OER Omgevingsvisie Meppel
Tekst van het document
Negatieve effecten door mogelijk areaalverlies foerageer/rustgebied kwalificerende soorten, toename van stikstofdepositie en negatieve effecten van windmolens in het buitengebied Nijeveen. De transformatie van intensieve landbouw naar meer extensief met afname van bemesting kan dit effect deels compenseren. Alternatief 3 De hoge uitbreidingsopgave van 10.000 woningen ligt globaal in het noorden rondom Nieuwveense Landen, Nijeveen en bij Oosterboer. Het gebied rondom Nijeveen is van betekenis als foerageer en rustgebied voor kwalificerende vogelsoorten van het Natura 2000-gebied. De bouwopgave in dit gebied zorgt voor een afname aan geschikt foerageergebied. Daarnaast zorgt de toevoeging van 10.000 woningen voor hoge verkeersgeneratie met bijbehorende stikstofemissies. In dit alternatief worden nieuwe bedrijventerreinen voorzien in het gebied langs het spoor-A32, Noord IV en Rogat. Daarnaast wordt aan de Oevers nieuwe havenactiviteiten toegelaten. De uitbreiding van bedrijventerreinen en daarbij de havengebonden activiteiten zorgen voor een toename van stikstofemissies. De uitbreiding van bedrijventerreinen en woningen vinden voornamelijk plaats in agrarisch gebied, dat voornamelijk in gebruik is als bemest blijvend grasland. De effecten zijn hierdoor naar verwachting neutraal of licht negatief (-/0).
De uitbreiding van de havengebonden activiteiten vindt niet plaats op agrarische gronden, ook gezien de hogere te verwachten milie categorieën en de nabijheid van het Natura 2000-gebiede De Wieden zijn hier negatieve effecten te verwachten (-). De wind- en zonneparken worden voorzien in de zone langs het spoor-A32 en bij Rogat. Deze gebieden zijn mindere mate geschikt als foerageergebied voor o.a. purperreiger (0). De realisatie van waterkrachtcentrales
78
kunnen een barrière vormen voor en leiden tot sterfte van kwalificerende (trek)vissoorten (--). Sterfte door waterkrachtcentrales van migrerende vis is groot en kan leiden tot significante effecten. Aandacht voor mitigerende maatregelen is noodzakelijk om deze effecten te beperken/voorkomen. In de agrarische sector wordt ingezet op nieuwe teeltvormen zoals gewassen die gebruikt kunnen worden als bouwmateriaal. De inzet op nieuwe teeltvormen kan zowel negatief als positief uitpakken, wanneer de weidegronden worden gebruikt voor verbouwing van hennep kan er een negatief effect ontstaan op herbivore soorten als ganzen als gevolg van afname van foerageergebied. Wanneer wordt gekozen voor natte teelt zoals lisdodde of wilgen kan mogelijk wel een positief effect ontstaan op soorten die afhankelijk zijn van moerastypen. Alternatief 3 scoort per saldo negatief. Dit komt door de grote groeiopgave waaronder de havengebonden activiteiten met de daaraan gekoppelde stikstof emissies. Ook de realisatie van de waterkrachtcentrale brengt negatieve effecten met zich mee.
Mogelijke maatregelen en optimalisaties Hoewel de opgave voor het behalen van de instandhoudingsdoelen voornamelijk ligt bij de provincie zijn er wel maatregelen mogelijk die gericht zijn op het beperken van stikstofemissies door lokale bronnen, het voorkomen van areaalverlies ten aanzien van foerageergebied of slaapplaatsen en het voorkomen van verstoring. o Met betrekking tot stikstofdepositie gaat het bijvoorbeeld om stikstofreductie door middel van de transitie van het landelijk gebied naar een meer natuur inclusieve vorm waarbij de bemesting van de gronden afneemt, het stimuleren van openbaar vervoer om autogebruik en emissies te reduceren en in te zetten op duurzame bedrijvigheid. o Door de groei van de stad neemt de druk op de natuur toe, realisatie van extra natuur, aansluitend op de kern Meppel of als bufferzone rondom NNN en Natura 2000, kan de druk op het de bestaande natuurgebieden verminderen. Ook de aanleg van groenblauwe verbindingen dragen bij aan het robuuster worden van het NNN. Alternatieven 2, 3: o Om effecten van windturbines te kunnen minimaliseren is een goede locatiekeuze van belang waarbij afstand wordt gehouden van natuurgebieden waaronder Natura 2000 en te voorkomen dat windturbines in foerageergebieden of vlieg/trekroutes worden geplaatst.
Risico’s kunnen vermeden worden door een minimale afstand van 3km van het Natura 2000-gebied in acht te nemen.12 Nader onderzoek naar gebruik van het landelijk gebied en vliegbewegingen kan de locatiekeuze onderbouwen. Geschikte locaties zijn bijvoorbeeld zones nabij snelwegen aangezien de zone rondom snelwegen al enige mate verstoring kent waardoor dit gebied geen grote betekenis heeft als foerageer- of rustgebied (zoals in alternatief 3 is opgenomen). Mogelijke optimalisaties voor windturbines zijn een stilstandsregeling en/of hogere windturbines. Alternatief 2: o Om effecten van zonneparken te kunnen minimaliseren is de locatiekeuze van groot belang. Panelen dienen geplaatst te worden waar de impact op vogelsoorten relatief klein is; vermijd gebieden die van belang zijn als foerageer- of rustgebied. Onderzoek het gebruik van het landelijk gebied door kwalificerende vogelsoorten. Alternatieven 1, 3: o De dodelijke effecten van de waterkrachtcentrale op vissen zijn gedeeltelijk te mitigeren door aanleg van een visgeleidingssysteem een de centrale uit te zetten bij vismigratie pieken. De effecten van de barrière blijven echter negatief waardoor de mitigerende maatregelen naar verwachting niet voldoende zijn. Geadviseerd wordt om de waterkrachtcentrale niet te voorzien.
12
Buij et al. (2018) Kwetsbare soorten voor energie‐infrastructuur in Nederland. Wageningen Univserity. 449804 (wur.nl)
79
Beoordeling alternatieven De navolgende tabel geeft een samenvattend overzicht van de beoordeling op basis van de voorgaande effectbeoordeling. Bij het treffen van de voorgestelde maatregelen en optimalisaties pakt de beoordeling positiever uit, dit effect is aangeduid met een lichtere vormopvulling. Tabel 5.3 Effectbeoordelingstabel Natura 2000-gebieden
Biodiversiteit Voor het aspect biodiversiteit is gekeken naar de mogelijke effecten van inbreiding versus uitbreiding waarbij inbreiding een negatief effect kan hebben op de stedelijke soorten en de uitbreiding op de soorten van het landelijk gebied. Bij inbreiding is de druk op openbaar groen groter terwijl bij uitbreiding leefgebied van agrarische soorten verloren gaat. Ook zijn de effecten van de keuzes voor invulling aan de energieopgave beoordeeld, zoals plaatsing van windturbines, zonneparken en een waterkrachtcentrale. De groei van Meppel (woningen en bedrijvigheid) draagt daarnaast bij aan een toename van stikstofemissies die een negatief effect hebben op de biodiversiteit. Hoewel er een directe link is tussen biodiversiteit en stikstof, wordt stikstof voor dit aspect achterwege gelaten aangezien de toetsing van de alternatieven op dit aspect al heeft plaatsgevonden bij Natura 2000 en NNN. Alternatief 1 In alternatief 1 wordt gefocust op inbreiding in de vorm van transformatie en woningsplitsing. De inbreiding en geringe uitbreidingsopgave kunnen leiden tot effecten op verschillende soortgroepen. Bij inbreiding kunnen effecten ontstaan op soorten in het stedelijk gebied zoals o.a. vleermuizen en vogelsoorten. Onbebouwde (groene) locaties worden zoveel mogelijk behouden.
