21-030 Bijlage 2. Stedelijk Waterprogramma Middelburg 2021-2030 ontwerp - ex fin
Tekst van het document
Naast afkoppelen in openbaar (gemeentelijk) gebied kan ook gekeken worden naar de mogelijkheden in het terugdringen van de autonome trend van het vergroten van de particuliere verharding per perceel. Door middel van communicatie en voorbeelden kan gepoogd worden om het gedrag van particuliere bewoners te beïnvloeden.
6.5.3
Uitgangspunten vervanging Vervanging van riolen of gemalen vindt in hoofdzaak plaats op basis van de kwalitatieve staat. De ouderdom speelt daarbij een ondergeschikte rol, maar kan wel meespelen bij de kwaliteit / het functioneren van de huisaansluitingen (bijvoorbeeld gres, verstopping). Voor de gemiddelde levensduur van de voorzieningen gelden de onderstaande uitgangspunten. • Gerenoveerde en GVK-leidingen 70 jaar • Vrijverval riolering (beton) 60 jaar • Vrijverval riolering (pvc) 50 jaar • Gemalen en randvoorzieningen, bouwkundig 40 jaar • Rioolgemalen en drukrioleringsunits, mechanisch/elektrisch 15 jaar • Persleidingen 70 jaar De praktijkervaringen bij vervanging van riolering en gemalen binnen de gemeente Middelburg bevestigen de waarde van deze uitgangspunten. Van de huisaansluitingen worden bij de rioolvervanging in principe alleen de aansluitingen vervangen op openbaar terrein. De huiseigenaren zal geadviseerd worden om indien nodig ook hun huisaansluitleiding op eigen terrein te vervangen. De hoeveelheid verloren berging in de rioolstelsels van de gemeente Middelburg, dat wil zeggen delen van het stelsel die altijd vol blijven staan, is minimaal. Bij rioolvervanging wordt gestreefd naar het opheffen van verloren berging. Gezien de beperkte hoeveelheid
Hoofdstuk 6: beleid riolering eindconcept rapport
-48-
R023.P160/R008/RHOU 5 januari 2021
Stedelijk Waterprogramma 2021 - 2030
verloren berging, zijn voor het opheffen hiervan geen extra financiële middelen gereserveerd.
6.5.4
Langjarig overzicht Op basis van de gegevens uit het rioolbeheerbestand kan een langjarig overzicht van de rioolvervangingswerkzaamheden worden gemaakt (figuur 6.1). Hierin kunnen eventuele vervangingspieken worden herkend gedurende over een langere periode. Voor het overzicht is gebruik gemaakt van een gemiddelde levensduur van 60 jaar van de rioolstrengen. Zoals eerder ook al geconstateerd is er in de laatste twee decennia een grote hoeveelheid riolering aangelegd. Daarnaast is er, op basis van leeftijd, een piek zichtbaar van de riolering die aan het begin van de jaren ’70 is aangelegd en medio jaren ‘80. Deze oude riolering zal naar alle waarschijnlijkheid binnen afzienbare tijd aan vervanging toe zijn. Figuur 6.1: planning vervanging riolering (strekkende meter riolering [m1])
lengte vervanging riolering [m] 16000 14000 12000 10000 8000 6000 4000 2000
2021 2023 2025 2027 2029 2031 2033 2035 2037 2039 2041 2043 2045 2047 2049 2051 2053 2055 2057 2059 2061 2063 2065 2067 2069 2071 2073 2075 2077 2079 2081 2083 2085 2087 2089
0
6.5.5
Concretisering planperiode Op basis van de langjarige vervangingsplanning en de beschikbare inspectieresultaten is vervolgens een vertaling gemaakt naar een concrete jaarplanning op wijkniveau voor het vervangen en renoveren van de riolering in de komende planperiode. Per locatie wordt een afweging gemaakt tussen het traditioneel vervangen van deze leidingen of het renoveren ervan door middel van relining. Resumerend wordt er voor de komende planperiode rekening gehouden met vervanging en renovatie van ruim 36 km aan riolering (gemiddeld 3,3 km per jaar met geschatte kosten
Hoofdstuk 6: beleid riolering eindconcept rapport
-49-
R023.P160/R008/RHOU 5 januari 2021
Stedelijk Waterprogramma 2021 - 2030
van gemiddeld circa € 2,35 miljoen per jaar). Parallel aan de vervangingswerkzaamheden zullen ook afkoppelwerkzaamheden worden uitgevoerd op de locaties waar dat mogelijk en zinvol is. Hiervoor is een jaarlijks investeringsbudget van € 744.000,-- beschikbaar voor de periode 2021-2050. Hierbij is uitgegaan van het jaarlijks afkoppelen van 1% van de verharding die is aangesloten op de gemengde riolering (circa 3,3 ha per jaar). De kosten hiervoor zijn gebaseerd op kengetallen en ervaringscijfers. Tabel 6.1: jaarplanning vervanging en renovatie
Gebied
2021
2022
2023
2024
2025
2026
2027
2028
2029
2030
[m']
[m']
[m']
[m']
[m']
[m']
[m']
[m']
[m']
[m']
Binnenstad
1.244
1.094
342
118
202
111
18
199
1.661
Nieuw Middelburg
18
Lengte
16
61
Klarenbeek / Veersepoort
1.700
Sint Laurens
1.763
Stromenwijk / 't Zand
709
Zuid 1.719
1.497
43
573
521
354
1.435
713
1.465
239
167
1.260
52
Arnestein
1.235
Nieuw- en St. Joosland
6.6
168
813
Griffioen
Dauwendaele
530
61
199
2.800
150
154
85 2.488
1.844
53
360
1.066
553
160
Arnemuiden
41
Totaal
3.022
3.300
62
198
3.277
3.313
377
505 3.439
3.638
422
98 3.459
3.546
3.361
3.362
Riolering buitengebied Binnen de gemeente Middelburg zijn per 15 oktober 2020 nog 155 niet gerioleerde panden aanwezig, in principe allemaal in het buitengebied. 118 daarvan lozen daadwerkelijk afvalwater Voor deze panden heeft de gemeente Middelburg een ontheffing van de zorgplicht voor het inzamelen en transporteren van het afvalwater gekregen van de Provincie Zeeland voor onbepaalde tijd.
6.6.1
Regeling buitengebied Per 1 januari 2008 zijn er wettelijke regelingen van kracht voor lozingen in het buitengebied en zijn er eisen gesteld aan de septic tank waar veel huishoudens in het buitengebied gebruik van maken. Deze wettelijke regelingen zijn binnen de provincie Zeeland vertaald naar afspraken die aangeven hoe om te gaan met bestaande en nieuwe ongerioleerde huishoudelijke lozingen: beleid lozingen buitengebied (SAZ+). Hierin staat dat nieuwe lozingen direct moeten gaan voldoen aan de nieuwe eisen, bestaande lozingen krijgen nog tot 2027 de tijd om hier aan te voldoen.
Hoofdstuk 6: beleid riolering eindconcept rapport
-50-
R023.P160/R008/RHOU 5 januari 2021
Stedelijk Waterprogramma 2021 - 2030
Deze eisen houden in, dat iedere ongerioleerde lozing moet zijn voorzien van een zuiveringsvoorziening. Deze zuiveringsvoorziening is minimaal een verbeterde septic tank (IBA klasse 1, minimale inhoud 6 m3) conform de eisen van de Regeling lozing afvalwater huishoudens. Dat betekent, dat voor 2027 alle kleine septic tanks door de perceeleigenaar vervangen moeten zijn door een nieuwe voorziening. De gemeente heeft alle eigenaren in het buitengebied al voor de voorgaande planperiode schriftelijk geïnformeerd over deze nieuwe regeling voor het buitengebied en welke gevolgen dat heeft voor de betreffende eigenaren. Voor bestaande lozingen in het buitengebied is verder in het Zeeuwse ‘beleid lozingen buitengebied’ opgenomen dat bestaande drukriolering gehandhaafd blijft. Hier kan alleen van worden afgeweken als nieuwe ontwikkelingen hebben aangetoond dat deze een beter milieurendement hebben of lagere maatschappelijke kosten opleveren bij minimaal een zelfde milieurendement. Dat geldt ook voor andere lokale zuiveringsvoorzieningen die niet bij de particuliere eigenaar in beheer en onderhoud zijn.
