CConstaterende datMeppel
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerp BP Raadhuislaan en Het Weeme

1 - RAADSVERGADERING 17 juni 2021, gemeente MeppelBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Nijeveen - Raadhuislaan en Het Weeme33.749 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Beoordeling

Ter plaatse van de kavelingang zijn in de grond puinresten waargenomen. Op basis van zintuiglijke waarnemingen is in het opgeboorde materiaal geen asbestverdacht materiaal waargenomen (indicatieve waarneming). In de bovengrond is een verhoogd gehalt kobalt, lood en nikkel (zware metalen) ten opzichte van de achtergrondwaarde. De verhoogd gemeten gehalten overschrijden de tussenwaarde voor nader onderzoek niet en geven daardoor uit milieuhygiënische overweging, naar onze mening, geen directe aanleiding tot het instellen van aanvullend onderzoek. In de ondergrond zijn geen verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde aangetroffen. Het grondwater bevat een verhoogte gehalte aan barium (zware metalen) ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het verhoogd gehalte in het grondwater overschrijdt de tussenwaarde voor nader onderzoek niet, en geeft daardoor uit milieuhygiënische overweging, naar onze mening, geen directe aanleiding tot het instellen van aanvullend onderzoek. 5.3.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.4

Luchtkwaliteit

5.4.1

Algemeen

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In de Wet milieubeheer staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). 5.4.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit 'Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteit)' staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip "niet in betekenende mate" is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats.

26 ontwerp)

bestemmingsplan "Nijeveen - Raadhuislaan en Het Weeme" (

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.4.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn bijv. scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.4.2

Beoordeling

Voor 'kleinere' ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft VROM in samenwerking met InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan luchtverontreiniging. Het doel van deze tool is: het vaststellen van grenzen voor het aantal extra voertuigbewegingen dat niet zal leiden tot een concentratietoename die groter is dan de grens voor niet in betekenende mate. De onderstaande afbeelding geeft de worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit weer. Hierbij is uitgegaan van een toename van 121,6 vervoersbewegingen per etmaal (zie ook paragraaf 5.10) als gevolg van de gewenste ontwikkeling.

Tevens wordt opgemerkt dat de functies in het plangebied niet worden aangemerkt als gevoelige bestemmingen in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.4.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.

bestemmingsplan "Nijeveen - Raadhuislaan en Het Weeme" (ontwerp) 27

5.5

Externe veiligheid

5.5.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.5.2

Beoordeling

Aan hand van de risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven. Het plangebied is met de rode omlijning aangegeven.

28 ontwerp)

bestemmingsplan "Nijeveen - Raadhuislaan en Het Weeme" (

Afbeelding 5.1

Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat in en rondom het plangebied geen risicovolle inrichtingen, transportroutes en transportleidingen aanwezig zijn. 5.5.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid en een goede ruimtelijke ordening.

5.6

Bedrijven en milieuzonering

5.6.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende bestemmingsplan "Nijeveen - Raadhuislaan en Het Weeme" (ontwerp) 29

activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.6.1.1 Gebiedstypen In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer.

Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ als volgt omschreven: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.’ De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied kan het best worden ondergebracht in het omgevingstype 'rustige woonwijk', vanwege de ligging in de kern Nijeveen, waar met name woningen gelegen zijn.

De volgende tabel geeft de richtafstanden voor de verschillende omgevingstypes weer.

5.6.2

Beoordeling

5.6.2.1 Algemeen Zoals hiervoor al genoemd wordt, dient bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

30 ontwerp)

bestemmingsplan "Nijeveen - Raadhuislaan en Het Weeme" (

5.6.2.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie. Het vormt dan ook geen belasting voor omliggende functies. 5.6.2.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In dit geval zijn de woningen milieugevoelige functies. In de omgeving van het plangebied zijn uitsluitend woningen gelegen. De dichtstbijzijnde milieubelastende functies zijn de centrumfuncties, op een afstand van tenminste 90 meter van het plangebied. Dit betreffen overigens functies in een lage categorie (1 of 2) welke slechts beperkt milieubelastend zijn. Gezien de ruime afstand is van een belemmering geenszins sprake 5.6.3

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend initiatief.

