2d. TAM Omgevingsplan Danninge Erve Zuid - Motivering
Tekst van het document
Zone 3: Zuidrand Het zuidelijke uiteinde van Danninge Erve II deelgebied 3 dient als een belangrijke verbinding tussen het agrarische gebied en de wijk/dorp. Dit gebied heeft een unieke ruimtelijke identiteit, waarin moderne
49
TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied
architectuurstijlen worden gecombineerd met de charme van de landelijke omgeving. Het gebied bestaat voornamelijk uit vrijstaande woningen in een opzet die een voortzetting vormt van de woningen uit de vorige fase. Het architectonische ontwerp weerspiegelt de schuurstijlwoningen. Deze ontwerpbenadering bevordert een samenhangende en serene woonomgeving die de agrarische identiteit versterkt, terwijl het tegelijkertijd een moderne en hoogwaardige woonervaring biedt. Met betrekking tot de oriëntatie van de woningen zijn de volgende principes opgenomen: 'Voorzijde oriëntatie verplicht' is aangegeven voor de woningen die georiënteerd zijn naar de straten in het stedenbouwkundig plan. Dit is een algemene aanduiding voor de oriëntatie. 'Belangrijke voorzijde oriëntatie verplicht': dit zijn de woningen die zichtbaar zijn vanaf de entree van de wijk via de Dorpsstraat en de Vorrel. Ze zijn ook georiënteerd naar de openbare groene ruimtes in de wijk. Op architectuurschaal zijn de voorgevels ontworpen om zowel visuele aantrekkingskracht als praktische interactie met de open groene ruimte te bieden. Dit biedt de mogelijkheid om interessante elementen aan de gevel toe te voegen (bijvoorbeeld grotere ramen of centrale deuren, et cetera).
De bebouwing richt zich met de voorzijde op het openbare groen, waarbij depresentatieve gevels en voldoende gevelopeningen worden toegepast om een sterke visuele relatie tussen woning en landschap te creëren. Blinde gevels worden voorkomen en ramen, entrees en architectonische accenten zorgen voor uitzicht op het groen en een levendig, uitnodigend straat- en parkbeeld. Deze transparantie bevordert bovendien de sociale veiligheid doordat natuurlijke toezicht ontstaat en het gevoel van overzicht en verbondenheid wordt versterkt. Op veel hoeken is het belangrijk dat de woning een tweezijdige oriëntatie krijgt met een verbijzondering op de kop. Zijgevels die naar het openbaar gebied gericht zijn, zijn onderdeel van de totaalarchitectuur.
50
TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied
Figuur 20: Oriëntatie en verbijzondering (Bron: BügelHajema Adviseurs). 6.12.2
Stedenbouwkundige inpassing
In het stedenbouwkundig plan dat is opgenomen als Bijlage 5 bij deze motivering is de stedenbouwkundige inpassing opgenomen. Gelegen in deelgebied 3, tussen het dorp en het open platteland, vormt Danninge Erve II een natuurlijke schakel met zowel het agrarische landschap als de traditionele lintbebouwing langs de Dorpsstraat. Deze karakteristieke dorpsrand, diep geworteld in het historische agrarische verleden, speelt een cruciale rol in het behoud van de identiteit van Nijeveen. Deze ontwikkeling streeft naar gecontroleerde en duurzame groei. Hierbij wordt het evenwicht gezocht tussen moderne woonbehoeften en het landelijke karakter van Nijeveen. Het plan heeft ook tot doel de hoge levenskwaliteit voor de bewoners te behouden door nieuwe woongebieden zorgvuldig te combineren met groene ruimtes en het bevorderen van gemeenschapsvorming. Hiervoor gelden met betrekking tot de stedenbouwkundige inpassing de volgende principes: Erfafscheiding privé - openbaar Hagen rond parkeerkoffers door gemeente, alle overige hagen op privé grond. De hoogte van de haag is maximaal 1 meter. In bepaalde situaties kan gekozen worden voor een tuinmuur, die onder architectuur wordt ontworpen.