De uitbreidingslocaties kunnen effecten hebben op soorten van het agrarische gebied, zowel een afname in areaal als verstorende effecten (-). Aan de andere kant wordt in het buitengebied rondom Nijeveen ingezet op het verhogen van het grondwaterpeil waardoor het gebied geschikter (kwalitatief verbeterd) wordt voor meerdere soorten en de biodiversiteit kan toenemen (+). Ten aanzien van de energieopgave wordt zonne-energie opgewekt op de daken, de effecten van het plaatsen van zonnepanelen worden als neutraal beoordeeld (0). In sommige gevallen kan het plaatsen van zonnepanelen positief uitpakken zoals wanneer scholeksters broeden op daken en de jongen de benodigde schuilmogelijkheden vinden onder de zonnepanelen. Aandachtspunt is de realisatie van een waterkrachtcentrale, deze kan zoals eerder benoemd bij de effectbeoordeling op Natura 2000, een sterk negatief effect hebben op o.a. vissoorten. Ten aanzien van bedrijvigheid ligt de nadruk op inbreiding en extensieve uitbreiding. Over het algemeen is de biodiversiteit op een bedrijventerrein laag, er liggen hier veel kansen te bepalen om de biodiversiteit te vergroten. Uitgangspunt in dit alternatief is dat de binnenstedelijke uitbreiding of wijziging van bedrijfsactiviteiten niet ten koste mag gaan van bestaande groenblauwe structuren en waar mogelijk moeten leiden tot een versterking.
Bij bedrijfsontwikkeling is sprake van vergroening (natuurinclusief). De uitbreiding van bedrijventerreinen buiten stedelijk zijn van beperkte omvang met veel ruimte voor groen en water.
80
Alternatief 1 scoort in algemene zin positief. Er zijn kansen zoals het verhogen van het grondwaterpeil en natuurinclusieve ontwikkelingen. Aandachtspunten zijn de ontwikkelingen binnenstedelijk waarbij effecten kunnen ontstaan op stedelijke soorten waaronder vleermuizen en vogels en de realisatie van de waterkrachtcentrale. Alternatief 2 In alternatief 2 is sprake van een gelijke verdeling van in- en uitbreiding. De bouwopgave is in dit alternatief 5.000 woningen. De in- en uitbreidingen kunnen leiden tot effecten op zowel soorten van stedelijke als agrarische gebieden. In tegenstelling tot alternatief 1 is niet de insteek op onbebouwde locaties te behouden, ook is er geen specifieke aandacht voor groenblauwe inrichting ofwel natuurinclusief ontwerp. Er is hierdoor enkel sprake van negatieve effecten als gevolg van de woningbouw en uitbreiding van bedrijventerreinen (-). In het agrarisch gebied wordt een themapark gerealiseerd, in vergelijking met de referentiesituatie (agrarisch) kan het themapark leiden tot zowel positieve als negatieve effecten. Positieve effecten in de vorm van opheffing van bemesting van de agrarische gronden en verontreiniging. Negatief door verlies areaal open landschap dat van belang kan zijn voor bijvoorbeeld uilen. De energieopgave wordt behaald door realisatie van wind- en zonneparken verspreid over het buitengebied.
De realisatie van wind- en zonneparken kan leiden tot negatieve effecten door afname van geschikt areaal voor bv weidevogels evenals slachtoffers als gevolg van de windturbines. De effecten op biodiversiteit zijn hierdoor naar verwachting negatief. Alternatief 2 scoort per saldo negatief, dit komt door het ontbreken van randvoorwaarden voor behoud van groen en natuur inclusieve ontwikkeling en de realisatie van wind- en zonneparken verspreid over het gebied. Alternatief 3 Alternatief 3 gaat uit van een forse groei met 10.000 woningen en een nog grotere groei van het aantal arbeidsplaatsen. Er wordt ingezet op grote uitbreidingslocaties voor woningbouw, uitbreiding van bedrijventerreinen waaronder havengebonden bedrijvigheid. De grootschalige uitbreiding leidt tot een grotere druk op de bestaande groen- en natuurgebieden en afname van deze gebieden. Naast een toenemende druk zorgt de grote groei voor een toename van uitstoot, waarbij de (havengebonden)bedrijvigheid een groot aandeel zal hebben. Binnen de agrarische sector wordt ingezet op nieuwe teeltvormen (grondstoffen) en opwekking van energie. De realisatie van windparken vindt geconcentreerd plaats langs de A32 en op het bedrijvenpark Noord IV. Aangezien de realisatie van de windparken gecombineerd wordt met het bedrijventerrein leidt dit tot beperkte effecten.
De zone langs een snelweg is vaak niet van hoge waarde voor soorten vanwege de huidige aanwezige verstoring. Alternatief 3 scoort per saldo zeer negatief door de grootschalige groei waarbij de druk op bestaand groen toeneemt en het oppervlak groen afneemt. In het alternatief ontbreekt het aan randvoorwaarden voor groen- en natuurinclusief ontwikkelen. De realisatie van een waterkachtcentrale zorgt daarnaast voor sterk negatieve effecten op o.a. vissoorten. Mogelijke maatregelen en optimalisaties Door de groei van de stad kunnen negatieve effecten ontstaan op soorten van de stedelijke omgeving alsook in het buitengebied. Om de effecten op de biodiversiteit te kunnen mitigeren zijn de volgende maatregelen mogelijk: o De in- en uitbreidingsopgave kunnen leiden tot een afname leefgebied van soorten. Bij inbreiding gaat dit voornamelijk om stedelijke soorten, door natuurinclusief te bouwen wordt het effect gemitigeerd. Bij uitbreiding gaat landelijk gebied verloren wat van betekenis is voor o.a. weidevogels. Bouw zoveel mogelijk in minder geschikt leefgebied, zoals langs bestaande wegen. o De groei van de stad en grootschalige verduurzaming van het huidige woningbestand kan een groot negatief effect hebben op gebouw bewonende soorten als 81
vleermuizen o.a. door na-isolatie. Om effecten te kunnen voorkomen kan gemeentebreed onderzoek worden uitgevoerd aanwezige verblijfplaatsen voor gebouwbewonende soorten zodat hier rekening mee kan worden gehouden bij toekomstige ontwikkelingen. Door een gebiedsgerichte ontheffing aan te vragen op grond van een soortenmanagementplan kan een positieve bijdrage worden geleverd aan de biodiversiteit. o Omvorming van landbouw naar natuur inclusieve landbouw waardoor meer variatie in vegetatie en soorten ontstaat. Alternatieven 2, 3: o Om effecten van windturbines te kunnen mitigeren is een goede locatiekeuze van belang waarbij afstand wordt gehouden van natuurgebieden waaronder Natura 2000 en te voorkomen dat windturbines in foerageergebieden of vlieg/trekroutes van vogels of vleermuizen worden geplaatst. o Het aantal slachtoffers kan sterk worden geminimaliseerd door een stilstand voorziening tijdens gevoelige periodes ofwel perioden met hoge vleermuisactiviteit (lage windselheden <6ms en hoge temperaturen >10 graden Celsius in avondperiode) en in vogeltrekperioden van vogels. Alternatieven 1, 3: o De dodelijke effecten van de waterkrachtcentrale op vissen zijn gedeeltelijk te mitigeren door aanleg van een visgeleidingssysteem een de centrale uit te zetten bij vismigratie pieken.
