21-029 Bijlage 3. Ingekomen stukken RM
Tekst van het document
3 Stoffen die nog tientallen jaren terug te vinden zijn in het aquatische milieu in concentraties die een significant risico vormen, zelfs als er reeds uitvoerige maatregelen zijn getroffen om de emissies van dergelijke stoffen te beperken of te beëindigen. Sommige van deze stoffen kunnen zich ook over grote afstanden verplaatsen en zijn nagenoeg alomtegenwoordig in het milieu.
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
13 van 40
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Alomtegenwoordige (ubiquitaire) PBT stoffen PBT stoffen en andere stoffen die zich gedragen als PBT stof kunnen nog tientallen jaren terug te vinden zijn in het aquatische milieu in concentraties die een significant risico vormen, zelfs als reeds uitvoerige maatregelen zijn getroffen om de emissies van dergelijke stoffen te beperken of te beëindigen. Sommige van deze stoffen kunnen zich ook over grote afstanden verplaatsen en zijn nagenoeg alomtegenwoordig in het milieu. Voor de in de Richtlijn prioritaire stoffen (EC, 2013) benoemde stoffen die zich gedragen als alomtegenwoordige PBT-stoffen geldt dat deze niet hoeven te worden meegenomen op de verplicht aan de EU te rapporteren kaart met weergave van de chemische toestand, zodat verbeteringen van de waterkwaliteit ten aanzien van de andere prioritaire stoffen niet onopgemerkt blijven. In de Richtlijn prioritaire stoffen is vermeld dat bij de monitoring het aantal meetlocaties en/of de meetfrequentie kan worden beperkt tot het laagste niveau waarmee nog een betrouwbare trendanalyse voor de lange termijn mogelijk is (eigenlijk: “mits voor de monitoring een statistisch robuust referentiekader voorhanden is”. Dit vraagt nog wel nadere uitwerking.
De lidstaten hebben wel de verplichting om voor stoffen die zich als alomtegenwoordige PBT stoffen gedragen maatregelen te treffen, in aanvulling op reeds getroffen maatregelen, om lozingen, emissies en verliezen van de stoffen te beperken of te beëindigen. In de Richtlijn Prioritaire stoffen zijn acht stoffen als alomtegenwoordige PBT stof aangemerkt: gebromeerde difenylethers, kwik, verschillende Pak’s (benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, benzo(ghi)peryleen en indeno(123cd)pyreen), TBT, PFOS, dioxines, HBCDD en heptachloor & -epoxide. In het algemeen is het nemen van extra maatregelen voor deze categorie stoffen nauwelijks effectief en een bronnenanalyse heeft daarmee een lage prioriteit. Tegelijkertijd is de aanwezigheid van lokale bronnen niet op voorhand uitgesloten. In dat geval is een bronanalyse wel degelijk opportuun en vereist.
Mogelijke antwoorden. Het uitvoeren van een bronnenanalyse wordt nog niet geadviseerd. Resterende onzekerheden zijn zo groot dat andere aspecten meer aandacht behoeven. Het uitvoeren van een bronnenanalyse is nuttig, maar zou bij voorkeur mee moeten lopen als er ook voor andere stoffen een bronnenanalyse wordt uitgevoerd. Het uitvoeren van een bronnenanalyse is zodanig belangrijk dat het opstarten van dit traject sowieso nuttig en noodzakelijk is. Onderbouwing. Het uiteindelijke resultaat is een kwalitatief antwoord over de nut en noodzaak van het uitvoeren van een bronnenanalyse. Dit oordeel wordt gebaseerd op een aantal, meer kwantitatief cq. objectief te onderbouwen aspecten. Dit betreft vooral zaken die inzicht geven in de ernst van de aangetroffen normoverschrijding (aantal, mate) en eventuele trends.
14 van 40
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
In hoeveel procent van de locaties treedt een normoverschrijding van de JGMKE op (excl. locaties die als "niet toetsbaar" zijn beoordeeld)? Hoe hoog is de maximale overschrijdingsfactor? In hoeveel procent van de locaties treedt een normoverschrijding van de MACMKE op (excl. locaties die als "niet toetsbaar" zijn beoordeeld)? Hoe hoog is de maximale overschrijdingsfactor? Is er over de afgelopen 5 jaar sprake van een dalende trend? Is het een alomtegenwoordige stoffen waarbij de aanwezige meetgegevens duiden op lokale emissies?
2.3
<10
<2
>25
2-5
>5
<10
>25
2
5
Ja
Nee
Nee
Ja
Selectie van stoffen voor de bronnenanalyse Het advies dat in de diagnose wordt gegeven is gebaseerd op inhoudelijke argumenten. Voor het daadwerkelijk uitvoeren van de bronnenanalyse zijn meerdere aspecten van belang. Bijlage A toont per stof het advies uit de diagnose stap en de beslissing of een bronnenanalyse wordt uitgevoerd. Uitgangspunt is dat een advies ‘nee/lichte kleur’ niet leidt tot het uitvoeren van een bronnenanalyse en een advies ‘ja/donkere kleur’ wel. Voor de stoffen die een advies ‘mogelijk/middel gekleurd’ hebben, wordt de beslissing toegelicht (zie laatste kolom in bijlage AError! Reference source not found.). Daarnaast is er een aantal uitzonderingen: - Voor gewasbeschermingsmiddelen wordt geen bronnenanalyse uitgevoerd, ook niet als ze een toepassing als biocide hebben of als ze verboden zijn en geen rol meer spelen in het gewasbeschermingsmiddelenbeleid (zie tekstkader op de volgende pagina). - Indien de stof slechts bij één beheerder overschrijdt, wordt geen landelijke bronnenanalyse uitgevoerd.
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
15 van 40
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Activiteiten ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen In het kader van de tweede nota duurzame gewasbescherming “Gezonde Groei, Duurzame Oogst”, die loopt van 2013-2023, vinden vele activiteiten plaats gericht op duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Een van de activiteiten is het Landelijk Meetnet Gewasbeschermingsmiddelen (LM-GBM), dat wordt uitgevoerd door de waterschappen en door Deltares wordt geëvalueerd in opdracht van het ministerie van I&W. Het LM-GBM kent een aantal werkgroepen: Per teelt (akkerbouw, bloembollen, boomkwekerijen, fruit, glastuinbouw, mais-/grasland en wintertarwe) is in 2015 een werkgroep opgericht bestaande uit een afvaardiging van waterschappen met de betreffende teelt in hun beheersgebied. Er is een aparte werkgroep gevormd waarin afgevaardigden van de waterschapslaboratoria, RIVM, WVL en enkele waterschappen zijn aangesloten. Dit is de werkgroep AAN (Analyses, Analysepakketten en Normen). Deze werkgroep houdt zich bezig met betere afstemming en optimalisatie van de analysemethode voor de stoffen uit het LM-GBM en mogelijke knelpunten bij de analyse. Tevens bekijkt deze werkgroep ook hoe de rapportagegrens zich tot de norm verhoudt en wat er gedaan kan worden om de stoffen toch op normniveau te kunnen meten.
Daarnaast is er de beslisboomwater die een module heeft ontwikkeld voor de terugkoppeling van monitoring data van gewasbeschermingsmiddelen in oppervlaktewater naar de toelatingshouder(s) en toelatingsinstantie (De Werd en Kruijne, 2013). De module bestaat uit 3 stappen: 1. Identificatie en ordenen van problematische stoffen 2. Oorzakenanalyse en samenstelling van een Emissiereductieplan (ERP) 3. Terugkoppeling naar het Ctgb en betrokken ministeries. De stoffen die in basisdocumentatie als probleemstof zijn geïdentificeerd zijn als het goed is opgenomen in deze module. Omdat bovenstaande veel kennis vraagt van het gewasbeschermingsmiddelenbeleid is er voor basisdocumentatie een notitie opgesteld over de normoverschrijdende gewasbeschermingsmiddelen in de KRW. Daarin is hun toepassing, toelaatbaarheid en aanpak binnen het gewasbeschermingsmiddelenbeleid beschreven (RWS-WVL, in voorbereiding).
16 van 40
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
3 Stap 2 – Bronnenanalyse: wat is de oorzaak? 3.1
Inleiding In de diagnose is het probleem van iedere normoverschrijdende stof nader beoordeeld en is voor de volgende stoffen geadviseerd een bronnenanalyse uit te voeren (Tabel 3.1 en voor een uitgebreider overzicht bijlage A): Tabel 3.1
Geselecteerde stoffen voor een bronnenanalyse.