51
TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied
Deze muur moet in deze vorm gehandhaafd blijven om eenheid aan het gebied te geven. Aan de voorzijde van de kavels moeten de voortuinen groen zijn en beplant met gebiedselgen beplanting. De tuinen richting het water aan de zijkant van de percelen moeten een open karakter behouden: geen hekken. Alleen gebiedsgerichte beplanting. De parkeerkoffers zijn ook omgeven door hagen, die fungeren als barrières en verhogen tegelijkertijd de visuele kwaliteit van de ruimte door de auto’s aan het zicht te onttrekken.
Figuur 21: Erfafscheidingen stedenbouwkundige inpassing (Bron: BügelHajema Adviseurs). 6.12.3
Landschappelijke inpassing
In figuur 22 is de landschappelijke inpassing van het derde deelgebied van Danninge Erve Zuid weergegeven. Hierbij is uitgegaan van de volgende principes: De groene pockets in de woonstraten zijn bedekt met begroeiing en 3e orde bomen. De beplanting aan de randen van de speeltuinen en langs het fietspad heeft kleurrijke beplanting. De bermen worden ingezaaid met bloemrijk grasmengsel. De oevers zijn opgedeeld in vier zones, elk beplant met soorten die bijdragen aan de ecologische waarde en biodiversiteit van het gebied. 1.
2.
Onderwaterzone: Soorten die volledig onder water groeien of drijvend zijn: Potamogeton natans (Drijvend fonteinkruid), Myriophyllum spicatum (Aarvederkruid), Ranunculus aquatilis (Waterranonkel), Ceratophyllum demersum (Hoornblad – vrij drijvend) Moeraszone: Soorten die groeien in het overgangsgebied tussen water en land, met wortels in natte
52
TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied
3.
4.
bodem: Schoenoplectus lacustris (Mattenbies) – Robuust, met sterk wortelstelsel, Typha latifolia (Grote lisdodde) – Goed bestand tegen verontreiniging, Iris pseudacorus (Gele lis) – Opvallende bloem, trekt insecten aan, Phragmites australis (Riet) – Toepassen waar voldoende ruimte is, Alisma plantago-aquatica (Waterweegbree) – Sierlijke schermbloemen Vochtige oeverzone: Soorten voor oevers met wisselende vochtigheid, vaak in het voor- en najaar nat: Filipendula ulmaria (Moerasspirea) – Geurige bloemen, insectenrijk, Lythrum salicaria (Grote kattenstaart) – Paarsroze bloei, aantrekkelijke bijenplant, Caltha palustris (Dotterbloem) – Vroege bloei, kenmerkend voor vochtige voorjaarssituaties, Lychnis floscuculi (Koekoeksbloem), Valeriana officinalis (Echte valeriaan) Droge oeverzone: soorten voor de hogere, drogere delen van de oever: Deschampsia cespitosa (ruwe smele) – gras voor overgangszone; Achillea millefolium (duizendblad) – droogtetolerant, insectvriendelijk; Silene dioica (roze koekoeksbloem) – opvallende bloei; Knautia arvensis (beemdkroon) – waardevol voor vlinders.
Figuur 22: groenstructuur Danninge Erve Zuid, derde deelgebied (bron: BügelHajema Adviseurs).