De effecten van de barrière blijven echter negatief waardoor de mitigerende maatregelen naar verwachting niet voldoende zijn. Geadviseerd wordt om de waterkrachtcentrale niet te voorzien. Beoordeling alternatieven De navolgende tabel geeft een samenvattend overzicht van de beoordeling op basis van de voorgaande effectbeoordeling. Bij het treffen van de voorgestelde maatregelen en optimalisaties pakt de beoordeling positiever uit, dit effect is aangeduid met een lichtere vormopvulling. Tabel 5.4 Effectbeoordelingstabel Biodiversiteit
5.2.2 Bodem, water en klimaat Bodem Het aspect bodem is beoordeeld aan de hand van de indicatoren mate van bodemverontreiniging (chemische bodemkwaliteit), het bodemleven en de gevoeligheid voor bodemdaling. Met betrekking tot de mate van bodemverontreiniging wordt als uitgangspunt genomen dat bij toekomstige ontwikkelingen de verontreinigingen geen verslechtering zal plaatsvinden gezien het huidige beleid, het effect is voor alle alternatieven als neutraal beoordeeld. Wat betreft het bodemleven ofwel de bodemvitaliteit wordt gekeken naar of de alternatieven leiden tot een toename van verhard oppervlak door bijvoorbeeld uitbreiding woningbouw/bedrijventerreinen en veranderingen in de landbouw/teelten. Alternatief 1 Gevoeligheid voor bodemdaling
82
Alternatief 1 zet in op de verhoging van het grondwaterpeil in het landelijk gebied rondom Nijeveen. In dit gebied is het watersysteem recent aangepast, waarbij het grondwaterpeil is verlaagd om het veengebied droog en geschikt te houden voor agrarisch gebruik. In dit gebied is door veenoxidatie sprake van een grote kans op bodemdaling. Een verhoging van het grondwaterpeil stopt de veenoxidatie en daarbij de bodemdaling (++). Bodemleven Als gevolg van de transitie naar een meer natuurinclusieve landbouw en verhoging van het grondwaterpeil resulteert in een afname van bemesting, verontreiniging en bewerking van de bodem. De bodem heeft hierdoor kans om zich te herstellen en dit zal op den duur resulteren in positieve effecten. Ook de randvoorwaarden voor groen en natuurinclusieve ontwikkelingen in en buiten de stad hebben een positief effect op het bodemleven (+). Alternatief 2 Bodemdaling Met alternatief 2 wordt ingezet op de inbreiding en uitbreiding van bestaand stedelijk gebied. Door bouwwerken toe te voegen wordt het verhard oppervlak vergroot waardoor hemelwater moeilijker de bodem ik kan. Dit kan zonder maatregelen negatieve effecten hebben op de grondwaterstand. Binnen het plangebied zijn veenlagen aanwezig en door verdroging ontstaat veenoxidatie waardoor de bodemdaling intreedt (-).
Bodemleven In dit alternatief wordt ook ingezet op het ontwikkelen van een stevige groenblauwe structuur waardoor compensatie van het verhard oppervlak mogelijk is. Bij de concrete uitwerking is de samenhang tussen een groenblauwe structuur en nieuwe bebouwing een aandachtpunt. Door het ontbreken aan randvoorwaarden voor groen en natuurinclisiviteit is het effect neutraal (0). Alternatief 3 Bodemdaling Alternatief zet in op een flinke uitbreiding van het bestaande bebouwd gebied inclusief bedrijventerreinen. De bouwlocaties liggen onder andere in Nijeveen, het gebied dat door veenlagen gevoelig is voor bodemdaling. Door toename van verharding en daarnaast de druk van bebouwing op slappe grond kan de bodemdaling in dit gebied versnellen (-). Bodemleven Het intensief gebruiken van de bodem in de vorm van verharding of het bewerken van grond is funest voor het bodemleven. In dit alternatief is sprake van een grote toename aan verharding. Hoewel er wordt ingezet op nieuwe groenzones gekoppeld aan de woningbouw met positieve effecten op bodem en grondwater, is het effect op het bodemleven als negatief beoordeeld. Dit vanwege de grote toename in verhard oppervlak. Mogelijke maatregelen en optimalisaties Met betrekking tot het bodemleven/de bodemvitaliteit is er op dit moment geen vastgesteld beleid.
Maatregelen die kunnen worden getroffen om de negatieve effecten te mitigeren zijn: o Door de samenhang tussen het aanbrengen van verhardoppervlak en de compensatie kunnen mogelijke negatieve effecten worden gemitigeerd. Zorg bij de concrete uitwerking voor de samenhang tussen verhardoppervlak en compensatie. Alternatief 2, 3: ‐ Stel randvoorwaarden voor het oppervlak openbaar groen per inwoner waardoor het bodemleven in het stedelijk gebied kan verbeteren.
83
‐
Transitie naar extensieve meer natuurinclusieve landbouw waarbij bemesting en bewerking van de bodem wordt beperkt, kan het bodemleven in het landelijk gebied sterk verbeteren.
Beoordeling alternatieven De navolgende tabel geeft een samenvattend overzicht van de beoordeling op basis van de voorgaande effectbeoordeling. Bij het treffen van de voorgestelde maatregelen en optimalisaties pakt de beoordeling positiever uit, dit effect is aangeduid met een lichtere vormopvulling. Tabel 5.5 Effectbeoordelingstabel Bodem
Water Het aspect water wordt beoordeeld aan de hand van de indicatoren waterkwaliteit en waterkwantiteit. Negatieve effecten op waterkwantiteit zijn o.a. de toename van verharding, bebouwing in gebieden met beekdalen en/of gebieden waar sprake is van bodemdaling. Het effect op waterkwantiteit wordt positief beoordeeld wanneer het bergend vermogen toeneemt. Ten aanzien van de waterkwaliteit kan door de toename van bedrijvigheid een negatief effect ontstaan. Bij waterkwaliteit kan een positief effect ontstaan door afname van verontreiniging, bijvoorbeeld door afname van bemeste gronden met bijbehorende uitspoeling. Alternatief 1 Waterkwantiteit Als gevolg van de bouwopgave is er sprake van een toename van verharding. In vergelijking met de referentiesituatie is er mogelijk sprake van een lichte verslechtering van het waterbergend vermogen. In alternatief wordt daarentegen ingezet op lage dichtheden met veel ruimte voor groene inpassing en uitbreiding en kwaliteitsverbetering van groenblauwe structuren. De aanleg van robuuste groenblauwe structuur draagt bij aan een beter waterbergend vermogen. In het landelijk gebied rondom Nijeveen wordt ingezet op een verhoging van het grondwaterpeil, dit resulteert in een afname van het bergend vermogen.
Het waterpeil verhogen zorgt voor het vasthouden van het water in landelijk gebied waardoor de effecten van droge perioden in de zomer beperkt zijn maar er minder ruimte ontstaat voor waterberging. Het effect wordt beoordeeld als neutraal tot licht positief (0/+). Waterkwaliteit In het alternatief is veel ruimte voor groen en water wat ten gunste komt aan de waterkwaliteit. De transitie van het landelijk gebied bij Nijeveen naar meer agrarisch natuurbeheer kan leiden tot een verbetering van de waterkwaliteit. De peilverhoging in het landelijk gebied vergroot de kans op verdichting en afspoeling van nutriënten en verontreinigingen. De peilverhoging dient daarom gepaard te gaan met het stopzetten van de bemesting. Het effect wordt als positief (+) beoordeeld met als aandachtspunt de bemesting van de gronden. 84
Alternatief 2 Waterkwantiteit In alternatief 2 staat functiemenging centraal. Binnenstedelijk wordt ingezet op gemengde woon-werkmilieus. In Noord IV (beekdal) wordt een themapark voorzien en in Rogat ruimte geboden voor extra bedrijvigheid eventueel in combinatie met wonen. In het agrarisch gebied wordt ingezet op verbreding van de activiteiten en kleinschaligere lokale productie. De beoogde ontwikkelingen zorgen voor een toename van bebouwd oppervlakte. Er wordt voorzien in voldoende groen op wijk en buurtniveau en lokale invulling gegeven aan de waterbergingsopgave. De ontwikkeling van een themapark in een beekdal kan leiden tot negatieve effecten op het waterbergend vermogen lokaal en regionaal maar biedt ook kansen voor de uitvoer van KRW-maatregelen voor een meer natuurlijke inrichting van de Oude Vaart. Het is de bedoeling dat het park de cultuurhistorie van Nederland verteld en daarin is water veelal leidend geweest. Er zal dan ook ruim voldoende berging worden gerealiseerd. Het effect wordt als neutraal beoordeeld (0). Waterkwaliteit Met de realisatie van het themapark wordt samen met het waterschap onderzocht hoe in dit gebied invulling kan worden gegeven aan de KRW-maatregelen. Voor de Oude vaart ligt een opgave om deze te voorzien van 13 km natuurvriendelijke oevers en vispassages.
Met het omvormen van landbouw naar alternatieve teelten wordt een vergelijkbaar effect op de waterkwaliteit verwacht. Tenzij alleen wordt geteeld zonder bestrijdingsmiddelen en meststoffen. Ook moet dan zorgvuldig worden gekeken naar gewassen die bestand zijn tegen extreme droogte en extreem nat weer. Ten aanzien van waterkwaliteit is het van belang geen invasieve exoten te telen die in het watersysteem terecht kunnen komen. Ten aanzien van waterkwaliteit kunnen licht positieve effecten ontstaan bij zorgvuldige keuzes. Deze keuzes zijn nog niet vastgelegd waardoor op voorhand negatieve effecten niet worden uitgesloten. Op dit onderdeel scoort Alternatief 2 dan ook neutraal. Alternatief 3 Waterkwantiteit In dit alternatief is een forse groei van het aantal woningen en nieuwvestiging/uitbreiding van bedrijventerreinen voorzien. De forse groei leidt tot een grote toename aan verhard oppervlakte. In tegenstelling tot alternatief 1 wordt gebouwd in hoge dichtheden met weinig ruimte voor groen/water op wijkniveau. Er wordt ingezet op grootschalige stadsparken en groenzones. De waterbergingsopgave wordt centraal ingevuld waardoor de lokale waterberging knelpunten kunnen opleveren. Het alternatief scoort negatief (-).