Stofgroep PAKs
Stoffen benzo(a)antraceen, benzo(a)pyreen, benzo(b)fluoranteen, benzo(ghi) peryleen, benzo(k)fluoranteen, chryseen, fluoranteen
Metalen
zilver, arseen, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, nikkel, seleen, thallium, uranium, vanadium, zink
Overig
irgarol, tributyltin, ammonium, PFOS, som dioxines (TEQ)
Stap 2 van de methodiek gaat in op een analyse van de bronnen, die de normoverschrijding van een stof veroorzaken. De meeste probleemstoffen zijn opgenomen in de EmissieRegistratie (http://www.emissieregistratie.nl). Dat geeft een goede basis voor het bepalen van de bronnen en hun omvang. Hoewel de Nederlandse EmissieRegistratie voorop loopt in de wereld, is er echter voor veel bronnen en stoffen nog steeds een behoorlijke onzekerheid. Verder zijn in de EmissieRegistratie niet voor alle stoffen alle bronnen opgenomen en ammonium, tributyltin, uranium, vanadium en PFOS missen, om verschillende redenen, in het geheel. Verder is het van belang om goed te definiëren wat een bron is. Een RWZI is conform de EmissieRegistratie een (secundaire) bron voor oppervlaktewaterbelasting, maar de ‘echte’ (primaire) bronnen zijn natuurlijk de producenten (kleine industrie), de consumenten en overige bronnen zoals afspoelend regenwater, die afwateren op het riool. Er is dus vaak een bron achter de bron. Dat is voor maatregelenselectie relevant. Ditzelfde geldt voor een bron als ‘atmosferische depositie’. Als de bijdragen van RWZI’s of atmosferische depositie groter dan 10% waren, is gekeken of de achterliggende bronnen in de EmissieRegistratie beschikbaar waren. Deze zijn naast de grafieken van de EmissieRegistratie vermeld.
De bronnenanalyse bestaat uit twee elementen: Kwantificering van de bronnen van verontreiniging, waarbij vragen van belang zijn als: Wat is de omvang van de bronnen? Wat is de locatie van de bronnen (bij puntbronnen) of de regionalisering van de bronnen (bij diffuse bronnen)? Via welke routes komen de emissies in het oppervlaktewater: riolering, RWZI’s, als directe lozingen op oppervlaktewater of via afstroming van verhard oppervlak, via de lucht (atmosferische depositie), via grondwater (kwel) of uit- en afspoeling van landbouw- of natuurgronden?
Kwantificering van de verspreiding van de stoffen in het oppervlaktewater. Hierbij spelen zaken zoals:
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
17 van 40
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Heb ik zicht op de hydrologie in mijn watersysteem? Is het bekend hoe de routing van de aan- en afvoer van water in het systeem loopt? Is er informatie over verblijftijden en waterkwaliteitsprocessen, zoals binding en afbraak?
In een systeemanalyse of met behulp van waterkwaliteitsmodellen kunnen beide elementen bij elkaar worden gebracht. Zo kan een samenhangend beeld worden verkregen van het verloop van de stoffen in het watersysteem, waarbij ook mogelijke afwenteling tussen onderdelen van het watersysteem in kaart worden gebracht. De mate waarin we de gemeten waterkwaliteit kunnen verklaren aan de hand van de omvang en routes van de emissies, de weg van de stoffen in het water en de processen die daarbij een rol spelen, geeft een goede indicatie of de kennis op dit gebied voldoende is. Stap 2 eindigt, net zoals stap 1, met een aantal mogelijke adviezen, die in een taartdiagram zijn te visualiseren en waarbij de kleur van de taartpunt de prioriteit aangeeft (zie onderstaande figuur). Ook in dit geval kunnen één of meerdere adviezen een hoge prioriteit krijgen. 4. regionaliseren 3. Uitspoeling bodems/ buitenlandse belasting 5. Maatregelen analyse
2. Andere bronnen 1. Beter kwantificeren
3.2
De vijf hoofdvragen 1. Is het wenselijk dat bekende bronnen beter gekwantificeerd worden? Achterliggend doel. Als er grote onzekerheid is over de omvang van de bekende bronnen, is het lastig om effectieve maatregelen te formuleren. Toelichting. Een mis-match tussen de gemodelleerde en gemeten waterkwaliteit geeft aan dat er kennishiaten zijn, die moeten worden opgelost om de juiste maatregelen te kunnen treffen.
18 van 40
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Mogelijke antwoorden. Er is niet veel winst te behalen in het verbeteren van de kwantificering van de emissiebronnen, omdat de bronnen al goed in beeld zijn. Het verbeteren van de kwantificering van de emissiebronnen is wenselijk, maar de mate waarin en snelheid waarmee kan worden afgewogen ten opzichte van andere adviezen. Het verbeteren van de kwantificering van de emissiebronnen is op korte termijn wenselijk. Onderbouwing. Bovenstaand kwalitatief antwoord wordt gebaseerd op een aantal meer kwantitatief cq. objectief te beoordelen aspecten, namelijk: Vraag 1 Is het wenselijk dat bekende bronnen beter gekwantificeerd worden?
1a
1b
1c 1d 1e 1f
Wat is de verhouding tussen gemeten en gemodelleerde waterkwaliteit o.b.v. KRWverkenner versie 2.2? Wat is de gemiddelde betrouwbaarheidsscore van de belangrijkste bronnen (die samen 75% van de belasting vormen)? Welk deel van de metingen is verricht in overig water? In hoeveel locaties in "overig water" is deze stof geanalyseerd? In welk deel van alle “meetpunten in overig water” is deze stof geanalyseerd? Is de concentratie in kleine wateren gemiddeld genomen hoger, gelijk of lager dan in rijkswater?
<facto r2
factor 2-10
>facto r 10
Niet bepaald
<50%
15100%
>100 %
onbeken d
>75%
niet bekend
<25% >500 >25% lager
2575% 100500 1025% gelijk
<100 <10%
niet bekend
hoger
niet bekend
Industriële lozingen in de emissieregistratie De industriële directe lozingen in de ER zijn afkomstig uit elektronische Milieujaarverslagen (eMJV). Daarin dienen bedrijven uit E-PRTR sectoren met een bepaalde capaciteit hun vrachten te rapporteren. Dit geldt alleen voor E-PRTR stoffen die gemeten zijn boven een bepaalde drempelwaarde. Ook dienen bedrijven met een MJV verplichting te rapporteren. De bedrijven die nu rapporteren zijn de grote bedrijven in Nederland. Nutriënten en zware metalen worden regelmatig gerapporteerd. PAK is een stof die slecht gerapporteerd wordt aan E-PRTR. Dat komt wellicht omdat de PAK’s vaak gemeten worden onder de (nog hoge) rapportagegrens.
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
19 van 40
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Berekeningen met KRW-verkenner o.b.v. Emissieregistratie Met het landelijk KRW-verkennermodel (versie 2.2; https://publicwiki.deltares.nl/display/KRWV/KRW-Verkenner) zijn de concentraties in oppervlaktewater voor alle stoffen in de bronnenanalysestap berekend. De belasting van de stoffen is gebaseerd op de landelijke emissieregistratie. Vervolgens zijn de stoffen zonder retentie doorgerekend. De verwachting is dat dit leidt tot een overschatting van de oppervlaktewaterconcentraties, omdat aannemelijk is dat een deel van de belasting in het systeem achterblijft, m.n. in sediment (retentie). Het berekenen zonder retentie moet gezien worden als eerste stap. De berekeningen zijn vervolgens vergeleken met metingen. Uit het landelijk waterkwaliteitsbestand zijn de meetpunten geselecteerd die aan een KRW-waterlichaam zijn gekoppeld. Data beneden de rapportagegrenzen zijn meegenomen als 0.5 x de rapportagegrens. Daarin schuilt een gevaar dat hoge rapportagegrenzen kunnen leiden tot hoge concentraties. Voor het berekenen van ‘gemeten/berekende waarden’ zijn de hoge concentraties die aantoonbaar beïnvloed zijn door de rapportagegrens niet meegenomen. Aangezien er nog gewerkt wordt aan verbetering van regionale schematisaties (Rijn-West, Rijn-Noord en Schelde) zal deze aanpak komend jaar nog aanzienlijk worden verbeterd.