53
TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied
6.13 Cultureel erfgoed 6.13.1
Wettelijk kader
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. 6.13.2
Toetsing
Archeologie Archeologisch bureau- en booronderzoek In het kader van het bestemmingsplan 'Nijeveen - Danninge erve zuid, fase 2' is met het oog op archeologische waarden een archeologisch bureau- en booronderzoek verricht (MUG Ingenieursbureau b.v., Archeologisch bureau- en booronderzoek Danninge Erve te Nijeveen, gemeente Meppel (DR), van 16 maart 2012). Dit onderzoek is toegevoegd als Bijlage 8 bij deze motivering. De conclusie en aanbevelingen waren de volgende: Uit het booronderzoek blijkt dat, ondanks de hoge archeologische verwachting die naar voren komt in het bureauonderzoek, het onderzoeksgebied tijdens de ontginningen en de ruilverkaveling in de jaren '60/'70 van de vorige eeuw, zodanig is vergraven, dat er vrijwel geen intacte bodemlagen over zijn. Het dekzand gaat in de meeste boringen over in een vergraven bovengrond of bouwvoor. Daar waar nog veenresten op het dekzand aanwezig zijn, zijn deze zo zandig dat het vermoedelijk om vergraven restveen gaat. Op een aantal verspreide locaties zijn resten van een podzolbodem aanwezig. In twee gevallen liggen de boringen met een podzolbodem bij elkaar. Het gaat hierbij om de boringen 4 en 5 en de boringen 42-44. Eventueel aanwezige archeologische resten zouden hier nog intact kunnen zijn. Deze gebieden worden daarom als kansrijke zone bestempeld.
Ook in de boringen 56 en 64 is de bodemopbouw intact maar hier ontbreekt de podzolbodem. Dit geeft aan dat het terrein te nat was voor de vorming van een podzolbodem en daardoor mogelijk ook te nat voor menselijke bewoning. Daarom wordt voor dit laatste gebied uitgegaan van een lage archeologische verwachting. Gezien de conclusie van het booronderzoek waarbij twee gebieden als kansrijke zone worden aangemerkt, is aanbevolen om binnen deze gebieden een vervolgonderzoek uit te voeren. Het gaat om de gebieden rond de boringen 4 en 5 en 42-44. Voor de rest van het onderzoeksgebied is destijds aanbevolen geen vervolgonderzoek uit te voeren. Archeologisch karterend booronderzoek Naar aanleiding van het bureau- en booronderzoek is een karterend booronderzoek uitgevoerd (MUG Ingenieursbureau b.v., Archeologisch karterend booronderzoek Danninge Erve, te Nijeveen, gemeente Meppel (DR), van 21 maart 2012). Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 9. Uit het uitgevoerde karterend booronderzoek blijkt dat onder de bouwvoor of onder het veen in vrijwel alle boringen een podzol B- of BC-horizont aanwezig is, met uitzondering van de karterende boringen 8 en 9. In de zeefresiduen van de bemonsterde B- en BC-horizonten zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Tijdens de oppervlaktekartering zijn enkele fragmenten aardewerk uit de nieuwe tijd aangetroffen.
54
TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied
Aangezien alleen fragmenten nieuwetijds aardewerk aan het oppervlak zijn aangetroffen en er geen andere archeologisch indicatoren zijn gevonden, werd geen vervolgonderzoek aanbevolen. Cultuurhistorie In paragraaf 3.3 is het erfgoedbeleid van de gemeente Meppel besproken. Het huidige ontwerp past binnen dit beleid. 6.13.3
Conclusie
Met betrekking tot archeologie en culthuurhistorie wordt dit voornemen uitvoerbaar geacht.
6.14 Natuur 6.14.1
Wettelijk kader
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn diverse regels ter bescherming van de natuur opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een omgevingsplan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. 2. 3.
