CConstaterende datMeppel
Koppel je AI →
Document · PDF

2d. TAM Omgevingsplan Danninge Erve Zuid - Motivering

1 - RAADSVERGADERING 29 januari 2026, gemeente MeppelBij agendapunt: Vaststellen TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid, 3e deelgebied23.164 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het doel is de archiefwaarde van de bodem te behouden en de landvormen, die karakteristiek zijn voor het Drentse landschap, te behouden en te versterken, als onderdeel van de kernkwaliteit oorspronkelijkheid.

28

TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied

Het werkingsgebied heeft een generiek beschermingsniveau voor aardkundig erfgoed. In deze gebieden kunnen aardkundige kwaliteiten als inspiratiebron bij ontwikkelingen worden gebruikt. De provincie verwacht van gemeenten dat zij in deze gebieden nagaan welk kenmerkend aardkundig erfgoed aanwezig is en dat zij hieraan bescherming geven via de gemeentelijk omgevingsvisie en plannen en initiatieven daarop beoordelen. De voorgenomen wijziging van het omgevingsplan heeft geen invloed op aardkundig erfgoed van de provincie Drenthe. Toetsing Het voornemen is in overeenstemming de Omgevingsvisie. 4.2.2

Omgevingsverordening Provincie Drenthe

In de Omgevingsverordening provincie Drenthe (17 augustus 2024) is het beleid uit de Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2022 vertaald naar concrete regels. In de vorige paragraaf 4.2.1 is het plan aan de kernkwaliteiten getoetst. Het werkingsgebied ligt binnen de gebiedsaanwijzing 'Bestaand Stedelijk Gebied'. Hierbij geldt voor woningbouw het volgende: Woningbouw (artikel 3.16) Een omgevingsplan dat in Landelijk Gebied aansluitend op Bestaand Stedelijk Gebied voorziet in nieuwe woningbouw, toont de behoefte aan op basis van de gemeentelijke woonvisie. De gemeentelijke woonvisie ten aanzien van de woningvoorraad: a. b. c. d. e.

draagt bij aan balans tussen vraag en aanbod in de gehele Drentse woningvoorraad op de lange termijn en is hiertoe afgestemd binnen de woningmarktregio's; benoemt ten minste de kwaliteit, kwantiteit, doelgroepen, duurzaamheid en kernenstructuur; schetst de opgaven in de bestaande woningvoorraad; geeft aan op welke wijze balans op lange termijn wordt gerealiseerd; en geeft een lange termijnbeeld.

Het werkingsgebied bevindt zich als geheel binnen het bestaand stedelijk gebied, boven genoemde is dus niet van toepassing op het voornemen. Er zijn geen andere relevante aspecten aan de orde uit de omgevingsverordening. Toetsing Gezien de locatie van het werkingsgebied voor het grootste gedeelte is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied, is het voornemen in overeenstemming met de Omgevingsverordening.

4.2.3

Conclusie

Het voornemen is in overeenstemming met provinciaal beleid en regelgeving. Op basis daarvan is het voornemen uitvoerbaar.

4.3

Verordening fysieke leefomgeving

In Meppel is door de raad (op 28 oktober 2021) een Verordening fysieke leefomgeving (VFL) vastgesteld voor de onderdelen uit de gemeentelijke verordeningen die moeten en mogen worden opgenomen in het omgevingsplan. Om de overgang van bepalingen uit gemeentelijke verordeningen naar het omgevingsplan zo geleidelijk en efficiënt mogelijk te laten verlopen, heeft de gemeenteraad van Meppel besloten om deze bepalingen eerst op te nemen in de Verordening fysieke leefomgeving. In deze verordening zijn de regels opgenomen die de fysieke leefomgeving wijzigen, alsook regels die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving.

29

TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied

De regels uit de Verordening fysieke leefomgeving (VFL) verzetten zich niet tegen de voorgenomen ontwikkeling.

4.4

Bruidsschat

Tot 2032 gelden de regels uit de bruidsschat (hoofdstuk 22 van het omgevingsplan Meppel). In de motivering van een wijziging van een omgevingsplan wordt beschreven hoe om wordt gegaan met deze regels en of de ontwikkeling hier binnen past. Indien een ontwikkeling niet past binnen de regels van de bruidsschat, kan in sommige gevallen worden afgeweken van de regels van de bruidsschat. Hierbij geldt dat dit goed wordt gemotiveerd en indien nodig onderzocht en goedgekeurd door de gemeente Meppel. Deze ontwikkeling past binnen de regels van de bruidsschat en bij de verdere ontwikkeling zal met deze regels rekening worden gehouden. In het toepassingsbereik van de regels is aangegeven dat de regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 niet van toepassing zijn op de locatie van dit TAM-omgevingsplan, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan. De verhouding tussen dit TAM-omgevingsplan en de bruidsschat is daarmee hetzelfde als de verhouding tussen de bruidsschat en andere vigerende bestemmingsplannen die onderdeel zijn van het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Hoofdstuk 5

Hoe gaan we het regelen

5.1

Uitwerking in de regels

5.1.1

Omgevingsplan van rechtswege

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. 5.1.2

Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD). De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant.

Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.

30

TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied

5.1.3

Werkingsgebied

De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0119.DanningeErveZuid2d-TOC1 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen. 5.1.4

Overzicht wijzigingen

De planregels van het omgevingsplan van rechtswege worden met dit TAM-IMRO omgevingsplan gewijzigd. Het TAM-IMRO besluit is met de techniek van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgesteld, maar wel conform de inhoudelijke eisen van de Omgevingswet. Met dit TAM-IMRO besluit worden zoveel mogelijk aangesloten bij de regels uit het bestemmingsplan 'Nijeveen - Danninge Erve Zuid, fase 2'. De formulering is wel anders doordat het voldoet aan de aan de eisen van de Omgevingswet. Voorheen opgenomen wijzigingsbevoegdheden kunnen niet zonder meer worden overgenomen. Ook zorgt de herverkaveling voor de noodzaak om een aantal regels aan te passen.