Dan kunnen ook meteen andere verbeteringen worden doorgevoerd, zoals: - Nieuwe waterkwaliteitsdata (2012-2017), zodat het jaar 2011 (met relatief veel fouten) niet meer gebruikt hoeft te worden. - Aanpak rapportagegrenzen conform Volkert Bakkermethode. In deze methode hangt de waarde van de RG af van het percentage waarnemingen onder de RG. Een voorbeeld: er is een meetreeks met 10 waarnemingen. 80% van de waarnemingen ligt onder de RG (in dit rekenvoorbeeld is deze 25 μg/l). De twee resterende waarnemingen zijn 50 en 75 μg/l. De waarde van een waarneming onder de RG wordt dan als volgt bepaald: (100%-80%) * 25 μg/l = 5 μg/l. Het betreft 8 waarnemingen. Het gemiddelde van de gehele reeks is (8*5 + 50 + 75)/10 = 16,5 μg/l. - Voor metalen na filtratie (nf)-waarden gebruiken voor overige stoffen totaalconcentraties (n.v.t.) - Uitzoeken waar de uitschietende hoge berekende en lage gemeten waarden vandaan komen (retentie?) en omgekeerd (ontbreken bronnen, rg problemen) - Betere bepaling van buitenlandse belasting via grensoverschrijdende regionale rivieren en beken.
2. Verwachten we andere relevante bronnen? Achterliggend doel. Als niet alle relevante bronnen in beeld zijn, zullen maatregelen niet het verwachte effect hebben. Toelichting. Wanneer geplande maatregelen slechts een emissiereductie bij een deel van de bronnen kunnen bewerkstelligen, zal ook het uiteindelijke effect van de kwaliteitsverbetering naar rato beperkt zijn.
20 van 40
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Mogelijke antwoorden. Er is niet veel winst te behalen in het zoeken van andere emissiebronnen omdat de bronnen goed bekend zijn. Het zoeken naar andere emissiebronnen is wenselijk, maar de mate waarin en snelheid waarmee kan worden afgewogen ten opzichte van andere adviezen. Het zoeken naar andere emissiebronnen is op korte termijn wenselijk. Onderbouwing. Bovenstaand kwalitatief antwoord wordt gebaseerd op een aantal meer kwantitatief cq. objectief te beoordelen aspecten, namelijk: Vraag 2 Verwachten we andere relevante bronnen?
2a
2b
2c 2d
2e
Wat is de verhouding tussen gemeten en gemodelleerde waterkwaliteit obv KRWverkenner versie 2.2? Geven gemeten en gemodelleerde waterkwaliteit een heel verschillend ruimtelijk patroon, dat veroorzaakt kan worden door missende bronnen? Worden op internet (of o.b.v. andere informatie) bronnen genoemd die niet in de EmissieRegistratie zitten? Zo ja, welke lijken een betekenisvolle bijdrage te leveren? Wat is verhouding tussen de huidige gerapporteerde (totale belasting cf ER/watervolume) en de gemeten gemiddelde concentraties?
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
<factor 2
factor 2-10
>factor 10
Niet bepaald
Ja
een beetje
Nee
niet bepaald
Nee
mogelijk
Ja
geen search / onbekend
>20
2-20
<2
onbekend
21 van 40
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Uitspoeling uit de bodem De Emissieregistratie heeft voor 5 metalen uitspoeling uit de bodem als bron opgenomen (Bonten et al. 2010): Cd, Cu, Pb, Ni en Zn. Voor Cd, Ni en Zn is deze bron meer dan 40%, voor Cu ongeveer 15% en voor lood (weliswaar geen probleemstof) 5%. Deze bron wordt berekend op basis van het model dat ook voor nutriënten worden gebruikt (STONE). Op basis van totaalgehalten in de bodem, die het resultaat zijn van natuurlijke gehalten, historische belasting en actuele belasting, worden concentraties in poriewater berekend. De concentraties in poriewater verplaatsen zich naar het oppervlaktewater. STONE modelleert een bodemlaag van 13 meter vanaf het maaiveld. Er wordt aangenomen dat de bron in de bovengrond zit. De bijdrage van dieper grondwater aan de uitspoeling is dus gebaseerd op ‘lange termijn’ transport van de bovengrond naar de ondergrond. De verwachting is dat de emissie uit de bodem ook voor een aantal andere metalen zeer bepalend zal zijn. Uitbreiding van de aanpak met metalen zoals seleen en kobalt is wenselijk. Echter niet alleen uitbreiding, ook verbetering van de huidige aanpak is gewenst. Vooral stoffen die redox-gevoelig zijn of die (im)mobiliseren onder bepaalde omstandigheden (denk aan pyrietoxidatie), vragen een betere ondergrondkarakterisatie.
In het verleden is hier regionaal wel in geïnvesteerd, met name in de Maasregio in de projecten STROMON (Heerdink et al., 2006), en WAHYD (Klein et al, 2008). Deze kennis moet worden meegenomen in een verbeterede aanpak. Ook de bijdrage van de bovengrond kan worden verbeterd, vooral door een verbeterde schematisatie en het gebruik van nieuwe data. Pyrietoxidatie speelt ook in andere gebieden dan in stuwwallen, namelijk in mariene afzettingen en veen (Vink et al, 2010). In veengebieden heeft de verlaging van de grondwaterspiegel invloed gehad op de oxidatie van pyriet waardoor metalen zijn vrijgemaakt.
3. Wat is de bijdrage van uitspoeling uit bodems en buitenlandse belasting? Achterliggend doel. Dit zegt iets over de indirecte bronnen vanuit andere gebieden4 of andere compartimenten. Voor een deel kan dit natuurlijke achtergrondbelasting zijn; elke bodem en elke rivier bevat een natuurlijke concentratie metalen, maar in veel gevallen is ook via de bodem of buitenlandse belasting sprake van antropogene aanrijking. Toelichting.
4
Voor het binnenland is aangenomen dat de waterbeheerder zelf (of een collega-waterbeheerder in Nederland) de doelen haalt er dat er dus geen concentraties boven de norm uit bovenstroomse waterlichamen komt. Voor het buitenland is dat om verschillende redenen niet zeker. Zowel de lijst van genormeerde stoffen als de hoogte van normen kan verschillen.
22 van 40
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Mogelijke antwoorden. De bijdrage via bodem of buitenlandse belasting is geen belangrijke bron. De bijdrage via bodem of buitenlandse belasting is wel een bron van betekenis, maar niet allesbepalend. De bijdrage via bodem of buitenlandse belasting bepaalt in hoge mate de concentraties in het waterlichaam. Onderbouwing. Bovenstaand kwalitatief antwoord wordt gebaseerd op een aantal meer kwantitatief cq. objectief te beoordelen aspecten, namelijk: Vraag 3 Zijn de bijdragen van uitspoeling uit bodems en buitenlandse belasting belangrijk?
3a
3b
Is de binnenlandse belasting relatief groot in verhouding tot de buitenlandse belasting? Dit wordt genormaliseerd op debieten (hoeveel water komt uit NL t.o.v. wat binnenkomt via Maas en Rijn). Is de bijdrage van uitspoeling uit de bodem groot?
>2
0.52
<0.5
n.v.t./ onbekend
<10%
1025%
>25%
n.v.t./ onbekend
Bijdrage van buitenlandse belasting Nederland ligt aan het einde van 4 grote stroomgebieden (Eems, Rijn, Maas, Schelde), waarbij vooral de Rijn en de Maas interactie hebben met de regionale wateren, zowel qua inlaat als afwatering. Voor het beoordelen van buitenlandse belastingen is daarom niet alleen gekeken welke vracht aan verontreinigingen via de Maas en de Rijn Nederland binnenkomt, maar ook hoeveel water er wordt aangevoerd. Daarmee wordt een indruk gegeven hoe de ‘geloosde’ concentraties uit het buitenland zich verhouden tot de binnenlandse lozingen. Dezelfde overwegingen gelden ook als het niet om de binnenlandse voorbelasting gaat, maar door de stroomgebiedsaanpak gaan we er vanuit dat iedere beheerder binnen Nederland zijn deel uitvoert. Volgens het Landelijk KRW-Verkenner Model (LKM Versie 2.2) is het gemiddelde debiet van Maas en Rijn 2500 m3/s, terwijl de hoeveelheid water die Nederland ‘toevoegt’ 500 m3/s bedraagt. Dat resulteert in [debiet binnenland]/[debiet Maas+Rijn] = 0,20. Dezelfde ratio wordt berekend voor de emissie-vrachten. Bijvoorbeeld voor benzo(a)pyreen is de geregistreerde vracht in de emissieregistratie 105 kg. Via de Maas en de Rijn komt 662 kg binnen. Dat resulteert in [binnenlandse vracht]/ [vracht Rijn+Maas] = 0,16. Dit indiceert dat de bijdrage van Nederland relatief gezien iets lager ligt dan wat er via het buitenland wordt aangevoerd.
De [relatieve emissies]/[relatieve debieten] = dan 0,8.