Waterkwaliteit De realisatie van extra bedrijvigheid en dan met name de havenbedrijvigheid kan leiden tot een verslechtering van de waterkwaliteit door lozingen van stoffen in de wateren. Hoewel de bedrijven dienen te voldoen aan de opgestelde normen ten aanzien van de lozingen, is ook bij lozing van de stoffen onder deze normen sprake van negatieve effecten op de waterkwaliteit. Het effect wordt als negatief beoordeeld (-). Mogelijke maatregelen en optimalisaties Alternatief 1: ‐ De verhoging van het grondwaterpeil in het landelijk gebied dient gepaard te gaan met het stopzetten van de bemesting op deze percelen om negatieve effecten op de waterkwaliteit door uitspoeling te voorkomen. ‐ De natuurontwikkeling kan mogelijk worden versneld door afgraven van de bovenste nutriëntrijke laag. Alternatief 2:
85
De realisatie van het themapark kan negatieve effecten opleveren voor het waterbergend vermogen (lokaal en regionaal). Een zorgvuldige inpassing waarbij invulling wordt gegeven aan de KRW-doelen is noodzakelijk. Alternatief 3: ‐ Door de grote bebouwingsdichtheid in dit alternatief zal een negatief effect ontstaan op de bergingscapaciteit van het huidige watersysteem. Maatregelen zoals het plaatsen van bomen, groen op dak, infiltratiekratten, geveltuien etc. kunnen negatieve effecten verminderen. ‐ Zorgvuldige keuzes voor alternatieve duurzame teelten. ‐
Beoordeling alternatieven De navolgende tabel geeft een samenvattend overzicht van de beoordeling op basis van de voorgaande effectbeoordeling. Bij het treffen van de voorgestelde maatregelen en optimalisaties pakt de beoordeling positiever uit, dit effect is aangeduid met een lichtere vormopvulling. Tabel 5.6 Effectbeoordelingstabel Water
Klimaat Het aspect klimaat wordt beoordeeld aan de hand van de indicatoren hinder en overlast door droogte en piekbuien en de kans op overstromingen. Door klimaatverandering nemen weersextremen waaronder droogte en piekbuien toe. Negatiee effecten ontstaan door een overmaat aan verharding, verharding zorgt ervoor dat water niet in de grond kan infiltreren en kan wateroverlast veroorzaken. Daarnaast zorgt verharding voor hitte en droogte. Effecten als gevolg van droogte en piekbuien kunnen voorkomen worden door bij ruimtelijke inrichting rekening te houden met waterbeschikbaarheid en wateroverlast. De alternatieven worden positief gescoord wanneer er voldoende ruimte is voor water en groen op zowel lokaal als regionaal niveau. Alternatief 1 Alternatief 1 zet in op een stevige groenblauwe structuur. Hinder en overlast door hitte en droogte wordt hierdoor sterk beperkt en scoort daarom positief. Overlast door piekbuien zal door deze groenblauwe structuur eveneens worden beperkt er wordt immers voldoende ruimte voor water gerealiseerd (+). Aandachtspunt is het verhogen van het waterpeil ter plaatse van Nijenveen, hierdoor ontstaat het risico op overstromingen, op dit punt scoort het alternatief negatief (-). Alternatief 2 Droogte en hitteoverlast ontstaat door het aanbrengen van verhard oppervlak.
Ter plaatse van het bestaand stedelijk gebied zal zonder maatregelen effecten van droogte en hitte waarneembaar zijn. Bij een piekbui na een droge periode zal water op straat blijven staan. Binnen dit alternatief wordt ook ingezet op vergroening door bewoners zelf. Dit zal het nadelige effect van extra verhard oppervlak neutraliseren. Maar zoals ook bij bodem beschreven ontbreekt de directe koppeling met watercompensatie en bebouwing. Dit is dan
86
ook een aandachtpunt voor de concrete invulling. Het alternatief scoort daarom licht negatief.(-/0) Alternatief 3 Het inzetten op nieuwe groengebieden zorgt voor de afname van hinder en overlast door hitte en droogte. Zeker gevarieerd groen zal zorgen dan de bodem niet direct verdroogt. Ter plaatse van de groenzones zal ook nauwelijks overlast ontstaan door piekbuien. Maar ter plaatse van de grote hoeveelheid uitbreidingsgebieden zal hitte en droogte zeer waarneembaar zijn. Door de droogte kan een piekbui ook niet in de bodem opgenomen worden waardoor wateroverlast ontstaat. Dit alternatief scoort daarom negatief (-). Mogelijke maatregelen en optimalisaties Effecten als gevolg van droogte en piekbuien kunnen voorkomen worden door bij ruimtelijke inrichting rekening te houden met waterbeschikbaarheid en wateroverlast. Daarnaast kunnen voorwaarden worden verbonden aan toekomstige ontwikkelingen om de kants op hittestress beperken (minimale groeneisen, beperken verharding, creëren schaduwrijke rustpunten in het openbaar gebied). Beoordeling alternatieven De navolgende tabel geeft een samenvattend overzicht van de beoordeling op basis van de voorgaande effectbeoordeling. Bij het treffen van de voorgestelde maatregelen en optimalisaties pakt de beoordeling positiever uit, dit effect is aangeduid met een lichtere vormopvulling. Tabel 5.7 Effectbeoordelingstabel Klimaat
5.2.3 Landschap en openbare ruimte Landschap en cultuurhistorie De landschappelijke- en cultuurhistorische waarden worden beschermd door wet- en regelgeving. Om de effecten op cultuurhistorie in beleed te brengen is gekeken naar de ruimtelijke opgave van het alternatief en de verwachtte effecten op de cultuurhistorische elementen. De effecten op de landschappelijke waarden zijn beoordeeld aan de hand van de grote van de ruimteclaim van het alternatief in verhouding tot de kwaliteit en beleveniswaarde van het landschap. Hierbij is ook gekeken naar de toevoeging van beeldbepalende elementen als windturbines en zonneparken. Alternatief 1 Kwaliteit en belevingswaarde van het landschap In alternatief 1 ligt de nadruk op inbreiding waardoor negatieve effecten op landschap beperkt zijn. Het landelijk wonen in Broekhuizen past bij het esgehuchtlandschap en kan een positief effect hebben door herstel van kenmerkende structuren van essen en es-randbeplantingen. De uitbreiding bij Noord IV kan leiden tot een negatief effect op de openheid van het gebied. Door ruimtelijke en groene opzet van het bedrijventerrein zorgt ervoor dat het negatief effect naar verwachting beperkt is. In het landelijk gebied van Nijeveen ligt de opgave om het grondwaterpeil te verhogen. De verhoging van het grondwaterpeil kan 87
een effect hebben op het slagenlandschap indien de huidige slotenstructuur wordt aangepast. De verwachting is echter dat de kwaliteit en beleveniswaarde van het landschap hier toeneemt door meer natuurlijk beheer. Het effect is licht positief beoordeeld. Cultuurhistorische elementen en gebieden Wat betreft de cultuurhistorische waarde is het uitgangspunt dat de aanwezige monumenten worden behouden en uitgangspunt vormen voor de beoogde ontwikkeling van het gebied. De bodemdaling in het veenweidegebied verandert het cultuurhistorisch karakter van het slagenlandschap. Het stopzetten van de bodemdaling door verhoging van het grondwaterpeil heeft hierdoor een positief effect. Het effect is licht positief (+). Alternatief 2 Kwaliteit en belevingswaarde van het landschap Het alternatief 2 zet in op zowel in- als uitbreiding. Daarnaast is ter plaatse van Noord IV een themapark beoogd. Uitbreiding van bedrijventerrein vindt plaats bij Rogat. Aan de energieopgave wordt voldaan door in het buitengebied van Nijeveen windmolens te plaatsen. De inbreiding heeft landschappelijk geen effect. De uitbreidingslocaties en realisatie van themapark kunnen een negatief effect hebben op de landschappelijke waarden. De toevoeging van bebouwing in dit open landschap heeft een negatief effect op het slagenlandschap/beekdallandschap.