5.7

Ecologie

5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 5.7.2

Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet Natuurbescherming beschermd. Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Op circa 3 kilometer afstand bevindt zich het Natura 2000-gebied 'De Wieden'. In afbeelding 5.2 is de ligging van het plangebied ten opzichte van dit Natura-2000 gebied weergegeven.

bestemmingsplan "Nijeveen - Raadhuislaan en Het Weeme" (ontwerp) 31

Afbeelding 5.2

Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000 (Bron: Provincie Drenthe)

Om de effecten van de ontwikkeling ten aanzien van dit Natura 2000-gebied in beeld te brengen, is er een stikstofberekening met behulp van het programma Aerius uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De volledige berekening is opgenomen in Bijlage 2 bij deze toelichting. Uit de resultaten van de Aerius-berekening blijkft dat er op geen enkel Natura 2000-gebied sprake is van een toename aan stikstofdepositie. Van significante negatieve gevolgen van het voorgenomen plan voor Natura 2000-gebied als gevolg van stikstofdepositie is dan ook geen sprake.

Natuur Netwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NND is in provinciale structuurvisies) uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NND geldt het ‘nee, tenzij’principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied is gelegen op circa 2,5 kilometer afstand ten zuidwesten van een gebied aangemerkt als NNN. Gezien de afstand van het plangebied tot dit gebied, de ligging in binnenstedelijk gebied, de aard en omvang van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NND. In afbeelding 5.3 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000 en het Natuurnetwerk Drenthe weergegeven.

32 ontwerp)

bestemmingsplan "Nijeveen - Raadhuislaan en Het Weeme" (

Afbeelding 5.3 Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (Bron: Provincie Drenthe) 5.7.3

Soortenbescherming

5.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet er worden bekeken of hier een vrijstelling voor geldt anders moet er een ontheffing worden gevraagd. Natuurbank Overijssel heeft een Quickscan natuurwaardenonderzoek voor de locatie uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek worden hierna nader toegelicht. Alleen soorten die vastgesteld zijn of die zeer waarschijnlijk in het plangebied aanwezig zijn, worden in deze paragraaf besproken. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 3. 5.7.3.2 Onderzoeksresultaten Het plangebied behoort vermoedelijk tot het functionele leefgebied van verschillende vogel-, amfibieën en grondgebonden zoogdiersoorten. Deze soortgroepen benutten het onderzoeksgebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingslocatie. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied en benutten het plangebied niet als foerageergebied.

Voor de grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden en verwonden' en het 'beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties' (of de soort is niet beschermd). Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Vanwege de lokale invloedsfeer en de ligging op enige afstand tot beschermd (natuur)gebied, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van bestemmingsplan "Nijeveen - Raadhuislaan en Het Weeme" (ontwerp) 33

gebiedsbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden. 5.7.3.3 Conclusie Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.8

Archeologie en cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Beoordeling De gemeente Meppel heeft de archeologische waarde verwerkt in het bestemmingsplan. Op basis van het bestemmingsplan heeft het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Op gronden met deze bestemming is een archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen dieper dan 30 cm en groter dan 100 m2. Vorenstaande diepte en oppervlakte wordt naar verwachting gehaald, waardoor een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

Door Laagland Archeologie is een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (verkennende en karterende fase) uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Op de belangrijkste resultaten wordt nader ingegaan. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 4. Laagland Archeologie heeft in juli 2018 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek verkennende en karterende fase uitgevoerd aan de Weidelint te Nijeveen. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure vanwege het voornemen op het terrein nieuwe woningen te bouwen. Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Hiertoe zijn een aantal onderzoeksvragen opgesteld/ Op basis van het bureauonderzoek worden resten uit de periode laat-paleolithicum – vroegneolithicum en late middeleeuwen – nieuwe tijd verwacht. Het verkennende booronderzoek had tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. De karterende boringen hadden tot doel eventuele vindplaatsen op te sporen. Ook hiertoe zijn onderzoeksvragen opgesteld. Het veldonderzoek heeft in een aantal boringen een intacte Pleistocene ondergrond opgeleverd. Archeologische indicatoren zijn echter niet aangetroffen. De kans dat het plangebied archeologische resten bevat wordt daarom laag geacht.