5.2

Welke activiteiten worden toegestaan en waar

In dit TAM-IMRO omgevingsplan wordt een herverkaveling van woningen mogelijk gemaakt. Er kunnen meer woningen worden gebouwd dan op grond van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan mogelijk was. Het plan is als volgt opgebouwd: Preambule De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen. HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 Aanvraagvereisten In dit artikel zijn de aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning die op grond van dit omgevingsplan vereist is geregeld. Artikel 2 Algemene begripsbepalingen In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar de algemeen geldende begrippen. Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen In dit artikel zijn begrippen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan. Artikel 4 Toepassingsbereik In de toepassingsbereikbepaling wordt in het eerste lid bepaald dat de ruimtelijke plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet van toepassing zijn op de locatie waarvoor het TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld.

In het tweede lid is bepaald dat in afwijking van het eerste lid de bestemmingsplannen Meppel Paraplubestemmingsplan Parkeren en het Paraplubestemmingsplan woningsplitsing en woningomzetting wel gewoon van toepassing blijven. In het derde lid is de verhouding tussen het TAM-omgevingsplan en de bruidsschat bepaald. Hierin staat dat de regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 niet van toepassing zijn op de locatie, bedoeld in het vierde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan. Dit betekent dat bij strijdigheid tussen afdeling 22.2 en 22.3 van de bruidsschat en de

31

TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied

regels in dit TAM-omgevingsplan, de regels in dit TAM-omgevingsplan voor gaan. Dit geldt niet voor de regels in paragraaf 22.2.7.3 van de bruidsschat. Hierin staan activiteiten met betrekking tot bouwwerken die van rechtswege in overeenstemming zijn met dit omgevingsplan. Met deze voorrangsbepaling is beoogd dezelfde verhouding met de bruidsschat te regelen als gold tussen de bepalingen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (o.a. de bestemmingsplannen) en de bruidsschat, zoals is opgenomen in artikel 22.1 lid 1 van de bruidsschat. In het vierde lid worden de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende verbeelding. Artikel 5 Meet- en rekenbepalingen Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.24 al meetbepalingen. In dit artikel zijn alleen meeten rekenbepalingen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan. HOOFDSTUK 2 FUNCTIES EN ACTIVITEITEN Artikel 6 Groen De functie 'Groen' is gelegd op de belangrijkste groenvoorzieningen binnen het werkingsgebied. Het zogenaamde snippergroen, relatief kleine groenstrookjes die veelal erven van functies van de openbare ruimte afschermen, zijn in beginsel onderdeel van de functie 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Binnen de functie 'Groen' zijn groenvoorzieningen, bermen en beplanting, parken en plantsoenen toegestaan.

Ook is de functie bedoeld voor parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, voet- en fietspaden, nutsvoorzieningen alsmede tuinen. Binnen de functie 'Groen' zijn enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Deze mogen niet hoger dan 5 meter zijn, met uitzondering van lichtmasten die een bouwhoogte van maximaal 10 meter mogen hebben. Artikel 7 Natuur Het zuidelijke deel van het werkingsgebied heeft de functie 'Natuur'. Deze functie is gericht op het behoud en het herstel van de natuurlijke en landschappelijke waarden. Binnen deze functie is onder andere water, waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen en bos mogelijk. Met het toestaan van water is de mogelijkheid gecreëerd voor het realiseren van waterberging. Ook is er ruimte voor wegen en paden en nutsvoorzieningen. Er mogen binnen deze functie uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erfen terreinafscheidingen worden gebouwd. Artikel 8 Tuin De functie 'Tuin' hangt in hoge mate samen met de functie 'Wonen'. Hierbinnen zijn de voortuinen en in enkele gevallen de zijtuinen van de woningen opgenomen, die niet mogen worden bebouwd. Zijkanten van woonpercelen hebben in de gevallen dat deze niet mogen worden bebouwd de functie 'Tuin', veelal indien deze grenzen aan het openbaar gebied, te weten de functies 'Groen' en 'Verkeer - Verblijfsgebied'.

Het plan maakt het realiseren van balkons en luifels vóór de voorgevel van woningen mogelijk, tot een maximum van 1,5 meter uit de voorgevel. Ook zijn erkers onder voorwaarden toegestaan. Artikel 9 Verkeer - Verblijfsgebied Deze functie is van toepassing op alle openbare wegen in het werkingsgebied en met name die met een verblijfsfunctie. Het gaat dan voornamelijk om woonstraten, woonerven en hofjes. De voor 'Verkeer Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn in hoofdzaak bedoeld voor parkeren, wegen, pleinen en fiets- en voetpaden. Daarnaast zijn deze gronden aangewezen voor groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, water

32

TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied

en waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, (kleinschalig) dagrecreatieve voorzieningen, erven en terreinen, kunstwerken alsmede terrassen met de daarbij behorende bebouwing. Binnen de functie 'Verkeer - Verblijfsgebied' zijn enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter, met uitzondering van lichtmasten die een bouwhoogte van maximaal 10 meter mogen hebben. Artikel 10 Water Deze functie is gelegen op een deel van het oppervlaktewater binnen het werkingsgebied. De voor 'Water' aangewezen gronden zijn aangewezen voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waterberging, waterhuishouding en waterlopen, met de daarbij behorende groen-, speel- en kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen, alsmede voor kunstwerken. Op de gronden met de functie 'Water' mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Daarvoor geldt een maximale bouwhoogte van 5 meter. Artikel 11 Wonen Het grootste deel van het werkingsgebied is aangewezen voor de functie 'Wonen'. Op deze gronden zijn woningen en de daarbij behorende groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, wegen en paden, nutsvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan met daarbij behorende tuinen, verhardingen en bebouwing.

