artikel 16 Nbw noodzakelijk is en of deze kan worden verleend. In dit artikel is namelijk bepaald dat het verboden is zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren die schadelijk kunnen zjjn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het beschermd natuurmonument of voor dieren of planten in het beschermd natuurmonument of die het beschermd natuurmonument ontsieren. Ecologische Hoofdstructuur Het voormalige ministerie van LNV heeft in 1990 de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: ËHS) geïntroduceerd. De EHS bestaat uit een netwerk van natuurgebieden. Het doel van de EHS is de instandhouding en ontwikkeling van deze natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan.
De EHS wordt beschermd via regelgeving onder de Wet ruimtelijke ordening: Het in de Nota Ruimte vastgelegde rijksbeleid ten aanzien van de begrenzing en de bescherming van de EHS, is vertaald in regelgeving in het Besluit algeméne regels ruimtelijke ordening, dat per provincie is uitgewerkt in een provinciale ruimtelijke verordening. Om te kunnen bepalen of de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied significant worden aangetast, moet het bevoegd gezag (de gemeente) erop toezien dat hiernaar door de initiatiefnemer onderzoek wordt verricht. Gemeenten moéten het in de verordeningen en beleidsregel vastgelegde beschermingsregime voor de EHS verankeren in bestemmingsplannen en ook de naleving daarvan borgen bij het (verlenen van omgevingsvergunningen voor het) afwijken: van ruimtelijke regels. Overigens kan een gebied, naast een onderdeel zijn van de EHS, tegelijkertijd een Natura 2000-gebied zijn. Als er sprake zou zijn van tegenstrijdige vereisten, dan is het beschermingsregime Natura 2000 leidend. 5.9.1.2 Soortenbescherming Soortenbescherming wordt gewaarborgd door de Flora- en faunawet (hierna: Ffw). De Ffw beschermt alle in het wild levende soorten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in verschillende beschermingscategorieën.
De beschermde diersoorten (vogels, vissen, zoogdieren, amfibieën, reptielen, insecten, ongewervelden, et cetera) en ongeveer 100 plantensoorten zijn te vinden in tabellen, die deel uitmaken van de Ffw. Daarnaast zijn alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen beschermd tijdens de broedperiode en zijn van een aantal soorten de vaste rust- en verblijfplaatsen en functionele omgeving jaarrond beschermd. Het uitgangspunt van de Ffw is dat alles wat schadelijk is voor beschermde soorten verboden is, zoals het verstoren, verontrusten, doden, vangen, plukken, vernielen, verwonden van soorten of het wegnemen, vernielen of verstoren'van hun verblijfplaats. Van het verbod kan alleen ónder bepaalde voorwaarden wórden afgeweken. Voor alle activiteiten met een mogelijk effect op beschermde dier- en plantensoorten is toetsing aan de Ffw noodzakelijk. Activiteiten waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, dienen voorkomen te worden, bijvoorbeeld door het treffen van mitigerende maatregelen. Indien dit 28
niet mogelijk is, dan is het uitvoeren van een dergelijke activiteit alléén toegestaan met een ontheffing van het Ministerie van EZ. Een mitigatieplan of ontheffing dient in het bezit te zijn voorafgaand aan de start van de uitvoeringsfase. Naast de verbodsbepalingen staat in de Ffw dat voor alle in het wild levende planten- en diersoorten de zogenaamde zorgplicht geldt. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. De zorgplicht geldt voor iedereen en voor alle planten en dieren, beschermd of niet. Bij beschermde planten of dieren geldt de zorgplicht ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend, 5.9.2 Onderzoek 5.9.2.1 Gebiedsbescherming In de directe omgeving zijn geen gebieden aanwezen of aangemeld die vallen onder de Natuurbeschermingswet 1998 of deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur: 5.9.2.2 Soortenbescherming De gemeente Middelburg wil in de nieuwbouwwijk Mortiere braakliggende percelen ontwikkelen ten behoeve van woningbouw. Voor de betreffende percelen zijn in het verleden natuurtoetsen uitgevoerd. Gezien de verstreken tijd (langer dan 3 jaar RBOI 2008 en adviesbureau Wieland 2013)) na het opstellen van de natuurtoetsen is besloten een check te doen of er conflicten te verwachten zijn met de huidige natuurwetgeving (Flora- en Faunawet).
