CConstaterende datMeppel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - BOPA onderbouwing Julianastraat 18 - geanonimiseerd

1 - RAADSVERGADERING 24 april 2025, gemeente MeppelBij agendapunt: Adviesrecht BOPA - Julianastraat 18 te Meppel18.449 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Bij de project-mer-beoordeling is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, met de bijbehorende motivering, op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit). In de motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar: 1. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en 2. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt:

26

a. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en b. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd. Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob. Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: 1. Het project, met in ieder geval een beschrijving van: a. de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van sloopactiviteiten; b. de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; 2. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en 3. voor zover er informatie over de effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en b. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit. Onderzoek De beoogde ontwikkeling waarvoor een omgevingsvergunning voor een BOPA wordt aangevraagd, betreft het planologisch toestaan van de bouw van 10 wooneenheden en het verwijderen van het bestaande speelplein binnen de kern van Meppel.

Dit is geen activiteit uit kolom van Bijlage V van het Ob. Hiervoor is geen m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Uit paragraaf 5.2.12 blijkt dat gelet op de kenmerken van het plan, de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten, geen aanzienlijke milieugevolgen optreden. Er is geen aanleiding voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure. De Quickscan Flora en fauna is opgenomen als bijlage 2 bij deze motivatie van de BOPA. Te treffen maatregelen Er zijn geen te treffen maatregelen. Regels Er zijn geen regels van toepassing.

5.2.2 Laddertoets Wettelijk kader De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl bepaalt dat deze instructieregel ook geldt voor een BOPA. ‘ Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. De ladder kent drie treden die achter elkaar worden doorlopen.

27

Figuur 5.2 Schema Ladder voor duurzame verstedelijking Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbereiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel (aanzienlijk in omvang) is. In die situaties dient rekening te worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Als die nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing gerealiseerd moet worden, dient dit nader onderbouwd te worden. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er zijn diverse uitspraken van de Afdeling, maar er zijn geen harde ondergrenzen, maar stelt wel ‘in beginsel’ grenzen. Voorbeelden hiervan zijn de volgende: o Woningen: in beginsel is een plan met meer dan 11 woningen een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voor wonen is dus de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. o Vloeroppervlakte en ruimtebeslag vanaf 500 m²: bij andere stedelijke functies in de vorm van een terrein is de ondergrens ‘in beginsel’ geen stedelijke ontwikkeling.

Bij toevoeging aan een gebouw ligt de ondergrens ‘in beginsel’ bij een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 500 m². Ook als de Ladder niet van toepassing is geldt een motiveringsplicht voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzoek Het plan is om 10 wooneenheden te realiseren binnen het plangebied. Hierbij worden 6 parkeerplekken gerealiseerd, een fietsenberging en worden er groene elementen toegevoegd. Het toevoegen van 10 wooneenheden is geen stedelijke ontwikkeling. Te treffen maatregelen Zoals blijkt uit voorgaande paragraaf betreft het plan geen stedelijke ontwikkeling. Er hoeven geen aanvullende maatregelen genomen te worden. Regels Er zijn geen regels van toepassing.

5.2.3 Dienstenrichtlijn Wettelijk kader

28

Er mogen geen economische motieven zijn voor regels voor diensten in een omgevingsplan. Dit volgt uit de Dienstenrichtlijn. Voor het uitvoeren van de Dienstenrichtlijn staat in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) een instructieregel (artikel 5.1a). Onderzoek Dit plan betreft de ontwikkeling van 10 wooneenheden en het verwijderen van het bestaande speelplein. In dit plan worden geen nieuwe diensten toegevoegd, er hoeft dus niet getoetst te worden aan de dienstenrichtlijn. Regels Er zijn geen regels van toepassing

5.2.4 Mobiliteit Wettelijk kader Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De omgevingsvisie van de gemeente Meppel gaat wel op deze aspecten in. De Nota Parkeernormen van de gemeente Meppel biedt daarvoor de kaders. Deze kaders zijn gebaseerd op de parkeercijfers van het CROW. De CROW-richtlijnen zijn erg belangrijk bij de beoordeling van verkeer en parkeren. Onderzoek Verkeersontsluiting Voor het plan is een onderzoek uitgevoerd. In bijlage 3 Is het volledige onderzoek gegeven. Op basis van de verkeerstoets en de wegvaktellingen volgen onderstaande conclusies: Parkeren o De totale planontwikkeling kent een parkeerbehoefte van afgerond 4 parkeerplaatsen; o Met de 6 parkeerplaatsen op eigen terrein kent het plan voldoende parkeercapaciteit om de parkeervraag te faciliteren; Verkeersgeneratie o De verkeersgeneratie van de planontwikkeling ligt op circa 35 mvt/werkdag.