Binnen de functie 'Wonen' mogen de aanwezige bouwwerken gebruikt worden voor aan huis verbonden beroepen (tot ten hoogste 30% van het vloeroppervlak met een maximum van 45 m2 ). In de 'Aanvullende begripsbepalingen' is het begrip 'aan huis verbonden beroep' gedefinieerd. Daarin is een belangrijke rol toegekend aan de vrije beroepen. Door de Kamer van Koophandel wordt onder een 'vrije beroepsbeoefenaar' verstaan: 'iemand die wordt gevraagd om zijn individuele, persoonlijke kwaliteiten, die in het algemeen op artistiek-, academisch-, dan wel HBO-niveau liggen'. Er zijn in het plan (beoordelings)regels voor bouwactiviteiten opgenomen. Met betrekking tot bouwactiviteiten geldt dat hoofdgebouwen enkel zijn toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken. Een hoofdgebouw mag vrijstaand, halfvrijstaand of in een rij worden gebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' uitsluitend vrijstaand mag worden gebouwd. Voorts is nog een specifieke aanduiding voor locaties waarvoor op grond van de Beleidsregel Uiterlijk en plaatsing bouwwerken Danninge Erve Zuid, fase 2, deelgebied 3 'verbijzonderingen op de koppen' worden voorgestaan. Dit geldt enkel voor één woning op de hoek.

Ten aanzien van de toegestane goot- en bouwhoogten van de woningen, welke met een aanduiding op de verbeelding zijn aangegeven, is ervoor gekozen in hoofdzaak te komen tot een samenhangende regeling en zo weinig mogelijk verschil in bouwmogelijkheden tussen aangrenzende woningen. Ook is aangegeven dat het hoofdgebouw passend moet zijn in de omgeving. Deze open norm wordt ingevuld en beoordeeld aan de hand van de 'Beleidsregel Uiterlijk en plaatsing bouwwerken Danninge Erve Zuid, fase 2, deelgebied 3'. Bij deze beoordeling wordt in ieder geval de relatie van het hoofdgebouw tot de aangrenzende openbare ruimte en andere gebouwen in de omgeving van het hoofdgebouw betrokken. Dit zal worden beoordeeld bij de omgevingsvergunning voor een ruimtelijke bouwactiviteit als bedoeld in artikel 22.26 van dit omgevingsplan. Bij deze (beoordelings)regels is zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van het omgevingsplan voor het transformatiegebied Noordpoort.

33

TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied

Ook zal bij een omgevingsvergunning voor een ruimtelijke bouwactiviteit moet worden getoetst of natuurinclusief wordt gebouwd. Deze open norm wordt nader ingevuld door de 'Beleidsregel Natuurinclusief bouwen Danninge Erve Zuid, fase 2, deelgebied 3'. Wat betreft de bijbehorende bouwwerken zijn (beoordelings)regels opgenomen over de afstand tot de voorgevel en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens. De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag in principe niet meer dan 50% van het achtererfgebied tot een maximum van 70 m2 bedragen. De goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken zijn in de regels opgenomen en niet op de verbeelding aangegeven. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de maximale hoogte afhankelijk is gesteld van de plek waar deze gebouwd worden (voor- dan wel achtererfgebied). De regels over bijbehorende bouwwerken in artikel 22.36 van dit omgevingsplan blijven echter van overeenkomstige toepassing. Ook voor bijbehorende bouwwerken is aangegeven dat bijbehorende bouwwerken passend moeten zijn in de omgeving. Deze open norm wordt ingevuld en beoordeeld aan de hand van de Beleidsregel Uiterlijk en plaatsing bouwwerken Danninge Erve Zuid, fase 2, deelgebied 3.

Bij deze beoordeling wordt in ieder geval de relatie van het bijbehorend bouwwerk tot de aangrenzende openbare ruimte en andere gebouwen in de omgeving van het bijbehorend bouwwerk betrokken. Dit zal worden beoordeeld als een omgevingsvergunning voor een ruimtelijke bouwactiviteit als bedoeld in artikel 22.26 van dit omgevingsplan benodigd is. Bij deze (beoordelings)regels is zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van het omgevingsplan voor het transformatiegebied Noordpoort. Ook zal, als een omgevingsvergunning voor een ruimtelijke bouwactiviteit voor een bijbehorend bouwwerk benodigd is, moeten worden getoetst of natuurinclusief wordt gebouwd. Deze open norm wordt nader ingevuld door de 'Beleidsregel Natuurinclusief bouwen Danninge Erve Zuid, fase 2, deelgebied 3'. Tot slot zijn aanvullende beoordelingsregels opgenomen voor het toestaan van een hogere bouwhoogte, het bouwen van bijbehorende bouwwerken buiten het achtererfgebied of op een kortere afstand tot (het verlengde van) de voorgevel. Bij de toepassing van deze mogelijkheden moet wel worden voldaan aan de overige bouwregels in het plan. De omgevingsvergunning wordt enkel verleend als geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheid van de aangrenzende gronden.

HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS Artikel 12 Anti-dubbeltelregel In dit artikel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren. Artikel 13 Algemene regels voor bouwactiviteiten In dit artikel zijn aanvullende beoordelingsregels voor bouwactiviteiten opgenomen. Ook staan hierin de beoordelingsregels voor ondergronds bouwen. Artikel 14 Algemene procedurele regels In deze algemene regels is als procedurele bepaling opgenomen dat de commissie ruimtelijke kwaliteit adviseur is voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een ruimtelijke bouwactiviteit voor een hoofdgebouw of een bijbehorend bouwwerk. Artikel 15 Algemene regels voor functies en activiteiten In dit artikel is een algemeen gebruiksverbod opgenomen, zodat is geregeld gronden en bouwwerken niet

34

TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied

anders mogen worden gebruikt dan overeenkomstig de toebedeelde functie. Ook zijn in dit artikel specifieke gebruiksverboden en toegestaan gebruik geregeld. HOOFDSTUK 4 OVERGANGSRECHT Artikel 16 Overgangsrecht In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken en functioneel gebruik. Artikel 17 Titel In dit artikel wordt aangegeven onder welke titel het omgevingsplan wordt vastgelegd.

Hoofdstuk 6

Gevolgen voor de fysieke leefomgeving

6.1

Milieueffectrapportage

6.1.1

Wettelijk kader

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project. In de vierde kolom staan de besluiten genoemd waarvoor m.e.r.-verplichtingen gelden. Het gaat om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat het omgevingsplan. Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van de tweede kolom, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in de derde kolom voorwaarden staan. 6.1.2

Toetsing

Project-mer-beoordeling Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit. In de motivering van de beslissing wordt in ieder geval verwezen naar: de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: 1. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en 2. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd. De mer beoordeling is als Bijlage 1 bij deze motivering gevoegd. In de mer-beoordeling zijn de gevolgen van de herverkaveling van het 3e deelgebied van woongebied Danninge Erve in Nijeveen beoordeeld. De studie is vormgegeven aan de hand van de relevante criteria die staan opgenomen in het Omgevingsbesluit en bijlage III bij Richtlijn 2014/52/EU (waarmee Richtlijn 2011/92/EU is gewijzigd). Dit betekent dat gekeken is naar de kenmerken van de activiteit, de locatie van de activiteit en de gevolgen van de activiteit voor het milieu. Het project is in zekere zin onomkeerbaar, maar heeft een relatief geringe omvang.

Wanneer er geen 'belangrijke nadelige gevolgen' zijn voor het milieu is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet nodig om een volledige mer-procedure te doorlopen.

35

TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied

Er kan worden opgemaakt dat het gezien de aard van de activiteit en de zorgvuldigheid waarmee het plan kan worden ingepast en gerealiseerd kan worden, is uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen met zich mee zal brengen voor het milieu. Omdat er geen sprake is van relevante effecten, zijn er geen redenen gezien die het doorlopen van een mer-procedure zinvol maken. Een mer- procedure wordt niet noodzakelijk geacht. 6.1.3

Conclusie

Er is een mer-beoordeling uitgevoerd. Hieruit volgt dat een mer-procedure niet noodzakelijk wordt geacht.

6.2

Laddertoets

6.2.1

Wettelijk kader

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Een stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd als "de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is." Als een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt rekening gehouden met: a. b.

de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen in die behoefte te voorzien.

6.2.2

Toetsing

Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang: 1. 2. 3. 4. 5.

Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?

1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? De eerste vraag bij de Laddertoets is of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling bepaalt men door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Met het voornemen worden 38 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Uit jurisprudentie blijkt dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Daarmee is er sprake van een stedelijke ontwikkeling. 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? De vervolgvraag is of de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw of groter beslag op de ruimte of dat er op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten ontstaan door het plan, bijvoorbeeld door een functiewijziging. Van nieuw beslag op de ruimte is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Voorziet het plan in de toevoeging van een gebouw, dan ligt de ondergrens 'in beginsel' bij een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 500 m2 . De voorgenomen ontwikkeling betreft een herverkaveling van het werkingsgebied waardoor 38 extra woningen mogelijk worden gemaakt.

Woningen zijn toegestaan in het huidige planologisch regime, echter is het aantal woningen van het voornemen meer dan toegestaan. Het voornemen maakt meer bebouwing

36

TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied

mogelijk dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Er kan worden geconcludeerd dat er met het voornemen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. 3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de behoefte aan die ontwikkeling worden gemotiveerd. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het voornemen richt zich op herverkaveling en verdichting in bestaand stedelijk gebied. Uit woningmarktonderzoek gemeente Meppel uit 2021 wordt geconcludeerd dat er vraag is naar goedkopere woningen (bijvoorbeeld rijwoningen) en levensloopbestendige woningen. In de Bouwstenennotitie Wonen wordt een potentie gezien van 80 extra woningen in Danninge Erve Zuid in Nijeveen. 4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Zoals hiervoor al staat vermeld, dient de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, te worden beschreven. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt.

Kort gezegd is de 'behoefte' het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als dit aanbod feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). Uit de toetsing aan de bouwstenennotitie wonen blijkt dat het voornemen in lijn is met de vraag naar nieuwe woningen in Nijeveen. In de Gemeente Meppel is er zowel voor starters als voor doorstromers een tekort aan woningen. Tekorten doen zich voor in bijna alle marktsegmenten: van betaalbaar tot duur. Een gedifferentieerd programma met aanbod voor starters, koopstarters en doorstromers ligt dus voor de hand. Companen heeft in hun woningmarktonderzoek (2021) per wijk en per kern aangeven waar de accenten liggen binnen de kwalitatieve woningbehoefte. Daaruit blijkt dat er de meeste behoefte is aan betaalbare koop. Gevolgd door sociale huur, vrije sectorhuur en middeldure koop. Wat betreft dure koop adviseert Companen om 'een vinger aan de pols te houden'. Nijeveen is de enige kern/wijk waar zo nadrukkelijk betaalbare koop geadviseerd wordt. Zie hiervoor figuur 12.