6.6.2
Smalle zorgplicht De gemeente Middelburg kiest met dit SWP opnieuw voor het hanteren van de zogenaamde smalle zorgplicht voor niet gerioleerde panden in het buitengebied. Dat betekent, dat de particulier verantwoordelijk is voor de aanleg en het beheer en onderhoud van de zuiveringsvoorziening op het eigen perceel. De particulier is eigenaar van deze voorziening en betaalt geen rioolheffing. Dit is in lijn met het beleid uit de voorgaande planperiode. De keuze hiervoor wordt in belangrijke mate ingegeven door het afwegen van de maatschappelijke kosten en het (milieu)rendement. De kosten voor aansluiten van alle panden in het buitengebied zijn relatief hoog, evenals de kosten voor het beheer en onderhoud van deze voorzieningen. Alle rendabel aan te sluiten panden zijn reeds in de saneringsoperatie in de periode 2000-2005 aangesloten. Daarnaast hebben de meeste inwoners in het buitengebied geen behoefte aan verandering van de huidige situatie waarin zij zelf zorg dragen voor de aanleg en het beheer en onderhoud van de zuiveringsvoorziening op hun eigen perceel. Het rendement in de zin van invulling van een maatschappelijke behoefte is beperkt evenals het milieurendement.
6.7
Nieuw te realiseren bebouwing Voor nieuwe (particuliere) bouwwerken in bestaand gebied geldt het beleid, dat het huishoudelijk afvalwater, het hemelwater en het grondwater gescheiden moeten worden aangeboden conform het Bouwbesluit 2012. Op die manier kunnen deze huisaansluitingen eenvoudig worden opgepakt bij afkoppelwerkzaamheden. Riolering dient te voldoen aan de eisen conform de NEN 3215 (Gebouwriolering en buitenriolering binnen de perceelgrenzen) en de NTR 3216 (Riolering van bouwwerken).
Hoofdstuk 6: beleid riolering eindconcept rapport
-51-
R023.P160/R008/RHOU 5 januari 2021
Stedelijk Waterprogramma 2021 - 2030
Alle nieuw te realiseren bebouwing binnen de gemeente Middelburg wordt aangesloten op de (druk)riolering of een alternatieve voorziening die voldoet aan de eisen van de Regeling lozing afvalwater huishoudens (conform het beleid lozingen buitengebied, SAZ+). Dit wordt afgedwongen door ongezuiverde lozingen op oppervlaktewater en in de bodem niet toe te laten. Bij de omgevingsvergunning wordt melding gemaakt van de verplichting aan te sluiten op de riolering. Bij nieuwbouw zal, waar mogelijk, het hemelwater worden aangesloten op een regenwaterriolering, infiltreren in de bodem of afgevoerd worden naar het oppervlaktewater. Daarnaast is de gemeente voornemens een verplichte hemelwaterberging op eigen terrein te gaan eisen. Belasting van de riolering en de rioolwaterzuiveringsinstallatie met schoon water wordt daarmee beperkt. Ook worden aspecten als droogte, veilige bouwhoogte en drooglegging beschouwd. Specifieke voorwaarden en ontwerpeisen ten aanzien van nieuwbouw zijn opgenomen in bijlage 7.
6.7.1
Incidentele nieuwbouw in landelijk gebied Bij incidentele nieuwbouw in het landelijk gebied op locaties waar geen riolering aanwezig is binnen een straal van 40 meter vanaf de perceelsgrens en waarin de planperiode van dit SWP geen riolering zal worden aangelegd, vindt in eerste instantie de toetsing plaats of er wel of niet invulling gegeven zal worden aan de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater. Indien dat niet het geval is, zal in de omgevingsvergunning worden opgenomen dat het vrijkomende afvalwater niet ongezuiverd op oppervlaktewater of in de bodem mag worden geloosd. Iedere nieuwe lozing dient te voldoen aan de eisen zoals die zijn verwoord in paragraaf 6.6. De gemeente zal bij bouwaanvragen voor deze nieuwbouw een melding doen aan de waterkwaliteitsbeheerder (waterschap Scheldestromen) en de betrokkenen naar haar doorverwijzen. In geval van bodemlozingen ligt de verantwoordelijkheid bij de gemeente. In het geval van nieuwe bedrijfsmatige lozingen is de aard en de omvang van de lozing bepalend voor de wijze van lozen. Er wordt bepaald of een lozing al dan niet op de riolering dient plaats te vinden of, indien dit niet rendabel blijkt te zijn, welke vorm van lozen dan wordt toegestaan (Activiteitenbesluit). Dit gebeurt in nauwe samenwerking met het waterschap die als waterkwaliteitsbeheerder daar een belangrijke rol in speelt.
6.7.2
Projectmatige nieuwbouw Bij projectmatige nieuwbouw worden de voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en hemelwater (bijvoorbeeld uitleggers naar de hoofdriolering) en eventueel voor grondwater aangelegd bij het bouwrijpmaken van de locatie. De kosten hiervoor worden opgenomen in de exploitatieopzet en verrekend met de grondeigenaar via een anterieure overeenkomst. Alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten worden toekomstbestendig uitgevoerd. Verhard oppervlak wordt volledig afgekoppeld en regenwater dient op eigen terrein te
Hoofdstuk 6: beleid riolering eindconcept rapport
-52-
R023.P160/R008/RHOU 5 januari 2021
Stedelijk Waterprogramma 2021 - 2030
worden gebufferd. In een rioleringsplan (of waterparagraaf) zal worden nagegaan waar hemelwater kan worden ingezet voor de lokale waterhuishouding en aan welke eisen moet worden voldaan. Het hemelwater dat niet aan deze criteria voldoet, wordt ingezameld en afgevoerd naar de RWZI. Voor de aanleg van de voorzieningen wordt een (riool)ontwerp gemaakt volgens de dan geldende eisen, waarbij de insteek is om een klimaatbestendige openbare ruimte te realiseren. Er worden rioleringsberekeningen met bui 09 (normbui) en bui 10 uitgevoerd en er wordt een risicoafweging gemaakt, waarbij rekening wordt gehouden met verschillende klimaatontwikkelingen (kort hevig nat, langdurig nat en langdurig droog). Er wordt tijdig overleg gevoerd met de waterbeheerder (kwantiteit en kwaliteit). Ter voorkoming van foutieve aansluitingen worden bij gescheiden rioolstelsels buizen in twee verschillende kleuren toegepast. Voor vuilwaterriolering is dit roodbruin, voor regenwaterleidingen is de kleur middelgrijs of groen, afhankelijk van de kwaliteit van het afstromende regenwater. Het verplicht gebruiken van deze kleuren wordt ook in de omgevingsvergunning opgenomen. Een overzicht van de geplande projectmatige nieuwbouw (peildatum 1 juli 2019) is weergegeven in de navolgende tabel. Tabel 6.2: aantal woningen/wooneenheden projectmatige nieuwbouw 2021-2031
Hoofdstuk 6: beleid riolering eindconcept rapport
-53-
R023.P160/R008/RHOU 5 januari 2021
Stedelijk Waterprogramma 2021 - 2030
6.7.3
Overnamepunten Gemeenten en waterschap hebben richtlijnen ten aanzien van de overnamepunten afgesproken (richtlijn overnamepunten afvalwaterketen Zeeland, zie ook bijlage 6). Daarin gaat het over de grens tussen de verantwoordelijkheden voor het afvalwatersysteem van de gemeente en die van het waterschap. In de huidige situatie betreft het acht overnamepunten, gelegen bij de drie hoofdgemalen en/of persleidingen van waterschap Scheldestromen. Een van de uitgangspunten is dat riolering van derden (veelal bedrijven of recreatiegebieden) aangesloten wordt op de gemeentelijke riolering, overeenkomstig de wettelijke zorgplicht van de gemeente tot inzameling van afvalwater. Bij omvangrijke lozingen wordt afgewogen of aansluiting op het transportsysteem van het waterschap doelmatiger is. Dit is vooral van belang bij ontwikkeling van nieuwe (grote) bedrijven, maar ook bij het heroverwegen van bestaande aansluitingen (overnamepunten) van bedrijven of recreatiegebieden op het transportsysteem (zie bijlage 6).