De huidige (te vervallen) verkeersgeneratie is 0 mvt/werkdag, waarmee het planeffect uitkomt op een extra verkeersgeneratie van circa 35 mvt/werkdag; Verkeersontsluiting o De planlocatie kent een acceptabele verkeerskundige ontsluitingsstructuur voor alle modaliteiten; o De weginrichting van de Julianastraat en wegen in het plangebied sluiten aan op de functie van de wegen en de inrichtingskenmerken voor de betreffende wegen; Verkeersafwikkeling o In de plansituatie ligt de geprognotiseerde verkeersbelasting op de Julianastraat, op een kleine 200 mvt/werkdag; o De geprognotiseerde wegvakintensiteiten in de plansituatie vallen ruim binnen de wenselijke capaciteitswaarden voor de Julianastraat. Ook op de overige ontsluitende wegen (Catharinastraat en Wilhelminastraat) zijn, net als op kruispuntniveau, geen knelpunten in de verkeersafwikkeling te veronderstellen. Hiermee is de verkeersafwikkeling acceptabel; Verkeersveiligheid o De planuitwerking, met onder andere een inritconstructie op de Julianastraat, voorziet in een verkeersveilige situatie voor alle verkeersdeelnemers. Extra aanvullende verkeersmaatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk. Te treffen maatregelen

29

De beoordeling van het plan op het omgevingsaspect parkeren houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig moet zijn. Dit plan zorgt voor genoeg parkeergelegenheid, want er worden 6 parkeerplaatsen opgenomen. Dit ligt 2 boven de gestelde norm en dus zijn er geen verdere maatregelen nodig. Met het plan wordt de inrit verschoven naar de noordkant van het perceel. In bijlage 1 is de inrit civieltechnisch weergegeven. Qua verkeersveiligheid zijn er geen te treffen maatregelen nodig. Regels Er zijn geen regels van toepassing.

5.2.5 Geluid Wettelijk kader In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, onder b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid.

Figuur 5.3 Waarden voor geluidsbelasting In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: o activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); o geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); o geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). Onderzoek Door GeluidMeesters BV is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de omgevingsplanactiviteit ten behoeve van het realiseren van 10 wooneenheden aan de Julianastraat 18 in Meppel.

30

De gemeente heeft onder voorwaarden, positief gereageerd op het principe verzoek voor het omzetten van de bedrijfsfunctie op het betreffende perceel naar een woonbestemming voor 10 wooneenheden. Eén van de voorwaarden is dat, als gevolg van de nabijgelegen tennispark (Tivoli Tennis Club) en de basisschool (Vrije School De Toermalijn), ter plaatse van de te realiseren wooneenheden sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij mogen de tennisvereniging en de school niet onevenredig worden beperkt in de mogelijkheden. In dit onderzoek is de geluidemissie als gevolg van de voornoemde mba’s vastgesteld. Beoordeeld is of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (voorheen: goede ruimtelijke ordening). Voor deze beoordeling is, op aangeven van de Omgevingsdienst Drenthe, aansluiting gezocht bij de richtwaarden uit de VNGpublicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009). Voor de beoordeling of de mba’s vanuit akoestisch oogpunt worden beperkt, is getoetst aan de waarden voor geluid uit het Omgevingsplan (bruidsschat) van de gemeente Meppel. Dit onderzoek leidt tot de volgende bevindingen: Tennispark (Tivoli Tennis Club) Uit de rekenresultaten blijkt dat niet aan de richtwaarden uit stap 2 én stap 3 van de VNG-publicatie wordt voldaan.