37

TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied

Figuur 12: Meppel, accenten bij verdeling woningbehoefte over kernen (Bron: Companen). 5. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? Op basis van de provinciale omgevingsverordening ligt het voornemen in bestaand stedelijk gebied. De voorgenomen ontwikkeling sluit goed aan bij de omgeving. In de huidige situatie is het werkingsgebied al bestemd voor woningbouw. Wel betreft het voornemen de toevoeging van 38 woningen waar dit volgens de huidige planologische regeling niet toegestaan is. De ontwikkeling grenst aan het andere deel van de reeds gerealiseerd woonwijk Danninge Erve Zuid. 6.2.3

Conclusie

Uit het voorgaande blijkt dat de nieuwe ontwikkeling voorziet in een behoefte en dat die behoefte wordt opgevangen in bestaand stedelijk gebied. Hiermee voldoet het voornemen aan de uitgangspunten voor zorgvuldig ruimtegebruik.

6.3

Dienstenrichtlijn

6.3.1

Wettelijk kader

Op grond van de Dienstenrichtlijn mogen er geen economische motieven zijn voor regels voor diensten in een omgevingsplan. In het Bkl is hiervoor een instructieregel opgenomen, artikel 5.1a. Het begrip ‘dienst’ moet breed worden geïnterpreteerd. De instructieregel bepaalt dat een omgevingsplan voldoet aan artikel 14, aanhef en onder 5 van de Dienstenrichtlijn. Hierin staat dat de vestiging van een dienstenactiviteit niet afhankelijk mag zijn van economische criteria. Vestigingseisen voor diensten mogen bijvoorbeeld niet gebaseerd zijn op argumenten van concurrentiebeperking. Ieder(e) verplichting, verbod, voorwaarde of beperking die aan toegang en uitoefening van dienstenactiviteiten wordt gesteld, valt onder de Dienstenrichtlijn. De beperkingen aan het vrij verkeer, zoals het stellen van bepaalde eisen of het instellen van een vergunningsstelsel, is alleen gerechtvaardigd als die voldoen aan: het verbod van discriminatie. De eisen mogen geen direct of indirect onderscheid maken in nationaliteit of statutaire vestigingsplaats; de voorwaarde van noodzakelijkheid. De eisen moeten gerechtvaardigd zijn vanwege dwingende redenen van algemeen belang; de voorwaarde van evenredigheid. De eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken, ze mogen niet verder gaan dan nodig is om dat doel te bereiken en het doel kan niet met minder vergaande beperkingen bereikt worden.

Uitgangspunt is dat voor activiteiten waarvoor een wijziging van het omgevingsplan nodig is, geen specifieke regels over diensten mogen worden opgenomen. 6.3.2

Toetsing

De voorgenomen wijziging van het omgevingsplan voorziet niet in specifieke regels over diensten. Derhalve voldoet dit voornemen aan de dienstenrichtlijn. 6.3.3

Conclusie

De Dienstenrichtlijn biedt geen belemmering voor het onderhavige voornemen.

38

TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied

6.4

Verkeer en vervoer

6.4.1

Wettelijk kader

De regels in het omgevingsplan moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functie aan locaties (artikel 2.1 Omgevingswet). Bij een voorgenomen ontwikkeling moet daarom onder meer beoordeeld worden wat de effecten zijn op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid binnen en rond het plangebied. Het kader voor die beoordeling wordt gevormd door het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) Meppel 2017, Beleidsplan parkeren Herijking 2017 van de gemeente Meppel, de parkeernormen die in het omgevingsplan zijn opgenomen en/of de kencijfers van de CROW. De Nota parkeernormen van de gemeente Meppel gaat uit van parkeernormen voor goedkope woningen, midden woningen en dure woningen. Zie hiervoor de tabel hieronder. Bij de nadere uitvoering van het plan moet ook worden voldaan aan de uitvoeringsregels zoals deze zijn opgenomen als Bijlage 2 bij deze motivering.

Figuur 13: Nota parkeernormen gemeente Meppel (bron: gemeente Meppel).

Figuur 14: Normen parkeren op eigen erf Uitvoeringsregels Parkeren (bron: Gemeente Meppel). 6.4.2

Toetsing

Verkeer Aan de hand van kencijfers van de CROW word de toename van de gemotoriseerde verkeersbewegingen bepaald. Hierbij wordt gekeken naar het type woning, de stedelijkheid van de gemeente en de ligging van de locatie binnen of buiten de bebouwde kom. Het voornemen zorgt voor een toename van verkeer en parkeren. Er worden 38 woningen toegevoegd ten opzichte van het eerder geldende planologische regime. Verwacht wordt dat de nieuwe woningen gemiddeld 7 tot 8 ritten per woning genereren. Dit zorgt voor een extra verkeersgeneratie van 304 verkeersbewegingen per dag. In het verkeersstromenonderzoek dat is opsteld is de verkeertoename op de ontsluitingswegen onderzocht. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 3. In dit onderzoek is uitgegaan van een toename van 40 woningen.

