069. 1. Aanvraag bestemmingsplanwijziging Eendrachtsweg 1 namens C.L.T.P. Verhoeven
Tekst van het document
o o ®
De gemeente Middelburg heeft als doel volledig energieneutraal te zijn. De streefdatum om dit te realiseren is 2050 en indien de (financiële) omstandigheden gunstig zijn zo mogelijk eerder, met als doel de toename van het broeikaseffect tegen te gaan, de economTschë~pösitiè te h'andhavemen~de beschikbaarheid van-energie tewaarborgen. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan een duurzame (economisch) gezonde samenleving. Energieneutraal bouwen is het uitgangspunt bij nieuwbouw; Middelburg streeft uiteindelijk naar een duurzaam gebouwde omgeving die voorziet in de huidige behoefte maar ook (economische) waarde heeft in de toekomst. Duurzaam bouwen werkt door op verschillende momenten tijdens de levenscyclus van het gebouw: o Ontwerp en uitvoering van de bouw of renovatie. Niet alleen ontwerpen en uitvoeren met korte termijn wensen (inhoudelijk en financieel) maar gericht op een waardevastheid voor de langere termijn, o Benutting (eerste gebruik) van het gebouw. Hierbij spelen aspecten zoals comfort, energiegebruik, waterverbruik, woonlasten, mobiliteit, o Gebruik van het gebouw op de langere termijn. Hierbij spelen naast de genoemde zaken tijdens het gebruik tevens aspecten zoals aanpasbaarheid aan andere woonwensen of andere gebruiksvormen. o Beëindiging gebruik van het gebouw.
Een volledig duurzame sloop betekent dat bouwdelen na gebruik weer terugkeren in de (biologische of technologische) kringloop. Daarnaast betekent duurzame beëindiging dat er geen belemmeringen achterblijven op het perceel zoals bijvoorbeeld verontreinigingen en ondergrondse infrastructuur.
Er wordt aangehaakt op het duurzaamheidsbeleid en woningen worden uitgevoerd met (hoogwaardige) isolatie en energiezuinige installaties. Hoofdstuk 3 Ruimtelijke analyse plangebied 3.1 Historische beschrijving De wijk Mortiere ligt op het voormalige eiland Walcheren. De opbouw van het gebied Walcheren is vooral bepaald door het van oudsher stijgen en dalen van de zeespiegel en de daarmee samenhangende overstromingen. In relatie daarmee heeft afwisselend veenvorming en zeeklei-afzetting plaatsgevonden. In de veen- en kleipakketten is door herhaaldelijke overstromingen een kreken- en geulenstelsel ontstaan. In de kreken is, als gevolg van de getijdenbeweging, zand afgezet. Door inklinking van het veen zijn de verzande kreken uiteindelijk hoger in het landschap komen te liggen (kreekruggen). Vanaf de 11e eeuw tot in de 19e eeuw heeft indijking van slikken en schorren plaatsgevonden.
De gemiddelde hoogteligging binnen de wijk Mortiere was voor de realisatie 0,5 m onder N.A.P. Het bodempatroon van Mortiere is cultuurhistorisch en landschappelijk te plaatsen onder de Oudlandgebieden. Het oude zeekleilandschap van het Oudland Mortiere vertaalt zich in een poelgebied omgeven door kreekruggen. Ter plaatse van de gedempte loop van de Oude Haven is het vlakke plaatgebied het kenmerkende bodempatroon. Deze is evenwijdig aan de N57 gelegen. Karakteristiek voor de zuidoostrand van Mortiere, ter plaatse van de Trekdijk, is de omslag van landschap en bodempatroon. Deze vormt de scheidslijn tussen de Oudlandse en Nieuwlandse gronden. Voordat Mortiere werd gerealiseerd, werden de kreekruggen en kleiplaatgronden gekenmerkt door akkerbouw. In de laaggelegen gebieden waren de gronden veelal in gebruik bij rundveehouderijbedrijven. 3.2 Ruimtelijke structuur en opbouw De opzet van het stedenbouwkundig plan voor het woongebied Mortiere is gebaseerd op een compositie van "zichtlijnen", "decors" en "coulissen". De grotere openbare ruimtes in het woongebied (het park, de plantsoenen en pleinen) worden ontworpen als formele ruimtes, zogenoemde "stedelijke kamers". Dit zijn omsloten ruimten met een zekere wandvorming (decors) en een interieur. De routes en zichtlijnen zijn voorzien van oriëntatiepunten door opvallende plaatsing en vormgeving van bebouwing.
Aan het eind van een langgerekte stedelijke ruimte - een straat, een plein, een park of plantsoen - is het beeld verzorgd. Dit wordt gedaan door een evenwichtige, vaak symmetrische, opstelling van een woning of dubbele woning, en soms door een accent in het bouwvolume. Aan het eind van een zichtlijn is er altijd een blikvanger. Dit wordt gevormd door hogere bebouwing of een hoger deel van de bebouwing, of opvallende bebouwing in een afwijkende vorm. In de uitwerking Mortiere fase 9D, waarvan het plangebied direct naast de Huiskavel ligt, zijn enkele accenten opgenomen. Deze liggen op de hoek van de Poproute en op het eind van de woonstraten, dus als beëindiging van zichtlijnen. 3.3 Ruimtelijke kenmerken deelgebied Het deelgebied is uitgewerkt binnen de ruimtelijke kaders van het stedenbouwkundig plan van Mortiere. De stedenbouwkundige opzet sluit aan op de opzet van dit deel van de wijk, met voornamelijk rijwoningen, aangevuld met tweekappers en levensloopbestendige woningen. Dit is verbeeld in onderstaande afbeelding.