Met betrekking tot gebiedsbescherming zijn er geen wijzigingen. Hier is geen check naar verricht. De Flora- en faunawet beschermt aangewezen dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. Door handelingen in of in de nabijheid van het plangebied kunnen schadelijke gevolgen voor natuurwaarden optreden. Hierdoor kunnen er verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet worden overtreden. De Minister van Economische Zaken kan ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen indien aan bepaalde ontheffingscriteria wordt voldaan. Samenvattend betekent dit dat inzicht moet worden verkregen in de aanwezigheid van beschermde dier- en plantensoorten of leefgebieden van beschermde diersoorten en in de effecten van de ingrepen op deze soorten. Hiervoor is in mei 2016 een quickscan uitgevoerd door Adviesbureau Wieland met betrekking tot onder meer het naastgelegen plangebied 9B (bijlage 4). De uitkomsten daarvan gelden ook voor plangebied Huiskavel. Deze quickscan is een actualisatie van het eerder uitgevoerde natuuronderzoek dat is uitgevoerd in het kader van de realisatie van tijdelijke natuur in het plangebied. In het onderzoek is de aanwezigheid van zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën, vissen, ongewervelden en vaatplanten onderzocht.
Voor het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met beschermde natuurwaarden van deze soorten in het kader van de Flora- en Faunawet. In het onderzoek is van al deze natuurwaarden enkel vastgesteld daler mogelijk bröedvogels voorkomen die in het broedseizoen beschermd dienen te worden en dat er diverse zoogdieren voorkomen in het gebied. Daarvoor wordt het volgende geadviseerd: Broedvögels Het plangebied wordt voor aanvang van het broedseizoen gemaaid. De start van de werkzaamheden (bouwrijp maken van het terrein) is voor het broedseizoen. Indien daarna continu gewerkt wordt zullen broedvogels zich niet vestigen. Indien ér in een deel van het 29
broedseizoen niet gewerkt word en daarna de werkzaamheden opgestart worden in het seizoen dan dient eerst een controle plaats te vinden op aanwezigheid van broedvogels door een deskundige. Zoogdieren Diverse vleermuissoorten (tabel 3 Flora en Faunawet) komen voor in het studiegebied en plangebied. Deze ondervingen geen nadelig effect van de Voorgenomen werkzaamheden. Grondgebonden zoogdieren komen voor in het plangebied, Hiervoor geldt de zorgplicht. Vooraf dient het terrein gemaaid te worden vanaf de binnenzijde naar de buitenzijde zodat dieren uit het terrein gedreven Worden. Maaien dient te gebeuren met een maaibalk, schijvenmaaier of messenbalk in de periode september - maart. Het maaisel dient afgevoerd te worden. 5.9.3 Conclusie Flora en fauna vormt geen belemmerend aspect voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel dient gewerkt te worden volgens de principes van zorgvuldig handelen, mogen broedvogels niet verstoord worden en dient het terrein voorafgaand aan het bouwen gemaaid te worden van binnen naar de buitenzijde. 5.10 Archeologie en cultuurhistorie In Europees verband is het zogenaamde "Verdrag van Malta" tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden.
Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen te laten plaatsvinden wordt, naast de bestaande regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, dus de kosten voor inventarisatie, (vooronderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald. De provincie Zeeland en gemeente Middelburg streven naar een versterking van de relatie tussen archeologie en ruimtelijke ordening. In de geest van het Verdrag van Malta is in 2007 een wijziging van de monumentenwet 1988 in de vorm van de Wet op de archeologische monumentenzorg (WAMZ) van kracht geworden. Een belangrijk onderdeel van de WAMZ is dat de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed bij de gemeenten komt te liggen. In de WAMZ wordt geregeld dat de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houdt met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Volgens de wet kan in het belang van de archeologische monumentenzorg bij een bestemmingsplan worden bepaald dat de aanvrager van een aanleg- en bouwvergunning een rapport dient over te leggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgèsteld.