39

TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied

Dit zorgt op een gemiddelde werkdag voor ruim 300 motorvoertuigen extra per etmaal. De totale hoeveelheid motorvoertuigen op het drukste deel van de Vorrel bedraagt daardoor circa 810 motorvoertuigen per etmaal. Uit de modelberekeningen blijkt dat minder dan 50 mvt van het westelijk deel van de Dorpsstraat gebruik gaat maken en ongeveer 250 mvt van het oostelijk deel van de Dorpsstraat. Het gros van het verkeer is dus georiënteerd op het oostelijke deel van de Dorpsstraat. Dit is vooral verkeer dat via de Nijeveen een rechtstreekse verbinding heeft met aansluiting Havelte (A32) en verkeer dat via de 1e Nijeveense Kerkweg richting Meppel rijdt. Uit het onderzoek blijkt dat het planeffect van de ontwikkeling (verschil tussen autonome en plansituatie) minimaal is. Uit de analyse naar de kwaliteit van de verkeersveiligheid en de verkeersafwikkeling blijkt dat dit zowel op wegvak- als op kruispuntniveau het geval is. Het plan genereert ruim 300 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. Als de Vorrel na afronding van de bouwwerkzaamheden een vormgeving krijgt die vergelijkbaar is met Weidelint (30 km/uur, gemengde afwikkeling), kan het verkeer naar het woongebied veilig worden afgewikkeld. Ook op de Dorpsstraat kan het extra verkeer veilig worden afgewikkeld met de huidige vormgeving van de weg.

Als de verkeersgeneratie van 40 woningen verkeersveilig kan worden afgewikkeld, geldt dit ook voor de beoogde 38 woningen. Parkeren Ook is voorzien in voldoende parkeerplaatsen in het werkingsgebied. Er worden 38 woningen extra toegevoegd in het gebied, waardoor het totaal aantal woningen in het derde deelgebied uitkomt op 80. Van deze 80 woningen zijn 27 te categoriseren als dure woningen, 16 als midden woningen en 37 als goedkope woningen. De parkeernorm van dure woningen is 2, van midden woningen 1,8 en van goedkope woningen 1,6. Hieruit vloeit voort dat 142 parkeerplaatsen nodig zijn voor deze 80 woningen. In totaal zijn er met dit plan 81 parkeerplaatsen beschikbaar op eigen erf en worden 61 openbare parkeerplaatsen gerealiseerd. De hoeveelheid parkeerplaatsen op eigen erf wordt bepaald aan de hand van de uitvoeringsregels parkeren zoals weergegeven in figuur 14. Op basis van het geprojecteerde aantal woningen is aannemelijk dat op basis van deze plannen 81 parkeerplaatsen op eigen erf kunnen worden gerealiseerd. 6.4.3

Conclusie

Bij deze ontwikkeling is voldoende rekening gehouden met de gevolgen voor verkeer en parkeren.

6.5

Geluid

6.5.1

Wettelijk kader

In de Bruidsschat (BS) is het onderdeel 'geluid' geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). De instructieregels uit afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidsbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl).

40

TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied

Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. 6.5.2

Toetsing

Voor deze ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai op de gevels van de te realiseren woningen. Dit onderzoek is als Bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen. Hierbij is onderzoek gedaan naar wegverkeerslawaai dat afkomstig is van de Dorpsstraat. Er wordt voldaan aan de standaardwaarden van 53 dB(A). Uit het onderzoek blijkt dat de te realiseren woningen voldoen aan de eisen die de instructieregels van het Bkl stellen aan geluidgevoelige bebouwing. Ook is er geen sprake van geluidshinder door (bedrijfsmatige) activiteiten. 6.5.3

Conclusie

Het aspect geluid is geen belemmering voor deze ontwikkeling.

6.6

Luchtkwaliteit

6.6.1

Wettelijk kader

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. Deze regels zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

2.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen, dan is het mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Soms kan de zogeheten NIBM-tool gebruikt worden, eventueel aangevuld met detailberekeningen.

In artikel 5.51 lid 2 Bkl zijn aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De gemeente Meppel is niet aangewezen. 6.6.2

Toetsing

Door de herverkaveling worden in het werkingsgebied maximaal 38 extra woningen mogelijk gemaakt. Door middel van de NIBM-tool is uitgerekend dat deze ontwikkeling niet in betekende mate effect heeft op de luchtkwaliteit. Zie figuur 15.

41

TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied

Figuur 15: Uitkomst NIBM-tool. 6.6.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit is geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

6.7

Geur

6.7.1

Wettelijk kader

In § 5.1.4.6 Geur van het Bkl zijn instructieregels opgenomen op grond waarvan met het omgevingsplan voldoende waarborgen tegen ontoelaatbare geurhinder moet worden geboden. In de paragrafen 5.1.4.6.2, 5.1.4.6.3 en 5.1.4.6.4 wordt achtereenvolgens een gedetailleerdere uitwerking van de instructieregel gegeven voor respectievelijk de geurbelasting door waterzuiveringsactiviteiten, veehouderijactiviteiten en andere agrarische activiteiten. Voor waterzuiveringstechnische werken wordt daarbij aangegeven dat met het opnemen van in de instructieregel opgenomen blootstellingsnormen voldoende waarborgen tegen geurhinder kan worden geboden. Voor de geurbelasting door veehouderijen is in de instructieregel de systematiek van de Wet geurhinder en veehouderijen overgenomen. In deze uitwerking is een zekere mate van afwegingsruimte opgenomen, waarbij de gemeente er voor kan kiezen dat de geurlast twee maal zo hoog mag zijn als de Wet geurhinder en veehouderijen toestaat. Voor de geurbelasting door andere agrarische activiteiten (zoals bijvoorbeeld een mestplaat) zijn minimaal aan te houden afstanden opgenomen waarmee de waarborg tegen geurhinder kan worden uitgewerkt in de planregels. 6.7.2

Toetsing

Buiten de kern Nijeveen liggen in de lintbebouwing langs de Dorpsstraat en Kolderveen verspreid meerdere melkrundveehouderijen. Voor dieren zonder geuremissiefactor, zoals melkkoeien, geldt een minimum afstand van 50 meter buiten de bebouwde kom of 100 meter binnen de bebouwde kom. In de onderstaande tabel is de afstand tot agrarische bedrijven in de buurt opgenomen. Straat

nummer

aan te houden afstand (in m)

werkelijke afstand (in m)

Dorpsstraat

74

100

ca. 230

89

100

ca. 175

99

100

ca. 330

Figuur 16: Afstand agrarische bedrijven tot het werkingsgebied.