Het is aan de gemeente om te beoordelen of de optredende niveaus op deze locatie aanvaardbaar zijn. De waarden uit het Omgevingsplan worden eveneens overschreden. Hierdoor wordt het tennispark beperkt. Dit kan mogelijk worden opgelost door het stellen van voorschriften voor een verhoogde geluidbelasting ter plaatse van de voorgenomen nieuwbouw. Basisschool (Vrije School De Toermalijn) Uit de rekenresultaten blijkt dat niet aan de richtwaarden uit stap 2 én stap 3 van de VNG-publicatie wordt voldaan. Het is aan de gemeente om te beoordelen of de optredende niveaus op deze locatie aanvaardbaar zijn. De geluidniveaus voldoen wel aan de waarden uit het Omgevingsplan. Dit betekent dat de basisschool niet wordt beperkt in de akoestische mogelijkheden door de voorgenomen nieuwbouw. Spoorweglawaai Het plangebied ligt op voldoende afstand van spoorlijnen. Geluid vanaf spoorlijnen is niet van toepassing. Industrielawaai Het plangebied ligt op voldoende afstand van industrie. Geluid van industrie is niet van toepassing. Te treffen maatregelen Binnen het plangebied wordt een gebouw gerealiseerd met 10 wooneenheden. Vanwege de nabijgelegen bassischool wordt er bij het gebouw een dove gevel geplaatst aan de noordzijde. Dit is verder uitgewerkt in de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten.

Daarnaast wordt de gemeente verzocht om een verhoogde geluidsbelasting toe te staan ter plaatse van de voorgenomen nieuwbouw in verband met tennisvereniging Tivoli. De gemeente dient dit vast te leggen in het omgevingsbesluit. Regels Er zijn geen regels van toepassing.

5.2.6 Luchtkwaliteit Wettelijk kader Als een BOPA-betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie van luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen niet overschreden worden (artikel 8.17 Bkl). De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het

31

Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 μg/m3 of minder. Daarbij is in artikel 5.54 Bkl een koppeling gelegd met een aantal standaardactiviteiten die niet in betekenende mate bijdragen. Enkele voorbeelden zijn: o Woningen: 1.500 met enkele ontsluitingsweg; o Woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; o Kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met enkele ontsluitingsweg. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. Concreet is een beoordeling alleen relevant voor milieubelastende activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning nodig is.

Onderzoek De activiteiten in het plan behoort tot een categorie van gevallen die niet in betekenende mate bijdragen (standaardactiviteiten zijn genoemd in artikel 5.54 Bkl) of leidt tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 μg/m3 of minder. Is dit het geval is er geen belemmering voor het toelaten van de activiteit.

Figuur 5.4 NIMB-tool voor planlocatie (bron: Iplo.nl) Voor het plangebied geldt de toevoeging van 10 wooneenheden, dit leidt tot een totale verkeersgeneratie van 35. Geconcludeerd kan worden dat met het plan de luchtkwaliteit niet ‘in overwegende mate’ zal verslechteren. Voor het aspect luchtkwaliteit is sprake van een effectieve toedeling van functies aan locaties. Te treffen maatregelen Er zijn geen te treffen maatregelen nodig. Regels Er zijn geen regels van toepassing

5.2.7 Geur Wettelijk kader

32

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: o Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); o Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); o Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); o Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteit leefomgeving (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Onderzoek Er wordt onderscheid gemaakt tussen interne en externe geurbelasting. Enerzijds moet intern worden aangetoond dat omliggende bedrijven de functie ‘Wonen’ toelaten in het plangebied. Anderzijds mag de functie ‘Wonen’ andere bedrijven niet hinderen in de bedrijfsvoering. Interne geurbelasting Veehouderijen In de directe omgeving van het plangebied zijn er geen veehouderijen aanwezig, zoals te zien is in figuur 5.6. Van geurhinder door veehouderijen is dus geen sprake.

Dit aspect vormt dus ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Waterzuiveringsinstallaties De dichtstbijzijnde waterzuiveringsinstallatie is Ferr-Tech, gelegen aan de Hesselterlandweg 6 in Meppel. Deze installatie ligt op 1,8 kilometer van het plangebied, zie figuur 5.5. Dit is buiten de richtafstand waardoor nader onderzoek niet nodig is.

1,8 km

33

Externe geurbelasting Ferr-Tech (WZI)

Figuur 5.5 Ligging WZI Ferr-Tech Figuur 5.6 Geen veehouderijen in directe omgeving (planlocatie rode ster) (bron: PDOK-Viewer) plangebied (bron: PDOK-Viewer) Het toevoegen van een woonfunctie aan het plangebied belemmert geen bedrijven rondom het plangebied, aangezien deze op grote afstand liggen en er woonfuncties dichter bij deze bedrijven zijn, die bepalend zijn voor de bedrijfsactiviteiten. Hierdoor ondervindt het plangebied geen externe geurhinder en vormt dit geen belemmering voor het project. Te treffen maatregelen Omliggende bedrijven worden niet gehinderd in de bedrijfsvoering. Ook laten omliggende bedrijven de functie ‘Wonen’ toe in het gebied. Aanvullende maatregelen hoeven niet genomen te worden.