Vooruitlopend op de WAMZ hebben de Walcherse gemeenten in 200.6 een eigen archeologiebeleid geformuleerd en vastgesteld die in 2016 is geactualiseerd in de Nota Archeologische monumentenzorg Walcheren evaluatie 2016-2022. Deze laatste nota schrijft het vigerende archeologiebeleid binnen de gemeente Middelburg voor. Bij dit beleid horen de Archeologische verwachtings- en waardenkaart Walcheren. De kaart betreft een inventarisatie van archeologische vindplaatsen, andere waarden en verwachtingsgebieden en is gemaakt op basis van het Rijks Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS), waarin alle bekende archeologische waarden zijn opgenomen, en op basis van verschillende ter zake doende kaarten, 30
Op basis van de Archeologische verwachtings- en waardenkaart Walcheren is de Archeologische beleidsadvieskaart Walcheren opgesteld, om ervoor te zorgen dat het archeologisch erfgoed wordt beschermd en er bij ruimtelijke afwegingen rekening wordt gehouden met archeologische waarden. De vrijstellingsregeling behorende bij het Walchers archeologiebeleid gaat uit van deze laatste kaart. 5.10.1 Onderzoek Naar aanleiding van het bestemmingsplan Mortiere te Middelburg heeft de Walcherse Archeologische Dienst een beperkte bureaustudie uitgevoerd naar de te verwachten archeologische waarden in het gebied en al eerder uitgevoerde onderzoeken. Het grootste deel van het plangebied Mortiere ten oosten van de Schroeweg is onderwerp geweest van uitvoerig archeologisch onderzoek. Op de terreinen ligt geen archeologisch beperking. Er is dus geen sprake van een dubbelbestemming archeologie. 5.11 Eindconclusie Op basis van de onderzochte informatie worden geen belemmeringen verwacht voor de ontwikkeling van de Huiskavel.
Uit de voorgaande beschreven milieuaspecten (5.1 Toetsing aan mer-wetgeving, 5.2 Geluid, 5.3 Luchtkwaliteit, 5.4 Stikstof, 5.5 Bedrijven en milieuhinder, 5.6 Externe veiligheid, 5.7 Bodem) kan worden geconcludeerd dat er geen verslechtering optreedt op het woon- en leefklimaat van de (omliggende) woningen en dat er ten aanzien van de omgevingsaspecten (5.8 Water, 5.9 Ecologie, 4.3.2 Parkeren, 5.10 Archeologie en cultuurhistorie) er geen belemmeringen optreden. Hoofdstuk 6 Juridische planopzet 6.1
Inleiding
De Huiskavel maakt onderdeel uit van bestemmingsplan “Mortiere”. De regels van het bestemmingsplan “Mortiere” zijn dan ook van toepassing op dit plan, naast de regels die zijn opgenomen in het voorliggend plan. 6.1.1 Uitgangspunten De beleidsuitgangspunten uit de voorafgaande hoofdstukken vormen de onderlegger voor bestemmingen en begrenzingen op de verbeelding en voor de planregels. Deze uitgangspunten voor de bestemmingsregeling (verbeelding en regels) kunnen als volgt worden samengevat. a. b.
Het uitgangspunt is op de eerste plaats de verkavelingsschets voor de Huiskavel. In het onderhavige plan is gestreefd naar het toepassen van soepele / ruime bouw en gebruiksmogelijkheden; c. De ruimtelijke kwaliteit van het gebied noodzaakt een zorgvuldige afstemming van bouwmogelijkheden. Bij het leggen van bestemmingen, het bepalen van bouwgrenzen en opstellen van flexibiliteitbepalingen heeft steeds een zorgvuldige afweging plaatsgevonden van de aanwezige belangen en is rekening gehouden met hedendaagse eisen en gebruikerswensen. Binnen de marges van het beleid is gezocht naar versoepeling in de bestemmingsregeling als bedoeld onder a en b; d. De bestemmingsregeling dient in ieder geval de ontwikkelingen van de nu aanwezige verkavelingsschets mogelijk te maken;
e.
f.
De regeling is zo uniform mogelijk teneinde een zo groot mogelijke rechtsgelijkheid te kunnen bieden. Dit neemt niet weg dat, gelet op de ruimtelijke karakteristiek van het plangebied en hedendaagse eisen, specifieke (beperkende) bepalingen gewenst zullen zijn. Zoals vermeld onder a en d is voor de bestemmingsregeling in beginsel uitgegaan van de feitelijk geplande situatie. Als randvoorwaarde voor de nieuwe bestemmingsregeling is ook gehanteerd dat er flexibiliteit binnen het plan dient te zijn, om eventueel in te kunnen springen op een veranderende marktvraag.