42

TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied

Doordat de minimale afstand voldoende is worden de bedrijven niet in hun bedrijfsvoering beperkt en ter plaatse van de ontwikkelingslocatie kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. 6.7.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavig voornemen.

6.8

Trilling

6.8.1

Wettelijk kader

De artikelen 5.79 t/m 5.89 van het Bkl bevatten o.a. standaardwaarden continue en herhaald voorkomende trillingen. Deze waarden zijn van toepassing op trillinggevoelige gebouwen (art. 5.80) en ruimten (art. 5.81). Het omgevingsplan voorziet erin dat de trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Artikel 5.88 geeft de mogelijkheid om als bevoegd gezag in het omgevingsplan af te wijken van de standaarden zoals genoemd in de voorgaande artikelen. De gemeente Meppel heeft besloten hier geen gebruik van te maken en gaat zodoende uit van de standaarden uit het Bkl. 6.8.2

Toetsing

Het werkingsgebied ligt op voldoende afstand van trillingveroorzakende functies. 6.8.3

Conclusie

Het aspect 'trilling' is geen belemmering voor het onderhavig voornemen.

6.9

Bodem

6.9.1

Wettelijk kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (AbO) opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het AbO bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders die de Omgevingswet voor deze vormen van gebruik stelt, zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door: het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. Artikel 5.89i Bkl bepaalt dat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, opgenomen worden in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 AbO). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het AbO en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2 AbO)

43

TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied

Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 AbO en 3.2.22 Bal) Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4 AbO) Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. 6.9.2

Toetsing

Bij de vaststelling van het bestemmingsplan 'Nijeveen - Danninge Erve Zuid, fase 2' is reeds een onderzoek naar de bodemkwaliteit uitgevoerd. Deze is als Bijlage 6 bij deze motivering gevoegd. Hieruit bleek dat dat de bovengrond tot 0,4 à 0,7 m -mv bij de boringen 2, 4, 26 en 45 (zeer) licht puinhoudend is. In de zes mengmonsters van de bovengrond is voor geen enkele van de onderzochte parameters een gehalte boven de achtergrondwaarde gemeten. Hieruit bleek dat de hypothese "niet verdacht" voor het werkingsgebied kan worden aanvaard. Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico is met betrekking tot de bodemkwaliteit. 6.9.3

Conclusie

Het aspect bodem is geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

6.10 Veiligheid 6.10.1

Wettelijk kader

Het aspect omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'.

Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om ongevallen vanwege brand, explosie en een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brandof explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl.) Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingshuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

44

TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied

Los van een eventueel voorschriftengebied kan de gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Overige bepalingen Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten: par. 5.1.2.5 Bkl; Veiligheid rond luchthavens: par. 5.1.2.6 Bkl. 6.10.2

Toetsing

Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor grote evenementen of voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn. De herverkaveling zorgt ervoor dat 38 extra wooneenheden mogelijk worden gemaakt. In dit kader is de risicokaart geraadpleegd om te onderzoeken of in de nabijheid van het werkingsgebied activiteiten zijn gelegen die een risico voor de omgevingsveiligheid kunnen veroorzaken. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de risicokaart weergeven.

Figuur 17: Externe veiligheid in de omgeving van het werkingsgebied (globale ligging rode contour, bron: Atlasleefomgeving.nl).

45

TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied

Op ca. 900 meter van het werkingsgebied is een spoorlijn gevestigd. Het werkingsgebied bevindt zich op ca. 700 meter van het explosieaandachtsgebied van de spoorlijn. Op 550 meter van het plangebied ligt een buisleiding. Ook is het werkingsgebied gelegen op meer dan 800 meter afstand van het explosieaandachtsgebied van een opslagtank voor propaan. 6.10.3

Conclusie

De risicobronnen liggen op voldoende afstand van het werkingsgebied. Verder onderzoek kan daarom achterwege blijven. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft omgevingsveiligheid.

6.11 Water 6.11.1

Wettelijk kader

Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot: het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool.

Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. 6.11.2

Toetsing

Royal HaskoningDHV heeft voor de gemeente Meppel een Waterhuiskundig plan opgesteld voor de woonbuurt Danninge Erve Zuid. Dit waterhuishoudkundig plan dateert van 17 januari 2024 en is toegevoegd als Bijlage 7 bij deze motivering. Dit waterhuishoudkundig plan gaat in op de gemeentelijke zorgplichten (hemelwater, grondwateren afvalwater) en de waterhuishouding in de woonbuurt Danninge Erve Zuid. Dit plan behandelt de waterhuishouding voor het gehele plangebied van Danninge Erve Zuid (14 ha) en gaat dus zowel over dereeds bouwrijp gemaakte kavels als het reeds gerealiseerde gedeelte van de wijk. Figuur 16 toont het oppervlaktewatersysteem in Danninge Erve Zuid. De woonwijk heeft zijn eigen peilgebied. Het watersysteem binnen dit nieuwe peilgebied bestaat uit reeds bestaande sloten die zijn geoptimaliseerd, een enkele nieuwe watergang en een waterberging. Enkele van deze schouwsloten zijn reeds afgevoerd van de legger van het Waterschap en overgedragen aan de gemeente (S10462, S10463, S10465). Watergang S10461 is wel nog onderdeel van de legger. Ten zuiden van de wijk wordt een waterberging aangelegd. De waterberging en een verbindingssloot tussen de drie watergangen en de berging dient nog gerealiseerd te worden.