Op basis van de resultaten van het veldonderzoek wordt geadviseerd geen archeologisch vervolgonderzoek in het plangebied uit te voeren. De implementatie van dit advies is in handen van de bevoegde overheid, de gemeente Meppel. Mochten tijdens de uitvoer van de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten aan het licht komen, dan dient onmiddellijk de gemeente of haar regioarcheoloog ingelicht te worden. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. 34 ontwerp)

bestemmingsplan "Nijeveen - Raadhuislaan en Het Weeme" (

In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Beoordeling Op 28 januari 2016 heeft de gemeenteraad van Meppel de ‘Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling Meppel, Uitbreidingswijken en buitengebied Meppel’ vastgesteld. Deze inventarisatie gaat in op de verbondenheid met het verleden en onderscheidend modernisme. Daarbij wil men cultuurhistorische dragers in de gemeente Meppel zichtbaar maken, waarderen en onderhouden. De gebiedsbeschrijving van de Uitbreidingswijken en Buitengebied van Meppel is verdeeld over veertien gebieden en daarbij zijn vier waarderingsniveaus te onderscheiden (top-, hoog-, midden- en basiskwaliteit). Het plangebied is gelegen binnen het ‘Buitengebied - Nijeveen, Kolderveen’ welke is aangeduid met de waarde ‘hoog’. Daarbij worden de uitbreidingswijken Nijeveen aangeduid met de waarde ‘basis’ en wordt verwezen naar de geldende voorwaarden. Volgens de aangegeven voorwaarden is binnen de uitbreidingswijken Nijeveen ruimte voor ontspannen ontwikkelingsgericht ruimtelijk beleid.

Daarbij is aangegeven dat transformatie mogelijk is, uitgaande van de historisch-stedenbouwkundige en - architectonische karakteristieken, waarbij in geval van nieuwe ontwikkelingen daarvan in meer of mindere mate onderbouwd kan worden afgeweken. Voorwaarde is dat ruimtelijke ontwikkelingen geen afbreuk dienen te doen aan de landelijke karakteristiek van de kern van Nijeveen. De met dit plan voorgenomen ontwikkeling is afgestemd op de bestaande karakteristieken van de bestaande stedenbouwkundige structuur van het plangebied en de omgeving. In Hoofdstuk 3 zijn de stedenbouwkundige uitgangspunten van dit plan nader onderbouwd. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. bestemmingsplan "Nijeveen - Raadhuislaan en Het Weeme" (ontwerp) 35

Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.9.2

Beoordeling

5.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 3 kilometer afstand van het plangebied. Zoals is gebleken uit het in Bijlage 2 opgenomen stikstofonderzoek is er geen sprake van significante negatieve effecten ten aanzien van dit Natura 2000-gebiedn. Derhalve is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht.

Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het toevoegen van 16 grondgebonden woning binnen de bebouwde kom van de kern Nijeveen.

Het gaat om een kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen en andere milieugevoelige functies. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 6 dat dit wijzigingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 5.11.3 Conclusie

36 ontwerp)

bestemmingsplan "Nijeveen - Raadhuislaan en Het Weeme" (

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

5.10

Verkeer en parkeren

5.10.1 Algemeen Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 317 (oktober 2012)' van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie, 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. De gemeente Meppel beschikt over een eigen parkeernota: De nota Parkeernormen 2017. Ten aanzien van parkeren is deze nota als uitgangspunt gebruikt. Deze beleidsnotitie volgt de CROW parkeerkencijfers. In de volgende subparagrafen wordt nader op aspecten 'verkeer' en 'parkeren' ingegaan. 5.10.2 Verkeer De gemeentelijke nota parkeernormen noemt geen cijfers met betrekking tot verkeersgeneratie. Daarom is aansluiting gezocht bij de CROW. Qua woningtypologie worden daarom in het kader van de verkeersgeneratie de volgende woningtypen onderscheiden: Functie