6.7.4
Recreatie en toerisme Grootschalige ontwikkelingen op het gebied van recreatie en toerisme kunnen leiden tot een aanzienlijke toename van de (vuilwater)belasting van het rioleringssysteem. Dit betreft zowel het stelsel zelf als de achterliggende gemalen en/of persleidingen. Dergelijke uitbreidingen dienen zelfvoorzienend te zijn in die zin dat een nieuwe aanvoer van afvalwater niet leidt tot verstoring van de bestaande afvalwaterketen of dat eventuele aanpassingen daaraan voor rekening van de ontwikkelaar komt. Hierover dient te allen tijde afstemming te worden gezocht met de gemeente Middelburg als beheerder van het gemeentelijke afvalwatersysteem. Een voorbeeld hiervan is de ontwikkeling van Waterpark Veerse Meer te Arnemuiden. Deze ontwikkeling heeft een aanzienlijke omvang en is daarmee van grote invloed op het functioneren van het huidige afvalwatersysteem. Waterschap Scheldestromen heeft reeds aangegeven dat er op voorhand geen budget is gereserveerd voor vergroting van rioolgemalen en/of persleidingen. Indien aanpassingen aan het afvalwatersysteem nodig zijn, zal de ontwikkelaar met de gemeente en/of het waterschap in overleg moeten treden.
6.7.5
Watertoets Voor alle ruimtelijke plannen moet een watertoets worden uitgevoerd. In deze watertoets wordt aangegeven hoe in het betreffende plan met water wordt omgegaan. Aspecten als oppervlaktewater, grondwater, hemelwater, afvalwater, waterkwaliteit en -kwantiteit, omgevingsfactoren en waterberging komen hierin aan de orde. Met de watertoets wordt de waterbeheerder tijdig betrokken in het ontwerpproces. Het streven is om vanuit de watertoets in de nabije toekomst te gaan komen tot een klimaattoets, waarbij ook de aspecten droogte en hitte worden betrokken. In geval van nieuwe bebouwing dient de toename aan verhard oppervlak te worden gecompenseerd met waterberging op eigen terrein. In uitzonderlijke gevallen kan gebruik
Hoofdstuk 6: beleid riolering eindconcept rapport
-54-
R023.P160/R008/RHOU 5 januari 2021
Stedelijk Waterprogramma 2021 - 2030
worden gemaakt van het Waterbergingsfonds gemeente Middelburg. Hiermee kan de verplichting tot het realiseren van waterberging door de gemeente Middelburg worden afgekocht van de initiatiefnemer. Deze waterberging wordt dan, in overleg met waterschap Scheldestromen, elders gerealiseerd.
6.8
Overige aspecten
6.8.1
Vermindering rioolvreemd water Binnen de SAZ+ wordt onderzoek uitgevoerd naar het voor komen en de effecten van rioolvreemd water. Dit is onderdeel van de zogenaamde programmalijn 2. Rioolvreemd water kan bijvoorbeeld bestaan uit lekwater vanuit oppervlaktewater, regenwater op drukriolering, water vanuit drainage of afgebroken huisaansluitleidingen. Afvalwateraansluitingen op hemelwater-riolering valt ook onder rioolvreemd water en heeft grote invloed op de waterkwaliteit. Rioolvreemd water heeft een kostenverhogend effect op het transporteren en zuiveren van afvalwater en veroorzaakt een wezenlijk verhoogde emissie van nutriënten en gevaarlijke stoffen. Figuur 6.2: effecten rioolvreemd water (bron: SAZ+ rapportage ‘aanpak rioolvreemd water’, 2016)
Voor het opsporen van rioolvreemd water kan onder meer gebruik worden gemaakt van de meetgegevens van de waterschapsgemalen. Voor gemeente Middelburg zijn de afgelopen jaren gegevens geïnventariseerd van gemalen, rwzi’s, waterpeilen en neerslag. Hieruit blijkt dat voor de Middelburgse hoofdgemalen (Oude Veerseweg, Elektraweg en Arnemuiden) het percentage rioolvreemd water gemiddeld tussen de 10% en 20% lag (periode 20112016). Dit geeft geen aanleiding tot verder onderzoek of het nemen van maatregelen met hoge prioriteit. Uit objectief onderzoek is gebleken dat bij een percentage van meer dan 20% rioolvreemd water een nadere analyse wordt geadviseerd en, waar nodig, met hoge prioriteit maatregelen moeten worden genomen. Voor percentages lager dan 10% is registratie nauwelijks mogelijk en voor percentages tussen de 10% en 20% is monitoring gewenst om vast te stellen of maatregelen moeten worden genomen en dan in combinatie met andere werkzaamheden (bijvoorbeeld rioolvervanging). Gezien de absolute omvang van de stroom rioolvreemd water worden de gemalen wel gemonitord op het gebied van rioolvreemd water en worden, indien zich mogelijkheden voordien, maatregelen genomen om deze omvang in te perken. De gemeente Middelburg houdt in de rioleringsberekeningen rekening met de aanwezigheid van rioolvreemd water, onder meer via deze gemaalgegevens.
Daarnaast worden aansluitingen van drainages op de gemengde riolering zoveel mogelijk afgekoppeld als zij
Hoofdstuk 6: beleid riolering eindconcept rapport
-55-
R023.P160/R008/RHOU 5 januari 2021
Stedelijk Waterprogramma 2021 - 2030
gesignaleerd worden bij rioolvervanging. De kosten die gemaakt worden om de waterdichtheid van het riool te waarborgen, maken deel uit van de kosten van onderhoud en vervanging van het rioolstelsel.
6.8.2
Diffuse bronnen Een aantal stoffen dat diffuus in het rioolwater terechtkomt, vormt een belasting voor het milieu. Te denken valt hierbij aan zink uit dakgoten, koper uit waterleidingen of minerale olie uit motoren. Er wordt naar gestreefd de emissie van deze stoffen te voorkomen. De gemeente volgt hierin het landelijk beleid, dat is vastgelegd in het beleid Duurzaam Bouwen (DuBo) met regelgeving voor duurzaam (ver)bouwen in het Bouwbesluit 2012. Per april 2016 mogen er wettelijk geen chemische onkruidbestrijdingsmiddelen meer worden toegepast op verharding. De gemeente volgt deze regelgeving en past geen chemische middelen meer toe.
6.8.3
Duurzaamheid Ook binnen de rioleringszorg wil de gemeente invulling geven aan duurzaamheid. Duurzaamheid betekent ‘ontwikkelingen uitvoeren die aansluiten op de behoeften van het heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen’. Voor de definitie van duurzaamheid wordt aangesloten bij het principe dat de drie elementen, People (sociaal), Planet (milieu) en Profit (economie), in harmonie gecombineerd moeten worden. Concreet betekent duurzaam omgaan met water bijvoorbeeld dat oplossingen binnen de hemelwaterzorgplicht steeds vaker gezocht worden in meer natuurlijke voorzieningen zoals waterlopen en waterpartijen. Ondergrondse constructies worden waar mogelijk vervangen door bovengrondse oplossingen in de openbare ruimte. Hiermee wordt ingespeeld op klimaatsverandering met steeds hevigere neerslagsituaties. Onderhoud van deze nieuwe bovengrondse voorzieningen dient in de komende jaren specifiek aandacht te krijgen. Duurzame rioleringszorg draagt bij aan een duurzame bescherming van volksgezondheid (people), maar ook aan de instandhouding van natuur en milieu (planet) en waterkwaliteit.
Naast het zoeken naar duurzame oplossingen geeft de gemeente invulling aan het streven naar duurzaamheid door gebruik te maken van duurzame producten als hergebruikt pvc en pompen met een laag energieverbruik (in geval van vervanging van de bestaande pompen). Hiermee wordt invulling gegeven aan de doelstellingen op gebied van planet (hergebruik van materiaal, laag energieverbruik) en profit (circulaire economie, total cost of ownership). Binnen de gemeentelijke rioleringszorg worden nieuwe ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid gevolgd, bijvoorbeeld riothermie (gebruik van warmte uit de riolering voor opwekking van energie) of terugwinning van grondstoffen. Indien zich kansen voordoen, wordt bezien of er nuttige toepassingen zijn binnen de gemeente Middelburg en worden deze verzilverd. Dit is echter op ad-hoc basis.
Hoofdstuk 6: beleid riolering eindconcept rapport
-56-
R023.P160/R008/RHOU 5 januari 2021
Stedelijk Waterprogramma 2021 - 2030
7
Beleid grondwater In de Waterwet is de gemeentelijke zorgplicht voor grondwater verwoord. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de werkzaamheden die in de komende planperiode in het kader van de grondwaterzorgplicht zullen worden uitgevoerd. Tevens wordt het kader geschetst, waarbinnen deze maatregelen worden uitgevoerd. Wat zijn de gemeentelijke verantwoordelijkheden op het gebied van grondwater en wat niet? Wat te doen bij grondwateroverlast? De gemeente Middelburg heeft een grondwatermeetnet van 34 peilbuizen gerealiseerd en meet daar de grondwaterstanden.