5.2.8 Trillingen Wettelijk kader Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. De gebruikelijk gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder door spoor wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillingsonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden die boven de streefwaarde voor Vmax van 0,1 komen.

34

Onderzoek Dit plan betreft de toevoeging van 10 wooneenheden binnen het plangebied. Er zijn geen bedrijfsactiviteiten op korte afstand die trillingen veroorzaken. De spoorlijn Zwolle – Groningen/Leeuwarden bevindt zich op 320 meter van het plangebied en ligt op voldoende afstand. Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Te treffen maatregelen Er liggen geen bedrijven in de omgeving die trillingen veroorzaken. Aanvullende maatregelen zijn niet nodig. Regels Er zijn geen regels van toepassing.

5.2.9 Bodem Wettelijk kader Het beschermen van de bodemkwaliteit is een onderdeel bij de afweging van de aspecten van de fysieke leefomgeving. Ter bescherming van de bodemkwaliteit zijn instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de kwaliteit van de bodem. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: o Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerksvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); o Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); o Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) o Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Onderzoek In opdracht van BiedtRuimte is in een verkennend (asbest)bodemonderzoek de bodem onderzocht op een terreindeel ter grootte van 637 m² tussen de Julianastraat 16 en 22. De onderzoekslocatie is deels bebouwd en deels verhard. De aanleiding van dit onderzoek is de geplande nieuwbouw van wooneenheden. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725: “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”.

Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat er na een in februari 2007 uitgevoerde bodemsanering een restverontreiniging in de ondergrond is achtergebleven. De ondergrond wordt als verdacht (NEN5740-

35

standaardpakket en asbest) beschouwd. De bovengrond bestaat tot circa 0.7 m-mv uit aanvulzand en wordt evenals het grondwater als onverdacht beschouwd. Resultaten veldwerk In totaal zijn er 7 diepe boringen verricht, waarvan er 1 is afgewerkt met een peilbuis. De bovengrond bestaat globaal uit uiterst fijn, zwak siltig, zwak humeus donkerbruin zand of matig grof, zwak siltig, zwak grindig ophoogzand (ter plekke van de verhardingslagen). De ondergrond bestaat globaal uit uiterst fijn tot matig grof, zwak tot uiterst siltig, sterk humeus zand. In de ondergrond zijn plaatselijk oer- en roesthoudende lagen waargenomen. Er zijn bodemvreemde materialen in de opgeboorde ondergrond waargenomen. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de bodem waargenomen. Het freatische grondwater in de peilbuis is aangetroffen op 1.75 m-mv. Resultaten chemische analyses Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: • De bovengrond (BG) is niet verontreinigd. • De ondergrond (OG I) is (zeer) licht verontreinigd met koper, kwik, lood, zink, minerale olie en PCB en matig verontreinigd met PAK. De 3 deelmonsters zijn separaat op PAK geanalyseerd: o Boring 1 (1.05 - 1.4 m-mv) is licht verontreinigd met PAK. o Boring 3 (1.3 - 1.5 m-mv) is matig verontreinigd met PAK.

o Boring 4 (1.3 - 1.6 m-mv) is sterk verontreinigd met PAK. • De ondergrond (OG II) is (zeer) licht verontreinigd met cadmium, koper, kwik, lood, zink, minerale olie en PAK. • De ondergrond (OG III) is zeer licht verontreinigd met kwik. • De ondergrond (OG IV) is (zeer) licht verontreinigd met koper, kwik, lood, zink en PAK. • Het grondwater (PB 1) is (zeer) licht verontreinigd met barium en dichlooretheen. • In het mengmonster van de fijne fractie (MM FF - 01) is geen asbest aangetoond. Hypothese De hypothese "verdachte locatie" uit norm NEN5740 met betrekking tot de ondergrond en het grondwater dient te worden aangenomen, aangezien er overschrijdingen van de achtergrond-, streef- en interventiewaarden zijn aangetoond. De hypothese "onverdachte locatie" uit norm NEN5740 met betrekking tot de bovengrond kan worden aangenomen, aangezien er geen overschrijdingen van de achtergrondwaarde zijn aangetoond. De hypothese "verdachte locatie" uit norm NEN5707 kan worden verworpen, aangezien er geen asbest is aangetoond. Conclusies en aanbevelingen In zintuiglijk schone bovengrond (BG) zijn analytisch geen verontreinigingen aangetoond. In de ondergrond (OG I, OG II, OG III en OG IV) en in het grondwater (PB 1) zijn enkele (zeer) lichte tot matige verontreinigingen aangetoond. De 3 deelmonsters uit OG I zijn vanwege de aangetoonde matige PAK-verontreiniging separaat op PAK geanalyseerd.