fêhetsverkaveling
Medel 1 2019 (43 woningen)
ADVISEURS VOOR LEEFRUIMTE
iêndraehtsweg 1
4 juli 2019
PthklHlftipgitftt • mét 32 WlcnkëlpöpHl ddtottlütB Wbti(eatpcWt) ihyWl - 4ItifetHitödehti wdhlig.fl^éh *tik<il#ureoprit
éigen telrttrt BpéttbMt
- 4 dUMf wonlhgeh enkelttOptlIrnctgUragv
tdtAAL
Hoofdstuk 4 Projectbeschrijving De wijk Mortiere is functioneel behoorlijk homogeen. De meest voorkomende functie is wonen. Ook op de Huiskavel worden alleen woningen mogelijk gemaakt. Ten behoeve van de inrichting dienen de bestemmingen groen, tuin, verkeer en wonen te worden opgenomen. 4.1 Programma In dit plan worden 40 grondgebonden woningen mogelijk gemaakt. Deze zijn in de verkavelingsschets opgenomen. In de verkaveling zijn rijwoningen (36 woningen, waarvan 4 middelduur) en tweekappers (4 woningen) opgenomen, alsmede een parkeerterrein. Met dit programma wordt aangesloten op het programma in dit deel van de wijk met voornamelijk rijwoningen. De woningen zijn 2 lagen met kap, hier en daar voorzien van een accent. In het gebied worden geen gestapelde woonvormen toegestaan. In de verbeelding zijn bouwstroken aangegeven, in plaats van de specifieke woningen. Door deze systematiek kan er afhankelijk van de marktomstandigheden bij de uitvoering van het plan nog geschoven worden met woningen of voor een ander woningtype worden gekozen (met behoud van voldoende parkeerplaatsen voor het geplande woningbouwprogramma). 4.2 Structuur De Huiskavel ligt aan de rand van de wijk Mortiere aan de Eendrachtsweg en de Johnny Cashstraat, nabij de Poproute. De Poproute vormt samen met de Jazzroute en de 10
Bluesroute de hoofdontsluiting van Mortiere. De route kenmerkt zich door afwisselende woningbouw met diepe voortuinen en verspringende rooilijnen. Het profiel van de hoofdontsluiting is ruim van opzet met ruimte voor groen met bomen. De wegen op de Huiskavel sluiten aan op de Eendrachtsweg. Intern in de buurt vormt een kruis van wegen de structuur, met centraal een plantsoen. Vanaf de Poproute loopt er een weg naar de Eendrachtsweg, haaks daarop ontsluiten twee korte woonstraten. De Eendrachtsweg vormt de rand van de buurt langs het ROC en sluit aan op de Eendrachtsweg die doorloopt tot fase 7 en met een langzaam verkeersbrug naar fase 8 en naar het centrale park in de wijk. Ook de korte woonstraat langs het plantsoen sluit aan op een weg richting fase 7. De woningen oriënteren zich op de straten en het plantsoen. De woningen op hoeken hebben een tweezijdige oriëntatie. 4.3 Inrichting openbare ruimte De openbare ruimte in deze fase is ingericht volgens de standaardprofielen, waarmee in Mortiere wordt gewerkt. De Poproute heeft een bijzonder profiel, voorzien van extra groen, in verband met de bijzondere betekenis van deze weg in het totale stedenbouwkundig plan. De overige wegen zijn vormgegeven als woonstraat. 4.3.1 Verkeer De Huiskavel ligt aan de Eendrachtsweg en aan de Johnny Cashstraat, nabij de Poproute. De woningen op de Huiskavel worden ontsloten door de Eendrachtsweg.
De Poproute vormt samen met de Jazzroute en de Bluesroute en de buurtontsluitingsweg. Vanaf deze weg zijn er 4 inritten voor de ontsluiting van de woonbuurt. De eerste vlak na de rotonde in de eerste bocht en twee vanaf het rechte deel van de Poproute. Voor het fietsverkeer wordt er een extra ontsluiting vanuit de buurt richting de Torenweg gerealiseerd in het verlengde van de Eendrachtsweg. Op deze manier ontstaat er een directe verbinding vanaf de Torenweg met de rest van de wijk. 4.3.2 Parkeren Voor de verkavelingsschets van de Huiskavel is een parkeeropgave opgesteld. Het uitgangspunt hierbij is dat Middelburg een matig stedelijk gebied is en dat Mortiere tot de rest van de bebouwde kom behoort. Parkeeropgave
-
32 middeldure woningen met enkele oprit (carport) 4 middeldure woningen met enkele oprit 4 dure woningen met enkele oprit en garage
Totaal
eigen terrein
openbaar
32
27
2
5
4
5
38
37
11
Hoofdstuk 5 Sectorale aspecten 5.1 Toetsing aan mer-wetgeving Per 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. Hierin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Een m.e.r.-procedure is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het plan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: « o o
de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten.
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft. Voorafgaand aan de vergunningaanvraag of de ruimtelijke procedure dient een aparte beslissing te worden genomen dat geen MER nodig is. Voor de initiatiefnemer geldt dat hij moet melden dat er sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling en dat hij hiervoor informatie moet aanleveren. Het bevoegd gezag moet vervolgens een formeel besluit nemen dat de initiatiefnemer bij zijn vergunningaanvraag moet voegen.
Onderzoek en conclusies In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied van 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de ontwikkeling van 40 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de volgende paragrafen zijn opgenomen. Voor dit uitwerkingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.. De gemeente moet nog wel een m.e.r.- beoordelingsbesluit nemen dat deze procedure niet nodig is.
12
5.2 Geluid 5.2.1 Wettelijk kader Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient, in verband met de relatie tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh), inzicht te worden geboden in de relevante geluidsaspecten. De Wgh stelt eisen aan de maximaal toegestane geluidsbelasting ten gevolge van de aanleg van een nieuwe weg en de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door onder meer industrie, wegverkeer en spoorwegverkeer. De wet richt zich vooral op de bescherming van de burger in zijn woonomgeving en bevat bijvoorbeeld normen voor de maximale geluidsbelasting op de gevel van een huis. Op 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder in werking getreden. Hierin is de bevoegdheid voor het verlenen van een hogere waarde neergelegd bij Burgemeester en Wethouders. Dat betekent dat het 'hogere-waardebesluit' niet langer ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten hoeft te worden voorgelegd. Voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai stapt de wetgever nu over op de Europese dosismaat Lden (staat voor dayevening- night). In de wet wordt Lden aangegeven in decibel (dB). Voor geluidgevoelige functies zoals woningen geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer en 55 dB voor spoorwegverkeer.
Bij de bouw van de woning dient de gevelisolatie van de betrokken woning zodanig te worden ontworpen, dat voor de binnenwaarde kan worden voldaan aan de eisen uit het bouwbesluit. Hierin staat geregeld dat de binnenwaarde maximaal 33 dB mag bedragen. Indien niet aan de voorkeursgrenswaarden wordt voldaan kan door bevoegd gezag (Burgemeester en wethouders) een hogere grenswaarde worden vastgesteld, voor woningen, in het buiten stedelijk gebied (buiten bebouwde kom) geld een maximum te verlenen ontheffingwaarde Lden van 53 dB(A) (wgh art. 83, lid 1). De uiterste grenswaarde ten gevolge van het wegverkeerslawaai van de N57 bedraagt 53 dB. Voorde overige (Schietbaan, Torenweg en de nieuwe toegangsweg Mortiere) bedraagt de uiterste grenswaarde 63 dB. De 30 km/uur-wegen hebben op basis van de Wgh geen geluidszone. De voorkeursgrenswaarde wordt als richtwaarde beschouwd en de uiterste grenswaarde geldt als maximaal aanvaardbare waarde. 5.2.2 Onderzoek Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszone van de N57 en een nieuwe ontsluitingsweg die vanaf de op- en afritten van de N57 richting het plangebied leidt. Bijgaande rapportage betreft het benodigde akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai (bijlage 1). Hoewel de rapportage betrekking heeft op plangebied 9B, zijn de resultaten daarvan van overeenkomstige toepassing op plangebied Huiskavel.