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
23 van 40
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
4. Is er een sterke regionale spreiding te verwachten door lokale/regionale bronnen? Achterliggend doel. Als bronnen of gebiedseigenschappen sterk variëren per regio, kunnen ook de normoverschrijdingen sterk variëren per regio. Een regionale aanpak is dan wenselijk in de meest gevoelige gebieden. Toelichting. Voor stoffen met een diffuse belasting (bijv. PAK’s) is het regionaliseren van bronnen minder relevant. Voor puntbronnen (bijv. een specifieke industriële lozing of een RWZI) kan het op een meer gedetailleerde schaal in kaart brengen van de bronnen verhelderend zijn. Ook het regionaliseren van gebiedskenmerken, bijvoorbeeld t.a.v. DOC-concentraties, kan inzicht geven in de reden waarom er veel of weinig overschrijdingen worden gevonden voor metalen. In hoeverre dit punt van belang is hangt af van de schaal waarop de analyse wordt uitgevoerd. Als de focus al op een klein gebied is, heeft regionalisatie weinig zin; de ‘taartpunt’ heeft dan voor alle stoffen een lage prioriteit. Mogelijke antwoorden. Er is niet veel winst te behalen in het regionaliseren van emissies en de waterkwaliteit als gevolg van die emissies. Het regionaliseren van bronnen en effecten op de waterkwaliteit is wenselijk, maar de mate waarin en snelheid waarmee kan worden afgewogen ten opzichte van andere adviezen.
Het regionaliseren van bronnen en effecten op de waterkwaliteit is op korte termijn wenselijk.
Onderbouwing. Bovenstaand kwalitatief antwoord wordt gebaseerd op een aantal meer kwantitatief c.q. objectief te beoordelen aspecten, namelijk: Vraag 4 Is er een sterke regionale spreiding te verwachten door lokale/regionale bronnen?
4a
Hoeveel % van de totale belasting wordt via puntbronnen geloosd?
<10
10-50
>50
4b
Is de diffuse belasting landelijk ongeveer hetzelfde? Zijn de puntbronnen landelijk ongeveer hetzelfde? Wordt de normoverschrijding mede bepaald door DOC en/of hardheid Wordt de normoverschrijding mede bepaald door de ZS-concentratie Is uit- en afspoeling een belangrijke bron voor deze stof? Is RWZI-water een belangrijke bron voor deze stof? Toont de kaart van Nederland met belastingen in g/km2 grote variatie tussen afwateringsgebieden?
ja
enigszins
nee
ja Nee
enigszins
nee Ja
<10%
10-50
>50%
<10%
10-25%
>25%
<10%
10-25%
>25%
P10/P 90 < 20 nee
P10/P90 20-100
P10/P90 > 100
mogelijk
ja
4c 4d 4e 4f 4g 4h
4i
24 van 40
Zijn er regionale verschillen in de oppervlaktewaterkwaliteit
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
5. Is het uitvoeren van een maatregelenanalyse een nuttige vervolgstap? Achterliggend doel. Het uitvoeren van een maatregelenanalyse kost tijd en geld en is daarmee pas nuttig indien de (belangrijkste) bronnen, routes en verspreiding van de stof in het watersysteem voldoende in beeld zijn. Toelichting. De kwaliteit van de bronnenanalyse hangt van allerlei aspecten af, zoals het aantal bronnen en de betrouwbaarheid van die bronnen. Verder is de vertaling van bronnen op nationaal niveau naar regionale en lokale schaal cruciaal, voordat zinvolle maatregelen kunnen worden genomen. Mogelijke antwoorden. Het uitvoeren van een maatregelanalyse wordt nog niet geadviseerd. De huidige bronnen en routes zijn onvoldoende bekend. Eerst moet de bronnenanalyse kwalitatief verbeterd worden. Het uitvoeren van een maatregelenanalyse is nuttig, maar moet in samenhang met andere activiteiten worden uitgevoerd, bijvoorbeeld parallel met andere stoffen uitvoeren of in samenhang met het verbeteren van de kwantificering van belangrijke bronnen en routes. Het uitvoeren van een maatregelanalyse is zodanig belangrijk dat het opstarten van dit traject sowieso nuttig en noodzakelijk is Onderbouwing. Het uiteindelijke resultaat is een kwalitatief antwoord over de nut en noodzaak van het uitvoeren van een maatregelenanalyse. Dit oordeel wordt gebaseerd op een aantal, meer kwantitatief cq.
objectief te onderbouwen aspecten. Vraag 5 Is het uitvoeren van een maatregelenanalyse een nuttige vervolgstap?
5a 5b 5c
5d
3.3
Zijn de bronnen die 75% van de totale belasting vormen voldoende betrouwbaar? Zijn alle belangrijke bronnen meegenomen? Vormt de antropogene bijdrage een substantiële bijdrage van de belasting? Valt er nog waterkwaliteitsverbetering te verwachten als gevolg van reeds genomen maatregelen?
nee
mogelijk
ja
nee
mogelijk
ja
<10%
10-25%
>25%
Ja, norm wordt gehaald
mogelijk of ja, maar norm wordt niet gehaald
Nee
onbe kend
Selectie van stoffen voor de maatregelenanalyse Uiteindelijk zijn het vooral de bekende verontreinigingen die alle stappen van de systematiek doorlopen. Een maatregelenanalyse (prioriteit hoog) wordt geadviseerd voor PAK’s (BaA, BaP, BbF, BghiP, BkF, Chr en Flu), NH4, Cd, Cu, Hg, Ni en Zn. Verder zijn er nog enkele stoffen met een prioriteit middel: irgarol, tributyltin en dioxines. Deze stoffen zijn alle drie verboden, maar ze komen nog wel normoverschrijdend voor.
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
25 van 40
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
4 Stap 3 – Maatregelen: wat zijn de oplossingen? Voor alle stoffen die in stap 2 het advies ‘Maatregelenanalyse’ hebben gekregen is nader bekeken welke maatregelen zinvol zijn. Dit is gedaan vanuit een technisch kader. Allereerst wordt in dit hoofdstuk nader ingegaan op de noodzaak of verplichting om maatregelen te nemen 4.1
Noodzaak van maatregelen In dit project zijn alle stoffen opgenomen die de norm momenteel overschrijden. De KRW vraagt echter niet om alle doelen nu gehaald te hebben. Voor stoffen uit de richtlijn prioritaire stoffen 2008 met sindsdien ongewijzigde normen en voor specifieke verontreinigende stoffen geldt dat de doelen in 2027 gehaald moeten zijn. Voor stoffen uit richtlijn prioritaire stoffen 2013 met gewijzigde norm t.o.v. 2008 geldt dat de norm in 2033 gehaald moet zijn; voor nieuwe prioritaire stoffen uit de richtlijn prioritaire stoffen 2013 geldt dat de norm in 2039 gehaald moet zijn. Waterbeheerders moeten zelf een inschatting kunnen maken of de norm in een bepaald waterlichaam in 2027 (of 2039) wordt gehaald. Een van de manier om dit te onderbouwen is het gebruik van trendanalyses. Als een trendanalyse aannemelijk maakt, dat ook zonder aanvullende maatregelen de norm op termijn wordt gehaald, kan daarvan worden afgezien. Het aantonen van dalende trends blijkt in de praktijk echter niet altijd even eenvoudig (HKV & Ecofide, 2018; Witteveen+Bos, 2018). Dit heeft allerlei oorzaken zoals onvoldoende data (boven de rapportagegrens), daadwerkelijk geen trend, andere analysemethoden, etc. Tegelijkertijd zijn er ook voorbeelden waar een dalende trend wel zeer eenduidig aantoonbaar is.
Zo is het TBT-gehalte in het zwevende stof bij IJmuiden sinds 2000 met ongeveer 80% afgenomen (Postma et al., 2013) en ook in jachthavens langs de Nederlandse kust zijn dalende trends gerapporteerd (Stronkhorst & Honkoop, 1998). Tegelijkertijd laten de gegevens bij IJmuiden ook zien dat de daling in TBT-gehalten de laatste jaren lijkt te stagneren. Dit kan erop duiden dat het directe effect van het verbod op Tbt is uitgewerkt en dat de rol van secundaire bronnen, zoals de waterbodem, toeneemt. Dit zou ook bij andere thans verboden stoffen een rol kunnen spelen. Voor alle genoemde termijnen geldt een uitzondering als het halen van de norm tot disproportionele kosten leidt of natuurlijke omstandigheden het halen van de norm beletten. Van disproportionele kosten kan bijvoorbeeld sprake zijn als een grootschalige waterbodemverontreiniging ervoor zorgt dat de norm niet gehaald wordt. Er is dan wellicht tevens sprake van “natuurlijke omstandigheden”. Criteria voor dit laatste worden op dit moment in EU verband uitgewerkt. Naast de scheiding tussen prioritair, prioritair gevaarlijke en specifieke verontreinigende stoffen, is er vanuit het emissiebeheer beleid ontwikkeld voor zeer zorgwekkende stoffen (ZZS). Van de stoffen die in 2015 de norm hebben overschreden behoort een groot aantal tot de groep zeer zorgwekkende stoffen (ZZS).