7.1
Grondwaterzorgplicht De gemeentelijke grondwaterzorgplicht is verankerd in de Waterwet (artikel 3.6). Daarin staat: 1. De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen zorg voor het in het openbaar gemeentelijke gebied treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet tot de zorg van de beheerder of de provincie behoort. 2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, omvatten mede de verwerking van het ingezamelde grondwater, waaronder in ieder geval worden begrepen de berging, het transport, de nuttige toepassing en het, al dan niet na zuivering, op of in de bodem of in het oppervlaktewater brengen van ingezameld grondwater, en het afvoeren naar een zuiveringtechnisch werk.
Sinds 1 januari 2008 is de gemeente daarmee formeel verantwoordelijk voor de uitvoering van het grondwaterbeheer in het stedelijk gebied. Dit SWP is de plaats waar zij haar beleid ten aanzien van de invulling van de grondwaterzorgplicht verwoordt. Uit hoofde van deze zorgplicht dienen gemeenten, binnen de grenzen van doelmatigheid, maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand te beperken of te voorkomen. Hierbij richt de zorgplicht zich met name op maatregelen van waterhuishoudkundige aard in de openbare ruimte van de gemeente. In het geval dat de maatregelen bestaan uit het aanleggen van (ontwaterings)voorzieningen, valt daar ook het beheer onder. De gemeente heeft nadrukkelijk niet de plicht de grondwaterstand op een (vooraf) vastgesteld peil te houden. Het grondwaterpeil staat onder invloed van zoveel factoren en reageert dermate onafhankelijk, dat het vasthouden van het peil niet tot de mogelijkheden behoort. Een overzicht van de verantwoordelijkheden op het gebied van grondwater is opgenomen in de navolgende figuur.
Hoofdstuk 7: beleid grondwater eindconcept rapport
-57-
R023.P160/R008/RHOU 5 januari 2021
Stedelijk Waterprogramma 2021 - 2030
De eerste gemeentelijke vertaling van het grondwaterbeleid is opgenomen in de voorgaande vGRP’s. Daarin is het functioneren van het waterloket reeds genoemd. Het waterloket is onderdeel van de gemeentelijke website waar burgers meldingen en klachten rondom grondwater doorgeven. Het waterloket is vervolgens de aanjager voor het zoeken naar oplossingen van grondwaterproblemen, maar is niet per definitie de plaats waar de oplossingen worden geformuleerd. Hiertoe kunnen ook andere partijen worden ingeschakeld. Het grondwaterloket draagt wel zorg voor de communicatie daarvan naar de burger toe. Dit beleid is nog steeds van kracht. Figuur 7.1: verantwoordelijkheden grondwater
7.2
Grondwateroverlast De perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het voorkomen van overlast of schade ten gevolge van grondwater. Dit houdt in dat de perceeleigenaar zelf verantwoordelijk is voor de ontwatering van het eigen terrein, evenals voor het beheer en onderhoud van deze voorzieningen. Behalve door te hoge grondwaterstanden kan ook overlast ontstaan door te lage grondwaterstanden. Daarbij valt te denken aan schade aan gebouwen door ongelijkmatige zetting en paalrot, maar ook aan schade aan particulier groen. De gemeentelijke zorgplicht richt zich op het openbaar gebied. Eventuele maatregelen zullen daarom ook in openbaar gebied worden getroffen. De grondwaterzorgplicht is, evenals de hemelwaterzorgplicht, een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting. Om grondwateroverlast te voorkomen en perceeleigenaren de mogelijkheid te bieden hun eigen terrein te ontwateren, stelt de gemeente de bewoners een overnamepunt ter beschikking voor de afvoer van overtollig grondwater. Meestal is dit op de hoofdriolering. De gemeente heeft een ontvangstplicht voor het overtollige grondwater, maar aan de
Hoofdstuk 7: beleid grondwater eindconcept rapport
-58-
R023.P160/R008/RHOU 5 januari 2021
Stedelijk Waterprogramma 2021 - 2030
omvang en de aard van het aangeboden grondwater kunnen door de gemeente voorwaarden worden gesteld, evenals bij hemelwater. Burgers dienen de voorschriften over waterdichtheid van gebouwen en afvoer van hemelwater op te volgen die in het bouwbesluit opgenomen zijn. Daarin is onder meer opgenomen, dat woningen die na 1 januari 1993 gebouwd zijn, moeten beschikken over dampdichte vloeren. Ook problemen als gevolg van lekke kelders behoren niet tot de verantwoordelijkheid van de gemeente. De gemeente wil structurele grondwateroverlast voorkomen. Als algemene richtlijn voor structurele grondwateroverlast hanteert de gemeente de navolgende uitgangspunten. Een grondwaterstand wordt als structureel te hoog gedefinieerd als de ontwateringsdiepte in de openbare ruimte langer dan 8 opeenvolgende weken minder dan 70 cm bedraagt onder wegen, pleinen en trottoirs en minder dan 50 cm onder groen. Dit is wel afhankelijk van de reguliere grondwaterstanden en bodemopbouw ter plaatse. Hoge(re) grondwaterstanden op percelen van particulieren blijven de verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar en daar treft de gemeente geen maatregelen. Wel geeft de gemeente op verzoek advies aan particulieren die hinder ondervinden van hoge grondwaterstanden op hun perceel.
7.3
Grondwater gemeente Middelburg (literatuur) De grondwaterstroming in het freatisch pakket is afhankelijk van de gehanteerde polderpeilen en lokale afwateringsmiddelen. De grondwatertrappen voor het gehele gemeentelijke grondgebied variëren, zoals ook de bodemopbouw varieert. Op de oude kreekruggen ten zuiden en westen van de kern Middelburg is een lagere grondwaterstand (grondwatertrap VI of VII), terwijl daar tussenin theoretisch hogere grondwaterstanden zijn (grondwatertrap IIIb met gemiddeld hoogste grondwaterstanden tussen 0,25 en 0,40 meter beneden maaiveld). Ten oosten van de kern Middelburg, in het buitengebied richting Nieuw en Sint Joosland en Arnemuiden komt over het algemeen grondwatertrap VI voor. Deze kent een gemiddeld hoogste grondwaterstand van 40 tot 80 cm beneden maaiveld en een gemiddeld laagste grondwaterstand lager dan 1,20 meter beneden maaiveld (bron: BIS Nederland, zie ook figuur 7.2). Het freatisch grondwater binnen de gemeente Middelburg is overwegend brak en soms zoet. Direct nabij het Kanaal door Walcheren vindt er zoute kwel plaats als gevolg van het hogere waterpeil in het Kanaal dan in het omliggende gebied. Op sommige locaties kan dit leiden tot grondwateroverlast.
Figuur 7.2: grondwatertrappen gemeente Middelburg (bron: BIS Nederland)
Hoofdstuk 7: beleid grondwater eindconcept rapport
-59-
R023.P160/R008/RHOU 5 januari 2021
Stedelijk Waterprogramma 2021 - 2030
Er zijn binnen de gemeente Middelburg enkele locaties waar grondwater soms tot problemen leidt (onder meer door de genoemde kweldruk). De eventuele meldingen die zich daarbij voordoen, zijn echter lokaal van aard en soms ook gekoppeld aan slecht afstromende neerslag. Per melding wordt bezien of, en zo ja, welke maatregelen mogelijk zijn. In het vigerende waterplan zijn de belangrijkste locaties in beeld gebracht en zijn er maatregelen (overwegend aanleg drainage) geformuleerd en uitgevoerd (zie Waterplan Middelburg, paragraaf 3.2.2). Binnen de gemeente Middelburg zijn er verschillende vergunde grondwateronttrekkingen (bron: geoloket provincie Zeeland) voor hoofdzakelijk bedrijfsmatige doeleinden (landbouw) en enkele locaties van koude-/warmteopslag. Verder zijn er volgens het provinciale grondwaterbeheersplan enkele kwetsbare gebieden aangewezen en is er een zoetwaterbel tussen Nieuw en Sint Joosland en Arnemuiden. Voor het onttrekken van grondwater, lozen van regenwater of voor werkzaamheden op, in, aan of bij een watergang of waterkering moet een vergunning (of melding) aangevraagd worden bij het waterschap. In geval van een lozing op de riolering zal vergunning bij de gemeente moeten worden aangevraagd.