Plangebied Huiskavel grenst direct aan plangebied 9B, welk plangebied ten noordoosten van plangebied Huiskavel is gelegen. Uit het onderzoek blijkt dat ten aanzien van de relevante gezoneerde wegen geen sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Verdere procedures in het kader van de Wgh zijn daarom niet benodigd. Ten aanzien van de niet-gezoneerde Jazzroute/Poproute wordt de richtwaarde van 48 dB overschreden. Maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting zijn niet mogelijk of doelmatig. Omdat de maximaal aanvaardbare waarde van 63 dB niet wordt overschreden, is er sprake van een acceptabel akoestisch
klimaat. Omdat 30 km/h-wegen niet-gezoneerd zijn, zijn in het kader van de Wgh geen aanvullende procedures noodzakelijk. 5.2.3 Conclusie Het aspect geluid wegverkeer vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plangebied Huiskavel. Uit het onderzoek blijkt dat ten aanzien van de relevante gezoneerde wegen geen sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Verdere procedures in het kader van de Wgh zijn daarom niet benodigd. Ten aanzien van de niet-gezoneerde Jazzroute/Poproute wordt de richtwaarde van 48 dB overschreden. Redelijkerwijs zijn geen maatregelen mogelijk om het wegverkeerslawaai te verlagen. 5.3 Luchtkwaliteit De milieukwaliteitseisen omtrent luchtkwaliteit zijn verankerd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarde die voor een aantal verontreinigende stoffen in de wet is gesteld. Hierbij zijn twee sporen te onderscheiden: het creëren van bestemmingen die potentieel bijdragen aan de (verslechtering van de) luchtkwaliteit en het creëren van bestemmingen die gevoelig zijn voor (een slechte) luchtkwaliteit. Als aannemelijk is dat aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormt luchtkwaliteit geen belemmering om een bestemmingsplan vast te stellen. Deze voorwaarden zijn: o o o o
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtverontreiniging; het project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Voor projecten waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. Dit is geregeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM). In de bij het NIBM behorende Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Dit geldt onder andere voor woningbouwlocaties die ingeval van één ontsluitingsweg niet meer dan 1.500 nieuwe woningen mogen omvatten. Bij twee ontsluitingswegen mogen uitbreidingslocaties niet meer dan 3.000 woningen bevatten. Voor kantoorlocaties gelegen aan één ontsluitingsweg geldt een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2. Uit de monitoringstool (2017) blijkt dat de concentraties stikstofdioxide (N02) en fijnstof (PM10) ter plaatse van de dichtstbij gelegen doorgaande wegen, N254 Schroeweg en N57 Havenpoortweg, nergens meer bedragen dan grenswaarden 40 ug/m3. De concentratie N02 bedraagt maximaal 22,1 ug/m3 en concentratie PM10 bedraagt maximaal 17,3 ug/m3. De fijnstof (PM2,5) concentraties zijn nergens hoger dan 9,8 ug/m3 (2017) (grenswaarde 25 ug/m3).
Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is maximaal 6,1 waardoor het maximum van 35 dagen eveneens niet wordt overschreden.
Het is de verwachting dat door het schoner worden van de auto's de concentratie van met name stikstofoxide in de lucht in de toekomst nog lager is. Voor de Huiskavel is voor het totale aantal gegenereerde ritten in de plansituatie uitgegaan van een gemiddelde verkeersgeneratie per woning van 7. Er is voor wat betreft de bij de invulling behorende verkeersgeneratie uitgegaan van het maximaal aantal woningen van 40 in het plan. Dit resulteert in een totaal 40*7=280 extra ritten ten opzichte van de autonome situatie. Voor plangebied Mortiere 9D -dat ten noordwesten de Huiskavel is gesitueerd- is met behulp van de NIBM-tool op globale wijze beoordeeld of er sprake is van een al dan niet in betekenende mate bijdragen van het plan aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In plangebied 9D zullen 72 woningen worden gebouwd. Het resultaat van de berekening met de tooi geeft voor plangebied 9D aan dat het plan hiermee niet in betekenende mate bijdraagt. Vergelijk de tabel hieronder. WersLeaxe berekening voor de bijdrage van het extra verkeer ale gevolg van een plan op de luchtkwaliteit
Nu op plangebied Huiskavel maar 40 woningen worden gebouwd, zal ook daarvoor gelden dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De extra bijdrage door het aan de woningen verbonden verkeer draagt niet in betekenende mate bij en is derhalve minder dan 1,2 pg/m3 (de NIBM-grens). Hiermee wordt voldaan aan de ambities voor luchtkwaliteit uit het RBDS en de duurzaamheidsagenda. Conclusie De saneringstool bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in het plangebied in 2017 onder de grenswaarden liggen. Het project betreft de realisatie van maximaal 40 nieuwe woningen binnen het plangebied van dit plan. Volgens bijlage 3B van de Regeling draagt het plan hierdoor "niet in betekenende mate" bij. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Er hoeft derhalve geen aanvullend onderzoek naar de blootstelling aan luchtverontreiniging plaats te vinden. Het resultaat van de berekening met de NIBM-tool geeft voor plangebied 9D aan dat het plan niet zorgt voor een verslechtering van de luchtkwaliteit. Hetzelfde zal gelden voor plangebied Huiskavel. Het aspect luchtkwaliteit staat het onderhavige plan niet in de weg.
15
5.4 Stikstof 5.4.1 Wettelijk kader De Wet natuurbescherming (Wnb) die op 1 januari 2017 in werking is getreden, regelt de bescherming van natuurgebieden die uniek zijn voor Nederland en Europa, de bescherming van planten en dieren en van bossen en andere houtopstanden. De Wnb geeft uitvoering aan de verplichtingen van de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De gebiedsbescherming in de Wnb richt zich uitsluitend op Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Handelingen of activiteiten binnen en buiten beschermde natuurgebieden die schadelijk kunnen zijn voor de doelstellingen van het gebied zijn verboden, tenzij door het bevoegd gezag hier vergunning voor is verleend. Stikstof vormt een van de grootste belemmeringen voor het behalen van de Natura 2000- instandhoudingsdoelstellingen. In 118 van de Nederlandse Natura 2000-gebieden bevinden zich stikstofgevoelige habitattypen. In deze gebieden wordt de Kritische Depositie Waarde (KDW) overschreden.
Op grond van artikel 2.7, tweede lid, Wnb is vastgelegd dat het verboden is zonder vergunning van gedeputeerde staten van de provincie een project te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Samengevat betekent dat wanneer een plan gevolgen heeft voor het gebied, maar de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied niet in gevaar brengt, significante gevolgen zijn uitgesloten. Indien op basis van objectieve gegevens blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie, kan in ieder geval worden geconcludeerd dat er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten voor de instandhoudingsdoelen van het betrokken Natura 2000gebied. Bij het berekenen van de stikstofdepositie mogen in beginsel de bestaande feitelijke en planologische legale activiteiten op de planlocatie en de daarmee samenhangende vermindering van de stikstofdepositie in mindering worden gebracht op de toename van de stikstofdepositie als gevolg van het plan (ABRvS 24 december 2014, ECLI: NL: RVS:2014:4672).