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Stikstof In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden gelegen. In 130 van deze gebieden komen stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten voor. Een verdere toename van stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden. Daarom dient bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling onderzocht te worden of er stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Soortenbescherming Onder de Ow zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van
55
TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied
Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Dit vorm krijgen in wet- en regelgeving, maar in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 6.14.2
Toetsing
Stikstof en gebiedsbescherming De depositie van stikstof is in een vroeg stadium berekend. Daarbij is gebruik gemaakt van de AERIUS-calculator. Deze berekening is geactualiseerd op basis van actuele informatie. Hierbij is rekening gehouden met de bouw en gebruiksfase. Als gevolg van het voornemen is de depositie niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. In Bijlage 10 is het volledige rapport van BügelHajema adviseurs te vinden. Negatieve effecten ten aanzien van in het kader van beschermde stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Het plan heeft geen negatieve effecten op provinciaal beschermde natuurgebieden. Soortenbescherming Beknopte natuurtoets Voor het onderwerp soortenbescherming is er een beknopte natuurtoets uitgevoerd door BügelHajema adviseurs. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 11 bij deze motivering. Op 30 mei 2024 is een veldbezoek uitgevoerd en daarnaast zijn verspreidingsgegevens van beschermde soorten in en om het plangebied uit de NDFF geraadpleegd. Uit de toetsing komt naar voren dat negatieve effecten op beschermde soorten als gevolg van de plannen niet kunnen worden uitgesloten. De poelkikker kan voorkomen in de sloten in het werkingsgebied. Bij het vergraven en dempen van watergangen kunnen poelkikkers worden gedood. Tevens kan de grote modderkruiper voorkomen in de sloten in het werkingsgebied.
Verstoring van vleermuizen wordt voorkomen door in de realisatie- en gebruiksfase gebruik te maken van naar beneden gerichte lichtarmaturen die geen lichtuitstraling veroorzaken op de omringende bomen en watergangen. Nader ecologisch onderzoek Op basis van de bovenstaande uitkomsten is door BügelHajema adviseurs een nader onderzoek naar beschermde soorten uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 12 opgenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat binnen het plangebied geen grote modderkruiper aanwezig is. Er is geen sprake van een verbodsovertreding ten aanzien van grote modderkruiper. De sloten in het plangebied zijn wel voortplantingsbiotoop van poelkikker. Het grasland rondom en tussen de sloten dient tevens als landbiotoop. Door werkzaamheden aan de watergangen, oevers en het omringende grasland kunnen poelkikkers worden gedood en/of verstoord. Ook tijdens de overwinteringsperiode (half oktober tot en met half april) kunnen dieren worden verstoord of gedood. Poelkikker overwintert vaak in de oevers van het voortplantingswater. Voor de ontwikkeling is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit ten aanzien van poelkikker noodzakelijk. Onderdeel van de aanvraag is het opstellen van activiteitenplan waarin maatregelen worden beschreven om negatieve effecten op poelkikker te minimaliseren.
De aanvraag voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit loopt bij de provincie Drenthe.
56
TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied
6.14.3
Conclusie
Met betrekking tot soorten- en gebiedsbescherming (stikstof) wordt het voornemen uitvoerbaar geacht.
6.15 Duurzaamheid 6.15.1
Wettelijk kader
In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen." Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord: "Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. b.
bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
Artikel 2.1 geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld. Artikel 1.3 geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen. 6.15.2
Toetsing
Het voornemen voorziet in de behoefte van de huidige generatie door te voldoen aan de woningbehoefte. De woningbehoefte is verwacht om in de toekomst net zo zeer van belang te zijn als nu. Daarmee is het voornemen ook ter vervulling van de behoeften in de toekomst. Met dit voornemen worden geen vervuilende functies mogelijk gemaakt. Onderliggende motivering dient als toelichting op het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Daarmee wordt een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit in stand gehouden. 6.15.3
Conclusie
Het voornemen is in lijn met de doelen van een duurzame ontwikkeling, zoals bedoeld in de Omgevingswet. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft duurzaamheid.