In het buitengebied van Nijeveen zijn meerdere zoeklocaties voor windmolens aangeduid. De toevoeging van windmolens heeft een negatief effect op de zichtbaarheid en openheid van het landschap. Cultuurhistorische elementen en gebieden Qua cultuurhistorie kan de inbreiding effect hebben op bestaande monumenten en/of het beschermde dorpsgezicht. De uitbreidingslocaties liggen o.a. bij de linten, deze linten hebben een hoge cultuurhistorische waarde. Aan de linten zijn meerdere monumententale boerderijen gevestigd. Toevoeging van extra woningen aan deze linten kunnen een negatief effect hebben op (de beleving van) de cultuurhistorische waarde. Het effect wordt als negatief beoordeeld. Alternatief 3 Kwaliteit en belevingswaarde van het landschap Alternatief 3 zet in op maximale groei met de nadruk op uitbreiding, de effecten op het landschap zijn in dit alternatief dan ook het grootst. De beoogde windparken langs de snelweg A32 en Noord IV, en zonneparken in het landelijk gebied zorgen voor een afname in openheid van het gebied wat typerend is het slagenlandschap/beekdallandschap. De transitie naar duurzame teeltvormen in het landelijk gebied kan leiden tot negatieve effecten wanneer hogere gewassen worden geteeld of door realisatie van biogasinstallaties.
Biogasinstallaties zijn grote koepelvormige installaties die een negatief effect kunnen hebben op de openheid van het landschap. Het effect wordt als sterk negatief beoordeeld. Cultuurhistorische elementen en gebieden Alternatief 3 zet fors in op uitbreiding. In het landelijk gebied kan de uitbreidingsopgave ten koste gaan monumentale objecten. De teelt van hogere gewassen in het landelijk gebied rond Nijeveen kan ervoor zorgen dat de verkavelingspatronen ofwel het slagenlandschap niet meer herkenbaar is. Het effect wordt als negatief beoordeeld. Mogelijke maatregelen en optimalisaties Alternatief 1: ‐ De grondwaterpeilverhoging kan effecten hebben op het slagenlandschap, zet in op behoud van de aanwezige slagen. Alternatief 2: ‐ Om de landschappelijke effecten van de windturbines te voorkomen is het van belang een locatiestudie uit te voeren en visualisaties te maken van de windturbines. 88
Alternatief 3: - Pas grote installaties zoals biogasinstallaties landschappelijk in. - Draag zorg dat de nieuwe teelt past bij het landschap. - Beperking hoge gewassen in slagenlandschap. Beoordeling alternatieven De navolgende tabel geeft een samenvattend overzicht van de beoordeling op basis van de voorgaande effectbeoordeling. Bij het treffen van de voorgestelde maatregelen en optimalisaties pakt de beoordeling positiever uit, dit effect is aangeduid met een lichtere vormopvulling. Tabel 5.8 Effectbeoordelingstabel Cultuurhistorie en landschap
Archeologische- en aardkundige waarden De archeologische waarden worden beschermd door zowel landelijke wetgeving als gemeentelijk beleid. Bij beoogde ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en dienen deze zoveel mogelijk in situ bewaard te blijven. Het effect is hierdoor in het algemeen neutraal (0). Voor de beoordeling is gekeken naar waar de uitbreidingen plaats vinden en de archeologische verwachtingswaarde ter plaatse. Alternatief 1 Alternatief 1 ziet voornamelijk op inbreiding. Aangezien binnen de kern van Meppel de hoge verwachtingswaarde geldt voor archeologische vondsten en de kern ook is aangeduid als archeologisch monument, is het risico op negatieve effecten voor dit alternatief het grootst. Het effect is hierdoor als licht negatief beschouwd (-/0). Alternatief 2 In alternatief 2 wordt ingezet op gelijke in- als uitbreiding. De uitbreiding vindt ook plaats rondom de linten bij Nijeveen. De archeologische verwachtingswaarde is ter plaatse van de linten en rondom Nijeveen hoog. Uitbreiding van woningen kan hierdoor leiden tot licht negatieve effecten (-/0). Alternatief 3 Alternatief 3 voorziet voornamelijk in uitbreiding. Aangezien er geen uitbreiding is voorzien binnen de historische kern van Meppel en de linten, is het effect voor dit alternatief neutraal (0).
Mogelijke maatregelen en optimalisaties Er zijn geen maatregelen of optimalisaties voor dit aspect. Beoordeling alternatieven De navolgende tabel geeft een samenvattend overzicht van de beoordeling op basis van de voorgaande effectbeoordeling. Bij het treffen van de voorgestelde maatregelen en optimalisaties pakt de beoordeling positiever uit, dit effect is aangeduid met een lichtere vormopvulling.
89
Tabel 5.9 Effectbeoordelingstabel Archeologie en Aardkundige waarden
5.2.4 Duurzame energie Bij dit thema gaat het om de vraag in hoeverre binnen de alternatieven op duurzame wijze kan worden voorzien in de benodigde energie. Daarbij gaat het enerzijds om de energievraag en anderzijds om de hoeveelheid energie die duurzaam kan worden opgewekt binnen de gemeente. Bij de beoordeling is gekeken in hoeverre binnen de alternatieven invulling kan worden gegeven aan de opgave die volgt uit de RES voor 2030 en het uiteindelijke doel om in 2050 energieneutraal en van het aardgas af te zijn. Dat betekent dat bij de beoordeling ook de toename van de energievraag door nieuwe woningen, voorzieningen en bedrijven een rol speelt. Naast energie zelf is ook de haalbaarheid van de bijbehorende infrastructuur meegewogen. De ambitie om in 2040 CO20-neutraal te zijn speelt daarbij ook een rol, maar is minder goed te meten omdat dit over de volledige impact van alle activiteiten in de gemeente gaat en niet alleen om energie. Alternatief 1 Het totale energieverbruik binnen de gemeente Meppel bedroeg in 2022 3.171 TJ (klimaatmonitor). Door het realiseren van nieuwe woningen, voorzieningen en bedrijventerreinen neemt het energieverbruik binnen alternatief 1 in potentie verder toe. Energiebesparing zal cruciaal zijn voor het behalen van de ambities en doelstellingen. De uitvoering van de gemeentelijke transitievisie warmte speelt hierin een grote rol.
Uitgangspunt is dat in 2040 alle woningen en gebouwen van het aardgas zijn afgesloten. Elektriciteit zal een belangrijke vervanger blijken voor het gebruik van aardgas (warmtepomp). Binnen alternatief 1 wordt geen ruimte geboden voor de opwekking van windenergie, maar wordt ingezet op zon op dak eventueel in combinatie met waterkracht. Op grond van de RES is de opgave om binnen de gemeente Meppel in 2030 in totaal 0,165 TWh op te wekken, waarbij in de RES wordt uitgegaan van 0,1 TWh windenergie. Op dit moment omvat het aandeel zon op dak binnen de gemeente Meppel 0,022 TWh. Uit de informatie uit de RES blijkt dat zon op dak binnen de gemeente Meppel een maximale potentie heeft van 0,357 TWh (op grote daken). Daarmee kan in potentie de totale opgave voor Meppel van 0,165 TWh uit de RES volledig met zon op dak worden opgewekt. Daarvoor is de gemeente echter afhankelijk van de medewerking van bewoners en ondernemers. Daarnaast zijn tijdige aanpassingen aan de energie-infrastructuur om alle zonne-energie aan het net te leveren (zie paragraaf 5.3). Het in de periode tot 2030 volledig invulling geven aan de opgave uit de RES met uitsluitend zon op dak lijkt om die redenen niet realistisch. Bij de totstandkoming van de alternatieven is bij alternatief 1 ook waterkracht genoemd als mogelijke bron van duurzame energie.