Dat kan ertoe leiden dat per saldo de effecten op de stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000- gebieden gelijk blijven (en soms zelfs verminderen als gevolg van het verdwijnen van bijvoorbeeld een agrarische functie). Er hoeft dan geen passende beoordeling te worden uitgevoerd. Indien uit onderzoek (de voortoets) blijkt dat significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden niet kunnen worden uitgesloten, dan moet een vervolgonderzoek worden uitgevoerd (de ‘passende beoordeling’) en dient een Wnb vergunning te worden aangevraagd. 5.4.2 Onderzoek Voor het naastgelegen plangebied 9D is door Adviesbureau AGEL het aspect stikstofdispositie beoordeeld. Het rapport is als bijlage 2 toegevoegd. In deze berekening is uitgegaan van 70 woningen. In de omgeving van Middelburg zijn verschillende Natura 2000-gebieden aanwezig, waarvan 16
de ‘Westerschelde & Saeftinghe’ het meest nabijgelegen is. Op figuur 2 is de ligging van de verschillende Natura 2000-gebied weergegeven ten opzichte van het plangebied ‘Mortiere 9d’ (rode stip). Figuur 2: Situering Natura 200Q^gebieden in de omgeving van het plangebied 'Mortiere,
VUkt«v<M«R#an
Emissiebronnen De realisatie van dit bouwplan zorgt voor de emissie van stikstof doordat de bouwactiviteiten verkeersbewegingen genereert en er (mobiele) werktuigen voorzien van verbrandingsmotoren op de bouwplaats in werking zijn. Voor bouwfase 1 en 2 is de inzet van mobiele werktuigen door Heijmans Vastgoed aangeleverd. Na realisatie van de het bouwplan zijn als emissiebronnen relevant de verkeersbewegingen die als gevolg van dit plan worden gegenereerd en eventuele verbrandingsinstallaties die worden gebruikt om het pand te verwarmen. Rekenpunten De rekenpunten op de omliggende Natura 2000-gebieden zijn automatisch door de AERIUS calculator gegenereerd, waarbij is uitgegaan van een straal van 10 km rondom de locatie. Berekeningen De berekening van de stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden is uitgevoerd met behulp van AERIUS calculator 2019 (versie oktober 2019). De calculator rekent op basis van het Operationele Prioritaire Stoffen model (OPS) van het RIVM. In de bijlagen zijn de berekeningen met de AERIUS calculator opgenomen voor de beide bouwfasen en het toekomstig gebruik. Tabel 2 geeft een overzicht van de maximaal berekende stikstofdepositie op de rekenpunten weer.
17
Tabèi
Mêximêfe stikstófdèËdsitié iDér rékéftóuftt vóór dé béide bduwfasëh ét) töêkófftstidé öêbruiksfaéè 'Mórtiètê Sd'
Bijdrage atlkstef
ftekenpunt
Wéstérsehëlde & gaêfênghê H216Q (4 km) Wêstêttehéldê & Saëftinghp H2120 (1 km) I Wêêtérsehéldê & Saëftiriêhé H133ÖA Manteling van Walehêten (§ km) & Mantelina van Walehêten H216Q Mantelina van Walehéren H1316B (§ km) Wêstêtsehêldé tk Saéftinahè H181QA fl km) Wêstê^êéhéidé & iaêftinahé HÜ20 (9 km) Mantelina van Walcheren H21iói (10 km) Wéstetséhéldé & iaêftinahé H2116 fl kffl)
leuwfase i
Seuwfase2
f2020)
(2021)
(2022)
6,00 mel/ha/j 0,06 mêl/ha/j
6,66 mêl/ha/i 6,00 mel/ha/j
6,66 mel/ha/j
0,00 rtiêl/ha/j
0,00 mel/ha/j
Q.00 mal/ha/i 0.60 mêl/ha/i 0.00 mêl/ha/i 6,00 mêl/ha/j
0,6O mal/ha/i 0.06 mal/ha/j
Wéstetséhélde Ir Saèftinghe H2ÜÓA fl km) VVèsterséhéldé 8t iaêftinahé H21I6I (I km) Weatetsêhelde Ir iaêftinahé (3 km)
6.60 mêl/ha/i 6,66 mêl/ha/i 6,66 mêl/ha/i 6.66 mêl/ha/i
Vééfsê Méér (I km)
6,66 mêl/ha/i
Toekemstli gebruik
0,00 möl/ha/j
O1Q6 rtiêl/ha/j
0,00 mêl/ha/i Ó.60 mêl/ha/i
0,06 mêl/ha/i 6,66 mal/ha/i 6,66 mêl/ha/3 6,00 mal/ha/i 6,66 mêl/ha/i 6,66 mal/ha/j
6.66 mal/ha/i 6,66 mal/ha/i
In het naastgelegen plangebied Huiskavel zullen geen 70, maar slechts 40 woningen worden gebouwd. Indien de berekening voor plangebied 9D tot uitgangspunt wordt genomen, wordt derhalve van meer belastende cijfers uitgegaan dan in werkelijkheid voor plangebied Huiskavel gelden. 5.4.3 Conclusie Uit de berekening voor plangebied 9D blijkt dat het plan geen rekenresultaten genereert die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr, zodat geen sprake is van een toename van stikstofdepositie. Dit geldt voor zowel de beide bouwfasen als de toekomstige gebruiksfase. Hetzelfde zal gelden voor plangebied Huiskavel. Gelet op deze rekenresultaten als gevolg van het plan, is afgezien om gebruik te maken van de mogelijkheid om de bestaande feitelijke en planologische legale activiteiten op de planlocatie in mindering te brengen. Het bovenstaande houdt in dat als gevolg van de ontwikkeling, met betrekking tot stikstofdepositie, negatieve effecten op stikstofgevoelige habitat- en leefgebieden zijn uit te sluiten. De natuurlijke kenmerken van de stikstofgevoelige gebieden blijven onaangetast. Op basis van de rekenresultaten kan derhalve worden gesteld dat het voornemen met zekerheid niet leidt tot een significant negatief effect als gevolg van stikstofdepositie op stikstofgevoelige gebieden binnen Natura 2000-gebieden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het plan wordt uitgezonderd van de vergunningplicht.
5.5 Bedrijven en milieuhinder 5.5.1 Wettelijk kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
18
® o
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering In de brochure Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009) wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala van bedrijfsactiviteiten. In deze handreiking worden bedrijven ingedeeld in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid. Ook maakt de handreiking onderscheid in verschillende gebiedstypen zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied. Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en eventueel onder welke voorwaarden, een bedrijf inpasbaar is in de omgeving. 5.5.2 Onderzoek In de omgeving van de Huiskavel zijn bedrijven/inrichtingen aanwezig waarvan een mogelijke milieuhinder uitstrekt. Door middel van een toetsing aan de genoemde richtafstanden uit vigerende bestemmingsplan of uit de VNG-brochure ‘bedrijven en milieuzonering’ kan worden bepaald of een goed woon- en leefklimaat voor de woningen gegarandeerd kan worden. Voor de inrichtingen is het van belang dat deze niet worden gehinderd in de bedrijfsactiviteiten.