57
TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied
6.16 Gezondheid 6.16.1
Wettelijk kader
Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow, zie ook 6.15.1). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. De GGD kan hierbij adviseren. Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. In het omgevingsplan werken deze randvoorwaarden door. 6.16.2
Toetsing
Bij dit initiatief wordt met name gekeken naar een gezond leefmilieu (aanwezigheid van geur, geluid, goede riolering en waterkwantiteit en -kwaliteit). Ook aspecten zoals biodiversiteit, natuurinclusief bouwen en een schone bodem zijn relevante onderdelen van een gezond leefmilieu. In de planvorming is bewust een groene wig in het gebied opgenomen. Dit nodigt uit tot spelen en bewegen in de openbare ruimte, wat bijdraagt aan de gezondheid van de bewoners. Zaken zoals geluid, bodem en water worden in de andere paragrafen van dit hoofdstuk nader behandeld. 6.16.3
Conclusie
Er wordt rekening gehouden met het aspect gezondheid in de planvorming. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft duurzaamheid en gezondheid.
6.17 Spuitzones 6.17.1
Wettelijk kader
De Nederlandse wet- en regelgeving voorziet vooralsnog niet in bepalingen omtrent de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bestrijdingsmiddelen worden gebruikt bij de teelt van gewassen en nabijgelegen gevoelige functies. Uit jurisprudentie blijkt dat sinds lange tijd een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies (zoals woningen) en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk wordt geacht. Er kan van de vuistregel worden afgeweken indien een deugdelijke, locatiespecifieke motivering wordt geleverd. Uit jurisprudentie blijkt dat de volgende onderdelen kunnen worden betrokken bij een dergelijk motivering: de plicht voor het toepassen van BBT; de gebruiksvoorschriften die volgen uit de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden; gebruiksregels uit het besluit activiteiten leefomgeving; type teelt (biologisch); werken met een verplichte windhaag of struweel; de aanwezigheid van een teeltvrije zone langs oppervlaktewater; meenemen van een overheersende windrichting. 6.17.2
Toetsing
Het voornemen voorziet in het mogelijk maken van gevoelige functies (woningen) op een afstand van circa 15 meter van de functie 'Agrarisch met waarden - Cultuurhistorische waarden'. Binnen deze functie zijn verschillende activiteiten toegestaan waarbij het mogelijk is om gewasbeschermingsmiddelen toe te passen. De gevoelige functie ligt dus binnen de algemeen niet onredelijke afstand van 50 meter.
58
TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied
Op basis van locatie specifieke omstandigheden zijn meerdere argumenten aan te dragen waarom van deze vuistregel afgeweken kan worden. Afstand tussen gevoelige functie en agrarisch gebruik De afstand van gevoelige functie tot het agrarisch gebruik bedraagt circa 15 meter. Hierbij dient te worden vermeld dat een groot deel van de te realiseren woningen zelfs op een grote afstand gelegen zijn, namelijk circa 18 meter en meer. In het tussenliggend gebied zijn oppervlaktewater en groenfuncties gelegen wat voor een behoorlijke scheiding van functies zorgt. Correct om te vermelden is tevens dat in de huidige situatie op een gelijke afstand woningen mogelijk zijn. Teeltvrije zone langs oppervlaktewater In het Bal zijn afstanden geregeld van teeltvrije zones ten opzichte van oppervlaktewater. Binnen deze zones mogen geen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Bij overige waterlopen dient een afstand aangehouden te worden van 3 meter vanaf de insteek. Dit maakt dat de afstand tussen het mogelijk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de gevoelige functie uitkomt op circa 19 meter. Overheersende windrichting Het agrarisch perceel is aan de noordoostzijde van het plangebied gelegen.