Aantal

Verkeersgeneratie (per Totaal aantal woning) verkeersbewegingen per weekdagetmaal

Koop, vrijstaand

2

8,2 verkeersbewegingen per woning

16,4

Koop, twee-onder-één-kap

4

7,8 verkeersbewegingen per woning

31,2

Koop, tussen/hoek (rijenwoning)

10

7,4 verkeersbewegingen per woning

74

Totaal

121,6 verkeersbewegingen

De realisatie van de woningen levert een extra verkeersgeneratie van 121 verkeersbewegingen per weekdagetmaal op. Het plangebied zal worden ontsloten via de momenteel doodlopende takken van de Raadhuislaan en Het Weeme. De doodlopende delen zullen worden verlengd tot aan de houtwal aan de oostkant van het plangebied. De ontsluiting zal met name via de Raadhuislaan richting de Dorpsstraat lopen, die op een korte afstand van het plangebied ligt. De Dorpsstraat betreft een doorlopende verbindingsstraat, die het dorp Nijeveen ontsluit in oostelijke richting. Aan de westzijde komt de Dorpsstraat uit op de Nieuweweg, die een verbinding vormt met Meppel. De Raadhuislaan en de Dorpsstraat zijn van voldoende omvang om de extra verkeersgeneratie als gevolg van deze ontwikkeling op te vangen.

bestemmingsplan "Nijeveen - Raadhuislaan en Het Weeme" (ontwerp) 37

5.10.3 Parkeren Op basis van de gemeentelijke parkeernota ligt het plangebied binnen de zone 'schil'. Ten aanzien van woningen maakt de gemeente Meppel onderscheid in de functies 'wonen - duur', 'wonen - midden' en 'wonen - goedkoop'. In dit geval wordt er voor de vrijstaande woningen uitgegaan van de functie 'wonen duur'. Voor de twee-onder-één-kap woningen wordt uitgegaan van de functie 'wonen - midden'. Tot slot wordt voor de rijwoningen uitgegaan van de functie 'wonen - goedkoop'. Dit maakt onderstaand: Functie

Aantal en norm

Totaal

Wonen - duur

2*1,7

3,4

Wonen - midden

4*1,6

6,4

Wonen - goedkoop

10*1,4

14

Totaal

24 parkeerplaatsen (afgerond)

Bovenstaand maakt dat er in totaal moet worden voorzien in de aanleg van 24 parkeerplaatsen. In het openbaar gebied worden er 18 parkeerplaatsen aangelegd. Daarnaast worden er bij de 4 twee-onder-één-kap woningen per woning 2 parkeerplaatsen op eigen terrein aangelegd. Bij de 2 vrijstaande woningen worden er ook per woning 2 parkeerplaatsen op eigen terrein aangelegd. Tot slot wordt er bij 3 van de buitenste rijwoningen voorzien in 2 eigen parkeerplaatsen op eigen terrein. Totaal maat dit dat er 36 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Aan de parkeernorm wordt dan ook ruim voldaan.

5.11

Wateraspecten

5.11.1 Vigerend beleid 5.11.1.1

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.11.1.2

Provinciaal beleid

In de omgevingsvisie staat beschreven hoe de provincie Drenthe wil komen tot een robuust en klimaatbestendig watersysteem. Het vormt tegelijk het regionaal waterplan op grond van de Waterwet. Het provinciale waterbeleid is op veel onderdelen een voortzetting van het voorgaande beleid. Het regionaal waterplan zet sterker in op het op orde krijgen en houden van een watersysteem dat in staat is de gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Daarbij spelen de beekdalen een belangrijke rol. Zo wordt het beleid om aan de bovenlopen van de beekdalen een natuurfunctie toe te kennen, zo veel mogelijk voortgezet. Ook richt de provincie de beken zo natuurlijk mogelijk in, zodat daar zo veel mogelijk water vastgehouden kan worden. Daarnaast moet de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater verder verbeterd worden. 5.11.1.3