In de separate monsters zijn lichte tot sterke PAK-verontreinigingen gemeten. Het matig verhoogde PAK-gehalte in boring 3 behoeft geen nader onderzoek, omdat het een separate bodemlaag betreft en het verhoogde PAK-gehalte de interventiewaarden niet overschrijdt.

36

In het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 01 is geen asbest aangetoond. Omdat het resultaat van het asbestonderzoek als indicatief dient te worden beschouwd, kan alleen de conclusie worden getrokken dat de locatie onverdacht voor asbest is. In de huidige situatie zijn er geen saneringsmaatregelen met spoed noodzakelijk, aangezien de sterke verontreiniging zich in de ondergrond (> 1.3 meter diepte) bevindt. Er zijn hierdoor geen blootstellingsrisico’s. Wanneer in de sterk verontreinigde laag wordt gegraven, is sanering wel noodzakelijk. De sterke verontreiniging kan ook worden gesaneerd door het realiseren van een duurzame afdeklaag. Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met schone grond. Tevens mag de verontreinigde grond niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van bevoegd gezag. Voorafgaande aan de sanering dient een plan van aanpak opgesteld te worden en goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag. Het verrichten van bodemsaneringen mag alleen door erkende bedrijven worden uitgevoerd. Te treffen maatregelen Met de bouw wordt gebruik gemaakt van stalen buispalen die in de grond worden geschroefd. Met deze technieken wordt er zo min mogelijk in de gronden geroerd. Wel komt er tijdens dit proces grond naar boven.

Op de locaties waar grond verontreinigd is en stalen buispalen in de grond worden geschroefd, wordt het grond separaat van de schone grond afgevoerd. Dit wordt gedaan door een gecertificeerd bedrijf. Regels Er zijn geen regels van toepassing.

5.2.10 Veiligheid Wettelijk kader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, worden in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen. Deze aandachtsgebieden maken zichtbaar waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het betreffende aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl).

37

Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties is voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: o Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; o Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; o Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); o Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Onderzoek Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties.

Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Het plangebied ligt op 280 meter. Hierdoor is nader onderzoek niet nodig.

38

Figuur 5.7 Situatie planlocatie ten opzichte van de veiligheidscontouren van het spoor bij station Meppel (bron: Atlas van de Leefomgeving) Te treffen maatregelen Er zijn geen te treffen maatregelen nodig. Regels Er zijn geen regels van toepassing.

5.2.11 Water Wettelijk kader Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma (NWP) 2022 -2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld en brengt het Nationaal Water Plan en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren in het kader van de Omgevingswet samen in één programma. De Rijksoverheid beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en vaarwegen. Aspecten als klimaatverandering, bodemdaling, milieu- verontreiniging en ruimtedruk zorgen ervoor dat Nederland momenteel te maken heeft met grote wateropgaven, die in de toekomst steeds groter en complexer worden. In het Nationaal Waterprogramma 2022 – 2027 staan de volgende drie ambities centraal: o Een veilige en klimaatbestendige delta; o Een concurrerende, duurzame en circulaire delta; o Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. Deze drie hoofdambities worden uitgewerkt per thema: o Klimaatadaptie; o Waterveiligheid o Zoetwaterverdeling en droogte; o Waterkwaliteit;

39

o Grondwater; o Scheepvaart; o Water en leefomgeving. In deel A van het NWP zijn de belangrijkste beleidsdoelen en keuzes per thema geformuleerd. Vervolgens is in deel B het beheer en uitvoering door Rijkswaterstaat per thema beschreven. Tot slot komen in deel C het beleid en beheer en uitvoering samen in specifieke gebiedsgerichte uitwerkingen voor verschillende onderdelen van het hoofdwatersysteem. Provinciaal beleid De provincie houdt toezicht op de waterschappen en is verantwoordelijk voor veilig drinkwater. Ook zorgt zij voor de plannen voor waterbeheer in de regio. Ook is de provincie verantwoordelijk voor vergunningverlening voor drinkwaterwinning. De ambities zijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van gronden oppervlaktewater en waterbeleving. De waterschappen beheren water en waterkeringen (dijken) en zuiveren afvalwater. Ook zorgen zij voor de kleine waardevolle wateren, zoals vennen en bronnetjes. Voor grotere rivieren, meren en kanalen en grondwaters bestaat de Europese Kaderrichtlijn. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben de waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg).

Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen het waterschap wil nemen. Bij nieuwe plannen dient rekening te worden gehouden met de waterhuishoudkundige situatie. Dit houdt in dat de gevolgen van het plan op de waterbelangen beschreven worden. Een belangrijk instrument hierbij is de watertoets. De waterbelangen en waterhuishoudkundige doelstellingen worden hierbij afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen zijn zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Watertoets Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. Hierdoor wordt ook het betrokken waterschap geïnformeerd. In dit geval is dat het waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta). De watertoets voor de twee deelgebieden is uitgevoerd in juni 2024. De beantwoording van de vragen heeft voor beide gebieden geleid tot de ‘korte procedure' en een advies verharding. Relevant beleid Het beleid van Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta) is beschreven in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 en de Kadernotitie Stedelijk Water. Het proces watertoets kent verschillende fasen waarbij formeel een watertoets voorkomt bij de initiatief-, ontwikkel- en besluitvormingsfase. In elke fase spelen de initiatiefnemer en de waterbeheerder hun rol.

Een goede vertaling van het beleid naar deze uitgangspuntennotitie is afhankelijk van de informatie die de initiatiefnemer van het plan heeft aangeleverd. Daarnaast zijn de Waterschapsverordening, Keur en Legger een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. U kunt onze kaartviewer raadplegen voor de meest recente data (Kaart viewer WDODelta). Invloed op de waterhuishouding Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het plan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 cm. Dit is de afstand tussen de gemiddelde

40

hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen, adviseren wij om een drempelhoogte van 30 cm boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lagergelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, moet aandacht besteed worden aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater. Voorkeursbeleid hemelwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem.

Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Dit plan betreft het verwijderen van verharding op het bestaande schoolplein. Binnen het plangebied wordt een gebouw gerealiseerd waarin 10 wooneenheden worden gerealiseerd. In de buitenruimte om het gebouw heen wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van halfverharding. Compensatie bij verharding Om wateroverlast te voorkomen wordt geadviseerd om voor het aanwezig verhard oppervlak een berging ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater te realiseren. Compensatie moet de volgende trap volgen: vasthouden-bergen-afvoeren. Voor kleine plannen geldt als regel dat 10% van het totale aanwezige verhard oppervlak, wordt ingezet voor berging ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater waarin maximaal 30 cm peilstijging is toegestaan. Geadviseerd wordt om de waterberging te ontwerpen op basis van bij voorkeur een vertraagde afvoer, een infiltratiesituatie. In de onderbouwing dienen de maatregelen te worden beschreven waardoor versnelde afvoer van afstromend hemelwater binnen het plangebied wordt voorkomen. Wetgeving lozen in oppervlaktewater Voor lozingen op het oppervlaktewater geldt een vergunning- of meldingsplicht in het kader van de Waterschapsverordening.

Voor de afvoer hemelwater geldt: o Schoon hemelwater mag (na de voorkeursreeks) worden afgevoerd naar oppervlaktewater (dakoppervlakken). o Voor overige afvoer en verwerking van hemelwater (vanaf verharding) is het gewenst om dit via een bodempassage te lozen op het oppervlaktewater. o In alle situaties geldt een voorkeur voor bovengronds afvoeren i.p.v. via de riolering. De ideale situatie bij hemelwater volgt deze reeks: 1) benutten van hemelwater; 2) infiltreren van hemelwater; 3) vasthouden en vertraagd afvoeren van hemelwater.

41

Het Waterschap adviseert om in het ontwerp geen uitlogende bouwmaterialen te gebruiken en duurzaam gebruik te maken van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afstromende hemelwater te garanderen. Wetgeving grondwateronttrekking Er vindt in het plan een grondwateronttrekking plaats. Gezien de verschillende belangen die partijen hebben bij het grondwater, is het beheer van het grondwater wettelijk geregeld in de Waterschapsverordening. In het kort komt het erop neer dat u voor grondwateronttrekkingen van meer dan 70.000 m3 in 30 dagen; of meer dan 200.000 m3 in 6 maanden; of meer dan 6 maanden grondwater onttrekt, verplicht bent een vergunning aan te vragen. Voor kleinere onttrekkingen vanaf 10 m3/uur geldt een meldingsplicht. Te treffen maatregelen Binnen het plangebied wordt maximaal 620 m² aan verharding toegevoegd. Voor het plan moet dus 6,2 m³ aan water worden opgeslagen. Onder de berging van de fietsen worden minimaal 8 m³ aan infiltratiekratten geplaatst. Hierdoor voldoet het plan aan de infiltratiecapaciteit. Regels Er zijn geen regels van toepassing.