Aangezien de overheersende windrichting in Nederland verreweg zuidwestenwind is heeft de overheersende windrichting een positief effect op de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen voor de volksgezondheid. Dit omdat door drift, voor het grootste deel van het jaar, de gewasbeschermingsmiddelen niet naar het plangebied zullen waaien. Het agrarisch gebruik zelf Uit jurisprudentie volgt dat een agrarische bestemming alleen relevant is als daadwerkelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt of kunnen worden gebruikt. In gevallen waar sprake is van een zeer beperkte of niet-intensieve teelt, is het verdedigbaar dat een kortere spuitvrije zone acceptabel is. Op basis van de agrarische bestemming is het mogelijk om gewassen te telen waarbij gewasbeschermingsmiddelen gebruikt kunnen worden. Op basis van satellietbeelden blijkt echter dat het naastgelegen agrarisch perceel de afgelopen 18 jaar in gebruik is als agrarisch grasland. Bij agrarisch grasland wordt geen gebruik gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Op basis van deze historie is het niet aannemelijk dat het agrarisch bedrijf zomaar omschakelt en dat hierdoor de volksgezondheid in geding komt. 6.17.3
Conclusie
Op basis van jurisprudentie en de specifieke omstandigheden ter plaatse kan worden beargumenteerd dat een spuitvrije zone van 50 meter niet noodzakelijk is en onder deze omstandigheden een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is geborgd. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect spuitzones.
Hoofdstuk 7 7.1
Kostenverhaal
Regels kostenverhaal
Afdeling 13.6 van de Omgevingswet gaat in over het kostenverhaal bij activiteiten en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Daarin is bepaald dat het niet is toegestaan om aangewezen bouw- of gebruiksactiviteiten te verrichten zonder het kostenverhaal geregeld te hebben. Het kostenverhaal kan daarbij zowel via privaatrechtelijke weg met een overeenkomst als via publiekrechtelijke weg met regels in het omgevingsplan worden vastgelegd.
59
TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied
7.2
Anterieure overeenkomst
De gronden zijn in eigendom van de gemeente en zij is de initiatiefnemer van het plan. De kosten van de planontwikkeling worden gedekt uit de begroting. Hiermee is het kostenverhaal afdoende verzekerd. Het TAM-omgevingsplan is vanuit gemeentelijk perspectief financieel en economisch uitvoerbaar.
Hoofdstuk 8 8.1
Participatie en keten
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van het wijzigingsbesluit zijn betrokken. Daarbij wordt aangegeven hoe invulling is gegeven aan het toepasselijke gemeentelijke participatiebeleid (artikel 10.2 Omgevingsbesluit).
8.2 Participatie voorafgaand aan het tot stand komen van het ontwerp-wijzigingsbesluit 8.2.1
Publieksparticipatie
Op 1 februari 2023 heeft de gemeente Meppel de bewoners van Danninge Erve Zuid geïnformeerd over de plannen voor de verdere ontwikkeling van Danninge Erve zuid, fase 2. Tijdens deze bijeenkomst is afgesproken dat verder met de bewoners in gesprek wordt gegaan over de invulling van het derde deelgebied. Op 8 maart 2023 heeft een tweede bijeenkomst plaatsgevonden om verder in gesprek te gaan over de invulling van het derde deelgebied. Dit gesprek vond plaats binnen de volgende kaders: De buffer tussen de bestaande bebouwing van de Dorpsstraat en het nieuwe plan moet blijven bestaan. Het wegenpatroon zoals in het huidige bestemmingsplan opgenomen blijft hetzelfde. De kavels voor een combinatie van wonen en werken zijn na 5 jaar aanbieden niet verkocht. Hier zal een ander type woning moeten komen. Het aantal en typen woningen moet aansluiten bij het overzicht zoals aangegeven. Woningtypes: Rij woningen 37 2-kappers 16 Vrijstaand 20 CPO/zorgwoningen 7 Op deze avond waren ongeveer 25 tot 30 belangstellenden aanwezig. Uitgenodigd waren de bewoners (en toekomstige bewoners) van Danninge Erve zuid II. De uitnodiging is verzonden om in gesprek te gaan met direct belanghebbenden; bewoners die uitzicht hebben op het 3de deelgebied waar de herverkaveling plaats gaat vinden.