46

TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied

Figuur 18: Plansituatie oppervlaktewatersysteem Danninge Erve Zuid (Bron: RoyalHaskoningDHV, d.d. 17 januari 2024). Samengevat worden in het waterhuishoudkundige plan de volgende maatregelen voorgesteld: Voor de wijk Danninge Erve Zuid wordt een nieuw peilgebied gecreëerd. Dit peilgebied bestaat uit het reeds gerealiseerd peilgebied NK68 (bestaande uit voormalige schouwsloot S10463) en de schouwsloten S10461 en S10462. In dit nieuwe peilgebied zal een streefpeil van -0,25 mNAP gehanteerd worden. Zo wordt ervoor gezorgd dat er zo veel als mogelijk water in het plangebied vastgehouden wordt en kan

47

TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied

infiltreren.Vanaf -0,25 mNAP vindt afvoer (27 l/s/ha) plaats. Bij extreme buien tot (T =100) kan het waterpeil in de wijk verder stijgen tot maximaal 0,20 mNAP. Het hemelwater in de wijk wordt oppervlakkig en ondergronds (hemelwaterriolering) afgevoerd op het oppervlaktewater. Binnen het nieuwe peilgebied dient 6.604 m³ water geborgen te worden om de toegenomen hoeveelheid aan afstromend hemelwater te kunnen bergen. Uitgaande van een streefpeil van -0,25 mNAP en een maximaal peil van 0,20 mNAP kan in de watergangen in totaal 3.135 m³ geborgen worden. In het zuidelijk deel van het plangebied voorziet een vijver in de overige benodigde bergingscapaciteit. Deze vijver zal een omvang hebben van circa 2.634 m3 en een minimale oppervlakte van 7.710 m2 . Om de berging heen zal het maaiveld op minimaal 0,4 mNAP moeten worden gelegd. Schouwsloten S10460, S10466/ S10464 vormen de oostelijke en westelijke grens van het plangebied en maken geen onderdeel van het nieuwe peilgebied. Hier blijft het peil van het huidige peilgebied gehanteerd (maximaal -0,55 mNAP en minimaal -1,1 mNAP); Naast de waterberging dient nog een verbindingssloot gegraven te worden met de westelijke sloot S10463. De maximaal toegestane afvoer uit het nieuwe peilgebied dient te worden gereguleerd.

De huidige stuw blijft gehandhaafd en dient een doorstroomhoogte van minimaal 5 cm (breedte doorstroomopening is 0,87 m) te krijgen. 6.11.3

Conclusie

Door dit waterhuiskundig plan wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en is dit aspect voldoende geborgd.

6.12 Stedelijke en landschappelijke inpassing 6.12.1

Welstand beeldkwaliteit

Voor het onderdeel beeldkwaliteit is de beleidsregel Uiterlijk en plaatsing bouwwerken Danninge Erve Zuid, fase 2, deelgebied 3 opgesteld. In dit document zijn de beeldkwaliteitsregels weergegeven voor de bebouwing ter uitvoering van het TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid, fase II, deelgebied 3. Op basis van deze beleidsregel wordt de beeldkwaliteit getoetst en biedt het inzicht aan ontwikkelende partijen in de gewenste beeldkwaliteitseisen zoals materiaal en oriëntatie. Hiervoor is een open norm in het TAM-omgevingsplan opgenomen. Danninge Erve zuid, derde deelgebied is qua beeldkwaliteit opgedeeld in verschillende zones. Zie hiervoor figuur 19.

48

TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied

Figuur 19: Zonering beeldkwaliteit Danninge erve, derde deelgebied met legenda (bron: BügelHajema Adviseurs). Zone 1: de rand van Danninge Erve Wonen aan de rand betekent wonen op een plek die direct grenst aan het dorp of aan het omliggende landschap. De woningen vormen kleine clusters die aansluiten bij een erfachtige opzet, waarbij CPO woningen (senioren en jongeren), grondgebonden woningen als rijwoningen mogelijk zijn. Deze clusters liggen aan groene ruimtes, hebben een informele overgang naar het landschap en kunnen beschikken over een eigen erfontsluitingspad dat past bij de agrarische omgeving. In de beleidsregel zijn een aantal welstandscriteria opgenomen die gelden voor de bebouwing in deze zone. Zone 2: Wonen aan het plein Wonen in een dorp betekent samen wonen aan een plein. Danninge Erve II kent drie openbare pleinen. Het principe is een stenen ruimte met informeel groen. Woningen staan dicht bij elkaar. De openbare ruimte wordt op meerdere manieren gebruikt: zowel voor parkeren als voor groen. De openbare ruimte is voor iedereen en hier dient in de inrichting mee rekening te worden gehouden door bijvoorbeeld het aanleggen van eensoortige verharding en subtiele markeringen op de weg. Bomen staan in de stenige ruimte. Dorpse overgangen van openbaar en privé benadrukken het informele karakter. Ook voor deze zone gelden specifieke welstandscriteria.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meppel&id=5d185fa9-d1d4-44d5-a6f8-d6739fcff936