6.1.2 Planvorm De planvorm van het onderhavige plan is een globaal plan met bouwstrokén. Dit betekent dat op basis van dit plan omgevingsvergunning kan worden verleend, maar dat tevens enige flexibiliteit is aangehouden ten opzichte van de stedenbouwkundige verkavelingsschets. 6.1.3 Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) Het voorliggende plan is, overeenkomstig het bestemmingsplan “Mortiere” opgebouwd en vormgegeven conform de bindende afspraken van de SVBP2012. 6.1.4 Opzet bestemmingsregeling Ten aanzien van de opzet van de bestemmingsregeling (verbeelding en planregèls) in dit plan is het volgende van belang.
6.1.4.1 Opzet verbeelding Bestemmingen Op het renvooi wordt de betekenis aangegeven van de bestemmingen en de aanduidingen. Binnen dit plan komen 4 bestemmingen voor. Het bouwvlak is een gebied dat op de verbeelding is aangegeven en waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Voor dit plan geldt dat wordt aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan “Mortiere”. Aanvullende regels zijn gesteld binnen de juridische kaders die in het bestemmingsplan “Mortiere” zijn toegestaan. Aanduidingen In dit bestemmingsplan is gebruik gemaakt van bouwaanduidingen, waarmee specifieke bouwregels worden bepaald. Daarnaast worden maatvoeringsaanduidingen op de verbeelding aangegeven, zoals de maximaal toegestane hoogtemaat (goot- en bouwhoogte). 6.1.4.2 Opzet planregels Overeenkomstig SVBP2012 kent de indeling in hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen de volgende vaste volgorde. •
In hoofdstuk 1 (inleidende regels) worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd, en wordt de wijze van meten bepaald. 32
o
o
*
In hoofdstuk 2 (bestemmingsregels) worden (indien nodig) alfabetisch de regels gegeven waarmee de bestemmingen die óp de plankaart voorkomen nader worden om schreven. Hoofdstuk 3 (algemene regels) bevat een aantal regels die. voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltëlregel, een procedureregel, dan wel regels die voor de nodige flexibiliteit kunnen zorgen, zoals algemene ontheffings- of wijzigingsbevoegdheden. Hoofdstuk 4 (overgangs- en slotregels) ten slotte gaat in op het overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en benoemt de titel van het plan.
6.2 Gehanteerde bestemmingen Groen Het structurele groen heeft de bestemming Groen gekregen. Door deze bestemming wordt het beeldbepalende groen vanuit het stedenbouwkundig plan gewaarborgd.
Tuin Voortuinen en zijtuinen van hoekwoningen aan de openbare ruimte zijn bestemd als Tuin. Binnen déze bestemming mag slechts zeer beperkt gebouwd worden. Binnen deze bestemming zijn ook parkeervoorzieningen toegestaan, met uitzondering in voortuinen van tussenwoningen. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de wijziging van de bestemming Tuin in de bestemming Wonen om hêt mogelijk te maken de voorgevelrooilijn naar voren te plaatsen. Dit kan alleen na goedkeuring van de supervisor en als er geen afbreuk wordt gedaan aan de verkèërSvèiligheid, de parkeerbalans, de architectonische en/of stedenbouwkundige kwaliteit van Mortiere en de gebruiksmogelijkheden, van aangrenzende gronden en bouwwerken.
Verkeer De wegen, trottoirs en parkeerplaatsen hebben deze bestemming toegekend gekregen, Hiermee wordt de ontsluiting van déze fase gewaarborgd. Wonen Deze bestemming omvat het grootste deel van het plan. In de verbeelding zijn bouwstroken aangegeven met specifieke woningen. Binnen de bouwstrook zijn conform dê bouwaanduidingen woningen toegestaan. De bouwhoogte en goothoogte zijn op de verbeelding gemaximeerd. Binnen deze bestemming zijn ook dè achterpaden en parkeervoorzieningen opgenomen. Zo is ook het grote parkeerhof op het achterterrein mogelijk gemaakt in deze bestemming.