In het eerste deel van deze avond heeft een gesprek plaatsgevonden waarin de gemeente heeft aangegeven waarom het derde deelgebied opnieuw ingericht wordt en de keuze is gemaakt voor andere woningtypes. Belangstellenden hebben verschillende voorstellen gedaan tot aanpassing van het conceptplan. Een deel van de aanwezigen sprak zijn teleurstelling uit over het verlies van de eerder ruimere opzet van de wijk en het veranderde uitzicht. Een enkeling sprak de zorg uit betreft de invloed van de komst van sociale huurwoningen. In het tweede deel van de avond hebben belangstellenden in een werksessie meegedacht om te komen tot
60
TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied
de inrichting van het derde deelgebied. Belangstellenden zijn in vier groepen verdeeld en is er getekend, geschetst en bij geschreven op de tekening van het conceptplan herverkaveling. Daar zijn bruikbare ideeën uitgekomen. De inbreng van de belangstellenden heeft belangrijke informatie opgeleverd. De input zoals aangegeven op het concept inrichtingsplan kan na bestudering worden ingedeeld in de volgende 5 onderwerpen die van invloed zijn op de herverkaveling: Vergroting van het aantal woningen Belangstellenden gaven aan te vrezen voor verkeersoverlast door de verdubbeling van het aantal woningen. Omdat er meer woningen worden gebouwd neemt het aantal verkeersbewegingen van automobilisten en fietsers toe en wordt het drukker. Het bestaande stratenpatroon kan deze toename echter gemakkelijk verwerken. Zie hiervoor paragraaf 6.4. Rij woningen in plaats van vrijstaande woningen De aanwezigen zijn geen voorstander van rij woningen. Een enkeling ziet ook sociale huur niet zitten. Zoals hiervoor aangegeven bestaat de verkaveling in het plan uit 2012 vrijwel geheel uit vrijstaande kavels aangevuld met een paar kavels voor 2-onder-1-kap woningen. Echter sinds 2012 is de vraag naar woningen helemaal veranderd. De gemeente wil rijwoningen realiseren om te voldoen aan de vraag.
Daarnaast wil de gemeente een deel van haar woningbouwopgave realiseren in Nijeveen om het dorp leefbaar te houden. Het ontwikkelen van een geheel nieuwe locatie voor woningbouw kost echter veel tijd. Daarom is ervoor gekozen om het 3de deelgebied van Danninge Erve zuid opnieuw in te richten. De gemeente begrijpt dat dit een andere invulling is dan waar de huidige bewoners van de wijk op hadden gerekend. Daarom is zo veel mogelijk met de bewoners in overleg getreden over de invulling van het 3de deelgebied. Herverkaveling woon-werk kavels Aanwezigen zijn geen voorstander van de herverkaveling van de woon-werk kavels met vrijstaande woningen. Voorgesteld is om de geprojecteerde speeltuin aan De Diek hiernaar toe te verplaatsen en de vrijkomende ruimte aan De Diek te bestemmen voor vrijstaande kavels. Daarnaast wil men ook graag dat de geprojecteerde speeltuin aan De Diek zo snel als mogelijk (liefst voor de zomervakantie van 2023) gerealiseerd wordt. De gemeente blijft de structuur van het huidige bestemmingsplan handhaven. Dat houdt onder andere in dat het wegenpatroon van De Vorrel overeenkomt met de bestemming “verkeer” in het geldende bestemmingsplan. Hetzelfde geldt voor gronden bestemd voor “wonen” en “groen”.