7.4
Grondwatervoorzieningen De gemeente Middelburg heeft een aantal voorzieningen op het gebied van grondwater in eigendom die zij beheert en onderhoudt uit hoofde van haar grondwaterzorgplicht.
7.4.1
Bestaande voorzieningen De gemeente heeft circa 2 km lengte aan drainage- /infiltratieriolen (IT-riolering). Deze riolering is geperforeerd, waardoor de pieken in de grondwaterstand ‘afgetopt’ kunnen worden. Bij afkoppelwerkzaamheden wordt regelmatig IT-riolering toegepast om te hoge grondwaterstanden tegen te kunnen gaan die kunnen ontstaan door het dichten van oude, lekke riolering. Ook cunet-drainage kan desgewenst op deze riolen worden aangesloten. Er is binnen de gemeente een aantal drainageleidingen op openbaar gebied aanwezig. Deze leidingen zijn maar beperkt in beeld en worden niet structureel onderhouden of doorgespoeld. Lokaal is soms sprake van ijzerafzettingen. Deze worden niet structureel voorkomen, maar bij constatering ad-hoc verwijderd. De drainageleidingen bij sportvelden en begraafplaatsen zijn wel goed in beeld en wordt planmatig onderhouden.
7.4.2
Nieuw te realiseren voorzieningen Bij nieuw te realiseren bebouwing worden niet standaard drainage of andere grondwaterregulerende voorzieningen aangelegd. De aanleg hiervan is afhankelijk van de lokale omstandigheden. Wel wordt in nieuwbouwwijken in elke perceel een drainageleiding aangebracht, hetgeen de mogelijkheid aan bewoners biedt tot grondwaterregulerende
Hoofdstuk 7: beleid grondwater eindconcept rapport
-60-
R023.P160/R008/RHOU 5 januari 2021
Stedelijk Waterprogramma 2021 - 2030
maatregelen. Het beheer en onderhoud van deze drainageleiding berust bij de perceeleigenaar. Bij vervanging van lekke riolering wordt onderzocht of de gelijktijdige aanleg van drainage noodzakelijk is om overlast te voorkomen. In het kader van de watertoets wordt grondwater in de planvorming betrokken. Afhankelijk van de resultaten hiervan, wordt besloten of er grondwaterregulerende voorzieningen noodzakelijk zijn.
7.4.3
Grondwatermeetnet De gemeente Middelburg beschikte in de voorgaande planperiode niet over een permanent grondwatermeetnet om de grondwaterstand te monitoren. Wel zijn er in het verleden op projectbasis peilbuizen geplaatst bij klachten of ter voorbereiding op een rioolvervanging. Mede met het oog op de klimaatontwikkelingen wil de gemeente echter een goede invulling geven aan de gemeentelijke grondwaterzorgplicht volgens de Waterwet. Hiervoor is inzicht in de grondwaterstanden binnen de bebouwde kom gewenst. Door goede kennis van en inzicht in grondwaterfluctuaties kunnen bijvoorbeeld klachten van bewoners onderbouwd worden beoordeeld. Een dergelijk inzicht wordt verkregen door een grondwatermeetnet. Hiertoe is een ontwerp gemaakt dat recent is gerealiseerd (2020). Voor het ontwerp van het grondwatermeetnet in de gemeente Middelbrug zijn de volgende meetdoelen gehanteerd: • Het verkrijgen van inzicht in de fluctuaties en stromingsrichting van de grondwaterstanden in de stad • Het verkrijgen van inzicht in de relatie tussen de grondwaterfluctuaties en de neerslag. • Het volgen van langjarige ontwikkelingen met betrekking tot de grondwaterstanden in het stedelijke gebied, als onderdeel van het regionale watersysteem. • Het onderbouwd kunnen reageren op klachten en meldingen over grondwateroverlast.
• Het verzamelen van basisgegevens ten behoeve van diverse onderzoeken voor bijvoorbeeld drainageaanleg, rioolvervanging, bouwrijp maken, het inventariseren van mogelijkheden ten behoeve van afkoppelen en infiltreren en bouwputbemalingen. Hierbij kunnen de meetgegevens van tijdelijke projectpeilbuizen gekoppeld worden aan de langjarige meetgegevens van het grondwatermeetnet. • Inzicht in de kwelstrook langs het kanaal door Walcheren. De focus van het grondwatermeetnet ligt op grondwateroverlast. Grondwateronderlast (schade door ongelijkmatige zettingen en/of funderingsschade) is niet meegenomen. De meetresultaten geven uiteraard ook inzicht in optredende lage grondwaterstanden. Voor het grondwatermeetnet is een minimaal, een basis en een optimaal ontwerp gemaakt. De gemeente heeft het optimaal ontwerp uitgewerkt en gerealiseerd. Dit behelst het plaatsen van 34 peilbuizen die zijn voorzien van een datalogger om geautomatiseerd de grondwaterstanden te kunnen registreren. Het ontwerp op basis waarvan het grondwatermeetnet is uitgevoerd, is opgenomen in figuur 7.3.
Hoofdstuk 7: beleid grondwater eindconcept rapport
-61-
R023.P160/R008/RHOU 5 januari 2021
Stedelijk Waterprogramma 2021 - 2030
Figuur 7.3: ontwerp grondwatermeetnet gemeente Middelburg (optimaal meetnet)
Hoofdstuk 7: beleid grondwater eindconcept rapport
-62-
R023.P160/R008/RHOU 5 januari 2021
Stedelijk Waterprogramma 2021 - 2030
8
Beleid oppervlaktewater In dit hoofdstuk wordt de strategie voor het oppervlaktewatersysteem beschreven. Rondom het oppervlaktewater wordt nauw samengewerkt met het waterschap. Zij is namelijk, naast waterkwantiteits- en kwaliteitsbeheerder, degene die verantwoordelijk is voor het beheren en onderhouden van het watersysteem. Wat is er aan oppervlaktewater binnen de gemeente Middelburg aanwezig? Samen met waterschap Scheldestromen voert de gemeente onderhoud uit. Wat gebeurt er bij hevige neerslag? De knelpunten zijn in kaart gebracht en de belangrijkste probleemlocaties worden voor 2035 aangepakt.
Overzicht oppervlaktewatersysteem In de bebouwde kommen van de gemeente Middelburg is bijna 90 km aan waterlopen aanwezig en bevinden zich bovendien circa 25 grotere waterpartijen. Het totale oppervlaktewater-systeem bestaat grofweg uit vier aparte deelsystemen (zie ook figuur 9.1): • het Kanaal door Walcheren; • Middelburg, ten westen van het Kanaal door Walcheren; • Middelburg, ten oosten van het kanaal door Walcheren; • Arnemuiden.
W
al ch er en
Figuur 8.1: schematische weergave oppervlaktewatersysteem gemeente Middelburg
Ka na al do or
8.1
Arnemuiden
Middelburg
A58
Nieuw- en Sint Joosland
= hoofdafvoer = stroomrichting
Hoofdstuk 8: beleid oppervlaktewater eindconcept rapport
-63-
R023.P160/R008/RHOU 5 januari 2021
Stedelijk Waterprogramma 2021 - 2030
8.1.1
Kanaal door Walcheren Het Kanaal door Walcheren staat via sluizen in verbinding met het Veerse Meer en met de Westerschelde. Dit water is zout. Een deel van het water in de gemeente Middelburg staat direct met het kanaal in verbinding, zoals de uitlopers van de Arne die tot in de kom van Arnemuiden doorlopen en de Herengracht en Binnenhaven in Middelburg. Doordat het kanaal een beduidend hoger waterpeil heeft dan het omliggende gebied (NAP+0,90 meter) is aan beide zijden van het kanaal sprake van kwelwater dat op sommige plaatsen ook kan leiden tot grondwateroverlast. Vanuit het nieuw aangelegde grondwatermeetnet zal monitoring van deze situatie gaan plaatsvinden. Het Kanaal door Walcheren is in beheer bij de provincie Zeeland.