Gezien de beperkte opbrengst en de in verhouding grote nadelige gevolgen (zie effectbeoordeling natuur) heeft waterkracht geen potentie om substantieel bij te dragen aan het invulling geven aan de opgave vanuit de RES. Omdat naar verwachting binnen alternatief 1 maar voor een deel invulling kan worden gegeven aan de opgave en doelstellingen vanuit de RES wordt dit alternatief beperkt positief beoordeeld (in vergelijking met de referentiesituatie).
90
Alternatief 2 Binnen alternatief 2 wordt energie opgewekt door een combinatie van zon op dak en windturbines. Uitgangspunt is daarbij de collectieve opwekking van windenergie in clusters verspreid over het buitengebied of (in afwijking van de huidige gemeentelijke en provinciale beleidslijn) zonneparken. Uitgaande van windturbines met een vermogen van 5 MW zijn er 5 tot 6 grote (tiphoogte circa 200 meter) windturbines nodig om invulling te geven aan de opgave van 0,1 TWh die volgt uit de RES. Dergelijke grote windturbines zijn in het buitengebied alleen inpasbaar op ruime afstand van de bebouwde kom, linten en agrarische bouwvlakken. Binnen alternatief 2 worden de mogelijkheden voor de inpassing van windturbines verder beperkt door de verschillende ontwikkelingen die aansluitend op het bestaande stedelijk gebied en binnen het buitengebied zijn voorzien. Daarbij gaat het om de recreatieve voorzieninng of bedrijventerrein op Noord IV, de verdere uitbreiding van Nieuwveense Landen in noordelijke richting en de uitbreiding van linten en bebouwingsconcentraties in het buitengebied. Ook dient bij de inpassing van windturbines rekening te worden gehouden met voldoende onderlinge afstand (vuistregel = 5x de rotordiameter wat betekent dat de aan te houden afstand oploopt tot > 500 m).
Kleinere/lagere windturbines betekent dat de opbrengst snel kleiner wordt en dus (veel) meer windturbines nodig zijn om invulling te geven aan de opgave. Daarnaast zijn kleine windturbines in veel gevallen niet rendabel. Uit de effectbeoordeling in paragraaf 5.2.1 blijkt tot slot dat de effecten op natuur een beperkende factor kunnen zijn als het gaat om de plaatsing van windturbines verspreid over het buitengebied. Waar het gaat om de potentiële nadelige effecten worden de mogelijkheden voor zonneparken gunstiger beoordeeld, al is in dat geval ook een zorgvuldige locatiekeuze / inpassing nodig om nadelige effecten op het gebied van natuur en landschap te beperken. Om 0,1 TWh op te wekken is circa 100 ha aan zonneparken nodig. Ruimte daarvoor kan bijvoorbeeld worden gezocht in de zones langs de snelwegen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen (woningbouw, bedrijven en voorzieningen) zal maximaal moeten worden ingezet op energiebesparingen en op zon op dak. Binnen dit alternatief is de gemeente mede afhankelijk van lokale initiatieven om invulling te geven van de opgave die volgt uit de RES. Hierdoor is er een hoge mate van onzekerheid of voldoende duurzame energie wordt opgewekt. Ten opzichte van de referentiesituatie zal sprake zijn van een verbetering verbetering, maar naar verwachting onvoldoende om volledig invulling te geven aan de opgave en doelstellingen vanuit de RES.
Randvoorwaardelijk is de benodigde net-infrastructuur. Alternatief 3 Door het omvangrijke programma (10.000 extra woningen en > 10.000 arbeidsplaatsen voor een belangrijk deel op nieuwe bedrijventerreinen) neemt de potentiële energievraag in dit alternatief sterk toe. Ook voor dit alternatief geldt dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen (woningbouw, bedrijven en voorzieningen) maximaal zal moeten worden ingezet op energiebesparingen en op zon op dak. Binnen alternatief 3 wordt er voor gekozen om met een combinatie van zon op dak en de opwekking van windenergie nabij Noord IV en/of in een zone langs de A32 invulling te geven aan de opgave die volgt uit de RES. Rekening houdend met de afstanden tot woningen en andere bebouwing en infrastructuur in combinatie met de onderling aan te houden afstand tussen windturbines, zal het alleen met maatwerk mogelijk zijn om een aantal windturbines in te passen. Op die manier kunnen circa 4 grote windturbines (tiphoogte 200 m) in lijnopstelling worden geplaatst in de zone tussen de A32 en het spoor. Daarmee kan de opgave die volgt uit de RES (0,1 TWh windenergie) niet volledig worden gerealiseerd. Ten opzichte van de referentiesituatie zal sprake zijn van een verbetering, maar mogelijk onvoldoende om volledig invulling te geven aan de opgave en doelstellingen vanuit de RES. Ook speelt hierbij aanleg van benodigde net-infrastructuur een rol.
91
Mogelijke maatregelen en optimalisaties De gemeentelijke Routekaart Energietransitie gaat uit van (1) maximale besparing, (2) zonnepanelen op zo veel mogelijk daken en (3) maximale plaatsing windmolens op optimale locaties. In de omgevingsvisie kunnen voor de eerste 2 punten doelen en daarmee samenhangende randvoorwaarden worden vastgelegd, maar om invulling te geven aan de gemeentelijke ambities en de opgave die volgt vanuit de RES is de grootschalige opwekking van windenergie cruciaal. Op basis van de effectbeoordeling voor de alternatieven 2 en 3 is op voorhand niet zeker dat er voldoende ruimte is om 0,1 TWh aan windenergie op te wekken. Daarbij spelen zowel de ligging ten opzichte van natuurgebieden als de vereiste afstanden tot woningen en infrastructuur een rol. Er is nader onderzoek noodzakelijk naar de mogelijkheden voor inpassing van windturbines. De zone tussen het spoor en de A32 lijkt daarvoor het meest kansrijk. Afhankelijk van de uitkomsten kan worden overwogen om toch onder voorwaarden ruimte te bieden voor zon op land. Om te voorkomen dat de gemeentelijke ambities en doelstellingen verder uit het zicht raken is het in ieder geval belangrijk om voorwaarden te verbinden aan toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen zodat deze hieraan in positieve zin bijdragen.
Ook is het tijdig reserveren van ruimte voor de benodigde net-infra wenselijk, zoals tracés en hoogspanningstations. Beoordeling alternatieven De navolgende tabel geeft een samenvattend overzicht van de beoordeling op basis van de voorgaande effectbeoordeling. Bij het treffen van de voorgestelde maatregelen en optimalisaties pakt de beoordeling positiever uit, dit effect is aangeduid met een lichtere vormopvulling. Tabel 5.10 Effectbeoordelingstabel duurzame energie
5.3 Economische omgeving – prosperity 5.3.1 Economische vitaliteit De economische vitaliteit is beoordeeld aan de hand van de indicatoren vestigingsklimaat en de afstemming vraag-aanbod op de arbeidsmarkt. Alternatief 1 In alternatief 1 wordt op de bestaande terreinen voorzien in de lokale behoefte. Er wordt ingezet op kleinschaligere werkmilieus. Uitbreiding of wijziging van bedrijfsactiviteiten mag niet ten koste gaan van de bestaande groen- blauwe structuren en leiden waar mogelijk tot versterking. Dat betekent onder andere dat er in alternatief 1 binnen Noord IV een nieuw bedrijventerrein van beperkte omvang wordt gerealiseerd (15 hectare netto) met veel ruimte voor groen en water. Omdat alternatief 1 vooral is gericht op het voorzien in de lokale behoefte en vanwege de voorwaarden die worden verbonden aan de bedrijvigheid wordt ten opzichte van de referentiesituatie het vestigingsklimaat negatief beoordeeld. Uitgangspunt is dat per extra woning een arbeidsplaats wordt gecreëerd. Het aantal arbeidsplaatsen per hectare bedrijventerrein kan afhankelijk van de aard van de bedrijven sterk variëren. Bij arbeidsextensieve bedrijven is sprake van 20 – 30 arbeidsplaatsen per hectare. Bij arbeidsintensieve bedrijven kan dat oplopen tot 80 – 100 arbeidsplaatsen per 92
hectare. Binnen Noord IV kan in dit alternatief maar gedeeltelijk invulling worden gegeven aan de beoogde toename van het aantal arbeidsplaatsen. Uitgaande van 50 arbeidsplaatsen per hectare gaat het om 750 extra arbeidsplaatsen. Dat betekent dat (op basis van de 2.000 extra woningen dit alternatief) nog 1.250 extra banen binnenstedelijk en op de bestaande terreinen moeten worden gecreëerd. Daarmee is het op voorhand niet zeker dat in dit alternatief sprake zal zijn van 1 extra arbeidsplaats per extra woning. Daarvoor is de gemeente afhankelijk van de ontwikkelingen op de bestaande terreinen waarop zij slechts beperkt invloed heeft. In kwalitatieve zin bevat alternatief 1 geen elementen die in positieve zin bijdragen aan de doelstelling om te voorzien in passende werkgelegenheid. Alternatief 1 wordt om deze redenen negatief beoordeeld. Alternatief 2 Binnen alternatief 2 wordt ruimte geboden voor gemengde woon-werkmilieus. Daarbij gaat er het zowel om lichte bedrijvigheid binnen de bestaande woonwijken als om nieuwe gemengde woon-werklocaties in het stationsgebied, Ezinge en Noordpoort. Ook in het buitengebied is binnen de linten en bebouwingsconcentraties sprake van een mix aan functies. Binnen dit alternatief is een nieuw bedrijventerrein voorzien nabij Rogat.