Daarnaast zijn er nog een aantal KRW-stoffen, die weliswaar aan de norm voldoen, maar ook aangemerkt zijn als een ZZS. In Tabel 4.1 staat om welke KRW stoffen en norm overschrijdende stoffen het gaat.
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
27 van 40
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Tabel 4.1
KRW-stoffen die aangemerkt zijn als ZZS.
Categorie
Stofnaam
Prioritair gevaarlijke stoffen
alle
Prioritaire stoffen
PAK’s fluorantheen
Flu
nikkel
Ni
lood
Pb
diuron
Durn
benzo(a)antraceen
BaA
chryseen
Chr
fenantreen
Fen
zilver
Ag
arseen
As
kobalt
Co
linuron
linrn
carbendazim
carbdzm
trifenyltin (kation)
TFySn
Specifieke verontreinigende stoffen
Stofcode
Voor ZZS wordt een apart beleid gevoerd voor de vergunningverlening. Dit is vastgelegd in het Activiteitenbesluit Milieubeheer en het handboek Algemene BeoordelingsMethodiek (ABM). Bedrijven dienen te voorkomen dat ZZS in het milieu terecht komen. Door minder schadelijke stoffen te gebruiken en/of processen aan te passen waar dit haalbaar en betaalbaar is, kan de emissie beperkt worden. Als echter emissies van ZZS niet te voorkomen zijn, moeten deze zover mogelijk geminimaliseerd worden. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het behalen van de doelen voor deze stoffen, maar ook naar de beste beschikbare techniek (BBT) om de emissies zover mogelijk te reduceren (minimalisatieverplichting). Bovendien dienen bedrijven elke vijf jaar het bevoegd gezag te rapporteren of de resterende emissies van ZZS verder verminderd kunnen worden door de nieuwe stand der techniek. Het gebruik van nieuwe technieken, innovaties en substitutie zal door de overheid gestimuleerd worden. Deze termijn van vijf jaar is niet gekoppeld aan de termijn waarop vergunningen verleend worden. Alle prioritair gevaarlijke stoffen zijn aangewezen als ZZS. Voor deze stoffen is de urgentie om de emissie van de stof aan te pakken hoog. Volgens de Richtlijn prioritaire stoffen moet de emissie van alle prioritair gevaarlijke stoffen zover mogelijk gereduceerd worden.
De maatregelenanalyse in de basisdocumentatie bevat een aantal prioritaire gevaarlijke stoffen (en dus ook ZZS). Per stof zijn aanvullende maatregelen benoemd die tot verdere reductie van deze stoffen kunnen leiden. Voor deze stoffen zijn al vergaande reducties in het productieproces toegepast of is de toepassing van deze stoffen verboden. Van de resterende normoverschrijdende ZZS, waarvoor in de basisdocumentatie nog geen maatregelen benoemd zijn, is het belangrijk te letten op het voorkomen van deze stoffen in afgegeven vergunningen en/of vergunningaanvragen. In de tabel staat vermeld welke normoverschrijdende stoffen tot ZZS behoren.
28 van 40
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Vergaande reductie van ZZS brengt uiteraard kosten met zich mee. Deze kosten worden afgewogen ten opzichte van de waterbezwaarlijkheid van een stof. Hoe hoger deze waterbezwaarlijkheid des te hoger de in rede te verlangen kosten mogen zijn om de emissie te beperken. Ook zijn aanvullende maatregelen nodig wanneer een lozing niet voldoet aan de immissietoets. Om te bepalen of een bedrijf voldoende inspanning pleegt, is in opdracht van het ministerie van I&W een studie uitgevoerd naar “Kosteneffectiviteit van maatregelen ter beperking van wateremissies (invulling BBT en BBT+)”. Daarin is een relatie gelegd tussen de “redelijke” kosten van maatregelen en de waterbezwaarlijkheid (Min I&W, 2018). 4.2
Effectiviteit van maatregelen In de basisdocumenten van individuele stoffen is de status van de stof minder van belang, maar wordt voor elke stof gekeken welke maatregelen effectief zouden kunnen zijn. Het gaat dan niet om de beleidsmatige prioriteit, maar om de mate van reductie die gehaald kan worden met de maatregel. Grofweg is er een onderverdeling gemaakt in bronnen die minder dan 10% bijdragen aan de totale emissie zoals bekend in de EmissieRegistratie (lage prioriteit om een maatregel te nemen), bronnen die 10-20% bijdragen (gemiddelde prioriteit) en bronnen die meer dan 20% bijdragen (hoge prioriteit). De weergave in de taartdiagrammen (Figuur 4.1) wijkt voor de maatregelenanalyse iets af ten opzichte van de diagnose en de bronnenanalyse. Het taartdiagram kent 4 punten die de verschillende verantwoordelijke partijen voor het nemen van maatregelen aangeven: 1. Provincies/gemeenten, 2. De waterbeheerder, 3. Het rijk (of EU) en 4. ‘derden’, meestal sectoren, zoals landbouw, scheepvaart, energiesector, etc. Vervolgens is met een pijl aangegeven voor welke maatregelen de betreffende partij ‘aan de lat staat’. Meestal hebben de pijlen dezelfde kleur (prioriteit) als de taartpunt, maar soms kan een partij meerdere maatregelen nemen, die technisch gezien niet allemaal even effectief zijn. Op de volgende pagina is benzo(k)fluoranteen als voorbeeld gegeven.
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
29 van 40
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Maatregelenanalyse voor Benzo(k)fluoranteen Voor bronnen <5% van de totale belasting zijn geen maatregelen opgenomen. terugdringen houtstook voor huisverwarming
3. nationale overheid/EU
2. waterbeheerders
uitlaatgassen verkeer en vervoer (buitenland)
4. andere sectoren
binnenvaart extra inspanning RWZI
1. provincies & gemeenten
riool op orde
1 Provincies en gemeenten onderbouwing: Emissies via regenwaterriolen (incl. foutaansluitingen) vormen 510% van de totale PAK belasting. Een goed functionerend rioolstelsel is belangrijk.
Prioriteit laag
2 Regionale waterbeheerders onderbouwing: Het verhogen van het zuiveringsrendement kan nog een kleine winst geven.
laag
3 Nationale overheid / EU onderbouwing: Atmosferische depositie is de grootste bron, m.n. door huisverwarming en vanuit het buitenland is verkeer een vervoer voor een derde verantwoordelijk
hoog
4 Sectoren onderbouwing: Binnenvaart draagt ca. 15% bij aan directe emissies van PAKs.
gemiddeld
Figuur 4.1 Voorbeeld van een maatregelenanalyse waarin de taartdiagrammen de verschillende actoren weergeven.
Om voor elke hoofdcategorie tot een samenhangend advies te komen zijn verschillende deelvragen geformuleerd. In tegenstelling tot bij de diagnose en bronnenanalyse zijn de vragen uitsluitend kwalitatief te beantwoorden. De effectiviteit van een maatregel is uitsluitend beoordeeld op basis van de omvang van de bron (zie hierboven). Bij een verdere kwantificering van de effectiviteit spelen andere factoren een rol, zoals de technische haalbaarheid ten opzichte van kosten. Deze factoren zijn niet in het huidige project betrokken.