8.1.2
Middelburg, ten westen van Kanaal door Walcheren Het watersysteem in Middelburg bestaat eigenlijk uit twee aparte watersystemen die van elkaar gescheiden zijn door het Kanaal door Walcheren. Beide watersystemen binnen Middelburg zijn verbonden via een sifon in de Abeelse watergang onderdoor het Kanaal door Walcheren. In het gebied ten westen van het Kanaal door Walcheren vormen ‘De Vesten’ de spil in de hoofdafwatering. De Vesten ontvangen water uit Middelburg zelf en uit het buitengebied van vrijwel geheel Walcheren, aangevoerd via poldergemalen en grote waterlopen. Bij veel neerslag komt het water vanuit het buitengebied via de Vlissingse watergang, de Domburgse watergang, de St Laurens watergang en de Veerse watergang Middelburg binnen en wordt het via de Vesten afgevoerd naar gemaal Boreel en gemaal Poppekinderen, die het water uitslaan op het Kanaal door Walcheren. Het water in de binnenstad is hoger dan het waterpeil in het buitengebied. Het oppervlaktewater in het buitengebied kent een streefpeil tussen de NAP-1,85 meter en NAP-2,10 meter. Door opmaling wordt het water dat uit het buitengebied wordt aangevoerd wel via de Vesten en de Binnengracht naar het Kanaal door Walcheren getransporteerd (NAP+0,90 meter). Park Toorenvliedt is een apart watersysteem, dat met behulp van een pomp (elke dag ongeveer een half uur) gevoed wordt met water uit de Vlissingse watergang.
8.1.3
Middelburg, ten oosten van Kanaal door Walcheren Het water van Middelburg ten oosten van het Kanaal door Walcheren watert af naar het buitengebied. Het water wordt afgevoerd via de zuidkant richting de Westerschelde. Via gemaal Zuidwatering bij Ritthem wordt het uitgemalen naar de Westerschelde. Ook de wateren uit het stedelijk gebied van Nieuw- en Sint Joostland worden bemalen door dit gemaal. Aan de groenzone en de waterloop langs het Kanaal door Walcheren is de hoogste ecologische functie toegekend.
Hoofdstuk 8: beleid oppervlaktewater eindconcept rapport
-64-
R023.P160/R008/RHOU 5 januari 2021
Stedelijk Waterprogramma 2021 - 2030
8.1.4
Arnemuiden Ook het watersysteem in Arnemuiden wordt mede beïnvloed door water uit het buitengebied. De kern ten noorden van het spoor maakt onderdeel uit van een groot peilgebied. Het streefpeil van dit peilgebied is NAP-1,85 zomerpeil en NAP-1,95 winterpeil. Uiteindelijk watert het oppervlaktewatersysteem via de noordkant af op het Veerse Meer.
8.2
Verantwoordelijkheden Het werken aan water doen de gemeente Middelburg en waterschap Scheldestromen samen, maar ieder heeft zijn eigen verantwoordelijkheden en taken. In de onderstaande tabel is een overzicht op hoofdlijnen opgenomen van de verschillende verantwoordelijkheden van de verschillende partijen. Tabel 8.1: taakverdeling overheden
Partij gemeente Middelburg
waterschap Scheldestromen
Provincie Zeeland Particuliere grondeigenaren en bedrijven
Verantwoordelijk voor • Riolering: zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater en overtollig hemelwater • Milieu en volkshuisvesting • Beheer en onderhoud openbaar gebied • Ontwatering van de openbare ruimte • Voorkomen van negatieve effecten van het freatisch grondwater • Ruimtelijke ordening (inclusief bestemmingplannen, watertoetsen) • Veiligheid fysieke leefomgeving • Waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheer van het oppervlaktewater in het beheersgebied • Draagt zorg voor de afwatering • Beheer en onderhoud van oppervlaktewater ten behoeve van waterhuishoudkundige functies (waterafvoer etc.) • Beheer en onderhoud van oppervlaktewater binnen stedelijk gebied (sierwater, recreatiewater en dergelijke) • Baggeren • Afvoer en zuivering van afvalwater (RWZI) • Kustverdediging • Operationeel grondwaterbeheer • Advisering bij ruimtelijke plannen (wateradvies) • Vergunningverlening grondwateronttrekking diepe grondwater • Beheer Kanaal door Walcheren • Ontwatering en afwatering op eigen perceel • Onderhoud watergangen en taluds op eigen perceel
Voor het oppervlaktewater heeft de gemeente geen zorgplicht. De gemeente heeft echter wel (samen met de andere partijen in het waterbeheer) een resultaatsverplichting voor de maatregelen die gezamenlijk zijn afgesproken voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Deze maatregelen zijn opgenomen in stroomgebiedsbeheerplannen. De gemeente moet daaraan een bijdrage leveren wanneer lozingen vanuit de riolering hier een negatieve invloed op hebben. Ook dient het water te voldoen aan de functie die aan de waterloop of waterpartij is gegeven (bijvoorbeeld bergingsfunctie). Daarmee is er een direct verband met de uitvoering van het waterkwaliteitsspoor (zie paragraaf 8.4.2).
Hoofdstuk 8: beleid oppervlaktewater eindconcept rapport
-65-
R023.P160/R008/RHOU 5 januari 2021
Stedelijk Waterprogramma 2021 - 2030
Het waterschap is beheerder van het oppervlaktewatersysteem, beheert de peilen in de watergangen en draagt zorg voor een goede afwatering. Zij heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021.
8.3
Beheer en onderhoud Beheer en onderhoud van waterlopen is van wezenlijk belang voor het in stand houden van een goed functionerend watersysteem. In het kader van het project BOB (Beheer en Onderhoud Bebouwd gebied) hebben de gemeente Middelburg en waterschap Scheldestromen gezamenlijk een overeenkomst getekend, waarin duidelijke afspraken zijn gemaakt wie er verantwoordelijk is, wie er wat onderhoudt en hoe de kostenverdeling geregeld is. Deze afspraken worden jaarlijks inhoudelijk besproken en geëvalueerd. De BOB-overeenkomst is in 2016 geactualiseerd aan de hand van de ervaringen in de voorgaande jaren. Het oppervlaktewatersysteem is vastgelegd op onderhoudskaarten. Hierop zijn de reguliere onderhoudswerkzaamheden als maaien en baggeren weergegeven. Vanuit de BOBafspraken is het waterschap verantwoordelijk voor het maaien van het natte profiel en het baggeren van de waterlopen ten behoeve van de waterhuishoudkundige functies. Verder voert zij in dat kader onderhoud uit aan de taluds. De gemeente Middelburg is verantwoordelijk voor het onderhoud aan de taluds ten behoeve van gebruiksfuncties, voor het onderhoud aan kademuren die in eigendom zijn bij de gemeente en voor duurzame beschoeiing waar Keurontheffing/vergunning voor verkregen is.
Baggerwerkzaamheden nabij gemengde riooloverstorten blijven de verantwoordelijkheid van de gemeente en worden vaak gecombineerd met de baggerwerkzaamheden van het waterschap. Gezamenlijk zijn waterschap en gemeente verantwoordelijk voor het opruimen van dode en zieke vogels en vissen en voor het opruimen van drijfvuil en gezonken voorwerpen. In het kader van het project BOB wordt door het waterschap en de gemeente ook het achterstallig onderhoud (baggeren en deels beschoeiing) weggewerkt. Dit gebeurt op basis van een 50/50 afspraak. Dit is in de afgelopen planperiode al nagenoeg volledig weggewerkt.
8.4
Maatregelen
8.4.1
Kaderrichtlijn water Naar aanleiding van de Europese Kaderrichtlijn water (KRW) worden er geen ingrijpende maatregelen verwacht, anders dan de reeds uitgevoerde maatregelen uit het Waterplan Middelburg. Binnen de grenzen van de gemeente Middelburg bevinden zich enkele KRWwaterlichamen, waaronder het Kanaal door Walcheren. De meeste waterlichamen bevinden zich echter buiten de bebouwde kom. Langs de waterlichamen zijn door het waterschap natuurvriendelijke oevers aangelegd. De hoeveelheid/lengte natuurvriendelijke oevers zal in de komende planperiode verder worden uitgebreid (circa 9,6 km) naar aanleiding van de uitkomsten van de PWO
Hoofdstuk 8: beleid oppervlaktewater eindconcept rapport
-66-
R023.P160/R008/RHOU 5 januari 2021
Stedelijk Waterprogramma 2021 - 2030
Walcheren door en op kosten van waterschap Scheldestromen. Dit gebeurt voor een deel in het buitengebied van de gemeente Middelburg (afvoergebieden Kleverskerke en Zuidwatering).