Waterschap Drents Overijsselse Delta

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het beleid van het Waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021, de beleidsnota Water Raakt!, Strategische Nota Rioleringsbeleid 2007, Visie Beheer en 38 ontwerp)

bestemmingsplan "Nijeveen - Raadhuislaan en Het Weeme" (

Onderhoud 2050, Beleid Beheer en Onderhoud Stedelijk water 2013-2018 en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De genoemde beleidsdocumenten kunnen worden ingezien op het hoofdkantoor van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Ook zijn deze te raadplegen op de internetsite: www.wdodelta.nl. Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Als de hemelwaterafvoer: niet wordt aangesloten op een gescheiden rioolstelsel; of niet wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel: is oppervlakkige afvoer en infiltratie in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. 5.11.2 Waterparagraaf Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd.

In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). Op basis van deze digitale toetsing valt de ontwikkeling onder de normale procedure. Voor het watertoetsresultaat wordt verwezen naar Bijlage 5 bij deze toelichting. Als onderdeel van de normale procedure beoordeelt het waterschap de informatie die is ingestuurd bij de digitale toetsing. Hierna wordt op de relevante aspecten. Waterhuishouding en waterkwaliteit het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd.

Het waterschap is verantwoordelijk voor een goede waterkwaliteit van het regionale watersysteem. Om verontreiniging van het watersysteem te voorkomen adviseert het waterschap om materialen zoals lood, koper en zink niet te gebruiken als het hemelwater vrij afstroomt naar het watersysteem. Opgemerkt wordt dat bij het realiseren van de ontwikkeling geen gebruikt gaat worden gemaakt van uitlogende materialen. Er is dan ook geen sprake van negatieve effecten op de grondwaterkwaliteit. Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen bestemmingsplan "Nijeveen - Raadhuislaan en Het Weeme" (ontwerp) 39

van wateroverlast. Bij de uitvoering van de toekomstige woningen wordt rekening gehouden met het voorkomen van wateroverlast. Afvalwater Het afvoeren van afwalwater geschied op de bestaande riolering, zoals aangegeven op de tekening van de inrichting (Bijlage 6). Hemelwater In het plan wordt gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Het hemelwater wordt niet afgekoppeld op het bestaande riool, maar infiltratie in de bodem en afvoer naar de plasberm is het uitgangspunt. Waterberging In nader overleg is door het waterschap aangegeven dat het van belang is om te voorzien in voldoende waterberging. Vuistregel van het waterschap is dat er in het plan 10% van de toename aan verhard oppervlakte dient te woren gecompenseerd in de vorm van waterberging. Het gaat dan om de opvang en infiltratie van hemelwater. In dit geval is de totale toename aan verharding 4.235 m2. Hierbij is er vanuit gegaan dat de totale toename aan verharding de volgende gronden betreffen. Dit zijn de gronden waarop verharding (planologisch) mogelijk is. de bestemming 'Verkeer'; de bouwvlakken binnen de bestemming 'Wonen'; 16 bijgebouwen van 70 m2 buiten de bouwvlakken in de bestemming 'Wonen'. Het waterschap hanteert de norm dan 10% aan verhard oppervlakte dient te worden gecompenseerd. In totaal is dit 423,5 m2. Het gaat om een sloot met een lengte van 110 m.

Per strekke meter kan 1,3 m3 worden geborgen. Met een minimale peilstijging van 0,3 m betekent dit een berging van circa 475 m2 waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de opgaven van 423,5 m2. In dit geval wordt de compensatie geregeld door de verbreding van de bestaande sloot door middel van een plasberm. Deze plasberm dient te voorzien in de benodigde berging. Eén en ander is vertaald in een dwarsdoorsnede van de plasberm. Een uitsnede hiervan is opgenomen in Bijlage 6. Overigens wordt vermeld dat voor het gebruik van de betreffende sloot afstemming is gezocht met het waterschap.

40 ontwerp)

bestemmingsplan "Nijeveen - Raadhuislaan en Het Weeme" (

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische toelichting en planverantwoording

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

6.2

Opzet van de regels

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.