5.5.3 Omgevingstype De omgeving van het plangebied kan worden beschouwd als een rustige woonwijk, zoals bedoeld in de VNG-brochure omdat geen sprake is van een combinatie van milieuhinderlijke en milieugevoelige functies. Dit betekent dat de richtafstanden, zoals genoemd in de brochure niet gereduceerd kunnen worden. 5.5.4 Categorie bedrijvigheid Er zijn geen bedrijven in de omgeving van het plangebied waarvan de richtafstand het plangebied overlapt. 5.6 Externe veiligheid Voor bestemmingsplan Mortiere is een Kwantitatieve risicoanalyse (hierna: QRA) opgesteld door Cauberg-Huijgen. 5.6.1 Wettelijk kader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan.
Onderstaand is de beoordeling van de volgende onderwerpen uitgewerkt: o o •
bedrijven of inrichtingen waar opslag en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor en water; vervoer van gevaarlijke stoffen via leidingen.
5.6.2 Onderzoek Uit de gegevens van de afdeling Vergunningverlening & Handhaving van gemeenten Middelburg, Vlissingen en Borsele is gebleken dat in de directe omgeving van het bestemmingsplan Mortiere de bedrijven Eastman Chemical Middelburg, Kloosterboer Vlissingen V.O.F. en Verbrugge Zeeland Terminals liggen. Deze inrichtingen zijn aangewezen als ‘niet-categoriale inrichtingen’, dat houdt in dat er een QRA opgesteld moet worden om de risico’s ten aanzien van externe veiligheid te toetsen aan de normen uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi). Verder ligt binnen het bestemmingsplan een LPG tankstation en de routering gevaarlijke stoffen ligt net buiten de grens van het bestemmingsplan Mortiere. Het LPG tankstation is een categoriale inrichting. Dit houdt in dat de in de Regeling externe veiligheid inrichtingen (hierna: Revi) genoemde afstanden hier van toepassing zijn. 5.6.3 Externe veiligheid en bedrijven Voor de beoordeling van de veiligheidsrisico's in de nabijheid van de meest risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. 5.6.3.1 Kloosterboer Vlissingen V.O.F.
Plaatsgebonden risico Volgens de Revi is het invloedsgebied berekend door middel van een QRA. Uit de QRA blijkt dat bij de inrichting de PR 10-6 binnen of nabij de inrichtingsgrens ligt.
Groepsrisico Over de Huiskavel ligt het invloedsgebied van de inrichting Kloosterboer, op- en overslag. Het invloedsgebied reikt tot 6.500 meter. De Huiskavel valt binnen de laatste 900 meter van deze contour. Echter is deze afstand berekend voor de worst case (meest giftige stof, maximale hoeveelheid aanwezig en het weertype F1,5). Aangenomen kan worden dat mogelijke wijzigingen in de rand van het invloedsgebied (op een grotere afstand dan 1.500 meter) geen noemenswaardige veranderingen in het groepsrisico veroorzaken. In de Nota van Toelichting bij de Beleidsvisie Externe Veiligheid is aangesloten bij het beleid van de provincie Zuid-Holland. Hierin staat beschreven dat de populatie op grote afstand van de bron nauwelijks invloed heeft op de grootte van het groepsrisico. Het bevoegd gezag wordt geadviseerd om de Veiligheidsregio Zeeland in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over hulpverlening en zelfredzaamheid indien er sprake is van invloedsgebieden van risicobronnen die op een grotere afstand dan 1.500 meter aanwezig zijn en er binnen het plangebied nieuwe of 20
bestaande objecten of functies van meer dan 250 personen bevinden. Het invloedsgebied is berekend door middel van een QRA. 5.6.3.2 Verbrugge Zeeland Terminals Plaatsgebonden risico Volgens de Revi is het invloedsgebied berekend door middel van een QRA. Uit de QRA blijkt dat bij de inrichting de PR 10-6 buiten de inrichtingsgrens ligt. De PR 10-6 reikt niet verder dan 600 meter.
Groepsrisico De Huiskavel ligt binnen het invloedsgebied van de inrichting Verbrugge Zeeland Terminals. Het invloedsgebied van Verbrugge Zeeland Terminals reikt tot 7.200 meter. De Huiskavel valt binnen de laatste 2.500 meter van deze contour. Echter is deze afstand berekend voor de worst case (meest giftige stof, maximale hoeveelheid aanwezig en het weertype F1,5). Aangenomen kan worden dat mogelijke wijzigingen in de rand van het invloedsgebied (op een grotere afstand dan 1.500 meter) geen noemenswaardige veranderingen in het groepsrisico veroorzaken. In de Nota van Toelichting bij de Beleidsvisie Externe Veiligheid is aangesloten bij het beleid van de provincie Zuid-Holland. Hierin staat beschreven dat de populatie op grote afstand van de bron nauwelijks invloed heeft op de grootte van het groepsrisico. Het bevoegd gezag wordt geadviseerd om de Veiligheidsregio Zeeland in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over hulpverlening en zelfredzaamheid indien er sprake is van invloedsgebieden van risicobronnen die op een grotere afstand dan 1.500 meter aanwezig zijn en er binnen het plangebied nieuwe of bestaande objecten of functies van meer dan 250 personen bevinden. Het invloedsgebied is berekend door middel van een QRA.
5.6.4 Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor en water Voor de beoordeling van de veiligheidsrisico's vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor en water zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), de Regeling Basisnet en de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) de relevante toetsingskaders. Langs bestemmingsplan Mortiere lopen twee wegen waarover de Route gevaarlijke stoffen loopt. Dit zijn de A58 en de N57. Zowel de A58 als de N57 zijn ingericht voor het transport van gevaarlijke stoffen. Hierdoor neemt het risico op een ongeval af. Voor de herziening van het bestemmingsplan Mortiere is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) opgesteld. 5.6.4.1 N57 Plaatsgebonden risico Met behulp van het rekenprogramma RBM II is het plaatsgebonden risico van de N57 bepaald. Hieruit is gebleken dat er geen sprake is van een plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar.
Groepsrisico De Huiskavel valt binnen het invloedsgebied van de N57. Het invloedsgebied van de N57 wordt bepaald door het transport van toxische stoffen en bedraagt 730 meter (1%-letaliteit bij weersklasse F1,5). Voor de N57 is het groepsrisico berekend voor de huidige en toekomstige situatie. Tevens is het groepsrisico bepaald met het in het Basisnet Weg vastgelegde plafond voor LPGtransporten. Het groepsrisico wordt per kilometer bepaald.