8.4.2
Waterkwaliteitsspoor In het kader van het emissiespoor (of de basisinspanning) zijn de afgelopen decennia de emissies uit de afvalwaterketen flink beperkt. Lokaal kunnen er echter nog steeds nadelige effecten op de waterkwaliteit optreden. Het waterkwaliteitsspoor heeft als doel die nadelige effecten tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Dit spoor is een gezamenlijke inspanning van waterschap en gemeente. Omdat de waterkwaliteitseffecten lokaal sterk kunnen verschillen, en de veelal brakke watersystemen in Zeeland afwijken van de rest van Nederland, is de afgelopen jaren aan de hand van metingen onderzocht wat voor de Zeeuwse situatie de bepalende invloeden voor de waterkwaliteit (en ecologie) zijn. Er is onderzoek gedaan in stedelijke watersystemen op Tholen, in Vogelwaarde en in Goes. Daaruit blijkt dat het (vaak wisselende) chloridegehalte en de hoge nutriëntengehalten de meest bepalende factoren zijn voor de aanwezigheid van macrofauna en kiezelwieren. In deze brakke watersystemen hadden de overstorten vanuit het afvalwatersysteem op dat moment geen significante invloed op de (ecologische) waterkwaliteit. Wel zijn in het Waterplan Middelburg (2004) kansen en maatregelen beschreven die in het algemeen bijdragen aan de verbetering van de waterkwaliteit. De vastgestelde maatregelen uit het Waterplan Middelburg zijn uitgevoerd.
Op basis van de ervaringen van de afgelopen jaren wordt een aanpak voorgesteld, waarbij gemeente en waterschap samen bepalen of de waterkwaliteit voldoet aan de eisen en wensen. Ook zullen ze een ambitie voor stedelijke wateren moeten vastleggen. Daarin moeten vragen beantwoord worden als: • Is ecologie belangrijk of juist de beleving van een watergang? • Wordt daarbij een verschil gemaakt tussen brakke en zoete wateren? • Wat is verplicht? • Wat is de potentie van het stedelijk water naar de toekomst toe? • Welke eisen stelt klimaatadaptatie? Deze aanpak krijgt een plaats in het programma SWO binnen de SAZ+ (zie paragraaf 8.4.3).
8.4.3
Stedelijke wateropgave (SWO) De uitwerking van de Stedelijke Wateropgave vloeit voort uit de verantwoordelijkheid die de gemeente samen met het waterschap heeft om de effecten van klimaatverandering in bebouwd gebied het hoofd te bieden. Binnen de SAZ+ is daarom een uitvoeringsprogramma planvorming Stedelijke Wateropgave opgesteld binnen programmalijn 1 van de SAZ+. Het doel van het uitvoeringsprogramma is om de planvorming aan te laten sluiten op de urgentie van de problematiek in de verschillende Zeeuwse kernen en de beschikbaarheid van personele capaciteit. Uiteindelijk moet het resulteren in:
Hoofdstuk 8: beleid oppervlaktewater eindconcept rapport
-67-
R023.P160/R008/RHOU 5 januari 2021
Stedelijk Waterprogramma 2021 - 2030
• •
een gewenste ontwikkelingsrichting (per woonkern of wijk) voor het klimaatbestendig inrichten van de waterhuishouding; een programma van maatregelen dat tussen de gemeente en het waterschap is afgestemd.
Om tot een prioritering te komen binnen Zeeland is eerst een quickscan uitgevoerd van 175 kernen en wijken, waarvan er 14 binnen de gemeente Middelburg gelegen zijn. De daarbij aangetroffen knelpunten zijn evenredig over de gemeente verdeeld. De nieuwbouwwijken zijn al klimaatbestendig ingericht en kennen geen knelpunten. De locaties waar wel een verhoogde kwetsbaarheid naar voren is gekomen, zijn verdeeld in drie categorieën. Later is hier nog een vierde categorie aan toegevoegd. 1. Code rood: bekend en urgent probleem; actie op korte termijn. 2. Code geel: onbekend potentieel probleem; actie vaak op langere termijn (werk met werk maken). 3. Code Groen: locatie waarbij maatregelen reeds uitgevoerd zijn. 4. Code Blauw: later toegevoegde locaties met meldingen/verzoeken van bewoners Figuur 8.2: resultaten quickscan gemeente Middelburg (2016)
Om de planvorming handen en voeten te geven, kan gebruik worden gemaakt van de werkwijze ‘toekomstbestendige waterhuishouding in bebouwd gebied’ (SAZ+, 2015). Deze werkwijze, ook wel ‘redeneertrant’ genoemd, is ontwikkeld voor het zoeken naar integrale oplossingen voor watervraagstukken in bebouwd gebied onder gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeente en waterschap. De integrale benadering verbindt de aanwezige kennis van rioleringszorg, stedelijk oppervlakte- en grondwaterbeheer en ruimtelijke inrichting en benut ze in samenhang. De redeneertrant kan in een meer of minder gedetailleerde vorm worden uitgevoerd, al naar gelang de wensen van de gebruiker.
Hoofdstuk 8: beleid oppervlaktewater eindconcept rapport
-68-
R023.P160/R008/RHOU 5 januari 2021
Stedelijk Waterprogramma 2021 - 2030
De belangrijkste kenmerken van de redeneertrant zijn: • Integrale samenwerking (via multidisciplinaire aanpak): denken vanuit de totale waterhuishouding in samenhang met de bovengrondse ruimte en mogelijkheden van de ondergrond. • Beredeneren in plaats van berekenen, waarbij de kennis en ervaring van de betrokken vakmensen centraal staat. • Data opwaarderen tot inzicht in het functioneren van de systemen. Dit vraagt om een inspanning ten aanzien van het analyseren en interpreteren van beschikbare gegevens. • Feitelijke waarnemingen als basis voor inzicht in het functioneren van de watervoerende systemen en de onderlinge samenhang daarvan. • Adaptatie, ofwel optimaal gebruik maken van de kansen die de ruimte en de lokale situatie biedt. • Dienstverleningsniveau in plaats van norm: lokaal maatwerk dat niet persé in generieke maatstaven is te beschrijven. Uitgaan van de mogelijkheden van een gebied. Het proces van ruimtelijke adaptatie loopt parallel aan deze planvorming. Daarnaast is deze stedelijke wateropgave afhankelijk van de resultaten uit het PWO (Planvorming WaterOpgave van het waterschap). De planvorming SWO dient in samenhang met deze plantrajecten plaats te vinden. In Middelburg is er voor gekozen om de planvorming SWO door een gespecialiseerd adviesbureau te laten uitvoeren.
Hierbij is een top-25 van knelpunten bepaald (2020) die de komende jaren met voorrang zullen worden aangepakt en opgelost. Het betreft hier knelpunten met wateroverlast. De planning is dat de aanpassingen voor deze knelpunten uiterlijk in 2035 allemaal zijn uitgevoerd. De overige, minder urgente locaties, zijn uiterlijk in 2050 aangepakt. Waar mogelijk wordt uiteraard zoveel mogelijk werk met werk gemaakt en zal de combinatie met andere projecten (herbestrating, herinrichting, vergroening) worden gezocht. De top-25 is opgenomen in de onderstaande tabel en zijn tevens te raadplegen via de openbare website https://middelburg.klimaatatlas.net/. Tabel 8.2: top-25 knelpuntlocaties planvorming SWO (2020)
Nummer 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13.
Locatie Blindenhoek Buitenruststraat Domburgs Schuitvlot Gravenstraat Herenstraat Karel Doormanplein Karelsgang Keetweg Klein Vlaanderen (particulier) Kromme Weele e.o. Lambrechtstraat Mezenhof Nachtegaalstraat
Hoofdstuk 8: beleid oppervlaktewater eindconcept rapport
Nummer 14. 15. 16. 17. 18. 19. 20. 21. 22. 23. 24. 25.