Inleidende regels (begrippen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels.

6.2.1

Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 6.2.2

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, oppervlakte, etc.); Nadere eisen: het recht van burgemeester en wethouders om nadere eisen te stellen aan diverse aspecten van bebouwing; Afwijken van de bouwregels: regels die het mogelijk maken om middels een omgevingsvergunning op ondergeschikte punten van de bouwregels af te wijken; Specifieke gebruiksregels: in deze regels zijn vormen van strijdig gebruik opgenomen; Afwijken van de gebruiksregels: regels die het mogelijk maken om middels een omgevingsvergunning op ondergeschikte punten van de gebruiksregels af te wijken; In paragraaf 6.3 worden de bestemmingennader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven

bestemmingsplan "Nijeveen - Raadhuislaan en Het Weeme" (ontwerp) 41

waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. 6.2.3

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 7) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 8 ) In dit artikel zijn regels opgenomen ten aanzien van ondergronds bouwen en het bouwen buiten het bouwvlak Algemene gebruiksregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. In dit artikel zijn enkele vormen van strijdig gebruik opgenomen. Algemene afwijkingsregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels geven burgemeester en wethouders de bevoegdheid om op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken. Overige regels (Artikel 11) In de overige regels is de werking van wettelijke regelingen in het kader van dit bestemmingsplan nader beschreven en is een regeling opgenomen ten aanzien van parkeren. 6.2.4

Overgangs- en slotbepalingen

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotbepalingen. In de overgangsbepalingen is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan.

6.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Groen (artikel 3) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de groenstrook in het noordwesten van het plangebied. Gronden met deze bestemming zijn hoofdzakelijk bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting, parken en plantsoenen. Er zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met inachtneming van de opgenomen maatvoeringseisen. Tuin (artikel 4) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de voortuinen (voor de voorgevels) en de zijerven van de aan openbaar gebied grenzende woningen. Deze gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor de tuinen behorende bij aangrenzende woningen.

In de bouwregels is bepaald dat erkers, ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen ten dienste van de bestemming tuin zijn toegestaan. Voor de genoemde bouwwerken zijn maatvoeringen opgenomen.

42 ontwerp)

bestemmingsplan "Nijeveen - Raadhuislaan en Het Weeme" (

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn tevens toegestaan, een en ander met inachtneming van de aangegeven maximale bouwhoogten. In de specifieke gebruiksregels zijn vormen van strijdig gebruik opgenomen. Verkeer (Artikel 5) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de infrastructuur. Dit betreft in dit geval de twee door te trekken straten en de parkeerterreinen. Deze bestemming is bestemd voor woonstraten, pleinen, parkeervoorzieningen, fiets- en voetpaden. Gebouwen zijn toegestaan tot een oppervlakte van 20 m2 en met een bouwhoogte van 6 meter, het gaat hierbij om nutsvoorzieningen (trafo's). Daarnaast zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, een en ander met inachtneming van de aangegeven maximale bouwhoogten. Wonen (Artikel 6) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de nieuwe woningen. Deze gronden zijn bestemd voor wonen, en de uitoefening van een aan huis verbonden beroep. Tevens zijn tuinen en verhardingen, (achter)paden en bebouwing toegestaan. Er is gekozen voor een flexibele regeling, waarbij de bouwregels onderscheid maken in: Algemene bepalingen; Hoofdgebouwen; Bijbehorende bouwwerken; Bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hoofdgebouwen Voor wat betreft de hoofdgebouwen zijn bouwvlakken opgenomen, waarbinnen de hoofdgebouwen dienen te worden gebouwd. Per bouwvlak is bepaald hoeveel woningen er mogen worden gebouwd.