Situatie - vervoerscijfers
% Van dé
Max. aantal slachtoffers
Normwaarde
ofiëntatiêWaafde
Huidige situatie - huidige vervoerscijfers
0,08003
0,3
152
Toekomstige situatie - nuïdige vervoerscijfers
0,00003
0,3
9§
Huidige situatie - progtiosecijfers 2020
0,00023
2,3
109
Toekomstige situatie = proghosecyfers 2020
0,00023
2,3
169
Uit bovenstaande tabel blijkt dat het groepsrisico niet wijzigt ten gevolge van de ontwikkelingen binnen het bestemmingsplan Mortiere. Het maximale aantal slachtoffers neemt zelfs af. Wel valt een toename te constateren ten gevolge van de verwachte groei van het transport van gevaarlijke stoffen in de toekomst. 5.6.4.2 A58 De Huiskavel ligt buiten het invloedsgebied van de A58 (325 meter). 5.6.4.3 Toename woningen De rapportage van Cauberg-Huygen is opgesteld op basis van een concept voorontwerpbestemmingsplan 2011. In het definitieve voorontwerpbestemmingsplan Mortiere is het aantal woningen in het woongebied van de wijk Mortiere ten opzichte van het eerdere concept toegenomen van 1329 naar 1380 woningen. Dit houdt een toename in van 51 woningen. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (hierna: BTEV) in werking getreden. In artikel 8 van het BTEV staat dat voor een gebied welke geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 meter van een transportroute een verantwoording van het groepsrisico verplicht is. De extra woningen binnen het plangebied Mortiere liggen op ruim 200 meter afstand van de N57 en de A58. Verder is een toename van 1329 naar 1380 woningen marginaal, zoals in de Nota van Toelichting bij de gemeentelijke beleidsvisie is aangegeven. Dit is een toename van 3,84%.
In de Nota wordt aangegeven dat een toename tot en met 10% als marginaal wordt beschouwd. Tot slot is gebleken uit de berekening welke Cauberg-Huygen heeft uitgevoerd dat het groepsrisico ruim onder de oriënterende waarde zit.
22
De Huiskavel ligt op circa 400 meter afstand van de N57. De toename van 40 woningen van valt binnen de 1380 woningen. Op de Huiskavel is het mogelijk om te vluchten van de diverse risicobronnen af. In het midden van het naastgelegen plangebied 9B is een sirenepaal aanwezig waardoor de mensen welke zich binnen het plangebied Huiskavel bevinden zich snel in veiligheid kunnen brengen. Gezien bovenstaande achten wij het niet nodig om het risico te kwantificeren. Er kan worden volstaan met risicocommunicatie. 5.6.5 Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de veiligheidsrisico's vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang. 5.6.5.1 Eastman Chemical Middelburg, LPG tankstation, hogedruk aardgasleiding De Huiskavel valt buiten de invloedsgebieden van bovengenoemde bedrijven en transportroute. Het invloedsgebied van Eastman Chemical Middelburg bedraagt 492 meter en het LPG tankstation heeft een invloedsgebied van 150 meter. De woningen welke gerealiseerd worden op de Huiskavel liggen op ongeveer 800 meter van beide inrichtingen. De hogedruk aardgasleiding heeft een invloedsgebied van 95 meter. De woningen op de Huiskavel liggen op circa 500 meter van deze leiding. 5.6.6 Overig
r1
Verder liggen in de nabijheid van de Huiskavel geen risicobronnen, zoals andere transportroutes gevaarlijke stoffen over het water of het spoor etc., welke van invloed zijn op het plan of waar het plan invloed op uitoefent. Voor wat betreft de kerncentrale valt het gebied binnen de schuilzone en de Jodiumprofylaxe-zone. Kwetsbare objecten De woningen welke gebouwd worden zijn in het Bevi aangemerkt als kwetsbare objecten. 5.6.7 Conclusie Voor zover wij hebben kunnen nagaan en hierboven hebben beschreven vormt externe veiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling van de Huiskavel. Wel dient er zoveel mogelijk rekening gehouden te worden met de zelfredzaamheid en hulpverlening. De veiligheidsregio Zeeland dient in de gelegenheid gesteld te worden hun advies uit te brengen. 5.7 Bodem 5.7.1 Wettelijk kader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd 23
dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek en eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. Als uit historisch onderzoek blijkt dat binnen de nieuwe bestemmingen sprake is geweest van een activiteit met een verhoogd risico op verontreiniging, dan is een volledig verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat: o «> o
er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan; er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren.
Wet bodembescherming Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming (Wbb). In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde “spoed- of risicolocaties”)).
Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe bouwprojecten, zoals woningen en wegen. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. 5.7.2 Onderzoek In het algemeen geldt dat een bodemonderzoek noodzakelijk is bij het wijzigen van de bestemming, de aanvraag van een omgevingsvergunning of graafwerkzaamheden. Op locaties waar ontwikkelingen plaatsvinden dient de bodem gesaneerd te worden als sprake is van een ernstige bodemverontreiniging. In dat geval dient voorafgaand aan ontwikkelingen een saneringsplan opgesteld te worden dat goedgekeurd moet worden door de Omgevingsdienst zijnde het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb). Voor de ontwikkeling van onder meer het naastgelegen plangebied 9B is in april 2016 een bodemonderzoek uitgevoerd door Mitec Advies (bijlage 3). Op basis van de verkregen informatie van de gemeente Middelburg is de hypothese gesteld dat ter plaatse van de onderzoekslocatie geen bodemverontreiniging is te verwachten. De onderzoekslocatie is
24
derhalve aangemerkt als een onverdachte locatie. Hetzelfde zal gelden voor plangebied Huiskavel, nu deze locatie dezelfde geschiedenis heeft als het naastgelegen plangebied 9B. 5.7.3 Conclusie Op basis van historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek van het naastgelegen plangebied 9B, kan geconcludeerd worden dat er geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de huidige en voorgenomen activiteiten op de onderzoekslocatie. Gezien plangebied Huiskavel dezelfde geschiedenis heeft als plangebied 9B, geldt dit ook voor plangebied Huiskavel. De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek.
5.8 Water In het Besluit ruimtelijke ordening is de 'watertoets' opgenomen. Deze heeft tot doel om ruimtelijke ontwikkelingen te toetsen aan het vigerende waterbeleid en de wateraspecten volwaardig mee te laten wegen bij de besluitvorming omtrent een goede ruimtelijke ordening. Dit proces komt in samenwerking tussen de gemeente en waterbeheerder tot stand. In het uitwerkingsgebied wordt het waterbeheer gevoerd door Waterschap Scheldestromen. 5.8.1 Proces watertoets 1999-2015 Ten behoeve van het bestemmingsplan Mortiere (2003) is in overleg met het waterschap de watertoets doorlopen. In opdracht van de gemeente heeft bureau Tauw uitgangspunten en aanbevelingen geformuleerd voor de toepassing van duurzaam waterbeheer. Deze zijn later vertaald in een rapportage door Arcadis. Het waterschap is als klankbordgroep betrokken geweest bij de totstandkoming van het rapport en het hiermee samenhangende bestemmingsplan Mortiere. Over de verdere uitwerking van (onderdelen van) het plan is sindsdien overleg gevoerd met het waterschap. De uitgevoerde watertoets is te vinden in het bestemmingsplan. In overleg met het Waterschap Scheldestromen zijn de uitgangspunten uit de rapportage van Arcadis uit 1999 bij actualisering van het bestemmingsplan Mortiere in 2012 opnieuw beoordeeld. Hieruit blijkt dat de verdichting van het programma binnen de beoogde waterhuishouding kan worden opgevangen.