-69-
Locatie Penninghoek Rijnstraat e.o. Segeerssingel Segeerstraat Sint Antheunisstraat Sint Jansbuurt Spanjaardstraat Spanjaardstraat (particulier) Spoorstraat (particulier) Vlissingse Molenstraat Walstraat Zuidwal
R023.P160/R008/RHOU 5 januari 2021
Stedelijk Waterprogramma 2021 - 2030
8.4.4
Planvorming Wateropgave (PWO) Naast het programma SWO kent het waterschap het programma Planvorming Wateropgave (PWO). Daarmee brengt het waterschap het watersysteem dat vooral buiten bebouwd gebied ligt op orde. In dit programma toetst het waterschap per afvoergebied aan de hand van metingen en hydrologische modelberekeningen welke waterpeilen er nu en in de toekomst optreden. Daarbij wordt gekeken naar zowel normale (dagelijkse) omstandigheden (met normen vanuit GGOR en KRW) als naar extreme omstandigheden (met normen vanuit WB21). De normen dienen dus de waterkwantiteit, maar ook de waterkwaliteit. Aanvullend onderzoekt het waterschap welke maatregelen kunnen worden genomen om aan de normen te kunnen voldoen. Op basis daarvan wordt met de belanghebbenden in het gebied de gewenste waterpeilen bepaald en vastgelegd in een peilbesluit. In 2021 moeten voor alle afvoergebieden in Zeeland peilbesluiten genomen zijn. De uitvoering van de maatregelen moet in 2027 gereed zijn. De maatregelen vanuit SWO en PWO worden zoveel mogelijk op elkaar afgestemd. Vanuit de PWO Walcheren is een Hydrologisch Onderzoeksrapport opgesteld (december 2017) waarin maatregelen opgenomen zijn. Een deel van deze maatregelen is gepland binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Middelburg. De belangrijkste maatregelen en/of aandachtspunten zijn hieronder opgenomen.
• Aanpassingen ten behoeve van 2 verdronken riooloverstorten (nooduitlaten waar tijdens hevige neerslag water vanuit de sloot in het rioolstelsel stroomt, in plaats van eruit) in de wijk Dauwendaele (in overleg met waterschap Scheldestromen). • Aanleg van natuurlijkvriendelijke oevers langs KRW waterlichamen (zie ook paragraaf 8.4.1). Een KRW waterlichaam is ‘een oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een waterbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een deel van een stroom, rivier of kanaal, een overgangswater of een strook kustwater’. Het gaat in de regel dus om grotere oppervlaktewateren. • Vergroten van een knellende duiker in de wijk Klarenbeek. • Diverse aanpassingen aan duikers, stuwen en waterlopen in de wijken Dauwendaele en Mortiere ter verbetering van de afvoercapaciteit en optimalisatie van het streefpeil. • Vergroten van een duiker aan de Reijersweg. • Aanpassingen aan stuwen en waterlopen in het buitengebied van Arnemuiden (afvoergebied Kleverskerke). Waterschap Scheldestromen is voor de genoemde maatregelen projectverantwoordelijke. Hierin zal samenwerking en afstemming worden gezocht met de gemeente Middelburg.
Hoofdstuk 8: beleid oppervlaktewater eindconcept rapport
-70-
R023.P160/R008/RHOU 5 januari 2021
Stedelijk Waterprogramma 2021 - 2030
9
Middelen en kostendekking In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de noodzakelijke financiële en personele middelen voor de gemeentelijke watertaken. Voorts wordt aangegeven op welke wijze de kosten voor de gemeentelijke watertaken in de komende planperiode gedekt gaan worden. Welke personele en financiële middelen zijn er nodig om alles uit te kunnen voeren? Voor een adequaat beheer en onderhoud van de riolering is 5,9 fte nodig en een jaarlijks budget van € 5,7 miljoen voor alle uit te voeren werkzaamheden. Hiervoor wordt een kostendekkende rioolheffing geïnd van circa € 230 per woning in 2025.
9.1
Personele middelen Voor de uitvoering van de gemeentelijke watertaken zijn personele middelen nodig. De omvang van de personele middelen is afhankelijk van verschillende factoren, zoals het inwoneraantal, het aantal aanwezige rioolobjecten, het ambitieniveau van de gemeente en de beschikbaarheid en toegankelijkheid van actuele gegevens. Een belangrijke keuze daarnaast is de verhouding tussen het uitbesteden van werkzaamheden en het zelf uitvoeren daarvan. De gemeente kiest Middelburg ervoor om een aantal werkzaamheden uit te besteden. Daarbij voert de gemeente regie, maar heeft zij wel personele middelen nodig voor deze regievoering. Daarvoor is het belangrijk dat de betreffende medewerkers voldoende toegerust zijn qua middelen en qua kennisniveau om de uitbesteedde activiteiten aan te kunnen sturen. De omvang van de noodzakelijke personele middelen is gebaseerd op de handreikingen uit de Kennisbank Riolering en de ervaringen van de afgelopen planperiode. De Kennisbank Riolering maakt onderscheid in vijf onderdelen van de gemeentelijke watertaken die moeten worden uitgevoerd. Dit zijn: 1. Planvorming 4. Maatregelen 2. Onderzoek 5. Facilitair 3. Onderhoud Voor de deeltaken planvorming (1), onderzoek (2) en facilitair (5) zijn er kengetallen beschikbaar op basis van de omvang van het inwoneraantal.
De onderhoudsinspanningen (3) kunnen worden bepaald op basis van de lengte riolering en het aantal voorzieningen. De personele inzet voor de maatregelen (4) is afhankelijk van het niveau van de investeringen. De uitwerking van de noodzakelijke formatie op basis van de Kennisbank Riolering is opgenomen in bijlage 8. De ervaringen van de afgelopen planperiode hebben geleerd, dat de huidige personele bezetting minimaal noodzakelijk, maar eigenlijk aan de geringe kant is om alle rioleringsactiviteiten naar behoren te kunnen uitvoeren. Voor de komende planperiode is er 5,90 fte noodzakelijk voor alle gemeentelijke watertaken. De onderbouwing van deze personele behoefte is opgenomen in de navolgende tabel. Hierbij is uitgegaan van 169 productieve dagen per jaar voor 1 fte.
Hoofdstuk 9: middelen en kostendekking eindconcept rapport
-71-
R023.P160/R008/RHOU 5 januari 2021
Stedelijk Waterprogramma 2021 - 2030
Tabel 9.1: totaal benodigde personele middelen Deeltaak Personele inzet [dagen] [fte] 1. planvorming 183 1,08 2. onderzoek 95 0,56 3. onderhoud 322 1,91 4. maatregelen 320 1,89 5. facilitair 78 0,46 Totaal 998 5,90
De totaal benodigde personele inzet blijkt groter te zijn dan de huidige beschikbare personele capaciteit van circa 5 fte. In de afgelopen planperiode is door inhuur van personeel extra menskracht beschikbaar geweest voor de uitvoering van de gemeentelijke watertaken. Een aantal werkzaamheden is echter blijven liggen. In de komende planperiode zal opnieuw een aantal werkzaamheden worden ingevuld door middel van uitbesteding. Vooral op het gebied van planvorming, werkvoorbereiding en toezicht zijn de beschikbare middelen beperkt en is inhuur van menskracht nodig. Het is van belang om in dit oogpunt ook een landelijk zichtbare trend te signaleren die laat zien dat personele kwetsbaarheid een steeds belangrijker aandachtspunt wordt binnen de gemeentelijke watertaken. Door klimatologische en maatschappelijke ontwikkelingen, technische innovaties en benodigde kostenbesparingen neemt de complexiteit van het werk toe, evenals de druk op de personele middelen van de gemeentelijke organisaties. Het is van belang een helder beeld te ontwikkelen van de invulling van de gemeentelijke watertaken en de kwetsbaarheden op dat gebied om deze zo goed als mogelijk te kunnen ondervangen.
9.2
Kosten Voor het uitvoeren van de gemeentelijke watertaken worden er kosten gemaakt. Kosten voor het beheer en onderhoud van de voorzieningen, kosten voor aanleg en vervanging van rioleringsobjecten, maar ook kosten voor onderzoek en beleidsvorming. De totale kosten zijn onderverdeeld in zes categorieën. Deze categorieën zijn weergegeven in de naastgelegen tabel, voorzien van een toelichting en de gemiddelde jaarlijkse kosten per categorie. Een gedetailleerd overzicht van de kosten is weergegeven in bijlage 9. De grootste kostenpost betreft de renovatielasten. Dit betreft alle kosten die worden gemaakt voor het uitvoeren van vervangings- en renovatiewerkzaamheden aan de riolering. De kosten kunnen fluctueren per jaar, al naar gelang de noodzaak tot vervanging van onderdelen van het stelsel op basis van inspectieresultaten (zie paragraaf 6.5). Dit geldt ook voor de verbeteringslasten. De kosten die gemaakt worden om het systeem in bedrijf te houden en het functioneren te waarborgen vallen onder de exploitatielasten. Deze kosten fluctueren weinig gedurende de jaren.