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid 7.1 Economische uitvoerbaarheid De Huis kavel, is volledig in eigendom van de initiatiefnemer. De kosten worden gedekt door de vérkoop van bouwrijpe grond. De financiële uitvoerbaarheid is dan ook gewaarborgd.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij het opstellen van dit plan wordt de wettelijk voorgeschreven procedure doorlopen. Als het ontwerpplan is afgerond wordt deze voorgelegd aan het college en daarna gedurende zes weken ter inzage worden gelegd. Met de wettelijke overlegpartners vindt voorafgaand aan de ter inzagelegging afstemming plaats over het voorliggende uitwerkingsplan. Nadat de ter inzage fase is afgerond wordt het plan ter vaststelling aangeboden aan het college.
Bijlagen 1: 2: 3: 4:
Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai van Rho Adviseurs voor leefruimte d.d. 23 mei 2016 Memo stikstofdispositie van AGEL Adviseurs d.d. 24 oktober 2019 Rapport bodemonderzoek van Mitec Advies d.d. 26 april 2016 Quickscan natuurwetgeving van Adviesbureau Wieland d.d. 3 mei 2016
Middelburg Mortiere fase 9b
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
identificatie
pianstatus
projectnummer:
datum:
068700.20160590
23-05-2016
projectleider:
opdrachtgever:
ing. W.K. Swolfs
Gemeente Middelburg
auteur(s):
ing. W.K. Swolfs
Inhoud 1.
2.
3.
4.
5.
Inleiding
3
1.1. 1.2.
Aanleiding Leeswijzer
3 3
Toetsingskader
5
2.1. 2.2. 2.3.
Normstelling Nieuwe situaties 30 km/h-wegen
5 6 6
Berekeningsuitgangspunten
7
3.1. 3.2. 3.3. 3.4.
7 7 7 8
Rekenmethodiek en invoergegevens Gegevens N57 Gegevens overige wegen Ruimtelijke gegevens
Onderzoek
11
4.1. 4.2. 4.3. 4.4.
11 11 11 12
Resultaten N57 (gezoneerd) Resultaten Torenweg (gezoneerd) Resultaten Jazzroute/Poproute(30 km/h) Maatregelonderzoek
Conclusie
Bijlagen: 1
Invoergegevens
2
Rekenresultaten
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg
15
2
Inhoud
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg■
1.
Inleiding
1.1.
Aanleiding
In 2014 is het bestemmingsplan Mortiere vastgesteld. Dit bestemmingsplan maakt voor een deel directe realisatie van woningen mogelijk en vooreen deel middels een uit te werken bestemming (wonen). De gemeente stelt vooreen déél van deze uit te werken bestemming een uitwerkingsplan op. Dit deel van het gebied is aangeduid als fase 9b van nieuwbouwwijk Mortiere. Het plan voorziet in de realisatie van woningen. Bij het mogelijk maken van nieuwe woningen, nieuwe wegen en/of het wijzigen van bestaande infrastructuur moet voldaan worden aan de Wettelijke normen uit de Wet geluidhinder (hierna Wgh). Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszone van de N57 en de Torenweg. Voorliggende rapportage betreft het benodigde akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai.
1.2.
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 is het toetsingskader beschreven en hoofdstuk 3 geeft de berekeningsuitgangspunten weer. In hoofdstuk 4 is het akoestisch onderzoek beschreven, inclusief mogelijk te nemen maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting. In hoofdstuk 6 volgt een overzicht van de conclusies.
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging. Middelburg
4
Inleiding
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg■
5
2. Toetsingskader
2.1.