De verdichting van het woongebied heeft geen groter verhard oppervlak tot gevolg dan dat het gedeelte ten westen van de Mortiereboulevard was meegenomen. Hierdoor heeft de verdichting geen negatief effect op de waterhuishouding. Er wordt voldaan aan de waterdoelstellingen en er is geen noodzaak tot het treffen van aanvullende waterhuishoudkundige maatregelen anders dan de maatregelen die reeds zijn voorzien. In het kader van het vooroverleg is het concept ontwerpuitwerkingsplan in oktober 2015 toegezonden aan het Waterschap Scheldestromen. Hierbij heeft het waterschap aangegeven geen opmerkingen te hebben ten aanzien van het uitwerkingsplan. 5.8.2 Onderzoek 5.8.2.1 Afwatering Hoofdader in het watersysteem in Mortiere is de Mannezeesche Watergang die voor de ontwikkeling van Mortiere sterk is verbreed. Deze watergang heeft verschillende functies: 25
berging, afvoer en doorvoer van water. Daarnaast heeft de watergang een belangrijke functie als natte ecologische verbindingszone en voor de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. 5.8.2.2 Hydrologische situatie Voor een beschrijving van de bestaande situatie, zoals budemopbouw, geohydrologie, waterhuishouding en ecologische potenties, wordt verwezen naar het rapport van Tauw genaamd “Water in de Mortiere te Middelburg” d.d. 21 april 1999. 5.8.2.3 Watercompensatie Uitgangspunt voor het watersysteem in de woongebieden van Mortiere is dat wordt getracht regenwater maximaal te bergen binnen de eigen gebiedgrenzen. Er wordt gestreefd naar maximale afkoppeling van de hemelwaterafvoer van het rioolwatersysteem, waarbij het streefbeeld van het waterschap (afkoppelingspercentage 60%) gehaald wordt. Hiermee ontstaat een volledig gescheiden systeem. Om de woonlocaties heen wordt daarom open water aangeboden dat een peilfluctuatie toestaat. Binnen het woongebied is rond de parkstructuur open water geprojecteerd. In het golfbaanontwerp is veel oppervlaktewater (vijvers) voorzien. Al deze open waterpartijen staan met elkaar in verbinding. Samen kunnen deze waterpartijen ook in pieksituaties de neerslag in de woonbuurt bergen. In extreme gevallen bestaat de mogelijkheid dat de waterpartijen overstorten op de Mannezeesche Watergang.
In de woonwijk is tussen de waterstructuur aan de buitenzijde en rond het park nog een wateropvang (wadi) aangelegd in de vorm van een (in)filtratie strook van 4 meter breed langs de hoofdontsluitingsweg. Omdat de infiltratiecapaciteit van de bestaande bodem in Mortiere beperkt is, dient deze zone bijna uitsluitend als filterinstrument om het water vervolgens middels een drain af te voeren naar het open watercircuit. Doordat de infiltratiestrook een lichte greppelvorm krijgt, is hieraan een zekere bergingscapaciteit toegerekend. Het water van daken en kavelverharding wordt middels een open afvoer over het erf of middels een drain naar de straat gebracht. Daarvandaan wordt het, ofwel via molgoten onder afschot gevolgd door een zandvang met filter, ofwel via traditionele straatkolken of ontvangstputten en een ondergrondse pijpleiding naar het open water getransporteerd. Met de zichtbare afvoer over het erf wordt tegengegaan dat particuliere verontreinigingen verborgen en oncontroleerbaar in het open water van de buurt terechtkomen. Informatie over waterberging op het eigen erf - de ouderwetse regenton of moderne varianten daarvan, particuliere vijvers met bergingscapaciteit en particuliere initiatieven voor hergebruik van water - zijn in de vorm van een algemene gebruiksaanwijzing aan de bewoners van de nieuwe buurt meegegeven.
5.8.2.4 Geen gebruik van uitlogende materialen Er is een rioleringssysteem aangelegd op basis van een 100% gescheiden stelsel. Bij de bouw en inrichting van de onbebouwde ruimte (openbaar en particulier) mag er geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen (koper, lood, zink) en geïmpregneerd hout. Dit zal worden beschreven in de voorschriften en contracten met de ontwikkelaars en bouwers. 5.8.2.5 Onderhoud De watergangen rond het plangebied worden onderhouden door het waterschap, op grond van de in het verleden gemaakte afspraken tussen gemeente en waterschap.
5.8.3 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundig systeem ter plaatse. 5.9 Ecologie 5.9.1 Wettelijk kader Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan de natuurbeschermingswetgeving. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming (o.a. Natuurbeschermingswet 1998) en soortenbescherming (Flora- en faunawet). Met deze wetten zijn de Europese Vogelrichtlijn en de Europese Habitatrichtlijn verankerd in de nationale wetgeving. Onder gebiedsbescherming valt ook de toetsing aan het provinciaal ecologisch beleid, waarmee bepaalde gebieden en landschapselementen worden beschermd, zoals de Ecologische Hoofdstructuur en het weidevogelgebied. 5.9.1.1 Gebiedsbescherming Natuurbeschermingswet Gebiedsbescherming wordt gewaarborgd door de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw). Deze wet beschermt Natura 2000-gebieden, beschermde natuurmonumenten en wetlands. Voor activiteiten met een mogelijk effect op deze gebieden is toetsing aan de Nbw noodzakelijk. Natura 2000 Voor het uitvoeren van projecten en handelingen die negatieve effecten kunnen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied en die niet nodig zijn voor het beheer van het Natura 2000-gebied, is een vergunning nodig. Het bevoegd gezag hiervoor zijn Gedeputeerde Staten, tenzij de Nbw-procedure aanhaakt bij de omgevingsvergunning.
In dat geval zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag, maar is er een verklaring van geen bedenkingen van GS nodig. Instandhoudingsdoelstellingen beschrijven de doelen voor natuurlijke habitats of populaties van de in het wild levende dier- en plantensoorten om een gunstige staat van instandhouding te waarborgen. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan moet op grond van artikel 19j van de Nbw rekening worden gehouden met de effecten van het plan op Natura 2000gebieden. Ook activiteiten buiten het Natura 2000-gebied kunnen negatieve effecten op de instandhoudings-doelstellingen van het Natura 2000-gebied hebben. Dit wordt 'externe werking' genoemd. Van negatieve effecten is sprake als, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, een habitattype verslechtert of soorten significant worden verstoord. Deze bescherming geldt alleen voor de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Projecten en handelingen die de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied aantasten zijn in ieder geval vergunningplichtig op grond van artikel 19d Nbw. Beschermde Natuurmonumenten Bij de aanwijzing van Natura 2000-gebieden is het mogelijk dat (delen van) Beschermde Natuurmonumenten binnen de grenzen van het Natura 2000-gebied vallen.