Op de (bestaande en nieuwe) bedrijventerrein wordt niet alleen voorzien in de lokale behoefte, maar ook regionaal als dat leidt tot passende werkgelegenheid. Ten opzichte van alternatief 1 is hiermee in dit alternatief sprake van en meer divers aanbod aan werklocaties. Ten opzichte van de referentiesituatie zal echter geen sprake zijn van een relevante verbetering van het vestigingsklimaat. Alternatief 2 wordt om deze reden neutraal beoordeeld. In kwantitatieve zin zou alternatief 2 mogelijkheden moeten bieden om voldoende werkgelegenheid te creëren (uitgaande van 1 extra arbeidsplaats per woning). Naast de hiervoor genoemde bedrijventerreinontwikkeling nabij Rogat is in alternatief 2 ook het themapark op Noord IV opgenomen dat directe en indirecte werkgelegenheid met zich meebrengt. Per hectare zal het aantal arbeidsplaatsen echter beperkt zijn, ook rekening houdend met het relatief hoge aandeel seizoensmedewerkers en vakantiekrachten. Bij de gemengde woonwerkmilieus is het van belang om randvoorwaarden te formuleren voor toekomstige ontwikkelingen zodat in combinatie met de woningbouw ook voldoende passende werkgelegenheid wordt gecreëerd. Alternatief 2 wordt waar het gaat om passende werkgelegenheid neutraal beoordeeld. Alternatief 3 Binnen alternatief 3 wordt veel ruimte geboden voor nieuwe bedrijvigheid.
Daarbij gaat het zowel om nieuwe bedrijventerreinen in de zones langs de snelwegen, als om havengerelateerde bedrijvigheid en werklocaties en voorzieningen in de omgeving van het station. Verder is er in dit alternatief veel aandacht voor innovatieve bedrijvigheid, met innovatiehubs gericht op eiwittransitie en/of circulaire bouw op Oevers D en een kenniscampus innovatieve zorg op voormalige ziekenhuisterrein en een kenniscentrum voor internationaal onderwijs in het stationsgebied. Met mobiliteitsmaatregelen wordt er in dit alternatief voor gezorgd dat de werklocaties goed bereikbaar zijn. Omdat de focus in dit alternatief ligt op de nieuwe locaties, is het (meer dan in de andere 2 alternatieven) wel de vraag of de vitaliteit van de bestaande werklocaties met dit alternatief voldoende wordt versterkt. Alternatief 3 wordt waar het gaat om het vestigingsklimaat positief beoordeeld. Gezien de grote hoeveelheid nieuwe bedrijventerreinen in dit alternatief in combinatie met de werkgelegenheid die binnen de bestaande stad wordt gecreëerd (onder andere in het stationsgebied en Ezinge) moet het in dit alternatief mogelijk zijn om meer arbeidsplaatsen dan woningen (10.000) te realiseren. Op basis van een grove inschatting biedt dit alternatief ruimte voor ruim 200 ha (netto) nieuw bedrijventerrein. Dat is exclusief de werklocaties die binnen de bestaande stad worden gerealiseerd.
Door voorwaarden te verbinden aan de te vestigen bedrijven biedt dit alternatief ruimte mogelijkheden om (zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin) passende werkgelegenheid te creëren. Door 93
de combinatie van gemengde bedrijventerrein, havengerelateerde terrein en de innovatiehubs en kenniscentra biedt dit alternatief ruimte voor een breed aanbod aan werkgelegenheid. Alternatief 3 wordt op dit punt positief beoordeeld. Mogelijke maatregelen en optimalisaties Door de gunstige ligging is Meppel aantrekkelijk als vestigingslocatie voor allerlei soorten bedrijven met bijbehorende diverse werkgelegenheid. Door het stellen van minimale eisen ten aanzien van de werkgelegenheid per hectare kan regie worden gehouden op de toegevoegde waarde van een bedrijf voor de lokale en regionale economie. Daarnaast zal er ook in kwalitatieve zin blijvend aandacht moeten zijn voor de afstemming tussen vraag en aanbod van werkgelegenheid. Beoordeling alternatieven De navolgende tabel geeft een samenvattend overzicht van de beoordeling op basis van de voorgaande effectbeoordeling. Bij het treffen van de voorgestelde maatregelen en optimalisaties pakt de beoordeling positiever uit, dit effect is aangeduid met een lichtere vormopvulling. Tabel 5.11 Effectbeoordelingstabel Economische vitaliteit
5.3.2 Ruimtelijke economische structuur Mobiliteit Het aspect mobiliteit wordt beoordeeld aan de hand van de bereikbaarheid voor auto, OV en fiets. Bij de beoordeling is gekeken naar de bereikbaarheid voor de verschillende modaliteiten. De alternatieven zijn neutraal beoordeeld wanneer het vastgestelde beleid wordt voortgezet en/of er geen relevante effecten zijn te onderscheiden. Wanneer het alternatief het netwerk verbetert door bijvoorbeeld aanleg van extra fietspaden of belangrijke knelpunten wegneemt, scoort het alternatief positief. Bij een relevante toename van het aantal woningen en bedrijvigheid op locaties waar de capaciteit het omliggende netwerk onvoldoende is, scoort het alternatief negatief. Alternatief 1 Autobereikbaarheid Binnen dit alternatief blijft de omvang van het te realiseren programma (zowel waar het gaat om wonen, als voorzieningen en bedrijven) relatief beperkt. Dat geldt in algemene zin ook voor de daarmee samenhangende verkeersgeneratie. In de woongebieden is de auto te gast en er wordt ingezet op andere mobiliteitsvormen. Binnen alternatief1 wordt de binnenstad autovrij, waarbij wordt geparkeerd op een aantal mobiliteitshubs. Lokaal zal sprake zijn van een afname van het autoverkeer en op bepaalde routes zal door nieuwe ontwikkelingen het autoverkeer toenemen.
Per saldo wordt dit alternatief neutraal beoordeeld waar het gaat om de autobereikbaarheid. Fietsbereikbaarheid Fietspaden worden in dit alternatief vooral gekoppeld aan de groen-blauwe structuren en hebben een recreatief karakter. Binnen dit alternatief wordt verder ingezet op een verbe94
terde verbindingen tussen de stad Meppel en Rogat en Nijeveen via aantrekkelijke fietsroutes. Door de autovrije binnenstad ontstaat er meer ruimte voor de fiets. Datzelfde geldt voor de woonwijken waar de auto in dit alternatief ‘te gast’ is. Alternatief 1 wordt waar het gaat om de fietsbereikbaarheid daarom positief beoordeeld. OV-bereikbaarheid Binnen alternatief 1 zijn geen ontwikkelingen voorzien die direct van invloed zijn op de OV-bereikbaarheid. De focus op binnenstedelijke verdichting in plaats van uitbreiding buiten het bestaande stedelijk gebied biedt door de nabijheid van het station wel kansen om het autoverkeer te beperken en gebruik van het openbaar vervoer te stimuleren. Dit effect wordt beperkt positief beoordeeld. Alternatief 2 Autobereikbaarheid In dit alternatief wordt de binnenstad autoluw en wordt ingezet op deelmobiliteit in de wijken. Omdat alle basisvoorzieningen op wijkniveau aanwezig zijn kan het autogebruik worden beperkt. Dat geldt ook voor de gemengde woon-werkgebieden die binnen dit alternatief zijn voorzien. Deze uitgangspunten dragen in positieve zin bij aan het beperken van het autoverkeer en de daarmee samenhangende verkeerseffecten.