De goot- en bouwhoogte en dakhellingen van de woningen zijn middels maatvoeringsaanduidingen op de verbeelding opgenomen. Voor de hoofdgebouwen is de maximale breedte bepaald pp 5 meter. Voor ondergeschikte bouwdelen is een afwijking hierop opgenomen. Bijbehorende bouwwerken Voor wat betreft de bijbehorende bouwwerken geldt dat deze op minimaal 3 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw dienen te worden gebouwd (geldt niet voor overkappingen), daarnaast dienen ze ten minste 1 meter uit of op de zijdelingse bouwperceelgrens te worden gebouwd. De gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bedraagt 70 m2, mits niet meer dan 50% van het achtererf is bebouwd. Ten aanzien van de goothoogte is bepaald dat deze ten hoogste 3,3 meter mag bedragen, met dien verstande dat de goothoogte mag worden verhoogt tot ten hoogste de bovenkant van de vloer van de eerste verdieping van het gebouw, vermeerderd met de hoogte van de dakopstand. De bouwhoogte bedraagt 5 meter in het geval van vrijstaande bijbehorende bouwwerken, voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken is deze bepaald op 3,3 meter. De dakhelling van bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 60°. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor wat betreft bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is bepaald dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel maximaal 1 meter bedraagt.

Achter de voorgevel bedraagt dit 2 meter. Tot slot bedraagt de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, een bouwhoogte van 6 meter. Afwijkingen Van de bouwregels kan op ondergeschikte punten worden afgeweken. Deze afwijkingen geven mogelijkheid tot het verhogen van de dakhelling of de wijziging van situering van bijbehorende bouwwerken. Specifieke gebruiksregels en afwijkingen De specifieke gebruiksregels geven vormen van strijdig gebruik aan. In de afwijkingen van de gebruiksregels worden mogelijkheden geboden om een bedrijf aan huis onder voorwaarden toe te staan.

bestemmingsplan "Nijeveen - Raadhuislaan en Het Weeme" (ontwerp) 43

Hoofdstuk 7 7.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Het project betreft een particulier initiatief. Voor dit project wordt een anterieure overeenkomst gesloten zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

7.2

Procedures

7.2.1

Voorontwerpbestemmingsplan

In de bestemmingsplanprocedure is het verplicht vooroverleg te voeren met verschillende van belang zijnde instanties. Dit is geregeld in artikel 3.1.1 van het Bro. Het houden van inspraak is niet wettelijk verplicht. De gemeente Meppel hecht er echter waarde aan en heeft in haar Inspraakverordening opgenomen dat een inspraakperiode van 6 weken in een bestemmingsplanprocedure wenselijk is. Daarom is voorliggend bestemmingsplan als voorontwerp voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Deze periode vond plaats tussen 11 juni 2020 en 22 juli 2020. In deze periode zijn er 18 inspraakreacties binnengekomen. Deze inspraakreacties hebben niet gelijk tot inhoudelijke aanpassingen aan het plan. Wel is er een ambtshalve wijziging doorgevoerd. In artikel 11 van de regels is opgenomen dat voor het bepalen van de parkeerbehoefte de beleidsregels met betrekking tot parkeren leidend zijn, zoals deze luiden ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerpbestemmingsplan. Daarnaast zijn in de verbeelding enkele kleine aanpassingen gedaan aan de begrenzing van bestemmingsvlakken en bouwvlakken om kleine verschillen tussen de verbeelding en het bouwplan op te lossen. 7.2.2

Ontwerpbestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan wordt opgesteld, na de behandeling van het overleg en de inspraak. Nadat dit gepubliceerd is in de Staatscourant, op internet en andere geschikte manier, ligt het ontwerpbestemmingsplan zes weken ter inzage. Een ieder is daarbij in de gelegenheid een zienswijze op het plan in te dienen. Eventueel ingediende zienswijzen worden door de gemeenteraad voorzien van een antwoord. De eventuele zienswijzen kunnen leiden tot wijzigingen in dit bestemmingsplan. Deze procedure heet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Deze is beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze paragraaf zal verder worden aangevuld na afloop van de ter inzage termijn van het ontwerpbestemmingsplan. 7.2.3

Vastgesteld bestemmingsplan

De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vervolgens, al dan niet gewijzigd, vast. De publicatie van het vaststellingsbesluit vindt (over het algemeen) in de Staatscourant, op internet en andere geschikte manier plaats binnen twee weken na de vaststelling. Tijdens de daarop volgende inzagetermijn (6 weken) is het mogelijk beroep in te stellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het vaststellingsbesluit treedt in werking op de eerste dag ná de dag waarop de beroepstermijn afloopt, tenzij er een voorlopige voorziening is aangevraagd.