Indien dit het geval is houdt dit in dat, het betreffende aanwijzingsbesluit tot natuurmonument is komen te vervallen (artikel 15a, lid 2 Nbw). Echter, het voormalig beschermd natuurmonument is nog wel beschermd op grond van de doelstellingen ten aanzien van het behoud, herstel en de ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van het gebied zoals bepaald in het van rechtswege vervallen besluit (artikel 15a, lid 3 Nbw). Concreet
betekent houdt dit in dat de status van Natuurmonument, na aanwijzing als Natura 2000gebied, is komen te vervallen maar de doelstellingen niet. Op grond van artikel 19j lid 1 hoeft niet te worden getoetst aan de doelstellingen van een (voormalig) beschermd natuurmonument. Er moet echter wel op grond van de goede ruimtelijke ordening en het zorgpllchtartikel 191 Nbw, wurden getoetst aan deze doelstellingen. Met andere woorden: er moet zicht zijn op de haalbaarheid van het plan. Indien het plan effecten kan hebben op het voormalig beschermd natuurmonument, moet worden beoordeeld of hiervoor een vergunning ex artikel 16 Nbw noodzakelijk is en of deze kan worden verleend. In dit artikel is namelijk bepaald dat het verboden is zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het beschermd natuurmonument of voor dieren of planten in het beschermd natuurmonument of die het beschermd natuurmonument ontsieren. Ecologische Hoofdstructuur Het voormalige ministerie van LNV heeft in 1990 de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) geïntroduceerd. De EHS bestaat uit een netwerk van natuurgebieden. Het doel van de EHS is de instandhouding en ontwikkeling van deze natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan.
De EHS wordt beschermd via regelgeving onder de Wet ruimtelijke ordening. Het in de Nota Ruimte vastgelegde rijksbeleid ten aanzien van de begrenzing en de bescherming van de EHS, is vertaald in regelgeving in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, dat per provincie is uitgewerkt in een provinciale ruimtelijke verordening. Om te kunnen bepalen of de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied significant worden aangetast, moet het bevoegd gezag (de gemeente) erop toezien dat hiernaar door de initiatiefnemer onderzoek wordt verricht. Gemeenten moeten het in de verordeningen en beleidsregel vastgelegde beschermingsregime voor de EHS verankeren in bestemmingsplannen en ook de naleving daarvan borgen bij het (verlenen van omgevingsvergunningen voor het) afwijken van ruimtelijke regels. Overigens kan een gebied, naast een onderdeel zijn van de EHS, tegelijkertijd een Natura 2000-gebied zijn. Als er sprake zou zijn van tegenstrijdige vereisten, dan is het beschermingsregime Natura 2000 leidend. 5.9.1.2 Soortenbescherming Soortenbescherming wordt gewaarborgd door de Flora- en faunawet (hierna: Ffw). De Ffw beschermt alle in het wild levende soorten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in verschillende beschermingscategorieën.
De beschermde diersoorten (vogels, vissen, zoogdieren, amfibieën, reptielen, insecten, ongewervelden, et cetera) en ongeveer 100 plantensoorten zijn te vinden in tabellen, die deel uitmaken van de Ffw. Daarnaast zijn alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen beschermd tijdens de broedperiode en zijn van een aantal soorten de vaste rust- en . verblijfplaatsen en functionele omgeving jaarrond beschermd. Het uitgangspunt van de Ffw is dat alles wat schadelijk is voor beschermde soorten verboden is, zoals het verstoren, verontrusten, doden, vangen, plukken, vernielen, verwonden van soorten of het wegnemen, vernielen of verstoren van hun verblijfplaats. Van het verbod kan alleen onder bepaalde voorwaarden worden afgeweken. Voor alle activiteiten met een mogelijk effect op beschermde dier- en plantensoorten is toetsing aan de Ffw noodzakelijk. Activiteiten waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, dienen voorkomen te worden, bijvoorbeeld door het treffen van mitigerende maatregelen. Indien dit 28
niet mogelijk is, dan is het uitvoeren van een dergelijke activiteit alléén toegestaan met een ontheffing van het Ministerie van EZ. Een mitigatieplan of ontheffing dient in het bezit te zijn voorafgaand aan de start van de uitvoeringsfase. Naast de verbodsbepalingen staat in de Ffw dat voor alle in het wild levende planten- en diersoorten de zogenaamde zorgplicht geldt. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. De zorgplicht geldt voor iedereen en voor alle planten en dieren, beschermd of niet. Bij beschermde planten of dieren geldt de zorgplicht ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. 5.9.2 Onderzoek 5.9.2.1 Gebiedsbescherming In de directe omgeving zijn geen gebieden aanwezen of aangemeld die vallen onder de Natuurbeschermingswet 1998 of deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur. 5.9.2.2 Soortenbescherming De gemeente Middelburg wil in de nieuwbouwwijk Mortiere braakliggende percelen ontwikkelen ten behoeve van woningbouw. Voor de betreffende percelen zijn in het verleden natuurtoetsen uitgevoerd. Gezien de verstreken tijd (langer dan 3 jaar RBOI 2008 en adviesbureau Wieland 2013)) na het opstellen van de natuurtoetsen is besloten een check te doen of er conflicten te verwachten zijn met de huidige natuurwetgeving (Flora- en Faunawet).
Met betrekking tot gebiedsbescherming zijn er geen wijzigingen. Hier is geen check naar verricht. De Flora- en faunawet beschermt aangewezen dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. Door handelingen in of in de nabijheid van het plangebied kunnen schadelijke gevolgen voor natuurwaarden optreden. Hierdoor kunnen er verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet worden overtreden. De Minister van Economische Zaken kan ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen indien aan bepaalde ontheffingscriteria wordt voldaan. Samenvattend betekent dit dat inzicht moet worden verkregen in de aanwezigheid van beschermde dier- en plantensoorten of leefgebieden van beschermde diersoorten en in de effecten van de ingrepen op deze soorten. Hiervoor is in mei 2016 een quickscan uitgevoerd door Adviesbureau Wieland met betrekking tot onder meer het naastgelegen plangebied 9B (bijlage 4). De uitkomsten daarvan gelden ook voor plangebied Huiskavel. Deze quickscan is een actualisatie van het eerder uitgevoerde natuuronderzoek dat is uitgevoerd in het kader van de realisatie van tijdelijke natuur in het plangebied. In het onderzoek is de aanwezigheid van zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën, vissen, ongewervelden en vaatplanten onderzocht.