30 van 40
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Vraag 1 provincies en gemeenten Is het effectief als de provincie middels een provinciale milieuverordening eisen stelt aan de emissies van betreffende stof in drinkwaterwingebieden of Natura2000 gebieden? Is het effectief als gemeenten de riolering verbeteren (foutaansluitingen repareren, lekkages dichten, overstorten voorkomen, ..)? Is het zinvol als gemeenten hun burgers beter informeren over riolering (wat wel/niet door het riool spoelen, afkoppelen, ..)
nee
beperkt
Ja
nee
beperkt
Ja
nee
beperkt
Ja
De verantwoordelijkheden van gemeenten liggen vooral in het beheer van de riolering, zowel met betrekking tot de robuustheid van het stelsel i.v.m. overstorten als voor de onderhoudsstatus i.v.m. lekkages. De provincies hebben een specifieke verantwoordelijkheid voor drinkwater- en Natura2000-gebieden. Vraag 2 regionale waterbeheerders Is het effectief als de waterbeheerder RWZI's aanpakt? Heeft het zin om spuit-, teelt- of mestvrije zones in te stellen? Draagt het baggeren/afdekken van de waterbodem bij aan een betere waterkwaliteit? Is het zinvol om preventieve maatregelen te stimuleren (inzamelen, verwerken)
nee nee
beperkt beperkt
Ja Ja
nee
mogelijk
Ja
nee
beperkt
Ja
Regionale waterbeheerders zijn verantwoordelijk voor RWZI’s en voor maatregelen in het watersysteem, zoals de aanpak van verontreinigde waterbodems. Verder kunnen ze heel specifiek maatregelen voor schrijven aan boeren en werken ze soms (financieel) mee aan acties die preventie stimuleren, zoals regionale stimuleringsregelingen voor boeren of inzameling van medicijnen of frituurolie. Vraag 3 Nationale overheid / EU Is reductie van atmosferische depositie wenselijk? Vormt verkeer- en vervoer een significante bijdrage aan atmosf. dep. Is het aanscherpen van nationaal landbouwbeleid effectief? Is het aanscherpen van het vergunningenbeleid effectief? Is internationaal overleg over buitenlandse belasting zinvol? Is het aanpassen van toelating gewasbeschermingsmiddelen zinvol? Kunnen particulieren bijdragen aan emissiereductie?
nee
beperkt
Ja
nee
beperkt
Ja
nee nee nee
beperkt beperkt beperkt
Ja Ja Ja
nee
beperkt
Ja
nee
beperkt
Ja
De Nationale en Europese overheid is verantwoordelijk voor beleid en wet- en regelgeving op verschillende gebieden, zoals luchtemissies, mestbeleid, waterwetgeving, gewasbescherming.
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
31 van 40
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Vraag 4 Andere sectoren (derden) Is het zinvol als de recreatie(vaart)sector maatregelen neemt? Is het zinvol als de binnenvaartsector emissies reduceert?
nee nee
beperkt beperkt
Ja Ja
Is het zinvol als de zeevaart-/visserijsector emissies reduceert?
nee
beperkt
Ja
Is het effectief als de industrie emissiereductie realiseert Is het effectief als additieven in veevoer worden gereduceerd? Is het effectief als de landbouw het gebruik/toepassen van deze stof reduceert? Kan de producent bijdragen aan de reductie van emissies (vervanging, ander productieproces, zuivering, …)
nee nee
beperkt beperkt
Ja Ja
nee
beperkt
Ja
nee
beperkt
Ja
In veel gevallen ligt de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor maatregelen bij een bepaalde sector. De landbouwsector speelt voor meerdere stoffen een belangrijke rol, maar ook de scheepvaart, particulieren, industrie en verkeer/vervoer dragen voor sommige stoffen bij aan de emissies.
32 van 40
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
5 Referenties Bonten et al., 2010. Alterra rapport 2024. Ecofide, 2016. Biota-monitoring binnen de KRW. De opzet van een landelijk meetnet. Projectnr. 82. Ecofide 2017. Verbetering monitoring en toetsing KRW-chemie. Uitgevoerd in opdracht van Rijkswaterstaat. Projectnr. 93. Heerdink, R., B. van der Grift, H.P. Broers, A. Marsman en F. Roelofsen 2006. Deelrapport II van het Aquaterra/Stromonproject – pilot modelstudie in Zuidoost Brabant. TNO conceptrapport december 2006. HKV en Ecofide, 2018. Data en trendanalyse RWS. Klein, J., Van der Grift, B., Broers, H.P., 2008. WAHYD - Waterkwaliteit op basis van Afkomst en HYDRologische systeemanalyse. TNO-rapport 2008-U-R81110/A Europese Commissie, 2011. Technical Guidance For Deriving Environmental Quality Standards. Guidance Document No: 27. https://circabc.europa.eu/sd/a/0cc3581b5f65-4b6f-91c6-433a1e947838/TGD-EQS%20CIS-WFD%2027%20EC%202011.pdf Europese Commissie, 2013. Richtlijn prioritaire stoffen Postma, J.F., M.J.C. Rozemeijer & J.H.M. Schobben (2013). De invloed van de waterbodem op de waterkwaliteitsdoelen van het Noordzeekanaal met specifieke aandacht voor de dioxineproblematiek. IMARES rapport C092/13. RWS-WVL, in voorbereiding. Gewasbeschermingsmiddelen in de KRW: monitoring en maatregelen. Stronkhorst, J. & J. Honkoop (1998). TBT in jachthavens langs de Nederlandse kust; 19901996. RIKZ rapport 98.114.
Vink, J., Van der Grift, B., Schmidt, C., 2010. Arseen in het lokale grondwater van Nederland en indelingen voor regionale beoordeling. Deltares-rapport 1203842. Verbruggen, E.M.J. en R. van Herwijnen, 2011. Environmental benz[a]anthracene. RIVM briefrapport 601357009/2011
Risk
limits
for
Werd, H.A.E. de, R. Kruijne, 2013. Interpretation of surface water monitoring results in the authorisation procedure of plant protection products in the Netherlands. Applied Plant Research report 2013-02. http://edepot.wur.nl/265464. Witteveen+Bos, 2018. Regionale Analyse - Onderdeel Stoffen. In opdracht van Waterschap Vechtstromen.
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
33 van 40
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
A Advies voor bronnenanalyse voor alle probleemstoffen In onderstaande tabel wordt per stof aangegeven of de diagnose leidt tot voldoende duidelijkheid over het probleem en geadviseerd wordt om een bronnenanalyse uit te voeren (derde kolom). Of deze analyse daadwerkelijk wordt uitgevoerd (vierde kolom), hangt mede af van beleidsmatige keuzes, die in de vijfde kolom zijn toegelicht.
Stofnaam
Aquocode
advies. bronnenanalyse
bronnenanalyse uitvoeren?
toelichting op besluit bronnenanalyse uitvoeren.
4-tertiair-octylfenol
4ttC8yFol
nee
nee
lokaal probleem (=max. 1 beheerder)
Abamectine
abmtne
ja
nee
gbm/biocide, algemeen stuk in rapport met verwijzingen
Antraceen
Ant
nee
nee
lokaal probleem (=max. 1 beheerder)
Benzo(a)antraceen
BaA
ja
ja
Benzo(a)pyreen
BaP
ja
ja
Benzo(b)Fluoranteen
BbF
ja
ja
Benzo(ghi) peryleen
BghiPe
ja
ja
Benzo(k)Fluoranteen
BkF
ja
ja
Methylazinfos
C1yazfs
nee
nee
eerst probleem verhelderen
methylpirimifos
C1yprmfs
mogelijk
nee
gbm/biocide
Ethylazinfos
C2yazfs
nee
nee
lokaal probleem (=max. 1 beheerder)
carbendazim
carbdzm
mogelijk
nee
gbm/biocide
cis-heptachloorepoxide
cHpClepO
Chryseen
Chr
mogelijk
ja
gaat met andere PAK's mee
Cypermethrin
cypmtn
nee
nee
eerst probleem verhelderen
Dichloorvos
DClvs
ja
nee
gbm/biocide,
Dimethoaat
Dmtat
mogelijk
nee
gbm/biocide
Diuron
Durn
Nee
nee
lokaal probleem (=max. 1 beheerder)
Endosulfan
endsfn
Ja
nee
gbm/biocide
Esfenvaleraat
esfvlrt
Ja
nee
gbm/biocide,
Fenantreen
Fen
nee
nee
lokaal probleem (=max. 1 beheerder)
Fluoranteen
Flu
mogelijk
ja
gaat met andere PAK's mee
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
Alleen basisdocument voor sHpCl2
A-1
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Stofnaam
Aquocode
advies. bronnenanalyse
bronnenanalyse uitvoeren?
toelichting op besluit bronnenanalyse uitvoeren.
hexachloorbenzeen
HCB
nee
nee
lokaal probleem (=max. 1 beheerder)
hexachloorbutadieen
HxClbtDen
nee
nee
Indicatieve biotametingen duiden op ‘geen overschrijdingen’
imidacloprid
imdcpd
ja
nee
gbm/biocide
isoproturon
iptrn
nee
nee
lokaal probleem (= 1 beheerder + Jeker)
irgarol
irgrl
mogelijk
ja
beter meten maar wellicht al starten met bronnenanalyse
linuron
linrn
mogelijk
nee
gbm/biocide
metolachloor
metlCl
mogelijk
nee
gbm/biocide
mevinfos
mevfs
nee
nee
lokaal probleem (=max. 1 beheerder)
metazachloor
mzCl
ja
nee
gbm
propoxur
propxr
ja
nee
som HCH
sHCH4
mogelijk
nee
gbm regionaal (Twente / Dommel), stof al heel lang verboden
som heptachloor/heptachloorepoxide
sHpCl2
Ja
nee
tributyltin
TC4ySn
Ja
ja
terbutylazine
terC4yazne
nee
nee
lokaal probleem (=max. 1 beheerder)
trifenyltin
TFySn
mogelijk
nee
gbm/biocide
trans-heptachloorepoxide
tHpClepO
Ammonium
NH4
Ja
ja
Op heel veel locaties normoverschrijding
zilver
Ag zoet
Ja
Ja
er wordt af en toe boven de rg gemeten en dat is meteen probleem
arseen
As zoet
mogelijk
Ja
Inzicht in regionale variatie in AC is nodig om het probleem goed in beeld te krijgen.