5.2.12 Natuur Wettelijk kader Doelen van de Omgevingswet zijn onder meer de natuurbescherming en het beheer van ecosystemen (artikel 2.1, lid 3, onder h en o) en natuurgebieden (artikel 2.1, lid 3, onder h en q). De bescherming van habitats (en soorten) is geregeld in afdeling 3.7 en afdeling 4.4 (programma's natuur) Bkl. Voor het plan is een Flora en Fauna onderzoek uitgevoerd. Deze is bijgevoegd in bijlage 2. Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: o Soorten Vogelrichtlijn (Artikel 11.37 t/m Artikel 11.40 Bal); o Soorten Habitatrichtlijn (Artikel 11.46 t/m Artikel 11.48 Bal); o Andere soorten (Artikel 11.54 Bal). Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.

De soortenbescherming kan met behulp van de volgende tools worden getoetst: o Quickscan ecologie; o Aanvullend onderzoek specifieke soorten; o Werkprotocol/ontheffing/activiteitenplan. Gebiedsbescherming Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe

42

effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voor toets. Als significante gevolgen in de voor toets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk. Doelen van de Omgevingswet zijn onder meer de natuurbescherming en het beheer van ecosystemen (artikel 2.1, lid 3, onder h en o) en natuurgebieden (artikel 2.1, lid 3, onder h en q). De bescherming van habitats (en soorten) is geregeld in afdeling 3.7 en afdeling 4.4 (programma's natuur) Bkl. De gebiedsbescherming wordt getoetst aan de hand van de volgende punten: o o o o

Ligging projectlocatie ten opzichte van beschermde gebieden; Eventuele effecten op Natura 2000; Eventuele effecten op NNN, GNN, GO; Beschermde houtopstanden.

Stikstofdepositie Conform het overgangsrecht van de Omgevingswet (Ow) blijven de regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum (artikel 22.20, Ow). Na deze datum moet stikstof worden gemonitord als omgevingswaarde. Onderzoek Soortenbescherming Natuurbank Overijssel heeft een Quickscan flora en fauna uitgevoerd voor de voorgenomen ontwikkeling van wooneenheden in de Julianastraat in Deventer. De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Drenthe een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een Omgevingsvergunning vereist of er dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode.

In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een (winter)rust en/of voortplantingsplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden, omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van

43

vogelnesten dienen daarom bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, mits geen bezette vogelnesten verstoord, beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaatsen’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit vereist.

Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood. Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning floraen fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Gebiedsbescherming In deze paragraaf wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000- gebied en het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig.

Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Het plangebied ligt niet in de directe nabijheid van een Natura-2000 gebied.

44

Figuur 20 Ligging plangebied (gemarkeerd met rode ster) ten opzichte van Natura-2000 gebied (bron: Atlasleefomgeving) Natuurnetwerk Nederland (NNN) Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden.

Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken). Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Drenthe. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt.

45

Figuur 21 NNN in de omgeving van het plangebied (NNN-gebied groen en plangebied gemarkeerd met rode ster) (bron: Atlas van de Leefomgeving) Stikstofdepositie Voor het plan is een stikstofberekening uitgevoerd voor de ontwikkel- en gebruiksfase. De activiteiten in de ontwikkelfase leiden gezamenlijk tot een Nox-emissie van 6,8 kg/jaar en een NH3 emissie van 0,2 kg/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de ontwikkelfase, leidt niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De activiteit in de gebruiksfase leidt tot een Nox-emissie van 3,9 kg/j en een NH3-emissie van 0,6 kg/j. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de gebruiksfase, leidt niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. Het plan is o het kader van stikstof uitvoerbaar. Te treffen maatregelen Er zijn geen te treffen maatregelen nodig. Regels Er zijn geen regels van toepassing.

5.2.13 Duurzaamheid Wettelijk kader Doelen van de Omgevingswet zijn onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen (artikel 2.1, lid 3, onder i, o en p Ow). Met het oog op die doelen moet het plan aan het omgevingsaspect duurzaamheid worden getoetst. In artikel 22.52 Omgevingsplan gemeente Meppel zijn regels op het gebied van energiebesparende maatregelen opgenomen.