44 ontwerp)

bestemmingsplan "Nijeveen - Raadhuislaan en Het Weeme" (

Sigma Bouw & Milieu Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen Tel. (0591) 65 91 28 Fax (0591) 65 93 25 www.sigma-bm.nl E-mail info@sigma-bm.nl

Onderwerp:

Projectnummer: Opdrachtgever: Datum:

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Het Weeme perceel sectie H nr. 939(ged.) te Nijeveen 18-M8569 BJZ.nu 21 september 2018

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Het Weeme perceel sectie H nr. 939(ged.) te Nijeveen

onderwerp

datum

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Het Weeme perceel sectie H nr. 939(ged.) te Nijeveen 21 september 2018

projectnummer

18-M8569

in opdracht van

BJZ.nu Dr. Van Deenweg 13 8025 BP Zwolle

uitgevoerd door

Sigma Bouw & Milieu Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen tel: (0591) 659128 fax:(0591) 659325

.

Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens de norm NEN-EN-ISO 9001:2008, het uitvoeren van milieukundige bodemonderzoeken en geotechnische onderzoeken Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Monsterneming Bouwstoffenbesluit SIKB 1000 protocol 1001: Monsterneming grond voor partijkeuringen” Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek SIKB 2000 protocollen 2001, 2002 en 2018” Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Milieukundige begeleiding (water)bodemsaneringen en nazorg SIKB 6000, protocol 6001: Milieukundige begeleiding landbodemsanering met conventionele methoden”

(het onderhavige onderzoek heeft uitsluitend betrekking op de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000, protocol 2001 en 2002) Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middels van druk, fotokopie, microfilm of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de opdrachtgever of Sigma Bouw & Milieu.

september 2018

2

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Het Weeme perceel sectie H nr. 939(ged.) te Nijeveen

INHOUD

1 INLEIDING ...................................................................................................................................... 4 1.1 Algemeen ............................................................................................................................. 4 1.2 Aanleiding van het verkennend milieukundig bodemonderzoek .......................................... 4 1.3 Doel van het onderzoek ....................................................................................................... 4 1.4 Referentiekader van het onderzoek ..................................................................................... 4 1.5 Opbouw van het rapport....................................................................................................... 5 2 VOORONDERZOEK ...................................................................................................................... 6 2.1 Basisinformatie .................................................................................................................... 6 2.2 Keuze type vooronderzoek .................................................................................................. 8 2.3 Standaard vooronderzoek ....................................................................................................

8 2.4 Hypothese .......................................................................................................................... 11 3 VELDONDERZOEK...................................................................................................................... 12 3.1 Uitvoering van het veldonderzoek ...................................................................................... 12 3.2 Resultaten van het veldonderzoek ..................................................................................... 13 4 CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK ................................................................................... 15 4.1 Onderzoeksprogramma chemisch-analytisch onderzoek .................................................. 15 4.3 Analyseresultaten en interpretatie...................................................................................... 17 4.3.1 Milieuhygiënische kwaliteit grond ........................................................................................ 17 4.3.2 Milieuhygiënische kwaliteit grondwater .............................................................................. 19 5 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .........................................................................................

21 Aanbevelingen .............................................................................................................................. 22 Algemeen/opmerkingen/betrouwbaarheid/uitsluitingen ................................................................ 23 LITERATUURLIJST........................................................................................................................... 24 COLOFON ......................................................................................................................................... 25 BIJLAGEN 1. Topografisch overzicht incl. oude topografische overzichten 2. Onderzoekslocatie met boorplan (1:1.000) 3. Boorbeschrijvingen 4. Analysecertificaten SGS BV 5. Onafhankelijkheidsverklaring

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meppel&id=9854e1f1-abd2-4266-ada8-8b7d1ba35d5c