Daar staat tegenover dat binnen alternatief 2 een fors programma wordt toegevoegd waardoor plaatselijk sprake zal zijn van relevante verkeerstoenames en lokaal maatregelen nodig zullen zijn om het verkeer op een goede manier af te kunnen wikkelen. Dat geldt bijvoorbeeld voor het themapark dat in dit alternatief op Noord IV wordt gerealiseerd. De bestaande rotonde ter plaatse van N371 waarover een groot deel van het verkeer wordt afgewikkeld van en naar de A32 heeft onvoldoende capaciteit om het extra verkeer af te wikkelen. Ook binnen de stad Meppel en ter plaatse van de bedrijventerreinontwikkeling bij Rogat zullen binnen dit alternatief plaatselijk maatregelen nodig zijn om het extra verkeer af te kunnen wikkelen, ook wanneer maximaal wordt ingezet andere vormen van mobiliteit. Alternatief 2 wordt beperkt negatief beoordeeld waar het gaat om de gevolgen voor autobereikbaarheid. Fietsbereikbaarheid Alternatief 2 gaat uit van een autoluwe binnenstad in combinatie met mobiliteitshubs. Hierdoor ontstaat in en rond de binnenstad meer ruimte voor het fietsverkeer wat de bereikbaarheid ten goede komt. Wel is binnen dit alternatief een aantal ontwikkelingen voorzieningen op locaties die per fiets niet optimaal bereikbaar zijn. Zonder aanvullende maatregelen wordt dit alternatief daarom beperkt negatief beoordeeld.
OV-bereikbaarheid Binnen alternatief 2 wordt ingezet op het verbeteren van de OV-bereikbaarheid van woongebieden en dorpen. Dit vraagt om maatwerk en flexibele oplossingen. De regulieren buslijnen zijn lang niet altijd rendabel. Een deel van de ontwikkelingen (wonen en werken) binnen alternatief 2 vindt plaats in de omgeving van het treinstation, maar er is ook een aantal grootschalige ontwikkelingen voorzien op locaties met een beperkte OVbereikbaarheid, zoals het themapark op Noord IV, de bedrijventerreinontwikkeling bij Rogat en de verdere uitbreiding van Nieuwveense Landen. Het effect van alternatief 2 wordt om deze reden als negatief beoordeeld. Alternatief 3 Autobereikbaarheid Binnen alternatief 3 is sprake van grootschalige ontwikkelingen, zowel woningbouw als bedrijventerreinen. Hoewel deze ontwikkelingen deels plaatsvinden op locaties die goed worden ontsloten, is op voorhand duidelijk dat de grote verkeersgeneratie door de nieuwe ontwikkelingen op verschillende locaties zal leiden tot problemen in de verkeersafwikkeling. Dat geldt zowel voor de woningbouwontwikkelingen binnen en aansluitend aan de stad Meppel als voor de bedrijventerreinontwikkelingen in de zones langs de snelwegen. Niet alleen op de hoofdontsluitingsroutes, maar ook op de wegen in en rond de 95
binnenstad zullen maatregelen nodig zijn om onaanvaardbare situaties te voorkomen. Alternatief 3 wordt om deze reden als sterk negatief beoordeeld. Fietsbereikbaarheid Uitgangspunt voor alternatief 3 is dat er snelle fietsverbindingen worden gerealiseerd tussen woonlocaties, werklocaties en het station. Op dit punt wordt dit alternatief positief beoordeeld. OV-bereikbaarheid Binnen dit alternatief wordt de vervoerspotentie van station Meppel optimaal benut door de verdichting die daar is voorzien (wonen, werken en regionale voorzieningen). Een groot deel van de ontwikkelingen is echter voorzien op locaties die slecht / minder goed bereikbaar zijn via het openbaar vervoer. Dat sterk negatieve effect kan maar gedeeltelijk worden weggenomen door de verbetering van de OV-verbindingen tussen het station en de op grotere afstand gelegen bedrijventerreinen en woongebieden. Dit alternatief wordt daarom negatief beoordeeld. Mogelijke maatregelen en optimalisaties De autobereikbaarheid is in de referentiesituatie in algemene zin goed. Bij nieuwe ontwikkelingen zullen er lokaal maatregelen nodig zijn om het extra verkeer op een goede manier af te wikkelen, maar deze maatregelen zullen over het algemeen niet heel ingrijpend zijn. Daarbij wordt er van uitgegaan dat bij nieuwe ontwikkelingen maximaal wordt ingezet op het stimuleren van ov- en fietsgebruik.
Bij combinaties van gebiedsontwikkelingen zoals die in alternatief 3 zijn voorzien (zoals nieuwe grootschalige woongebieden en bedrijventerreinen die deels via dezelfde routes worden ontsloten) kunnen lokatieoverstijgend meer grootschalige infrastructurele maatregelen noodzakelijk zijn om er voor te zorgen dat het extra verkeer op acceptabele wijze kan worden afgewikkeld. Een deel van de ontwikkelingen is voorzien op locaties die slecht of minder goed bereikbaar zijn via het openbaar vervoer. Dat negatieve effect kan (gedeeltelijk) worden weggenomen door de verbetering van de OV-verbindingen tussen het station en de op grotere afstand gelegen bedrijventerreinen en woongebieden. Datzelfde geldt voor de fietsverbindingen. Beoordeling alternatieven De navolgende tabel geeft een samenvattend overzicht van de beoordeling op basis van de voorgaande effectbeoordeling. Tabel 5.12 Effectbeoordelingstabel Mobiliteit
96
Energie- infrastructuur De energie infrastructuur wordt beoordeeld aan de hand van de indicatoren capaciteit/aanbod in relatie tot de behoefte. Alternatief 1 Uit foto van de leefomgeving blijkt dat capaciteit elektriciteitsnet in de huidige situatie een aandachtspunt vormt (zowel afname als invoeding). Specifiek punt van aandacht voor alternatief 1 is dat in dit alternatief maximaal wordt ingezet op zon op dak. Dat heeft tot gevolg dat binnen de gehele gemeente de energie-infrastructuur daarop moet zijn afgestemd. De daarmee samenhangende ingrepen (en kosten) zijn naar verwachting veel groter dan wanneer een groot deel van de duurzame energie wordt opgewekt met een grootschalig windpark. Zonder maatregelen / randvoorwaarden voor toekomstige ontwikkelingen wordt alternatief 1 negatief beoordeeld. Alternatief 2 Binnen alternatief 2 is een fors programma aan extra woningen, voorzieningen en bedrijvigheid opgenomen.
In dit alternatief wordt uitgegaan van collectieve opwekking van windenergie in kleine clusters verspreid over het buitengebied, in combinatie met zon op dak, Ook in alternatief 2 zullen ingrijpende maatregelen nodig zijn om te zorgen dat de energie-infrastructuur voldoende capaciteit heeft (zowel waar het gaat om de afname van energie door de nieuwe functies als de levering van elektrische energie aan het net die samenhangt met de opwekking van zonne-energie en eindenergie verspreid over het gemeentelijke grondgebied). Zonder maatregelen / randvoorwaarden voor toekomstige ontwikkelingen wordt alternatief 2 negatief beoordeeld. Alternatief 3 Binnen alternatief 3 worden verschillende nieuwe bedrijventerreinen en woonwijken gerealiseerd. Duurzame energieopwekking gebeurt voor een belangrijk deel in een grootschalig windpark nabij Noord IV en/of in een zone langs de A32. Door het grootschalige programma zullen de druk op de energie-infrastructuur en de daarmee samenhangende maatregelen in dit alternatief nog omvangrijker zijn dan in alternatief 1 en 2. Zonder maatregelen / randvoorwaarden voor toekomstige ontwikkelingen wordt alternatief 3 sterk negatief beoordeeld. Mogelijke maatregelen en optimalisaties Het op orde zijn van de energie-infrastructuur is een randvoorwaarde voor nieuwe ontwikkelingen.