boor
B
nee
nee
barium
Ba
ja
ja
cadmium
Cd
ja
ja
kobalt
Co zoet
ja
ja
koper
Cu zoet
ja
ja
kwik
Hg zoet
ja
ja
A-2
gbm/biocide
Alleen basisdocument voor sHpCl2
lage overschrijdingsfactor / regionale verschillen? Veel overschrijdingen. Hoewel meer onderzoek naar AC nodig is, moet ook naar bronnen worden gekeken. er blijven overschrijdingen, dus in kaart brengen bronnen is nodig (en niet veel werk; is wel bekend)
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Stofnaam
Aquocode
advies. bronnenanalyse
bronnenanalyse uitvoeren?
nikkel
Ni
mogelijk
ja
lood
Pb
nee
nee
seleen
Se
ja
ja
tin
Sn
mogelijk
nee
thallium
Tl
ja
ja
ondanks veel onzekerheid in diagnose toch naar bronnen kijken
uranium
U
mogelijk
ja
eerst invloed zout bekijken; sedimentstudie suggereert geen bronnen.
vanadium
V
mogelijk
ja
Hoewel er weinig overschrijdingen zijn gerapporteerd zou het probleem wel eens breder kunnen spelen.
zink
Zn
ja
ja
Aclonyfen
acnfn
nee
nee
geen overschrijdingen bekend
Bifenox
bfnx
nee
nee
geen overschrijdingen bekend
Dicofol
Dcfl
nee
nee
geen overschrijdingen bekend
Quinoxyfen
quinoxfn
nee
nee
geen overschrijdingen bekend
terbutryn
terbtn
nee
nee
geen overschrijdingen bekend
PFOS
PFOS
ja
ja
veel aandacht voor, ook in opkomende stoffen project (PFAS)
som Dioxines (TEQ) Hexabroomcyclododecaan
sDiox
ja
ja
HBcDD
nee
nee
geen overschrijdingen bekend
zilver
Ag zout
nee
nee
metingen overschrijden 2 keer MAC, verder nooit
arseen
As zout
mogelijk
ja
hangt af van effect reg. AC op toetsing
kobalt
Co zout
mogelijk
nog niet
Eerst actie AC afwachten en meeliften op bronnenanalyse zoet
koper
Cu zout
mogelijk
ja
aansluiten bij zoet
kwik
Hg zout
ja
ja
Benzo(a)antraceen
BaA zout
ja
ja
Benzo(a)pyreen
BaP zout
ja
ja
Benzo(b)fluorantheen
BbF zout
ja
ja
Benzo(ghi)peryleen
BghiP zout
ja
ja
Benzo(k)fluoranteen
BkF zout
ja
ja
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
toelichting op besluit bronnenanalyse uitvoeren. Met de nieuwe manier van toetsen wordt verwacht dat lokaal normoverschrijdingen zullen blijven. zelfs nieuwe BLM draaien is wellicht niet nodig (1 overschrijding), maar gaat in een keer mee in PNEC pro sedimentstudie laat duidelijk verhoging zien in toplaagsediment (wel redoxgevoelig) 1 overschrijding regionale bronnenanalyse geadviseerd
A-3
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Stofnaam
Aquocode
advies. bronnenanalyse
bronnenanalyse uitvoeren?
Azinfos-ethyl
C2yzafs
nee
nee
Chyrseen
Chr
mogelijk
ja
gaat met andere PAK's mee
Dichloorvos
DClvs zout
ja
nee
gbm/biocide, algemeen stuk in rapport met verwijzingen
Fluorantheen
Flu zout
ja
ja
gbm/biocide, algemeen stuk in rapport met verwijzingen
Hexachloorbenzeen
HCB zout
nee
nee
Metazachloor
mzCl zout
mogelijk
nee
gbm/biocide, algemeen stuk in rapport met verwijzingen
heptachloor+ -expoxide
sHpCl2
mogelijk
nee
gbm/biocide, algemeen stuk in rapport met verwijzingen
Tributyltin
TC4ySn zout
ja
ja
Stofnaam
Aquocode
advies. bronnenanalyse
bronnenanalyse uitvoeren?
toelichting op besluit bronnenanalyse uitvoeren.
Aclonyfen
acnfn
nee
nee
vooralsnog geen overschrijdingen bekend, maar beeld is niet compleet.
Bifenox
bfnx
nee
nee
vooralsnog geen overschrijdingen bekend, maar beeld is niet compleet.
Dicofol
Dcfl
nee
nee
vooralsnog geen overschrijdingen bekend, maar beeld is niet compleet.
Quinoxyfen
quinoxfn
nee
nee
vooralsnog geen overschrijdingen bekend, maar beeld is niet compleet.
terbutryn
terbtn
nee
nee
vooralsnog geen overschrijdingen bekend, maar beeld is niet compleet.
PFOS
PFOS
ja
nee
indicaties voor normoverschrijdingen
Dioxinen
ΣTEQ
ja
nee
indicaties voor normoverschrijdingen
Hexabroomcyclododecaan
HBCDD
nee
nee
vooralsnog geen overschrijdingen bekend, maar beeld is niet compleet.
A-4
toelichting op besluit bronnenanalyse uitvoeren.
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
B Advies voor maatregelenanalyse voor alle stoffen uit de bronnenanalyse In onderstaande tabel wordt per stof aangegeven of de bronnenanalyse leidt tot voldoende duidelijkheid over bronnen/oorzaken en geadviseerd wordt om een maatregelanalyse uit te voeren (derde kolom). Of deze analyse daadwerkelijk wordt uitgevoerd (vierde kolom), hangt mede af van beleidsmatige keuzes, die in de vijfde kolom zijn toegelicht. Stof
Aquocode
prioriteit maatregelenanalyse
Maatregelenanalyse uitvoeren?
benzo(a)antraceen
BaA
Hoog
ja
benzo(a)pyreen
BaP
Hoog
ja
benzo(b)fluorantheen
BbF
Hoog
ja
benzo(ghi)peryleen
BghiPe
Hoog
ja
benzo(k)fluorantheen
BkF
Hoog
ja
chryseen
Chr
Hoog
ja
fluorantheen
Flu
Hoog
ja
irgarol
irgrl
Laag
nee
tributyltin
TC4ySn
Gemiddeld
ja
ammonium
NH4
Hoog
ja
zilver
Ag
Laag
nee
arseen
As
Laag
nee
barium
Ba
Laag
nee
cadmium
Cd
Hoog
ja
kobalt
Co
Laag
nee
koper
Cu
Hoog
ja
kwik
Hg
Hoog
ja
nikkel
Ni
Hoog
ja
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
Toelichting op besluit tot geen bronnenanalyse
Middel is verboden. In zoute wateren lijken concentraties af te nemen. Eerst goed beoordelen of maatregelen wel nodig zijn. Indirecte bronnen zorgen nog steeds voor overschrijdingen. Mogelijkheden voor maatregelen toch onderzoeken. Bronnen zijn onvoldoende in beeld om effectief maatregelen te kunnen definiëren Bronnen zijn onvoldoende in beeld om effectief maatregelen te kunnen definiëren Bronnen zijn onvoldoende in beeld om effectief maatregelen te kunnen definiëren Bronnen zijn onvoldoende in beeld om effectief maatregelen te kunnen definiëren
B-1
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Stof
Aquocode
prioriteit maatregelenanalyse
Maatregelenanalyse uitvoeren?
Toelichting op besluit tot geen bronnenanalyse
seleen
Se
Laag
nee
thallium
Tl
Laag
nee
uranium
U
Laag
nee
vanadium
V
Gemiddeld
nee
Bronnen zijn onvoldoende in beeld om effectief maatregelen te kunnen definiëren Bronnen zijn onvoldoende in beeld om effectief maatregelen te kunnen definiëren Bronnen zijn onvoldoende in beeld om effectief maatregelen te kunnen definiëren Bijdrage van depositie en raffinage geeft toch aanleiding om een maatregelenanalyse uit te voeren, ook al is uitspoeling uit de bodem (en oorsprong van V in die uitspoeling) niet bekend.
zink
Zn
Hoog
ja
perfluoroctaansulfonaat
PFOS
Laag
nee
som dioxinen
sDiox
Gemiddeld
ja
B-2
Eerst bronnen duidelijker in beeld brengen (dit is ook echt een nieuwe prioritaire stof (die hoeft formeel nog niet getoetst te worden). We weten dat er een probleem is in de grote rivieren; ook al zijn de bronnen wellicht niet volledig, toch beoordelen wat er mogelijk is.