46

Onderzoek Dit plan draagt bij aan deze doelen van de Omgevingswet, want de woningen worden volgens de meest duurzame regels gebouwd conform het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Het Bbl kent voor energiezuinigheid een functionele eis: het bijna energieneutraal zijn van een bouwwerk (artikel 4.148, lid 1). Te treffen maatregelen Er zijn geen te treffen maatregelen en geen verdere regels van toepassing. Regels Er zijn geen regels van toepassing

5.2.14 Gezondheid Wettelijk kader Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Met het oog op dit doel kan de gemeente Meppel in haar omgevingsplan ten aanzien van gezondheid omgevingswaarden vaststellen. Deze omgevingswaarden zijn op dit moment nog niet vastgesteld. Onderzoek Dit plan draagt bij aan dit doel van de Omgevingswet. Zoals gebleken uit voorgaande paragrafen heeft het (planologisch) toestaan van 10 wooneenheden binnen het plangebied geleid tot een effectieve toedeling van functies aan locaties. Waar nodig zijn onderzoeken uitgevoerd om dit te onderbouwen. Er zijn verder geen bijzonderheden die de gezondheid van bewoners/gebruikers in gevaar brengen. Dit plan draagt daarmee bij aan dit doel van de Omgevingswet.

Te treffen maatregelen Er zijn geen te treffen maatregelen. Regels Er zijn geen regels van toepassing.

47

6 Beperkingengebied Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. De Omgevingswet verplicht Rijk en provincie om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Binnen deze beperkingengebieden stelt de provincie eisen aan aanduidingen, informatieborden en uitwegen. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk als ook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. Een beperkingengebied is in feite wat nu de (beschermings)zones onder de huidige wetgeving zijn en in veel gevallen omvat het beperkingengebied ook de locatie van de weg of het waterstaatswerk of object zelf. Toets initiatief aan beperkingengebied Het plangebied valt niet binnen een beperkingengebied. Het ligt niet binnen een zone van wegen, hoofdspoorwegen, waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Hierdoor gelden de bovengenoemde beperkingen niet voor het plangebied.

48

7 Uitvoerbaarheid De bepaling over de uitvoerbaarheid uit het Besluit ruimtelijke ordening komt onder de Omgevingswet niet terug. De gemeente hoeft niet meer aannemelijk te maken dat een toegedeelde functie er ook zal komen. De gemeente geeft in haar omgevingsplan aan dat een functie op een zekere locatie ‘kan’ komen. Nu moet de gemeente veel mogelijkheden onderzoeken die feitelijk nooit gerealiseerd zullen worden. De Omgevingswet maakt het mogelijk dat onderzoek gefaseerd kan worden. Pas als zich een concreet, binnen de toegedeelde functie passend, initiatief aandient wordt onderzocht 'hoe' dat op een aanvaardbare wijze gerealiseerd kan worden. Dit heeft als voordeel dat de onderzoekslasten omlaag kunnen. De gemeente moet wel onderzoeken of ontwikkeling op de betrokken locatie in beginsel mogelijk is. Bij een BOPA die voldoende concreet is, moet de uitvoerbaarheid wel worden aangetoond.

7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.1.1 Financieel economische uitvoerbaarheid In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden. In gevallen waarin een ontwikkeling alleen gerealiseerd kan worden met een financiële bijdrage vanuit de gemeente, dan wordt in deze paragraaf een passage daarover opgenomen. Ten eerste zal worden beoordeeld of een ontwikkeling binnen een redelijke termijn uitvoerbaar is, gelet op de aard en omvang van de voorziene ontwikkeling en het gebied waar deze ontwikkeling is voorzien. Ten tweede zal worden beoordeeld of deze ontwikkeling binnen die redelijke termijn financieel haalbaar is, en zo ja, hoe de gemeenteraad dat inzichtelijk heeft gemaakt. De nieuwe onuitvoerbaarheidstoets leidt tot minder mogelijkheden voor het gemeentebestuur om een bestemming te weigeren, omdat deze niet uitvoerbaar zou zijn. Toets initiatief aan aspect Financiële uitvoerbaarheid De ontwikkeling is binnen een redelijke termijn uitvoerbaar is, gelet op de aard en omvang van de voorziene ontwikkeling en het gebied waar deze ontwikkeling is voorzien. Het plan betreft het planologisch toestaan van 10 wooneenheden voor de verhuurd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meppel&id=bc41effc-b782-426c-9737-1d46da9175d1