Normstelling
Wettelijke geluidszone Langs alle wegen en spoorwegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wgh geluidszones waarbinnen de geluidhinder aan bepaalde wettelijke normen dient te voldoen. De breedte van de geluidszone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de binnen- of buitenstedelijke ligging. De breedte van een geluidszone van een weg is in tabel 2.1 weergegeven. De geluidszone wordt gemeten vanaf de binnenzijde van de kant van de weg (aan weerszijden van de weg). Tabel 2.1 Schema zonebreedte aan weerszijden van de weg volgens artikel 74 Wgh Aantal rijstroken
Breedte van de geluidszone (in meters) Buitenstedelijk gebied
Stedelijk gebied
5 of meer
600
350
3 of 4
400
350
1 of 2
250
200
In artikel 1 van de Wgh zijn de definities opgenomen van binnenstedelijk en buitenstedelijk gebied. Deze definities luiden: binnenstedelijk gebied: het gebied binnen de bebouwde kom met uitzondering van het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg; buitenstedelijk gebied: het gebied buiten de bebouwde kom, alsmede het gebied binnen de bebouwde kom voor zover gelegen binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. De ontwikkeling ligt binnen de wettelijke geluidszone van de N57 en de Torenweg. De N57 betreft een autoweg met vier rijstroken. Op basis van een buitenstedelijke ligging en een wegindeling met vier rijstroken geldt voor de N57 een wettelijke geluidszone van 400 meter. De Torenweg heeft een binnenstedelijke ligging en een wegindeling met twee rijstroken. Voor deze weg geldt zodoende een geluidszone van 200 meter. Dosismaat Lden De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. De berekende geluidswaarde in Lden vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Artikel HOg Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen waarden inclusief aftrek op basis van artikel HOg Wgh. Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg
6
Toetsingskader
wegverkeer in Öë toekomst, door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/h of bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/h of moer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidbelasting exclusief aftrek: Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt: een aftrek van 2 dB toegepast. De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidsbelastingen aan de normstellingen uit de Wgh, zoals in onderhavige situatie hét geval is. Bij binnenwaardenberekeningen dient te worden uitgegaan van de gecumuleerde geluidsbelasting exclusief de aftrek conform artikel 3.4 uit het Réken- en meetvoorschrift 2012.
2.2.
Nieuwesituaties
Voor de geluidsbelasting aan dë buitengevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een vöorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van géluidsgevoélige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van ■stedenbouwkundige, Verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag dé maximale öntheffingswaarde niet te boven gaan. De maximale öntheffingswaarde voor nieuwe woningen binnen de bebouwde kom langs eén bestaande weg bedraagt Volgens de, Wgh in principe 63 dB. Echter geldt bij woningen binnen de geluidszone van een autofsneljweg de maximale Öntheffingswaarde zoals bepaald voor woningen in buitenstedelijk gebied. Ten aanzien van de N57 bedraagt de maximale öntheffingswaarde zodoende 53 dB.
2.3.
30 km/h-wegen
Zoals gesteld zijn wegen met een maximumsnelheid van 30 km/h of lager op basis van de Wgh niet ■ gezoneerd. Akoestisch onderzoek: zoü achterwege kunnen ^blijven. Op, basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Indien dit niet het geval is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidsbelasting aan de gevels .noodzakelijk, mogelijk en/of doelmatig zijn. Ter onderbouwing Van de aanvaardbaarheid van de, geluidsbelasting wordt bij gebrek aan wettelijke normen aangesloten bij de benaderingswijze die de Wgh hanteert voor gezoneerde wegen. Vanuit dat' oogpunt worden de voorkeursgrenswaaroe en de uiterste, grenswaarde als referentiekader gehanteerd. De voorkeursgrenswaarde geldt hierbij als richtwaarde en de uiterste grenswaarde als maximaal,aanvaardbare,waarde. Omdat voor 30 km/h-wegen dezelfde benaderingswijze wordt gehanteerd als Voor gezoneerde wegen, wordt:ook hier een correctie toegepast op basis van artikel llOg Wgh. Deze aftrek is gelijk aan de aftrek bij gezoneerde wegen met een maximum snelheid tot 70 km/h (5 dB).
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg
3. Birikinlngsultpnppunfin
3.1.
7
Rekenmethodiek en invoergegevens
Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd conform de Standaard Rekenmethode II uit het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder 2012 (RMG 2012). Het overdrachtsmodel is opgesteld in het softwareprogramma Geomilieu versie 3.11 van DGMR. De geluidsbelasting als gevolg van wegverkeer hangt af van verschillende factoren. Voor een deel hebben deze factoren betrekking op het verkeer en de weg (geluidsafstraling); voor een ander deel op de omgeving van de weg (geluidsoverdracht). Hieronder volgt een korte omschrijving van de belangrijkste factoren. Het totaal aan invoergegevens ten aanzien van ruimtelijke gegevens en het aspect wegverkeerslawaai is opgenomen in bijlage 1.