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
Voortgangsrapportage Green Deal Sportvisserij Loodvrij – april 2020 Algemeen De Green Deal Sportvisserij Loodvrij is op 22 mei 2018 ondertekend door de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Unie van Waterschappen, Dibevo, Natuurmonumenten en Sportvisserij Nederland. Lood wordt aangemerkt als een significant risico voor of via het aquatisch milieu. Lood is een prioritaire stof vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) waarvoor maatregelen moeten worden genomen om de emissie in het oppervlaktewater geleidelijk te verminderen. Naast een bron van vervuiling voor het milieu brengt het gebruik van lood directe gezondheidsrisico’s met zich mee. Dit is met name bij het zelf verwerken van vislood het geval. De Green Deal partners streven ernaar dat het gebruik van lood, inclusief het zelf verwerken van lood, in 2027 is gestopt. Het beoogde resultaat van de Green Deal – die loopt tot en met 2021 – is om met een gezamenlijke en complete aanpak een reductie van het loodgebruik in de sportvisserij te realiseren van ten minste 30%. De partners hebben overigens de intentie om na 2021 hernieuwde afspraken te maken om het einddoel te bereiken.
Met de Green Deal wordt ingezet op een cultuuromslag en gedragsverandering bij sportvissers die lood gebruiken. Daarnaast richt de aanpak zich op een omslag in de retailketen. De Green Deal kent een stuurgroep en vier werkgroepen die aan de volgende vier sporen werken: 1) Communicatie en bewustwording loodvrij vissen; 2) Intentie om te komen tot pilot gebieden voor voorlichting over loodvrij vissen; 3) Duurzame en aantrekkelijke alternatieven; 4) Verkennen van nut, noodzaak en de mogelijkheden van acties en/of maatregelen voor de periode 2021-2027. In het najaar van 2018 is de stuurgroep van de Green Deal voor het eerst bijeen gekomen, waarna de werkgroepen zijn geformeerd. Vanaf 2019 zijn de vier werkgroepen van start gegaan. Bij de start van de Green Deal is uitgegaan van een jaarlijks loodverlies van sportvissers op zoet water van naar schatting 54 ton en op zee- en kustwater van 470 ton (Deltares, 2013). Nieuw onderzoek van Wageningen Marine Research (WMR) in opdracht van het ministerie van LNV in de periode februari 2018 t/m februari 2019 komt tot fors lagere cijfers. Het loodverlies blijkt met 7,3 ton op zoet en 22,9 ton op de zee- en kustwateren fors lager dan eerder werd geschat. Daarentegen liggen deze verliezen meer in lijn met een eerder onderzoek uit 1996.
Deze resultaten duiden overigens niet noodzakelijkerwijs op een afname in loodverlies van deze omvang in de tussenliggende periode. Het onderzoek van WMR wordt volgens dezelfde methodiek van maart 2020 t/m februari 2021 herhaald. Samen met de resultaten uit een zogenaamd screeningonderzoek van december 2017 en 2019 van Kantar en WMR naar het gebruik van alternatieven voor vislood, vormen deze onderzoeken input voor de evaluatie van de Green Deal in 2021. Onderstaand per werkgroep de stand van zaken en acties voor de komende tijd.
1) Communicatie en bewustwording loodvrij vissen De focus vanuit de werkgroep is gelegd op het bewust maken van sportvissers van de effecten van loodvrij vissen op het milieu en de gevolgen voor de gezondheid van de gebruiker van het lood. Hieronder een opsomming van gerealiseerde acties: -
-
www.sportvisserijloodvrij.nl is ingesteld als basispagina waar alle informatie te vinden is over de Green Deal, milieuvriendelijke loodvervangers, publicaties over loodvrij vissen, pilotgebieden, etc.; Minimaal elk kwartaal een artikel over loodvrij vissen in Hét VISblad (oplage 70.000 (10x/jaar) en 500.000 (2x/jaar); Toepassing loodvervangers in VIS TV en Hét VISblad en aanpassing woordgebruik t.a.v. lood (bijvoorbeeld werpgewicht i.p.v. vislood); Artikelen in verschillende andere hengelsportmagazines; Maandelijks een gratis advertorial voor producenten van loodvervangers in Hét VISblad. Vanaf 2020 staan deze advertorials ook in andere hengelsportmagazines zoals de Beet, Zeehengelsport en Witvis Totaal; Artikel in Visionair over de Green Deal;
1
-
Bijna 100 loodvrije evenementen georganiseerd, waaronder de Predatortour, World Crank Cup, ONK Streetfishing, Meerval Mania, federatief kampioenschappen en vele andere wedstrijden; Bijdrage aan Stichting Duik de Noordzee Schoon waarbij wrakken loodvrij worden gemaakt; Tientallen nieuwsberichten op website en sociale media van Sportvisserij Nederland en federaties; Promotiemateriaal als beurswanden, rolbanners en posters voor beurzen, verenigingsactiviteiten, etc.; Promotietafel loodvrij in hal Sportvisserij Nederland met gratis loodvervangers, flyers en inzamelbuis lood; Informatieve flyers ter verspreiding door honderden hengelsportverenigingen en controleurs (ruim 1.200); Presentatie bij kennisavond Dibevo voor winkeliers; Stimulering hengelsportverenigingen om loodvrije te introduceren bij wedstrijden en andere activiteiten.
Voor de tweede fase van de Green Deal worden bovenstaande zaken gecontinueerd. Bekeken wordt of er nog extra communicatie en voorlichting kan worden gegeven aan de sportvissers die actief zijn op zee. In 2020 staan al meer dan 100 loodvrije evenementen gepland en dit worden er wekelijks meer. Tienduizenden loodvervangers worden verspreid bij deze evenementen, om sportvissers zo rechtstreeks met loodvrij vissen in aanraking te laten komen en de vraag naar loodvrije producten te vergroten. Daarnaast zal extra inzet worden gepleegd op het informeren van groot- en detailhandel m.b.t. loodvrij vissen en de gezondheidsrisico’s personeel. Steeds meer hengelsportverenigingen gaan aan de slag met loodvrij vissen. Vanuit de werkgroep zal hier nog meer aandacht en ondersteuning aan worden gegeven. Ook worden de gezondheidsrisico’s bij de verwerking en het gebruik van lood verder onder de aandacht gebracht bij sportvissers.
2) Intentie om te komen tot pilotgebieden voor voorlichting over loodvrij vissen Vanuit deze werkgroep worden met waterbeheerders, terreinbeheerders en sportvisserijorganisaties (hengelsportfederaties en -verenigingen) wateren en gebieden gezocht waar loodvrij vissen extra wordt gestimuleerd. Door de werkgroep is een memo opgesteld met tips en aandachtspunten om te komen tot pilotgebieden. Bij verschillende visstandbeheercommissies zijn presentaties gegeven over loodvrij vissen en pilotgebieden in het bijzonder. Inmiddels zijn in Limburg, Noord-Brabant, Zeeland, Gelderland en Overijssel pilotgebieden ingesteld. Op korte termijn worden ook in andere provincies, waaronder Utrecht en Friesland, gebieden geopend. Bij deze viswateren staan informatieborden over loodvrij vissen, organiseren hengelsportverenigingen speciale loodvrije evenementen en zijn inruilacties gestart in samenwerking met waterschappen, gemeenten en hengelsportwinkels. Sportvissers kunnen lood inruilen voor milieuvriendelijke vervangers. Controleurs van de hengelsportverenigingen informeren sportvissers over het pilotgebied en delen flyers uit. Ook dragen de controleurs via eenvoudige vragen aan sportvissers bij aan de monitoring van het pilotgebied. In het najaar van 2019 is ook de eerste commerciële visvijver in Nederland overgegaan op loodvrij vissen.
Samen met deze ondernemer uit Flevoland wordt ingezet om dit voorbeeld te laten volgen door andere visvijvercomplexen. De werkgroep zet zich in om het aantal pilotgebieden in de tweede fase van de Green Deal uit te breiden naar andere gebieden en om de kennis die verkregen wordt bij de huidige gebieden toe te passen op nieuwe gebieden.