Omdat de kavels die zijn aangeboden voor een combinatie van wonen en werken aan De Veenties, nadat deze 5 jaar te koop hebben gestaan, niet verkocht zijn worden hier vrijstaande woningen gebouwd. Dit deel heeft al de bestemming “wonen” gecombineerd met de bestemming “tuin”. We gaan het aantal vrijstaande woningen tegenover de gebouwde woningen aan De Veenties maximaliseren op 10 stuks. De speeltuin aan De Diek is inmiddels gerealiseerd. Vrijstaande woningen langs De Vorrel Door een aantal belangstellenden is voorgesteld om de geplande rij woningen langs De Vorrel te verplaatsen naar de rand van het 3de deelgebied en de vrijstaande en 2-onder-1-kapwoningen te projecteren direct aan de doorgaande weg. De gemeente vindt dit een goed idee en heeft dit verder uitgewerkt in dit plan. Beeldkwaliteit Aanwezigen hebben hun zorgen geuit met betrekking tot de beeldkwaliteit en uitstraling van rij woningen en sociale huurwoningen. De gemeente begrijpt deze zorg. Op 8 maart is een vlakindeling gepresenteerd waar woningen op gebouwd worden. Dit platte vlak zegt niets over de architectonische- en beeldkwaliteit van de woningen. Dat maakt dat het moeilijk voor te stellen is hoe het 3de deelgebied eruit komt te zien. Om hier toch een beeld van te krijgen geldt voor het derde deelgebied dezelfde beeldkwaliteit zoals die ook
61
TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied
gold voor de vorige fases van Danninge Erve zuid. Zo leveren we niet in op de beeldkwaliteit van het plan. Het derde deelgebied moet minimaal dezelfde uitstraling krijgen als De Ryge. Om dit duidelijker te maken stelt de gemeente voor om een projectontwikkelaar enthousiast te krijgen om een deel van het derde deelgebied te ontwikkelen met een combinatie van rij woningen, vrijstaande- en eventueel 2-onder-1 kapwoningen. Woningen voor starters en senioren om de doorstroming in het woningaanbod in Nijeveen te stimuleren. De gemeente hoopt daarmee een beter beeld te kunnen geven van hoe het derde deelgebied eruit komt te zien. Het vervolg In de bijeenkomst van 7 mei 2024 heeft de gemeente de bewoners toegezegd dat het college een besluit neemt over de vorm van participatie op basis van het in december 2023 vastgestelde participatiebeleid. De gemeente heeft dit nader uitgewerkt. De gemeente streeft ernaar om de bewoners actief te betrekken. Op 2 en 15 april 2025 hebben participatieavonden plaatsgevonden in dorpshuis De Schalle in Nijeveen. Tijdens deze avonden is het Voorontwerp TAM-omgevingsplan Danninge Erve Zuid 3e deelgebied gepresenteerd. Tijdens deze avond was ruimte voor vragen en konden bewoners hun reactie geven. De vragen die plenair zijn gesteld, zijn ter plekke beantwoord.
De verslagen met de PowerPoint van de avond zijn bijgevoegd als Bijlage 13 en Bijlage 14 bij deze motivering. Het plan lag vanaf woensdag 26 maart 2025 tot en met 6 mei 2025 als voorontwerp ter inzage. Hierbij is aan iedereen de mogelijkheid geboden om een inspraakreactie te geven. Naar aanleiding van deze reacties is een Reactienota inspraak en overleg opgesteld. Deze nota is als Bijlage 15 toegevoegd aan deze motivering. Vervolgens is op 23 september 2025 een participatieavond georganiseerd om het ontwerp van het TAM-omgevingsplan te presenteren en de gelegenheid te geven voor vragen en opmerkingen op het ontwerp TAM-omgevingsplan. Een verslag met de PowerPoint van de avond is als Bijlage 16 opgenomen bij deze motivering. 8.2.2
Interbestuurlijke afstemming
Het voorontwerp van het plan is voorgelegd aan het Waterschap en de provincie Drenthe. Deze hebben geen bezwaren tegen het plan kenbaar gemaakt.
8.3
Ontwerp-wijzigingsbesluit
Het plan heeft vanaf 2 september 2025 tot en met 21 oktober voor eenieder ter inzage gelegen. Hierbij heeft iedereen de mogelijkheid gehad om een zienswijze in te dienen. Naar aanleiding van deze reacties is een nota zienswijzen opgesteld. Deze nota is als Bijlage XX toegevoegd aan deze motvering.
62